Contact

Northedge B.V. 
Oosthaven 15-16 
2801 PC Gouda 
The Netherlands 
T 31 (0)182 684545 

www.northedge.nl 
Tw @PeterNoordhoek 

Archief

Weblog

Van Hoodies naar mannetjes op de maan (of ook: met Gelderland naar Engeland)

De weg van Westminster naar het Olympisch stadion loopt via Hackney. Nou ja, niet helemaal, eerlijk gezegd. Als je wilt rij je zonder problemen om de wijk heen en dat zullen de meeste mensen tijdens de spelen ook wel doen. Zouden we tegen die tijd dan ook niet meer aan Hackney denken? Aan het Hackney van de Rellen van augustus 2011? In deze blog kijk ik terug naar een reis die we in 2009 naar dezelfde steden in Engeland hebben gemaakt die nu onderdeel van de rellen zijn geweest. Daarbij probeer ik iets te zeggen over de kans dat er meer ontwrichting zal volgen – het soort ontwrichting waar niemand omheen kan rijden.

Aan mijn blog is aan het einde de tekst van een mail toegevoegd van Peter Franklin, parliamentary assistent van Greg Clark, de nieuwe ‘minister of cities’

Context

Hackney is een goed voorbeeld van een Londense wijk waarin sprake is van een wankel evenwicht. En dat evenwicht ligt letterlijk aan scherven. Ik sluit me aan bij degenen die het veel te gemakkelijk vinden om excuses te zoeken voor het gedrag van het tuig door te verwijzen naar ‘sociale omstandigheden’. Om ethische en praktische motieven zal het rechtssysteem nu moeten doen wat ouders hebben laten liggen: een echte tik op de vingers uitdelen. Maar dat gezegd hebbend, is het ook duidelijk dat het rechtssysteem alleen niet genoeg is om deze vorm van anarchie te keren. We hebben lessen te trekken, en snel ook. Zoals Cameron zelf zegt: ‘criminals should be treated as criminals, but criminality always has a context’. Het is wat veel voor een blogje, maar hier wil ik mij toch richten op de vraag naar de wisselwerking tussen de economische en sociale context.

Plunderende superconsumenten

In mijn blog van vorige week (in verkorte vorm in het FD van zaterdag 13 augustus verschenen), voorspel ik een ‘W-vormige’ recessie. Dit vooral omdat ik verwacht dat de Amerikaanse bezuinigingen zich zullen vertalen in een reeks faillissementen van Amerikaanse Staten en steden. Faillissementen die zich weer zal vertalen in allerlei effecten op de inkomsten van private partijen in met name het kwetsbare middensegment. Dit schreef ik op met het oog op de te verwachten economische effecten. Na de rellen in Engeland zie ik nog een ander effect: sociale ontwrichting op grote schaal. Door verschillende mensen in mijn omgeving wordt dit al sinds het begin van de eerste crisis voorspeld (ze hebben echter niet voorspeld dat de ontwrichting zo bij de tijds zou zijn: plunderaars als nihilistische superconsumenten met een voorkeur voor HD-TV’s). Dat die sociale ontwrichting er tot nu toe niet van gekomen is kwam doordat de overheidsbestedingen tot nu toe buiten spel zijn gebleven. Voordat ik wat meer wil schrijven over de mechanismen daarachter, eerst nog even terug naar het Engeland van 2009, zoals geobserveerd door een groep van Gelderse wijkmanagers, met uw eigen blogger als reisgids.

Van Gelderland naar een ander land

Gelderland is een relatief rijke provincie. Toch kennen ook steden als Arnhem, Nijmegen en Ede hun weerbarstige wijken. De wijkmanagers uit deze middelgrote steden kwamen (en komen) regelmatig bij elkaar, gesteund door de provincie. Het werd een team, met een mix van beleidsmakers en ‘street wise’ doeners. Eén van hen kreeg het idee om samen een studiereis naar Engeland te maken, nadat hij dat 8 jaar eerder ook al eens had gedaan met ene Noordhoek. Zou die man nog leven? Jawel.

Gebruikmakend van een aantal Britse contacten, inclusief enkele grondleggers van de ‘Big Society’-gedachte, is daar een reis uit ontstaan. Deze ging langs de steden Liverpool, Wolverhampton, Birmingham en Londen: samen met Manchester de echte relsteden, maar dan andersom gedaan. Ik ga hier niet pretenderen dat we de rellen voorzien hebben, wel werd ons duidelijk dat de problematiek echt van een andere orde is dan in ons Nederland. Heb je in Nederland weleens een straat die dichtgetimmerd is in de afwachting van sloop, in Liverpool hebben we complete woonwijken gezien die waren dichtgetimmerd in afwachting van een mogelijke renovatie, ooit. Of andersom, bijvoorbeeld in het geval van Kings Cross in Londen en vooral de plek waar de Olympische spelen gaan komen, dan zie je daadkracht op een ongelofelijke schaal. Bovenin een bejaardentehuis – er was nog net plaats voor ons in de lift naast de trolleys van de bewoners – mochten we uitkijken op de bouwplaats van de spelen. Een ruimte zou groot als Amersfoort. Daarnaast keken we ook nog eens uit op het stadsvernieuwingsproject dat daar liep, het Thames Valley project; nog eens minstens tweemaal zo groot. Een van de armste voorsteden van Londen, Newham, werd totaal op de schop genomen. De problematiek van Newham was tot 2009 in ieder geval een stuk ruiger dan die van Hackney, maar tijdens de rellen heb ik er veel minder van gehoord.

Postcode bendes

Een andere schaal dus, maar toch lang niet het meest indrukwekkende wat we hebben gezien. Dat is vooral te vinden op de menselijke schaal. De extremen zijn groter, zowel in het negatieve als het positieve. In het negatieve viel vooral Wolverhampton op. We werden daar ontvangen door een gemeentemensen die op een geweldige manier van heel weinig heel veel wisten te maken, maar het was ook toen al duidelijk hoe groot de problemen in die middelgrote stad zijn. Mij staat een film bij de een paar jongeren zelf hadden gemaakt over de botsing tussen twee ‘postcode gangs’. Neem dat letterlijk: gangleden tatoeëren hun postcode in hun nek en dat wordt de basis voor een oorlog tussen postcodes, met drugs als inzet. De dreiging die daarvan uitgaat, kan je direct koppelen aan de geweldsexplosies van de afgelopen week (en de tijd ervoor: volg de Britse kranten en je weet hoe geweldig de samenleving daar kan zijn.) Hoe dreigend het kan zijn wordt door Simon Marcus zo verwoord:

‘I asked a student if it was an option to apologise or grovel to a knife gang, say sorry for looking at them, give them your money and just walk away? I hasten to add that when I was at school I avoided a few punches using this technique. He said now they would just stab you anyway for being a pussy.’

Een school die een wijk adopteert

Niemand ontsnapt. Of toch. Tijdens de reis was iedereen in ieder geval zeer gretig om hun kunnen aan ons te laten zien – want naar Nederland wilden ze allemaal wel gaan. Daar doorheen kijkend, zagen we gelukkig ook krachtige voorbeelden van hoe het anders kan. Zo was er het prachtige voorbeeld van een school in een rotwijk in Liverpool die op alle maatstaven slecht scoorde en dat helemaal wist om te draaien door zelf een nieuw deel van de wijk te gaan adopteren. De school had heel bewust iemand in de functie van dwarsdenker benoemd. Wat hij bedacht, was het adopteren van een groot stuk braakliggende grond tegenover de school door die school. Op dat stuk grond zou een nieuwe woonwijk verrijzen, deels bestemd voor de vroegere bewoners van dat stukje wijk. De leerlingen hielpen eerst met het ontwerpen van de wijk. Leerlingen gingen de geschiedenis van de wijk onderzoeken en gebruikten dat weer bij de verdere vormgeving van de wijk en de modelwoningen. Enzovoort. Aan het eind ligt er dan een nieuwe wijk die geen last heeft van graffiti en de prestaties van de school zijn in hun geheel sterk omhoog gegaan. En waren er meer prachtige voorbeelden: de inwoners van een wijk in Birmingham die prostituees en pooiers er uit had gestuurd en zelf het opknappen van de wijk ter hand had genomen. Het buurthuis met bijzondere projecten. Allemaal voorbeelden waar een elan van uit ging waar we op die reis in ieder geval veel van opstaken.

Hoodies en midsummer murders

Er zijn vele overeenkomsten tussen het Nederlandse en Britse lokaal bestuur. Vergelijkend onderzoek laat zien dat beide landen meer bij elkaar horen dan andere Europese landen. Het zijn in ieder geval landen met een sterke centrale overheid en de bereidheid op beleidsniveau om snel tot vernieuwing over te gaan. Daarna moet je oppassen, want verschillen zijn er ook en die komen om de hoek kijken als je het net niet verwacht. Over de verschillen in schaal heb ik het al gehad. Mijn beeld is ook dat de hele cultuur van Engeland in vergelijking met ons een stuk harder is. Ongelijkheid is normaal. Voor het gezellige beeld van ‘midsummer murders’ moet je toch echt op het platteland zijn – en dan nog. Maar relevanter voor nu is het verschil in de wijze waarop in Engeland is omgegaan met de financiering van projecten in achterstandswijken. De mate waarin lokale overheden afhankelijk zijn gemaakt van centraal en vooral ook politiek aangestuurde projectpotten is nog een dimensie erger dan bij ons. Deze piramidale pottenstructuur begon voor Labour zelf al een probleem te worden, reden voor veel half gelukte pogingen tot prestatiesturing. Met het ineenstorten van de economie en de regeringswisseling is die hele piramide gaan schuiven. Echt in elkaar gestort is die nog niet, maar iedereen weet dat dit gaat gebeuren en geeft elkaar de schuld; een soort beleidsmatige rellen die aan de echte rellen vooraf gaan. Als ik terugdenk aan onze reis, dan hebben we gezien dat er goede dingen werden gedaan op een schaal die wij in Nederland niet konden halen, maar tegelijk voelden we toen ook al aan hoe broos het allemaal was. Als klein, maar typerend moment zie ik nog voor me hoe we als een brave colonne naar weer een nieuw buurthuis werden geleid, en ons ondertussen een ‘hoodie’ met een vechthond aan de lijn onze groep passeerde. Vanonder zijn capuchon keek hij ons grimmig aan. Het laagje beschaving dat het allemaal nog net bij elkaar hield, was al aan het scheuren.

Het grotere beeld

Hoer ernstig ook, de britse rellen zijn uiteindelijk beheersbaar. De Engelse herfst zal er met haar regen voor zorgen dat de hoodies zo voor praktischer doeleinden worden gebruikt. Na een false start geeft de regering de indruk nu echt wakker te zijn. Sterker nog; ik ben best onder de indruk van de wijze waarop er publiek op de rellen is gereageerd. Dat loopt van spontane bezemacties tot en met de artikelen in nota bene de conservatieve pers waarin ook de rijken een veeg uit de pan krijgen voor onverantwoord gedrag. Bezorgder ben ik over de vraag wat er in de Verenigde Staten gaat gebeuren. Aan het begin van mijn blog sprak ik mijn zorg uit dat er in de VS een recessie aankomt die mede veroorzaakt gaat worden door grote financiële problemen – tot en met faillissementen – bij de Staten en steden. Het zit niet in de economische modellen om daar rekening mee te houden, maar ik meen dat het effect van deze faillissementen fors is; vergelijkbaar met een reeks Griekenland drama’s. Ik acht dat de kans dat het daar uit de hand gaat lopen reëel. Aan de economische gevolgen voeg ik nu dus de sociale toe en voorspel stevige sociale onrust. Niet direct, mogelijk pas na de presidentsverkiezingen van november, maar voor mij is de vraag niet meer of het gaat gebeuren, maar wanneer het gaat gebeuren. Ik voeg er nog twee redenen aan toe.

Relatie tussen groeperingen en rellengroei

Allereerst valt te voorspellen dat de sociale onlusten zullen beginnen daar waar de groep jongeren tussen 15 en 29 jaar het grootste is (c.q. meer dan 30% van de bevolking daar uitmaakt). De VS heeft een relatief jongere samenstelling dan Europa en een fors deel daarvan is geconcentreerd in het Zuiden van de VS – denk bijvoorbeeld aan de Mexicaanse migranten. Het tweede wat te denken geeft zijn onderzoeksresultaten (wel wat schimmig; de ene keer lijkt het over India te gaan, dan weer over Engeland zelf), waaruit zou blijken dat bij 1% welvaartsverlies er een stijging met 5% zou zijn van de kans op rellen. De percentages daargelaten, dat er iets van een relatie is, lijkt logischer dan dat die er niet zou zijn. Met andere woorden; we doen er verstandig aan om ons voor te bereiden op een grote periode van onrust. Een onrust die me in Engeland en ook in ons eigen land beheersbaar lijkt, maar waarbij ik zorg heb dat de onrust in de Verenigde Staten dusdanige dimensies gaat aannemen dat het disfunctioneren van het politieke systeem daar echt tot ongelukken leidt.

Relativering en perspectief

Ja, ik ben thuis ook altijd het zonnetje in huis. Ter relativering van mijn eigen woorden ben ik voor mijn boekenkast gaan staan en heb er wat publicaties uit gehaald over de VS in de jaren 60-70. Dat was vele malen erger dan alles wat we tot nu toe gezien of gehoord hebben. Dat maakt het niet minder ernstig wat er nu gebeurt, maar ook daar kwamen we dus op de een of andere manier doorheen en vele, vele mensen hebben het alleen maar als een periode van grote economische groei beleefd. Wat ze wel hadden waren een paar uiterst impopulaire presidenten als Johnson en Nixon die op de een of andere manier toch wisten te doen wat nodig was om de maatschappij weer in beweging te krijgen en mannetjes op de maan te zetten. Ik wou dat het al zover was.

Peter Franklin

Een van de mensen die ik heb benaderd voor de reis naar Engeland in 2009 is Peter Franklin. Peter is een fijne, erg Britse jongeman en een begenadigd schrijver. Hij heeft in de donkere dagen van de oppositie op het partijbureau van de Britse conservatieve partij gewerkt, waar ik hem leerde kennen. Daarna werd hij de assistent van twee bijzondere mensen: Oliver Letwin MP, het strategische brein achter de partijvernieuwing, en Greg Clark MP, een genereuze parlementariër die o.a. de ‘voluntary sector’ in de portefeuille had. Naar aanleiding van de rellen heb ik hem gemaild en zijn reactie is boeiend genoeg om in z’n geheel te plaatsen:

Hi Peter — Good to hear from you. I am working on policy though from Greg’s Parliamentary office rather than from a Government office (one of the first decisions of the new government was too restrict the number of political advisors). I don’t know if you saw, but Greg has been appointed Minister for Cities (in addition to his current role (minister for Local Government, PN)) — an interesting time to be taking on that topic to say the least (though not all the rioting took place in cities and many cities were riot free). Any lessons from other countries, including the Netherlands, on what makes cities prosper would naturally be of great interest.

As for the cause of the riots, everyone has a theory! There is very little reason to think that the motivations were political or communal (by which I mean rooted in racial or religious tensions). It is no secret that Britain has one of the worst records in the western world in regard to family cohesion and educational failure especially in regard to the least advantages social groups. A whole generation of young people has grown up with very little connection to mainstream society — which is clearly the most relevant context for the riots. But in terms of direct causes — there is the combination of deeply rooted and well organised criminal gang structures in the areas that were hit and a catastrophically misjudged police response to the initial trouble — a sign of weakness that was immediately noticed and exploited. In otherwords the rioters had the opportunity and the means, but lacked the moral motivation to resist temptation.

The immediate focus for the Government was restoring order. But the focus is shifting to long-term solutions. Greg will have an interesting role in encouraging locally-led responses in each city and helping to clearaway the bureaucratic and political obstacles to such action that our over-centralised systems tends to put in the way of local leadership.

How are things in the Netherlands? Obviously when Britain isn’t rioting one of the main news stories is the European financial crisis — but never do we hear the Dutch perspective on it, only those of Germany and France and those the vulnerable economies. It would interesting to know the Dutch government and voters think!

 

I will definitely pass on your good wishes to Greg.

 

All the best,

 

Peter

 

 

 

 

Peter Noordhoek

www.northedge.nl aug. 2011

Wat we aan een W kunnen doen

We leven in de dagen van de self fulfilling prophecy. Het gaat niet goed, dus het gaat niet goed. De politiek is machteloos, dus is deze machteloos. Niets van wat er nu financieel-economisch gebeurd is onvermijdelijk, het is allemaal mensenwerk, maar toch ervaren we het als onvermijdelijk. Ik moet zeggen dat ik in mijn leven al heel wat massabewegingen mee heb mogen maken, maar dit is echt bij de wilde lemmingen af. Het is ook indrukwekkend, want het is zo groot. In 2009 was er een run op de banken, op wie moeten we nu een run doen? Op onze overheden? Dat zijn wijzelf.

Paradox

Het is niet noodzakelijk dat we een tweede – ‘W-vormige’ – recessie ingaan. Waarschijnlijk is het wel. Zelf zoek ik de reden vooral in de verwevenheid van de publieke en private sector en de mate waarin de bezuinigingen in de overheid de private sector met zich mee zullen trekken, in de VS nog meer dan hier. Maar de precieze oorzaak doet er eigenlijk niet zo toe, want we weten vrij goed wat de oorzaak in het groot is: teveel schulden. Zoals de Amerikaan Kenneth Rogoff het zegt: ‘We are not in a Great Recession but in a Great (Credit) Contraction’. Uit deze ‘schulddeflatie’- mijn woord – komen we alleen als de basis van onze economie weer op orde komt. Nu dreigt de paradox dat we moeten groeien om van onze schulden om af te komen, maar dat we niet kunnen groeien omdat we eerst van onze schulden af moeten komen. Om daar niet in vast te lopen moeten we dus op zoek gaan naar elementen die als het ware buiten deze paradox staan. Ik heb er drie om op in te zetten, al zeg ik er gelijk bij dat de drie eigenlijk te simpel klinken voor deze complexe tijden. Dit zijn ze:

Hard werken

De basis voor elke economische groei is heel basaal: hard werken. De vorm maakt niet eens zoveel uit, maar zoals voor mensen schijnt te gelden dat een talent pas een kans krijgt na zo’n 10.000 uur oefenen, zo geldt dat ook voor een economie. En hoewel de vergrijzing er zeker aankomt, is het arbeidspotentieel op dit moment volop aanwezig – en onderbenut. Ik ben positief over de werkkracht die nu overal vrij komt. Daarbij heb ik het beeld dat de generatie die nu de arbeidsmarkt aan het betreden is, al heel goed doorhebben dat zij geen ‘free lunch’ krijgen. De norm is hard werken. Als ik naar mijn zoon kijk: keihard werken. En voor al diegene die van de luie eerdere generaties: nu we allemaal aan de PDA gaan – en het in de meeste gevallen nog fijn vinden ook – is dat hele gepraat over de 36-urige werkweek zo achterhaald. Het gaat gewoon altijd door. Jammer voor degenen die een minder jachtig leven voorstaan, maar niet slecht voor de economie.

Werken aan kwaliteit

Ik heb er persoonlijk een groot belang bij om dit te schrijven. Maar ik ben ook een professional en ik kan het op alle niveaus bekijken: we hebben een enorme slag te slaan als het om de kwaliteit gaat. Of we het nu hebben over onze diensten, producten, organisaties of branches: het is het allemaal ‘net niet’. We proberen teveel op snelheid te doen wat we op kwaliteit niet halen en tegelijk werken we niet snel genoeg om die kwaliteit te verhogen. Of, om het minder cryptisch te zeggen: we moeten ambitie hebben om voor hetzelfde geld iets veel beters te gaan leveren dan wat we nu doen. Of we de kwaliteit nu uitdrukken in het maximaal aantal fouten in een printplaat op nanoniveau of op het maximaal aantal infecties per ziekenhuisbed, het moet beter. En het is nog leuk ook om het beter te gaan doen.

Geld zichtbaar maken

Tijdens de crisis aan het begin van de 90-er jaren (bijna vergeten, omdat het daarna zo goed ging), was ik programmaleider voor een reeks opleidingen financieel-economische besturing op De Baak. Met topdocenten als Ronald Poppe en Jan Hordijk was het een genot om managers door de wondere wereld van de financiën heen te leiden. Wat ik er zelf van over heb gehouden is een scherp onderscheid tussen ‘vermogensdenken’ en ‘cash flow-denken’. Zelf weet ik genoegen van vermogensstromen af om te weten dat ik er niet genoeg van afweet, maar ik voel me heel goed in staat tot cash flow-denken. Die liefde voor deze manier van denken komt deze dagen in volle omvang terug: de relatie tussen wat er in komt en wat er uit gaat (en wat er onder ligt) moet zichtbaar blijven. Dat is mijn derde opgave. De bankindustrie heeft het zwaar, maar moet het nog zwaarder krijgen. Er is nog altijd veel geld in omloop, maar die zal in toenemende mate buiten de vermogenshuizen moeten gaan. Net zoals de banken niet meer in staat lijken ‘echt’ geld uit hun vermogen vrij te maken, zo zijn overheden ook niet meer in staat effectief middelen vrij te maken. Wat ik graag zou zien is een vorm van handel doen waarbij de intrinsieke waarde van spullen, net als de kwaliteit ervan weer zichtbaar en waardeerbaar wordt, zonder tussenkomst van verstorende vermogensconstructies. Anders krijg je, zoals het in een tweet spottend werd aangekondigd, uiteindelijk deze situatie: ‘De regering van de Verenigde Staten gaat over op een systeem van ruilhandel. De regering is hard op zoek naar iets dat het ruilen waard is.’ Ruilhandel is zo gek nog niet, maar hoe dan ook: wie ergens een inspanning voor levert of een product te leveren heeft, zal daar weer directer voor beloond moeten worden. Veel van onze businessmodellen kloppen niet meer en smeken om vervanging. Dat komt wellicht niet eens zozeer door de financiële crisis als wel door de digitale revolutie. Die mensen die dankzij de PDA’s nu alle dagen van de week bereikbaar zijn voor werk doen dat niet binnen iets als een passende CAO (net zo min overigens als het schrijven van blogs e.d.). We zeggen ‘het hoort erbij’. Maar dat is niet zo. Als iemand een inspanning levert hoort daar een beloning tegenover te staan, net zoals dat tegenover het niet leveren van de diensten geen beloning hoort te staan. Deze crisis zal pas afgelopen zijn als we voor dat marktfalen weer oplossingen hebben bedacht die werken. Dat begint bij het zichtbaar maken van wat we doen.

Drie die het niet zijn

Zo, dat zijn mijn drie factoren. In het kort. Er zijn er ook 3 die het voor mij niet zijn. Dat begint met het praten over ‘vertrouwen’. Dat is zo passé. ‘Wantrouwen’ dan? Niet doen; je krijgt te makkelijk gelijk. Dit is de tijd voor doen. Ik geloof nu in een lekker paradoxale combinatie van nieuwsgierigheid en een houding van ‘het is zoals het is’. Waar ik even ook niet zoveel mee heb is het woord ‘innovatie. Over ‘innovatie spreek je als het gaat om ‘sprongsgewijze verbetering’. Heel nuttig en natuurlijk moeten we het doen, maar .. Niet alleen heb ik het gevoel dat er domweg niet genoeg (overheids)geld is om ons een weg uit deze crisis te innoveren, ik heb ook erg de zorg dat we innoveren gaan gebruiken om niet aan datgene wat voor innovatie ligt te gaan werken.

Dan heb ik nog een laatste punt waar ik nu niet zo op heb: het de schuld geven aan de politiek. Als de politici doen wat de economie vraagt dan verliezen ze hun kiezers en als ze doen wat de kiezers vragen dan verliezen ze de economie. Onze leiders, onze politici, zijn zoals wijzelf zijn: te klein voor wat er nu gebeurd. Met onze knappe koppen hebben we van de economie een complex digitaal monster gemaakt dat niet meer langs de klassieke weg valt te besturen. Net als u zal deze blogschrijver de ontwikkelingen nauwgezet volgen en van tijd becommentariëren. Minstens zo vaak zal ik echter mijn oor op digitale gronden te luisteren leggen en me afvragen: werken we hard genoeg, werken we daarbij aan onze kwaliteit en weten we waar we aan werken? Als dat het geval is zal blijken dat we opeens in het laatste deel van de ‘W’ schieten.

Naschrift

Naar aanleiding van deze blog ontstaat er wat disucssie over de vraag of we nu wel of niet de ‘W’ ingaan. De eerste reactie op het verlagen van de rating voor Amerikaanse overheidsschulden door Standards & Poor is niet zo slecht als was gevreesd. Waarom dan toch die verwachting? De kranten volgend zou een 2e recessie al het geval zijn vanwege nieuwe prijsdalingen van huizen in de VS. Of dat ook tot een 2e recessie zal leiden op wereldschaal weet ik niet. Waar ik op af ga zijn de gevolgen van het begrotingsakkoord voor de Amerikaanse staten en steden, iets waar ik meer zicht op denk te hebben. De positie van die staten en steden is al uiterst zwak en verslechterd verder door het akkoord. De verwevenheid van de publieke sector in de private sector is in de VS weliswaar niet zo zwaar als in Europa (ruwweg 30% in de VS versus 50% in Europa), maar een golf van faillisementen van overheidsinstellingen, want zo letterlijk moet je denken, zal ongetwijfeld tot een schokgolf in de economie leiden. Omdat er geen echte opvang voor die problematiek is en ook de politieke wil ontbreekt om er wat aan te doen, zie ik deze ontwikkeling als de steen die de lawine doet rollen. ik hoop dat ik het mis heb.

 

Peter Noordhoek

Verdampende druppels en andere maatregelen tegen de tijdgeest in

Op 3 oktober 2010 was het CDA-congres met de stemming over het gedoogkabinet. Ik stemde voor. De reden daarvoor waren degelijk genoeg: het land moest geregeerd worden, er was geen geloofwaardig alternatief en er was wel een heftige economische crisis. Tegelijk was het, als bij zo velen, veel meer een keuze van het verstand dan van het hart. In augustus 2010, nu een jaar geleden, schreef ik een ‘‘ om mijn eigen overwegingen op een rij te zetten en zo wellicht ook anderen te helpen. Daarin beschreef ik onder meer hoe verleidelijk het was om principieel aan de kant te blijven staan, maar ik gaf mijzelf een draai om de oren: ‘soms stinken schone handen’. Ik hoopte zelfs dat deelname aan het kabinet een betere manier zou zijn om de PVV te bestrijden dan aan de kant te blijven staan: ‘Ik ben liever frontsoldaat in die strijd dan leunstoelgeneraal er buiten’.

Van kruimelwerk naar meer

Brave woorden. Wat heeft de soldaat er van gemaakt? Ik kan in ieder geval zeggen dat ik mij via social media als twitter, kritisch ben blijven uitlaten over in mijn ogen foute uitlatingen van de PVV. De andere kant heb ik overigens ook niet nagelaten: ze een compliment geven als dat in mijn ogen verdiend was. Het blijft echter kruimelwerk. In het licht van de gebeurtenissen in Noorwegen, en vooral Wilders’ eigen overreactie hierop, voel ik de behoefte om iets neer te zetten dat steviger is. Dat doe ik omdat ik mij wil houden aan mijn eigen voornemen en omdat ik er van overtuigd ben dat het in de kern niet gaat om de PVV zelf en zelfs niet om de persoon Wilders. Naast het feit dat ‘Noordhoek waarschuwt nog eenmaal’ niet veel indruk zal maken, is veel van waar de PVV voor staat een sterk aangezette, maar normale stroming in de Nederlandse politiek. Maxime Verhagen heeft gewoon gelijk als hij stelt dat we die niet mogen negeren. Dat betekent echter nog niet dat de waarden daaronder worden overgenomen. Op dit moment is het echter vooral de hele cultuur van de PVV waar ik moeite mee heb en die ook van mij een boos mens dreigt te maken in een boos land. Ik wil vanaf nu niet alleen afwachten. Ik kan meer doen om de belofte aan mijzelf te houden.

Eén: tegen de boosheid

Het eerste wat ik dan ook heb te doen is niet meegaan in die boosheid. Hoeveel er ook fout gaat, ik moet ook geloven in wat goed gaat. Net terug van een vakantie in Groningen, heb ik echt wel wat meegekregen van de (krimp)problemen daar, maar wat een schitterende omgeving vol mooie en vaak rijke mensen. Kom op, zeg. We doen nog zoveel goed. Dus, Noordhoek ook blijven benoemen wat goed gaat. En mochten er toch dingen fout zijn, dan toch ook de humor blijven zien. Wie wil er nu zo grim en humorloos door het leven gaan als een PVV’er?

OK. Dat is één, geloven in eigen kracht en de humor koesteren.

Twee: druppels

Wat dan? Is dit niet te tam? Daarover nadenkend ben ik weer gaan doen wat ik al lange tijd vermijd: het bezoeken van reaguurdersparadijzen. En omdat deze dagen de daden van Breivik overal echoën, heb ik zowel linkse als rechtse reaguurdersparadijzen opgezocht. Wat een ontwrichtende boosheid. Het bevestigt mijn idee dat extreem rechts en extreem links veel met elkaar gemeen hebben en dat beide meer met elkaar gemeen hebben dan met het midden. En ik, mens in het midden, laat dat allemaal maar zo gebeuren. Alsof het niet uitmaakt wat daar wordt gezegd, niets meer dan een ‘noodzakelijke uitlaatklep’. Goed, ook bij mij is de kelder minder opgeruimd dan in de rest van het huis, maar dat betekent nog niet dat ik het onder water laat lopen of ratten tolereer. (Pas op Noordhoek, geen boosheid. Humor, weet je nog wel?) Ik geloof er in ieder geval niet in dat je een ‘normale’ samenleving kunt hebben als dat deel van de webwerkelijkheid laat begaan. En nee, ik heb niet veel vertrouwen in het vermogen of de wens van webredacties om in te grijpen. Oproepen om sites als deze te sluiten is onzin en betekent alleen maar een verplaatsing van het probleem. En dat wordt dus twee. Op een aantal sites heb ik opgeroepen tot andere woorden, een andere toon. Bij rechts maakte ik duidelijk dat ik niet links was en andersom. Een kwestie van even de spiegel voorhouden. Zou het hebben geholpen? Mwahh. Nee. Het maakt vooral een virtuele gaap los. Ik denk dus dat het druppels zijn die al verdampen voordat ze de gloeiende plaat bereiken. Maar daar kan ik voor dit moment mee leven. In het vervolg wil ik wat stoom en gesis zien. Hopelijk volgt daarna wat afkoeling. Wie helpt?

Lessen van elders?

Nog even door. Speelt het gebeuren in Noorwegen hier een rol in? Zeker. Ik betwijfel of ik anders deze blog geschreven had. Ik heb het echter niet voor niets vooral op mijzelf betrokken. De discussie over de verantwoordelijkheid van Wilders voor het klimaat waarin Breivik zijn daad kon doen, stokt al wat. En de voorbeelden zijn er dat er ook weinig uit zo’n discussie komt. Deze week is de grote budgetdeal tot stand gekomen in het Huis van Afgevaardigden in de Verenigde Staten. Bij de stemming was ook Gabriella Giffords aanwezig. Ze werd met groot applaus en tranen ontvangen. Begrijpelijk, want nog geen zes maanden ervoor is ze door een gek met een mitrailleur in het hoofd geschoten. Het warme welkom zal ongetwijfeld  oprecht zijn geweest, maar diezelfde congresmensen hebben nog steeds geen verbod in durven voeren tegen het bezit van mitrailleurs door burgers. Het incident is weer een incident gebleken. Als het om sociale kwesties gaat kan de politiek uiteindelijk niet veranderen wat mensen er samen van maken.

Kamerlessen

Dat geldt ook voor de discussie over de wijze waarop we met elkaar omgaan na de ellende in Noorwegen. Je ziet hoe het fout gaat. Cohen, Bibbi en Pechtold worden door Wilders weggevaagd in zijn overreactie, maar niemand kan hem (nog) echt raken. Hoogstens zullen de grenzen tussen degenen die het wel of niet met Wilders eens zijn nog scherper worden getrokken. Rutte houdt zich sssssssstil. Dat loopt een keer met een knal af. Maar ook mijn eigen partij liet tot deze week niet van zich horen. Inhoudelijk kon ik het helemaal eens zijn met de reactie van Sybrand van Haersma Buma. Hij riep op tot eenheid en gaf zowel de oppositie als Wilders een tik op de neus.  Als gezegd wordt dat hij het zo enkel uit tactische overwegingen opschrijft, dan kennen ze deze fractievoorzitter niet. Binnen de Nederlandse verhoudingen wordt echter de high road al snel een side road als er geen harder verhaal achter zit. Op zich begrijp ik dat wel. Het langst zittende Kamerlid – Haagse Wilders – speelt het spel prima en houdt zich goed aan de afspraken. Maar net zoals hij de vrijheid claimt om buiten het regeerakkoord harde woorden te zeggen, heeft het CDA de vrijheid en plicht om voelbaar te maken dat we voor een andere samenleving staan. Ik wil mijn partij zien knokken op de randen van het regeerakkoord en alle spreekplaatsen in het land. Als ik dan mijn eigen dingen doe en anderen het hunne en Kamer en Kabinet dat weten te verwoorden, dan wordt het samen wat.

Gouds nachrift

Op de dag dat ik deze blog wil afronden, zie ik een tweet langskomen over de financiering van een cursus karate voor Marokkaanse probleemjongeren door de gemeente Gouda. Karate? Een zucht rolt van mijn kruin naar mijn tenen. Hoe presteert deze gemeente het om zo onhandig te zijn? Eerst nog over de waarde van zo’n cursus zelf. Het is inderdaad zeer wel denkbaar dat een dergelijke cursus een positieve invloed heeft op de meeste (!) deelnemers. Er lopen talloos van dit soort traject en het lijkt er op dat ze over het algemeen effectiever zijn dan andersoortige training, om de eenvoudige reden dat het dichter bij de belangstelling van de doelgroep ligt. Het aantal films dat dit soort projecten bejubelt is heel groot en er zijn er die er een Oscar voor hebben gekregen. Menig boksschool in New York en andere wereldsteden wordt om die reden overeind gehouden. Zelf heb ik recent een school voor breakdancing in Nicaragua gesteund. De organisatoren wisten zeer aannemelijk te maken dat de gangs daar op zo’n manier tot een niet geweldvolle manier van competitie kunnen worden verleid. Maar hoe denkt de gemeente dat het overkomt? De reacties zijn dan ook voorspelbaar (en niet alleen van ene Wilders): wat gaan ze doen met die kennis, mag ik nu voortaan een karakteklap verwachten? Als ik zo’n cursus wil moet ik er voor betalen, waarom dat tuig niet? Etc. Heel voor de hand liggend en met meer dan een kern van waarheid. Dan kan je nog wel een keer uitleggen dat het zo niet werkt of is bedoeld, maar dat is natuurlijk zoiets als het stoppen van een kurk in je kont in de hoop dat je niet meer hoeft te .. (ik test mijn gevoel voor humor. Nog even oefenen). Hopeloos wordt je van zo’n stad.

Ik heb mezelf vandaag wel aan mijn eigen boodschap proberen te houden. Om er een ander beeld tegenover te zetten, heb ik daarom mijn gedicht nog eens rondgemaild  en heb ik alle kritische tweets proberen te beantwoorden. Hoe dat buiten de vakantieperiode moet weet ik niet. Nog een reden om de gemeente vriendelijk doch dringend te verzoeken gewoon een tijdje even niets meer te doen wat het beeld van Gouda onderuit haalt. Daar is het een veel te mooie stad voor.

 

Peter Noordhoek

Over giften en andere vormen van partijfinanciering

NRC heeft in haar krant van woensdag 27 juli goed spitwerk gedaan door op een rij te zetten wat de inkomsten van alle politieke partijen in de tweede kamer zijn geweest in 2010, welk deel daarvan via giften tot stand kwam en wat daarvan is uitgegeven voor de landelijke verkiezingen in dat jaar. In mijn blog over de VVD-campagne, heb ik een korte opmerking gemaakt over de kennelijk ruime jas waarin de VVD tijdens haar campagne zat. Meer kon ik niet doen, want ik had geen cijfers beschikbaar om iets hard te maken. Mede omdat het artikel naar alle partijen kijkt, is het interessant vergelijkingsmateriaal en een paar opmerkingen waard. Aan het einde kom ik met wat grootste onthullingen: er zijn meer bedrijven die een ton hebben gefinancierd. Veel meer.

Gulle gever

Eerst echter het punt uit het artikel dat het meest nieuwswaardig werd geacht: de gift van 100.000 euro zoals het CDA die van een bedrijf heeft ontvangen. Gelet op de kosten die er met campagnes gemoeid zijn, kan ik het op zich eerlijk gezegd geen extreem bedrag vinden, maar in verhouding tot de andere giften is het hoog. Er valt bij mij in ieder geval geen kwartje over wie de gulle gever zou kunnen zijn. Onze landelijke campagneleider heeft ons als provinciaal campagneleiders wel geïnformeerd over het bedrag dat met de totale campagne gemoeid was. Dat werd niet aan de grote klok gehangen, maar was ook geen groots geheim.

Gift anoniem?

Moet de gift anoniem blijven? Wat mij betreft wordt alles maximaal transparant, maar ik kan me er best wat bij voorstellen dat het nu niet zo is. Binnen de Nederlandse verhoudingen is er denk ik altijd ergens sprake van een persoonlijke band tussen de leiding van een bedrijf en een partij. Met andere woorden: er wordt gegeven uit overtuiging; deze partij is goed voor het land. Van strategisch doneren, door bijvoorbeeld aan meerdere partijen te geven, ken ik geen voorbeelden. Juist om die reden kan ik me van alles voorstellen bij de wens om anoniem te blijven. De gift is in de kern onzakelijk; het levert geen bedrijfsvoordeel op en bij bekendmaking is er het concurrentieel nadeel dat het je bedrijf in een bepaalde politieke hoek zet. Door berichtgeving als deze raken politieke partijen bij gevestigde bedrijven besmet als sponsordoel, ook al begrijpen ondernemers uit zakelijk oogpunt doorgaans prima dat je op basis van de huidige budgetten nauwelijks serieus campagne kan voeren. Dat kan anders worden als er in Nederland een cultuur zou ontstaan waarbij het ‘normaal’ wordt dat partijen extern gefinancierd worden. Laat maar. Het lijkt me per saldo geen prettig vooruitzicht. Voor het moment ben ik blij met elk bedrijf of elke persoon die bereid is een politieke partij financieel te ondersteunen. Tegelijk kan ik me voorstellen dat in het geval van deze uitzonderlijke gever er niet alleen een welgemeend ‘dank je wel’ is gezegd, maar er ook goed is gewogen vanuit welke motieven er wordt gegeven.

Tot slot nog wel een punt van kritiek over de woordvoering rondom de gift. In Nieuwsuur deed Ger Koopmans het woord. Dat kan hij prima en hij is ook de ervaren woordvoerder vanuit de fractie op dit terrein, terwijl de penningmeester nog maar net is aangetreden. Het lijkt mij echter gewenst dat de partij zich op dit punt laat zien en niet een vertegenwoordiger van de Tweede Kamerfractie. Het kan zijn dat Nieuwsuur een ‘bekend gezicht’ wilde hebben, maar ik vind het ongelukkig.

Partijfinanciering en campagne

Interessanter dan de ton is het totaalplaatje van de partijfinanciering in 2010 en hoe zich dat heeft vertaald in de campagnestrijd. Zelf keek ik onmiddellijk naar de cijfers van de VVD.  Eind 2009 wist ik niet beter dan dat de partij nagenoeg failliet was. Er was dan ook nogal wat over de partij heen gekomen. In 2010 bleek vervolgens dat deze partij niet alleen in termen van posters e.d. onze inspanningen kon matchen, maar ook nog eens fors veel geld besteedde aan spots op radio en TV. Dat konden wij niet matchen. Nu blijkt dat de VVD 2,5 miljoen aan de campagne te hebben uitgegeven tegenover onze 1,5 miljoen, met de PvdA 1,4 miljoen en de SP 1,9 miljoen. Daarmee is het verschil in campagne-inspanning verklaard; een miljoen verschil is relatief gesproken een groot verschil (in absolute termen blijven de bedragen overigens laag. Unilever verkoopt er nog geen zeepje voor). Complimenten dus aan de VVD dat ze hebben ingezien dat een goed gevulde kas een essentiële voorwaarde voor een verkiezingsoverwinning is en dat ze vervolgens ook daadwerkelijk de bijdragen los hebben gekregen bij de achterban. Wat je er ook verder van vindt; zoveel geld binnen halen midden in een crisistijd en in een fase dat je als partij nog helemaal niet hebt laten zien dat je een winnaar bent, is een knappe prestatie.

Structureel verschil?

De grote vraag is nu of dit verschil in campagne-inkomsten structureel wordt of niet. De VVD heeft niet de armste achterban van Nederland en heeft inmiddels wel laten zien dat ze kan winnen. Dat maakt het waarschijnlijk dat ze voorlopig nog wel even een voorsprong zullen houden. Tegelijk is het helemaal niet gezegd dat het altijd zo zal blijven en is het nu vooral aan de andere partijen – gegeven de spelregels voor partijfinanciering – om te laten zien wat ze waard zijn. Overigens valt over de andere partijen ook het nodige te zeggen. Om twee punten te noemen:

  • er zijn twee echt afwijkende partijen: de PVV en de partij voor de Dieren. De PVV omdat ze geen inzicht geeft of hoeft te geven, de Partij voor de Dieren omdat ze op grond van haar inkomsten en campagne-activiteiten eigenlijk te klein is voor de 2 zetels die ze heeft. Bij die laatste partij zouden de inkomsten van de stichting ‘wakker dier’ moeten worden opgeteld. De media-aankopen die deze stichting doet werken waarschijnlijk zeer direct door in het aantal stemmen voor de partij;
  • de relatie tussen inkomsten en aantal partijleden is niet lineair, of het gaat hier om meetfouten. Het CDA heeft de meeste leden, maar is slechts 3e qua inkomsten, ver achter bij PvdA en SP. Na de verrassing van de campagne-uitgaven van de VVD vind ik de hoge inkomsten van de PvdA de grootste verrassing. Voor de SP is er een bijzondere inkomstenbron in de vorm van de grote salarisafdracht van haar vertegenwoordigers. De SP doet geen melding van haar giften. Ook D66 heeft relatief weinig inkomsten, ook in vergelijking met bijvoorbeeld Groen Links. D66 is ook niet echt transparant over haar giften.

Een spade dieper

Het is de moeite waard om nog één spade dieper te graven. Dat kan door de campagnegelden te koppelen aan het totale inkomstenplaatje van de partijen en door er nog een element aan toe te voegen. Met alle complimenten aan NRC voor het spitwerk; de krant laat zeker niet het hele plaatje zien. Zou je ook alle vrijwilligersinspanningen op geld waarderen – wat je dus vooral niet moet proberen – dan zou je naar mijn inschatting zien dat CDA en SP de rijkste partijen zijn, daarna de PvdA en pas daarna VVD en D66. Puur naar de vrijwilligersinspanning kijkend, schat ik D66 dan overigens nog rijker in dan de VVD. Mijn stelling is dat een partij met een brede vrijwilligersbasis doorgaans ook een duurder partijapparaat zal hebben. In deze tijd kan een partij niet alleen op vrijwilligers draaien en is er steeds meer professionele ondersteuning nodig. Volgens mij is dat de reden dat bijvoorbeeld het CDA, ondanks het feit dat ze in 2010 een inkomstenstroom van 6,5 miljoen had, er toch maar – en met pijn en moeite – 1,5 van vrij kon maken voor de campagne (het verschil is eigenlijk nog groter; normaal gesproken spaart een partij gedurende 4 jaar voor een verkiezing). De VVD heeft in zeer korte tijd de 2,5 miljoen op weten te halen en zet dat naast een inkomstenplaatje dat ruwweg de helft is van het CDA.

Vrijwilligersinspanning

Wat is bij dit alles de vrijwilligersinspanning waard? In de campagne van 2010 minder dan ooit, zie mijn analyse van vier weken geleden. Anders dan in 2006, was het geen campagne waarin partijen met posters en canvassen veel verschil konden maken. Zo bekeken bleek de brede basis voor het CDA per saldo een last en had de VVD het voordeel van lagere financiële lasten en een grotere flexibiliteit. De implicaties van dat verschil zijn groot. De echte vraag is niet of binnen Nederlandse verhoudingen verkiezingen ‘gekocht’ kunnen worden. Daarvoor zijn de bedragen te laag en zijn de verschillen vooralsnog te klein. De vraag is of het nog loont om een partij op brede basis te zijn. Naarmate een partij zichzelf meer definieert in termen van de vraag of ze succesvol verkiezingen draait, zal het antwoord negatiever zijn. De uiterste consequentie daarvan is de 1-persoonspartij van Wilders. Kijk ik naar zijn inkomsten- en uitgavenplaatje dan is het directe rendement daarvan overigens maar matig, maar hij heeft de trend al wel te pakken. Is dat waar we naartoe willen?

Mijn persoonlijke antwoord is dat het om allerlei redenen erg ongewenst is om die kant op te gaan. Een pure campagnepartij wordt een marketingpartij: de boodschap zal altijd in het teken van het winnen komen te staan. Een pure campagnepartij zal zich automatisch ook versmallen tot een partij die alles in het licht van de landelijke campagne zal stellen, wat geen recht doet aan het belang van andere bestuurslagen. Maar belangrijker nog: een politieke partij met een brede basis heeft een maatschappelijke functie die niet altijd meetbaar is, maar vreselijk belangrijk is. Burgers en politici blijven erdoor met elkaar in gesprek en vormen een bron van menskracht voor allerlei functies in de samenleving, niet enkel politieke. Op dit punt moet ik in deze week aan Utoja denken. Tijdens de bijeenkomst op het eiland zal ongetwijfeld over de regionale verkiezingen in het najaar zijn gesproken, maar het zal bovenal de jaarlijkse bijeenkomst zijn geweest voor het nieuwe kader zijn geweest; een combinatie van introductiebijeenkomst, feest en reünie. De man die daar is binnengedrongen wist wat hij kapot wilde maken. Het mag en zal hem niet lukken. Een democratie is mede een democratie door de onmeetbare dingen die van een partij een echte partij maken: ontmoeten, debatteren, delen, dingen samen doen voor iets dat groter is dan jezelf.

NB: mijn onthulling

Het bovenstaande heb ik geschreven in de vroege uren. Daarna lag ik in bed nog wat te woelen en opeens werd ik zwetend wakker met de gedachte: ik hang. Ik heb mezelf niet gemeld. Als ik over 2010 in geld zou moeten waarderen wat mijn bedrijf heeft gemist doordat ik me uren en uren met het CDA bezig heb gehouden, zou ik zeker op een ton uitkomen. En dat geldt voor heel veel van de jaren ervoor. Ik heb dat nooit gemeld. Mea culpa. Het is nog erger: ik ben niet de enige. Volgens mij zijn er tal van bestuurders en kaderleden die minstens zo’n groot deel van hun (potentieel) inkomen hebben ingeleverd om politiek actief te zijn. En dat niet hebben gemeld. Schande.

In ernst; dit laat de onzin zien van het op geld waarderen van vrijwilligerswerk en tegelijk ook de valsheid van plaatjes zoals NRC die bij elkaar heeft gebracht. De afgelopen jaren heb ik gekscherend wel gezegd dat ik twee volle banen had, één betaald en één onbetaald. Alleen is dat natuurlijk niet zo. Niet voor niets heb ik het politieke werk op een lager pitje moeten zetten om in deze tijd voldoende inkomsten te kunnen halen. Staat er dan iets anders tegenover? Ja, er staat veel tegenover, anders zou ik het niet doen. Veel kennis die ik in mijn werk kan gebruiken, veel inzicht in de samenleving. Veel boeiende mensen leren kennen. Maar concrete baten staan er niet tegenover, noch zakelijk, noch in de vorm van ‘beloningen’ van functies e.d. Een paar goede vrienden houden me hard maar opbouwend voor dat de balans daarmee wel erg in het voordeel van het CDA uitvalt, maar ik denk dat het ook zo niet werkt. Dit idee van ‘quid pro quo’ is behoorlijk naïef voor de politieke arena. Als er geen intrinsieke motivatie is voor je politieke werk, houdt je het niet vol. Je moet het doen om het doen.

Naschrift

Na publicatie van deze mail heeft de penningmeester van het CDa aangekondigd dat er in de toekomst geen giften meer worden geaccepteerd waarbij de schenker anonimiteit vraagt. Helderder kan het niet. Hoewel ik me erger over het feit dat NRC slorig bezig is geweest en met twee maten meet (van D66 wordt bijvoorbeeld geaccepteerd dat er geen openheid wordt gegeven ‘vanwege vakantie’), is dit het moment om er een punt achter te zetten. Over tot de orde van de dag. Of niet? Het probleem van onderfinanciering blijft bestaan en dat is vooral in het nadeel van ‘normale’ partijen, al zal er door de druk van buiten altijd de verleiding zijn de grens op te zoeken. Daarnaast blijft het zo dat een partij als de PVV geen openheid hoeft te geven en een partij als de PvdD een schaduwconstructie kent. Het voorstel van minister Donner lost dit probleem van geen kant op. Dus: wordt vervolgd.

 

Peter Noordhoek

Noorwegen: geef de profeet geen podium

Dit weekend was ik van plan de 2e helft van mijn blog over verschuivende zandplaten te plaatsen. Het is toch vakantie tijd, dus een beetje ‘slow reading’ moet kunnen, zo dacht ik. De gebeurtenissen in Noorwegen maken echter dat ik mijn tekst ter zijde zet. Als ik zelf niet enthousiast meer kan worden van mijn tekst kan ik het ook mijn lezer niet aandoen. Ga ik dan over Noorwegen schrijven? Het gevaar is dat het nog te vers is; dat informatie ontbreekt en de emotie overheerst. Maar hoe erg is dat eigenlijk? Ik neem de lezer mee in een aantal overwegingen. Eerst het drama zelf, dan de rol van de man die dit alles op zijn geweten heeft en ten slotte de berichtgeving van de media.

Het drama

Je weet pas dat iets erg is als je niet hoe je kunt verwoorden hoe erg het is. Als datgene wat je wilt zeggen te groot is voor woorden. Het gebeuren in Oslo is vreselijk, maar valt helaas nog net wel in woorden te omvatten; als toeschouwer zijn we allemaal rampenveteranen. Het gebeuren op het eiland Utoya is van een andere orde. Een slachting van vooral jonge mensen die geen kant op konden. Ik weet niet wat de lettertekens voor een stille schreeuw zijn, maar misschien ziet het er zo uit: [             !!!]

Daarna komen bij mij twee associaties op. De ene is met het gebeuren in Alphen aan den Rijn, zojuist geëvalueerd. Niet de schietpartij zelf, maar het effect ervan op de politie. Een vriend van me had die dag geen dienst, maar hoorde ervan op de radio en ging toch naar Alphen toe, gewoon om bij zijn collega’s te kunnen zijn en waar mogelijk te helpen (ik heb zijn wedervaren en die van zijn collega’s eerder in een artikel gevat dat ik binnenkort hoop te publiceren. Niet alleen indrukwekkend, maar ook leerzaam). Het is heel indrukwekkend hoe zo’n korps dan een familie wordt. Wat moet dit voor de politiemensen en hulpverleners in Noorwegen betekenen? Ik kan me zo voorstellen dat ze nu allemaal bij elkaar komen en elkaar de steun geven die ze nodig hebben. Later komen de oordelen wel, nu eerst het er zijn.

De tweede associatie heeft te maken met de groep mensen op het eiland. Jonge politici, leden en aankomende leden van een politieke partij. Zelf ben ik een aantal jaren lid geweest van het CDJA. Dat was leuk en ik heb ook het nodige gedaan, maar het was nooit mijn grootste vrijetijdsbesteding. Voor velen was dat anders, tot en met dat ze daar hun levenspartner in gevonden hebben. De lijst is lang. Het CDA van de laatste decennia is zonder de inspanningen van al die oud-CDJA’ers ondenkbaar. Dat is nog lang niet afgelopen – reden voor mij om de jongeren altijd goed te volgen en ze waar mogelijk vooruit te helpen. Inmiddels heb ik zowel in Nederland en daarbuiten veel trainingen voor politiek talentvolle jongeren mogen geven. Het is heerlijk om te doen. Vorig jaar zomer mocht ik dat o.a. doen in een zomercursus in een badplaats in Servië. Je moet er toch niet aan denken … [         !!!]

Profeet, geen martelaar

De man bereidt zich zeer goed voor (bronnen: NOS, Elsevier, NYT, Guardian). Hij schrijft een manifest van honderden pagina’s dat niet alleen zijn visie weergeeft, maar ook concrete stappen aangeeft voor een soort kruistocht tegen de Islam. Vervolgens pleegt hij eerst de aanslagen in Oslo en gaat naar Utoya toe. Daar begint hij aan een slachting. Dat doet hij koel en methodisch. Als echter na 1,5 uur er gewapende tegenstand komt, gaat hij niet het gevecht aan, maar geeft zich direct over. Kennelijk geeft hij de agenten geen gelegenheid hem via een vuurgevecht uit te schakelen. Daarin wijkt zijn gedrag nadrukkelijk af van dat ‘gekken’ die het op een schieten zetten, zoals in Alphen. Tegelijk geeft de man ook niet de indruk laf te zijn. Wat zit daar achter? Mijn conclusie: hij ziet zichzelf niet als martelaar, maar als profeet. Hij wil door blijven leven en vanuit rechtszaal en gevangenis zijn boodschap blijven verspreiden. De vraag komt vervolgens indringend op of we hem dat platform wel moeten gunnen. Emotioneel gesproken zeg ik: nee. Los van de inhoud; waarom zouden we hem moeten belonen voor wat hij heeft gedaan? Verstandelijk gesproken zijn er ook goede reden om hem niet de kans te geven zijn boodschap te verspreiden. De extreem-links intellectuele jurist die Fortuyn neerschoot (had hij een naam?) deed zijn zaak echt geen goed, maar zijn achtergrond alleen al zorgde voor een verharding van wat we zo onschuldig het maatschappelijk klimaat noemden. Nu komen de kogels van rechts en je moet een vergelijkbaar effect vrezen, ook zonder het soort manifesten waar altijd wel meer figuren voor gevoelig zijn te maken. Het verstand vraagt om een aanpak waarbij deze verdachte geen kans krijgt een podium voor zijn profetieën te vinden.

Media: voorspelbaar onbezonnen

Datzelfde verstand zegt echter: vergeet het. Wij mensen willen na zoiets weten, weten, weten wat er gebeurd is. Alleen zo kunnen we hopen iets te begrijpen van wat we niet verwoorden kunnen. De media begrijpen dat ook en gaan daarom alles doen wat in hun vermogen ligt om daar aan tegemoet te komen. Het lijkt er echter op dat ook dit keer er weer voorspelbaar onbezonnen is gehandeld.

Als de eerste berichten op het (NOS)journaal verschijnen over Oslo is er nauwelijks beeldmateriaal beschikbaar. Meer dan 2-3 minuten zal het niet zijn geweest. Om toch wat duiding te kunnen geven, wordt er kennelijk besloten vol op het terrorisme-scenario te gaan. Al-Quaida wordt aangehaald, oude archiefbeelden over Arabieren die over de vlag van Noorwegen lopen worden getoond en er wordt melding gemaakt van nieuwe bedreigingen. Begrijpelijk, al zaten de berichten van deze week over het instorten van het Al-Quaida nog wel in mijn achterhoofd. Is dat het enige scenario? Kennelijk. Dat wordt ergerlijk als in een volgend journaal wordt gemeld dat er sprake zou zijn van een schutter op een eiland waar een jeugdbijeenkomst van de Labour partij. Alles is denkbaar, maar hoe logisch is het dat buitenlandse samenzweerders precies weten wat er op zo’n bijeenkomst gebeurd en hoe lastig het is om daar weet van te krijgen? Vanaf dat moment geloof ik niet meer in het terrorismescenario. Het journaal blijft echter in het voorspelbare hangen totdat het bericht komt dat dit het werk van een eenling lijkt.

En dan de NOS vanavond, zondagavond. Ze komen niet alleen gelijk met het hele manifest van de man, ze citeren er ook uitgebreid uit. Direct daarna gooien er een rapportage overheen met de duidelijk verwijtende ondertoon dat de mensen in Noorwegen niet hard genoeg over het (falen van het) multiculturele drama spreken. Onderliggend voel je: Nederland is het lichtende voorbeeld van hoe dat wel moet. End at terwijl de mensen no rouwen op straat. Hele duidelijk is dat er geen afweging wordt gemaakt over wie ze hiermee een podium geven en hoe dat het beste kan gebeuren. Gooi het maar op het scherm. Ik kreeg bijna medelijden met de reporter toen hij moest melden dat het niet gebruikelijk is verdachten publiekelijk voor te leiden. Bijna.

Misschien dat ik aan het einde van deze blog toch nog te emotioneel schrijf. De NOS zal er wel haar redenen voor hebben. Maar ik hoop echt op wat bezonnenheid en hoop tegen beter weten in dat deze man-die-buiten-mijn-begrip-valt niet het podium gaat krijgen waar hij nu al op gezet wordt.

Over zandplaten en andere verstuivingen

Geïnspireerd door het eindige eiland Schiermonnikoog, worden in deze en de volgende blog een 6-tal zandplaten beschreven die aan het verstuiven zijn. Drie maken ongerust: de ontwikkelingen rondom News of the World, de EU-ro en het schuldenplafond van de VS. Deze blog beperkt zich tot die lelijke drie. Twee ontwikkelingen maken mij in de volgende blog voorzichtig optimistisch omdat er een beweging is die er eerst niet was: het energievraagstuk en de Arabische lente. Ronduit positief ben ik over een technologische doorbraak die staat voor meer. Aan het einde probeer ik te schatten hoe ver de platen zullen bewegen.

Schiermonnikoog

Net terug van twee dagen Schiermonnikoog, ben ik nog steeds verwonderd over het eiland. Het is een kleinere en vooral verfijndere uitvoering van Texel, een eiland dat ik beter ken. Ooit mocht ik op uitnodiging van het collectief van de Waddeneilanden op het grotere eiland een verhandeling houden over ‘bestuurlijke planning en control’ – het vreemde fenomeen van de dualisering was van het vasteland overgesprongen – en ik herinner me hoe de vertegenwoordiger van ‘Schier’ een verhandeling over prestatiesturing met humor terugbracht tot een discussie over de werktijden van de havenmeester. Mijn indruk na dit bezoek is toch dat hij zijn eiland (en zijn havenmeester?) tekort deed. Ik was onder de indruk van de wijze waarop het eiland en haar duizenden bezoekers opving en over het eiland verdeelde. Nog verwonderlijker vond ik het hoe die behoorlijke massa op de een of andere manier het eiland toch leeg lieten voor de wandelaar en strandstruiner. We zijn bijna het hele eiland rondgelopen en kwamen maar beperkt anderen tegen. Ideaal. Dat gaf ook de ruimte om na te denken over de aard van het eiland. Zelf kom ik uit de Hoeksche Waard, een poldereiland, maar zo ingeklemd tussen Voorne-Putten en het eiland van Dordrecht, dat je wist dat het nooit van haar plaats zou komen. Bij ‘Schier’ is dat anders. Je loopt over brede platen van zand en wat ik maar even ‘waddenleem’ noem, maar die breedte (‘het breedste strand van Europa’) kan niet verhullen hoe eindig het eiland overal is. Alleen rond het dorp houdt dat gevoel even op en weet je je tussen duinen en bomen geborgen. Niemand hoeft je achter te vertellen dat het eiland een verschuivende zandplaat is; dat voel je gewoon. Het eiland heeft haar maatregelen genomen om dat proces heel langzaam te laten gebeuren, maar gebeuren zal het. Eb en vloed zijn met dijken en meer getemd, maar de verstuivingen gaan altijd door. Wat mooi eigenlijk. Wat natuurlijk.

De analogie ligt voor de hand. Nadenkend over de vraag waar ik mijn blog over zou schrijven, kwam ik onvermijdelijk uit bij de vraag welke zandplaten er buiten de wadden aan het verstuiven zijn. Ik beschrijf er meerdere. Bij de verhalen staan foto’s van zaken die ik ergens aangespoeld vond op het strand.

News of the World

Als het om humor gaat ben ik dubbel gehandicapt: ik kan geen mop onthouden en als ik er een onthoud, dan is het altijd aan flauwe. Deze is het ergste: ‘Mijn haan is de luiste haan ter wereld?’ ‘Hoezo?’ ‘Hij laat eerst de haan van de buren kraaien en dan knikt hij’. Mijn excuses, maar deze mop kon ik niet uit mijn hoofd krijgen bij het beschouwen van een nieuwe week berichtgeving over het schandaal bij News of the World. Het echte werk is gedaan door de pers, de Guardian voorop. En dan mogen we nu aanschouwen hoe de politici in de rij staan om allemaal hun vernietigend oordeel te geven verfoeide handelswijze van de schandaalkrant. Het is pijnlijk om te zien en bevestigt alleen maar mij gevoel dat het echte initiatief en de echte invloed al lang bij de Britse (?) politiek is verdwenen. Hiermee krijgen ze het niet terug, tenzij er inderdaad een beter systeem ontwikkeld wordt, maar daar gaat het deze week niet over. Waar het deze week wel over gaat is het voortbestaan van het imperium van Rupert Murdoch. Dat klinkt spannend – het wordt in ieder geval spannend gebracht – maar is het maar tot op zekere hoogte. Na Murdoch zullen er ongetwijfeld andere imperia opkomen en ondergaan. Ondertussen moet niet verwacht worden dat de schrijvende pers echt beloond gaat worden voor haar moed. Wie zal het financiële gat van Murdoch vullen als die zich terug gaat trekken? En voor al met al loopt de energie al wat weg uit het spel. De Guardian heeft zich tegenover de Sun moeten verontschuldigen omdat het deze krant ten onrechte beschuldigde van afluisteren (ze hadden medische informatie over de zoon van Brown op een andere manier verkregen, alsof dat het beter maakt). De beschuldiging van de Daily Mirror dat ook slachtoffers van 9/11 zouden zijn afgeluisterd, heeft de potentie van een Trans-Atlantische rel, maar voorlopig gaat het om een enkele zwakke bron en staat de VS nog niet bepaald in brand. Kortom; we gaan weer langzaam over tot de orde van de dag. De storm woedt, zandplaten zijn aan het schuiven gegaan, maar voorlopig is het eiland niet verschoven.

EU-ro verstuivingen

Een van de voordelen van de rel over News of the World is dat het erg volgens de journalistieke spelregels wordt gespeeld. De grootste koppen zijn dan ook voor deze rel. Daarbinnen wordt weer de meeste ruimte ingeruimd voor het lot van de roodharige feeks Rebekkah Wood. Hoewel de eerste concrete beschuldiging nog moet worden genoteerd, is ze deze week wel al opgejaagd, ontslagen en – vandaag ‘BREAKING NEWS’ – gearresteerd. Een journalistiek droomverhaal – en heel wat beter om nieuws van te maken dan over financieel gedoe in een of ander vakantieland. Omdat de meeste valutaspeculanten in Londen zitten, is het een geruststellende gedachte dat de Britse media niet in een ‘feeding frenzy’ zijn over Europa en de euro; de EU-ro.

Het maakt de situatie er niet minder dreigend om. Griekenland is gevaarlijk, maar grijpbaar. Een crisis op de schaal van dit land, plus Portugal, Ierland en vooral: Italië en Spanje, is van een andere orde. Voor de stabiliteit van de euro is het uiteraard ernstig, maar het is ook politiek van een andere orde, al was het maar vanwege de stemverhoudingen binnen de EU. Dit is niet de crisis van een kudde schapen die ruzie maakt over een zwart exemplaar. Dit wordt de crisis van een kudde die handelt alsof het nacht is en er alleen nog maar zwarte schapen zijn. Zonder grote zichtbare aanleiding – macro zijn we in Europa ronduit rijk, kijk maar rond op weg naar uw vakantiebestemming – hebben we op ons continent gevoelsmatig geen grond meer onder de voeten. Zandplaten schuiven, euro’s verstuiven en iedereen lijkt alleen maar te duiken. Dat deze crisis in hoge mate een leiderschapscrisis is al lang bekend, maar mijn zorg is nu vooral dat we voor die leiderschapstest gaan falen. En dan? De kern van deze crisis is geen begrotingscrisis, maar een crisis in de handels- en betalingsbalansen tussen de lidstaten. Een paar keer heftig slikken en de schuldproblemen zijn weggewerkt. Handelsbalansen laten zich moeilijker herstellen, want ze zijn gebouwd op ondernemers- en consumentenvertrouwen. Veel lidstaten – Nederland niet in het minst – hebben zich door hun fixatie op de schuldenproblematiek weg laten leiden van de onderliggende vertrouwensvraag. Is het daarmee voldoende om de Zuidelijke landen maar hun zin te geven en de schulden te vergeten? De vraag stellen is hem beantwoorden. Dit laat zich echter zeker niet oplossen door van crisis naar crisis te hollen vanuit een filosofie van schadebeperking. En heel plat is misschien dan mijn grootste zorg nog wel rondom mevrouw Merkel. Hoe moe zal ze zijn? Hoeveel energie zal ze nog hebben? Crisis? Wanneer is het geen crisis? Toch ligt de leiderschapsvraag bovenal in de handen van deze moedige maar volgens mij oh zo vermoeide vrouw.

VS: plafondcrisis is de crisis van het ontbrekende midden

Crisis is het zeker in de VS. En dat zou niet zo hoeven zijn. President Obama en de Republikeins leider van het Congres hebben hun deal al gemaakt. In een fascinerende reconstructie van Time Magazine valt mooi te lezen hoe die twee op de rand van het haalbare hebben geopereerd en er toch het vierkante wiel van een overeenkomst uit hebben gehaald. En toch is de crisis nog niet opgelost. Het wettelijk aangegeven maximum van de Amerikaanse staatsschuld (in die zin is dit een zelfgemaakte crisis) staat op het punt overschreden te worden en de gevolgen zijn direct (geen financiering meer overheidsorganen0 en indirect ( stijgende rentes, verder onderuitgaan dollar) waarschijnlijk zeer ernstig. Hoe ernstig weten we niet. Normaal gesproken gaan staten niet failliet en zeker niet een op de schaal van de Verenigde Staten. Vergeet echter niet dat de VS hard op weg zijn naar een staatsschuld die vergelijkbaar is met die van Griekenland, maar oneindig veel groter is in termen van impact. Vergeet ook even niet dat de VS een gigantische handelspartner is voor Nederland. Waarom slaan de Nederlandse kranten eigenlijk niet rood uit van alarm?

De reden dat de deal geen deal blijkt te zijn, heeft te maken met het feit dat vooral de republikeinse achterban de deal van Obama en Boehmer niet accepteert. Vanuit een ‘do or die’- achtige houding ziet een groot deel van de republikeinen de staat liever kapot gaan dan meedoen in een deal die de staat niet wezenlijk kleiner maakt dan nu het verhaal is. Vanuit Nederlands perspectief kunnen we ons daar moeilijk een voorstelling van maken van de extremiteit van de tegenstellingen. ‘Ze komen er wel uit’, denken we – voor zover we er überhaupt over denken. Zo zeker is dat niet. Het probleem is dat er eigenlijk geen mensen of middelen meer zijn die het mogelijk maken om nog tot een overeenstemming te komen. De taal van het midden is weg. Wie een compromis wil sluiten toont zich zwak, wie op een deal hoopt is een ‘looser’.

Andere orde

Het meest directe is mijn zorg over het mislukken van de deal over het plafond door de extremiteit van de posities zoals die nu in de VS worden ingenomen. Dit is uiteraard van een andere orde dan de berichten over News of the World (al is Fox Channel een belangrijke bron voor de extreme posities; ook eigendom van Murdoch). Het is ook van een andere orde dan wat er nu binnen de EU gebeurt. De situatie van de Amerikaanse Staten is ook serieus, maar niemand maakt er een crisis van zoals wij dat doen. Ook als leiderschapscrisis is het van een andere orde. Wij hebben in de EU geen echte leider. Daar hebben ze er twee die hun verantwoordelijkheid hebben genomen, maar die het niet meer voor elkaar lijken te krijgen. Als dit mis gaat, lijkt het bijna onvermijdelijk dat de volgende economische dip een echte dip wordt en niet alleen maar een groeivertraging. Kortom; alle hens aan dek. En als er vlak voor de echte harde deadline toch nog een overeenkomst komt, wie gaat dat het gat in het midden vullen? Wie leert er de kunst van het rijken der handen?

Wachten op de zon

Na al deze zware berichten zal de lezer wel toe zijn aan wat beter nieuws. Dat komt er ook – maar nu niet. Tot de volgende blog, als er nog meer zandplaten gaan verstuiven, maar mogelijk in een betere richting. Ergens op de weg ontmoeten we elkaar.

 

Peter Noordhoek

www.northedge.nl

De dag dat de News of the World haar naam verdiende. Over macht en mediawijsheid

Voor deze weblog heb ik veel te veel woorden nodig; de lezer wordt gewaarschuwd. Eerst wordt terug gegaan naar staatkundige overwegingen over machtsevenwicht en machtsmisbruik. Mijn mooie gedachten daarover blijken in de praktijk niet hanteerbaar en laat ik dus gaan. De berichtgeving rondom News of the World maakt aan die relativering een einde; de pers blijkt niet de 4e of 5e, maar de 1e macht. Pas daarna wordt er een vertaling richting Nederland gemaakt en wordt er een voorstel voor ‘nevenregulering’ gedaan in de vorm van een nieuwe entiteit met bijzondere bevoegdheden.

Voor degenen die zich toch niet af laten schrikken:

Machtsevenwicht en machtsmisbruik

De laatste maanden van mijn diensttijd in Seedorf waren niet makkelijk door te komen. Het op appel roepen, de oefeningen, het kazerneleven – het was me al te zeer bekend geworden en de studie lokte. Om mijn geest bezig te houden ging ik van alles bedenken, mij voorbereidend op een hele moeilijke rechtenstudie. Literatuur had ik niet, dus tijdens het colonnerijden bedacht ik mijn eigen studie. Daarbij meende ik me in ieder geval goed te moeten voorbereiden op de basis van ons rechtstelsel. Ik wist er genoeg van om te weten dat wij – niet alleen in Nederland, maar in heel oud-Napoleontisch Europa – in een oorspronkelijk door Montesquieu bedacht systeem wonen. Al rijdend en nadenkend, besefte ik dat ons staatsrechtelijk systeem nog subtieler is dan het van buiten al lijkt. Het gaat om één systeem dat in feite twee leerstukken omvat. Het eerste leerstuk is het machtsevenwicht zoals dat er moet zijn tussen wetgevende, regerende en rechterlijke macht: de trias politica. Het tweede leerstuk is dat van de ‘détournement de pouvoir’; het waken tegen machtsmisbruik. Het komt bij ons tot uiting in het bestaan van de bestuursrechtelijke taak van de Raad van State. Het maakt beroep mogelijk tegen acties van de staat als er strijd is met de ‘algemene beginselen van behoorlijk bestuur’ en moet er voor zorgen dat het verschil in machtspositie tussen burger en overheid niet wordt misbruikt door die laatste. Het gaat daarbij eigenlijk slechts om een soort ‘marginale toetsing’, want er is iets merkwaardigs met dit leerstuk aan de hand. Het staat op gespannen voet met het democratisch beginsel dat de kiezer volksvertegenwoordigers kiest die op hun beurt weer een mandaat aan een regering geven volgens die volkswil. Hoe kan er ooit sprake van machtsmisbruik zijn zolang er binnen dat democratisch mandaat wordt gewerkt? Dat is de theorie. Rond 1800 waren ze al zover dat ze wisten dat veel theorie beter wordt van een beetje wijs gevoel voor de praktijk en dat werd het begin van een leerstuk dat in het Frans zoveel beter klinkt dan in het Nederlands. Iets van die wijsheid zou nu ook nuttig zijn.

Machtsmisbruik en marginale toetsing

Maar zover was ik in 1978 nog niet. Of ik was al een stuk verder. Al stuiterend in een 3-tonner of banjerend door een bos (in mijn herinnering is het altijd nacht in een Duits bos), begon ik het systeem met de twee leerstukken niet alleen op mijn manier te begrijpen, ik ging het verbeteren. Op mijn manier dan. Ik vond de drie machten niet gelijkwaardig en niet compleet. Het was me al bekend dat ambtenaren al als de 4e macht waren bestempeld (door de grondlegger van de bestuurskunde, Crince le Roy) en dat ook de pers als een macht werd bestempeld. Ik weet niet meer waarom, maar op dat laatste sloeg ik aan. Naast allerlei bedenksels over de trias zelf, heb ik maanden gepuzzeld op de positie van de pers binnen dat systeem – om uiteindelijk tot de conclusie te komen dat de pers niet binnen dat systeem past. De pers zal door haar aard nooit een tegenmacht binnen de staat kunnen zijn; ze staat door haar aard buiten die staat. Ze is onderdeel van de samenleving en niet van de staat. Het heeft geen zin om haar toe te voegen als een 4e of 5e macht; praktisch en principieel kom je dan in de knoop. En voor je het weet kom je dan ook bij een conclusie dat de pers door het gebrek aan formele bevoegdheden geen macht heeft en dat is evident onjuist. Vraag het mensen die wel eens de pers over zich heen hebben gekregen en maar al te vaak nemen ze het woord ‘machteloos’ in de mond en is er een angstreactie. Dat zegt genoeg over het feit dat de pers macht heeft – en het was mij in de zeventiger jaren al duidelijk hoe cruciaal die macht kan zijn, in positieve zin (Watergate!) en negatieve zin. Het enige waar ik het dus wel met mezelf over eens kon worden, was dat de pers als iets met macht behandeld zou moeten worden en dus ergens, ergens een plek in het staatsbestel zou moeten krijgen. Maar hoe dan? Al puzzelend kwam ik tot de conclusie dat het leerstuk van de machtenscheiding me op het verkeerde been zet als het om de pers gaat en dat het veel nuttiger is om er naar te kijken vanuit het leerstuk van het machtsmisbruik. Dus bedacht ik ‘algemene beginselen van behoorlijke pers’ en zag voor me hoe burgers (want tegenover politici vond ik de verhouding veel gelijkwaardiger) extra beschermd zouden worden tegen misbruik van hun positie door de pers, hoe marginaal ook getoetst. Ach, ik kon zo hard van stapel lopen.

Leerstuk loopt stuk

Met al die gedachten gewapend begon ik aan mijn rechtenstudie. Hoewel het aantal studenten enorm was, kreeg de universiteit het toch voor elkaar om een soort begeleidingssessies te organiseren rondom het vak ‘inleiding in de rechtsgeleerdheid’. In de eerste sessie presenteerde ik de lieve dame die het leidde mijn redeneringen rond machtenscheiding in een epistel van een paar A4’s lang (de lezer weet nu dat ik al langer van de vele woorden ben). De dame nam het in ontvangst, bekeek het lang genoeg om te beseffen dat ze hier niet met een paar woorden van af kwam en stelde voor er de volgende keer op terug te komen. Dat was het. Ongetwijfeld tot haar spijt, maar ze kon er niets mee. Mijn studie was geen redeneerstudie, maar een leerstudie, zeker in het eerste jaar. Uit het hoofd leren stond centraal – voor mij al een moeilijk punt sinds de dagen dat mijn moeder wanhopig probeerde wat psalmteksten in mijn hoofd te krijgen voor de lagere school. Een jaar later zou ik het nog eens proberen, nu in een werkgroep ‘vrijheid van meningsuiting’ onder leiding van de latere hoogleraar Jit Peeters. Hij vond mijn gedachten interessant, sprak even over een artikel, maar wilde dat niet doorzetten. Zelfregulering of tikken op de vingers door de rechter, dat was het wel.

Factoren

En daar heb ik het bij gelaten, mede omdat je ontdekt dat het altijd weer ingewikkelder is dan je denkt. Van het belang van vrijheid van meningsuiting is hoefde niemand me te overtuigen en je kunt je eigenlijk niet wapenen tegen machtsmisbruik zonder feitenonderzoek. Een feitenonderzoek dat om dossieronderzoek vraagt. Hoe kan je dat doen zonder in het verschoningsrecht van journalisten te komen? Zonder het radicaal anders te doen gaat dat niet. Daarbij kwamen nog andere ‘ factoren’. De belangrijkste: het zijn net mensen, die journalisten, aardige mensen soms, hoewel blind voor het politieke midden. Een andere factor: ze hebben verdraaid mooi beroep (zou ik zelf?). Voeg daar nog eens nieuwe ontwikkelingen als de digitalisering bij die alles op z’n kop gooit en dan denk je; laat maar. De pers gaat vaak haar boek te buiten, de incidenten voelen niet meer aan als incidenten, maar ik moet er mee leren leven. Als ik eenmaal zelf politiek actief ben blijkt de omgang met de pers een boeiend spel – en spelers kunnen geen scheidsrechter zijn. Ik verlies dus mijn recht van spreken over wat toch al niet meer zo eenduidig ligt. Het is pas de opkomst van Wilders die me wakker maakt. In ieder geval komen mijn denkbeelden over machtenscheiding op hun kop te staan als het juist deze politicus is die de vrijheid van meningsuiting gaat verdedigen. Hij vertelt zijn collega politici wat ze moeten doen, zet de rechterlijke macht keihard in de hoek, vertelt ambtenaren dat ze gewoon moeten doen wat ze gezegd wordt en bijna en passant zet hij ook een groot deel van de Nederlandse pers weg als deel van de ‘linkse kerk’. Machtsevenwicht, machtenscheiding? Hij heeft er geen boodschap aan – en om alles nog erger te maken gaat de kiezer kennelijk in dat verhaal mee! Ik maak mij klaar om mijn mooie theorieën weg te stoppen als even zo vele jeugdzonden. Het leven zit kennelijk anders in elkaar.

News of the World

En dan komt het nieuws over News of the World langs en stoppen de relativeringen. Dit is crisis. Wat 2008-9 waren voor de banken wordt 2011 voor de pers. En al die gedachten over ‘incidenten’ zijn slechts een excuus geweest om niet fundamenteel over de positie van de pers na te hoeven denken. Het is behoorlijk vergelijkbaar met de bankcrisis. Ook toen kregen we genoeg signalen dat er zaken niet deugden, maar zolang we met z’n allen rijker werden lieten we het gebeuren. Wat is er aan de hand? Eerst komt een analyse van de Britse situatie en dan de onvermijdelijke vertaling naar Nederland – met tot slot een voorstel voor hoe het anders zou kunnen.

Een heet opgewarmde prak

De berichtgeving over News of the World is een uit 2006 opgewarmde prak. Toen al was aan het licht gebracht – bovenal door de Guardian –dat de NotW op grote schaal telefoons heeft afgeluisterd en elk onderzoek belemmerde. Dat het nu is geëxplodeerd, heeft minder te maken met het feit dat het om meer dan 4000 gehackte personen zou gaan, maar omdat het schandaal beantwoord aan de wetten van de journalistiek: de berichtgeving krijgt een menselijk gezicht doordat het mede de telefoons betreft van familieleden van de terroristische aanslag in Londen, vermoorde meisjes en militairen in Afghanistan. Dit is zo overduidelijk verwerpelijk, dat elke poging tot wegredeneren onmiddellijk als een boemerang op de betrokkenen zou terugslaan. Dat weten alle betrokkenen en zowel pers, politiek als adverteerders kiezen daarom de vlucht naar voren en roepen om het hardst schande (alleen de echte roddelbladen doen er vooral het zwijgen toe). Het voorlopige eindresultaat is spectaculair: na meer dan anderhalve eeuw brengt the News of the World geen nieuws meer. Negen mensen zijn er op het moment van schrijven gearresteerd, waaronder de voormalige adjudant van de premier. Wow.

Bewijs van hoogste macht

Door verschillende media, zowel in Engeland als daarbuiten en in ons eigen land, is er op verdedigende wijze gemeld dat het de pers is die de pers aan de kaak heeft gesteld. Nu verdient de Guardian alle lof. Wat de betrokken journalist heeft gedaan is geweldig, maar ik ben ook diep onder de indruk van de kwaliteit van de hoofdredactie. Toch is het juist dit aspect dat me zo van slag brengt. Als kennelijk alleen de pers de pers nog maar kan controleren, is dat het meest duidelijke bewijs dat er geen grotere macht is dan de pers, c.q. de eigenaren van de pers. Het maakt me boos dat geen enkele andere macht daar meer toe in staat bleek. Politiek, politie, rechterlijke macht: allemaal hebben ze boter op hun hoofd of tonen ze zich machteloos. Hoe kan het dat in de bakermat van de democratie, in een land om trots op te zijn, het al dertig jaar de heer Murdoch is die de scheidsrechter is over de vraag wie minister-president wordt en wie niet? Juist de trots op gedrag van één van de kranten laat zien dat de rest te bang is geweest voor de eigen positie om die macht in de waagschaal te stellen. En laat dan ook de positie van de Guardian zelf nog eens goed in ogenschouw worden genomen. Ze zijn er gelukkig heel open over. Achtergrond bij dit hele gedoe rond om NotW is de commerciële positie van Murdoch en zijn zonen. Ze stonden op het punt om toestemming te verkrijgen voor het kopen van de satellietzender BSkyB. Die deal zou het bedrijf effectief een meerderheidspositie geven in media-entertainment in Groot-Brittannië. Mogelijk dat dit door de druk rondom NotW nu van tafel is, maar er hoeft geen misverstand te zijn over het feit dat de grootste strijd niet draait rond de gehackte telefoontjes van de ouders van terrorisme slachtoffers, maar rond de vraag of Murdoch wel of niet de absolute macht mag krijgen in het Britse medialand. Dat de macht over de politiek er al was, is een gegeven. Een gegeven om rillingen van te krijgen. Wat doet de machtenscheiding binnen de overheid er toe als de echte macht bij de pers berust?

Nederland vergelijkbaar?

Dan nu naar Nederland. Is de situatie vergelijkbaar? Dat er grote verschillen zijn, is duidelijk. Dat is lof voor onze Nederlandse krantenkoper, net zoals veel van de Britse ellende ook gewoon te danken is aan de kennelijk grenzeloze sensatiehonger van de Britse lezers. Voorlopig zijn we in Nederland toch wat minder bereid om in de beurs te tasten voor non-nieuws. Maar zegt nooit nooit. Een eerste concrete vergelijking. Wat is erger? Het hacken van het slachtoffer van een aanslag of het verslag doen uit een ziekenhuiskamer bij een kind dat als enige de vliegramp in Libië overleeft? De vraag stellen is hem beantwoorden. Wij hebben incidenten die, weliswaar op een andere manier, net zo ernstig zijn en ze zijn niet het exclusieve voorrecht van de Telegraaf. In het post-Fortuyn tijdperk hebben alle media schrammen op de ziel. En zijn de kranten – de media, want in de pikorde komt de TV toch echt als eerste – niet net zo sterk als in Engeland? Het lijkt er op dat ons politieke landschap achter het medialandschap aanloopt, met een sterk rechts blok, een versplinterd landschap op links en verdwijnende middenposities. Het lijkt daarbij fair om te zeggen dat D66 moeilijker zonder NRC kan dan andersom en dat de Telegraaf op dit moment belangrijker is voor VVD en PVV (en het CDA voor 2009) dan andersom – en dat Volkskrant en Trouw behoorlijk uitstralen dat ze ook zonder de PvdA kunnen. Het is ook fair om te zeggen dat de relatie zeker niet zo geperverteerd is als aan de andere kant van de Noordzee, maar is het wezenlijk anders? Evenwichtiger? Zoals in: machtsevenwichtiger? Opnieuw: de vraag stellen is hem beantwoorden.

Barbertjes

Waar dit het meest zichtbaar in wordt, is de behandeling van personen. Journalistieke principes vragen om personificatie. Abstracte cijfers en trends moeten een verhaal worden en elk verhaal heeft helden en schurken nodig. Gelukkig is de politiek een eindeloze bron van verhalen. Geen krant kan op dit moment zonder het CDA, zeker in 2010 een briljante bron van verhalen. Elke krant heeft eigen definities van wie de schurk en held is, maar dit weten we zeker: één misstap en Barbertje moet hangen. In ‘objectieve’ termen is dat zelden terecht. De keren dat politici moedwillig en met boos opzet iets verkeerd doen komt voor, maar is de uitzondering. Het omgekeerde is eerder het geval. De weg naar een incident is doorgaans dik geplaveid met goede bedoelingen. Maar die tellen niet. Ook niet als direct daarna allerlei maatregelen worden genomen. Waar verantwoordelijkheid kan worden toegewezen moeten maatregelen worden genomen. Barbertje moet hangen.

Wie is verantwoordelijk?

De gebeurtenissen in Engeland maken weer duidelijk hoe nabij de vergelijking kan komen. Elk van de hoofdrolspelers voelt zich niet persoonlijk verantwoordelijk of benadrukt te goede bedoelingen. De journalisten van NotW en hun bazin benadrukken dat het hun voorgangers waren die de ‘onvergeeflijke fouten’ hebben gemaakt, benadrukken hun oprechtheid en zeggen dat inmiddels alles anders is. Het is spugen tegen de wind in. Ze voelen de machteloosheid die de pers zelf – zeker in het geval van NotW – hun slachtoffers zo gemakkelijk kan aandoen. Tegelijk kan niemand er omheen dat de situatie bij NotW de grote uitzondering is. In de pers blijft Barbertje zingen. Journalist, hoofdredacteur of eigenaar – het maakt niet uit. Als zij ook maar een tiende zo verantwoordelijk zouden worden gemaakt voor hun daden als politici, dan zouden wij van heel wat meer ontslagen weten. En het is natuurlijk die dubbele maatstaf die wringt. De reden dat we weinig medelijden met ontspoorde politici hebben is omdat we hen macht hebben gegund en die macht hebben ze misbruikt. De pers heeft die macht dus minstens zozeer en kan gewoon doorgaan. Hiervoor geldt; ‘you can fool some of the people some of the time, but not all of the people all of the time.’ De grenzen zijn bereikt. Of, zoals Janine Gibson in de Guardian van 8 juli schreef: “There is too large a concentration of power at the heart of the newspaper industry – and patently too weak a sense of purpose – for this system to work”. Let op dat woord: ‘purpose’. Macht is niet erg, maar je bent gehouden het te gebruiken voor iets dat groter is dan jezelf. Het wordt afwachten, maar het lijkt er op dat ze er in Groot-Brittannië nu serieus werk van willen maken.

Pek en veren

Zal dat ook voor Nederland gaan gelden? Eerder noemde ik het meest evidente voorbeeld van de poging de enige overlevende – een jongetje – van het vliegtuigongeluk in Libië te interviewen. De Telegraaf heeft naar voren proberen te brengen dat het hier slechts om het gebruik maken van een onverwachte gelegenheid ging en dat er geen boos opzet van de betrokken journalist bij speelde, alleen maar professioneel gedrag. Wie zal zeggen dat dit niet precies het geval is geweest? Het verhaal is echter dat van een journalist en een krant die respectloos op slachtofferjacht gaat. Het journalistieke beeld is er een van een aasgier op de rand van het ziekenhuisbed. En het vervolg? Duikgedrag en oplageschrik, want het ging de lezers duidelijk te ver. De verantwoordelijke hoofdredacteur zit er nog. Het leidt geen enkele twijfel dat als deze hoofdredacteur een minister was geweest, hij door diezelfde krant met pek en veren uit Den Haag was gejaagd.

Wat helpt?

Is dat dan wat we moeten willen? Pek en veren? Het verkoopt kranten, maar daar heb je het dan ook mee gehad. Het maakt Nederland, het maakt ons, armer en zwakker. Het heeft ook allemaal niets met rechtvaardigheid te maken. Wat heb ik er uiteindelijk aan om die hoofdredacteur gestraft te zien? Met het moreel kompas van de hoofdredacteur is iets serieus mis, maar hij lijkt ook een vakman te zijn met hart voor zijn krant en er zijn serieuzere zaken om de vinger op te leggen – bij hem en zijn collega’s. Mij is het genoeg als hij af en toe echt merkt waar zijn grenzen en die van zijn krant liggen. Wie geeft er een tik op de vingers als het een keer mis gaat? De smaadrechter, een Ondernemingskamer, de Raad voor de Journalistiek? De Ombudsman van de krant. Netjes hoor, maar het is allemaal van een verkeerde orde. De privaatrechtelijke toetsing is op de verkeerde punten of bijt niet genoeg, de zelfregulering is te beperkt of te lief. Het wordt tijd voor een ander verhaal en daar wil ik nu heel graag aan toekomen. Voor ik dat kan doen, moet ik echter eerst iets anders bij de kop nemen als ik niet onmiddellijk bij de eerste verdedigingslinie wil sneuvelen.

Digitaal anders

Ben ik een journalist omdat ik nu een ‘stukkie’ schrijf of toch niet? Laten we het maar op het laatste houden, maar de vraag is niet zonder grond. Toen ik mijn mooie dingen bedacht als soldaat-met-studie-in-het-vooruitzicht, was de wereld wat de pers betreft nog overzichtelijk genoeg. Er waren papieren kranten en tijdschriften en drie zenders. Klaar. De situatie is wezenlijk anders en lijkt om bescherming van het bedreigde diersoorten-soort te vragen, niet om extra kritiek. Murdoch is een dinosaurus uit het verleden, binnenkort uitgestorven, samen met Berlusconi en we zullen met weemoed aan hun grootheidswaanzin terugdenken, zoiets. Discussie over machtenscheiding en machtsmisbruik zijn achterhaald als iedereen die achter een PC zit in de kern dezelfde macht heeft om stampei te maken als de krant vroeger had. De klassieke ‘exit & entry’ strategie zoals je die bij andere branches nog wel eens ziet en waarbij er aan allerlei eisen moet worden voldaan voordat je bijvoorbeeld arts of advocaat mag worden, werkt op geen stukken na. Dat ‘register voor journalisten’ waar onlangs in een oratie over werd gesproken is een sympathiek idee, maar komt in het kader van een discussie over machtsmisbruik gewoon tekort.

Wisdom of the crowds

Ja, het is anders. Nee, het thema blijft hetzelfde. Het is anders omdat de dimensies anders zijn, maar machtsmisbruik wordt niet acceptabeler omdat het moeilijker te traceren valt. Het betekent vooral dat de interventies steviger en groter moeten worden. We vinden het na de crisis toch ook niet acceptabel dat de overheid de banken maar hun gang laat gaan omdat we hun producten niet meer kunnen begrijpen? Voor een belangrijk deel is het simpel een kwestie van opschalen. Voor een ander deel is het een kwestie van beter doordenken waar de machtsconcentraties zich gaan bevinden en daar de juiste macht tegenover zetten. Er zijn mensen die zich verzetten tegen het hele idee van internetregulering omdat de ‘wisdom of the crowds’ er vanzelf wel voor gaat zorgen dat de meest optimale vorm van informatiedistributie gaat komen. Wie dat denkt leidt niet alleen aan een blind marktdenken, maar begrijpt ook de logica achter de ‘wisdom of crowds’ niet. Je mag verwachten dat bij voldoende spelers met voldoende informatiebronnen er iets uit de wisselwerking van de spelers gaat komen dat ‘beter’ (stabieler, bestendiger) is dan de op expertise gebaseerde redenering van een beperkt aantal spelers. De praktijk is echter ook op het internet anders. Er zijn inderdaad veel spelers, maar het aantal bronnen blijft in de praktijk ver achter bij dat wat nodig zou zijn om een optimale uitkomst te krijgen. Veel berichten blijken te herleiden tot het eerste en meest krachtige, c.q. spectaculaire signaal en andere bronnen komen er dan niet meer doorheen, betrouwbaar of niet. Het resultaat is dan een uitkomst die lager en dus ruwer is dan wat het geval zou zijn geweest als er een beperkt aantal experts aan een oplossing zou hebben gewerkt. De experts nemen dan betere beslissingen dan de massa. Met andere woorden; er is een zeer realistische kans dat de meningsvorming zoals dat nu via internet wordt gevormd eerder schade doet aan een thema dan dat het wordt verrijkt. Dat kan geen samenleving zich al te lang permitteren.

Nevenregulering

Het probleem is wel dat binnen de trias politica dus geen geschikte partij te vinden is in deze strijd tegen dreigend misbruik van informatieposities. Principieel en praktisch wordt er tekort geschoten. Zelfregulering werkt ook niet. Principieel zou het moeten, maar praktisch kan het niet, al was het maar omdat er geen echte ‘zelf’ meer is. Wat dan wel? Voor mij wordt het tijd voor ‘nevenregulering’, waarbij er een zelfstandige entiteit, c.q. toezichthouder komt voor alle situaties waarin misbruik kan zijn van informatieposities voor zover geen onderdeel van het strikt private of publieke domein. In het bijzonder gaat het om informatieposities die een sterk exclusief karakter krijgen en waarvan in redelijkheid gezegd kan worden dat individuen of organisaties er niet in een gelijkwaardige positie tegenover staan. Het gaat om een marginale afweging; media en andere concentraties mogen, nee moeten er op zich kunnen zijn, maar er moet op beperking en inperking worden gelet. De entiteit werkt daarom twee kanten op. Enerzijds beschikt het over eigen opsporingsbevoegdheden en kan het tot vervolging (en mits gescheiden: tot sanctionering) overgaan. Anderzijds kan het na feitenonderzoek ook vertegenwoordigend optreden in die gevallen dat bijvoorbeeld overheden ten onrechte een informatiepositie in de knel brengen. In die laatste hoedanigheid treedt het ook op als hoeder van de vrijheid van meningsuiting. De oprichting van de entiteit is overheidsafhankelijk, maar het voortbestaan ervan niet. De budgettering ervan wordt gekoppeld aan de hoogte van het justitie- en veiligheidsbudget op rijksniveau. Dat budget moet daarmee ook ruim genoeg zijn om alle opsporings- en andere activiteiten uit te kunnen bekostigen. Een vorm van democratische legitimering voor deze entiteit is gewenst en is ook logischer dan de verkiezingen voor zeg de provincies of de waterschappen. Over de inhoud van de normering valt veel te zeggen, maar eerlijk gezegd maak ik mij daar niet al teveel zorgen over. Het zal – net als bij alle regelgeving – iets worden dat achter de tijd aanholt, maar waar je redelijk zeker van kunt zijn dat die achterstand na een crisis weer zal worden ingehaald.

Interessant voorstel? ik merk dat ik er nog veel meer over schrijven, maar de tekst is al veel te lang geworden. Ach, dan nog komt het waarschijnlijk wat naïef over. Daarbij heb ik zelf ook teveel meegemaakt om te denken dat een enkele entiteit kan corrigeren wat ergens fundamenteel mis is gegaan. Maar er moet wel wat gebeuren. Zo mediawijs denk ik wel dat ik ben.De berichtgeving over News of the World maakt duidelijk hoe hoog de prijs kan zijn als er geen tegenwicht is tegen een ongebreidelde pers met kapitaalkrachtige eigenaren. Hier in Nederland heb ik doorgaans het idee dat we een pers hebben die behoorlijk werk weet af te leveren en dat werk ook behoorlijk gemotiveerd doet. En tegelijk hebben wij ook een Wilders en hebben wij kranten en televisieprogramma’s die uitglijders maken en zijn er internationaal aangestuurde mediaconcerns die steeds meer te zeggen krijgen. Het is in dat licht dat ik mij als burger klein en bedreigd voel en dat ik wens dat we wat meer bewakers – ‘guardians’ – krijgen die bij deze tijd horen.

 

Peter Noordhoek

www.northedge.nl

Building a better democracy. The case of Egypt

In this blog, written just before the start of the summer holiday, I want to share some thoughts on the way further democracy building could take place in Egypt. I do this in English, so I can share my thoughts with friends abroad. I do this knowing that I am nothing more than someone who loves to run up a dike to see beyond the green top.

Party building

Last weekend the Dutch Foreign Ministry announced that it will dedicate some financial resources to the financing of trainings on party building and other means of furthering democracy in Egypt. There are general elections coming up, and in the short term it is clear that several new parties are not sufficiently able to fully participate in this election and compete with established parties like the Muslim Brotherhood. In order to create something of a level playing field, it is important that key members of the new parties know how to build a party organization and deploy their activities within bounds. However, it is doubtful there is enough time to do so before the coming election. It is not realistic to expect more than the exchange of some basic principles about the election itself and the campaigning around it. But then – if that helps, we should not hesitate to do so.

No arrogance

Party building is a long term objective, and all the more so since we are talking as much about a change in the culture of democracy as of a change in its structure. The most stupid thing to do would be to assume that Egypt knows nothing about the process of democracy and that we, the West, will tell them how it works. They have had more than enough of such arrogance, and with good reason. It is not that Egypt is without a democratic tradition. The democratic system has been sorely abused, but there definitely is a system, and if it is not to their liking; well, they sure have proven they can find their way on the internet to look around. Because of the first-past-the-post system Egypt employs, it is likely that the result will favor bigger parties. This makes it all the more likely that the Muslim Brotherhood will become the largest party and that other parties will face a longer climb to prominence. So apart from some practical aspects of organizing a modern party, any true party building would be in the form of a dialogue with especially the young talents of each party.

Expectations

There is certainly enough to talk about. The Economist published an article this week (in the same issue it extensively analyzed the situation in China), in which it reported on several tightly interwoven developments. All of them either promising great developments in the immediate future or stating reasons for an enormous letdown in expectations. The potential for growth is similar to that of Turkey. Though Turkey has a significant head start, in terms of strategic position and economic potential Egypt should be able to rival that country. In the past few years – up until Tahrir Square as a matter of fact – economic growth was good, in spite of a worldwide crisis. Is the present slump of a temporary nature or will the economy rebound? The Economist, predictably, wants to see more economic growth by way of more economic freedom, including privatization. They are probably right, but the magazine admits in their issue of the 25th of June (their journalists as usual anonymous), that the money from the last wave of privatizations ended up mostly in the pockets of those who were already well off. So the reverse is likely to happen, probably contributing to a further downturn of the economy at precisely the moment people will raise their expectations about jobs and income.

Almost no win

Assuming that this negative scenario is the more likely one, it will mean that improvements in the process of democracy will get entangled with questions around economic interventions (meaning investments, subsidies, but maybe also something with energy, as gasoline prices area a ‘burning topic’ in Egypt) . This again will have two other effects. One internal; there can be little doubt that the Muslim Brotherhood has a better record of taking care of people who are in dire straits than any of the other parties. This will inevitably help them at the ballot box.  The second is a need for more international interventions. As well intentioned as they may be, many of them will be mistrusted, whether coming from the West, or from countries ruled by old friends of Mubarak in the Middle East. This could turn out to be an ‘almost no win’ situation, as expectations will be raised for an increase in something that many do not welcome.

Real principles

Nevertheless, in the end neither America nor Europa can afford itself to stand idle on the side when it comes to the fate of Egypt. Economic support to the Arab Spring countries will matter much more than the military intervention now taking place in Libya. In terms of size, potential and influence, Egypt is the one country no one can afford to lose.  I wonder what Henry Kissinger would say now, my old high school hero (weird, I know). True to type, I know he tried to prevent Obama from deserting Mubarak, sticking by a trusted friend of America and himself. But that is not truly interesting. I mean the old Kissinger. The Kissinger of Metternich and Castlereagh, and of his study on diplomacy of about ten years ago. In his writing he would always come back to the tension between real politics and Wilsonian politics. In other words; the difference between a hard assessment of national interest and a more idealistic approach inspired by general principles. Contrary to the general impression people have, Kissinger is usually on the lookout for situations where both come together. Only when that is not possible he chooses the path of real politics. I have little doubt that when it comes both to Libya and Syria, Kissinger would chose the path of real politics and would not intervene, as it is very likely that even if the intervention would succeed, chances are that the new situation would not be in the interest of the West. In the case of Egypt, both the national interest and democratic principles are at stake. There is every reason to stay involved and see the transition through. There are real principles at stake, not just in the interest of nations, but that of the world as a whole.

So, with that in mind, what are the prospects? I must admit to some bias here. It is no use starting out with trainings about voter analysis and marketing techniques, while not talking about responsibility and the tough side of decision-making. I am very worried there is a cultural divide that will trip us. A well-educated young population must have some real talents walking around, but there seems to go so much energy to waste. For example, a friend of mine is a manager with a very laid-back attitude, not expecting too much at all. But when he came back from trying to set up a factory in one of the Northern coast towns, he was downcast and worried that the very fact of the youth being so well-educated would be their downfall when discipline is lacking and that education has nowhere to go. So, if and when we are going to do something, I prefer that we do it right and have some impact. For this reason I am very much hoping that we will not have a piecemeal approach. It is no use bringing sand to the desert.

The fight for stability

In the Netherlands, D66 and PvdA have pleaded from the start to support democracy initiatives in the Arab Spring countries. Good for them. However, their initiative died down in the clamor around the Euro crisis, Greece taking all the attention away. Fortunately the CDA did not let the issue die, and now we have an initiative and a bit of money from the Ministry of Foreign Affairs.  As I understand, this will become part of a European initiative. No matter how it comes about, I really think there should be something of a joint effort with the Americans, be it from the Democratic or the Republican side. As stated, we need a true momentum. Assed to this, I hope that it will not be the ‘usual suspects’ taking up this case.

Democratic development is a condition for a stable Middle East. I have not seen a stable Middle East in my lifetime, and I am getting on. At the same time, I have never witnessed something like the Arab Spring, and I cannot help but hope that this is a unique chance to improve things. Nothing increases the chance of a stable Middle East more than a stable Egypt. In the Netherlands Mr. Wilders chooses Greece as his battle ground to show the weakness of Europe and everything coming from the South. I am convinced that in the long run Greece will turn out to be a side show. A more important battle is taking place in Egypt and we should be there if the people there want us there.

Peter Noordhoek

www.northedge.nl

Trek aan de andere lijn. Over de speech van Maxime Verhagen

De speech die Maxime Verhagen op 28 juni hield op verzoek van het WI heeft heel wat stof doen opwaaien. Zoveel dat een belangrijke rode lijn in zijn betoog hierdoor onderbelicht blijft.

Ik begin met wat ‘persoonlijk historisch perspectief’. We kennen elkaar van een optreden dat het piepjonge Kamerlid gaf in mijn afdeling Berkel en Rodenrijs, ergens rond 1994. Na afloop raakten we aan de praat, o.a. over zijn manier van toespreken. Hij luisterde goed en er is een hemelsbreed verschil tussen de houterige verteller van toen en de geroutineerd sprekende bewindspersoon nu, maar ik kan niet zeggen dat ik veel invloed heb gehad op zijn stijl van spreken.  Datzelfde geldt ook voor de inhoud van zijn speeches. Meer dan eens heb ik hem daar vanaf de zijlijn elementen voor aan proberen te reiken, maar Maxime heeft altijd zijn eigen boodschap gemaakt. In die boodschap heeft vanaf het begin, zeker sinds zijn woordvoerderschap immigratie in 1998, eenzelfde lijn gezeten van hard zijn op de spelregels van staat en democratie, en zacht op de onderlinge omgangsvormen. Altijd was er een dubbelslag van snijdende meningen en verlangen naar saamhorigheid. Die dubbele lijn heeft er altijd ingezeten, ook bijvoorbeeld in zijn periode als minister van Buitenlandse Zaken – hard op mensenrechten (en in Servië roemen ze hem er om), zacht op internationale betrokkenheid. Het is eigenlijk verbluffend hoe consistent die lijn is. Ik was op het laatste moment verhinderd om naar de bijeenkomst van het WI te gaan, maar toen ik de speech van Verhagen las, had ik bij de eerste lezing dan ook niet het gevoel veel gemist te hebben. ‘Probeer eens iets anders’, dacht ik nog met een milde hopeloosheid. In tweede instantie heb ik er overigens wel iets uitgehaald, waarover zo dadelijk meer.

Eerst wil ik toch mijn gevoel kwijt dat Verhagen onrecht wordt aangedaan met de reacties op zijn speech, zowel buiten als binnen de partij. Als dit een speech van het jonge en onbekende Kamerlid Verhagen was geweest, hadden velen het geprezen als een stevige poging om het debat over immigratie en integratie concreet te maken. Hij doet in het begin van zijn speech echt niets anders dan het geven van een opsomming van wat je op veel plekken kunt horen als je in Nederland rondloopt. Dat gebruikt hij vervolgens als startpunt voor zijn echte verhaal. Iets anders kan bijna niet, zeker niet in een speech die veronderstelt wordt over populisme te gaan.

Omdat de speech door de Maxime Verhagen van nu wordt gegeven, krijgt het echter opeens een heel andere lading. En wat voor een. Zijn beschrijving van de situatie wordt opeens zijn mening. De kranten gaven zijn woorden nog net niet weer als die van een schuimbekkende vreemdelingehater uit een barre buurt, maar het scheelt niet veel. Mijn vermoeden is dat hij zelf maar deels beseft hoe dit werkt en waar dit vandaan komt. Hij zegt, zo mag hij denken, immers niet anders dan wat hij steeds al zegt? Dat klopt dus. Hij heeft deze lijn al neergezet ver voordat ene Wilders naar voren kwam, maar dan zonder diens demagogie, want altijd ingebed in rechtstaat en een zachtere lijn. Wilders pakt alleen de harde kant uit het verhaal, niet de andere kant, tot zijn schande. Hij had nooit voor de rechter moeten komen, maar hij zou wel voor zijn oude leraar, baas en mentor hebben moeten verschijnen om de oren gewassen te worden. Zo ga je niet met andersdenkenden om. Ik vul nu in, maar Maxime Verhagen ziet zichzelf anders en zal altijd oog houden voor het grotere verband van de samenleving. Dat verhaal doet hij gewoon nog een keer.

Vind ik het daarmee een goed verhaal? Nee. Ik vind het (weer) een net gemiste kans. Nu komt de speech als een dode vis met de lelijke kant bovendrijven. De weldenkende mensen, waaronder CDA’ers, spreken mij er op aan en zijn cynisch, teleurgesteld of beide. En dat is uiteindelijk zijn eigen schuld, omdat hij nog steeds geen maat of balans weet te krijgen in zijn twee verhaallijnen. Frits Abrahams beschrijft in zijn flauwe column in het NRC van vandaag hoe hij denkt dat de eerste helft van de speech is geschreven door Verhagen zelf en het tweede deel door zijn assistent. Het is niet moeilijk te begrijpen waarom hij die delen zo neerzet. Het eerste deel komt tot leven, mede door de concreetheid, het tweede deel niet. Daarmee wrijft hij – verdacht van alle kwaad binnen de Nederlandse politiek – het ons allemaal nog eens in, zonder dat we ook maar een beetje het idee krijgen dat hij minstens zozeer passie heeft bij het tweede, terwijl dat wel zo is.

Nu is dat ook lastig. Het beste in zijn speech is het onderscheid dat hij maakt tussen instituten en instituties. Dat is een wezenlijk onderscheid als we maatschappelijke verbanden – van sportverenigingen tot branches – weer een kans willen geven. Het is echter ook het verstopt tegenover elkaar zetten van twee abstracties waarvan je direct voelt dat er geen plan of beleid achter zit dat zich ook maar enigszins kan meten met het harde begin. Waar was de paragraaf over instituten in dit regeerakkoord? Wat voor beeld heeft hij eigenlijk van zijn toehoorders? En hoe denkt hij dat de media er mee omgaan? Het kan me bezighouden. Hoe kan iemand die zo kien is, tegelijk zo bijna naïef zijn?

Misschien omdat we met z’n allen net zozeer vergeten om hem serieus te nemen, als hij meent dat we vergeten om de kiezers serieus te nemen. Hij is een gevoelsmens en probeert op een onmogelijke manier de tegenstellingen in deze samenleving te overbruggen. Het is ontmoedigend te zeggen tegen iemand die harder werkt dan wie ook; maar doe dan een keer je huiswerk helemaal, Maxime. Of laat je integratieverhalen maar even helemaal weg. Niemand zal je er nog van beschuldigen dat je die kant verwaarloosd. Concentreer je op die andere kant; die visie die we met z’n allen zo hard nodig hebben op een samenleving waarin we elkaar, ondanks teleurstellingen en minder welvaart, toch weten te vinden. Vind de woorden voor de instituties. Vind de woorden voorbij het morrende volk. Laat dat nu even aan ons over, gewone burgers. Wij moeten met hen, met elkaar in gesprek, zodat we jou en die Wilders hier even niet meer over hoeven horen.

Peter Noordhoek

www.northedge.nl

Over bungeejumpkoordtoezichthouders

Afgelopen week kwamen er honderden toezichthouders bij elkaar. In het regeerakkoord wordt gesproken over een ‘inspectievakantie’ die bedrijven kunnen krijgen als ze laten zien dat ze zaken op orde hadden. Vakantie was het deze week niet, maar veel bedrijven en instellingen kunnen deze week een ‘Caraïbisch moment’ hebben beleefd. Was het de moeite waard? Jawel. Er werd namelijk op allerlei manieren stilgestaan bij de positie van het toezicht en het effect van dat toezicht. Dat gebeurt doorgaans te weinig en dan is de tijd goed besteed. In deze werkblog aandacht voor enkele uitkomsten. Veel meer valt te ontdekken op de website www.toezichtenwetenschap.nl.

(NB in mijn blog van 4 weken geleden was ik kritisch over het gebrek aan steun vanuit de EU aan de Arabische lente, dit in tegenstelling tot wat de Amerikanen deden. Een week geleden zag ik tot mijn genoegen dat Henk-Jan Ormel dit punt in de Kamer ging maken en vandaag zie ik dat BZ een beleidswijziging heeft gemaakt en actief de democratisering gaat steunen. Mijn kritiek verandert in een compliment, want dit is niet de makkelijkste weg naar verbetering.)

‘Wat doe je voor de kost?’

Maar nu het toezicht. Docters van Leeuwen sprak in zijn speech bij het congres over de nieuwe vriend van zijn dochter, die in Australië woont. ‘Wat doe je voor de kost?’ ‘Ik ben de bungeejumpkoordtoezichthouder van Perth’ antwoorde hij. Docters van Leeuwen is een expert op het gebied van toezichtarrangementen, maar deze kende hij nog niet. Nu is het geen overbodige luxe om een toezichthouder op zo’n koord te hebben. Je kunt je zo voorstellen dat de rek er uit gaat bij zo’n koord na meerdere keren gebruikt te zijn, en dat je dan niet meer goed omhoog komt. Dat bungelt zo rottig. Nuttig dus zo’n toezichthouder. Docters van Leeuwen kan trots zijn op z’n schoonzoon. En tegelijk denk ik: weer een toezichthouder erbij. Hebben we er nog niet genoeg? En hoezo moet de overheid verantwoordelijkheid nemen voor iets dat toch behoorlijk onverantwoordelijk gedrag is van enkele van haar onderdanen? De vraag waar de grens ligt dringt zich weer op. Helaas lijken we als samenleving zelf op een bungeemjumper als het om het antwoord op die vraag gaat. De eerste reactie op elk incident is: toezicht! En hup springen we met onze instituten in het diepe. Dit gaat al te diep, zeggen anderen dan – en hup veren we weer terug. Hoe dan ook; uiteindelijk is het niet de toezichthouder, maar de politiek (en de verzekeraar) die bepaalt hoeveel toezicht er aan het koord komt te hangen. De toezichthouders zelf gaan over de vraag hoe effectief dat toezicht kan worden uitgeoefend. Zij worden in ieder geval geacht om met hun hand de overtreder bij de kraag te pakken en niet met hun hoofd de grond te raken.

Een paar ‘participerende observaties’ uit dit boeiend congres.

Twee scholen en twee methoden vergeleken

Zelf heb ik, samen met Herman de Bruine, op het congres een paper gepresenteerd over het fenomeen ‘hoog betrouwbaar organiseren (HRO)’. We hebben o.a. een vergelijking gemaakt tussen 2 basisscholen, de één waarschijnlijk goed presterend, de ander een stuk minder. Van beide scholen hebben we eerst de (openbare) inspectierapporten laten zien. De uitkomst bevestigt de eerste indruk. Toch is het niet zo dat op basis van deze rapporten er direct actie is genomen richting de zwakkere school. De methode is er per saldo vooral op gericht de resultaten (cijfers, uitval) en de protocollenkant in beeld te brengen. In een op de HRO-benadering gebaseerd vragenlijst ging het bij ons meer om de gedragskant. Hoe pakt die vragenlijst uit voor beide scholen? Hoe alert is men op de school voor signalen dat het mis gaat? Is de veerkracht groot genoeg om als er wat fout gaat, dan ook snel te herstellen? Zowel de inspectierapporten als de uitkomsten van de vragenlijst laten een vergelijkbare uitkomst zien. De sterke school is bij beide sterk, de zwakke zwak en dat ook op vergelijkbare punten. Het verschil zit hem in de dynamiek die bij het toepassen van de HRO-vragenlijsten ontstaat. Dan gaat het om (percepties van) gedrag en minder over de vraag of de regels en protocollen wel goed zijn toegepast. Feedback over gedrag doet meer dan meer feedback over wel of niet gevolgde procedures. De vraag is natuurlijk wel wat een inspectieorgaan met gedragscriteria kan. Die laten zich in ieder geval wat lastig in een wet vastleggen. Toch doet de inspectie er goed aan zich bewust te zijn van de beperkingen in de huidige aanpak en doen scholen er goed aan zichzelf in gedragstermen de spiegel voor te houden.

Grenzen aan de methodiek

Er was overigens nog veel meer interessants vanuit de inspectie van het onderwijs. Zo kwam er een onderzoek langs naar de vraag wat studenten, docenten, toezichthouders en werkgevers belangrijk vinden voor goed MBO-onderwijs. Het bleek dat de perspectieven nogal verschillen. Toezichthouders zijn redelijk goede bondgenoten van de studenten, maar begrijpen niet wat docenten belangrijk vinden, etc. Per saldo reflecteerde het niet slecht op de positie van de inspectie Op één punt gingen de toezichthouders ten opzichte van studenten in de fout: het belang van stagebegeleiding. Dat belang wordt opvallend onderschat. Later bedacht ik dat dit toch wel een uitkomst is die wat bellen kan doen afgaan. Het is een teken dat de stage door de inspectie als een procesvariabele wordt gezien en niet als een resultaatindicator – en het zijn duidelijk de resultaatindicatoren die voor de inspectie centraal staan. Het niet goed omgaan met een procesindicator als deze, in combinatie met het niet mee kunnen nemen van gedragsaspecten zoals wij dat lieten zien, geeft het beeld van een inspectie die mogelijk risico’s kent in een verder waarschijnlijk effectieve methodiek. Levert dit nu wat op als het gaat om publicitaire rampen als die rondom In-Holland?

De schaduw van In-Holland

Uiteindelijk is de methodiek niet beslissend, maar wat er op basis van die methodiek wordt besloten. Het onderzoek zoals dat op het congres aan de orde kwam, laat zien dat er mogelijk blinde vlekken in de benadering zitten, maar op zich hoeven die het doen van interventies niet in de weg te staan. Het is sterk de vraag of inspecties en andere toezichthouders – ik maak het even bewust los van de onderwijssituatie, om er daarna weer naar terug te keren – voldoende gebruik maken van de mogelijkheden die er zijn. Op de 2e dag van het congres kwamen er een groot aantal meer juridisch getinte onderzoeken aan bod. Deze raakten aan de vraag wat de meest effectieve manier van handhaven is. In (heel) grote lijnen komt dat neer op de vraag of handhaving het beste kan via de rechter of via de strafrechter. Op dit moment lijkt het er op dat handhaving via de strafrechter harder aankomt dan handhaven via de bestuursrechter, maar ik kan me ook eerder onderzoek herinneren waarin dat andersom lag. Minstens zo opvallend vond ik toch de terughoudendheid waarmee toezichthouders so wie so gebruik maakten van hun bevoegdheden. De gemiddelde frequentie van optreden leek mij niet hoog, De hoogte van sommige boetes – of liever gezegd de laagte – lokte sceptische lichaamstaal uit in de zaal.

Je kan zeggen dat de kennelijke terughoudendheid een compliment is voor de toezichthouders en de zorgvuldigheid waarmee ze werken, maar volgens mij slaat het terug op het beeld van de effectiviteit van de toezichthouders in hun geheel. Het meest pregnant kwam dit naar voren in de cijfers over de toepassing van bestuursdwang. Duidelijk was dat dit middel het meest werd gevreesd door bedrijven. Tegelijk werd dit middel het minste toegepast. Wijze terughoudendheid of gemiste kansen? Inspecties en andere toezichthouders maken hun grootste sprongen in het denken in de schaduw van hype-achtige ontwikkelingen, ook wel aangeduid als ‘rampen’. Zolang als ik bijeenkomsten van toezichthouders bezoek – en als mede-oprichter van Vide is dat al heel lang – staan die bijeenkomsten in het teken van op z’n minst één ramp. Deze keer was het relatief rustig, maar de schaduw van In-Holland hing er wel. Had de inspectie geen signalen gehad dat het mis ging. Wat zag men gebeuren in termen van gedrag? Kennelijk waren de resultaten goed, maar hoe zag het proces er uit dat richting die examens leidde? ‘As is verbrande turf’, zeiden ze bij ons vroeger. Achteruit kijken is gemakkelijk. Toch: is het niet de hoogste vorm van effectiviteit om tijdig de zachte signalen over misstanden te ontdekken, om dan in te grijpen met de middelen die men heeft?

Er bovenop zitten of juist niet?

Een van de redenen waarom de hype rondom In-Holland (want dat is het in mijn observatie inmiddels wel: arme studenten en docenten) niet zoveel impact heeft, is omdat de eerst schuldige het accreditatie-instituut zou zijn dat de branche namens de HBO-raad in stand houdt om te beooordelen of opleidingen aan de eisen voldoen. Dat instituut heeft kennelijk steken laten vallen. Er is zelfs sprake van een juridische aansprakelijkheidsstelling. Dat roept de vraag op wat beter is: toezicht door een inspectie of vergelijkbaar overheidsorgaan of ‘horizontaal toezicht’ door een (onafhankelijk) accreditatieorgaan of vergelijkbare beoordelaar?

De hoofdspreker van de eerste dag, Malcolm Sparrow, zei daar wat opvallende dingen over. Sparrow, hoogleraar aan de Kennedy School of Government van Harvard University, is in vele opzichten de grondlegger van een wetenschappelijk benadering van toezicht. Sparrow’s verhalen zitten volgens zijn kampioen Ferdinant Mertens ‘vol met voorbeelden van zaken die door klassiek opererende inspecties over het hoofd gezien worden omdat ze werken vanuit een bepaalde routine of hun missie te ‘eng’ definiëren.’ Hetzelfde punt dus wat een rode draad voor het congres zou worden. Binnen zijn benadering besteedt Sparrow veel aandacht aan de rol van regelgeving. Zijn voornaamste boek heet dan ook ‘The Regulatory Craft’. Hij laat daarin ook zien dat die Craft – ‘vakuitoefening’ – wordt bepaald door een drietal factoren: 1) Risc Identification (RI), 2) Analysis and Design (A&D) en 3) Implementation (Imp). Die laatste zou je de handhavingskant kunnen noemen. In een boek ‘The Character of Harms’ werkt hij de wisselwerking tussen deze drie functies op een interessante manier uit. In vier stadia – ‘modellen’ – beschrijft hij hoe de

Sparrow - risk identification regulated industries

verantwoordelijkheid voor de drie functies steeds verschuift in de wisselwerking tussen de ‘Regulators’ en de ‘Regulated Industry’. In model 1 is er sprake van Rule-based’ toezicht met RI en A&D dicht bij de regelgever gepositioneerd en het orgaan dat verantwoordelijk is voor de ‘compliance’, de toezichthouder, dicht op de bedrijfstak die het object van de regelgeving is. In het 2e model zijn de verhoudingen nog hetzelfde, maar wordt er meer op het bereiken en handhaven van ‘principes’ of prestaties gelet dan op de toepassing van de regels als zodanig. In het 3e model zie je opeens een grote verschuiving optreden. De overheid treedt terug, zelfregulering wordt het parool. De overheid blijft zich bezig houden met het identificeren van risico’s, maar dat is dan ook alles. In model 4 wordt ook die verantwoordelijkheid bij de sector zelf gelegd en zorgt de sector zelf voor de regelgeving.

Het accreditatie-instituut dat de opleidingen van In-Holland beoordeelde is zo’n ‘Industry Regulator’. Sparrow zelf liet zich er niet zo expliciet over uit, maar Ferdinant Mertens was in zijn afscheidsrede als hoogleraar aan de TU Delft heel helder. ‘Horizontaal toezicht’ bestaat niet, zei hij, met grote afkeuring in zijn stem. Er is maar één vorm van toezicht en die is verticaal. Al het andere is toch de slager die zijn eigen vlees keurt.

Horizontaal toezicht bestaat niet

Mertens deed daarmee niet anders dan het verwoorden van de gevoelens van de zaal – vol toezichthouders. En toch en toch, dacht ik bij mijzelf. Ik heb Ferdinant Mertens zelden meer bewonderd dan op deze middag. Nog heel kort geleden was hij ernstig ziek, om het nog mild uit te drukken, en nu hield hij bijna drie kwartier lang, en uit het hoofd, een verhaal waarin hij de hele hoofdlijn van het toezichtvak schetste, vol kwinkslagen, anekdotes, maar ook vol diepe inzichten. En oh ja, hij deed dat tegen de achtergrond van een boek dat hij net had geschreven. Brrr, wat goed. En toch denk ik dat hij te kort door de bocht ging toen hij het over de relatie met toezicht op sectorniveau had. Je moet jezelf de vraag naar de effectiviteit blijven stellen, zoals de door hem bewonderde Sparrow steeds doet. Als je dat doet, dan zie je voortdurend toezichthouders die tegen de grenzen van zowel hun toezichtmodel aanlopen, als tegen de grenzen van hun eigen lef om op basis van verworden inzichten ook daadwerkelijk in te grijpen. Dan kan je volgens niet om een stevige rol van de sector heen, al was het maar omdat daar belangen liggen die minstens zo scherp zijn als die van de toezichthouder en zij er dichter op kunnen zitten dan die toezichthouder. Laten we het er op houden, dat de relatie tussen regulering en zelfregulering nog niet zo is uitgekristalliseerd als zou moeten. Dit congres over ‘toezicht en wetenschap’ was de eerste in zijn soort en een groot succes. Er moet nog wat te bespreken overblijven.

Literatuur:

Herman de Bruine, Peter Noordhoek en jos Tjon – Geen nieuws en ander nieuws. paper voor het congres ‘Toezicht en wetenschap’ van 20-12 juni 2011. Te vinden op deze site en op de site www.toezichtenwetenschap.nl

Malcolm K. Sparrow – The Regulatory Craft / controlling risks, solving problems, and managing compliance. Washington, 2000

Malcolm K. Sparrow – The Character of Harms / Operational Challenges in Control. Cambridge University Press, 2008


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: "De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard." Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek