Contact

Northedge B.V. 
Oosthaven 15-16 
2801 PC Gouda 
The Netherlands 
T 31 (0)182 684545 

www.northedge.nl 
Tw @PeterNoordhoek 

Archief

Weblog

Telegraafletters op een witte achtergrond: de VVD-campagne

De dag na mijn ‘polblog’ over het Strategisch Beraad wees iemand mij op het artikel in vrij Nederland over de wijze waarop de VVD campagne heeft gevoerd. Dat verhaal kon ik als oud-provinciaal campagneleider niet laten liggen en is dus het onderwerp van deze blog geworden. Ik wil wel even duidelijk maken dat ik dit verhaal op persoonlijke titel schrijf en hierin op enigerlei wijze namens mijn partij schrijf. Verder wil ik ook kwijt dat – op een klein Drents detail na – alles wat ik hieronder schrijf bekend mag worden verondersteld uit andere publicaties. Het verhaal is – hopelijk – vooral relevant vanuit wat ik aan het einde schrijf over de spanning die de moderne vorm van campagnevoeren oplevert ten opzichte van de klassieke lokale verenigingscampagne.

Overigens is deze blog niet mijn enige productie deze week. Ik verwijs graag naar mijn column in Virtueel Bestuur, de nieuwsbrief van de Vereniging voor Bestuurskunde, over ‘De ontwenning’ http://bit.ly/kBsaTR. Onder de vlag ‘compecte overheid’ heeft deze regering het initiatief genomen om de overheid als het ware van achter af op te rollen. Zou het tegelijk niet het van voren niet af moeten rollen, richting de burger? Beetje abstract? Beetje wel. Juist daarom leest deze blog over campagnevoeren lekker concreet weg.

Voelbaar

In Vrij Nederland van deze week heeft de journalist Thijs Niemantsverdriet een interessante reconstructie gemaakt van de wijze waarop de VVD de afgelopen verkiezingen campagne heeft gevoerd. Ai, net iets te laat. Afgelopen week gaf ik een training voor ambtenaren onder het motto ‘van buiten naar binnen’ en toen had ik het er graag bij gehad. Daarom deze ‘polblog’ om mijn verhaal aan te vullen.

In de training ging het vooral om het voelbaar maken van de druk waaronder politici hun werk moeten doen. Deels deed ik door samen met hen door de Stemwijzer van de laatste verkiezingen heen te gaan. Welke stellingen moesten er volgens hen inkomen, welke volgens de makers van de Stemwijzer? Voor een ander deel deed ik dat door vanuit mijn ervaringen als (oud-) campagneleider zo realistisch mogelijk te vertellen over de werkelijkheid van een campagne en de druk die dit op kandidaten legt. Wat betekent dit voor de wijze waarop je politici in een periode als deze tegemoet moet treden? Ook al gaat het om ambtenaren die dagelijks in ieder geval letterlijk dichtbij de politiek leven, gaat er dan toch nog een wonderlijke werkelijkheid open.

Motivaction

Eén van de dingen die ik in trainingen als deze doe, is het vertellen van het verhaal van de campagne van 2006-7 – de roemruchte ‘U draait!’ campagne. Dat doe ik op basis van het model van Motivaction, een model dat niet uitgaat van een links-rechts verdeling, maar zich baseert op de gedachte dat kiezers zich laten indelen in een aantal ‘life-styles’; een verzameling van gedeelde waarden- en statusindicaties. Het is en blijft een boeiende manier om naar kiezers te groeperen, maar het heeft het hoogtepunt van de toepassing in de politiek al achter de rug. Gelukkig vertelde ik er afgelopen week bij dat het model onder druk staat. Het verhaal in Vrij Nederland illustreert prima waarom. Het model is genuanceerd, maar daarmee ook complex en behoorlijk abstract. De VVD heeft niet zozeer vooruitgang geboekt door een beter model te gaan gebruiken, maar door een eenvoudiger model te gaan gebruiken. Waarom dat van belang is, hangt samen met het grote verschil tussen de manier waarop wij campagnes vorm moeten geven en de manier waarop men dat in Angelsaksische landen doet.

Verrijking

In elk Angelsaksisch land bestaat een officieel kiesregister, met daarin iedereen die stemgerechtigd is en zich heeft ingeschreven. Dit register wordt, met daarin alle NAW gegevens van de kiezer, ter beschikking gesteld aan erkende partijen. De partijen gebruiken deze basis van NAW-gegevens om er vervolgens allerlei extra marketing informatie aan toe te voegen. Iemand die een snowmobile koopt in de VS is waarschijnlijk een Republikein. Als die persoon dan ook nog in het register staat, dan is het: ‘kip, ik heb je’ en mag de persoon verwachten dat hij minstens een telefoontje krijgt met de vraag of hij aan de partij wil doneren (made meeste telefoontjes gaan echter naar degenen van wie het twijfelachtiger is dat de persoon een Republikein is). De grootste waarde van kiezersonderzoek zoals dat in Angelsaksische landen wordt uitgevoerd ligt dus in de mogelijkheid voor ‘micro-targeting’. Het is juist op dat punt dat het in Nederland al snel mis gaat. (Het is anders geweest; in de presentatie zoals die afgelopen vrijdag werd gegeven bij de presentatie van de ‘Kiesatlas’ door de Kiesraad, werd verteld over de periode van het begin van het stemrecht. Toen moesten de (mannelijke) kiezers zich ook inschrijven en deden zich vergelijkbare ontwikkelingen voor).

We doen het zelf wel

Hier in Nederland beschikken we niet over een dergelijk register en gelden de gebruikelijke privacy-regels. De werkelijkheid is dan ook dat gemiddeld onderzoekmodel te ruw is om erg waardevol te zijn voor een gerichte campagne – tenzij er heel erg veel geld in wordt gestoken om de informatie aan te ‘verrijken’, wat weer veel te duur is voor de gemiddelde Nederlandse campagnekas. Waarschijnlijk was (en is?) het CDA nog het verste in het verkennen en verrijken van kiezersinformatie, vooral via de langzame weg, gebruikmakend van de inzet van vrijwilligers uit de afdelingen. Mijn vermoeden is dat de VVD goed naar deze ontwikkeling heeft gekeken, maar uiteindelijk heeft geconcludeerd dat dit niet de weg is voor een in ledental en vrijwilligerscultuur kleinere partij als de VVD. Lees ik het artikel goed, dan zijn de direct betrokkenen ook niet geneigd geweest erg naar de vrijwilligersbasis te kijken. De sfeer is; we doen het zelf wel, laat het aan ons over.

Retro-campagne

En dus hebben ze iets gedaan dat het tegenovergestelde van vernieuwend is geweest. Ze hebben rondgekeken en een ander marketingmodel ingekocht en ze hebben rondgekeken en een ander reclamebureau ingehuurd. Affiniteit met het VVD-gedachtegoed wordt nergens vermeld als eis, al zal daar best sprake van zijn geweest, maar de sfeer zoals die in VN beschreven wordt is strikt zakelijk. Het gehanteerde marketingmodel betekent een vereenvoudiging ten opzichte van Motivaction. Het doel blijft het vinden van potentiële kiezers, maar de selectie is harder en strakker. Het reclamebureau gaat daar nog eens overheen. Er wordt alleen gegaan voor die slogans die scherp bij de beoogde doelgroepen passen. Samengevat: het Telegraaf lezend publiek. Vandaar ook een slogan in grote letters, met hetzelfde lettertype als de wakkere krant en het net zo onderstrepen van de letters op de reclameborden. Jaagt de slogan de niet-beoogde doelgroepen op de kast? Ach, dan vinden ze dat eigenlijk prima, terwijl menig partij zou vermijden om onnodig kwaad bloed te zetten. Alle uitingen moeten gericht, krachtig en consistent worden uitgevoerd, zonder zachte randjes. Profileerde het CDA zich in campagnetijd vaak via haar gadgets en maffe T-shirts, de VVD wilde de andere kant opgaan. De twee heren kwamen met een campagne die in veel opzichten als kaal en klassiek – ‘retro’ – kan worden gekwalificeerd.

De hand die het hanteert

Ze zijn er toch goed in geslaagd deze aanpak aan Opstelten als voorzitter en Rutte als lijsttrekker te verkopen (De landelijk campagneleider Stef Blok kwam pas later in beeld). Beide gaven vertrouwen en dat vertrouwen is niet beschaamd – of toch wel een beetje, want de eerste verkiezingen op basis van deze aanpak, de Europese verkiezingen, ging niet goed. Maar dat is dan tegelijk het laatste wat ik ze zou willen verwijten: je ziet dat ze hun vorm nog moesten vinden. Geen instrument is beter dan de hand die het hanteert. Daar kan iedere campagneleider over meepraten, inclusief Jack de Vries. Hij heeft Motivaction in 2006 met dodelijk effect gehanteerd, maar dat was wel nadat in 1998 Motivaction ook al was gehanteerd en toen met bepaald minder effect. Trouwens; in 2006 werd Motivaction ook door een partij als Groen Links gehanteerd en dat hielp ze niet echt. Het CDA zelf haalde in diezelfde Europese verkiezingen ook niet bepaald de magische winformule uit Motivaction. Het werkt alleen als degene die de uitkomsten van het model hanteert al in zekere zin weet wat hij er mee wil doen – en als dit bij de omstandigheden past.

Too close to call

Philip van Praag (UvA) herhaalt in VN zijn stelling, dat kiezersonderzoek alleen iets uithaalt als verkiezingen ‘too close to call’ zijn. Daar heeft hij gelijk in. In alle andere gevallen is het vooral een ruwe richtingwijzer. Niets meer, niets minder. De afgelopen verkiezingen haalde het CDA er de boodschap uit dat ze niet alleen de doelgroepen die ze in 2006 had gewonnen weer aan het kwijtraken was, maar dat de partij ook een probleem had om degenen die normaal wel geneigd waren te stemmen, nu weg dreigden te blijven. Zo gebeurde het ook.

Het is niet verkeerd om die boodschap te krijgen, maar je kan er maar beperkt wat mee. Het probleem met de observatie van Van Praag is vooral dat pas achteraf blijkt of een verkiezing ‘too close to call’ was om het verschil uit te maken en dat elke campagneleider zich gehouden voelt een campagne te voeren alsof het de laatste op aarde is. Als dan ook nog eens de onvermijdelijke nervositeit toeslaat bij het kader, dan wordt elk kiezersonderzoek een stok waar heel zwaar op geleund gaat worden. Zo zwaar, dat het zich in de grond boort en geen millimeter meer van de plaats komt.

Drentse bomen

Voor de VVD heeft de aanpak in 2010 in ieder geval goed uitgewerkt. Nadat de keuzes zijn gemaakt hebben de twee hoofdpersonen in het artikel, Boudewijn Revis en Lex kruydenberg, hebben allebei een militaire achtergrond en het is dan ook voorspelbaar dat ze gegaan zijn voor de militaire analogie. De militaire analogie is het meest gebruikt in de campagnepraktijk en dat is niet verassend. Zo dadelijk kom ik daarop terug, want er is ook een andere kant aan, maar laat ik eerst een welgemeend compliment uitdelen voor de wijze waarop ze hun strategie hebben uitgevoerd. De boodschappen waren in het begin leuk, daarna ten minste herkenbaar. En ze waren overal te zien (voor mij is de vraag naar het campagnebudget dan ook de grote onderliggende vraag bij hun campagne. VN meldt er niets over). Natuurlijk ging het niet overal goed. Mij is een incident bekend uit Drente. Daar moesten per se borden worden geplaatst in de sfeer van ‘minder bomen, meer wegen’. Signalen van de lokale afdeling dat borden met zo’n slogan niet goed vallen in een plaats barstensvol Drentenieren die daar juist naar toe waren gekomen vanwege de bomen, werden gewoon genegeerd. Vasthouden aan de landelijke lijn, was de boodschap. Dit niet luisteren leidde dan ook tot een slecht resultaat in die afdeling. Maar die prijs heeft men er kennelijk voor over gehad. En nogmaals, het resultaat was goed. Grappig is ondertussen dat, voor zover ik weet onafhankelijk van elkaar, zowel VVD als CDA koos voor wit als steunkleur voor de posters, elk op aanbeveling van hun reclamebureau. De keuze heeft mij nooit helemaal kunnen bekoren, maar op dit punt heb ik de consensus duidelijk tegen me.

Twee vormen van campagne

In het verhaal van Vrij Nederland zit iets dat me raakt, in ieder geval meer raakt dan dit redelijk rechttoe – rechtaan verhaal van een campagne. Het heeft te maken met de wisselwerking tussen de (landelijke) mediacampagne en de (lokale) verenigingscampagne. De mediacampagne wordt centraal geregisseerd en de getallen zijn groot. De verenigingscampagne is iets dat doorgaans aan de (provinciale) afdelingen overgelaten wordt en waarbij het uiteindelijk gaat om de ontmoeting met de kiezer via een flyer en / of een persoonlijk contact. Er zit een spanning tussen die twee vormen van campagne en naar mate campagnes meer gaan over personen en minder over partijen gaan, wordt die spanning groter en groter. Meer directief (militair) vormgegeven campagnes lopen een extra risico om die spanning te vergroten.

Venlo en Bodegraven-Reeuwijk: too close to call

Om het concreet te maken. Vrij Nederland laat de VVD trots vertellen hoe zij de herindelingsverkiezingen van november 2010 in Venlo – de stad van Wilders – wonnen. Zowel PVV als CDA werden verslagen. De VVD van Venlo deed dat ‘door de straat op te gaan’. De lijsttrekker ging van deur tot deur, geholpen door lokale en landelijke partijmensen. Prima. Zo’n verhaal heb ik ook. Mijn laatste volle campagne was voor diezelfde herindelingsverkiezingen. In mijn provincie ging het om de fusie van Bodegraven en Reeuwijk. De VVD was onze grote tegenstander, de PVV deed niet mee. In een strijd die werkelijk ‘too close to call’ bleek, wonnen wij de verkiezingen. Met 105 stemmen verschil en geheel tegen de landelijke strijd in. Heerlijk. Wat was het echte verschil met de VVD? Wij gingen veel meer de straat op, met lokale verhalen en posters vol lokale thema’s. Zij haalden Rutte het dorp in, maar de eigen lijsttrekker was nauwelijks zichtbaar. Er waren veel borden, maar het waren goeddeels dezelfde borden als bij de raads- en landelijke verkiezingen. Wasmiddel X was net genoeg uitgewerkt, ons middel sloeg net voldoende aan. Commitment deed de rest.

Het verschil op straat

De inspanningen deden er dus toe. In zowel Venlo als B-R waren de verkiezingen door de winnende partij ingeschat als ‘too close to call’ en de extra inspanningen op straat maakten het verschil.

Ruim drie maanden later hebben we wellicht wel de grootste campagne-inspanning ooit geleverd. Strak door de winter heen hebben we voor de provinciale verkiezingen flyers, appels croissants en heel veel goede woorden uitgedeeld – recht uit ons hart. We hadden een perfecte lijsttrekker die zich meer dan een half jaar lang overal liet zien. En het hielp allemaal geen bal. We werden gehalveerd. Gefrustreerd? Nee, niet eens, zo evident was het dat dit buiten ons lag (maar nu sla ik even dat TV-en-ruit-moment over). Hoe dan ook; toen deden de inspanningen er even dus niets toe.

Zou het anders kunnen? Met name de PvdA (Kirsten Verdel) heeft op grond van de campagne van Obama waarschijnlijk de gedachte gehad dat gebruik van social media, in combinatie met canvassen en vrijwilligerswerk, de sleutel tot succes zou kunnen zijn. Persoonlijk heb ik weinig van hun inspanningen gemerkt, maar verenigingscampagnes zijn dan ook een beetje als een slecht huwelijk; veel ‘living apart together’ (in mediacampagnes is het andersom: de lijsttrekkers zien elkaar vaker dan hun eigen vrouw). Mijn inschatting is echter dat ook in dit opzicht de analogie met de Angelsaksische landen mank gaat. Uit persoonlijke observatie heb ik wel in Groot-Brittannië mee kunnen maken hoe inspannend het is om een echte goede canvas campagne te doen en hoeveel jaren achter elkaar je daarvoor moet opbouwen voordat je er rendement van kunt hebben. En wat de VS betreft; wie Plouffe’s ‘Audacity to Win’ leest, weet ook dat die campagne een enorme inspanning heeft gekost en niet zomaar te kopiëren is. Tenslotte gelden ook hier de Nederlandse beperkingen voor politieke partijen. Zelfs voor een relatief grote partij als het CDA zijn de aantallen te klein om zo te kunnen canvassen dat je alle kiezers bereikt en zijn de marketingmodellen weer niet verfijnd genoeg om te weten op wie je je moet richten (de VVD lost dit probleem als enige partij deels op door uitzendkrachten te laten flyeren. Los wat ik daarvan vind, het roept weer de vraag op naar de centen).

Praktische conclusies

Terwijl ik dit schrijf komt er uit Amerika een mailtje bij mij langs over ‘The VoterMapping.com Revolution’ http://bit.ly/blqxf8. Het is de nieuwste generatie software op het gebied van kiezersonderzoek (‘Zoom down to the rooftop level to get individual voter information on the members of the family’). Voorlopig zal ik daar niets mee doen binnen de Nederlandse verhoudingen. Noch marketingonderzoek, noch inspanningen op straat doen er toe in verkiezingen die al uitgesorteerd zijn en geen ‘too close to call’ element hebben. Wat we ook weten is dat partijen over het algemeen niet de budgetten of hulpmiddelen hebben om een abstract kiezersmodel zo te vertalen dat je er ‘micro-targeting’ mee kan doen. Evenmin is de mankracht aanwezig om dat op (semi-)vrijwilligersniveau te compenseren. Ik sluit zeker niet uit dat we in Nederland nog eens een echte social media campagne krijgen op ‘grass roots’ niveau – integendeel: ik zie er naar uit – maar de realiteit is dat er veel tegen samenzweert om het zover te laten komen. Voor het moment moeten we het hebben van de campagnemensen, landelijk en lokaal, die ook zonder gedetailleerde modellen weten wat ze willen en politieke keuzes durven maken. De VVD heeft dat de laatste keer goed gedaan, het CDA in de periode daarvoor. Wie nu?

Conclusies van een andere aard

Tot slot nog wil ik nog een keer terugkomen op de spanning tussen verenigings- en mediacampagne, want dat gaat me aan het hart. Wat is de waarde van flyeren op straat? Hoe nuttig is het om op de markt van Gouda alles over je heen te krijgen wat er fout gaat in dit land, vaak gebracht in een taal en lichaamstaal die niets dan afkeer uitdrukt. Hoe gaan er nog mensen met posters en plaksel op pad? Stoppen met die handel, zegt of denkt menigeen. Maar dan toch. Ik zou niet zonder die ontmoeting met het publiek willen. De VVD campagne is in veel opzichten weer een volgende stap in het centraliseren van campagnes en uiteindelijk ook een stap van die ontmoeting vandaan. Dat doet pijn. Een centrale (media-)campagne kan je vervangen. Volgende keer beter. Een verenigingscampagne kan je niet vervangen. De mensen zijn er dan niet meer, de ervaring is weg. De betrokkenheid is weg. Wat is een partijdemocratie waard? Zonder campagnes van onderop maak je een toch al kwetsbare partijdemocratie nog kwetsbaarder. Niet doen dus.

Strategisch beraad: tussen een stip en een vel blanco papier

In deze nieuwe polblog aandacht voor het Strategisch Beraad en de andere gremia die het CDA deze maand heeft ingesteld om de partij van een nieuwe impuls te voorzien. Het was een week vol met (bezuinigings)nieuws, maar hier kon ik niet omheen. Vanaf deze week kan er gereageerd worden op de blog. Mocht de lezer daarbij technische problemen ondervinden, laat het svp weten.

Deze week werd het trio compleet gemaakt. Een drietal gremia – een commissie, een werkgroep en een beraad – gaan aan de slag om het CDA te voorzien van respectievelijk een ‘hertaling van het gedachtegoed’, een nieuw organisatiemodel en een koers die het CDa klaar moet maken voor de toekomst. De drie gemia moeten hun werk allemaal op het najaarscongres van oktober a.s. opleveren, waarna de leden aan zet zijn.

Goed nieuws

Het is goed nieuws dat de drie gremia er nu zijn. Cynici kunnen schamper zijn over deze poging tot ‘renewal by committee’, maar het past bij een brede volkspartij en we weten prima hoe we het werk van dergelijke commissies kunnen vertalen richting een democratische besluitvorming. Het is een goed midden tussen twee uitersten. Je kan er direct een debat voor alle leden van maken, maar waar heb je het dan eigenlijk over? Hoe geïnspireerd is dan de basis voor zo’n debat? Of je kan de klus laten klaren door een denker of voorman van de partij. Zowel bij het CDA als bij andere partijen zie je hoe de partij dan afhankelijk wordt van de inspiratie van een enkele persoon. Nee, dit is voor deze partij op dit moment de goede aanpak.

Het proces past de voorzitter

Goed nieuws is ook dat er nu een voorzitter is die past bij dit proces. Afgelopen week mocht ik haar in actie zien in Hellevoetssluis. Ik merkte dat er een voorzitter stond die goed in haar vel stak. Ze ging in ieder geval heel soepel met alle vragen en zorgen van de leden kan omgaan en dat gaf een naar zonnestralen zoekend publiek moed. Tijdens de voorzitterscampagne heb ik mijn zorg uitgesproken over het gebrek aan inhoudelijk profiel van de voorzitter. Waar staat ze nu echt voor? Het zou kunnen dat dit haar alsnog parten gaat spelen, maar voor het moment is duidelijk waar ze voor staat: dit proces. En volgens mij heeft ze het noodzakelijke geduld en het lef om dat proces voorrang te geven boven alle druk om te werken aan ‘het gezicht’ van het CDA. Ik zag haar af en toe kijken en dacht ‘laat niemand deze dame onderschatten’. Dit proces is voor haar belangrijker dan welk Haags gebeuren ook.

Breed proces

Wat niet betekent dat er geen commentaar mogelijk zou zijn op de drie gremia. Geen voordeel zonder nadeel. In de gemaakte keuzes zitten een paar consequenties ingebakken die er voor kunnen zorgen dat het brede proces een te smalle uitkomst gaat krijgen. Daarom mijn commentaar. Mede omdat in de presentatie zelf zoveel aandacht uitging naar de samenstelling van de commissie, ontkom ik er niet aan daar ook wat over te melden. Uiteindelijk gaat het natuurlijk om de vraag wat we inhoudelijk van de gremia mogen verwachten. 

De samenstelling van de drie gremia is duidelijk een interventie op zich geweest. Ruth sprak open over de gedachte dat ergens in deze drie groepen zich de nieuwe Balkenende zou bevinden, maar met haar glimlach temperde ze die verwachting meteen. Gelijk heeft ze. Wat ze vooral lijkt te hebben gedaan is nadenken over de samenstelling van de gremia en de balans er tussen (overigens schrijf ik dit terwijl ik veel moeite moet doen om op de CDA-site een goed overzicht van alle gremia te krijgen. Jammer).

Commissie Uitgangspunten

De ‘Commissie Uitgangspunten’ staat onder leiding van Jacobine Geel. De keuze van deze voorzitter staat gelijk voor de verdere rode draad in de samenstelling ervan: de ontmoeting tussen mensen binnen en buiten het CDA en de ontmoeting tussen generaties. De mensen zelf staan wat mij betreft buiten discussie. Elk van hen heeft veel in te brengen. Persoonlijk verwacht ik dat Paul Schenderling de ruimte zal krijgen om zijn visie neer te zetten. Ik ben benieuwd. En toch en toch, heb ik juist bij de samenstelling van deze commissie commentaar. Het commentaar is tweeledig. In de eerste plaats zie ik geen mensen van wie je kan vermoeden dat ze uitgesproken taalvirtuozen zijn. Hoe taalvaardig deze mensen ook zullen zijn, het zijn bovenal mensen die begenadigd zijn als het om nadenken gaat over concepten en maatschappijbeelden. Hier wreekt zich onze magere verankering in de culturele sector. Het zou zo goed zijn als we als CDA eens echt gebruik zouden maken van mensen die het in zich hebben de diepere lagen van de taal te raken. Dat kunnen literair begaafde mensen zijn die gewend zijn om verhalen te schrijven, maar wat mij betreft kan ook het om een bijzondere reclameman of -vrouw gaan.

Dat brengt mij gelijk bij het tweede punt. Eerder al heb ik er voor gepleit om het bezig zijn met de inhoud niet los te koppelen van het denken over campagnes. Ik zou willen dat de ‘Commissie Uitgangspunten’ net zozeer gaat voorsorteren op de permanente campagne als het Strategisch Beraad wordt geacht voor te sorteren op een permanente programmacommissie. Dat dit niet is gebeurd, geeft aan hoe diep de weerstand zit tegen het ‘marketingdenken’ en het politiek maken op basis van peilingen. Dit is een tragisch misverstand. Programma en campagne horen hun bron te vinden in hetzelfde gedachtegoed en dus ook in dezelfde woorden en verhalen. In de afgelopen jaren is dat maar ten dele gelukt. Het is opmerkelijk hoezeer juist een in het christen-democratisch gedachtegoed doordrenkte premier als Balkenende meer en meer gebruik is gaan maken van peilingen. Kennelijk schoten de woorden tekort. In ieder geval geeft het aan hoe ingewikkeld het voor een modern politiek leider kan zijn om het verschil te overbruggen tussen de plek waar hij denkt zich te bevinden en de plek waar de kiezer zich lijkt te bevinden. Een te grote afstand tussen en politiek leider en zijn of haar partij is een steeds groter probleem in de politiek – en ja, ook Rutte heeft er al problemen mee. Naarmate er vervolgens uit peilingen lijkt te komen dat er nieuwe woorden gevonden moeten worden om het verschil te overbruggen, is de kans dat het mis gaat tussen politiek leider en achterban groter. Kortom; hoe sterker en aansprekender de woorden zijn die in het proces van ‘hertalen en verhalen’ gevonden worden, hoe beter het ook is voor het latere campagnewerk en uiteindelijk voor de acceptatie van de politieke boodschap. 

Werkgroep Organisatie

Nauwelijks opgemerkt, maar niet onbelangrijk, is ook de ‘werkgroep organisatie’. Deze werkgroep wordt slechts bezet door drie personen: Theo Camps, Rixt Meines en Lucas Meijs. Het lijkt me dat je voor zo’n samenstelling kiest als creativiteit wat minder belangrijk is en je vooral wilt dat de boodschap met gezag wordt gebracht. De drie kunnen lezen en schrijven met elkaar, kennen de partij op hun duimpje, maar zijn er niet van afhankelijk. Het belooft dat er een kort rapport komt met een paar heldere uitspraken over de ´governance´ van de partij en de wijze waarop met kandidaatstellingen (‘primeries´) en het HRM-beleid zal worden omgegaan. Ik durf er wat om te verwedden dat ze niet zo ver durven te gaan als de partij in 1995 durfden te gaan op een congres: het afschaffen van het hele resolutiecircus. Een tikkeltje te wild amigo. Waarmee ik niet wil zeggen dat dit een onbelangrijke werkgroep is. In veel opzichten zal het aangeven waar de piketpalen komen te staan waar vandaan de partij zich verder zal moeten ontwikkelen.

Strategisch beraad

Er valt altijd wat te plussen en minnen rondom de samenstelling van lijsten en groepen, maar per saldo ziet de samenstelling van dit Strategisch beraad (SB) er zeer doordacht uit. De voorzitter is goed gekozen. Aart-Jan de Geus was een stevig minister, maar hij heeft zich volgens mij indertijd tekort gedaan door minister te worden in zijn eigen biotoop van de sociale zekerheid. Op een ander departement was zijn vermogen om de grote lijn te zien waarschijnlijk nog beter tot z’n recht gekomen. Een fijn mens die de ego’s in dit beraad makkelijk aankan. En het zijn een paar interessante ego’s. Natuurlijk gaat de aandacht in de eerste plaats uit naar Jack de Vries. Alleen al inhoudelijk is het terecht dat hij er in zit. Juist in het verguisde kabinet Balkenende IV was hij het die er als verse staatssecretaris nog het meeste toe bedroeg dat de eenheid in het team van CDA-bewindslieden nog een beetje overeind bleef. Hij kan echt net dat stapje verder denken dan anderen. Tegelijk zal hij nog lang last blijven houden van het mede door hemzelf geschapen imago. Lidmaatschap in dit beraad is een welkome extra stap terug naar de achterban waar hij uit vandaan komt. Maar zo zijn er meer interessante personen. Pieter van Geel heeft geen eerherstel nodig, maar nog altijd wordt onderschat hoe geweldig de prestatie is die ook hij heeft geleverd tijdens Balkende IV. En heel interessant: Joep Maurits. Deze communicator was totaal uit de gratie bij Balkenende c.s. nadat hij het had gewaagd Marnix van Rij te steunen ten tijde van het conflict met Jaap de Hoop Scheffer. Ook hij is weer terug. Daarnaast is er in het Strategisch beraad de nodige continuïteit: Lans Bovenberg, maar vergeet ook Guusje Dolsma niet. Wie van de nu nog onbekenden zal later zeer bekend worden? We zullen het zien. Opvallend is hoe de samenstellers van het beraad hun best hebben gedaan rekening te houden met verschillen in religies en achtergronden. Bijvoorbeeld van iemand als de Brabantse ondernemer Jan Melis mag verwacht worden dat hij heel goed aanvoelt waarom zoveel van zijn provinciegenoten PVV stemmen. Het enige wat ze niet hebben gedaan – en dat is dan mijn enige punt van kritiek op de samenstelling – is er iemand bij hebben die de seculiere meerderheid van dit land vertegenwoordigd.

Van piketpaal naar stip op de horizon

Inhoudelijk heb ik meer moeite met het Strategische beraad, al gaat het voorlopig meer om vraagtekens dan conclusies. Ruth Peetoom zegt dat het Strategisch Beraad ‘een stip aan de horizon moet zetten’. Het is een Beraad voor de middellange termijn. Zeg; de kabinetsperiode voorbij de huidige, waarbij het beraad in ieder geval al een paar ruwe lijnen voor het nieuwe verkiezingsprogramma gaat opleveren, als basis voor een permanente programmacommissie. In ieder geval is het niet de bedoeling dat dit Beraad het huidige kabinet al te zeer voor de voeten gaat lopen. Toch dringt de vraag zich op wat dan het vertrekpunt van dit Beraad is. Vanaf welke piketpalen wordt de lijn doorgetrokken naar de toekomst? Het is zeer logisch om dezelfde vier beginselen tot uitgangspunt te nemen waar de Commissie Uitgangspunten de hertaling voor verzorgt. Deze commissie zal, evenals de werkgroep organisatie, op hetzelfde moment haar huiswerk opleveren als het Strategisch Beraad. Met veel tussentijdsoverleg zal het werk wel met elkaar te sporen zijn, maar verschillen in uitgangspunten zijn letterlijk en figuurlijk te verwachten en in ieder geval vekleint het bestaan van de commissie de ruimte voor het beraad om echt iets nieuws te bedenken.

Stippellijn en stip

En daar zit mijn grootste bezwaar. Ik zie nu een stippellijn voor me tussen de uitgangspunten en de stip aan de horizon. Die stippellijn is de koers. Iedereen zal er op gaan letten of deze koers niet net links of rechts van die stip uit zal komen. Een stip die een echte middenstip zal blijken te zijn. Vooralsnog is het mijn beeld dat het beraad weinig ruimte heeft om erg ver van die stip af te wijken. Het zou voor mij ook verklaren waarom iemand als Ab Klink afziet van deelname aan dit beraad: de opdracht en samenstelling wijzen richting een proces dat waarschijnlijk niet zo radicaal van aard zal zijn als nodig is om door het dal heen te komen waarin het CDA nu verkeerd.

Blanco papier

Mijn eigen beeld is dat de huidige situatie niet vraagt om een stip aan de horizon, maar om een blanco vel papier. Er zijn allerlei negatieve scenario’s denkbaar, maar er is ook alle reden om te denken dat een partij die tabula raza – op het lege veld – wordt getekend erg succesvol zou kunnen zijn. Het potentieel voor een nieuwe groei van een partij als het CDA is groot. De VVD wordt op rechts de concurrentie met Wilders in getrokken. Op links lonkt het gapende gat dat de imploderende PvdA achter laat. D66 stapt nu in de leegte van het midden, maar is afhankelijk van een leider die zichzelf al te lang hoort praten en zoekt nog altijd naar een geloofwaardige opvolger van het agendapunt van de staatkundige verandering. De Christen Unie? Uiteindelijk net zo’n partij als het CDA, maar dan kleiner. En ondertussen is de samenleving haar conceptuele ankers van markt en overheid kwijt en zoekt naar een gezagvol alternatief. Wat een ruimte in het midden, wat een weelde! Maar een Beraad dat op zoek gaat naar een stip in de verte loopt het risico de te vullen leegte niet te zien. Wat mij betreft is het daarom nu tijd voor de vraag ‘Wat als ik de partij nu zou willen uitvinden? Waar kom ik dan nu op uit?’ Nou ja, iemand die al lid is van het CDA sinds 1982 zou zich dit soort naïeve vragen niet meer moeten stellen. Maar toch; het kriebelt, het jeukt. Als ik mijn schetsboek zou pakken, en op een leeg vel mag beginnen, dan zet ik geen stip, maar trek ik een cirkel. En die zou ik gaan vullen.

.

Over social media en a-sociale mensen

Dit is mijn 15e weblog. Op twitter / Linkedin ben ik hard op weg naar mijn 1500ste bericht, geschreven voor een 1000-tal volgers. Ik schroom om dit soort getallen te noemen, want het plaats hoeveelheid boven kwaliteit op dezelfde manier als het plaatsen van een plak cake boven een stapel aardbeien. Andersom is al heikel, op die manier is het vragen om een troep. Maar juist daarom is het wel de moeite waard om met de lezer mijn gedachten over sociale media te delen.

Uw blogger

Ik ben een generalist. Dat betekent dat ik er naar streef om een topspecialist op 3 gebieden te zijn, een specialist op 9 gebieden en in staat met specialisten op 99 andere terreinen een zinvol gesprek te voeren. Ik kom een eind, maar daar betaal ik wel een prijs voor: een groot gebrek aan focus. Daar ben ik voor in behandeling, maar mijn geval wordt gecompliceerd door neigingen tot perfectionisme. Een generalist met een perfectiedrang zorgt in de social media voor een buitengewoon gevaarlijke combinatie. Netto-effect: te veel en te lange berichten die over teveel tegelijk gaan. Waaronder, uiteraard, deze weblog.

Erger

Dus is het goed om het nog wat erger te maken. Zodat ik en de lezer volledig doordrongen zijn  van het verwerpelijke karakter van zowel social media als mijn persoon, voordat we bij de ‘saving graces’ uitkomen, of wat die wellicht zouden kunnen zijn. Laat ik beginnen door een open deur in te trappen door te stellen dat het grootste gebrek van sociale media het a-sociale karakter ervan is. Hoezo?, zult u wellicht vragen – maar als u dat doet durf ik u van grove hypocrisie te beschuldigen. Alsof u nooit op uw kop heeft gehad als u naar uw telefoon aan het staren bent in plaats van naar uw partner. Alsof u nooit voorkeur aan uw computerscherm heeft gegeven, terwijl u best weet dat vlakbij iemand uw gezelschap best op prijs zou kunnen stellen. (Ik ben lang genoeg onvrijwillig vrijgezel geweest om te weten dat ‘vlakbij’ voor hen niet opgaat, maar het probleem is in de kern hetzelfde). Natuurlijk zijn sociale media geen volwaardig alternatief voor echt menselijk contact en we moeten ook niet doen alsof. Veel tijd besteed aan sociale media is daarom gestolen tijd.

Masker

En om nog even door te gaan op dat punt van hypocrisie: u bent waarschijnlijk net als ik geneigd om alleen maar leuke dingen te melden en de vervelende zaken te skippen. Geen melding dus van slapeloze nachten, niet goed geslaagde opdrachten en gemiste offertetrajecten. De peilingen van uw partij ondergaat u gelaten, want het zijn maar peilingen. De begrafenis waar u naar toe moet en waar u tegenop ziet; het is per saldo toch geen twitter waard – te persoonlijk. Trouwens: twitter wordt toch al zo snel triviaal. Ook zo de pest aan al die lui die denken ons een plezier te doen door alles, maar dan ook alles met ons te delen? Twexit met die lui. En zo doen we allemaal ons best om niet alleen a-sociaal met social media om te gaan, maar het ook inhoudelijk a-sociaal te maken. De term ‘sociaal’ slaat (even graven in mijn studiegeheugen) op de hoedanigheid van intermenselijke relaties en die zijn altijd tweezijdig; zijn heet en koud, positief en negatief geladen. We proberen in de social media datgene te doen wat ons in echte sociale relatie dus nooit lukt: het alleen maar mooi en prettig te houden. En zo komen we uit bij de valse romantiek van de tweet, de leegheid van Linkedin, het gezichtloze van Facebook. Gezichtloos? Zoals Stephen Fry het zegt: ‘Als je een masker maar lang genoeg draagt, wordt het je gezicht.’ En hij kan het weten.

Van onder tot boven

Het zou dus veel beter zijn om ‘onder mensen’ te komen en de verleiding van social media te laten voor wat het is. Het zou ook een vergissing zijn. Goed gedaan, is deelname aan social media wel degelijk verrijkend. Het maakt iets mogelijk wat we tot voor kort niet konden: direct en zonder barrières tappen in de gedachtestroom van zoveel mensen als we maar aankunnen. Het is niet alleen de informatierijkdom die trekt, hoezeer deze informatiejunk daar ook voor gaat. Het is ook de andere manier van kennis maken met anderen die boeit. Het echt ‘onder mensen’ zijn heeft ook nadelen. Je moet het soms ook figuurlijk nemen; je komt er niet onder vandaan, je bent gebonden. Social media stellen je als het ware in staat ‘boven mensen’ uit te komen en kringen te vormen die voorheen niet mogelijk waren. je komt er niet ‘onder’. Integendeel. je maakt jezelf vanzelf tot middelpunt. Kortom; er zit winst, veel rijkdom in het betreden van de wereld van de social media. Maar natuurlijk; met alle vrijheid komt verantwoordelijkheid. Hoe ga je met die rijkdom om?

Trends

Het zou best  wel eens kunnen dat we nu op het hoogtepunt van de trend richting social media zitten, maar dat de neergang er al weer aan komt. Het zou ook kunnen dat we binnenkort weer een volgende stap op weg naar a-social media gaan zetten als bijvoorbeeld (ik bedenk maar iets) de ‘sletter’ er gaat komen: maximaal 60 woorden, maar je krijgt er automatisch Croupon punten bij als de computer herkent dat je woorden gebruikt die op laaggeschooldheid duiden (veel interessanter voor adverteerders). Mijn beeld is in ieder geval dat het aantal volgers / vrienden zich binnenkort gaat stabiliseren (maar wel hoger op de ladder van Solis is geklommen) en vervolgens weer zal fragmenteren in allerlei subgroepen. Daarmee begint De Grote Verdieping. Net zoals je in je puberperiode een grote schare ‘vriendjes’ hebt, zal dit daarna indikken tot die relaties die de moeite waard zijn gebleken. Dan zal ook blijken welke weblogs en andere passieven overblijven en welke niet: wat dus de moeite waard blijft om te lezen en wat niet. Daarover hieronder nog net iets meer.

Saving grace

Met miniblogs als twitter hangt vervolgens alles af van de wijze waarop die worden verrijkt. In technische zin heeft twitter volgens mij de grootste kwantumsprong al gemaakt. Die kwam door de mogelijkheid om allerlei ‘tiny url’s aan een tweet te hangen. Heel veel van de meerwaarde van twitter is opgehangen aan het vermogen om superactueel te zijn, maar met nog een paar Frits Westers erbij komen we al een eind in de richting van meer actualiteit dan we aankunnen. De uitdaging die er nu ligt is tweeledig: of a-sociale karakter van social media te verminderen of er voor zorgen dat social media de ‘saving grace’ gaat krijgen van elke sociale autist: een fascinerend gerichtheid op het voor ‘normale mensen’ ongerijmde. Het liefst beide, maar het zal altijd moeilijk blijken om van autisten sociale mensen te maken.

Kneepjes in de geest

Hoe zou dat dan gaan? De verleiding om met een checklist te komen wordt weerstaan, maar het komt er op neer dat ik het liefst ‘kneepjes in de geest’ geef. Lang niet alles wat ik weet kan ik melden en soms heb ik ook gewoon niets te melden. Maar ik vind het heerlijk om met een enkele zin of dichtregel iets van een wijsheidje of paradox de wereld in te slingeren, het liefst voorzien van een link met een tekst, artikel of blog waarin nog verder valt te genieten. Het gaat om zinnen die je anders waarschijnlijk voor je zou hebben gehouden, maar voor jou een betekenis hebben die het delen waard is. Soms zal ik er vreselijk naast zitten, soms is het heerlijk raak. Zoiets. Zo probeer ik het. Een echte social media filosofie is dat nog niet. Het probleem van het schrijven van die tweets terwijl mijn geliefde mij eigenlijk wil spreken, is daarmee nog niet opgelost, maar ik hoop dan wel iets te hebben dat ik hardop ook aan haar wil voordragen, of, als ik gelijkwaardige teksten van anderen krijg, die vol plezier met haar te delen.

Wisselwerking

We hebben al eerder geleerd dat met de komst van nieuwe techniek, de oude niet verdwijnen. Sociale media verdwijnen niet meer. Er zullen nog heel wat tot dan toe sociale mensen verleid worden tot de a-sociale wereld van de social media, in ieder geval veel meer dan andersom. Maar die oude wereld met z’n oude manieren blijft wel bestaan. Ik zie dus twee dingen voor me. Het eerste staat in het teken van de wisselwerking tussen oude en nieuwe media. Die moeten elkaar nog meer spiegelen dan nu het geval is. Daarbij mag en moet van de social media worden verwacht dat ze waarde toevoegt en interactie ontlokt. Wat dat laatste betreft: in de beste uitingen van social media zit een uitnodiging om te delen. Net zoals ik altijd het gevoel heb gehad dat een boek niet echt is gelezen tot de inhoud ervan met iemand is gedeeld, zo geloof ik dat een goede tweet niet alleen uitnodigt tot een ‘reply’ en zelfs niet tot een ‘reply all’ of een ‘DM’etje’, maar ook tot het weergeven ervan in een gesprek op de bank of tijdens een feestje.

Waarde

Het tweede heeft met die waarde-toevoeging te maken. Laten we wel zijn; de meesten die actief worden op de social media hebben daar een extra motief bij: profilering, de kans om op te vallen en een kans om nieuwe kansen te creëren. Niets mis mee, maar als iedereen dat doet wordt het pas echt een lege egotripperij en loopt de hypocrisie al snel in de gaten. De volgende fase is dat we elkaar allemaal doel gaan maken van een ‘marketingstrategie’ en modelletjes los gaan laten op onze volgers. Volgers die pas ‘vrienden’ worden als we ze op geld kunnen waarderen natuurlijk. Hou toch op. Degenen die dat willen proberen begrijpen iets niet over de sociale media en dat is vanwege nog een laatste ‘saving grace’ van social media die ik graag zou willen aandragen; het rommelige, onvoorspelbare, slimme, domme, kortom; het net levensechte dat een vol social media gebruik kenmerkt en niet te vangen is in een standaard marketingplannetje. Het is in dat volle gebruik dat social media iets krijgen dat ook het gewone leven dragelijk maakt: diversiteit en het fraaie van iets dat niet klopt maar toch de moeite van het ontdekken waard is. Of zeg ik het nu te mooi? Degenen die social media tot nu toe het beste hebben gebruikt, de campagnemakers van Obama, hebben juist dat goed begrepen. Gisteren nog stuurden ze me een mail met als ‘subject’: ‘tap’. Tab? Tik. ‘Ja’, schreef de man van Obama, ‘Ik geef je een tik op je schouder. Mag ik je iets vragen? Ik ben iets spannends van plan. Doe je mee?

Tot slot

Dit meedoen en betrekken (to ‘engage’ is het motto van internetgoeroe @BrianSolis. Volg hem) is de kern van goed social media gebruik. Ik voeg er dus aan toe: ook het betrekken van je relaties buiten de social media. En dan hangt het van je eigen talent af of spannende dingen te verwoorden. Zelf vind ik me overigens niet bijster goed aan dat betrekken van de ander bij mijn uitingen. Ik hoop altijd dat er iets gebeurd bij de lezer, maar omdat ik soms zelf vaak nauwelijks snap waarom en wat ik opschrijf, moet ik maar afwachten wat een ander er van vindt. Ik heb de hoop dat als ik uit oprecht plezier of verwondering iets opschrijf dat het dan ook wel op de goede manier gelezen zal worden, maar dat is natuurlijk maar afwachten. Ik hoop wel dat anderen in staat zijn met hun tweets, blogs en berichten iets op te bouwen dat de wereld van sociale media zo verrijkt dat het een plaats wordt waar de echte sociale mensen zich niet helemaal vervreemd hoeven te voelen.

The Deep State

Eervorig weekend bezocht ik Istanbul voor een training. Hoewel niet zo schokkend als het bezoek aan Albanië () gaf het veel om te overdenken. In de gesprekken met de collega trainers en de deelnemers ging het niet alleen maar over de ontwikkelingen in Turkije, maar ook over landen als Egypte, Slowakije en Servië. Direct en indirect gaat het daarbij over de kwaliteit van de ‘Deep State’; het geheel van elites dat de kracht van een land kan maken of breken. En natuurlijk wil je zoiets dan op Nederland betrekken. Kortom; ik ben me weer te buiten gegaan aan een lange tekst met de nodige terzijdes. Voor degenen die graag met mij mee gaan en denken: hierbij de verwijzing naar de tekst als apart artikel:

Ondertussen heb ik een paar intensieve dagen achter de rug als ‘evaluator’ voor de European Public Sector Award 2011. De eigenlijke prijs wordt pas in november uitgereikt (in Maastricht, in dezelfde zaal waar het verdrag is gesloten). Tot dan moet ik geduld hebben met het delen van mijn kennis van alle mooie voorbeeldorganisaties, maar ik hoop al eerder wat te kunnen melden over de dynamiek van het selecteren van een prijswinnaar. Het was in ieder geval weer erg de moeite waard om in een Europese setting met een aantal geweldige experts de meningen te delen over hoe je kan werken aan ‘public service innovation in a cold economic climate’.

Een werkbare minderheid

De resultaten zijn eindelijk bekend (al komt de Kiesraad pas woensdag met haar officiële uitslag). Kort samengevat: 37 voor de gedoogpartners, 37 voor de oppositie en één kaarsrechte SGP-er er tussen in. Opnieuw een nederlaag die een zucht van opluchting ontlokt bij de regeringspartners. Ik probeerde die paradox vannacht uit te leggen aan een vriend uit Zwitserland en dat kostte me best moeite. Alleen dat verhaal van die D66′ er die het rode potlood niet kon vinden en toen zijn eigen pen maar gebruikte, kwam er vlot uit. Een paar constateringen:

Kosten en baten van het jachten en jagen

Wat heeft al het jagen en jachten op de restzetels nu opgeleverd? Heeft de coalitie er voor kunnen zorgen dat ze 37 in plaats van 36 zetels kreeg. Het totale beeld is nog niet duidelijk, maar het voorzichtige antwoord is: ja. De meeste extra stemmen lijken bij de VVD uit te zijn gekomen, gevolgd door het CDA. Maar het is een merkwaardig schouwspel geworden. Het lijkt er op dat er nogal wat stemmen zijn rondgepompt. Het Reformatorisch Dagblad meldt dat een Statenlid van de SGP in Zuid-Holland op het CDA heeft gestemd en een CDA’er op de VVD. Vanuit Limburg komt het bericht dat een CDA ‘er op VVD’er Van Rey heeft gestemd (verklaard tegenstrever van het CDA). Ook uit andere provincies komen signalen van strategisch stemmen .

Dat is allemaal nog tot daar aan toe, Maar wat werkelijk intereseert is de vraag of het proces beheersbaar is gebleken. Er zijn in ieder geval 2 uitgebrachte stemmen die tot schaamrood hebben geleid; de ‘penstemmer’ in Noord-Holland en de fractievoorzitter van de VVD in Utrecht die per ongeluk op een andere partij stemde en het niet meer mocht corrigeren. Daarnaast zijn echter nog ten minste 3 gevallen waarbij de stem tegen de belangen van een (voorheen) bondgenoot is gegaan. De torentjesbezoeker uit Zeeland is daar het voorbeeld van, maar vooral het niet elkaar steunen van CU en SGP zal diepe wonden hebben geslagen. Vergis je niet in de na-effecten. Vier jaar geleden vergat de fractie van het CDA Zuid-Holland zichzelf en bracht uit puur enthusiasme alle stemmen uit op haar oud-fractievoorzitter als kandidaat voor de Eerste Kamer. Dat ging ten koste van Friesland. Deze en alle andere provinceis zorgden er vervolgens voor dat provinciale afspiegeling het leidend criterium voor de samenstelling van de lijst werd – en dus niet kwaliteit. Dat is een hoge prijs om te betalen.

En dat blijft ook mijn gevoel bij het hele circus. Degenen binnen de coalitie die nu op de 37 zetels wijzen lijken het gelijk aan hun kant te hebben. Ze hebben echter een proces in gang gezet dat ze op geen enkel moment hebben beheerst. Er zijn gewoon te veel variabelen. De verstandige koers is en blijft degene waarbij er sprake is van een zo direct mogelijke afspiegeling van het eigen electoraat.

Crisis, maar geen einde

Ondertussen gaat het politieke leven door. Het blijft aanmodderen, maar dit Kabinet schrikt daar niet voor terug. In die zin is de uitslag geen vingerwijzing voor een vervroegde val. Dat zou nog best kunnen, maar dan ligt de oorzaak niet één-op-één en aantoonbaar aan deze uitslag.

Dat is mede belangrijk omdat ik geloof dat het bestaan en functioneren van de Eerste Kamer pas echt serieus ter discussie komt te staan als er een Kabinet door zou sneuvelen. Hoe ‘bizar’ (Rutte) en ondoorgrondelijk het kiesproces en de werking van de EK ook is, de patstelling is te groot om voor minder tot wezenlijke veranderingen te komen. Deze weken en maanden betekenen wel een crisis in het bestaan van de Eerste Kamer, maar niet het einde. Rutte zegt het al: er zijn belangrijker prioriteiten dan het hervormen van de Eerste kamer (en een nuchtere houding waar collega Nick Clegg in Engeland van kan leren).

Versplintering en vernieuwing

Het betekent niet dat de reputatie van de Eerste Kamer er beter op wordt. Bij de vele duidingen van de uitslag mis ik een goede analyse van het effect dat er zal uitgaan van versplintering. En dat geldt zeker als je dat beziet in combinatie met de toetreding van een relatief groot aantal onervaren leden en nieuwe partijen als PVV en 50plus.

De verplintering is echt enorm, met wel 12 partijen in de Kamer, waarvan er vier met slechts 1 zetel. Onderschat niet wat er aan werk afkomt op deze kleine partijen. In de afgelopen perioden was het de praktijk dat de eenmaansfracties in feite meeliften op het werk van de grotere fracties. In grotere fracties als het CDA (21 zetels in de afgelopen periode) kon men zich een zekere specialisatie veroveren – de fractie had bijvoorbeeld een eigen pensioenexpert. Die luxe is er nu niet meer. Daarmee wordt de kans op een slordige behandeling van wetsvoorstellen een stuk groter. En in hoeverre zijn de grotere fracties dan nog in staat en bereid de kleinere mee te nemen. Tijd voor onderhandelen met zoveel fracties zal er ook niet zijn. Kortom; de versplintering zal tot verplatting leiden.

Het effect van de versplintering wordt versterkt door het effect van de vernieuwing. Alle vier de grote partijen komen met nieuwe fractievoorzitters en goeddeels vernieuwde fracties. In het geval van de PVV gaat het uiteraard om een geheel nieuwe fractie. Bij de kleinere partijen is in feite sprake van behoorlijke stabiliteit als het om de personele bezetting gaat, maar de komst van een partij als 50plus betekent ook daar vernieuwing. Mijn beeld is dat de meeste nieuw gekozen leden geen flauw idee hebben van wat hen te wachten staat. De routines, de papierstapels; het is fors en het is veel meer dan men zich tevoren realiseert. Nu hoeft niet iedereen een Hannie van Leeuwen te zijn die van haar EK-lidmaatschap een volle werkweek maakte, maar intensief zal het zeker zijn. Het is niet onheus om dan vraagtekens te zetten bij het committment van de fractieleden van de PVV. De ‘werkbare minderheid’ is wel afhankelijk van het feit dat er wordt gewerkt. Blijven de PVV’ers dat allemaal doen? Komen ze wel altijd allemaal?

Eenheid in het CDA

Tot slot nog iets over het CDA. Op een enkele website is heftig gediscussieerd over de vraag of Statenleden niet ‘hun geweten’ moesten volgen. Door niet op de eigen partij te stemmen zou de gedoogcombinatie kunnen worden getorpedeerd en dat is toch wel een unieke kans om dit kabinet voortijdig te laten vallen. Het is niet helemaal een randdiscussie gebleven: ook Wijffels heeft zich in het weekend voor de verkiezingen bij deze lijn gevoegd. Maar daar is het dan ook wel bij gebleven. De 11 potentiële zetels zijn er ook 11 geworden. Dat is een goede zaak. Winnen door spelbederf te plegen leidt uiteindelijk nergens toe en het gezwaai met ‘het geweten’ is ergerlijk. Mijn beeld is dat het proces heel zorgvuldig is gedaan door de partij en dat zo iedereen er uiteindelijk zelf voor gekozen heeft om binnen de partijdiscipline te blijven. Dat is een goed en tijdig succesje voor de partij. Iets om op voort te bouwen.

Fragiel maar werkbaar

Al met al is er in de nieuwe Eerste Kamer sprake van een fragiele maar werkbare minderheid. Nog een gremium om in de gaten te houden in deze politiek complexe tijd. Boeiend blijft het.

Griekenland: laat geen vaas uit handen vallen!

Vorige week geen weblog geschreven. Na een bezoek aan Istanbul had ik goede voornemens, maar het werk had prioriteit en het bleek dat ik een lelijke bacterie had meegenomen uit de stad. Van playboy tot pleeboy, zoiets. De lezer houdt het verslag dat ik daar gemaakt heb zeker nog te goed. Het raakt op zoveel manieren aan de actuele politieke situatie in het Midden-Oosten en de Balkan, dat ik mijn verhalen heel graag kwijt wil. Voor vanavond hou ik het echter bij twee andere, maar wel wat verwante fenomenen: de crisis rond Griekenland en de verkiezingen in de Eerste Kamer.

Griekenland

Al het lelijks dat over Griekenland gezegd kan worden is gezegd. En? Luchtte het op? Iemand zei me deze week dat we erg veel goede redenen hebben om kritisch op de Verenigde Staten te zijn. Daar begon de kredietcrisis, daar liep het uit de hand. Het heeft ons als samenleving ten minste honderden en wellicht duizenden euro’s gekost aan gederfde welvaart. Toch hoor ik daar in het Parlement en elders niemand een hard woord over spreken. Wel over Griekenland. Donderdagavond sprak ik met Henk de Haan, hoogleraar economie en als vm. Kamerlid o.a. indiener in 2000 van de motie op basis waarvan Griekenland de EU niet in zou mogen gaan omdat het niet aan de criteria voldeed. Met zijn bekende glinsteroogjes vertelde hij me dat destijdens alleen CU en SGP hem steunden, maar dat was omdat ze tegen alles waren dat naar de EU-rook. En hij zei er iets aardigs bij. Hij zei dat het toeval was dat hij nu de eer kreeg voor die motie. Als je maar lang genoeg wacht heb je altijd een keer gelijk. En hij voegde er onmiddelijk aan toe dat het nu niet meer aan ging om die Grieken in de steek te laten.

Iemand anders legde er die donderdagavond – terwijl mijn autoradio nog natrilde van opwinding over de clash van Wilders en het Kabinet die dag – een realistische redenering onder. Stel, zo zei hij, het wordt bekend dat de EU de Grieken in de steek laat. Dan gaat vroeg of laat het scenario spelen dat de Euro losgelaten wordt en de Drachme weer in beeld komt. Stel dat je een dan Griek bent en je wordt wakker met het bericht dat al je Euro’s zullen worden geconverteerd naar Drachmen. Het eerste wat je dan doet is naar de bank rennen en je euro’s er af halen. Een bankrun dus. Maar stel dat het doorgaat en dat je daarna over lekker goedkope Drachme’s beschikt zodat je makkelijker zou kunnen gaan exporteren – dan nog heb jij en je land te maken met langlopende schulden die nog steeds in euro’s zijn genoteerd. Schulden die – als je veel mazzel hebt – opeens twee keer zo hoog zijn geworden. Vergeet het dat je daar tegen op kunt exporteren. Wat zal dan het einde van het liedje zijn? Je blijft failliet achter in Griekenland of migreert zo snel je kan naar Europese landen waar nog wel in euro’s wordt gehandeld en probeert daar dan de kost te verdienen. Kortom; de lijn van Wilders is financiële waanzin en vergroot de migratie.

De andere kant natuurlijk is dat Wilders uitspraak ‘geef nooit geld aan een junkie’ wel degelijk een kern van waarheid bevat en de EU nog geen geloofwaardig antwoord heeft op de nu ontstane crisis. Alles wat de EU nu doet is tijd winnen en de gevolgen beperken. Puur kijkend naar de hoeveelheid geld is dat ook best vol te houden (dezelfde spreker vergeleek het qua omvang met de artikel 12 status van Lelystad – en daar deed terecht ook niemand moeilijk over). In het totaal van de dynamiek van Europa is het doormodderen van de situatie van Griekenland echter een slecht signaal en we zitten nog steeds in een situatie dat zowel populistische politici als valutaspeculanten financieel voordeel menen te kunnen halen uit de kwetsbaarheid van een aantal landen. Wat we nodig hebben is ten minste de schijn van een overtuigende Europese strategie. Daar hoort de uitspraak bij dat we ‘natuurlijk elkaar niet laten vallen’. Zijn we gek geworden? Zeker laten we Zuid-Europa niet vallen. Willen we ooit wat voorstellen tegenover de Amerikaanse en Aziatische economische grootmachten het komende decennium, dan moeten we nu onze eenheid laten zien. Dat is niet alleen ethisch juist, het is ook de enige manier om op de langere termijn een beter gevulde portemonnee te hebben.

Eerste Kamer

En dat brengt me dan toch bij de verkiezingen voor de Eerste Kamer zoals die morgen, de 23e mei, gaan plaatsvinden. Binnen CDA-kringen, met publiekelijk steun van Wijffels, is er een stroming die zegt dat de Statenleden ‘hun geweten moeten volgen’ en niet op het eigen CDA moeten stemmen. Op die manier zou de huidige gedoogcoalitie versneld kunnen sneuvelen. Laten we over één ding helder zijn: als een Statenlid zijn of haar geweten volgt, dan doet die persoon zijn of haar woord gestand volgens de lijn zoals die al aan het begin van de Statencampagnes is afgesproken en dan wordt er gewoon CDA gestemd. Geen ankele andere lijn doet voldoende recht aan het geweten-criterium.

Maar ik begrijp het natuurlijk wel. De verleiding is groot. Wat zou het geweldig zijn om het peroxide hoofd van Wilders op een Griekse vaas te zetten om die dan maandag opeens uit je handen te laten vallen. Beng. In duizend stukjes. Met z’n hele paranoíde beleid erbij. Maar wat wil je dan met Henk en Ingrid doen? En Bas en Alexander? En Sandra en Willemien, die opeens ook allemaal bij de kapper durven zeggen dat ze PVV stemmen? Want hij zegt het zo lekker helder. Je moet toch veronderstellen dat het vallen van de vaas tot een verkiezing zal leiden waarvan je als vertegenwoordiger van het milde midden – ik spreek namens mijzelf – mag hopen dat je het niet meemaakt, want het zal heel erg zijn als het om de uitslag gaat.

Nee, beter is het om geen loopje met de wil van de kiezer te nemen en binnen het systeem te blijven. Het is aan het CDA en andere middenpartijen om een inhoudelijk geloofwaardig verhaal te komen en dat sterk uit te dragen. Wij horen nu zelf op volle kracht in de Chambre de Reflexion te zitten, om dan later op volle kracht in de arena van de tweede Kamer te kunnen opereren. Daar hoort dan overigens ook een helder en niet bang Europa-standpunt bij. Nederland is deel van de Europese toekomst. Wij zijn Europa.

Kwetsbare Balkan

Vandaag geen uitgebreide weblog (gelukkig, verzuchten nu enkelen). Deze week stond in het teken van het beoordelen van zo’n 40 aanvragen voor de ‘European Public Sector Award’. Inhoudelijk mag ik daar helaas niets over zeggen, maar geloof me dat het een hele exercitie was om alle indieners goed te beoordelen. De organisatoren hadden mij en de collega’s daarbij goed bij de taas door domweg een minimum aantal letters te eisen bij elk van de 8 te beoordelen aspecten. Meestal was dat geen al te grote straf, maar bij sommige aanvragen was het logisch geweest om met drie letters te volstaan. Maar goed, het is gelukt. Eind mei gaan we ons werk in groter verband tegen elkaar leggen en daar moeten dan een paar organisaties uitkomen die voor de prijs in aanmerking komen en nog ter plekke zullen worden beoordeeld.

Waar ik wel wat over kan en mag zeggen is een training die ik afgelopen zaterdag in boedapest heb gedaan voor het ‘Robert Schumann Institute’. Voor dit instituut mag ik wel vaker trainingen verzorgen (altijd in afstemming met de Nederlandse Eduardo Frei Stichting / EFF) en dat is altijd een genot, zowel door de groep die je voor de neus krijgt (jonge politieke talenten met een stevige vooropleiding en vaak al verantworodelijke banen), als door het steeds wisselende thema.

Dit keer vroeg Gabor mij iets te vertellen over ‘targeting your voter’ en ‘building a constituency’. Wat hij eigenlijk aan mij vroeg, was om de deelnemers mee te nemen in het werken met ‘gelieerde organisaties’. In Nederland, en zeker binnen het CDA, zijn we gewend om voor elke doelgroep een aparte deelorganisatie op te richten. We werken met een reeks van stichtingen, verenigingen en werkgroepen voor vrouwen, ouderen, jongeren, bestuurders, internationaal belangstellende, uitkeringsgerechtigden, allochtonen, ondernemers, ambtenaren, etc., etc. Niet zelden hebben deze groepen een behoorlijke ‘in-crowd’ die zich ook nog mag vertegenwoordigen in besturen en platforms. Ondoorzichtig voor de buitenwereld, maar niet onbelangrijk.

Hoe anders op de Balkan. Gelieerde verenigingen worden met enig wantrouwen bekeken, als men er al over nadenkt. En als ze er al zijn, zijn het er doorgaans niet meer dan twee. Eén voor de jongeren – ‘want wie wil anders de flyers rondbrengen?’ en één voor de veteranen. Met de groep die ik zaterdag voor me had ben ik alle veronderstellingen achter het werken met gelieerde organisaties gaan afpellen. Al in de voorbereiding was het mij duidelijk geworden dat ik niet zonder meer onze CDA-aanpak ten voorbeeld moest stellen. Jongens, wat hebben we weer alles overgeorganiseerd. Aan de andere kant waren er ook redenen om toch maar niet de éénmansvariant van Wilders ten voorbeeld te stellen (als je het over hem hebt, komt er altijd een soort waakzame nieuwsgierigheid in de ogen van de deelnemers; hoe hebben de Hollanders het zo uit de hand kunnen laten lopen. Wat betekent dat voor ons?). Uiteindelijk heb ik met de groep vooral gesproken over generieke varianten zoals bijvoorbeeld de Conservatives die hanteren (How to get involved), met een mix van traditionele structuur en moderne techniek. natuurlijk waren er weer confronterende momenten. Toen we het bijvoorbeeld over de relatie tussen de programma en doelgroepenbeleid hadden, kreeg ik van ten minste twee deelnemers te horen dat dit een totaal irrelevant onderscheid was: iedereen van hun minderheid zou hoe dan ook op hun stemmen, ongeacht wat de inhoudelijke boodschap was. Die deed er eigenlijk totaal niet toe. Weer een andere deelnemer zette om geheel eigen reden vraagtekens bij de mogelijkheden een jongerenorganisatie op te zetten: alle jongeren vluchten het land uit. De gemiddelde leeftijd was al 46 jaar en stijgend. Maar samen kwamen we toch uit op een paar prachtige mogelijkheden om de basis voor hun partijen te versterken. Het was een voorrecht om met ze te werken.

Een voorrecht met pijn in het hart. Deze jongeren behoorden zonder meer tot het beste van hun generatie en hun land. Wat me opviel was hoe helder ze waren over de verwoestende werking van corruptie. Kreeg ik bij andere groepen nog wel eens de indruk van deelnemers dat ze niet sterk genoeg in hun schoenen stonden om zich er aan te onttrekken, hier had ik een groep te pakken met mensen die er anders in stonden; die het veel te goed doorhadden om er zomaar in mee te gaan. Ze laten zich hun nieuwe verworvenheden niet zomaar afpakken, was voor mij het overheersende gevoel. Een Arabische lente kan altijd nog op de Balkan gebeuren als het weer verder mocht gaan afglijden. Maar wat blijft het kwetsbaar allemaal. Deze jongeren zijn Europeaan tot op het bot. Ze kunnen zich met iedereen in het tradtionele Europa meten. De omstandigheden hebben ze echter niet mee. Eén van hen was de assistente van Toma, een bijzondere Serviër (zie ’48 uur in Tirana’). Zij is een hele heldere dame, een talent op zich. Toch dreigt zij weg te gaan uit eigen land, teleurgesteld door de eeuwige spelletjes en het onvermogen om eerlijk politiek te bedrijven. Ik hoop dat ik haar en haar collega’s duidelijk heb kunnen maken dat het aan de andere kant van de politieke heuvel niet altijd groener is en dat wat zij doet in veel opzichten relevanter is dan wat we in een land als Nederland te doen hebben. Ik kan het echter haar niet kwalijk nemen als ze voor haar zelf kiest. En ondertussen denk ik dat we als Nederland wel degelijk een boodschap moeten hebben aan mensen zoals zij en ons niet laten verlokken om achter Wilderiaanse dijken ons eigen isolement te zoeken.

Vernieuwing in tijden van verstrakking

Heel eervol. Ik mag jurylid zijn van de ‘European Public Sector Award’. Heel veel werk ook. Van de 274 overheidsorganisaties die een aanvraag hebben ingediend om voor een prijs in aanmerking te komen – de ‘applicatie’ – mag ik er 41 van beoordelen. De aanvragen komen uit alle EU-landen vandaan, plus de EU-instellingen zelf. Het aantal Nederlandse inzendingen voor dit soort prijzen is altijd bescheiden, zo ook nu. Lof voor de Nederlandse organisaties die er wel voor zijn gegaan, maar ik verbaas me over het gemak waarmee we dit soort Europese trajecten doorgaans links laten liggen. Vinden we onszelf dan echt zo goed dat we dit niet nodig hebben? Zelf mag ik uiteraard geen Nederlandse inzendingen beoordelen. De 41 (!) die ik wel mag beoordelen, vallen allen onder het thema ‘Smart Public Service Delivery in a Cold Economic Climate’.

Ik moet er nog aan beginnen, aan die 41 (hoe vaker ik het noem, hoe groter het getal voelt). Omdat ik in deze eerste ronde niet meer dan een week krijg om ze allemaal te scoren en becommentariëren, betekent dit dat ik veel extra uren zal moeten draaien. Niet erg. Helemaal niet zelfs, maar dan wil ik die beoordeling natuurlijk wel goed doen. Daarom gebruik ik deze blog om wat noties over innovatie in krappe tijden te verkennen. Ik beschik over een keurig systematische instructie voor het beoordelen van de applicaties, maar ik wil daar nog niet te ver induiken in deze fase. Een verkenning kan me wellicht helpen om de instructie later beter te gebruiken. Denkt u een eindje met mij mee?

Conceptueel

Het thema gaat over ‘Smart Public Service Delivery in a Cold Economic Climate’. Let even op het eerste woord: ‘smart’. Maak er hoofdletters van en je krijgt ‘SMART’. Iedere organisatiemuis weet dat de combinatie van die letters het signaal is om een holletje op te zoeken om zich te verstoppen. Hoewel de Nederlandse bestuurskundige lijn op dit moment in het teken staat van ‘het eigene’ van de overheid en de ‘professionals’ die er werken, mag je verwachten dat voor veel Europese landen het denken van het New Public Management (NPM) nog leidend zal zijn en niet bij voorbaat een cynsiche reactie op zal roepen. Het element van ‘control’ dat – ten onrechte – sterk centraal is komen te staan in NPM, legitimeert juist in slechte tijden de toepassing van bureaumetrische instrumenten. In mijn verkenning van nieuwe bestuurskundige stromingen (het beste ervan vat ik samen onder de term ‘New Public Administration’ – binnenkort toe te lichten als hoofdstuk in een Deens boek), ben ik nagenoeg niets tegen gekomen dat helpt bij het maken van bezuigingstaken. De tegenbeweging van NPM lijkt in sommige opzichten ook de tegenbeweging voor bezuinigingen. Betekent dit dat ik in mijn beoordeling van de verschillende applicaties voorrang zou moeten geven aan NPM-toepassingen? Zeker niet. Ik spreek slechts de verwachting uit dat als het om bezuinigingen gaat de meeste applicaties daar hun conceptuele wortels zullen vinden. Ondertussen zijn de nadelen van NPM genoegzaam bekend. Mijn agrarische vriend zei altijd al: ‘een varken wordt van het wegen niet vet’. De valkuil van teveel meten, van prestatie-paradoxen en andere gevolgen van het wegrationaliseren van de werkelijkheid, is niet incidenteel maar structureel verbonden aan NPM. Voor echt innovatieve toepassingen hoop je dus aan het bewijsmateriaal te zien dat de applicant zich van die valkuil bewust is en daar op allerlei manieren wat aan probeert te doen. Hoe korter de feedbackloops hoe beter, hoe meer punten waarop het systeem kan ‘ademen’, hoe verstandiger. Ik hoop dat de indieners het lef hebben om dat te laten zien; in veel culturen rust er nog altijd een taboe op om te laten zien dat iets niet helemaal perfect geregeld is.

Wat me overigens nog even bij een volgend conceptueel begrip brengt: interactieve beleids- en besluitvorming en de daar vaak aan verbonden veronderstelling dat verticale sturing vervangen moet worden door sturing van onderop – of ten minste van de horizontalisering ervan. Mijn probleem is dat ik er op basis van de bestaande literatuur forse twijfels heb gekregen over de feitelijke effectiviteit ervan – om het over de efficiency nog maar niet te hebben. De Nederlandse Crisis- en Herstelwet is een juridisch gedrocht, maar dat ie er dan toch komt moet verklaard worden uit de enorme backlash tegen de inefficiency van niet-verticale en niet-eenduidige vormen van beleids- en besluitvorming. Zouden er applicaties bij zitten die mij ongelijk geven? Oh, wat hoop ik het. Maar voorlopig leg ik de lat behoorlijk hoog als er applicaties langs komen waarbij het enkele bestaan van interactieve elementen mij er van moeten overtuigen dat het project daardoor beter zal presteren. Evidence, my dear, evidence.

Technisch

IT / ICT is en blijft een logische manier om op innovatieve wijze de dienstverlening te verbeteren. Hoewel we met schade en schande geleerd hebben dat er geen directe relatie is tussen het invoeren van het IT en het behalen van schaalvoordelen, is die relatie er intuïtief wel. Om die reden blijft het logisch om IT en innovatie in één adem te noemen, zeker in slechte tijden. Voor het beoordelen van de applicaties is er één manier om met de onzekerheid in de relatie tussen de inzet van IT en efficiency om te gaan: de tijd nemen. Projecten dus over langere tijd beoordelen. En net dat zal waarschijnlijk lastig blijken. Technologische ontwikkelingen gaan snel en de filosofie er achter ook. Ook al zou het beter kunnen zijn om eerst een e-overheid 1.0 ontwikkeling af te maken voordat je verder gaat ontwikkelen – het is niet verkoopbaar om dat te doen als 2.0 al staat te trappelen aan de poort. Wachten is dan geen optie. Dus dan maar kijken hoe de sprong naar de toekomst wordt gemaakt.

Daar speelt nog iets anders bij mee. Kijk je over de volle breedte, dan zullen er veel (nieuwe) lidstaten bij zijn die nog maar vrij kort zijn aangesloten op de digitale revolutie en het gebruik van sociale media in  het bijzonder. Het veelvuldig lesgeven in Oost- en Zuid-Europa heeft me ook voor het Tahrirplein al geleerd dat de wet van de remmende voorsprong voor die landen volop geldt; nieuwe techologie is er minstens zo snel als in West-Europa. De vraag is wel hoe die wordt ingezet binnen een nog altijd zeer directieve overheidsclutuur. Wordt het goed gedaan, dan wordt het waarschijnlijk zeer goed gedaan, maar wat kan het snel mis gaan.

Financiële keuzes maken

Wie weet er een innovatieve kaasschaf te ontwikkelen? Eentje met een intelligente rand, liefst slimmer dan de hand die het denk te hanteren. Een hand die er voor zorgt dat letterlijk en feguurlijk de goede snee wordt gemaakt. Ik vrees dat die er nog net is. Mijn eigen vakgebied, de kwaliteitskunde, heeft veel goeds gebracht, maar ook veel zaken die gewoon niet kloppen. Het doorgeslagen procedureschrijven, het objectiveren wat niet te objectiveren valt; allemaal veroorzaakt door kwalineuten. Ik kan wel verontschuldigingen aanbieden (al heb ik er altijd tegen gewaarschuwd), maar ik vrees dat we het opnieuw aan het doen zijn. Nu onder de naam van ‘lean’ – liefst ‘lean six sigma’. Kort samengevat: doe wat je moet doen, maar denk extra door en maak dat je met (veel) minder ook toe kan. De wijze waarop komt weer neer op opschrijven en analyseren. Wat ik er op tegen heb, is de wetenschap dat sommige processen alleen maar kunnen werken als er ‘slack’ op zit; een marge om te manouvreren en fouten op te kunnen vangen. Een bedrijf als UPS heeft standaard 40% ongeplande ruimte in al haar vliegtuigen zitten. Bewust plannen ze niet alles vol, omdat ze weten dat er veel pas op het laatste moment binnen komt en ze zich tegelijk wel gebonden voelen aan hun slogan om alles binnen 24 uur af te leveren. Overheidsorganisaties zijn geen UPS, maar juist zij hebben vaak met onverwachte omstandigheden te maken – en wat doet een lean proces dan? Het doet je de das om. Met andere woorden; je doet iets goed of je doet iets niet. Er zijn aplicaties uit alle EU-landen. Dat moet dus inclusief landen zijn waar wij van zeggen dat het hopeloze gevallen zijn (in ieder geval niet zoals wij Nederlanders natuurlijk). Elke aplicatie die uit dergelijke landen komt vertegenwoordigd dus een hele scherpe keuze. Alleen dat al is de moeite waard. Met de krimp komt de kramp. Als je dan toch met iets komt kan het window dressing zijn, maar wellicht is het net die witte raaf waar we naar op zoek zijn.

Vergeten

Dat zijn zo een paar overwegingen. Allemaal bronnen van conceptuele, technologische en financiële aard die iets kunnen zeggen over het innovatieve karakter van een aplicatie. Maar laat ik scherp zijn: het zegt vooral iets over mijn veronderstellingen, mijn gedachten over wat bronnen van innovatie kunnen zijn in krappe tijden. Misschien heb ik hele goede dingen bedacht – maar het is ook ballast, niet meer dan een reeks veronderstellingen. Ik heb ze nu op schrift gesteld en zo expliciet gemaakt. Het belangrijkste dat ik nu kan doen is die veronderstellingen weer loslaten.

Het is zaterdagavond 23:15, einde van een mooie Koninginnedag. Vanaf maandag 12.00 uur krijg ik de tijd om daadwerkelijk te scoren en oordelen te geven. Dat geeft mij nog anderhalve dag om mijn nog wat rommelige veronderstellingen verder te onderzoeken en weer los te laten. Ik moet dus opschieten met het vergeten. 

 

Passion in Gouda

Deze weblog gaat over een gebeurtenis die ik waarschijnlijk zou hebben genegeerd als die niet letterlijk aan mijn deur voorbij zou zijn gegaan: ‘the Passion’. Met Gouda als niet toevallig gekozen decor, werd het lijdensverhaal van Christus modern maar wat houterig verbeeld en ‘verzongen’. De wijze waarop bekende Nederlandse liedjes werden ingezet om het verhaal te vertellen was redelijk geslaagd, maar zeker niet zo revolutionair als wat eerder al is gedaan. Het was interessant en passend hoe de bedenkers de eigenlijke kruisiging niet lieten zien, maar eenvoudig verwezen naar de hypocriete manier waarop we anno 2011 echt leed verhullen. Daar tegenover stond voor mij, zeker vooraf, het verontrustende beeld van de kruisgang zelf. Gouda stond de afgelopen dagen op z’n kop vanwege het gebeuren en dat was niet allemaal even slim gecommuniceerd door de gemeente. Toen een medewerker van Primera rond 17u meldde dat er op de 21e geen poststukken meer weggingen, ‘want er komt een kruisiging tussendoor’ vond ik dat humor genoeg om het tweeten. Toen een van mijn volgers een reply gaf waarin hij sprak van een ‘spotspektakel’ vond ik dat te zwart-wit, maar ik voelde wel aan wat hij bedoelde.

Dat gevoel kantelde tijdens de uitzending zelf. Er waren twee momenten. Het eerste moment was toen de groep met kruisdragers langskwam over de Westhaven. Wij keken vanuit het raam van onze huis aan de Oosthaven en werden verrast door de zang van de kruisdragers en de mensen daar achter. Niets popsongs, niets liedjes van BN’ers. De mensen zongen Paasliederen, religieuze liederen. Even kwam het me voor dat het kruis was gekaapt, teruggestolen door de kerkelijken – en toen realiseerde ik mij dat dit de ware basis was voor de makers van EO-RKK. Dit was hun stuk van de manifestatie. Loes, mijn vrouw, wist beter. Ze vond het gewoon mooi, bijzonder. Ze wilde er deel van uitmaken. Dat begreep ik en toen zijn we ons huis uitgestapt en richting de markt gegaan. Uiteindelijk kwamen we op een plek waar het kruis de markt op kwam. Toen het zover was, lieten we het kruis en de mensen er achter voor ons uit gaan en liepen een heel kort stukje mee. Dat was mooi. Even deel van iets groters. Opeens begreep ik wel wat het kan betekenen om aan een kruisgang mee te doen (afgelopen zomer bezochten we Lourdes. Ik stond naar ik dacht open voor een spirituele beleving, na alles wat ik daarover van mijn katholieke vrienden had gehoord. Maar temidden van al het commerciële geweld daar voelde ik me koeler en gereformeerder dan ooit). Kortom, de Passion in Gouda was even de moeite waard. Een gevoel dat nog verder versterkt werd toen we na afloop een St. Janskerk voor de ‘afterparty’ aantroffen die voller was dan ooit.

Twee vragen blijven me bezighouden. De eerste: de makers wilden jongeren bereiken die in meerderheid geen flauw idee meer hebben over de betekenis van Pasen. Hoe effectief is deze manier? De tweede: wat zegt dit over onze tijd en hoe we (ik) met die verschuiving in betekenisgeving om moeten gaan?

Aan de Passion, als idee overgenomen van de BBC, is naar ik hoor 2 jaar gewerkt. In totaal is er zo’n 1,1 miljoen euro met de realisatie gemoeid geweest. Dat was er aan af te zien. Er valt altijd iets op te merken, maar dit moet voor de betrokken omroepen een huzarenstuk zijn geweest. Complimenten. Met 20.000 bezoekers en bijna 1 miljoen kijkers (plus de kijkers naar de herhaling op zaterdagavond), moet het ook in termen van omroepmaatstaven goed zijn uitgepakt. Of de gestelde doelstelling van het mensen bewust maken van het Paasverhaal gehaald is – tsja, dat is de vraag. De mensen op de markt leken over het algemeen behoorlijk religiueus bewust, ook de kinderen onder hen. Natuurlijk waren er ook veel mensen die vooral blèrden en ander pubergedrag vertoonden, maar ik kan me voorstellen dat ze onder het meuten ook nog iets anders mee hebben gekregen. Het zal mij niet verbazen dat hetzelfde ook voor de kijkers thuis zal gelden. Goeddeels gaat het om kijkers die toch al zouden kijken. De miljoen mensen die op 2 oktober naar het CDA-congres keken waren over het algemeen veel politiek bewuster dan de gemiddelde kijker (Linda de Mol trok diezelfde dag 1,5 miljoen kiezers), maar dat er een uitstraling vanuit is gegaan zal niemand kunnen betwijfelen – echter lang niet genoeg om het beeld van de partij positief bij te stellen. De vergelijking gaat mank, maar ook voor de Passion moet gelden dat het een stevige inspanning was, maar die inspanning zal verdampen als het bij een éénmalige actie blijft. Alleen met herhaling is het effect blijvend. Hebben EO en RKK dan de middelen om het vol te houden? Ik kon het niet helpen om even door de ogen van een campagneleider te kijken. Bij een landelijke verkiezing beschikken alleen de grootste partijen over een budget dat richting de miljoen gaat en daar moeten dan letterlijk tientallen evenementen worden betaald, op een landelijk dekkende manier. Dat is dus nog veel meer een schot hagel (al worden de lijsttrekkerdebatten ‘gratis’ aangeboden) en de effectiviteit is zo evident beperkt. Juist de Passion maakte mij duidelijk wat een waanzinnige inspanning er er nodig zijn om de kennis over Pasen weer bij te laten trekken, laat staan het geloof weer dichterbij te brengen. EO en RKK hebben een strategische keuze gemaakt waar politieke partijen nog van kunnen leren, maar voorlopig is de echte slag nog lang niet gemaakt.

Elke tijd heeft haar eigen manier om het lijdensverhaal te verbeelden en verklanken. Als ik nu 8 jaar was zou de passion mij ongetwijfeld boeien en bijblijven – als ik lang genoeg op had mogen blijven om het te zien (wat absoluut niet het geval was). Toen ik echt 8 jaar was, kwam het lijdensverhaal alleen tot me via de Kinderbijbel en de vertelling op school en in de kerk. De TV was een geheimzinnig kastje naast de kerstboom waar Paulus de Boskabouter op woensdagmiddag uit kwam. Daar ergens tussenin vond de secularisatie plaats. Of passender gezegd; daar ergens tussenin kwam Jezus Christ Superstar langs en leerden we net zozeer door het perspectief van Judas kijken als dat van Christus en leerden ongemerkt ons eigen perspectief te kiezen. Het mooie is dat anno nu in een TV-show als de Passion het mogelijk blijkt dat niet alleen gereformeerden en katholieken met de stoet meelopen, maar ook mensen met een joodse, agnostische of islamitische achtergrond. Dat zou vroeger ondenkbaar zijn geweest en is het nu echt wel. Dat is toch pure winst? Tegelijk is er meer gebeurd dan alleen het loslaten van het traditionele geloof. Het tellen van het aantal gelovigen is nauwelijks relevant als de aard van geloof en geloofsbeleving daaronder zich fundamenteel wijzigen, zoals hier in Nederland is gebeurd. Zonder het weblog nog meer uit de lengte te laten lopen als nu al gebeurd, zou ik het willen verwoorden via twee van mijn gedichten (eng hoor, dat blijft iets heel persoonlijks).
In het eerste gedicht zit de afrekening met de kerk als instituut, in dit geval de katholieke kerk, maar ik had het ook over mijn eigen kerk kunnen hebben. De ik-figuur hoort alleen wat hij begrijpt en wat hij begrijpt is dat zijn kerk wordt aangevallen. De priester tegenover hem kan niet direct zijn. Hij versleutelt alle alle wezenlijke elementen van het Evangelie en lijdensverhaal in een aantal cryptische opmerkingen, die erg waar zijn, maar door de ander dus niet worden gehoord. Wat rest is verlies en verbittering.
In het tweede gedicht, net geschreven, dus ruw, zit de verwondering over de Passion. Het gaat niet meer over instituten, hoogstens over het instituut stad of het instituut Omroepland. Waar het alleen nog maar om draait is de verwondering, die van mij, maar meer nog die van een meisje dat ik die avond om haar heen zag kijken.

De priester en het barmeisje (een cryptogedicht)

Na afloop van zijn laatste mis benaderde ik de priester
en vroeg wat ik onder het begrip “genade” moest verstaan

Hij aarzelde, bedacht zich en zei toen bitter
dat hij gewoonlijk de G na de F in het alfabet zag staan

Ik was verbaasd, herstelde mij en vroeg wat hij bedoelde
toen hij zo smalend over “barmhartigheid” had gesproken

Hij keek mij aan, wist dat ik mij ongemakkelijk voelde
en zei dat hij zo het hart van een barmeisje had gebroken

Nu wantrouwend, met een sterk vermoeden van schandaal, vroeg ik hem
waar zijn gevoel voor “edelmoedigheid” was gebleven

En hij vertelde mij in een voor de kerk vernederend verhaal
dat al zijn pretentie bij de moed van die del was gaan verbleken

Inmiddels volkomen cynisch vroeg ik hem vervolgens snerend
wat de pseudopriester van het woordje “naastenliefde” vond

Mij berispend zei hij toen triest maar ook belerend
dat naast liefde soms ook een gelofte tot een einde komt

Met grote verontwaardiging en harde verwijten
wilde ik hem nog over zijn “goddelijke” roeping spreken

Maar met teleurstelling en zonder dat ik het kon begrijpen
zei hij dat Diens Zoon het brood al voor Hem had willen breken

Bijtend, afgewezen en vaag vernederd
vroeg ik hem tenslotte nog wat hij in de mis bedoelde
toen hij het over “heiligheden” had

Maar hij keerde zich om en naast de dichte kerkdeur zei hij:
Hij ligt achter mij; in het verleden en niet in het heden
Hij faalde toen ik niet meer genoeg aan woorden had

PN ’78

 

– o – 

 

Passion

Een rommelige stad wordt ingenomen
door Glamourland
Een park gemaakt voor zondagsrust
wordt bezongen als Gethsemanee
En een plastic kruis wordt gekaapt
door Paasgangers

Ik observeer met woorden
maar waarden krabben ze open

Verwonderd
wandel ik
toch
met hen
mee

Een meisje zegt: ‘dit is een raar verhaal’
maar haar ogen glanzen zachtjes

PN ‘11

Donner, Klink en Hirsch Ballin: drie denkers en wat ze te denken hebben

Het onvolprezen CDV heeft een themanummer gemaakt over populisme. Ze hebben vele interessante mensen gevraagd daar een bijdrage aan te leveren, waaronder Donner, Hirsch Ballin en Klink. We kennen de laatste drie allemaal bij hun voornaam, maar bij een blad als dit houdt je het voornaam en gebruikt je alleen hun achternaam.

Zoals te verwachten viel, leggen deze drie verschillende accenten in hun uitleg van het begrip populisme, maar dat is niet de reden om over hen te schrijven. Met een PVV die zich naar buiten Kabinetsverband populistisch opstelt, maar daarbinnen ronduit gouvernementeel, krijgt de discussie over populisme toch iets gezochts. Daarbij zijn de bijdrage van de drie op het eerste oog geen oefening in confrontatie. Ze maken beschrijvingen van het fenomeen die aanvullend werken op elkaar. Ze staan in eenzelfde traditie van bedachtzaam kijken naar een relevant verschijnsel. Waar het hoogstens schuurt is in de wijze waarop ze met het verschijnsel omgaan; in de consequenties van de conclusies. Die conclusies vullen elkaar in the themanummer overigens aan. Donner benadrukt het opvoeden, Hirsch Ballin het overeind houden van de rechtsstaat, Klink de noodzaak van hervorming. Alle drie zijn verenigd in hun afkeer van het populisme, alle drie zijn ook veel te groot om alleen aan symptoombestrijding te doen. Maar waarom ben ik dan toch zo nerveus bij het lezen?

Scheve hoofdpijn

Of het populisme groter of kleiner wordt in ons land, hangt uiteindelijk af van heel veel factoren, maar het begint en eindigt doorgaans bij de gesprekken aan tafel of in het café als we de verhalen van ‘buiten’ groot en groter maken en niet meer weten wat nog normaal is en wat niet. Populisme bestaat bij gratie van het bestaan van onzekerheid. In die zin is het wat mij betreft geen erg interessant verschijnsel. Populisme bestrijden door het te bestrijden, is zoiets als bijziendheid corrigeren door scheel te gaan kijken. Het levert vooral scheve hoofdpijn op.

Maar niets doen is toch ook geen optie? Waarop mijn antwoord zou zijn dat je wel degelijk wat moet doen, maar dan door naar de bron aan te pakken, de onzekerheid. Tegelijk is dat weer zo’n ware, maar vage uitspraak, dat de lezer gelijk zou hebben als die afhaakt.

Drie heren

Dan is het fijn om drie denkers van het formaat Donner, Hirsch Ballin in Klink in de geledingen te hebben, zoals denk ik ook vertegenwoordigers van andere partijen zouden beamen. Naar hen zou je mogen kijken voor een verdere aanwijzingen over de koers van het CDA nu we inmiddels al een paar maanden op weg zijn met het kabinet. Daarom is het meer dan een beetje spannend om de drie naast elkaar in een tijdschrift te zien, schrijvend over iets dat dicht bij de kern ligt van het gedoogakkoord. Iedereen die er op 2 oktober bij was of naar de TV keek, kan echter weten dat Donner enerzijds en Hirsch Ballin en Klink anderzijds, tot conclusies kwamen die hen diametraal tegenover elkaar zetten. Iedereen de drie kent, weet ook dat zij niet impulsief positie kiezen, maar alles tot op punten en komma’s hebben doordacht. Zou die tegenstelling verder aangescherpt worden door het schrijfwerk van de heren? Als dat zo is zijn we als partij nog verder van huis.

Non-confrontatie?

De eerste conclusie is dus dat dit niet het geval is. Het is een beetje een non-confrontatie. Deze week was er een door het Wetenschappelijk Instituut georganiseerd debat tussen Hans Hillen en Renée Paas, met aan het slot commentaar door Herman Kaiser. Er was de nodige pers op af gekomen, mede omdat men een heftig debat voortzetting verwachtte van het debat in trouw tussen Hillen en Kaiser. Ook dat werd een non-confrontatie. Hillen ging middendoor en deed een goede poging te zoeken naar dat wat verbindt in het gedachtengoed. Hij kon het plagen niet laten door te pleiten voor een districtenstelsel, maar daar bleef het eigenlijk bij. Grappig om te merken hoe journalisten daarna niet goed weten te reageren. Close reading natuurlijk, dames en heren. Maar ook door wat gezegd worden serieus te nemen als uiting van een eigen politieke stroming. Daar ga ik nu ook een poging toe doen.

Donner

De drie weten de confrontatie door allemaal een variant te nemen op het lange termijn perspectief. Donner zoekt het antwoord in de verantwoordelijkheid nemen en betrokkenheid tonen. Echter: ‘een betrokken burger wordt men niet vanzelf’, het moet geleerd worden.’ Hij vervolgt: ‘samenwerken, verbinden, matiging, beperking, respect voor een anders zienswijze, beleving of geloof; het komt niet vanzelf, maar moet worden bijgebracht ..’ Om dan te stellen: ‘Niets werkt zo louterend als zelf betrokken te zijn, zelf deelnemer te zijn, zelf te worden aangesproken op wat wel of niet zou moeten.’ Hij concludeert dat populisme niet bestreden moet worden door ‘confrontatie, afwijzing en uitsluiting, maar ook daarmee waar mogelijk samenwerking te zoeken.’ De houding van Donner is die van een man die voorbij het grote verhaal is en de maat van kleine stappen kent.

Hirsch Ballin

Donner formuleert als de door de wol geverfde leraar die voor een moeilijke klas staat. Geef me maar tijd en ik weet ze wel op weg te krijgen. Je ziet het hem doen. Hirsch Ballin is meer de schooldirecteur in een ruige buurt die om zich heen kijkt en zich verzet tegen pogingen van de leerlingen om de school gaan overnemen. Wel of niet detectiepoortjes bij de ingang?

Populisten zien in zijn visie de gevestigde politieke structuren als een belemmering van ‘gewone mensen’. Populisten keren zich niet alleen tegen de ‘anderen’, maar tegen de instituties van de rechtsstaat. Hirsch Ballin onderschrijft het Program van Uitgangspunten van het CDA als het stelt dat een democratisch gekozen partij, die de beginselen van het staatsbestel aanvaardt, niet bij voorbaat mag worden uitgesloten van het dragen van regeringsverantwoordelijkheid. Hij vraagt zich echter af of er gronden zijn waarop een partij zich daarvoor toch diskwalificeert. Centraal staat voor hem het begrip ‘wederkerigheid’. Wil je in een democratisch bestel je rol kunnen spelen, dan moet je de regels van de rechtstaat erkennen. Pas dan kan een partij worden beschouwd als een dragende kracht voor de rechtsstaat. Ruim citerend uit het verkiezingsprogramma van de PVV, stelt hij dat er sprake is van een sterk vriend-vijand denken. Collectieve diskwalificatie van groepen – de immigranten, de ‘elites’- is daar een uitgesproken voorbeeld van, waarbij feiten kennelijk irrelevant zijn.

Hirsch Ballin stelt dat een democratie niet kan functioneren als zij gepaard gaat met de uitsluiting van bepaalde groepen van volwaardige participatie. Hij plaatst dit in een breder raamwerk van gebonden zijn aan het recht en het idee dat besluitvorming aan procedures is gebonden. Hij realiseert zich dat deze besluitvorming vaak geduld vraagt, maar ziet dat ook als een teken van respect voor diegenen die het recht hebben ook hun opvattingen naar voren te brengen. Dat is de operationalisering van het begrip wederkerigheid. Het meewegen van het gezichtspunt van de ander, en dus van iedere betrokkene, is een eis (mijn cursivering, PN) die geldt voor elke democratie. Aan het slot zegt hij dan: ‘Politici die zich van hun verantwoordelijkheid bewust zijn zullen dit ook aan Henk en Ingrid willen duidelijk maken.’

Ik zou niet graag in de schoenen van Henk en Ingrid willen staan als ze met Hirsch Ballin worden geconfronteerd – hier weersta ik de analogie van de schooldirecteur. Henk en Ingrid zijn geen namen voor pubers. Ik zou overigens ook niet graag in de schoenen van de politici willen staan bij deze verdediger van de rechtstaat.

Klink

Klink is de jongste van het drietal, maar is de enige die echt met een historische analyse komt. En wat voor één. Hij traceert de wortels van de huidige populistische beweging op grond van macro-economische bewegingen tot Paars II. Mooi beschrijft hij het onbegrip van de elite over het kennelijk ongenoegen van de bevolking in een tijd dat ‘zelfs de Economist’ Nederland de hemel in prijst. Maar: ‘wat lastig te duiden is, wordt al snel als irrationeel weggezet’. Na de Fortuyn-revolte is het besef dat het anders moet volop aanwezig en wordt een hervormingsagenda geformuleerd door de eerste kabinetten Balkenende. Zonder hervormingen zouden de verzorgingsstaat en de economie genadeloos vastlopen, met alle gevolgen van dien. Hervorming was dus nodig om zekerheid over behoud van inkomen en meer te behouden. Het probleem was natuurlijk dat de maatregelen die daarvoor nodig waren – verhoging AOW-leeftijd, aanpakken WAO – de onzekerheid zelf weer verder vergrootten. Via een ‘toerustingsagenda’ werd dat bijgebogen, inclusief een sociale zekerheid die voor de echt sociaal zwakken toereikend is. Klink maakt op dit punt een scherp onderscheid ‘met sommige voorlieden van het CDA’, die vinden dat ‘de overheid niet elk gat kan dichten en dat de samenleving op zichzelf moet zijn aangewezen.’ Of Klink die voorlieden voldoende recht doet is de vraag, maar als ik hem goed begrijp is de teneur van zijn verhaal dat we nu opnieuw voor de noodzaak van een grote sociale en economische hervorming staan, met de vergrijzing als katalysator. Dan kunnen we ons als middenpartij niet laten gijzelen door populistische partijen die inde kern niet hervormingsgezind zijn of open staan voor andere antwoorden. Bij die andere antwoorden betrekt hij ook de ‘gepercipieerde opkomst van de islam’ bij. Gepercipieerd, niet alleen omdat de getalsmatige groei van de islam bescheiden zou zijn, maar omdat het niet juist is de ontwikkeling binnen de islam op één hoop te gooien. Hij ziet de lelijke islam, maar er is ook een andere islam. Willen we die een kans geven dan mogen populistische stromingen die verbinding tussen islam en rechtstaat niet op slot gooien en is ook op dat vlak iets nodig, passend bij de hervormingsagenda.

Reflectie

Wat me bij het bovenstaande opvalt is dat ik de denklijn van Donner in een paar regels heb kunnen vangen zonder het gevoel te krijgen hem onrecht te doen en dat dit me bij Hirsch Ballin en Klink niet gelukt is. Waarbij het overigens heel knap is dat je bij Klink direct het gevoel krijgt dat hij per direct in staat is een nieuwe hervormingsagenda voor het strategisch beraad te formuleren.

Of je hem dat verhaal moet laten schrijven is de vraag overigens. Hij vergist zich als hij denkt dat de tegenstander het huidige kabinet is. Dat is de kiezer van morgen. Daarbij denk ik dat hij nog niet klaar is met het reflecteren op de periode Balkenende, in veel opzichten ook zijn periode.

Het verhaal van Hirsch Ballin geeft mij nog de meeste moeite. Het is het verhaal van een onverschrokken verdediger van de rechtsstaat. Ik voel me er klein bij als ik het lees. Maar het is te abstract; het verhaal van een andere wereld, een andere planeet bijna. ‘Gewone mensen denken zo niet’, hoor ik mijzelf denken, wetend dat ik hem tekort doe. Maar de wederkerigheid waar Hirsch Ballin over spreekt moet je ook voelen, moet je als terecht ervaren en niet als het mechanisme waarmee mensen zich buitengesloten voelen. Dat laatste is, terecht of onterecht, voor ontzettend veel mensen het geval en daar helpt geen honderd keer uitleggen aan. Als hij dan het woord ‘eis’ verbindt aan het principe dat anderen zich altijd moeten kunnen laten horen, krijg ik het benauwd. Er wordt een grenspaal in de grond geramd waar ik niet omheen kan of wil, maar waarvan ik weet dat het de zaken erger en niet beter zal maken. Want wat is de volgende stap?

Voordat ik daar op in ga, eerst nog mijn reflectie op Donner. Als procesdenker voel ik me zeker tot zijn benadering aangesproken, maar er zitten ook een paar evidente tekortkomingen in. Hij zal het zo zeker niet bedoelen, maar net als het verhaal van Hirsch Ballin is het een toch wel arrogant verhaal. Het is een verhaal dat van boven naar beneden is opgeschreven, zonder veel besef dat er een eigen bijdrage is geleverd aan een voedingsbodem voor het populisme. Daarbij is de raad om geduld te hebben weliswaar wijs, maar dan moet die tijd er wel zijn, of ten minste de indicatie van een soort tijdpad. Het meest verontrust ben ik nog door de gedachte dat we nu te maken hebben met een tovenaarsleerling die de leraar vol geduld aan het opvoeden is. Wie speelt er nu met wie welk spel? Politiek is voor mij een voortdurende emancipatiestrijd. Ik denk niet dat noch het CDA noch de VVD op dit moment een emancipatiebeweging vertegenwoordigen, Wilders kan daar wel enige claim op maken. Het verhaal van Donner zou er voor mij heel wat steviger op worden als hij laat zien welke beweging onze partij vertegenwoordigd, waarbij ik ook aan Klink’s kritiek denk op de agenda van dit kabinet. Let wel; ik ben er van overtuigd dat Donner niet voor de makkelijkste weg kiest door voor de lijn van meegaan en bijbuigen te kiezen. Het vraagt om duizend en één confrontaties en als iemand daar niet bang van is, dan is het Donner. Maar is het dan toch niet beter om de strijd echt aan te gaan en dan, net als Hirsch Ballin, met één duidelijk principieel standpunt duidelijk te markeren waar je staat?

Principes

Principiële standpunten laten zich vanuit hun aard niet relativeren. Ik wil het niet eens, want ik heb bewondering voor iedereen die naar principes leeft en handelt. Op mijn eigen manier probeer ik dat ook. En toch zal ik nooit zomaar iets principieel verklaren. Elk gesprek stopt nadat een principieel standpunt is verwoord. Met een proces van herbronning, hertaling, of hoe we het ook noemen, in het vooruitzicht, kunnen we het ons niet permitteren om stilzwijgend aan de stille strijd van onze prominenten voorbij te gaan. Dat is wel het risico dat doorschemert uit de drie verhalen. Waar sta ik dan? De drie laten me wel achter met een dilemma.

Ik heb ook zo mijn principiële standpunten. Eén daarvan is dat je luistert naar je kiezer, of die kiezer nu het grootste ongelijk heeft van de wereld of niet. Toen op 6 juni de uitslag binnenkwam, was dat voor mij niet alleen een boodschap aan Balkende en Van Heeswijk, maar aan de hele partij. De kiezer zei: je hebt je beurt gehad. Ik ervoer dat als pijnlijk, een ontkenning van goede intenties en echte resultaten, maar ook als bevrijdend. Kan je weer gaan bouwen. Ik heb er zin in. Al snel kwam er echter een tegenbeweging op gang, Die kwam neer op de stelling dat het CDA hopeloos is als oppositiepartij en dat haar ervaring harder nodig is dan ooit. Beide dingen kon ik niet ontkennen, maar ik vond en vind het principieel onjuist om er zo over te denken, ook en juist binnen de Nederlandse verhoudingen. En net zoals er niets praktischer is als een goede theorie, denk ik dat we een hoge prijs gaan betalen voor het negeren van dit principe. We hebben zoveel huiswerk te doen.

Trein

Maar goed, de trein vraagt niet de weg aan mijnheer Noordhoek en ik kom, net als alle andere leden, terecht in een uiterst lastige afweging over een gedoogconstructie. Waar trek je de streep? Alle elementen die de drie te berden brengen over het populisme waren toen ook aanwezig. Met name het lezen van het gedoogakkoord was pijnlijke lectuur. Het bevat dingen die tegenstrijdig zijn aan alles wat ik van mijn ouders heb meegekregen en waar ik in de loop van mijn leven voor ben gaan staan. Het raakte mij op principieel niveau. Het probleem was echter dat het niet bij één principieel punt bleef. Buiten deze tijden geldt dit evenzeer; maar heeft niet elke politieke afweging een principieel element in zich? En maken we die afwegingen niet dagelijks? Toewerkend naar 2 oktober kon ik de principiële discussies niet meer op één hand tellen en ook niet op twee. En naast al die niet te relativeren principiële punten kwamen allerlei praktische afwegingen. Wat is de prijs van geen kabinet? Wat gaat de economie doen, als .. ? Wat betekent dit voor de partij? Nou ja, zo heeft iedereen hebben geworsteld. Zelf heb ik uiteindelijk voor het gedoogakkoord gestemd. Dat heb ik gedaan vanuit mijn perceptie van het landsbelang, alles afwegend wat ik kon over de effecten op economie en samenleving en uiteindelijk menend dat het principiële punt van de vrijheid van godsdienst andere punten niet mocht overvleugelen. Het besef dat ik daarmee iets deed waarin ik het niet met mijzelf eens was, was zwaarder te hanteren dan het besef dat stemmen voor gedoogsteun in mijn perceptie tegen het belang van de partij ingaat. De kans dat we zwaar moeten betalen voor kabinetsdeelname schat ik nog steeds hoog in. Maar net als Donner wil ik niet versagen en steeds weer laten zien wat we werkelijk waard zijn en wat werkelijk de moeite waard is.

Bent u er nog?

Bent u er nog? Nog niet afgehaakt vanwege deja vu gevoelens? Waar brengt dit ons dan? Alle drie laten mij en de leden op een andere manier in de steek. Donner geeft te weinig perspectief en maakt je benieuwd naar waar zijn grenzen liggen. Hirsch Ballin eist zaken die niet te eisen zijn maar moeten worden verdiend. Klink komt met een ambitieuze hervormingsagenda en belast die nog verder met een verbinding van islam en rechtsstaat, zonder te overtuigen dat mensen beter toegerust aan deze agenda zullen beginnen dan bij vorige agenda’s.

Misschien zit de grootste fout wel bij mijzelf. Dat ik verwacht dat denkers als deze drie mij panklare oplossingen zouden kunnen bieden. Net zoals ik op 2 oktober mijn eigen afweging heb moeten maken, zal ik dat de komende maanden en jaren steeds opnieuw moeten doen – en daar is niets mis mee. Als ik mijzelf wel maar aan die ene beschavingsregel houd die door het verhaal van alle drie heengaat; het uitgangspunt dat je je verplaatst in de wereld van de ander en daar respect voor hebt. Zelfs of juist als dat populisten zijn.

Richting de drie is de boodschap ondertussen wel dat ze mij en de andere leden niet moeten blokkeren in die ontwikkeling. De aantrekkelijkheid van het CDA heeft voor een belangrijk deel steeds gelegen in het feit dat het tegenstellingen, ook van religieuze aard, steeds weet te overwinnen. Zelfs intellectuele tegenstellingen zouden overbrugbaar moeten zijn. Principiële bezwaren moeten gehoord en erkend worden, maar ze mogen die ontwikkeling niet blokkeren. En heren, blijf schrijven en inspireren.

Peter Noordhoek

www.northedge.nl

Bronnen:

Piet Hein Donner – De ware volkspartij zoekt naar gemeenschappelijke belangen.

Enst M.H. Hirsch Ballin – Henk, Ingrid en de rechtsstaat.

Ab Klink – Hervormingen zijn noodzakelijk om populisme in de toekomst niet opnieuw in de kaart te spelen.

Alle artikelen verschenen in: Govert Buijs, Pieter Jan Dijkman & Frank van den Heuvel (Red.) – Populisme in de Polder. CDV, lente 2011.

 

NB Dank aan degenen die per twitter en mail op mijn vorige bijdragen en de aankondiging van deze weblog hebben gereageerd. Ook al gebruik ik niet alles in directe zin, het wordt zeer gewaardeerd.


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: "De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard." Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek