Contact

Northedge B.V. 
Oosthaven 15-16 
2801 PC Gouda 
The Netherlands 
T 31 (0)182 684545 

www.northedge.nl 
Tw @PeterNoordhoek 

Archief

Peter

Meer dan maat-politiek: wat lessen uit de raadsverkiezingen 2018

Gouda, 21 maart 2018

In de aanloop van de raadsverkiezingen leefde onder zowel peilers als experts de verwachting dat de VVD de grootste landelijke partij geworden. Dat is net niet gebeurd (CDA 13,5 en VVD 13,3%). Deze blog spitst zich toe op die 0,2% verschil en op de gevolgen van het feit dat als we partijen als VVD en CDA bij elkaar optellen, ze al 5% achter blijven bij de 32,8% van de stemmen die naar lokale partijen gingen. Met andere woorden; laat iedereen de lokale partijen nu eindelijk eens serieus gaan nemen, in hun kracht en in hun zwakte. Zie de grotere ontwikkeling daarachter. En doe er concreet wat aan. Zelf kom ik al met een voorstel.

VVD: stille winnaar

De VVD kwam met haar lijsttrekker, Mark Rutte. Ondersteund door een mediabudget dat een veelvoud is van andere partijen, kwamen de partij met die ene persoon en in de kern één woord: doen. Deze sterke-troef-campagne maakte in de ogen van het ‘Politiek Panel’ van NRC, tot ‘stille winnaar’ van de verkiezingen: hij zit nu steviger in het zadel dan daarvoor. In de ogen van anderen was dit de campagne die de partij het op één na slechtste resultaat opleverde van de laatste halve eeuw. Zelf vond ik het de campagne van een tennisspeler die bij de baseline ballen op staat te vangen, met één oog op de tennis-banen naast hem. Bloedeloos knap.

CDA: de gorilla die niet gezien werd

Het CDA bleef de grootste, met uiteindelijk ook veruit de meeste raadszetels van alle partijen. Het is een uitslag met plussen (Eindhoven, maar ook mijn eigen Gouda, zie het plaatje), minnen (Rotterdam) en wilde stabiliteit (Den Haag). Per saldo was er voor de partij sprake van weinig verschuiving ten opzichte van 2014. Al met al een uitslag die kennelijk moeilijk te duiden is. Zowel voor- als na de raadsverkiezingen is er eigenlijk opmerkelijk weinig over de prestaties van het CDA gezegd en geschreven. Twee dagen voor de verkiezingen werd in NRC een media-analyse gepresenteerd over wie de meeste media-aandacht had gegenereerd. Op de social media na, haalde het CDA op alle kanalen de hoogste of bijna-hoogste aanwezigheid en toch werd in datzelfde artikel het CDA slechts terloops aangehaald.

Toch wel merkwaardig. Kent u die oefening waarin u wordt gevraagd goed op te letten en te tellen hoe vaak een bal heen en weer gaat tussen een groep mensen. En dat dan na afloop blijkt dat u de gorilla die dwars door het beeld liep niet hebt opgemerkt? Zoiets. Degene die de gorilla wel zag was Özcan Akyol bij DWDD. De dag na de verkiezingen zei hij in de nabeschouwing dat hem het CDA was opgevallen. Sommige partijen vinden zichzelf steeds opnieuw uit, maar bij deze partij zou er nauwelijks sprake van politieke vernieuwing zijn, op een tikkeltje naar rechts na. Ze zijn gewoon trouw gebleven aan zichzelf. Samengevat: een solide partij met een best goede uitslag. Waarna de discussie weer snel over andere partijen ging.

Rol van het landelijk

Akyol maakt een goed punt. Net als de Christen Unie heeft het CDA nauwelijks geleden onder regeringsdeelname. Maar dat is eerder een teken van de beperkte invloed van de landelijke politiek op de uitslag, dan een echte verklaring van het grote verschil in uitslagen. Voor een beter beeld moet dan ook naar het lokale beeld worden gekeken, juist door de grote verschillen die dan tevoorschijn komen. Kijk bijvoorbeeld naar het beeld van de 100.000+ gemeentes. Landelijk is er gemiddeld sprake van een minnetje van minder dan een half procent, maar de uitschieters gaan richting 50% in de plus en 30% in de min. Een manier om dat te verklaren is door het CDA serieus te beschouwen als eerder een lokale dan als een landelijke partij en dan vooral als het redelijk alternatief van de puur lokale partijen. Voor een groot deel praten we namelijk over dezelfde kiezers. Dan kunnen campagnes namelijk echt het verschil maken, naast uiteraard het oordeel over de partij in coalitie of oppositie. De rol van ‘het landelijke’ is dan niet onbetekenend, maar eerder randvoorwaardelijk. En dat ging dit keer prima. Na een valse start in januari – het advies over het aangaan van coalities met de PVV – is de campagne echt ten dienste gesteld aan de lokale campagnes, met het spotje over mijn fractie/jouw fractie als communicatief hoogtepunt. En omdat er geen Turkije crisis of zoiets aan de hand was en landelijke partijen en media zich bij de debatten verloren in zeurderige identiteitsdiscussies, creëerde dat als het ware ruimte voor de lokale afdelingen om gehoord te worden. Dan is het leuk campagnevoeren, kan ik uit de eerste hand vertellen. Hoe koud het ook was.

Naar een nieuwe Morele Meerderheid?

Dus het ging nog niet zo slecht. Toch blijft het spannend. De beweging van de kiezers is nog niet af en daar wil ik wat dieper dan wellicht gebruikelijk op in gaan.

In een voor mijn partij positief scenario, komt het midden weer terug. Voor mijn partij is er dan de opgave om een dikke plus te zetten op dat beeld van een solide partij waar je in spannende tijden op kunt bouwen. In dat scenario – en dat zie je nu ook al wel gebeuren – profiteren we dan van de bredere ploeg die er nu is en worden we dan ook bij landelijke verkiezingen veel meer zichtbaar dan we de laatste keer konden zijn. Wat ik dan oprecht hoop, is dat we dan leidend worden in wat Matthew Dowd in Amerika de ‘New Moral Majority’ noemt. Dat zijn juist niet Trump en zijn populistische aanhang, maar degenen die geloven in integriteit, diversiteit, een deugdelijke overheid, veiligheid en een rechtvaardige samenleving. Ook in Nederland zou zich zo’n Morele Meerderheid op kunnen bouwen en soms denk ik dat dit al aan het gebeuren is – maar liefst zonder landelijke politiek erbij. Een middenpartij als het CDA zou daar wel een drager voor moeten worden.

Van Janmaat naar maat-politiek

In een negatief scenario, worden wij samen met de andere middenpartijen verder vergruisd tot een deelpartij voor deelthema’s, heel erg persoonsgericht en nauwelijks ideologisch geladen. Ik zie dan een soort beweging van Janmaat naar maat-politiek voor me. Janmaat heeft, alweer bijna veertig jaar geleden de beweging richting een rechts populisme in gang gezet. Die beweging gaat nog steeds door – hoewel het woordgebruik wat ingewikkelder dreigt te worden – en heeft ook de andere partijen voor een deel meegenomen, inclusief de mijne. Ideologisch gezien gaat de wal het schip nu keren en zie je dat het fenomeen zich beperkt tot zo’n 20% van het electoraat. Maar er is iets anders aan de hand dat fundamenteler is en dat ook de voedingsbodem is voor veel lokale partijen (die met hun percentage van nu 32% daar dus fors boven zitten). De ontwikkeling gaat in de richting van ‘maat-politiek’: de moderne kiezer wil zijn politiek precies op zijn of haar maat en anders stemt hij tegen. Rosanne Hertzberger koppelde dit fenomeen dit weekend aan de milennials, maar dat is mij net te makkelijk. Als kiezer vertonen we allemaal hetzelfde gedrag dat we als kopers op het internet vertonen: we willen uit een breed aanbod kunnen kiezen wat elk van ons past en als het niet goed is zenden we het terug waar het vandaan komt. Dat is best een probleem, want in de moderne politiek past niets in een keer en kan je ook niets terugsturen. In die constellatie hebben lokale partijen, vooral als ze nieuw zijn, een duidelijk voordeel. Geen Morele Meerderheid, maar een Makkelijke Meerderheid, waarbij je als kiezer zonder de pijn van een verbroken loyaliteit je stem de ene keer op de ene en dan weer op de andere lokale partij geven. Of wegblijven.

Volwassen lokale partijen

Ik weet nog niet of de Morele Meerderheid dan wel de makkelijke Meerderheid leidend wordt, maar één ding weet ik wel: lokale partijen bepalen nu voor een groot deel de landelijke politiek en zullen dat voor de voorzienbare termijn blijven doen. Daar moet beter over worden nagedacht dan tot nu toe is gedaan. Nog steeds proef ik teveel bij ‘oude’ partijen de sfeer van ‘dat zijn afsplitsingen van ons, van mensen die het bij ons niet meer redden’. Dat kan nog steeds voorkomen, maar wie alleen zo kijkt, ziet niet dat veel lokale partijen volwassen zijn geworden, met leden – ook jonge – die direct bij lokale partijen zijn binnengekomen en nooit een ander soort partij hebben meegemaakt. Was het in het verleden zo dat lokale partijen opkwamen en weer verdwenen, samen met de oprichters, nu zal je steeds meer (jong) volwassen partijen krijgen, die ook nog eens zo groot kunnen zijn dat ze de afdelingen van ‘oude’ partijen in de schaduw stellen, zoals Leefbaar in Rotterdam zowel eerder de PvdA en nu de PVV in de schaduw stelt. Maar het blijft kwetsbaar: in mijn gemeente Gouda kachelde de lokale partij achteruit, niet in het minst door eigen toedoen.

Een collectief probleem

Wie alleen naar andere (lokale) partijen kijkt als concurrenten waarmee je maar een ding doet – verslaan! – kan hier weinig met die partijen. Wie even verder kijkt, vermoedt dat met de lieve kiezers van nu, we in een situatie terecht komen van oude partijen die om de haverklap in een doos worden gepropt om weer naar Den Haag terug te worden gestuurd en lokale partijen wel even leuk vinden, maar echt niet veel langer dan vier jaar. Dit is een collectief probleem voor ons democratisch systeem. En daarom kunnen we de lokale partijen niet aan de lokale partijen overlaten.

Na de grote woorden over Meerderheden, heb ik daarom nu een klein pragmatisch voorstel. Dat gaat niet over de politieke inhoud. Elke partij moet die zelf maken. Dat gaat wel over de vraag welke eisen je mag stellen aan een moderne partij wil deze de onvermijdelijke problemen kunnen overkomen. Lokale politiek is, zoals de Raad voor het Openbaar Bestuur heeft gesteld, ‘Niet alleen een ambt, ook een ambacht’. Denk aan een goed integriteitsbeleid, inclusief mogelijkheden voor bemiddeling en tuchtrecht. Denk aan HRM-faciliteiten zoals opleidingen of aan een professionele administratie, AVG-proof en met accountant. Dat moet er allemaal zijn. Het wordt tijd om daar nu werk van te gaan maken, maar dan wel op een wat andere manier dan tot nu toe voorzien. Echter, vanuit mijn oude contacten met lokale partijen weet ik dat samenwerking tussen die partijen in de praktijk een drama is en blijft. Om die reden zou ik voor willen stellen dat de landelijke partijen, het CDA voorop, elk een facilitaire organisatie gaan inrichten waar lokale partijen zich bij kunnen aansluiten. Niet meer, maar ook niet minder. Aansluiten bij een partij met een per saldo goede reputatie als het om integriteit en bestuurlijk vermogen gaat, betekent dan voldoen aan de integriteitseisen van die partij, veel trainen en de tijdige blik van een accountant. Daar tegenover staat dan een kwaliteitsgarantie en een groter lerend vermogen. Iedereen kan er beter van worden. Alleen: geen inhoudelijke aansturing, geen merkverbinding en geen toegang tot de organen van de landelijke partij en vol de concurrentie in, zeker als het campagnetijd is. Per saldo wel een constructie waarbij je als kiezer, welke spaanders er ook door de lucht vliegen, weet dat het ook zonder onnodige schandalen en gedoe kan. CDA: wacht niet tot de andere partijen zover zijn, ga zo’n faciliteit aanbieden.

Er start weer een nieuwe raadsperiode. Dat is goed, maar toch: laten we niet teveel op de oude voet doorgaan.

Peter Noordhoek

Bronnen:

DWDD – Terugblik raadsverkiezingen. DWDD 22-3-2018, vanaf 6:49

Reinier Kist, VVD en D66 winnen de race om de media-aandacht. NRC 19-3-2018

Matthew Dowd, tweet, 25-3-2018

Rosanne Hertzberger, Bij de geringste twijfel stem je tegen. NRC 24-3-2018

Raad voor het Openbaar Bestuur, ‘Niet alleen een ambt, ook een ambacht’. ROB, 1-11-2016

Peer Review op inductieve wijze

 

Met enige regelmaat begint een sector, branche of beroepsorganisatie met ‘intercollegiale toetsing’, ook wel peer review genoemd. Het is zo’n term waarvan iedereen met een beroepsachtergrond na wat nadenken zegt, ‘ik snap het: collega’s die bij elkaar langskomen.’ Dat is de start, inderdaad. Maar daarna slaat de verwarring toe. Want wat komen die collega’s doen? Controleren, coachen, of iets anders? Is het een vorm van certificering of juist niet? Hier worden kort wat ontwikkelingen rondom peer review op een rij gezet en wordt ook een standpunt ingenomen: peer review moet zich verder ontwikkelen van een deductieve naar een meer inductieve benadering. En zeker verder gaan dan een expert benadering. Hoe zegt u? Lees maar.

Van collegiaal model naar expert model

Peer review is een reactie op een reactie*. Lange tijd was het de gewoonte dat er binnen sectoren en verenigingen beroepsgenoten elkaar in het oog hielden. Als het nodig was gingen dan een of meer collega’s namens de vereniging bij het lid op bezoek dat wel eens de grenzen zou kunnen hebben overtreden. Meer sociale controle eigenlijk, dan een objectieve vaststelling van overtredingen. Door globalisering en de opkomst van het managementdenken was dat al snel niet toereikend meer. Private regulering, geïnspireerd door (delen van het) kwaliteitsdenken leidde tot een dominantie van certificeringsschema’s, inclusief een professionalisering van de manier waarop dat getoetst werd. We noemen dat nu de ‘auditexplosie’, maar dat klinkt te negatief: een stevige beoordeling van producten en diensten is op zich van groot economische belang. Het is dan ook logische dat het auditeren zelf onderwerp is geworden van normstelling. Bekend is de ISO 17000 norm voor ‘conformiteitsbeoordeling’, maar de wijze van auditeren en certificeren zit in veel meer normen verwerkt en in sectornomen zoals de International Professional Practices Framework (IPPF) voor onderzoeken die in het kader van de accountants- en controllersfunctie worden gedaan. Het opmerkelijke is dat ook in de sectoren waarin om statusredenen peer review eigenlijk de enige optie is – de medische en wetenschappelijke wereld – de objectivering via protocollering verder is doorontwikkeld dan waar ook. Feitelijk is daarmee het ‘expert’ model het ‘collegiale’ model gaan overvleugelen.

Twee reacties

Maar er moest natuurlijk een reactie op komen. Twee zelfs. De eerste reactie was heel verheven, de tweede pragmatisch. De eerste reactie kennen we als het INK-model (EFQM voor de Europeanen). Het nadeel van certificeringsschema’s is de vaak eenzijdige focus op het productieproces, of in he geval van keurmerken, op de producteisen. We moesten leren dat de ‘totale kwaliteit’ om veel meer gaat. Het moet leiden tot een integrale blik op zaken die vaak moeizaam meetbaar zijn, zoals leiderschap. Om dat te beoordelen, werd een scoremethodiek ontwikkeld die bewust ‘intersubjectief’ van aard zou zijn. Gemengde teams van experts en collega’s geven dan als juryleden een score. Geoefende juryleden kunnen in hun oordeel zeer dicht bij elkaar komen (tot 5 punten op een schaal van 1000).

Verandering in schaalgrootte

Toch wordt deze wijze van beoordelen niet zo vaak meer toegepast. Op zich is dat jammer, maar om verschillende redenen wel verklaarbaar. Een van de minder genoemde redenen is een hele fundamentele: er is door de globalisering een tweedeling in de schaalgrootte van bedrijven en instellingen gekomen: in veel beroepsgroepen is er een verdeling gekomen tussen een paar grote en complexe leden en vele, vele kleinere bedrijven of zelfstandigen. Het aantal leden kan daardoor groeien, maar omdat in de praktijk de vertegenwoordigers van middelgrote leden vaak de vereniging trekken, is de spankracht feitelijk verminderd. Een vereniging besturen is altijd al een evenwichtsact geweest en dat is nu nog ingewikkelder geworden. Als daar dan nog eens een crisis overheen komt die niet alleen geldgebrek met zich meebrengt maar ook een toename aan incidenten die de media halen, ja, dan zijn de rapen gaar. Het alternatief van meer overheidstoezicht is zelden aantrekkelijk. Je kan er een mooi verhaal over houden, maar eigenlijk is dan de enige optie die van peer review. Er zijn meerdere varianten mogelijk, maar de meest logische is de variant waarbij elk lid dan gedurende een dag wordt bezocht door een ander lid. Hoogstens wordt een groter team geformeerd bij de grotere leden. En als dat het idee is, dan komen we nu uit bij het onderscheid tussen deductief en inductief.

Deductief peer review

Bij elke nieuwe keuze voor een sector- of branchebrede aanpak zou je zeggen: doordenk die even goed. Wat heb je nu echt nodig? In werkelijkheid is daar zelden ruimte voor en wordt gekozen voor bestaande modellen. In de praktijk gaan die uit van een deductieve aanpak: er zijn normen en regels die samen de ‘dominante theorie’ vormen en worden toegepast op de praktijk van de leden. Bij conformiteit volgt een positief oordeel (keurmerk, certificaat, prijs), bij non-conformiteit niet. In deze benadering is kennis van de ‘dominante theorie’ leidend. Bij de ‘peers’ wordt kennis van de praktijk van de collega’s bekend veronderstelt (scheelt weer in training). In de kern is het ‘expert’ model weer leidend: audits worden geacht binnen de kaders die de theorie aangeeft plaats te vinden. Kalibratie van oordelen is moeilijk, maar zeker niet onmogelijk. De uitkomsten ervan zouden door de buitenwereld beschouwd moeten kunnen worden als ‘valide’. Dat is belangrijk, want in de kern ligt de meerwaarde in de validering naar de buitenwereld toe: ‘Kijk, ook volgens de (wettelijke) normen zijn wij te vertrouwen’.

Het gedonder met deductief peer review

Helaas, er blijken toch de nodige nadelen aan het deductieve model verbonden te zijn. Of anders gezegd: de voordelen zijn niet groot genoeg. Ten opzichte van overheidstoezicht en expert toezicht is de legitimerende kracht uiteindelijk genoeg: er blijft toch snel de geur aan hangen van ‘de slager die zijn eigen vlees keurt’.

De deductieve benadering is misschien nog wel het meest problematisch voor de leden. De dominante theorie is er een van regels en procedures. Peer review wordt daarmee doorgaans de laatste in een lange reeks van andere toetsingen te staan, allen gericht op de handhaving van regels en procedures. Meer ‘bureaucratie’ is dan het begrijpelijk verwijt. De oplossing: de peer review een meer coachende doelstelling meegeven: het gaat om het ‘verbeteren’ of het ‘waarderen’, niet om het ‘controleren’. Ze hebben een punt. Maar er zijn genoeg leden die vinden dat er juist te weinig wordt gecontroleerd en dat bijvoorbeeld het intern tuchtrecht te weinig betekent als het gaat om het verwijderen van de ‘rotte appels en peren’. En ook zij hebben een punt, al was het maar omdat juist al die al bestaande vormen van toezicht het de leden makkelijk heeft gemaakt om tot een soort onderlinge non-interventie te komen: de vereniging moet zorgen voor de discipline. ‘Ten slotte’, zegt het lid, ‘ik ben goed bezig, maar vereniging – kijk eens, mijn collega niet. Er harder op graag.’ Het paradoxale effect kan zijn dat de leden elkaar (nog) minder direct gaan aanspreken op het gedrag.

En zo, komt de vereniging, voor je het weet, vast te zitten met haar deductieve benadering tussen de coachende en controlerende benadering. Is er een alternatief?

Van deductief naar meer inductief

Bij een inductieve benadering wordt er gestart bij de waarnemingen. Deze leiden vervolgens naar een, al dan niet dominante, theorie. Vertaalt naar een audit in het kader van peer review, zou dan de situatie van het lid en diens bedrijf of organisatie leidend zijn voor het oordeel. Dus in de rugzak van de auditor(s) zitten geen normen of regels. Als er al gelet wordt op normen en regels, dan die zoals die worden gehanteerd door het lid zelf. Belangrijker zou dan kunnen zijn wat het lid van zichzelf en de vereniging verwacht. Een oordeel? Dat is iets waar auditor en lid wellicht samen toe komen.

Dat is nogal een conceptuele sprong. Laat ik daar maar duidelijk over zijn: een volledig inductieve benadering zie ik in het kader van peer review nog niet direct gebeuren. Wellicht wel in het kader van intervisie, maar dat is een ander verhaal, waarin de verhoudingen anders zijn.

Wat ik wel, ook in de praktijk, zie gebeuren, is een soort ‘conditioneel’ inductieve benadering, waarbij de audittee, het lid dat bezoek krijgt van de collega, op voorhand een zeker krediet krijgt en waarbij er bewust gebruik wordt gemaakt van het eerste oordeel dat de auditor/collega heeft van de opstelling en werkwijze van een lid. Er is een basis beschikbaar op grond waarvan normatief kan worden geoordeeld en zowel interne regelgeving als regelgeving vanuit de overheid zijn gewoon van toepassing, maar deze basis (dat kan bijvoorbeeld een afgelegde eed of gelofte zijn) wordt alleen ingezet als dat nodig is. Het helpt ook als de auditor/collega zich voorafgaand aan een audit al een beeld kan vormen van dat lid via openbare en/of voor leden beschikbare informatie o ver de activiteiten van dat lid. Maar het belangrijkste is wellicht nog de feitelijke start van de audit, het welkom.

Drie manieren van binnen komen

Hier worden drie manieren van binnenkomen geschetst en zoals de lezer zal begrijpen lopen die van meer inductief naar meer deductief.

– maximaal inductief

De eerste manier van binnenkomen is die waarbij er sprake is van een prima welkom tussen de collega’s. Al snel begint het gesprek, al snel is er een uitwisseling van ervaringen. Dus de herkenning: wij zijn collega’s. Daarbij merkt de collega/auditor al snel dat dit een kantoor is dat overwegend haar zaken op orde heeft: het lid/de audittee is, om het zo maar eens te zeggen, ‘bewust bekwaam’ en heeft een duidelijke visie op waar deze naar toe wil. Elke toekomstvisie houdt keuzes in, dus dat worden de dilemma’s waar in de audit op aangesloten kan worden. Het gaat minder over de te controleren elementen. Dat wordt overigens wel degelijk gedaan na het startgesprek, maar de scope daarvan kan beperkter zijn en meer gericht op de dilemma’s van het lid. In het slotgesprek moet de collega/auditor echt aan de bak om een goede sparringpartner voor het lid te zijn, ondertussen niet vergetend ook de mindere zaken te benoemen. Toch; het blijft niet steken in de details. Het lid/de audittee heeft na afloop het beeld dat hij zijn toekomstvisie goed heeft kunnen aanscherpen. De collega/de auditor heeft het beeld dat hij zelf veel heeft geleerd. Beiden hebben het gevoel primair met een gewaardeerd collega te hebben gesproken en pas secundair met een auditor/audittee te maken hebben gehad.

– zo inductief mogelijk

De tweede manier van binnenkomen is meer onderzoekend. Vooraf heeft de auditor/collega onderzoek gedaan naar het publieke beeld van het lid en bij de start wordt dat naar de audittee/collega toe gespiegeld met de vraag: ‘wat is jouw verhaal bij deze informatie?’ Dat kan vervolgens leiden tot een vruchtbaar gesprek over de toekomst van de audittee/het lid, maar duidelijk is dat deze eerder reactief in zijn omgeving zit dan met een expliciete koers. Dat mag uiteraard, maar dat betekent wel dat de auditor relatief iets meer tijd zal besteden aan het feitenonderzoek. De kans dat er zaken worden aangetroffen die niet bij eigen of externe regelgeving passen is groter. Ook dit deel hoeft niet alleen maar controlerend te verlopen (collegiale tips kunnen best), maar het is wel eerder constaterend dan coachend. Voordat na het onderzoek tot een slotgesprek wordt overgegaan, moet de auditor/collega een weging maken, zeker als er sprake is van meerdere tekortkomingen. Is dit incidenteel of structureel? Kan de audittee/het lid snel herstellen of is het daar teveel voor. In het slotgesprek geeft de auditor/collega de bevindingen terug, er daarbij voor wakend dat het een echt gesprek tussen collega’s blijft. In dat gesprek kan in beginsel alles aan de orde komen dat helderheid kan geven aan de audittee/het lid over de eigen toekomst en wat hem of haar concreet te doen staat om op een hoger niveau te komen.

Aan het einde van de audit heeft de auditor/collega het gevoel dat hij een collega heeft kunnen helpen met het leggen van een steviger fundament onder zijn of haar werkwijze, inclusief wat vingerwijzingen voor de toekomst. De audittee/het lid heeft heel veel om over na te denken, maar omdat de benadering eerder meedenkend dan oordelend is geweest, kan hij of zij vrede hebben met een afloop die extra werk met zich meebrengt. Misschien beseft hij of zij het niet, maar het is belangrijk dat de eenzaamheid even is doorbroken. Beiden hebben het gevoel dat dit een audit was die alleen maar in het vertrouwde verenigingsverband zo kan gebeuren en dat voelt goed.

– deductief

De derde manier van (niet) binnenkomen, is als duidelijk wordt dat er of sprake is van uitgesproken weerstand of van lid dat de eigen zaken duidelijk niet onder controle heeft.
Bij weerstand gaat de auditorrol domineren. Na uiteraard eerst geprobeerd te hebben die weerstand te doorbreken, wordt de aanpak verder deductief. Bij nader onderzoek wordt de basis aan regelgeving aangeboord en worden waar nodig constateringen gedaan. Bij extreme weerstand wordt de audit eerder afgebroken dan tot een eventuele heraudit gekomen. Snel ingrijpen is dan het meest belangrijk.

Ook de situatie van volledig falen komt voor. Ook dan heeft het geen zin om alle details langs te lopen. In deze situatie kan wel de collegiale verhouding weer erg belangrijk worden. Is er een hulpvraag? Zo ja, dan gaat op aangeven van de auditor de vereniging als het kan in actie komen. Belangrijk is daarbij de vraag: kan het lid niet, of wil het lid niet. In dat laatste geval heeft de auditor een rotte appel te pakken en moet er een signaal naar de vereniging gaan. In het geval van niet kunnen, is het logisch dat de vereniging om het lid heen gaat staan en gaat helpen.

Meer dan een expert

Zo ziet er voor mij de overgang van inductief naar deductief er uit. Je begint als het even kan als collega en wordt alleen die strenge auditor als dat niet anders kan. Er valt nog veel meer over te zeggen: hoe hou je het zuiver? (voor zover na te gaan, niet moeilijker dan bij expert audits) Kan je nog kalibreren? (ja) Heeft het voldoende effect? (aantoonbaar ja, vooral in combinatie met een beperkte mate van verticaal toezicht). Hier wil ik het laten bij nog een laatste reflectie op het karakter van die collega/auditor, de ‘peer’. Daarin neem ik ook stelling. Ik vind namelijk dat een ‘peer’ aanmerkelijk verder kan en moet gaan dan een expert. De expert moet namelijk binnen het meegegeven kader blijven, de ‘peer’ heeft de vrijheid om daarbuiten te treden. Daarin ligt ook in belangrijke mate diens meerwaarde. Zeker bij de kleine organisaties waar we het vandaag de dag over hebben – de kleine en eenmanskantoren – loopt vaak alles door elkaar: het zakelijke en het persoonlijke, de buitenwereld en de binnenwereld. Naar buiten toe doet men zich daarbij vaak groter voor dan men is. Zoals al even gememoreerd: er is veel eenzaamheid onder de concullega’s. Simpele kwesties als een zieke secretaresse kunnen. De continuïteit voor het lid direct bedreigen. De collega/auditor moet daar niet naar opzoek gaan, maar hij of zij moet het ook niet uit de weg gaan: daar ben je collega’s voor. Je herkent elkaars problemen, dus mag je het erover hebben. In trainingen merk ik dat de expertrol voor een auditor vaak veiliger voelt dan de rol van collega. Dat is meer dan jammer; het is een gemiste kans. Als trainer ga ik daarover de discussie aan en bij de coaching van audits let ik er ook altijd op of de auditor de veiligheid van de regelgeving durft te verlaten voor meer essentiële gespreksstof. Concepties vooraf van een audit als ‘coachend’ of ‘controlerend’ vind ik dan alleen maar lastig, want ze veronderstellen een superieure positie. Een positie die er binnen collegiale verhoudingen juist niet hoort te zijn. Peer review is peer review als het een ontmoeting tussen peers wordt – en dan is het goud waard.

Peter Noordhoek

 

* De Britse term ‘peer review’ krijgt hier de voorkeur boven het Nederlandstalige ‘intercollegiale toetsing’ om twee redenen. De eerste is dat kwaliteitstoetsing steeds meer een internationaal karakter heeft gekregen. De tweede is dat het woord ‘toetsing’ onvoldoende de lading dekt van wat zou moeten worden beoogd en ‘review’ neutraler is.

From Cold War to Cold Walls

Former and future assumptions behind the nuclear threat

Spy swaps and new nuclear threats bring the idea of a new Cold War back in the headlines. Though it is not the right analogy for our times, it is time to rethink the nature of the Cold War and see what it may tell us for what is coming.

Here 5 historical periods are described, leading from the ‘classic’ cold war to what is called the ‘hot walls’ period. In each period four elements come into focus: 1) the attitude towards nuclear weapons, 2) migration and our wish to build walls, 3) the atmosphere of a time in terms of ideology and religion, and 4) the ascent of the digital domain. Libraries can be filled with all this, and though I try to be brief and hit the essentials, this is one of my longer blogs to date. The reason for that is to show a pattern and to convince the reader that the flow of history can in some ways be predicted, as action begets reaction. I write this, knowing as they say, that history repeats itself, but never in the same way. There will be no Cold War. In fact, it looks likely that there will never be a classic war again, hot or cold. This text more about the opening up and closing of societies and the risks that both entail. It seems that we are in a phase of closing now, with wall being raised. As these walls will be challenged and hotly debated, I venture to call the period in which we now start to live in, the period of the ‘Hot Walls’.

Here we go.

Classic Cold War: 1945-1962

The end of the Second World War brought peace and freedom in much of the world, but also the coming together of two completely new developments. The first was the presence of Russia far into middle Europe, a geographic position it wanted to hold on to. The second was the first use of nuclear weapons against Japan by the USA. It beat both the Germans and the Russians in the race to develop the bomb, but it did invite the latter into a rocket building competition that would lead straight into space. It was a matter of time before they put bombs instead of monkeys on top of them. This development scared many, including many of the post-war leaders. Already in (1947) it led to the theory of ‘containment’ (after George Kennan’s ‘Theory X’). Even so, it must be remembered that in these first years the use of nuclear force was not a taboo to many generals and politicians. It was only after the death of Stalin and the stalemate in Korea, that something of a stand-off on the nuclear front arose, with in the background many of the classic Cold War espionage antics we see return in our time.

Then there is a second development to consider. The post-WWII years were also years of heavy migration, not only in Europe, but also in Asia. Millions of people were on the move, far more than now. Most of it was a kind of backwards migration, bringing people back to into the fold of their nation (even decolonization and the birth of the state of Israel can be seen as such). In the end the political goal was simply to end this migration. In the East they were very crude about it, and the wall in Berlin and the one dividing the Koreas became the true symbols of this stand-still.

And finally, there is a third element to consider. Nations and continents were run from the top downwards. The Cold War was in many ways a real but distant threat; managed by the elite, imagined by fearful people with few facts at their disposal. They lived in an age of ideological and religious orthodoxies, supported by strict social control. It was a time of standing up for your nation, religion and ideology.

Those three developments of stand-off, stand-still and stand-up turned into two dominant coalitions of nation states and a cold war that was as logical to the people as the real war had been.

Nuclear Cold War: 1962-1989

The Cuba crisis literally led to a standstill of ships just before the island of Fidel Castro. It made both the West and East feel the madness of ‘Mutually Assured Destruction’ by nuclear arms. The development of nuclear weapons did not stop, but the proliferation of the weapons did, more or less. Actions of war limited themselves to relatively compact theatres far from the West, as the so-called ‘domino-theory’ also created a sort of stand-still for conventional arms. Even so there were a number of theatres of war that never seemed to stop festering: in the Middle East and in some Far Eastern countries.

Nothing lasts. In hindsight, the days of the Cuban crisis not only represented the height of the classic Cold War, but also the beginning of the end of it. President Kennedy committed the USA to action in Vietnam, starting a war it could never win, and also creating a cultural call to action for the new baby boom generation. Poor president Johnson, poor president Nixon.

Underneath lies a very peculiar question: how to deal with a nuclear balance of power? There are two ways to go about it, and both are at heart non-ideological: either you try to maintain that balance in the shape of some real political formula, or you try to mitigate that balance by creating more trust between the antagonists. In both cases it is hard work – and the reward is not visible. The greatest victory of the post-war generation lies in the way they averted a nuclear war by accepting there was no way to ‘win’ it. Their victory: nothing happened. The problem with a victory in which nothing happens, is that there is no prove that your balance of power approach worked in the first place, and meanwhile you have these bombs hanging over everybody’s head.

Two things happened to further undermine the credibility of the elite in both West and East. The first is geographic in nature. Conflicts in the Middle East and Northern Ireland escalated and got a terrorist dimension, unbalancing Europe. For the US, the Vietnam War became a lost cause, symbolizing loss, also on the economic front. Russia could not trust its satellite states. Mao started a cultural revolution to hold on to power. The first stirrings of globalization should have led to a movement of people, but it hardly happened. All developments that were asking for a reaction later on.

The second thing that happened was the cultural ‘thing’. Deep divisions opened between generations. Both the surge to the left by the younger generation and the reaction to it by the ‘silent majority’ broke the cosy ideological and religious post-war consensus. The times were a-changing indeed and the nuclear balance had to change with it.

The real change to that balance came from the right. Ronald Reagan unbalanced the balance of power both with new weapons and the announcement of a ‘shield’. And the response? The balance of power crumbled. Was it just Russian weakness, or a vindication of those who never believed in the rationale behind that balance in the first place? Who can tell, but the first is more logical. Anyhow, the Wall in Berlin came down. We all saw it real-time on TV and wrote our stories and feelings about it on this new machine: the computer.

Years of Prosperity: 1989 – 2001

We can remember from these recent years or prosperity roughly twelve years of freedom, bringing the rewards of the digital age, distributed broadly through the benefits of globalisation. Russia shrank and stopped being a partner in the balance of power. China shook and started to adapt. In ideological and religious terms, you might call this a decade of liberal and secular victory, but really it was most of all a belief in quality and effectiveness and other non-ideological and secular concepts. New wealth brought migration waves, but they were mostly experienced as the benevolent version of the post-war migration waves. It brought more cultures together than ever before, in the fold of on the whole tolerant societies.

The nuclear threat was actually still there, with hardly any nuclear warheads dismantled, but it disappeared from the political agenda, a drifting standstill in one, more or less connected block of (would be) NATO countries.

In this atmosphere of private wealth and public peace – always relative of course; it did not touch everyone – new institutions and businesses were being built and started to thrive, including the businesses of the ‘New Digital Economy’. Institutions speed up their development, including the collection of nation states that started to call itself the European Union, breaking down both financial (Euro) and geographic walls (expansion of that same EU).

Meanwhile everything gets connected through the internet. It feels like we can now know everything about everybody, so why not rearrange ourselves into one big yuppie community? Each of us can also know as much about our nuclear capacity as only government leaders could know in the cold war days, but hey, who wants to know about all that old stuff?

The populist period: 2001-2016

9-11 changed much. When the two towers came tumbling down, it was not another movie. It was unreal real. It also served to make visible a larger trend that was already shaping events everywhere and led to a ‘return of ideology’ far removed from the liberal non-ideology. No nuclear balance of power applies to a situation where hijacked planes crash into skyscrapers (though be sure there were tense moments between the US and Russia immediately after the event), so a conventional was fought first against Al Qaida in Afghanistan and soon against Saddam Hussein’s Iraq. In hindsight we can say that the conventional war was won, but in most other respects it was a disastrous repeat of earlier American classical warfare. Even though weapons may have become ever better, both in the sense of accuracy and raw power (with some bombs in tonnage stronger than the first Atom bomb), their impact rekindled an anti-Americanism not felt since the height of Cold War days.

One of the negative side effects was that for their facilities the Americans were ever more bound to Saudi Arabia and other Arabic states, in the very same period that these very closed countries were increasing their funding to those who were vulnerable to fundamentalist. One result was fear, brought home in the West through terrorism, creating absolutism in the East. The Arab Spring of 2011 did not stand a chance against it (though we should not forget the very real longing for freedom and democracy that is there still).

Another side effect that would have severe impact on the West was an increase in migration, caused by both war, oppression and simple economic motivations. Adding these numbers to earlier increase in the number of non-western migrants. Add to this – at least as impactful – the influx of cheap low skilled workers from the new member states in the EU, and the whole political system of Western countries started to bend and sometimes break. It may not have happened with such force if this new and very visible wave of migrants had not come at a time when the economy took an enormous and long dive downwards. It changed the perception of too many people who a little earlier felt fine within their bubble, perhaps in communities with no migrants at least as much as where there were many. And this time the feelings of loss and fear could be freely shared unchecked with everybody on social media.

But maybe perceptions would have changed anyhow, as the end of the Cold War left an ideological vacuum that religion or traditional party lines could no longer fill. A man like Kissinger wrote and writes a lot about the tension between realism and idealism, but probably he mistook how much the thinking about the nuclear balance of power dominated the ideological debate. When that fell away, there was for a time no true ideology to take its place, not even liberalism. But inevitably, that would change, and this was the time it would change – into the mirror image of the cultural wars of the sixties and seventies.

In my own country, Bolkestein, the leader of the main liberal party, the VVD, and someone who had spent most of his years outside the Netherlands, introduced an outlook that was more conservative than liberal. Conservatism was a stream of thinking (especially the Ayn Rand version) that until then had hardly any adherents during the Cold War, not even through the cultural wars of the sixties and seventies. Now it took hold, especially after two other developments came about. One was that – with again Bolkestein as the first to do so – the link of conservatism with the rejection of migration was made, especially that from Muslim countries. The second was that Bolkestein led the way for a string of populists that left the fold of traditional parties. From Fortuyn to Wilders, to now Baudet; by going against convention these populists could claim a following of 15-20% of the electorate. Even more important may be their influence on the main stream parties: they felt obliged to tack either more to the right and to the left, leaving the middle as no more than the political space where the compromises had to be made.

What goes for the Netherlands, also holds more or less for other countries. In a country like Austria, conservatism has always been strong, but checked by Christian-democratic forces. Now these forces were weakening, together with their religious base.

Traditional socialism took a beating too, though from time to time, like in France, it still could shine as a sort of counter movement. But in most countries, too many low earning people changed adherence from traditional to populist parties to keep socialism alive as a political force. All-in-all, the strength of the conservative-populist movements is a sign of the lack of a real connecting stories or ideologies, or simply of the lack of a common enemy. Good administration and an effective execution of government policy are just not enough. Yet, how to do so, when in daily life there is much to deal with – and much of it is beyond the capabilities of a single nation state, especially when it comes to migration? Like it or not, we now live in an age of continents, not of nations. And this ‘balance of continents’ will determine how we deal with the ‘balance of ballistics’ and so much more. America, Asia and Europe are now the dominant forces. Russia is behaving like a separate continent too, but it is doubtful whether post-Putin this can be maintained any longer than this post-Brezhnev could. For now, and the coming years however, we do live in a time of block-restoration on a continental base, with two in Europe, of which its main symbol is this: walls.

The years of Cold Walls: 2016-2020?

There is a wall-race going on. Already physical walls have gone up in Israel, Hungary and Turkey. High fences can be already be found in more than 70 places (by May 2017, compared to about 12 when the Berlin Wall fell*) and can be found from Gibraltar to Calais, not to mention the fences surrounding G20 conferences and other. But the real increase of walls can be found on the internet. Of course, we want to deter the vast quantity of viruses, malware and hoaxes that have come our way since the nineties, leading us to adapt passwords and install all kind of warning- and back-up programs. But we are getting to a different, more qualitative and strategic level now, creating ‘Cold Walls’ that are means and end in a struggle for ‘sovereignty in our own circle’, to borrow a phrase from old Mr. Kuyper, founder of the ‘Anti-Revolutionary Party’ in the late 19th century.

The American election of 2016 will probably be the historical fault line here. It is highly unlikely that Russian interference was truly decisive in deciding the election in favour of Trump, but the fact that they even considered trying it is way beyond what any nation should do. On top of that we now have a presidency that is destabilising in its unpredictability and choice of force above diplomacy. Meanwhile China seems to follow the opposite course, for instance by trying to lay a new Silk route to Europe, but look at what happens to all in China or dealing with China: all have to adapt to its big walls of censorship and scrutiny. One of the things that is noteworthy about China, is how strict the government is dealing with the oligarchs that own the internet or energy activities. We have not seen the same in America or Russia yet – to the contrary. A happy coincidence is that the EU (not Britain) seems to be relatively free of these oligarchs, making it possible to come with strict privacy regulations. The problem with this is that it is in essence a defensive strategy: Europe is raising the digital walls by its GDPR regulations and others. Perhaps this can be turned into a competitive advantage later on, together with a smart 5G strategy, yet it is hard to see in this a way to cross (trade) barriers and wars. Both Brexit and Trump’s America First strategy point towards higher walls. The Chinese approach is, as stated, basically a one-way street. What does this then mean for the old relic called ‘nuclear balance’?

Not much good. Nuclear weapons are becoming instead the ultimate means to cross them or tear walls down. Their nature becomes in that sense more offensive; it is weapon against wall, starting in North Korea and perhaps going further in the direction of Iran, India and Israel. Yet, before that – and ‘preferably’ instead of that -there will be cyberwar. Certainly with Bolton as the new Secretary of State in the USA, cyber warfare will be the instrument of choice. As before, Europe and Britain will be the main arena for cyber battles, for the moment keeping the nuclear option at bay. That is, if Europe takes this lying down. Interesting about the response to the incident was that it was hard to distinguish between the NATO and the EU-response, with the impression that the EU was in the lead. No, Europe is already strong enough to counter. More worrisome is the fact that not all countries joined the move to expel diplomats, perhaps a prediction of the future difficulties in shaping Europe as a union in political and defensive terms.

Ending these reflections on the next phase of the move from Cold War to Cold Walls, there should also be this consideration of how we behave in terms of ideals and religion. To start with the latter; secularism is here to stay, but the search is one for secular convictions that are less based on individual convictions and more on collectively shared virtues. This coincides with increased carefulness in the public and digital domain. We learn not to show everything, we hope to control our impulses and hold everyone else accountable for their actions. This holds as much for the younger generation – that of #MeToo and the protest against an NRA that allows no restraint in freedom, even if that freedoms costs other peoples live – and it will hold more and more for an ageing baby boom generation as it knows it cannot return to power. So, for a few years we might have a convergence of conservative beliefs from the older generation and conservative behaviour of the younger on. But soon they might diverge again, as the younger generation no longer accepts the walls that have been built around their countries and digital domains. Whether through blockchain, edge adaptations, publicly regulated free spaces or simple physical meetings, they will break through – that is, if in the meantime no fool has thought it is a good idea to break through walls by nuclear means. Then we are all in the cold, and no walls can help us.

Peter Noordhoek

There is no single source for this article, except for the data on the number of walls (https://panampost.com/elena-toledo/2017/03/01/trump-border-wall-join-ranks-others-worldwide/). I started reading and assessing Kissinger when I was 15 and I have never stopped, but alongside him there have been many, many more great writers and thinkers on every part and aspect of the age we live in. I have read and used many, and still claim only the judgement of an interested layman. We each have to interpret our own time line. As mine is growing longer, there is more to say.

AVG en de start van een bijzondere inspanning

Foto auteur

Afgelopen weken vond de parlementaire behandeling plaats van de Uitvoeringswet Algemene Verordening Persoonsgegevens (Uitvoeringswet AVG). Komende maand mei gaat deze overal in Europa van kracht komen, zoals steeds meer mensen beseffen. Ik heb de parlementaire behandeling gevolgd en langs twee lijnen bestudeerd. De eerste lijn is de praktische lijn: hoe gaan we nu met die nieuwe verordening om? Conclusie: het belangrijkste is om een start te maken. De tweede lijn is meer fundamenteel. De AVG staat voor een omslag in het privacy denken: voor het eerst duwt een heel continent tegen de trend in dat steeds meer data onder controle van anderen dan jijzelf komen. Dat is indrukwekkend maar kan ook wringen.

Hoe druk moeten we ons maken?

Eerst de praktische kant. En dan kan het hele Kamerdebat over de invoering van AVG het beste worden samengevat als één groot pleidooi voor het ontzien van verenigingen, kerken en kleine bedrijven. Zoals Toorenburg (CDA) zei: “De Autoriteit Persoonsgevens (AP) moet niet alleen de bijl hanteren, maar ondersteunen, hulp verlenen.” Daarin was geen verschil van mening met de minister of met de partijen onderling. Dat afdwingen kon echter ook niet, zie hieronder. Kamer en kabinet kunnen AP alleen vriendelijk verzoeken niet te hard van stapel te gaan, want zij stelt haar eigen prioriteiten. De minister sprak daarbij de verwachting uit dat handhaving door de AP in eerste instantie gericht zal zijn op de grotere bedrijven en instellingen en in die situaties waarin er al een aanleiding is om te gaan handhaven; als ze dus willens en wetens in de fout gaan. De Kamer zelf nam een resolutie aan waarin werd uitgesproken: “… in de fase waarin nog veel vragen zijn over de regels, de overheid zich zo hulpvaardig mogelijk moet opstellen en zich dus primair behoort te richten op voorlichting en hulp bij de interpretatie en uitvoering van de regelgeving, onverlet haar handhavingstaak inzake bewuste schendingen.” (Resolutie Koopmans c.s. 34851-18 d.d. 8 maart 2018). Vervolgens wordt de regering verzocht deze motie onder de aandacht van de Autoriteit Persoonsgegevens te brengen.

Coulance als ze al op stoom zijn

Dus nu kunnen we achteroverleunen? De ‘bangmakerij’, zoals minister Dekker (VVD) het beschreef, achter ons laten? Los van het idee dat je nooit iets alleen uit angst moet doen, was dat toch niet de les die uit het debat kon worden getrokken. Die les start met het punt dat AP haar eigen handhavingsbeleid blijft maken. Meer dan een oproep heeft de Kamer niet gedaan en kan ze ook niet doen. En zeker als je naar verenigingen kijkt, is er al snel sprake van het gebruik van ‘bijzondere persoonsgegevens’ (gevoelig in medisch, etnisch, politiek e.d. opzicht). Daar zal toch extra aandacht naar uitgaan vanuit AP. Maar beter werd het in het begin van het debat zo verwoord door Buitenweg (GL) toen ze pleitte voor: “Coulance als bedrijven al op stoom zijn, maar de essentie moet niet op de lange baan worden geschoven”. Met andere woorden: begin in ieder geval en denk vooral goed na over wat je wilt met de bescherming van jou en andermans persoonsgegevens.

(Het debat even latend voor wat het is, lijkt mij dat so wie so een nuchter advies. De AVG gaat net als andere regelmonsters niet snel weg. De invoering ervan vergt gewoon tijd. Die tijd heb je nodig. Ik schrijf het niet zonder belang op*, maar ook uit eigen ervaring zeg ik: pak het aan. Ik behoor tot degenen die als het om papier gaat nu alles snel opruimt, maar digitaal alles, maar dan ook alles wil bewaren. Dat betekent concreet meer dan twintig jaren aan digitale bestanden in mijn bedrijfje. Ik dacht te weten wat ik aan persoonsgegevens heb. Wil ik al die (vervuilde) bestanden houden? Niet dus.)

Voor zover ik mij de AVG-problematiek nu eigen heb gemaakt, zie ik veel paralellen met trajecten in mijn vakgebied, kwaliteitszorg. Je moet er echt even doorheen, maar als je het goed en procesmatig aanpakt, heb je er voordeel van.

Vage elementen

Een andere invalshoek kwam naar boven toen ik het debat even liet bezinken. Omdat de invoering van de verordening een gegeven was, concentreerde het debat zich bovenal op de vage elementen in de AVG. Die zijn er genoeg. Hoe zit het nu precies met de functionaris gegevensverwerking? Wanneer moet je die hebben? Hoe voorkom je dat de bescherming van persoonsgegevens in de medische sector een onterecht schild wordt tegen kwaliteitscontrole? Waarom die verschillen in leeftijdsgrenzen? Hoe zit het precies met de kerken, met de toegang van journalisten?

Op al deze vragen kwam geen helder antwoord, domweg omdat de minister er niet over gaat. Het zijn vragen die in de (nabije) toekomst kunnen worden doorgespeeld naar AP, waar dan nader beleid kan worden gemaakt. Zelf nadenken, dat is het devies. Bijvoorbeeld over de vraag of en wanneer een functionaris gegevensbescherming in een kleine school moet worden ingesteld. Dat hangt niet af van de omvang van de school, maar van de hoeveelheid en aard van de data.

En wie goed luisterde, kreeg te horen dat deze onzekerheid structureel is bij de AVG. Deels komt dit doordat de verordening de uitkomst is van een paar jaar lang intensief onderhandelen over de elementen ervan en dan krijg je altijd zaken die pas na wat jaren praktijk duidelijk worden. Een diepere oorzaak is, dat tegenwoordig elke wet of verordening wel consequenties voor het gebruik van data kent. Het betekent dat elke vorm van nieuwe wetgeving op de een of andere manier kruist met de AVG en zo voor nieuwe vragen rond de afbakening zorgt. De AVG is nooit klaar en roept ook nieuwe wetgeving op (waaronder de Wet inlichtingen en veiligheidsdiensten, de Wiv, waarover we woensdag gaan stemmen in het kader van een referendum). Met andere woorden; je kan dus wel wachten tot er meer duidelijkheid is, maar die duidelijkheid zal nooit volledig zijn. Ondertussen ben je kwetsbaar – en niet alleen voor handhaving door AP.

Conflicten op continentaal niveau betekent klussen op lokaal niveau

Dit weekend was het weer raak. In alle grote kranten werd het verhaal gepubliceerd over de wijze waarop een campagne bureau – Cambridge Analytics, hier ook bekend van campagnes rond het Oekraïne referendum en Forum voor Democratie – de beschikking kreeg over miljoenen persoonsgegevens van Facebook. De gegevens werd naar alle waarschijnlijkheid zowel ingezet voor ‘microtargeting’ van kiezers als voor het zwartmaken van Hillary Clinton tijdens de laatste Amerikaanse presidentsverkiezing. Dat gebeurde via software die door een nog geen twintigjarige Australiër was gemaakt en werden beheerd, gebruikt en misbruikt via bedrijven die op alle continenten van de wereld actief zijn. Toen de AVG (in het Engels: GDPR) werd opgesteld, was dat al reden om de privacy beginselen niet langer op nationaal niveau te formuleren maar op Europees niveau en verhalen als dit maken duidelijk dat het nog steeds nodig is om hierover op bovennationaal niveau actie te nemen.

In het Kamerdebat werd wel duidelijk dat dit toch behoorlijk wringt. Van der Staaij (SGP) zei, tegelijk boos, teleurgesteld en machteloos kijkend, “Zelden zo’n wangedrocht gelezen!” Daarna zei het staatsrechtelijk geweten van de Tweede Kamer: “De rechtszekerheid is het slachtoffer van alle compromissen op Europees niveau.” Dat deed Kathelijne Buitenweg van Groen Links naar de interruptiemicrofoon komen om de Europese Unie te verdedigen, omdat volgens haar privacy alleen nog op dat niveau te regelen valt. Beiden hebben dus gelijk. Juridisch mag de nieuwe Autoriteit een soort Zwitserse gatenkaas gaan handhaven. Dat is nauwelijks uit te leggen aan al die mensen, bedrijven en instellingen die er een smak werk bijkrijgen zonder voldoende helderheid. Tegelijk is het ook waar dat er echt misstanden zijn als het gaat om gegevensbescherming en dat het tijd wordt om daar iets aan te doen. Welbeschouwd is het daarom heel bijzonder wat er in het kader van AVG gebeurt: voor het eerst wordt echt een dam opgeworpen tegen de willekeur waarmee met persoonsgegevens kan worden omgegaan: de burgers op een heel continent duwen terug. Er is geen ander voorbeeld van op de hele wereld. Ik weet niet hoe het afloopt en de prijs in termen van bureaucratie en rechtszekerheid is gevaarlijk hoog, maar als we het tijdig onder de knie weten te krijgen, gebeurt er wel iets dat van wezenlijk belang is voor de bescherming van onze persoonlijke levenssfeer, inclusief onze ‘data’.

Peter Noordhoek

* Peter Noordhoek is mede verbonden aan ‘Stichting AVG Verenigingen’, een initiatief dat sinds juni 2017 aan vooral (koepel)verenigingen en haar leden een laagdrempelige manier biedt om de nieuwe verordening onder de knie te krijgen.

Bij teveel personen wordt het een massa. Waarom de versplintering wel een probleem is

Politiek wordt steeds meer persoonlijk. Toch? We ontwikkelen ons richting een partij per kandidaat, een kandidaat per kiezer. Ideaal toch? Of is dat eigenlijk een nachtmerrie? Ik was bij een jongerendebat. Elke kandidaat deed het goed (vooral de nr. 5 van het CDA Gouda, Niels Honkoop. Onthoudt die naam). Ik had fotodienst en voor het plaatje zocht ik een plek terzijde van de kandidaten. Zeven hoofden op een rij. Even daarna wisselde de groep kandidaten. Weer zeven kandidaten op een rij. Leuke koppen, heel divers. Veel toekomst. En toch zag ik vooral de rijen kandidaten. Oftewel: hoe je de anonimiteit organiseert. Veel toekomst?

Recent heeft mijn werkelijk zeer gewaardeerde docent Wim Voermans, samen met Geerten Waling, een boek geschreven onder de titel ‘Gemeenten in de genen’. Hij stelt dat de lokale democratie prima functioneert. Daar kan ik het mee eens zijn. Omdat ik nogal eens over de grens mag trainen, weet ik hoe gelukkig we ons mogen prijzen met onze democratie. Maar ik zet toch echt vraagtekens bij de stelling dat veel partijen een teken zouden zijn van een florerende democratie. Dat zou namelijk gewoon een kwestie zijn van een goede afspiegeling van de bevolking. En een goede afspiegeling, dat vormt op termijn de beste basis voor de democratie, zo is de stelling van het boek. Ik weet het niet. Of ik weet eigenlijk zeker van niet. Staatkundig kan dat inderdaad zo zijn, maar als je heel veel personen bij hun personen zet, krijg je een massa. En als je voor elke kiezer een partij hebt, krijg je partijen die zo plat zijn als een plaatje.

Ik geloof in ideologisch gevoede en historisch gewortelde partijen. Partijen die langzaam aan de mantel van de democratie zijn gegroeid, die de blauwe plekken van het besturen hebben gebruikt om er sterker van te worden. Partijen die er tegen kunnen als binnen die partijen over de koers gevochten wordt omdat ze weten dat ze uiteindelijk weten wat de gezamenlijke basis is. Die lokaal geworteld zijn en landelijk kunnen kijken, die de zachte sector niet alleen zacht bejegenen en de harde sector met af en toe een tikje tegen de kont menselijk weten te houden. En van die partijen heb je er altijd maar een paar nodig.

Ach, eigenlijk zijn die partijen helemaal het probleem niet – en de kandidaten nog minder. Ik ben natuurlijk helemaal niet in de positie om het te zeggen, maar het probleem zijn wij: de kiezer. Als wij kiezers alleen maar ons eigen belang denken, hoe kan je dan verwachten dat kandidaten aan het algemeen belang denken? Zullen we ons als kiezers eens gaan bezinnen?

Peter Noordhoek

Rutte: ‘Schaf de beschermde beroepen af’ Hoe wijs is dat?

De speech van Rutte in Berlijn over de toekomst van de EU was redelijk lang en moest concurreren met de speech van Theresa May die op hetzelfde moment plaatsvond. Toch doet de speech er toe, ook als naar de kleine letters wordt gekeken. Een eind in zijn speech, komt Rutte met negen voorstellen die de werking van de EU kunnen verbeteren. Het eerste voorbeeld is direct raak. De zon moet zakken over het rijk van de beschermde beroepen. Letterlijk citerend*:

”Maak de Europese dienstenmarkt nu echt open. Er zijn nu 5000 beschermde beroepen in de EU. Dat zijn 50 miljoen mensen, 22% van alle werkenden. Schaf die beschermde beroepen af. Alleen waar veiligheid, gezondheid en consumentenbescherming aan de orde zijn zouden we nog specifieke en bindende eisen moeten stellen. Notarissen en architecten, om er maar eens twee te noemen, hebben geen nationale bescherming nodig. Maar als een notaris die in een ander EU-land gaat werken, mag natuurlijk wel een taaleis worden gesteld. …”

Waar heeft Rutte het over?

Naar ik weet, loopt het Nederlandse notariaat voorop in het goed aan elkaar schakelen van notariële wetgeving en dienstenverkeer – wat overigens heel wat meer vergt dan alleen taalvaardigheid. In het kader van het internationale samenwerkingsverband van het notariaat, de CNEU, worden er, mede door de Nederlandse inbreng, grote stappen gezet, maar het kan inderdaad nog wel wat sneller. Datzelfde geldt voor de bescherming van andere beroepen. Lang niet elke vorm van beroepsbescherming is zinvol, zeker niet als het om de bescherming van beroepen gaat die niet tegen de concurrentie opkunnen in breder EU-verband. Zo is vaak betoogd dat de wijze waarop Italië haar beroepen bewaakt een belangrijke rede is waarom daar de noodzakelijke vernieuwing maar niet wil slagen. En zo heeft elk land wel redenen voor beschermingsconstructies. Daarom zegt Rutte: ‘Schaf de beschermde beroepen af!’

Tegenwerpingen

Dat klinkt krachtig. Even verderop zegt hij dat de Europese Unie 1000 miljard laat liggen door met name het vrije verkeer van diensten niet genoeg te stimuleren. Dat is een groot bedrag (als de cijfers kloppen). Toch is het wel erg kort door de liberale bocht wat Rutte hier te berde brengt. Een paar tegenwerpingen:

– Het voorstel getuigt van bar weinig besef van wat er voor nodig is om een beroep te laten groeien. Zorgen dat iedereen even weinig weet is geen slimme manier om Europa beter te laten concurreren. Specialisme komt niet goedkoop in een kenniseconomie en verdient wel degelijk bescherming.

– Het voorstel getuigt van overheidscentrisme. De enige beperkingen die er zijn, zijn typisch beperkingen die door overheden worden ingesteld en gaan gemakshalve voorbij aan de talloze andere redenen die overheden hebben om beroepen te reguleren – en af te schermen van andere landen. Het is niet moeilijk te voorspellen dat overheden nog de meeste hindernissen zullen opwerpen om beroepen echt minder beschermd te maken.

– Het voorstel overschat de effectiviteit van het weghalen van de bescherming. Zo zijn recent de Productschappen (PBO’s) afgeschaft. Het gevolg: grote desoriëntatie, te weinig preventieve actie en een overmaat van acties die door de toezichthouder, de NVWA, moet worden opgevangen, alwaar de specialistische kennis onvoldoende aanwezig is om tijdig in te grijpen. Tel uit je winst. Hoe slim is het om de bescherming er af te halen?

– Het voorstel ontkent het publieke element in veel beroepen: de ethos. Een eed afnemen is nooit genoeg; het moet al bij de opleiding in de botten gaan zitten. Rutte noemt de notarisfunctie als een waar de bescherming wel vanaf kan. De bescherming van het beroep is echter door de overheid zelf in het leven geroepen en niet door de beroepsgroep. De geschiedenis van het notariaat laat daarbij bij herhaling zien dat het weghalen van de regulering niet goed uitpakt. De vraag is wel of het notariaat zelf haar publieke rol voldoende serieus neemt en daar mag ze zeker op worden aangesproken, maar dat is een ander verhaal dan de bescherming er af halen.

– Het voorstel is niet erg consistent, gegeven de context van de lezing. Er zijn grote verschillen wet- en regelgeving, ook waar deze de beroepen betreffen. Op dat punt valt zeker veel winst te behalen. Tegelijk kiest Rutte consequent voor de inter-gouvernementele lijn. Dat kan dan even gaan duren.

Weging van een voorstel

Nogmaals, er is niets op tegen om de bescherming aan te passen als dat tot een beter verkeer van diensten leidt binnen de EU. De verschillen in regelgeving tussen de landen, zowel publiek als privaat, zijn te groot om goed te zijn voor het beoogde vrije verkeer van diensten. Als tegelijk de nodige lagen bureaucratie kunnen worden geschrapt binnen de landen zelf, ook in de wijze waarop we beroepen beschermen, dan is dat helemaal welkom. Daarbij twijfel ik er ook geen moment dat er economen zijn die tot achter de komma kunnen berekenen hoeveel meer welvaart de afschaffing van de bescherming in hun ogen op zal leveren. Maar willen we werkelijk het soort marktwerking wat we tot nu toe hebben gehad? Een marktwerking die een paar grote bedrijven en overheidsinstellingen oplevert en voor het overige veel, heel veel kleine bedrijven die allemaal te kleine marges hebben om zich te kunnen onderscheiden van de ander? Is een markt waarin diversiteit de toon zet niet veel beter (en Europeser) op de langere termijn? Ook de diversiteit die voortkomt uit kwaliteit, ranking en bescherming? Het is maar een vraag en mijnheer Rutte, wat dat betreft roept uw voorstel meer vragen op dan antwoorden.

Peter Noordhoek is promovendus op het terrein van ‘Trusting associations’

* Toespraak van minister-president Mark Rutte bij de Bertelsmann Stifting in Berlijn op vrijdag 2 maart 2018.

Als raadsverkiezingen voor het eerst worden gehouden. Tunesië 2018

Terwijl de lokale verkiezingen in Nederland de hete fase bereiken, mocht ik, samen met drie collega’s naar Tunesië gaan om daar kandidaten te trainen voor de raadsverkiezingen van 6 mei a.s. Met alle respect voor de Nederlandse verkiezingen, die in Tunesië zijn van grotere betekenis, al was het maar omdat ze voor het eerst plaatsvinden. En al trainend besef je dan dat een lokale democratie allesbehalve vanzelfsprekend is en alleen kan bestaan dankzij vaardigheden die wij hier vanzelfsprekend zijn gaan vinden. Veel te vanzelfsprekend. In deze blog beschrijf ik wat trainen in zo’n context betekent en trek ik het door naar de vraag: ‘hoe staat het ervoor met Noord-Afrika?’ Het is nog maar een paar maanden geleden dat de kabinetsformatie vastliep op deze kwestie, maar we horen er niets meer van. Misschien is dat wel omdat het draait om gaten in de weg, peuteropvang en banen. De gewone dingen die, zeker als je ze optelt, de kwestie nog steeds belangrijk maken.

Basis trainen

Eerst over de training zelf. We zijn met vier Nederlandse trainers naar Tunesië gegaan, allen met veel ervaring: Monique Vogelaar, Bieke Oskam, Wim Eilering en ondergetekende. Bij andere trainingen is de samenstelling weer anders, maar altijd gaat het om ervaren mensen. We doen dat op verzoek van trainingsinstituten van andere landen, die op de een of andere manier dol zijn op de manier waarop wij trainen. In directe zin doen wij dat (als vrijwilligers) op verzoek van De Eduardo Frei Stichting (EFF), die de internationale activiteiten van het CDA organiseert. Dat gebeurt overigens weer in afstemming met andere Nederlandse partijen (NIMD), want democratiebevordering is iets voor alle politieke stromingen. Normaal zijn de trainingen die wij geven vrij breed. Het gaat altijd wel over persoonlijke vaardigheden, maar er komen ook zaken als ‘civil society’ en corruptiebestrijding aan de orde, of een thema als: ‘wat doe je nadat je gekozen bent?’ Dit keer staan de verkiezingen echter al op korte termijn voor de deur en beperken we ons tot de basisvaardigheden: hoe stel je jezelf voor als kandidaat, hoe win je een debat, hoe mobiliseer je stemmers en hoe bereik je ze via bijvoorbeeld social media? Het trainen is vooral gericht op de persoon, maar daar moet het dan ook altijd beginnen. In plenaire slotsessie zorgen we er juist voor dat er presentaties zijn op het niveau van de partijen. Om sfeer te maken heeft mede-docent Wim Eilering hen vooraf het ‘Luizenmoederslied’ ‘Hallo allemaal! Wat fijn dat je er bent’ in gebrekkig Frans geleerd en laten zingen. Het zal je als Tunesische raadskandidaten maar overkomen. Ze hebben het glansrijk overleefd.

Een breder besef dat raadsverkiezingen er toe doen 

Het ging om veertig kandidaten van vier verschillende partijen, overwegend onder jongeren. Om het niveau in te kunnen schatten, is het wel relevant om te weten dat de Tunesische bevolking relatief hoog opgeleid is (moet je in Frankrijk naar een ziekenhuis, dan is de kans heel groot dat je door een Tunesische arts wordt behandeld). Wat verder opvalt, is hoe stevig en divers de achtergrond van de kandidaten is. Van medisch specialist tot taxichauffeur (‘ik vond de onzin van de mensen op de achterbank te groot worden’), alles is aanwezig. Met alle respect voor de Nederlandse raadsleden in Nederland met een ambtelijke of ‘vrijgestelde’ status, in Tunesië zie je aan de achtergronden dat er een breder besef is dat de raadsverkiezingen er toe doen.

De vier partijen vertegenwoordigen stromingen die lopen van traditioneel tot progressief, maar per saldo zitten ze wel allemaal in het gematigde midden van de Tunesische politiek. Wat in mijn Nederlandse ogen visueel opvalt, is hoe verschillend iedereen zich kleed, van modern tot traditioneel. De diversiteit is groter dan bij ons en iedereen lijkt dat heel normaal te vinden. Alle deelnemers zijn per definitie voor het eerst kandidaat, al zijn er enkele oudere mannen bij die duidelijk ervaring hebben als bestuurder. Die laatsten lijken nog niet allemaal door te hebben hoe hun wereld gaat veranderen, de rest kijkt er met grote hoop naar uit. Wat we als trainers hopen, is dat de raadsverkiezingen ook een versterking betekenen voor de positie van de vrouwen, maar dan zal er nogal wat meer moeten gebeuren.

Verschil tussen nieuwe en oude democratie

Al met al valt is er dus geen reden om op voorhand de kandidaten lager in te schatten dan degenen die zich nu als kandidaat hebben aangemeld voor de Nederlandse raadsverkiezingen. Het grote verschil is vooral dat wij zijn opgegroeid in een maatschappij waarvan de deelnemers de spelregels van de democratie (denken te) kennen en die ook ongeveer weten wat het is om campagne te voeren binnen het verband van een politieke partij. Tijdens zo’n training zie je dat dit een relevant verschil is. Zij moeten nadrukkelijk getraind worden in vaardigheden die wij voor vanzelfsprekend houden en wij moeten weer eens beseffen dat niets vanzelfsprekend is. Wat bijvoorbeeld opvalt, is de moeite die de deelnemers hebben om op lokaal niveau prioriteiten te kiezen die naar de kiezer toe onderscheidend werken. Steeds worden door de kandidaten dezelfde problemen benoemd: gaten in de weg, gebrek aan banen, luchtverontreiniging (opvallend vaak genoemd) en de zorgen die moeders hebben. Allemaal heel concreet en in die zin passend bij raadsverkiezingen. Maar voor zover oplossingen worden aangedragen zijn die veelal het zelfde en nog algemener verwoord dan bij ons gebruikelijk is. Er zijn wel degelijk verschillen tussen de partijen, maar de kandidaten hebben er echt moeite mee de algemene uitgangspunten te vertalen naar de dagelijks praktijk en andersom. Je ziet de onwennigheid die je in Nederland ook wel bij nieuwe partijen ziet, waarbij wellicht ook een rol speelt dat ze niet gewend zijn met elkaar het gesprek inhoudelijk aan te gaan.

Klepels en klok

Als het om campagne voeren gaat, hebben een aantal zeker dingen opgepikt, vooral via social media, maar het is nog een kwestie van klepel en klok. Plannen moeten nog gemaakt worden, er zijn nog geen routines. Het onderscheid wordt gemaakt door de personen, niet door de partijen. En dan zie je dat sommigen het vak van politicus direct door hebben, maar dat de meesten nog veel moeten leren, inclusief het lef om op een kiezer af te stappen en het verhaal van hun partij te doen.

Voor ons, als trainers, is het dankbaar werk. In korte tijd zie je de kandidaten groeien. Ze zijn bijzonder nieuwsgierig en de meesten weten prima wat ze willen. Die plannen komen ook nog wel. Het zijn meer de tradities er omheen die nog ontbreken. Wat ik zelf graag zou willen doen is deze deelnemers als het ware een Nederlands manteltje om de schouders te hangen van democratische gewoontes, maar daar zal toch gewoon de tijd z’n werk moeten doen. De vraag is of ze die tijd hebben. Dat voelt extra scherp, omdat we in onze Nederlandse situatie er ruwweg van uit kunnen gaan dat het leven gewoon door zou gaan als er een keer geen raadsverkiezingen zouden zijn (het zou misschien wel goed zijn; dan weten we weer wat we missen). Voor Tunesië ligt dat anders. Niemand die weet of deze verkiezingen een blijvertje zullen zijn. Een aantal factoren kunnen ervoor zorgen dat binnen een paar jaar de roep om autoritair leiderschap weer luid zal klinken.

Diepere factoren

De meest voor de hand liggende factor is de economie. De mensen in het land ervaren geen vooruitgang. Banen zijn er niet en de banen zijn slecht betaald. Het gevolg: diepe en brede armoe en meer corruptie dan een land eigenlijk kan dragen. De oorzaak voor de economische malaise loopt van toeristen die wegblijven tot het feit dat de landbouw niet kan voldoen aan Europese standaarden. Stuk voor stuk zijn het factoren die aangepakt zouden kunnen worden, ook maar het land zelf lijkt daar steeds minder toe in staat. Europa acteert in mijn ogen veel te ambivalent: wel woorden, nog te weinig daden. Geen wonder dat voor elke kiezer en kandidaat die blij is met de verkiezingen er velen tegenover staan die alle geloof in democratie lijken te hebben verloren.

En dan is er nog een andere factor. Ook op lokaal niveau. Een simpel voorbeeld: het geld dat er altijd was voor kinderopvang is er niet meer. Wie springen er in dat gat? Nogal wat moskeeën. Vanaf een jaar of vier vangen zij de kinderen op, uiteraard naar religieus gebruik. Kunnen die moskeeën dat zelf betalen? Met behulp van geld uit rijkere staten in de Arabische regio wel. Dat betekent een hele lastige keuze voor ouders die hun kinderen graag modern opvoeden. Er wordt nu gesproken over een wet die het onmogelijk zou maken om buitenlands geld te accepteren, maar het is nog maar de vraag of dat er door komt.

Achter de economische strijd gaat dus ook een culturele strijd schuil. Anders dan in bijvoorbeeld in Libië gelukkig een strijd zonder wapens, want Tunesië is in de kern nog steeds een vreedzaam en stabiel land (jawel, je kan er prima op vakantie gaan in de bekende gebieden). Van alle landen aan de zuidkant van de Middellandse zee kunnen er waarschijnlijk slechts drie als redelijk stabiel worden beschouwd: Marokko, Algerije en Tunesië. Van deze drie is Tunesië van oudsher wellicht het meest stabiel – en in zekere zin zie ik het feit dat de Arabische lente in dit land startte als een teken daarvan: stabiliteit is niet hetzelfde als een eindeloze status quo. De mensen willen nu echte verandering zien: in democratische, economische en culturele zin.

Wat hebben we geleerd na de mislukte formatie?

Nog maar een paar maanden geleden liep in ons land de formatie met Groen Links mis vanwege onenigheid over de mate waarin we ons als Europa met Noord-Afrika moeten bemoeien. Voor een deel is het prima te begrijpen waarom deze partij terughoudend is. Loop je niet vast in de woestijn? Kan en mag je migratie wel afremmen langs die weg? Is het resultaat niet meer oorlog? Dat zijn legitieme vragen – maar niet als het tot een soort nobel nietsdoen leidt.

Een paar keer een training verzorgen in een land maakt mij nog niet tot een expert, maar je hoeft geen genie te zijn om in te zien dat investeren in de ‘soft power’ loont. Versterken van de democratie en economie lijkt mij een legitieme manier om ons belang te dienen: we maken onszelf sterker door het land sterker te maken. Mooi om daar een bijdrage te leveren.

Peter Noordhoek

Men moet Gouda prijzen!

Zo sprak, gebiedend en met luide stem, Joost Reichenbach, niemand nog een keuze latend. En dan mag het niet verbazen dat hij tot de nieuwe stadsdichter van Gouda werd gekozen. Na de fantastische en ‘verbindende’ Hanneke Leroux, krijgen we een man met een uitgesproken beelden, woorden en mimiek. Hij is letterlijk en figuurlijk groot en extravert, waarmee ik denk dat zijn stadsdichterschap dat ook zal zijn – wat weer prima past bij een beweging waarin de poëzie in Gouda groot en extravert is geworden. Als voorzitter van de ministichting die de stadsdichtersverkiezing organiseert, prijs ik mij gelukkig.

Tevreden achterover zakkend (kort hè, Noordhoek, kort), vind ik het wel leuk om even stil te staan bij het gegeven dat deze stadsdichtersverkiezingen vlak voor de raadsverkiezingen zijn gehouden. Wat zijn de overeenkomsten, wat de verschillen? Ik merk dat beide verkiezingen in een stad als Gouda (‘Men moet Gouda prijzen!’ Ja, Joost) naar elkaar toe groeien. In ieder geval hadden we voor de stadsdichtersverkiezingen de 4 resterende kandidaten een extra opdracht gegeven: maak een gedicht over het thema ‘kiezen’, elk naar eigen inzicht te interpreteren.

Chris Bellekom deed dat beeldend door in zijn laatste zin over ‘kies-pijn’ te spreken:

‘Als ik kiezen kon / koos ik je leven leedvrij / niet kapot geleefd / gespoten geslagen gekozen / dan kies ik je vernieuwd / kies ik je jong en brutaal / dan mag je opnieuw schreeuwen / seks en sigaretten en wij / groen en een scheut kiespijn’

Udo Doedens zei letterlijk:

‘Kiezen is een wek-woord … / Ik sudderde lang in onverschil / en droomde van niets / tot iets bij mij lispelde / ‘word een mens en kies’

Jeffrey van Geenen koos ervoor het thema de andere kant op te interpreteren:

‘Ik zit vast in een stemlokaal / tot de kiescommissie komt / de stembus sluit / Ik ben er uit / verkiezingskoorts voorbij / en eindelijk / eindelijk jij bij mij … / en ik /dit weekend / keuzevrij’

Joost eindigde vlammend:

‘Want als ik naar geloof verlang / Is eerst mijn beste keuze: vrijheid / van stemmen zonder dwang’

Het thema ‘kiezen’ was natuurlijk erg makkelijk gekozen, zo vlak voor de raadsverkiezingen. Maar je ziet hoe elke dichter dat weer op een andere manier kan kantelen en keren – en dit keer, met alle zenuwen, voor een groot publiek.

v.l.n.r.: Udo Doedens, Joost Reichenbach, Jeffrey van Geenen en Chris Bellekom

Bij gedichten komt dat grotere publiek niet vanzelf. Er was even een moment – nadat de gemeente de subsidie had beëindigd – dat het stadsdichterschap en eigenlijk het hele dichtgebeuren op de stichting hing. Die penibele situatie duurde maar kort. Het mooie is dat dit al lang niet meer het geval is. In de afgelopen jaar zien we dat een steeds grotere groep actief is geworden. Door je als kandidaat op te geven voor de verkiezing (14 kandidaten dit keer), maar ook door activiteiten te organiseren (Chris, proost!) of door domweg in forse aantallen te verschijnen als er weer ergens wat wordt voorgedragen wordt. Opvallend was de rol van social media. Drie maanden lang stonden Facebook en twitter vol van oproepen, gedichten, rivaliteiten en humor. Dat werkt wel. Ondertussen maakten boekhandel, bibliotheek en cultuurhuis elkaar sterker door een liefdevolle concurrentie en lieten de politici van Gouda merken dat deze verkiezingen hen ook niet koud lieten (er zaten er heel wat op en rond de tribune zaterdag). De stadsdichters zijn het gezicht en vaak de trekker achter de activiteiten, maar ook onze onvolprezen afscheidnemende stadsdichter Hanneke Leroux hoefde het niet allemaal alleen te doen. Zo bouw je aan een stad, zo bouw je aan een stad waar de poëzie leeft.

De keuze is gemaakt, de klus is weer geklaard. Terug naar waar het echt om gaat: het goede gedicht. Ook ik mag nu weer dichten en gedichten voordragen of publiceren en die wetenschap lucht op. Maar voordat ik dat ga doen, nog een terugblik. Wat is mij nu bijgebleven? Best wel veel, maar eerder beelden, stemmen en houdingen, dan woorden en regels. Ik leef om te leren. Van welk gedicht heb ik dan het meest geleerd? Het is een gedicht van Udo Doedens. Het gedicht ‘binnen’ vertelt iets wat ik in het abstracte al wist over de verschillen in de Westerse en Marokkaanse cultuur, maar hij laat het prachtig tot leven komen. Daarnaast boeit mij het verhaal dat iemand mij na afloop vertelde, dat toen Udo het gedicht begon voor te dragen, er een paar Marokkaanse jongens op de eerste verdieping van de bibliotheek begonnen te luisteren, wegliepen en er een aantal andere Marokkaanse jongen bij hadden gehaald om te luisteren.

Tot slot een bijzondere dank en een suggestie. De bijzondere dank gaat uit naar: Dick van Markvoort, Jan Graafland, Carolyt Koops en Hanneke Leroux. Een teamprestatie.

De suggestie is om te luisteren naar de band die ook op de stadsdichtersverkiezing speelde en nu zelf in de halve finale is van de grote Prijs van Nederland: Out of Skin. Ze zijn bijzonder en zijn te vinden op Spotify en elders.

Peter Noordhoek

Wie was Lubbers?

Foto: Telegraaf

Wie was Lubbers? Ik weet het niet, ook al heb ik hem op vele manieren gevolgd. In een tijd dat er minder nieuwskanalen waren dan nu, maar al wel heel veel, was hij er altijd. Via kranten, tijdschriften en via televisie natuurlijk, maar vooral ook via zijn beleid, dat mij op allerlei momenten geraakt en geïntrigeerd heeft. Niet alleen omdat mijn afstudeerboek ging over deregulering, één van zijn beleidskinderen. Maar ook omdat zijn bezuinigen mijn baankansen hebben beïnvloed, positief of negatief. We studeerden voor werkloosheid in die jaren en dat kwam mede door zijn bezuinigingen. Aan de andere kant zorgden diezelfde bezuinigingen waarschijnlijk weer voor de ommekeer. En ook omdat ik in zijn jaren in militaire dienst zat en alles en iedereen verscheurd was door de kruisrakettenkwestie. In veel huiskamers ging regelmatig een neutronenbom af.

Dus op allerlei manieren bepaalde hij mijn leven en dat van iedereen om mij heen. Toch, eigenlijk heb ik nooit het idee gehad dat het nou allemaal zijn eigen beleid was, in de zin van de expressie van zijn persoonlijke overtuiging. Dat was niet zo. Hij kwam niet met beleid, hij kwam met oplossingen. Er was een probleem, hij dacht even mee, en hop, daar was de oplossing. Pas veel later, na zijn aftreden, begon ik door het lezen van wat teksten van hem – veel in reactie op Marga Klompé – te geloven dat het hem ernst was geweest, dat er wel degelijk een diepere laag van overtuiging was. In zijn jaren van regeren heb ik hem, zo moet ik bekennen, ook als christendemocraat, nooit helemaal vertrouwd. Of beter gezegd: nooit spontaan vertrouwd. Hij bewees zichzelf namelijk wel. Keer op keer. En misschien had ik beter moeten weten. Want de man die naar de Houtrusthallen toeging, naar het hol van de leeuw, moet een harde kern hebben gehad. Maar ik denk dat ik niet de enige was die gedurende het premierschap altijd twijfelde over zijn diepere bedoelingen.

Op meerdere momenten heb ik hem ook van dichtbij meegemaakt, vooral tegen het einde van zijn premierschap. Op vele congressen, maar ook op uitslagenavonden heb ik hem meegemaakt (inclusief geweldige omhelzing door de Surinaamse echtgenote van zijn maat Jan de Koning, op een van die bijzondere uitslagenavonden). En zelfs heb ik hem gezien op die ene avond, zojuist weer in het journaal teruggezien, dat Lubbers zei dat hij zijn stem zou geven aan Ernst Hirsch Ballin. Velen hebben geschreven dat hij daarmee het mes in de rug van Brinkman stak. Daar kwam het natuurlijk ook op neer, maar ook als ik het nu terugkijk, denk ik dat hij op dat moment eerder totaal onthecht bezig was, dan met een prinsenmoord. Hij leefde op dat moment in zijn eigen wereld, wist misschien niet eens zelf meer wie hij was. De strakke, altijd drie stappen vooruitdenkende macher was weg. Een impulsief reagerende Lubbers liep over Esscheriaanse gedachtentrappen die altijd weer bij hemzelf uitkwamen als enige gekwalificeerde premier. Zo tragisch – en niet alleen voor hemzelf. Omdat je er zelf bij bent geweest – een verkiezingsavond van het CDA Zuid-Holland, ergens in een bijna onvindbaar zaaltje in een buitenwijk – maakt zoiets natuurlijk extra indruk. En toch is het niet moeilijk om terug in de tijd te gaan en sterk onder de indruk van de man te zijn.

Lubbers kwam aan de macht toen ik van mijn militaire dienst naar de universiteit ging. En bijna gelijk leek er wat te kantelen. Meer dan we ons nu kunnen voorstellen. Van de chaos van Van Agt en Wiegel (en dat was het), kwam er opeens een lijn in. Er werd richting gegeven, op het gaspedaal gedrukt. Allemaal onder leiding van die voorheen zo wollig sprekende man. Ik denk dat het buitenland het eerder door had dan wij, of laat ik voor mijzelf spreken: opeens las ik in de Economist en Time over het einde van de ‘Dutch disease’ en was Lubbers een voorbeeld voor Thatcher. Wat een gigantische omkering. Allemaal onder zijn leiding. Wie het ook was, die Lubbers, hij had wel heel veel in zijn mars. Ik heb veel aan hem te danken. Ik denk wij allemaal.

Ergens in een klus zou een (auto)biografie van Lubbers moeten zijn, met Theo Brinkel als degene die de pen vasthield. Ik zou het nog graag willen lezen, maar ik weet bijna zeker dat ik na lezing nog steeds niet zal weten wie Lubbers was. Het maakt niet meer uit. Goede reis, Ruud Lubbers.

Peter Noordhoek

The Need to Slow Down Artificial Dumbness (AD) in the Stock Market

A combination of algorithms can become artificial intelligence (AI) when they show they can learn. When that same combination leads time after time to damage – damage that could have been avoided – you get Artificial Dumbness (AD). My statement here, is that the stock market is ruled by AD. And not just recently. And as we humans are really the dumb ones here, I want to put the issue of the digitization of the stock market on the agenda of society in general and of the (financial) regulators in particular. I am no more than an ordinary stock holder, and I have little to complain about, but maybe you should hear me.

1987: a big digital scare

I can remember the crash of 1987: Black Monday. It was before the days I had stocks, and I was mildly amused when I saw a grown man cry over his loss of money after the DOW went down with record speed. Don’t you know stocks can go down too? That slight nastiness on my part changed when it became clear that the speed with which the market had turned was perhaps more due to the way computers were programmed then to his decisions. That sounded rather unfair to me, and I voiced this to anyone willing to listen (not many). It was the first time computers truly aggravated a crash and turned that crash global within 24 hours. In later years, I was more or less satisfied with the idea that when a share went down too fast, trade could be suspended for a day or so. The digital multiplier effect seemed under control, more or less. If the stock market is a car, then cutting the cord to the gas pedal regularly helped to slow things down. But I did not fully trust the assurances.

2007: the digital monster we dear not look in the face

I was a stockowner by 2007. Having learned that it was wise to spread my portfolio I had (and have) done so: one weighted portfolio run by professionals, one weighted portfolio with ‘smart’ trackers and one portfolio build up by myself. I am happy to say that this last portfolio outperforms the other two, but please do not follow this example of ‘monkey-smartness’, as I managed to buy stocks in a bank just a week before the great crash of 2007. That was the last time I considered myself an expert. But the real shock was not what happened with my stocks, but what happened to the economy and the world after Lehman Brothers. I followed and debated everything intensely. I saw a host of measures being taken, among them measures to increase buffers, professionalism and ways of preventing fraud. Great, but I always had the feeling it missed this one big point: the role of the algorithms in ‘stop-loss’ and other decisions. In all the measures announced and debated in parliaments and boards, hardly ever was there a debate on this even making a byline in the media or the halls of politics. The impact of the speed of digital trading in the crucial days of the crash has been described, but hardly ever debated. Would the impact of the crisis have been the same without these algorithms? No way. If the stock market is like a car, then the algorithms kept on gassing its engine far beyond the initial crash, involving many other cars, all gassing and pushing themselves over the edge of the highway, ruining the highway in the process. What if the gas would have been cut for all these cars?

The stock market crash of autumn 2007 was no real surprise to me, as my interest in the role of algorithms had alerted me to what went on with the mortgages in the US, still I will never claim to belong to those who predicted the impact of the crash. I did follow from the first how fast the crash spread out from Wall Street and the role of automated decisions in this. Anxiously I waited for the regulators to address the issue, but in a way, I am still waiting. As a consequence I have also started to fear that we are undermining our democracy by not talking and addressing the more general issue of who owns the algorithms in or close to the public arena.

2018: a final warning

It is now 2018. What happened last week with the stock market still seems small beer compared with the crisis of 1987 and 2007. The American stock markets moved from an expectation of almost none inflation to an expectation of very little inflation – et presto. This must have triggered a number of other anxieties, which in turn also impacted a new phenomenon, the Volatility Index. This in turn triggered a host of selling of which a news channels said, ‘that no human brain was involved’.

No doubt, many other factors were also involved in the big slide downwards, including the fact that the slide might have scared the large block new stock holders witless , also because of what was already happening to bitcoin (natural dumbness). Yet the fact that other markets like the valuta market did not join the slide and the fact that many experts cannot explain the slide from anything else but stop-loss mechanisms, suggests algorithm failure (artificial dumbness). We have not learned our lessons.

Please understand, I am not against a downturn as such. Nature and stupidity should run its course, nor can we prevent smart idiots from inventing financial instruments that are even more bonkers from a financial stability point of view than we already have. Anyhow, I believe conservative stock owners like me should not panic or change course immediately (on the condition of having evaded the temptation of bitcoin, of course). The point here is speed. Right at the moment that a crash should cause people to think, we have allowed ourselves digital constructions that far outstrip human thinking in speed. At the moment, the only option seems to suspend trade all together. In a real crash this might have the same effect as speeding your car while at the same time applying the brakes. Guess what happens?

So, let a crash happen where and when it does, but let’s be able to reverse gear at the moment a crash happens and reduce speed to something within human limits for at least a 24-hour cycle. In this I just prefer natural dumbness to artificial dumbness.

Action

This is what I would like to see happen:

  • Pretty soon we will all be our own personal bank, with our own monetary and financial spread of instruments. In technical terms, we are almost there. Good luck to the government that wants to chase us. Yet, for things like stocks we will always need sizeable trading hubs to get the necessary scale of economics. So, these markets and their institutions will by necessity anchor the financial market, and so are the inevitable focus of market regulation. The fall of stocks last week was excessive in relation to its cause. A cap would have been as justified as a cap on inflation.
  • Who ‘owns’ the problem? As it seems, not the writers of the algorithms, or not enough. It is not because I distrust (stock) market and banking regulators (well, a little), but on principle I think this is an issue for the monetary authorities in the world; the Federal Reserve Bank, The European Central Bank and others. They are the ultimate guardian of the financial system. The problem is that they are economist by nature and outlook. Digital security at the time of market crashes should be their domain. In terms of risks, the speed with which money flows through digital channels has become as vital as the speed with which money flows through trade channels. The latter is called inflation, let me call the first ‘digiflation’.
  • International Monetary Fund Managing Director Christine said today in Dubai, that we should ‘focus efforts on action that could prevent cross-market problems instead of paying more attention to certain entities or countries’. I appreciate her saying this, as she is leading the way with dealing with this issue, but I have little faith in the predictive capabilities of financial regulators to predict where the next Digital Bubble Machine (DBM) is coming from, while they do should be able to reduce the speed of trading.
  • What should the speed of a fall in stocks be? In technical terms, I recognize that this is probably not an easy question, if only for the fact that it would require a very intricate licensing system to be able to influence algorithms for all market players. Yet when someone can write algorithms, someone else should be able to scrap or overrule them. It’s not a challenge I should think is impossible, also given its importance.
  • At its heart, the problem is probably more a matter of communication than anything else. On the one hand, we still think we understand regulation, when in fact we cannot anymore; there is just too much of it. On the other hand, we assume we do not understand algorithms, when in fact we can always reduce them to a few parameters. In this case: I want the stock market to go back to the speed of a human talking or typing on a key board.

And so on. This is all just to put the issue on our common agenda, from which it slips away all too easily because we think this is something for experts and everyone else is the expert.

WOLF!

Please understand that I do not want this to be the blog of an old-fashioned man or doom sayer. I love information technology and the benefits it brings. I smile when an algorithm is better than any expert in predicting which startup has the most chance to succeed. I love the fact that I can save a lot of decision time by just following trackers. Nor do I have any ax to grind. I am no expert, let alone a guru. I am an investor with his eye on his pension and little else. This is a stock market dip I can easily handle (haven’t even called my stock broker), taking the long view, as always. Yet this is the third time I seriously feel like crying: “WOLF!!”. I do so, knowing that now there is probably still something to be done about the stock market algorithms. I fear that next time we have created the kind of Artificial Dumbness no one, with or without a brain, can correct anymore.

Peter Noordhoek


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: "De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard." Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek