Contact

Northedge B.V. 
Oosthaven 15-16 
2801 PC Gouda 
The Netherlands 
T 31 (0)182 684545 

www.northedge.nl 
Tw @PeterNoordhoek 

Archief

Peter

Three questions for Ursula von der Leyen

Source: Der Spiegel

After a fractious and often uncontrolled selection process, Frau Ursula von de Leyen, got the support from the European Council to be nominated for the post of Chairperson of the European Commission. Soon, the European Parliament is to vote on her nomination. She will need a majority of the votes, including the votes of other parties than of her own. But first, the new members of the EP get the chance to question her. Though just an observer, I take the opportunity to formulate three questions, also in the light of the fact that she represents the European Peoples’ Party (EPP, EVP Dutch) of which I feel a part. Though so far, I like what I saw of her, her coming is not the result of a development I welcome, so the questions have some bite. I will illustrate where that bites come from in my words after each question.

Dear Mrs Von der Leyen, what will you do to ensure that the democratic legitimacy of the European institutes is not only guaranteed, but improved?

You represent the EPP-family, a large family of center-right parties. Instead of being a family of truly conservative, feet dragging old parties, we have in fact been at the forefront of turning the EU into a modern democratic institute. Part of this effort – 25 years in the making! – is the idea of the Spitzenkandidat. The idea proved itself in the election of 2014, with allmajor party families providing candidates, including ALDE.

In the same way, much time and effort went into the selection of Mr. Weber as our next Spitzenkandidat. When selected, he was head of the EPP-delegation and had proven himself in that role. Also because of the welcome efforts of another great candidate, Mr. Stubbs, there was a real selection process, ensuring a party wide commitment to the candidacy of Mr. Weber. A host of delegates casted their votes in Helsinki, and Mr. Weber was selected with a clear majority.
Maybe he was not the person the heads of government considered to be ‘one of their own’, but that is beside the point; they have not come up with a democratic alternative, but only with an alternative person. It could very well be that within the EPP we have not been frank enough in assessing what kind of background a Spitzenkandidat should have, and this is perhaps not fair to you, but let me be frank now: your background is strong, but not that much stronger, and you have not gone through the rigorous selection process Mr. Weber has gone through. It is for this reason, and not any personal failings or shortcomings, that your selection cannot be regarded as anything other than a breakdown of the Spitzenkandidat idea. There are no other efforts to strengthen direct democracy in Europe in sight. Is this how you are going to leave it, or do you have plans to change this? We consider strengthening the democratic legitimacy of the European institutes the sine qua nonof your presidency.

In a wider sense, as president of the Commission you will represent all political parties and their countries in the European Parliament and not just your own party or Germany. It must be said, though, thatthe Union is not always united. The European Union has for instance both a North-South and an East-West divide. How are you going to deal with this?

In your answer, I hope you will evade the clichés. You are no doubt tempted to say that you see it as your duty to connect all the different parts of the union. Either that, or you will say that this diversity is precisely the reason why the European Union is both necessary and strong. The problem is that it has been Mw. Weber’s endeavor to please everyone that has been at the heart of his problems. He was perhaps a bit too nice, too much a bridge builder. And he came with this message at the wrong moment, because both divisions seem to mutate into one BIG division – that between autocracy and democracy, populism and mainstream. Mr. Weber failed because he was still building bridges towards Orbán when that man was tearing down the towers of the law of his country, failing the original Christian-democratic members of his political family and not forceful enough to connect with the strongmen he had to deal with. It is not a very fair criticism: he was asked to do the impossible, could not be stronger than the party behind him. The very different Mr. Timmermans suffered a similar fate because as commissioner he did draw some lines. Across which bridges will you try to draw the line, Madam Van der Leyen?

As president of the Commission you will have to deal with the European Council on a daily basis. They have selected you, so they must give you their trust. How will you use that trust?   

The leaders of the Council do not have the same political colors as the European Parliament, which is probably also one of the causes of your troubling nomination process. But differences in political color may be less important than the simple fact that the council is politically less stable than the Commission. Voters are more volatile; parties go up and down, split up and rebrand themselves as they go along. Each year it may get harder for national politicians to find the time and resources to spend the necessary time on European matters, unless Brussels becomes an escape from the troubles at home. It could be that by default, more and more matters will be brought to Brussels without a proper mandate, either at the national or the European level. The challenge of climate change offers an example of this. Behind the consensus on the Paris agreement hide glaring disagreements about the way, the speed and acceptance of more measures towards a greener Europe. It seems logical that many of these disagreements will land sooner or later on the plate of you and the Commission, with the members of the council both needing and envying you that role. It is an almost impossible task, but that is why you were selected, madam Von der Leyen. Apologies for putting it like this, but where will you start?

Peter Noordhoek

Affiliated to the Dutch CDA-party and the European Peoples Party. Opinions are his own.   

Over statistieken en de keuze van een politieke koers

In de afgelopen jaren heb ik mij binnen mijn partij, het CDA, regelmatig gekeerd tegen een koers die in hoge mate was gebaseerd op de onderzoeken van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP), in de media met name bij monde van Kim Putters verwoord. De cijfers heb ik nooit bestreden, de interpretatie wel: het maakte de koers te somber, te weinig gericht op het bieden van hoop. Of platter gezegd: te populistisch. Dat alles nog los nog van het feit dat je moet oppassen om je koers als partij te veel op statistieken en peilingen te baseren.

Dat neemt niet weg dat ik altijd waardering heb gehad voor de leiding van mijn partij dat ze oog hadden voor de situatie van de mensen met minder perspectief dan de gemiddelde Nederlander. Dat ze ook probeerden een stem aan die mensen te geven en daar beleid op te maken. Net zoals ik het ook waardeerde dat dit niet gebeurde op basis van alleen eigen onderbuikgevoelens of vanwege wat iemand op straat of aan de bar tegen onze politici riep. De cijfers werden serieus genomen. Ik heb gemerkt dat de cijfers van met name het SCP jaar na jaar werden gespeld en besproken. Bij optredens samen met Kim Putters, leek het alsof Sybrand Buma de cijfers nog beter uit zijn hoofd kende dan Putters. Al met al was het een doorleefde, integere poging om aan te sluiten bij de zorgen van mensen. Natuurlijk zaten er ook strategische overwegingen achter, maar dat mag. Nogmaals, ik had kritiek en vond het te eenzijdig, maar respecteerde het ook.

Recent komt dan een SCP-onderzoek met een heel andere toon. De gezamenlijkheid staat voorop, datgene wat door een grote meerderheid van de Nederlanders wordt gedeeld: “Ondanks scherpe tegenstellingen in het publieke debat zijn Nederlanders eensgezind over wat Nederland tot Nederland maakt” (Kop persbericht SCP bij rapport ‘Denkend aan Nederland’, 26-6-19).

Het is een toon waarbij ik mij veel beter thuis voel en wie ben ik om aan de cijfers te twijfelen. Maar de timing vind ik opvallend. De stemming in het land verandert en opeens komen er bijpassende cijfers. Het is aan de media om daar kritische vragen bij te stellen, maar zelf denk ik: zijn de onderliggende cijfers over grote groepen die niet zijn aangehaakt daarmee echt van tafel? Het is hoogconjunctuur, fijn dat daarvan nu iets in de stemming begint door te komen, maar zijn we klaar voor tegenwind?

Ga je naar de het volle persbericht en de onderliggende cijfers, dan is veel nog wel degelijk hetzelfde: een land dat het overwegend goed tot heel goed heeft, maar met genoeg groepen die reden hebben om te zeggen dat de welvaart hen voorbijgaat. De ‘deplorabelen’ zijn nog wel degelijk in de statistieken te vinden.

Het is in de kop van het SCP-bericht dat ik een paar zaken bij elkaar zie komen waardoor de hoofdboodschap is veranderd van accent op de ontevreden minderheid naar de grote gemeenschappelijkheid. En daar richt ik mij hier op.
Allereerst zie je een eerste doorwerking van de verbeterde economie; de burgers beginnen het toch te voelen (bijna 5 jaar na het einde van de recessie!). Is het niet bij het SCP, dan zie ik wel bij veel burgers een groeiende afkeer tegen het populisme: Forum is sterk geworden; maar de oppositie tegen Forum ook. In dat kader is er ook de behoefte aan informatie die tegen de populistische trend ingaat en daarom is het volgens mij geen toeval dat het SCP met een persbericht onder deze kop komt.

Er zit ook een stevige waarschuwing onder de cijfers: de steun voor het klimaatbeleid brokkelt wel degelijk af, ook al is er nog een meerderheid te vinden. En al is er nog een grote meerderheid voor het vieren van Sinterklaas met een zwarte Piet, die steun brokkelt ook af.

Ondertussen komt vandaag een andere waarschuwing (opnieuw) van Maurice de Hond: de verschillen tussen hoog en laagopgeleide mensen blijft sterk en wijst op een echte tweedeling, ook politiek. Daarbij hebben de hoogopgeleiden het structureel voor het zeggen en zij zijn dan ook degenen die een meer optimistische levenshouding met elkaar delen. Dat doorbreken is de echte opgave op de langere termijn.

Maurice de Hond: Het Huis van Thorbecke staat op instorten. 30-6-19

Wat – nogmaals, sterk geïnspireerd door SCP-analyses – het CDA onder Buma heeft gedaan, is een extra focus richten op wat de nieuwe ‘kleine luyden’ leken: mensen van goede wil, die echter een gevoel van frustratie delen met de moderne maatschappij. En naar het lijkt niet zonder reden. Achteraf moet je concluderen dat deze groep helaas één belangrijk kenmerk mist van de oude ‘kleine luyden’: een wenkend perspectief om het door hard werken beter te kunnen krijgen, ook voor de volgende generatie. Voor sommigen wenkt dat perspectief wel, niet in het minst in de migrantengemeenschap, maar de barrières blijken te hoog om ze zonder zelf-organiserend vermogen te boven te komen (zie mij voorstel:). Voor anderen, doorgaans van mijn eigen babyboom generatie, lijkt het eerder een kwestie van vooral bevestigend willen worden in het eigen ongeluk en is machteloze boosheid een houding geworden. Dat zijn de werkelijk deplorabelen. Een bron van nieuw elan, van emancipatie, zijn beide deelgroepen helaas niet geworden. De intentie was goed, maar leidde richting een doodlopende weg. Het zal waarschijnlijk ook de macht van een enkele partij te boven gaan, reden waarom de fragmentatie van partijen meer dan alleen een beetje hinderlijk is.

Er zijn twee lessen. De eerste is een algemene: redeneer vanuit je eigen waarden, niet vanuit bevolkingskenmerken. Doe dat hoogstens in het ‘fine tunen’ van je boodschap tijdens een campagne. Een algemene boodschap moet altijd op maat worden gemaakt en daar kunnen data-analyses een goede dienst bij bewijzen.

Maar het is niet waar het start. Een partij met waarden als het CDA, die haar draagvlak zo breed mogelijk wil hebben, doet er goed aan ook voorbij de kop van het persbericht van SCP naar de onderliggende analyse te gaan. Binnen dit beperkte kader wil ik dan vooral wijzen op het verschil tussen wat Nederlanders denken wat ze met elkaar gemeen hebben – en dat is veel, door het SCP verzameld in 14 dimensies – en de mate waarin die dingen zorgen voor een gevoel van verbondenheid met Nederland. Dat wil dus zeggen: ze kunnen een gevoel van gemeenschappelijkheid actief oproepen. De spreiding daarin is bij deze tabel 7.2. beslis groter dan bij de vraag naar wat ‘typerend’ is voor Nederland (7.1).

Het is moeilijk de verleiding te weerstaan diep in de tabel en de onderliggende data te duiken. Maar voor wie vooral bij de massa aan wil sluiten, is de lijn wel duidelijk. Ben je als partij ‘data-driven’, dan ga je voor de symbolen, tradities en sportprestaties waarop onze burgers zich betrokken voelen en weet je dat je in ieder geval één ding niet moet doen: islamitische tradities koesteren. Dat laatste lijkt echt een zelfmoordstrategie.

En dit geeft wat mij betreft gelijk al aan waarom een volwassen partij niet zonder meer in deze benadering stapt. Doe je dat namelijk wel, dan zal je vroeg of laat in ieder geval merken dat je als partij te weinig onderscheidend bent. Elke partij die het niet meer weet – en dat zijn er velen – zullen naar de mediaan van het tabelletje gaan en daar denken dat ze kunnen gaan oogsten. Het zal ze tegenvallen. Wie de geschiedenis van de eigen partij kent, weet dat ze is gegroeid vanuit een destijds nieuw verhaal, waarin de partij zich onderscheidde en juist een mogelijkheid voor ontwikkeling werd geboden. Dus eerst tegengesteld denken, voordat je gaat zitten waar iedereen al wil zitten. En dat vergt weer eigenwijsheid en de bereidheid om eerst een minderheidspositie in de te nemen. De Joods-Christelijke traditie omarmen – jawel, samen met de Islamitische traditie – en het accent op deugde te leggen, zou daarom best wel eens vruchtbaar kunnen zijn. Of ik p zo’n partij ga stemmen? Dat weet ik niet, maar ik beschouw mijzelf dan ook helemaal niet als een typische CDA’er. Het hoogste nut van tabellen als deze is dat ze je laten nadenken over wie je bent en waar je voor staat. Laat de koppen maar voor wat ze zijn: op statistieken gebouwde wegwijzers richting de mist.

Peter Noordhoek

Een coalitie die we niet moeten willen

Commentaar bij de coalitieonderhandelingen in Zuid-Holland

Op basis van de ingewikkelde uitslag van de provinciale statenverkiezingen van 2019, waarin het CDA in Zuid-Holland helaas relatief slecht presteerde, moeten er nu onderhandelingen worden gevoerd om tot een werkbare coalitie te komen. Het initiatief daarvoor ligt bij de winnaar van de verkiezingen, de nieuwe partij Forum voor Democratie (FvD). Vrij snel hebben de fracties van VVD en CDA te kennen gegeven dat ze willen onderhandelen met FvD en recent hebben ook CU/SGP hetzelfde aangegeven.

Binnen mijn partij, het CDA, hebben lijsttrekker en onderhandelaar Adri Bom-Lemstra en Meindert Stolk, de fractievoorzitter, in een kort na de verkiezingen gehouden algemeen bestuur uitleg over de gekozen koers gegeven. Het is daarna niet rustiger geworden. Om die reden heb ik onlangs een brief aan beide bestuurders gericht en aan Relus Breeuwsma, de voorzitter van CDA Zuid-Holland. De brief heb ik hieronder, zoals aangekondigd, vertaald in een soort blog. Op 4 juni is er een Algemene Ledenvergadering en dan wil ik niet dat iemand verrast is over mijn mening. Die mening start met een brief en gaat na die brief verder met een afweging over de vraag of structurele samenwerking wel aan de orde kan zijn, wat samenwerking zegt over onze koers als partij en waar uiteindelijk de ondergrens ligt.

Een brief

Aan fractie en bestuur CDA Zuid-Holland

Gouda, 25 mei 2019

Beste Adri, Meindert en Relus,

Op 23 maart jl. vonden de provinciale statenverkiezingen plaats. Ik had die dag een bijeenkomst in Brussel over het lidmaatschap van Fidesz en was pas zo laat in Nederland terug dat ik alleen nog een klein stukje van de landelijke slotavond heb meegemaakt en niets van jullie avond. Ik heb met Zuid-Holland triomfen en nederlagen meegemaakt en dat niet aanwezig zijn voelde heel verkeerd; ik had jullie graag een hart onder de riem gestoken.
Het zal een van de redenen zijn dat ik mij de afgelopen weken stil heb gehouden over jullie coalitieonderhandelingen, maar ik wil nu niet langer stil blijven. Het is in mijn ogen tijd om een knoop door te hakken ten aanzien van de deelname van Forum voor Democratie aan een mogelijke coalitie. Eerst neem ik jullie graag mee in mijn afwegingen, omdat ik denk dat de motivatie van belang is en ik mij goed voor kan stellen dat jullie al zo ver in het traject zitten dat elk commentaar nu als mosterd na de maaltijd voelt. Zo is het zeker niet bedoeld.

Wat ik goed vond aan jullie benadering is dat jullie Forum niet direct op de hoop van de PVV hebben gegooid. Het aantal op Forum uitgebrachte stemmen (de grootste partij!) en de pure onduidelijkheid over hun intenties rechtvaardigden dat. Elke nieuwe partij verdient een kans. Op die basis heeft ook de SP in het verleden kansen gekregen en je kan allerlei kritiek op deze partij hebben (zeker naar aanleiding van het Brusselmans filmpje), maar ze hebben ook vaak goede bestuurders geleverd. De sleutelvraag of Forum een PVV of SP-achtige partij is, werd door jullie bij de algemeen bestuursvergadering van Zuid-Holland kort na de uitslag stevig in de laatste zin beantwoord: ze onderhandelen constructief en sluiten zich aan bij onze inhoudelijke lijn. OK, het is aan jullie.

De twijfel begon de zaterdag erna bij het interview van Otten in het NRC en de daaropvolgende machtsstrijd. Deze werd duidelijk gewonnen door Baudet. Dag SP-scenario, is dan de logische conclusie. Een conclusie die sindsdien alleen maar is versterkt.

Twijfel kwam ook bij de realisatie dat een onderhandelaar als Rob Roos kandidaat was voor zowel PS, GS, EK, EP-kandidaat als bestuurslid en daar kennelijk geen staatkundig probleem in ziet. Het roept ook de vraag op met wie wordt onderhandeld en wat het echte scenario in de onderhandelingen is.
Vervolgens krijgen we dan richting de EP-verkiezingen een reeks typische Baudet-incidenten: de retweet van het ‘Wir Haben es Nicht Gewust’ filmpje, de recensie met discriminerende tendensen en in het debat met Rutte de MH-17 uitspraken, etc..

Dat alles is nog tot daaraantoe, maar echt beslissend is de koppeling die met name door Rutte expliciet wordt gelegd tussen de onderhandelingen in Zuid-Holland en de uitlatingen van Baudet. De Zuid-Hollandse coalitie is in deze verkiezingen Chefsache geworden.

Besef wat dat betekent. Ik ben nu de biografie van ben Knapen over Oldenbarnevelt, de raadspensionaris van Holland, aan het lezen en dit zijn de momenten, nu zeldzaam, dat je opeens weer weet: “Je hebt Holland en dan is er de rest.” Zuid-Holland is van alle provincies de provincie die niet de illusie moet hebben dat wat hier gebeurt geen impact heeft op het landelijke en andersom. Richting volgende verkiezingen kan dus op landelijk niveau niet vrij worden geopereerd zolang er een samenwerking met FvD is. Je kan verwijzen naar de situatie met de PVV tijdens Rutte I, maar dat is echt anders: toen stond wat in Z-H gebeurde in de schaduw van deelname van het PVV aan dat kabinet. Kortom; deelname van FvD aan de coalitie in Zuid-Holland heeft impact op het landelijke en dat is nadelig als we afstand nemen richting Baudet en zijn ploeg. Waarom zouden we die ballast met ons willen meedragen? Zeker niet nu Baudet zich ook weer van zijn kwetsbare kant heeft laten zien in de Europese verkiezingen.

In deze nieuwe situatie wordt de ruimte te klein om nog door te gaan met de onderhandelingen inclusief FvD. Ik weet niet welke conclusie de andere deelnemende partijen zullen trekken, maar mijn advies is om dat niet af te wachten.

(…)

Sterkte met de afweging,

Met de allerbeste groeten,

Peter Noordhoek

Een vriendelijk antwoord

In antwoord op mijn brief heb ik een vriendelijke mail in antwoord gekregen: “Peter, dank voor het heldere signaal. Ik heb het gedeeld met de fractie. Je hebt gelijk dat een zorgvuldige afweging op zijn plaats is. Dat is ook wat de fractie doet en waar wij verantwoording over zullen afleggen aan onze leden. Op de ALV volgende week zal ik graag een toelichting geven.”

Het is een correcte mail, maar een die natuurlijk de nieuwsgierigheid oproept naar wat dan wel de uitkomst van de afweging wordt. Belangrijk hier is het ‘Verantwoording afleggen’. Dit is correct. Het is aan de fractie om een besluit te nemen over deelname aan een bepaalde coalitie en het onderliggende akkoord. Op 4 juni is er een ALV van het CDA Zuid-Holland en deze gaat dus niet over de beslissing zelf. Dat is op zich ook logisch: wij als leden kunnen niet alle dimensies van de gesprekken overzien. Dit is echter wel het moment waarop wij, gehoord de verantwoording, aan de onderhandelaars mee kunnen en moeten geven hoe we als leden tegen een samenwerking met FvD aankijken mocht dat nog steeds de ingezette lijn zijn.

Geen structurele samenwerking met een stuiterbal

Daarbij zou ik overigens een onderscheid willen maken tussen structurele samenwerking met Forum in het kader van een coalitie, of meer incidenteel samenwerking zoeken per dossier of stemming. Dat laatste kan altijd en met elke partij. Maar bij een structureel samenwerking moet bedacht worden dat Forum nu nog een heel jonge partij is en de antecedenten zijn niet goed. Voorganger Thierry Baudet ken ik van wat debatten, maar vooral door het referendum over Oekraïne. Hij is medeverantwoordelijk geweest voor een campagne waarin is samengewerkt met Cambridge Analytics en er zeer waarschijnlijk Russische invloed is geweest. Heeft de vos zijn streken echt verleerd? Daarbij is hij er in geslaagd om tussen de verkiezingen in maart en mei een half miljoen kiezers te verliezen. Dat is nogal wat binnen twee maanden. Het lijkt me verstandig om even een paar jaartjes af te wachten voordat structurele samenwerking wordt gezocht met een partij die toch echt meer dan een stuiterbal of een raider moet zijn.

Consequenties van een politieke middenkoers

De goede lezer heeft ondertussen gezien dat ik in mijn brief geen inhoudelijk standpunt heb ingenomen: ik wijs vooral op enkele afwegingen die volgens mij relevant zijn voor een goed besluit. Beslist de fractie anders, dan is dat hun goed recht. Dat betekent echter niet dat ik die inhoudelijke standpunten niet heb. Ik voel mij nu vrij die hier te geven.

Dat doe ik vanuit de gedachte dat het CDA terug moet naar het politieke midden. Mogen er dan geen ‘rechtse’ of conservatieve dingen meer worden gezegd? Natuurlijk wel: onze lijn ten aanzien van bijvoorbeeld veiligheid, defensie en ondernemerschap mag gehoord worden. Laten we vooral de belastingdruk lager krijgen en zorgen dat we ook veel meer aan bureaucratiebestrijding doen. Als dat een ‘rechts’ geluid is: laat het horen. Maar in een goede middenpartij gaat dat vergezeld van een stevig sociaal geluid en is er altijd ruimte voor medemenselijkheid en mededogen, ook als het om migranten gaat. Als dat ‘links’ of progressief is, is dat prima. Als het maar beide gebeurt. Maar er moet ook meer gebeuren en dan bij uitstek op het terrein van duurzaamheid.

Bij een middenpartij hoort ook – hoort juist – een helder geluid. Laat ik er een afgeven. Mijn ‘babyboom’ generatie heeft het grootste deel van het leven economische meewind gehad en eigenlijk nooit ergens voor hoeven te vechten. Nu er dan wat te vechten is – hoe gaan we om met de klimaatverandering? – verschuilen we ons te makkelijk achter gelegenheidsargumenten om maar niet te hoeven veranderen. De goede niet ten kwade gesproken, maar ik geneer me dood. Daarbij moeten we ons realiseren dat, zeker in Zuid-Holland, de toekomst aan de stad is en aan de jongeren. Die hebben andere prioriteiten, zeker als het om duurzaamheid en leefbaarheid gaat. Dat vraagt onmiskenbaar om een andere positie en profiel dan we als CDA nu hebben. We zullen de partij van rentmeesterschap zijn, of we zullen niet zijn. En dus, in alle pragmatiek, daar past geen coalitie met klimaatontkenners bij.

Wat ons onderscheid

Wat ons als CDA ten slotte zou moeten onderscheiden, is het idee dat mensen verantwoordelijkheid nemen en de gemeenschappelijkheid zoeken. En daarin zit dan tegelijk ook onze ondergrens. We moeten niet elke nieuwe partij als extreem gaan beschouwen, maar Arnhem heeft ons geleerd om bij twijfel afstand te houden. Of beter nog, Angela Merkel navolgen door expliciet te zeggen dat we ons niet verbinden met populisten en extremisten. Let dan op hoe het nu gaat. Ben je voor verantwoordelijkheid nemen, dan herken je het als iemand schuld en verantwoordelijkheid juist steeds afschuift (of geen verantwoordelijkheid neemt voor de eigen woorden). Zoek je de gemeenschappelijkheid, dan zie je het wanneer verdeeldheid wordt gezaaid en in onwaarachtigheden wordt gehandeld. Dan maak je onderscheid. Dan blijf je ver van het Forum van Thierry Baudet.

Peter Noordhoek

Over promoveren: aanleiding, bronnen, feest en verder

Ik promoveerde op maandag 15 april 2019. Daarna vierden we het. Op de dinsdagochtend sliepen we uit en maakten we een boswandeling. Aan het einde van de dag waren we weer thuis en werkten we weer. Woensdag, donderdag en vrijdag had ik audits door het land heen. Bij de start van het Paasweekend was ik vooral moe. Zo moe. Maar ook tevreden? Oh, zo tevreden. Maar over wat? Kent u dat het gevoel van een kind als het met zijn of haar armen een grote boom wil omvatten? Het lukt niet, de armen bereiken elkaar niet. Inmiddels hebben we een korte vakantie achter de rug. Dat gevoel is er nog steeds, maar het wordt ook tijd om er wat aan te doen. Hier wordt de lezer geïnformeerd over (een samenvatting van) de inhoud, de bronnen voor de originele studies, de aanleiding voor de promotie en een beschrijving van de dag zelf, samen met foto’s. Dus: aan het begin de inhoud, aan het einde de sfeer.

AANLEIDING

In augustus 1984 studeerde ik af aan de Leidse universiteit. Aris van Braam, mijn hoogleraar zei, duim en wijsvinger bijna helemaal naar elkaar toeknijpend, “Je bent zo dichtbij, een kwestie van wat je hebt van wat extra literatuur voorzien.” Het is me toen niet gelukt. Een kwestie van omstandigheden, een kwestie van niet willen volstaan met het minimale. In 2011, midden in de crisis, publiceerde ik een boek over de reactie van branche- en beroepsverenigingen op de incidenten die de crisis met zich mee bracht. Het was een praktisch bedoeld boek over ‘Branchebrede kwaliteit’, puttend uit mijn concrete ervaringen. Tegelijk liep ik tegen een aantal opmerkelijke zaken aan. Zaken, zoals het aantal verenigingen en wat nu echt hun aard was, waarop geen sluitende antwoorden bestonden. En toen werd een hoogleraar op mij afgestuurd, John Rijsman. En hij zei: “Je bent zo dichtbij, een kwestie van wat je hebt van wat extra literatuur voorzien.” Ik luisterde, maar dacht ook: dit is mij eerder gebeurd en het is niet waar wat hij zegt, want er moet nog zoveel opnieuw worden bedacht. Maar dat was wel precies wat ik wilde. Ik wilde reflecteren op mijn praktijk, wilde fundamentele dingen aan de orde stellen. Ik wilde ogen openen, te beginnen met de mijne. En dat werd de start van een nieuw traject. John Rijsman bleef mij met zachte hand naar het doel leiden. Een andere hoogleraar, Teun Hardjono, vroeg ik om mij scherp te houden op de kwaliteitsdimensie van mijn verhaal, maar bleek vooral belangrijk omdat hij mij methodologisch strakker zou maken. Maar het blijft een wonder dat het er nu ligt. Alleen in september 2017 heb ik een weekje vrij genomen, de rest van de tijd heb ik geschreven in de momenten tussen werk, privé en hobby (CDA) in. Op dit moment heb ik geen idee meer hoe ik dat heb gedaan.

WEGWIJZER

Het ligt er en dit is waarschijnlijk geen slecht moment om nieuwsgierige mensen de weg te wijzen in wat ik in mijn verdediging heb laten testen. Vooraf; ik reken nergens op. Boeken lezen wordt steeds minder gedaan en van alle soorten boeken worden dissertaties waarschijnlijk het minste gelezen. Natuurlijk vind ik dat mijn tekst de grote uitzondering op die regel hoort te zijn, maar ondertussen ga ik mijn best doen om vooral de verschillende elementen ervan naar voren te brengen in de komende jaren. Easy does it. In deze tekst verwen ik mijzelf nog. Hier geef ik aan wat de belangrijkste inhoudelijke elementen van de dissertatie aan, de bronnen, en deel links naar verschillende onderdelen, voor zover nu beschikbaar. Verder deel ik via video, foto’s en een korte tekst de momenten van een voor mij geweldige dag en wat daar aan vooraf ging. Misschien dat ik bij wat jongere – en oudere – mensen die een dissertatie vanuit de praktijk overwegen iets van enthousiasme los kan maken. En tot slot sta ik nog even stil bij de vraag van ‘En nu?’

BRONNEN

De dissertatie bestaat uit een hoofdtekst en vier bijlagen.

Lees hier een samenvatting van de gehele studie: Noordhoek – publiekssamenvatting Trusting Associations 20190320
Voor hier een samenvatting van de deelstudie over het notariaat: Publiekssamenvatting ‘Werken aan het notarieel tekort’

De totale studie (800 p.) is te downloaden via de portal van de universiteit Tilburg. Op een deel (casus notariaat) berust nog een embargo tot 15 april 2020. Via de auteur is de studie in boekvorm en per onderdeel verkrijgbaar. Via zijn social media-uitingen zijn ook vervolgpublicaties verkrijgbaar. Vragen staat altijd vrij: info@northedge.nl.

Omdat de hoofdtekst Nederland overstijgend is, is het een Engelstalige “Main study” geworden. Dit omvat een Nederlandse samenvatting. De titel is gelijk aan de totale dissertatie: “Trusting Associations. A Surgent Approach to Quality Improvement in Associations.” De intentie is om de main study via blogs en artikelen naar het Nederlands toe te vertalen. Deze main study is te bestellen via mijn nieuwe persoonlijke website (nog in aanbouw): www.meerdannu.nl. Daar ook in een digitale versie en natuurlijk ook via dit ISBN-nummer: 978 90 5294 2957.

De dissertatie omvat verder nog drie casussen:

  • “Voorbij het minimum” – de casus over de openbare bibliotheken (VOB)
  • “Werken aan het notarieel tekort.” – de casus over het notariaat (KNB)
  • “Meerwaarde in vele ogen” – de casus over makelaars en taxateurs (NVM)
    Plus een bijlage met een overzicht van 200+ verschillende ‘Kwaliteitsinterventies’.

Elk van deze bijlagen is apart in te zien of te bestellen via de bovenstaande adressen, c.q. links, met uitzondering van de al genoemde casus over het notariaat. Deze casus verschijnt onder de titel “Werken aan het notarieel tekort” op 23 mei 2019 als aparte uitgave van Wolters Kluwer in de serie Ars Notariatus via ISBN 9789013153903 en te bestellen via de site van Wolters Kluwer of andere uitgevers.

Hier de video van het verdedigen van het proefschrift.

DE DAG

Promoveren op de je 61e geeft waarschijnlijk veel minder stress dan op een jongere leeftijd. Anders kan ik niet goed verklaren hoe relatief ontspannen ik naar de dag heb toegeleefd en de eigenlijke verdediging mocht beleven. Voor aanvang was ik verstrooid genoeg om eerst mijn rokkostuum bijna te vergeten en daarna mij usb-stick met presentatie. Als ik op mijn woorden focus, blijft er vrees ik te weinig aandacht over voor de gewone dingen. Dank aan Monique, Twan, Marc (Muntinga, paranimf l.), Mark, Geert, Peter, Brigitte, Bert (de Beijer, paranimf r.) en natuurlijk Loes en de pedel voor het oppakken van alles waar ik niet aan wilde denken.

Maar mijn publiekspraatje ging me vlot genoeg af. Kijk vooral naar het verslag en zie het als een impressie van het totaal, niet als een letterlijke samenvatting.

Tegen het einde van mijn publiekspraatje (ca. minuut 12) zag ik dat de hoogleraren er ook zin in kregen. De vragen die daarna op mij af werden gevuurd waren stevig, maar ook stevig in de zin dat ik er graag mijn tanden in zette. Er ontstond steeds meer een echte sfeer voor debat en dat was natuurlijk naar de zin van iedereen; die procedures zijn soms nodig, maar helpen niet bij de levendigheid. Het was mooi om aan de hoogleraren te merken hoe betrokken ze waren geraakt bij mijn werk en het recht wilden doen. Als ik een kanttekening heb, dan is het deze: de meeste vragen gingen of over kwaliteitszorg of waren methodologisch van aard en daardoor kwamen zaken die meer met verenigingen of toezichtkwesties te maken hadden er wellicht wat te bekaaid van af, maar gegeven de omvang en samenstelling van de commissie had dat ook waarschijnlijk niet anders gekund. Ondertussen ging er al heel wat over tafel.

Toen het “Hora est” klonk, was dat tot groot ongenoegen van de hooggeleerde Henk de Haan, die juist een vraag had willen stellen en deze volgens Tilburgs gebruik niet af mocht maken. Henk de Haan – degene die ooit als enige Kamerlid had gewaarschuwd tegen de toetreding van Griekenland tot de Euro – liet zich niet zomaar het woord ontzeggen, maar op vreemd grondgebied moest de Groningen toch zijn vraag intrekken. Het gaf iets weer van de betrokkenheid van iedereen. Na het terugtrekken van de hoogleraren werd mij de bul overhandigd door copromotor Teun Hardjono en kreeg ik een ‘laudatio’ van mijn promotor John Rijsman (minuut xx en verder). Dat laudatio was, naar ik later begreep, ongebruikelijk indringend. Het sprak de verwachting uit dat mijn promotie van grote betekenis zou zijn. Het legde ook de verwachting op mij dat ik ook op academisch niveau nog het nodige zou gaan betekenen, maar daar wilde ik mij niet door laten belasten. Wat ik wel op mijn schouders gelegd voelde worden was de verantwoordelijkheid om in de zin van mijn proefschrift door te gaan en in de wetenschapstraditie van de sociaal-psychologie van de universiteit Tilburg te treden zoals John Rijsman die heeft voorgestaan of in ieder geval in de wetenschapsfilosofische benadering zoals ik die ooit met Rijsman, Hardjono en Noordergraaf heb gedeeld. Een mooier einde van de ceremonie kon ik mij persoonlijk niet wensen.

Of toch wel? Na afloop, na de erehaag en de groepsfoto volgden de momenten waar ik, samen met Loes, ook echt naar uitkeken, de gesprekken. Het mooie was dat mensen uit bijna alle fasen van mijn leven aanwezig waren. In de cortège was professor Bertien Collette, hoogleraar epidemiologie die o.a. in Nederland de screening op baarmoederhals- en borstkanker georganiseerd heeft en de eerste voorzitter van de vereniging van vrouwelijke hoogleraren in Nederland. Voor mij was ze echter vooral ‘tante’ Bertien, de huisarts met wie mijn ouders huis en praktijk deelden en waarin ik vanaf mijn 2eover de vloer kwam. Mijn ouders zijn beiden al overleden en dan is voor mij (en mijn ook aanwezige zus Marion) onbetaalbaar om haar er nog bij te hebben. En zo waren er allemaal mensen die voor mij in mijn leven van betekenis waren en zijn; de leraar van de lagere school, de vrienden van de middelbare school, de collega van de vakgroep Bestuurskunde in Leiden, enzovoort, enzovoort tot en met de opdrachtgevers, collega-bestuursleden, politieke, zakelijke en andere vrienden van nu. De katholieken zeggen dit het beste: ik ben een gezegend mens. En dan heb ik Loes en Twan ook nog.

EN NU?

Was ik eerder gepromoveerd, dan had ik er waarschijnlijk een toren van verwachtingen op gebouwd. Misschien is het maar goed dat dit niet is gebeurd. Het promoveren is de afgelopen jaren in zekere zin bijzaak geworden. Ik had het niet volgehouden als ik er niet zo’n enorm krachtige manier aan over gehouden had om te reflecteren op mijn werk en alles wat daar mee te maken heeft. De promotie heeft door de jaren heen mij gedwongen te blijven analyseren op een hoger, dieper niveau dan anders was gebeurd. Carrièreverwachtingen zijn echter ver op de achtergrond gekomen. De grap is, dat ongeveer drie maanden voor het promoveren het er wel degelijk op gaat lijken dat ik het nodige met de materie ga doen. Het is nog te vroeg om daar al iets over te publiceren, maar ik kijk al uit naar spannende nieuwe activiteiten.

Peter Noordhoek (die ergens onderweg een ‘s’ heeft verloren)

Een steeds hechter verband … mogen we hopen

Op 25 april is een motie van SGP/CU in de Tweede Kamer aangenomen waarin wordt gevraagd de zinsnede “Een steeds hechter verband” (“an ever closer union”) uit de EU-verdragen te schrappen. Tot de partijen die dit steunen behoren naast de SP en de VVD ook mijn eigen CDA.
Dit vraagt om een scherpe reactie, zeker richting het CDA, maar ook de andere partijen mogen zich bezinnen.

De motivatie voor de motie is de overweging dat ‘talloze burgers’ zich niet thuis voelen in een unie als ‘steeds hechter verband’. De dreiging van een federale staat zou er in verscholen zijn. De eerste vraag is waar die ‘talloze’ burgers zijn en of het dezelfde zijn die in een recente peiling met meer dan 90% aangeven het bestaan van de unie een goede zaak te vinden. De tweede vraag is of hier geen sprake is van een herhaling van de oude truc om slechts in halve waarheden over de unie te spreken. In dit geval van een halve zin, want de rest van de zin luidt: “waarin besluiten zo dicht mogelijk bij de burgers worden genomen in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel.”

Het maakt het tot een ronduit populistische motie, al te makkelijk in het licht van de Europese verkiezingen. Mijn partij zou beter moeten weten, om meerdere redenen en dat bij een nadere behandeling laten weten.

De eerste reden ligt in het verleden.
De grondleggers van het CDA waren geen mensen voor grote constructies. Integendeel. ‘subsidiariteit’ het katholieke kernbegrip op basis waarvan beslissingen zo laag mogelijk moesten worden gelegd. Het ‘souvereiniteit in kleine kring’ zegt in grote lijnen hetzelfde voor het protestantse deel. De vorming van het CDA gebeurde echter in de schaduw van Wereldoorlog en koude oorlog. De oprichters voelden in hun botten dat er ook een groter verband nodig was om het kleine kans te geven. Ze snapten dat grotere staten alleen weer groot mochten worden mits ze ingekapseld zouden worden in kleinere staten. Die paradox laat zich moeilijk uitleggen aan ‘de’ burgers, maar er zijn gelukkig altijd ook ‘talloze’ burgers die het wel snapten en snappen.

De tweede reden ligt in een aantal vragen richting de toekomst:
• Zijn we klaar voor de economische kracht van China?
• Hebben we de cyberaanvallen vanuit Rusland al onder de knie?
• Zijn we al klaar om te concurreren met de Googles en Facebooks van deze wereld?
• Halen we onze eigen energiedoelstellingen al?
• Hebben we al een waterdichte migratiestrategie?
• Voelen we ons veilig genoeg, hier in ons mooie Nederland? In Europa?

Weet u, ik heb het aardig gehad met dat softe nationalisme van ons. Dat wazige gedoe dat heil verwacht van het achter de nationale dijken kruipen. Het onszelf klein en zielig maken (een ‘puinhoop’), terwijl iedereen naar ons kijkt als kampioenen. Laten we scherper uit onze ogen kijken, bewust van onze kracht. Echte nationalisten zijn Europeanen.
Geen enkele van de hier gestelde vragen laat zich immers als land alleen beantwoorden. Voor alle vragen hebben we iets nodig. Gelukkig is dat iets er: Europa. Uiteindelijk geen groter instituut, maar een ‘hechter verband’. Of dat ooit richting dat kennelijk vreselijke perspectief van een federatie gaat; wie zal het zeggen? De Verenigde Staten deden er ruwweg een eeuw over voor dat ze echt snapten wat daar voor nodig was en zolang zijn wij nog niet bezig. Wat wel kan worden voorzien, is dat als we dat niet naar elkaar hardop zeggen, die wens van een hechter verband, we in een mum van tijd weer terug zijn bij het duiken achter de dijken. Terug bij de situatie waarin we alle lastige klussen overlaten aan ‘Brussel’ en niet eerlijk zijn over onze eigen rol. En dan verbaasd zijn als we met z’n allen onze doelen niet halen.

Het ‘steeds hechter verband’ is de hoeksteen van de Europese familie. Schrap die en het eigen verleden wordt verloochend en de toekomst niet gezien.

Peter Noordhoek

Provinciale Statenverkiezingen in 2019: over dralers, draaiers en doorbraken

Afgelopen woensdag heb ik gestemd. Veel gestemd. Tweemaal Provinciale Staten, tweemaal Waterschappen en dat tweemaal, voor zowel namens mijn vrouw als mijzelf. Indirect dus ook twee stemmen voor de Eerste Kamer. En aan het einde van de middag mocht ik nog een keer stemmen: als lid van de CDA-delegatie die in EVP-verband over de positie van Fidesz van Orban moest beslissen. Allemaal individuele stemmen, met zeker bij de laatste stemming het gevoel dat jouw stem er toe doet. En dan ga je als een haas terug van Brussel naar Nederland, pakt de auto naar Den Haag en kom je laat een uitslagenavond binnen en dan realiseer je je dat jouw stemmen van de ochtend er slechts een paar uit miljoenen is. En dat tot een uitslag leidt die jij niet wil. Hoe dat te duiden? Voor mijn partij, het CDA, is er sprake van een verwachte nederlaag. Het beeld daarachter is diffuus, met een mix van uitkomsten die ergens tussen ‘bar slecht’ en ‘valt mee’ uitkomen. Dit is dan toch mijn eerste duiding, waarbij ik graag eerst stil wil staan bij iemand die in relatieve stilte heel veel voor het CDA, Nederland en Europa heeft gedaan.

Andriessen heen

Frans Andriessen is overleden. Een voetnoot bij een woeste week, maar toch wel het beste om als eerste bij stil te staan. Hij is nu onderdeel van de statistiek geworden van overleden leden. Maar hij blijft ook wat het CDA groot maakt: een partij die bestuurders voortbrengt vol stille kracht. Hij was zowel pragmatisch als principieel, betrokken als trouw. Frans zou altijd loyaal blijven aan het CDA. Ook ver nadat hij zichzelf uit de politiek had gehaald door zijn ontslagbrief te schrijven, bleef hij op CDA-bijeenkomsten komen en zijn mening naar beste weten geven, daarbij een schat aan Europese ervaring meenemend. En achteraf had hij steeds gelijk. Dat hij het niet daadwerkelijk kreeg had met zijn houding te maken: superdeskundig, soms belerend, maar ook bescheiden en droog, zeker voor een katholiek. En nu is hij dus een statistiek geworden in het drama van zowel KVP als CDA; weer een lid minder door overlijden. Wie gaat hem vervangen? Wat moeten zijn opvolgers doen in een situatie als waar we nu voor staan? Een paar overwegingen.

Eerste analyse verkiezingen

Het CDA is niet zover teruggevallen als op basis van de peilingen gedacht. Hoewel Maurice de Hond als beste de totaaluitslag heeft voorspeld, was hij juist degene die dacht dat de hoge opkomst ten nadele van het CDA zou gaan. Intern werd vermoed dat FvD het meest zou profiteren van de Tv-debatten en de aanslag in Utrecht, met het CDA als grootste slachtoffer. Dat het niet zo is uitgepakt is m.i. weer de verdienste van enkele sterke regio’s en de vele persoonlijke campagnes. Complimenten aan alle harde werkers. De basis wordt smaller, maar is nog wel sterk. Anders gezegd: lokaal redt wat landelijk niet lukt. Ondertussen wordt de positie in de gebieden die we uiteindelijk nodig hebben voor groei moeilijker toegankelijk: middelgrote en grote steden en verstedelijkte gebieden, daar waar we de diversiteit moeten vinden die een volkspartij hoort te onderscheiden van andere partijen.

Oh, oh, die boodschap

Onze grote verhalen slaan niet aan, de kleine wel.

Voor grote verhalen moet er slagkracht zijn, voor het kleinere contact. De menselijke maat zit in het laatste en heeft bijvoorbeeld via het ‘goede morgen’ wellicht gewerkt op lokaal niveau. Met alle scepsis over provincie en waterschappen; voor onze partij mag duidelijk zijn dat veel van onze kandidaten gewonnen hebben door persoon per persoon, verhaal per verhaal, het campagnewerk te doen. De kleine verhalen kloppen.

Het gehoopte grote verhaal, gemotiveerd vanuit de op zich terechte zorg voor de bezorgde burger, bleef veel te droog voor de ‘Veenbrand’ waar Kim Putters het over heeft. Het vertaalde zich in een eenzijdig ‘rechtse’ boodschap over een veel te lange periode (van Verhagen tot nu). Wat het ons in 2017 misschien heeft opgeleverd, was nu zeker weg, behalve in Limburg, waar een eigen koers werd uitgezet.

De draai en de dralers

Heeft de draai op punten als kinderpardon en klimaatbeleid geholpen voor een beter resultaat bij de kiezers? Nee, natuurlijk niet. Eén zwaluw maakt nog geen zomer en de draai op het punt van het kinderpardon is too little, too late geweest. De zwenking van de coalitie ten aanzien van het klimaatakkoord stond haaks op de waarschuwende toon van Buma en de provinciale lijsttrekkers. Onze positie is veel te weinig verklaard vanuit een authentieke keuze voor rentmeesterschap. Pragmatisme verdronk de principiële keuze. Ondertussen zal het verleidelijk zijn de nederlaag te wijten aan een groep domme linkse mensen in de achterban. Nu is er door een aantal groepen inderdaad hard en continue gedramd, maar daar stond een onvermogen van de partijleiding tegenover om iets met de signalen te doen. Zozeer, dat ook de bruggenbouwers in de partij (laat ik voor mijzelf spreken) op een gegeven moment niet anders dan consequent op de inhoud konden zijn en de kritische leden steunen. Daar stond vanuit diezelfde partijleiding geen effectief en daadkrachtig verhaal naast, gevangen als de fractie zich voelde in het coalitieakkoord. Het gevolg: een te lang dralen en te laat tot een doorbraak gebrachte beleidskeuzes.

De doorbraak en de doeners

De opgave is nu om van de draai een echte doorbraak te maken naar een nieuwe middenkoers met bijpassende energie.

En helaas, over die nieuwe koers kan zorg zijn. Als we deze coalitie voort willen zetten in een situatie met een minderheid in de Eerste Kamer en meerderheden die in de praktijk vooral op links gezocht moeten worden, dan verwacht ik op dit moment weinig anders van de huidige fractie dan een remmende rol. De natuurlijk houding van Buma versterkt dit. Dan definiëren we ons dus al snel door een negatieve rol, onderbroken door incidentele ‘draaien’, daar waar het de achterban echt te ver gaat. Terwijl de partij en WI werken aan een nieuwe koers, is wat van de fractie gevraagd wordt juist een activistische rol: initiërend, activerend, voortrekkend en flexibel. Erg gericht op concrete dingen en initiatieven (daar hebben we wel degelijk de fractie voor), maar daarnaast met hoopgevende toon; tegen de kramp, tegen de angst.

Een klassiek voorbeeld van het tegenovergestelde, is wat er gebeurde met de congresresolutie die de relatie met Fidesz aan de orde stelde. Mede door de overreactie van Fidesz, werd dat het begin van een beweging die binnen de grootste Europese politieke partijfamilie, de EVP, heeft geleid tot een schorsing van Fidesz en, hoe hij het ook draait, een forse nederlaag van Orban. Zijn houding van bluf werd doorgeprikt. Dat hebben wij als CDA in gang gezet, niemand anders. Maar in plaats van die daadkracht te laten zien en de voortrekkersrol te vieren, hebben we moeten meemaken dat alle berichtgeving over ons initiatief en het succes ervan intern werd weggemoffeld. Waarom? Kort samengevat: angst. Als altijd, een slechte raadgever. Het CDA is de doener, niet de VVD.

De vastgedraaide draaier

En geen misverstand: de grootste electorale concurrent is de VVD en niet Forum of PVV. Een concurrent die het alleen maar moeilijker gaat krijgen. De echte grote draaier is deze keer Rutte met het klimaatakkoord geweest. Een opvallende wending naar links die als briljant werd gekenschetst door Tom-Jan Meeus en andere duiders. Wellicht is het ook precies de draai die een aankomend minderheidskabinet nodig heeft om te kunnen overleven en voor de VVD om de wending van het CDA richting het midden af te snijden, maar richting landelijke verkiezingen lijkt mij deze beweging een draai teveel voor de VVD. Mij lijkt het voor de VVD onvermijdelijk om ‘het gat op rechts’ weer te willen dichten. Het CDA moet dan niet achter deze vastgedraaide draaier aangaan en gewoon doen waar ze voor is opgericht door Frans Andriessen en anderen: het midden vullen met praktische politiek en een principiële houding.

Peter Noordhoek

Over dijken en dilemma’s

Deze week werd ik gevraagd een gedicht voor te dragen in het kader van de waterschapsverkiezingen. Leuk, zo zei ik. Niet alleen vanwege de uitdaging om daar iets van te maken, maar ook omdat ik wel wat met deze verkiezingen heb. In het verleden heb ik een paar keer de campagnes geleid voor de waterschappen (met vijf waterschappen in de provincie Zuid-Holland geen sinecure) en één keer heb ik ook in het landelijk campagneteam gezeten. Dus ik heb er wel wat mee. En er is nog een andere reden, maar daar kom ik zo op.
Echter, nadat ik had toegezegd kwam er niets fatsoenlijks uit mijn handen. Geen dichtregel werkte, geen idee sloeg aan. En omdat dit niet voor het eerst was bij het thema water, waterschappen of watersnood, ben ik er even goed over gaan nadenken.

Het was deels een worsteling met de schijnbare ‘saaiheid’ van het thema. Ja, er kunnen vreselijke dingen gebeuren met het water, maar concreet lijkt er niets aan de hand dat we niet met een paar miljard aan dijkverhoging kunnen oplossen. De laatste ramp, die van ’53, is meer dan 65 jaar geleden. Boeiend, maar niet heus. Gelukkig het land dat voor een spannend verhaal moet teruggrijpen op iets dat zolang geleden is gebeurd, maar voor campagnes, verhalen en gedichten is die saaiheid geen zegen.
Voor een ander deel heeft die blokkade juist met de ramp van ’53 te maken. Er is toen iets gebeurd in het dorp waar ik ben opgegroeid, ‘s-Gravendeel, en waar eigenlijk nooit over werd gesproken. Het gaat over een besluit dat toen met de beste bedoelingen is genomen, maar letterlijk rampzalig heeft uitpakt. De dreiging van doorbraak bij één dijk was zo groot dat besloten werd een wijk te ontruimen en de mensen naar een veiliger geachte binnendijk te evacueren.  Destijds heeft niemand officieel voor dat besluit moeten boeten, maar als het vandaag de dag zou zijn gebeurd, hadden we de betrokkenen onmiddellijk de schuld gegeven, al was het maar via onze social media. Ik ben van kort na ’53, maar ben wel opgegroeid in het doktershuis waar het halve dorp tijdens de ramp naar toe is gevlucht. Geleidelijk kwam ik achter die toedracht, maar wat moest ik ervan maken? Zoals ik er nu aan denk, vind ik de schuldvraag niet meer aan de orde. Veeleer moeten we een kennisvraag stellen: weten we wel genoeg in ten tijde van een ramp met het water (of het klimaat) juist te handelen? Een gruwelijke inschattingsfout als toen zullen we nu niet meer maken, gelet op de kennis van nu? Maar welke nieuwe fouten gaan we maken terwijl de kennis om ze te voorkomen er al is? Hoe gaan we om met de klimaatdilemma’s van morgen?

Dat alles is niet simpel om in een gedicht te vangen. Ondanks dat ik veel over de ramp heb geschreven en die kennis weer bruikbaar heb gemaakt in campagnes, lukte het in ieder geval niet. Tot vorige week dus. Na een paar pogingen kwam er een ‘dichtverhaal’ op gang, geschreven in twee delen. Het is gedaan in de vorm van een verslag van een gesprek dat nooit heeft plaatsgevonden, met personen die er nooit zijn geweest. Dat heeft mij de vrijheid gegeven het zo te schrijven dat de lezer waarschijnlijk denkt dat het precies zo moet zijn geweest. Uw gewaardeerde aandacht graag.

 

De Dijk

“De dijk”, zo zei ze, heel veel later,
“slingerde als een slang” en ze beschreef hoe
de bomen onderin het scherp talud
meebogen met de storm als in gebed
En hoe de wijk De Nest genegen leek om,
als een kam vol lange, smalle huisjesharen,
voor houvast op te kijken naar die hoge buitendijk
maar dat daar juist het stormwater al dreigend
over de kruin heen naar beneden leek te komen.

“Het ging niet meer”, zo vervolgde zij,
“in de ogen van de hoge heren.
Dijkgraaf, burgemeester en politieman:
’t zou duidelijk zijn wat er van kwam.
En dus kwamen buren langs om,
helemaal verschrikt, te zeggen dat
iedereen verderop naar de Molendijk,
een binnendijk, veilig, moest vertrekken

“Vraag niet hoe”, zei ze, naar haar handen kijkend,
“maar zo is ’t gegaan”, en zijn ze met z’n allen
Naar oom Piet en tante Sjaan op de dijk vertrokken en
zich met tassen en bedgoed in hun huisje laten proppen
“Niemand kon nog slapen, ’t was zo’n lawaai,
Maar we waren toch wel blij dat we ’t hadden gedaan.
Totdat opeens het van de Puttershoekse kant
ging klinken: Het water, het water komt eraan!

Toen stroomde opeens zwart water het huisje binnen
en werd gelijk, als ’t ware, dat huis in brokken
van achteren van de dijk getrokken
En overal klonk gegil, gegil,
zo da ’k ‘t nog altijd horen kan als ik dat wil, wat ik niet wil
En overal langs de dijk heeft ons toen
de ramp getroffen
En dat maakt mij nu even stil”

“Vraag ook niet hoe”, vervolgt ze later,
“hoe ik toch weer op ’t droge ben gekomen.
’t Was bij het huis van d’n dokter
dat ik weer droge voeten vond.
En er ook mijn broertje weer vond.
Maar mijn zusje was verdwenen
en mijn beide ouders ook.
Drie van twee-en-dertig die er aan
de Molendijk, die binnendijk, verdronken
En iets van mij toen ook.”

= o = o =

“Niet alles wat ze zegt is zo gegaan”, zegt
haar dochter, ver genoeg van haar moeder vandaan
“Een deel is wat anderen vertelden” zegt
ze, wetend hoe het geheugen werkt.
“En een deel is wat we nog altijd niet kunnen
of willen begrijpen”, zegt ze, terwijl haar ogen
strak in de mijne kijken.

“Denk aan die dijkgraaf, burgemeester en politieman.
Hoe fout we ze nu zouden vinden, hoezeer iets dat niet kan.
Hoe hun opdracht iedereen de dood in joeg
die om niets anders dan bescherming vroeg
Toen ten onrechte beschermd door hun gezag
en door wat men toch niet weten mag
In tijden van nu waarschijnlijk snel veroordeeld
met een tweet en eeuwige schande in ’t verschiet.”

Ze schudt het hoofd, maar wordt dan erg concreet:
“De buitendijk had wel degelijk kunnen bezwijken
Maar weet je? Water zoekt altijd het zwakste punt.
Niet het sterkste.
Reden waarom de dijken meest aan de
oostkant van de eilanden zijn bezweken.
Het verste van de storm, dus
daar waar niemand hoefde te waken.
We weten nu dat zodra de dijken aan de achterkant faalden
de mensen aan de hoge dijk verder hadden kunnen slapen.”

De dochter, geleerd uit Delft teruggekomen,
vervolgt met zachte stem, maar wel verstaanbaar:
“We bouwen vaak op het misverstand dat
onze dijken ons beschermen
Terwijl we op niets anders kunnen bouwen dan ons verstand
En door niets voor vanzelfsprekend aan te nemen
En zelfs dat niet.

Binnendijken kunnen buitendijken worden en andersom
Zonder waakzaamheid en gedrevenheid
maken ze ons alleen maar lui en dom
En zoals met het water is, zo is ’t met het klimaat
en alles wat ons aan vanzelfsprekendheden bindt
Als we niet af en toe over onze rampen praten
worden we ziende blind.”

Voordat ze weer naar haar moeder ging
heeft ze me nog even aangekeken,
zo van: “Heb je het begrepen?”
Maar ik weet niet of ik het begrepen heb
Ik weet alleen dat ik het begrijpen wil
hoe we in ieder geval voorkomen
wat voorkomen zou kunnen worden.
Want heel veel van de gevaren zijn nu al bekend
en aan een ‘Had ik maar’ raak je nooit gewend.

 

Peter Noordhoek 2019

Over de rand






Over de rand

Zo, dat was weer een kalenderjaar. Op naar de volgende, zou ik zeggen. Alle terugblikken die met zo’n jaarwisseling gepaard gaan zijn leuk, maar komen wat geforceerd over. Zo groot zijn de verschillen niet van het ene op het andere jaar. Toch doen we met z’n allen of 2019 heel anders wordt dan 2018. Alsof we het kunnen beïnvloeden. Natuurlijk kan er in het ene jaar meer gebeuren dan het andere, maar de wereldgeschiedenis zal zeker door onze goede voornemens niet van koers veranderen. En wat onszelf betreft is dat – tenzij je nu al weet dat je per 1 januari een nieuwe baan ofzo gaat krijgen – ook niet afhankelijk van een jaarwisseling. Om echt iets van betekenis te denken, moet je toch wat verder in de tijd kijken. Zelf merk ik een nogal ontspannen jaar te hebben gehad. Eerder te ontspannen dan iets anders, mede doordat mijn promotie vertraging opliep in de universitaire molen. Een grote uitdaging had me ondertussen wel iets geleken. Maar dat is er niet van gekomen en ook daar kan op de een of andere manier ontspannen mee omgaan. Goh, zou ik wijzer zijn geworden? Niet echt, vermoed ik. Eerder denk ik dat ik nog behoorlijk dezelfde ben als mijn vroegere zelf en die persoon weet helemaal niet wat wijsheid is. Iets is wel veranderd. In biologische termen geloof ik dat je in je jeugd ‘krachtiger’ kunt denken en op latere leeftijd ‘beter’ kunt denken. Ik kan het ook anders zeggen: je denkt met meer energie en soepelheid, maar ook richtinglozer op jongere leeftijd en minder soepel, maar meer geïntegreerd op latere leeftijd. In dat opzicht heb ik wel een verandering bij mijzelf bemerkt en anders constateer ik gewoon dat mijn omgeving sympathiek reageert op mijn grijzer wordende haren. Dat is dus wel anders geweest.          

It’s radio time!

Waarom schrijf ik dit allemaal zo op? Dat heeft een concrete aanleiding in de vorm van een telefoontje van Eduard Ditmar (‘Ben van Bommel’) van Gouwestad Radio (www.gouwestad.nl). Samen met oud-stadsdichter Hannekel Leroux verzorgt hij regelmatig een uitzending van een uur over poëzie. Ook mij heeft hij benaderd en op 6 januari aanstaande is het zover dat ik een half uur met Eduard in gesprek ga over mijn dichtwerk. Vooraf heeft hij mij gevraagd om hem zoveel mogelijk toe te zenden van mijn dichtwerk. Dat was een makkelijke vraag, want mijn bundels met dichtwerk zijn vrij makkelijk te vinden op mijn website: https://www.northedge.nl/?page_id=52&download-category=poezie. Op het laatste moment voegde ik er echter snel een bundel aan toe. Een bundel die ik tot dan niet op het internet gezet had, genaamd ‘Over de rand’. Komt ie nooit aan toe, zo dacht ik. Een jeugdzonde, zo dacht ik. Maar toen hij mij twee dagen na verzending van de mail opbelden, zei hij mij dat hij de hele uitzending met mij uitsluitend aan die bundel wilde besteden. Ik begreep er niets van. Dat is toch oude meuk? Een jeugdzonde? Maar hij hield vol en toen heb ik ja gezegd.

Een dichtroman

Vervolgens ben ik als een haas opnieuw mijn bundel gaan lezen en alsnog op mijn site gezet, zie hierboven. Die heb ik samengesteld in 1989. Lang geleden dus. In het kader van Oudejaarsterugblikken: te lang geleden om nog alles van te weten, te langgeleden om het verschil te voelen. De gedichten die in ‘Over de Rand’ zijn gebundeld zijn specifiek in de zin dat ze de herinneringen oproepen aan een tijd die voor mij veel extremer was dan de huidige. De gedichten zijn bijzonder, zo niet uniek, door de wijze waarop ze bij elkaar zijn gebracht. Een jeugdzonde is het toch niet, maar wat is het dan wel? De ondertiteling maakt het al wat duidelijk: het is “Een dichtroman”. Zodra u de bundel doorneemt zult u weten wat ik bedoel: de bundel bestaat uit verschillende korte hoofdstukken, beginnend met “jeugd” en eindigend met “dood”. Het is de bundel van iemand die aan het einde van zijn leven staat, ergens in een oude doos zijn gedichten heeft gevonden en die met verwondering langs zijn eigen tijdlijn neerlegt. Aan het begin van elk groepje gedichten schrijft hij in een half of heel A4 op wat hem in elke levensfase is gebeurd. Dat gaat op en neer: van de angst van de pubertijd naar het studeren en de eerste verliefdheid. Dan door naar het werk, maar ook naar het einde van de liefde, dan een moment dat hij zichzelf tegen komt en, zeg maar, gek wordt. Gelukkig volgt er dan nog een rustiger fase waarin hij zijn vrouw hervindt voordat de ouderdom hen beiden inhaalt en het onvermijdelijke einde volgt. Een levensroman in groepjes gedichten, waarvan de groepen groter worden naarmate de leeftijd verder opschuift. Grotendeels gedichten dus vanuit een levensfase die de auteur, – ikzelf, maar het lijkt iemand anders – nog lang niet bereikt had toen hij de bundeling maakte. Ik moet rond de 30 geweest zijn toen ik in de kelder van mijn eerste eigen huis op de grond zat en stapeltjes maakte van mijn gedichten. Dat lukte niet best, totdat ik mij opeens een veel oudere man voelde die in een doos op zolder oude gedichten van hemzelf vond, ze door ging bladeren en zo in verwondering terugkeek op zijn eigen leven. Met oude schouders en kromme gang ben ik toen achter mijn computer gaan zitten en heb in iets meer dan een nacht en zeer intens de hoofdstukken van mijn/zijn leven geschreven.

Achtergronden bij een bundel

Wat mijn leven niet was. Gelukkig maar. Werken doe ik nog volop, gescheiden ben ik nooit en van gekte ben ik zelf ver genoeg gebleven. Ouderdom en dood komen onvermijdelijk dichterbij, maar in vergelijking met anderen, ook jongere mensen, zijn we er nog heel ver vandaan. Dus waar kwamen al die gedichten vandaan? Hieronder ga ik op onderzoek. Ik laat de lezer zelf bepalen of dat interessant is. 

De bundel was echt klaar in de zomer van 1989, wat het jaar na mijn trouwen was. Kennelijk had ik het gevoel dat ik wat kon afronden, dat ik in rustiger vaarwater terecht was gekomen of aan een nieuwe fase begonnen was. De bundel was een punt achter een afgesloten periode, die startte met een studieperiode die me veel te lang duurde en waarbij ik sterk verlangde naar het echte leven van werk en het met de liefde ook niet echt opschoot. Zeker aan dat laatste heb ik een meerdere gedichten overgehouden. Sommigen zouden me kromme tenen geven, anderen zijn klompjes goud. Ik studeerde af in een tijd van werkeloosheid, zonder perspectief ook op werk. Dan heb je hoge verwachtingen, veel kracht en je kan er helemaal niets mee. Ook frustratie geeft inspiratie. En als je dan op 1 december 1984 eindelijk je eerste baan hebt, als laagbetaalde assistent bij een klein onderwijsbureau waar je wat ervaring mag opdoen als side-kick van een briljante directeur terwijl je ondertussen aan je dissertatie werkt, ja dan denk je dat je er eindelijk bent. Om dan drie weken later, de dag voor de Kerst te ontdekken dat de directeur een façade aan het ophouden was en dat dit hem niet meer lukte. Dat alle opleidingen van het instituut verlies leiden, dat de rijksbijdrage van 100% naar 0% gaat, dat alle medewerkers na nieuwjaarsdag verteld moet worden dat het kantoor moet verhuizen, het contract al getekend is en dat dus eigenlijk al het zittende personeel de baan verliest en dat de voorzitter van het bestuur een geheim agent is die tegen hem samenzweert en …   

Ik heb die voorzitter op kerstavond gebeld. Hij (met inderdaad een achtergrond als veiligheidsman) had waarschijnlijk niet het gevoel dat hij keuze had, maar gaf me ondanks dat vertrouwen en liet me doen wat de directeur had moeten doen, inclusief het personeel informeren, ontslagen regelen en het kantoor verhuizen, maar ook het voor het eerst winstgevend verkopen van opleidingen. De strijd om te overleven was begonnen.

Van onder het bureau
Een tijdje heb ik in de nieuwe locatie in Utrecht onder mijn bureau geslapen, waarna mij onderdak werd aanbevolen bij de heer Van Bekkum, de oud-rector van mijn middelbare school. Met hem had ik tot in de kleine uren gesprekken over de situatie, maar ook over zijn verzetsleven (ontsnapt uit kamp Amersfoort) en over mijn zorgen, hopen en gedachten. Ik vertelde hem over mijn gedichten en hij wilde zien wat ik had. In plaats van ze af te doen, deed hij ze in een envelop en stuurden ze naar een vriend in Hilversum die een radioprogramma over poëzie had gehad voor de Nederlandse omroep. De aanmoediging die ik toen kreeg was precies wat ik nodig had. Heel veel onwezenlijk intense dagen werden gevolgd door een stil uurtje schrijven en schrappen.

Een deel van dat schrijven ging onvermijdelijk over mijn toenmalige baas. Gedurende een periode van zo’n twee jaar bleef hij verbonden aan het bureau zonder een dag feitelijk werk te verrichten. Wel had hij ‘episodes’. Episodes die soms alleen maar maf waren, maar ook ronduit bedreigend, inclusief gijzelingssituaties. Gekte kreeg zijn gezicht. Tussen de episodes door was hij regelmatig opgenomen, maar met zijn intelligentie wist hij zich kennelijk altijd zo goed voor te doen richting de behandelaars dat ze hem steeds weer terug lieten komen. Samen met de voorzitter en mijn nieuwe secretaresse zijn we daar zo goed als mogelijk mee omgegaan. En ondertussen werkten we ons drie keer in het rond om goede opleidingen op de markt te zetten en ondertussen de teruggang in subsidie voor te blijven. Ook gekkenwerk, maar dan anders. 

Omdat de directeur veruit het grootste deel van de rijksbijdrage ontving, was er geen geld voor een vervanger en bezorgde mijn voorzitter mij een supersnelle carrière; per half jaar werd mijn functiebeschrijving fraaier. Een beetje betaalde zich dat ook uit in salaris toen eind 1986 de directeur uiteindelijk kon afvloeien. Eindelijk waren we vrij om echt vaart te maken en dat gebeurde dan ook. Een mooi jaar volgde waarin we met een paar medewerkers en een hond een hecht team vormden en dag en nacht werkten. Aan mijn promotie schreef ik ook nog steeds, tot ik op een avond oververmoeid tegen de vloer van een disco sloeg. Maar met mijn gedichten ging ik door. Totdat ik ergens tussendoor een afspraak met iemand had in een cafeetje in Gorcum. Dat werd een relatie en meer. Alles ging beter en de behoefte om te schrijven werd minder. Toen we afspraken om in de zomer van 1988 te gaan trouwen, had ik het gevoel dat de wereld aan mijn voeten lag en vond ik het tijd om mijn gedichten te gaan bundelen. Ik maakte stapels op de vloer van de kelder van het nieuwe huis en de rest weet de lezer al. Of nee, niet helemaal. In het vroege voorjaar van ’88 zorgde een verwaarloosde griep voor opzwellingen van mijn polsen en enkels. Het werd steeds erger. Eerste diagnoses wezen op reuma. Na een tijdje kon ik nog maar een paar uur per dag werken, moeizaam en pijnlijk. Zou ik op krukken moeten trouwen? Kan ik haar dit aandoen? Uiteindelijk zou het bijtrekken en geen reuma blijken te zijn. Ik was net op tijd genezen voor de bruiloft. Maar het had er wel ingehakt, van de gedichten gedichtjes gemaakt. Niet lang daarna volgde een nieuwe klap toen ook toen Van Bekkum na een kort ziekbed overleed en het verdriet horror werd toen zijn broer tijdens de begrafenis een hartstilstand kreeg en ook overleed. Hoe moet je daar zin aan geven? 

De bundel is door mij afgerond en natuurlijk opgedragen aan Van Bekkum, daarmee hem ook erend. Met nog een restje ambitie heb ik de bundel nog opgestuurd naar een uitgever, maar toen die terugkwam met een afwijzing vulde ik dat zelf in als een terechte afwijzing: een typisch debuut misbaksel, teveel van het goede om serieus genomen te kunnen worden. Maar eigenlijk was de energie er al uit. Ik was op weg naar een nieuwe baan, bij Stichting de Baak, een nieuw huis en nieuwe plannen, nu voor een roman. De bundel legde ik, net als het dichten zelf, terzijde. Dit op één gedicht per jaar na, te schrijven voor de kerst.

En dan is die bundel nu weer opgeduikeld. Wat leuk, wat erg. Wat een goede teksten, wat een pathetisch gedoe. Wat een knappe gedichten, wat een misbaksels. Zo gaat het nu al even heen en weer in mijn hoofd. Voor wie zelf het oordeel wil vormen, hier is weer de link naar de rubriek met gedichten. Je vindt ‘Over de rand ergens onderaan: https://www.northedge.nl/?page_id=52&download-category=poezie. Voor wie (nu nog) wil horen hoe ik er over spreek, luister dan op zondag 6 januari a.s., van half één tot twee (daarvoor is de fantastische dichteres Nelleke den Boer) op Gouwestad Radio.    

Peter Noordhoek

Kerstavondverhalen

Illustratie: Brigitte Kwanten- en Loon

Afgelopen week was ik gevraagd om een gedicht voor te dragen op een ‘Christmas sing-along’, mede vanwege mijn traditie van een jaarlijks kerstgedicht, waarover hieronder meer. 

In het besef dat ik zelf niet kan zingen en dat gedichten over het algemeen minder zingbaar zijn dan liederen (echt een andere discipline), heb ik geprobeerd er een mini-kerstverhaal van te maken. Of, preciezer: een kerstavondverhaal. Hier volgen drie gedichten die samen kerstavondverhalen vormen over hoe verschillende mensen zich op kerstavond kunnen voelen.

Het eerste gedicht (enig autobiografisch element valt niet te ontkennen) is opgedragen aan elk stel dat probeert de kerstavond te halen zonder ten onder te gaan aan alles wat nog moet gebeuren voordat het zover is. Het eindigt in de Sint Jan in Gouda, zittend achter een pilaar omdat we te laat de kerstnachtdienst binnen zijn gekomen.

Het gedicht daarna past in een periode waarin er extra aandacht is voor eenzame mensen. Het gaat om een kennelijk oudere, alleenwonende mevrouw die naar de kerstnachtdienst wil. Aan de ene kant ziet ze er naar uit, aan de andere kant vindt ze het erg spannend. Bij het schrijven moest ik aan zo iemand denken, in de hoop dat ze de moeite zou vinden om zich weer onder de mensen te begeven. Maar er is ook een andere kant aan natuurlijk: wij moeten ook naar eenzame mensen ‘durven’ te gaan. Sinds een jaar of zes denk ik deze tijd altijd aan het feit dat schuin tegenover ons huis iemand maanden dood heeft gelegen en dat dit met kerst ontdekt werd. Mijn vrouw liet het toen niet bij de afschuwelijke gedachte alleen, maar ging prompt langs alle deuren om alle buren voor een borrel uit te nodigen, met mij in touw. Zo werden drempels letterlijk genomen en dat heeft ook gescheeld in de contacten. Ik schrijf dit op een moment dat ze weer even bij een buurman zit. Shhht. Ik draag deze gedichten in ieder geval aan Loes op vanwege haar initiatief.

Het is ook belangrijk om vast te houden aan het idee dat kerst een mooi feest is. Terwijl onze welvaart hoger is dan ooit, lijkt een verbazingwekkend groot aantal mensen iedere gelegenheid aan te grijpen om negatief te zijn over elkaar. Wat ook de aanleiding is, we doen onszelf ermee tekort. Daarom is het ook belangrijk dat we weten te genieten van kerst. Het besef dat niet iedereen mee kan genieten is daar niet mee in strijd, maar maakt kerst juist zo mooi. Het derde gedicht, geschreven in de vorm van drie kerstbomen, probeert dat uit te drukken maakt daarmee deze serie van gedichte verhalen over kerstavond compleet.

Handen op zoek naar elkaar

Hij haalt hijgend de kerst net niet
Zij slaat kerst liefst een keertje over
Hij typt toch maar die extra mail
Zij belooft weer iets te veel
Hij haalt een boom
Zij haalt de boodschappen
Samen vertellen ze elkaar
dat ze nu vrije dagen hebben
en eindelijk wat tijd
voor bezinning hebben

Dan gaat de telefoon
over wanneer moeder opgehaald wil worden
en laat de boom
wat ballen
samen met de eerste naalden
vallen
Terwijl de kerst-CD
voor sfeer moet zorgen
maken beide ruzie
over wie wel eens wat eerder had mogen …

Als ze naar de Kerstnachtdienst gaan
schuiven ze op de laatste stoelen aan
verstopt achter een pilaar
buiten het zicht van koor en predikant
luisteren ze naar oude woorden en gezang
en zoeken twee handen naar elkaar

Het is acht uur ’s avonds

Het is acht uur ’s avonds
Ze is klaar voor de dienst
Haar jas heeft ze al
van de kapstok genomen
Nog een uur, plus
wellicht
nog een kwartier
wachten, dan kan ze wel gaan

Niet te laat, anders heeft ze geen zitplaats
Niet te vroeg, anders valt ze zo op

Ze zet de televisie nog even aan
Journaal
Kerstavond
De vertrouwde stem
haar gast aan tafel
vertelt over een aanslag
over iemand die is overleden en
over de kerstinkopen, een record
Het weerbericht geeft regen

Na het journaal
kijkt ze naar haar boom
vol mooie lichtjes
Licht, voor haar doen,
staat ze dan toch op
Wil niet langer wachten
Doet haar jas aan
Doet de knopen stevig dicht
Haar wollen wanten aan
en gaat al naar de deur toe

Dat is al te snel
Ze doet haar wanten weer uit
knoopt haar jas los
legt die over de stoel heen

Nog even wachten toch

===========================

Kijk
luister
en geniet, want
woorden vormen een slinger
om de kerstboom heen
Kleine woorden, grote woorden
die samengaan en zich slingeren
om de mooie kerstboom heen
En als er wordt gelachen
– en gelachen wordt er veel –
dan wordt elke lach als een ster
gehangen
om de kerstboom heen

Toch
Tegelijk
worden er ook
woorden van verlangen
gehangen om de kerstboom heen
Die zie je niet
Die zijn er niet
Ze hangen niet aan de takken
Ze dienen zeker niet als piek
Ze zijn alleen in gedachten uitgesproken
door iemand die geniet
en misschien wel daardoor
een eigen gemis nog scherper ziet
En door die enkele man of vrouw die buiten loopt
en door het raam al die slingers en sterren ziet
zo vrolijk
om de kerstboom heen

Wij
hangen
onze eigen wensen
om de kerstboom heen
Onze woorden
slingeren wij vrolijk
mee met onze verlangens
Zichtbaar, onzichtbaar
om onze kerstboom heen
En bij dat alles,
hopen, denken wij
dat onze talenten, onze daden
meer dan wat slingers en wat sterren maken
en als het even kan een verschil uitmaken
voor hen die geen kerstboom hebben
zoals wij
Een hele goede kerst gewenst!

Dit jaar zijn alle kerstgedichten van de laatste 25 jaar gebundeld (behalve die van 2018!). Dat is gebeurd in de vorm van een reeks kerst- en nieuwjaarskaarten. De titel van de bundel is ‘Bezinnen en beginnen’. Ik wil kijken of deze bundel komend jaar breder verspreid kan worden. Zo’n bundel kost wel wat, dus helaas zit gratis verspreiden er niet in, maar voor een tientje heeft u dan iets dat u komend jaar weer wat kosten aan kerstkaarten scheelt. en als u een niet al te objectieve recensie schrijft, kan de bundel gratis naar u toekomen. Bestellingen via info@meerdannu.nl graag.

Werkende armen verenigen

Naar een andere manier om met een armoedevraagstuk om te gaan

Foto: Peter Noordhoek

Dit najaar is er onder meer bij de begrotingsbehandeling van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aandacht gekomen voor het vraagstuk van de ‘Werkende armen’. In een recent SCP-rapport is een analyse gemaakt van de problematiek van deze grote groep werkenden die niet voldoende verdienen om rond te komen en in de praktijk onder het minimumloon werken. 

De reflex is om deze groep te benaderen als onderdeel van een klassiek armoedeprobleem dat al opgelost is langs de lijn van de gemeentelijke bijstand. Onvoldoende inkomen? Vraag maar een uitkering aan. Principe en praktijk rijmen daar niet mee. Het principe is dat werk moet lonen en dat te snel in een bijstandsuitkering terugvallen daar geen recht aan doet. De praktijk is dat gemeenten deze groep niet goed weten te bereiken en andersom. De beste manier om aan beide bezwaren tegemoet te komen is niet primair langs de weg van geld of overheid, maar door betere manieren te bedenken om op ‘vak’ niveau de werkende armen te benaderen en organiseren. Niet beginnen dus bij de overheid, maar bij de verenigingen zoals wij die al hebben. In deze blog werk ik dat verder uit. Saai en vrij degelijk. Wie iets leukers te lezen heeft, moet dat zeker gaan doen.

SER-aanvraag

De minister heeft bij de begrotingsbehandeling op vragen van de Kamerleden Peters (CDA) en Van Brenk (50+) toegezegd de vraag over de wijze van organiseren van werkende armen door te geleiden richting de Sociaal Economische Raad, de SER. Dat is echt mooi, maar ik ben er niet helemaal gerust op dat die vraag wel op de goede manier beantwoord gaat woorden. Mijn kennis en expertise ligt niet op het terrein van sociale zekerheid, maar van verenigen meen ik wel wat verstand te hebben en juist op dat terrein ligt volgens mij de uitdaging. Het recente mislukken van het pensioenoverleg doet vermoeden dat ook daarbij het mislukken eerder op het niveau van de wijze van organisatie van de achterban moet worden gezocht dan in de pensioenproblematiek op zich. We moeten als het ware opnieuw ontdekken hoe we onszelf in de Nederlandse samenleving organiseren. Ooit hadden we daar krachtige verenigingen voor, maar hun rol is onder druk komen te staan. Dat moet anders.

Werkende armen

Eerst een korte kenschets van de problematiek van ‘werkende armen’. Het is een problematiek die wel eerder in beeld is geweest, maar het SCP-rapport van september 2018, ook kundig verteld door het NRC, laat zien hoe hardnekkig het probleem is. Het SCP spreekt van 320.000 werkende armen, een stijging van 50% ten opzichte van 2001 en die stijging gaat door. Hoeveel het er precies zijn is overigens moeilijk vast te stellen. Slechts een op de drie gemeenten heeft überhaupt werkenden als doelgroep in beeld.

Aan wie moeten we concreet denken? Bij werkende armen kan gedacht worden aan de zelfstandige die een garage begint en er al zijn geld en tijd in investeert, maar eigenlijk te weinig verdient om rond te komen. Denk ook de parttime postbode, de kamerschoonmaakster in het hotel. Vaak hebben ze meer dan één baan, maar het is niet genoeg om rond te komen. Velen hebben een migranten achtergrond, maar lang niet allen. Sommigen hebben nu een geel vestje aan, de meesten voelen daar geen tijd voor.

Van alle redenen waarom de problematiek van de werkende armen hardnekkig is, springen er twee boven alles uit. De eerste is de kwetsbaarheid van de groep. De tweede is het gegeven dat het doorgaans om een meervoudige problematiek gaat. 

Voor wat betreft de kwetsbaarheid betreft is het wel oppassen geblazen, want het doet geen recht aan de groep om ze als zielig neer te zetten. Er is wel een groep die volgens het SCP, zoals dat heet, een ‘laag arbeidsethos’ heeft. Maar over het algemeen gaat het om hardwerkende wensen die tegen een stootje kunnen en terecht trots zijn op wat ze doen. De kwetsbaarheid zit vooral in het feit dat ze kostwinnaar zijn en de zorg hebben voor een gezin. Er hoeft maar een wasmachine kapot te gaan en alle mooie plannen kunnen naar de prullenmand. Tijd voor meer dan het werk lijkt er niet te zijn.

Wat de meervoudige problematiek betreft: de problemen met het werk kunnen groot genoeg zijn, maar dit moet ook weer tegen de achtergrond worden gezien van de vraag hoe vaardig men is om in de samenleving overeind te blijven: het percentage dat analfabeet is of een taalachterstand heeft, is verhoudingsgewijs hoog. Om diezelfde reden is het percentage dat gebruik weet te maken van allerlei toeslagen en regelingen weer extra laag. Drempels zijn hoog en vaak onzichtbaar. Tijdens een voorgaande regeringsperiode werd er eens een pot voor armoedebestrijding in het leven geroepen waar 100 miljoen in zat. Daarvan ging 17 miljoen op aan overhead, werd er 40 miljoen door de gemeenten naar hun uitkeringstrekkers gesluisd en bleef het overige deel, bestemd dus voor de werkenden, op de plank liggen. Het werd gewoon niet opgehaald. De doelgroep wist het loket niet te vinden of wilde het niet vinden. 

Kern: gebrek aan zelf-organiserend vermogen

De kern van het probleem lijkt daarmee nog eerder het gebrek aan zelf-organiserend vermogen dan het gebrek aan geld. Lidmaatschappen van vakverenigingen zijn er zelden. Het lijkt niet moeilijk te oorzaken daarvoor te noemen. Niet zelden voldoen ze niet aan de eisen voor lidmaatschap of worden de kosten als te hoog gevoeld. Zijn ze wel lid, dan verschijnen ze vaak niet. Domweg omdat ze er de tijd niet voor hebben of in ieder geval niet de tijd om de weg naar invloed te vinden. Maar ook omdat ze niet weten wat een vereniging te bieden heeft in termen van opleidingen, verzekeringen of het samen kunnen mopperen op de boze buitenwereld. Ze weten letterlijk niet wat ze missen. 

En laten we wel zijn, ook van de kant van de branche- en beroepsverenigingen zijn er weinig redenen om naar het lidmaatschap van de werkende armen te gaan lonken. Zijn ze mini-ondernemers, dan is het voldoen aan de professionele maatstaven vaak een hele opgave. Eerder worden ze als Beun de Hazen, valse concurrenten, gezien dan als een welkome aanvulling op het verenigingskader. Gaat het om mensen met laaggeschoold werk met een honorering die op of onder Cao-niveau ligt, dan is er ook weinig reden om te gaan lonken naar hun lidmaatschap. Kunnen ze hun contributie wel betalen? Willen we wel aan ondermijning van de Cao meewerken? Niet dus. Daarbij komt, laten we daar ook niet onhelder over zijn, juist bij deze groep relatief vaker problemen voor in de sfeer van misbruik en fraude. Wil je dat naar je toetrekken? Niet snel dus.

Kortom; de lage organisatiegraad is eigenlijk heel logisch als je naar de onderliggende oorzaken kijkt. Ze komt van beide kanten en is mede daardoor behoorlijk hardnekkig. En toch moet er iets gebeuren. De analyse over het gevaar van een te grote afstand tussen onder- en bovenklasse is al voor de gele hesjes vaak genoeg gemaakt en wordt breed gedeeld. 

Langdurige inspanning

Wie de geschiedenis van de opbouw van de verzorgingsstaat een beetje doorheeft, weet dat daarvoor veel meer nodig was dan wetgeving en een ontmoeting van werkgevers en werknemers. De rol van branche- en beroepsverenigingen is de onmisbare basis waarop al die andere dingen konden gebeuren. Met alle respect voor vakbonden of werkgeversverenigingen; zij zijn niet degenen die de Vele Kleine Dingen Doen die uiteindelijk een samenleving opbouwen waarin een polder kan gedijen. Het is andersom: eerst is er een basis van mensen die opgroeien in een vak of beroep, daarna komt pas de belangenbehartiging. Die les moet in het achterhoofd worden gehouden als we het hebben over de organisatiegraad van werkende armen. Het slechte nieuws: we hebben het dan over een langdurige inspanningen. Een inspanning die start bij de basis: het werk dat men doet en de vereniging die dat kan organiseren.

Maar in het verleden is het wel gebeurt en we zijn er met z’n allen alleen maar beter van geworden. Het wordt dus tijd om de vereniging als emancipatie-bouwer te herontdekken. Maar dan wel op een slimme manier, anders gaat het niet werken.

Voorstel

Het voorstel dat ondergetekende in een resolutie voor een CDA-congres heeft neergelegd, maar wat niet terug is gekomen in het Kamerdebat – en dus reden voor deze blog, het is niet anders – komt neer op een deal tussen een werkende, de vereniging en sociale partners. De kern is een omkering van de normale gang van zaken. Normaal is dat een werkende beslist om zich aan te sluiten bij een vereniging, contributie betalen en dan te gaan profiteren van de lusten en lasten van wat de vereniging heeft te bieden. De omkering komt vanuit het idee dat hier het de vereniging is die de werkende lid maakt en hem of haar laat deelnemen aan wat de vereniging te bieden heeft. Dus de vereniging heeft een actieve rol, wacht niet af. De vereniging zorgt er ook voor dat het nieuwe lid snapt wat van hem of haar wordt verwacht en zorgt voor de opleidingen en activiteiten die bij het lidmaatschap horen. En dat net zolang tot het lid zelf in staat is om volwaardig lid van de vereniging te zijn.

Collega’s die collega’s benaderen

Nogmaals, dat gaat waarschijnlijk niet vanzelf. Als het makkelijk was, dan werd het al gedaan. Het lijkt logisch voor een branche- of beroepsvereniging een aparte eenheid op te zetten die met leden en medewerkers projectmatig aan de slag gaat. Het idee is dus dat de vereniging potentiële leden, tevens werkende armen, identificeert en een lidmaatschap aanbiedt. Dit gebeurt langs de lijnen van het vak zoals dat wordt uitgeoefend. Het zijn in beginsel collega’s die collega’s benaderen en een aanbod doen. Ontmoeting en opleidingen zijn onderdeel van het aanbod. De vereniging biedt het lidmaatschap gratis aan, het nieuwe lid brengt tijd, energie en aandacht. Gaat het goed, dan heeft de vereniging er op korte termijn een goed nieuw lid aan en het nieuwe lid kan aan zin of haar competenties werken en leren om met lotgenoten op te trekken. Er kan natuurlijk van alles bij en omheen worden gedacht. 

Het betekent dus een investering van de kant van de verenigingen. Vanuit hun maatschappelijke taak zou je van veel verenigingen mogen verwachten dat ze de kosten hiervan zelf kunnen opbrengen, maar er is ook een gezamenlijk belang. Een belang dat zich kan vertalen in financiering door sociale partners, inclusief de overheid. Daar zitten uiteraard voorwaarden aan vast. Het belangrijkste lijkt mij te zijn dat gelden gebonden blijven aan het ‘vak’, dat wat de werkende armen nodig hebben om zich op eigen kracht te ontwikkelen en hun trots te behouden.

Peter Noordhoek

Bronnen: 

SCP, 2018: Als werk weinig opbrengt. https://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2018/Als_werk_weinig_opbrengt

Resolutie CDA Zuid-Holland ‘Werkende armen’, CDA-congres 3 november 2018.


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: "De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard." Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek