Contact

Northedge B.V. 
Oosthaven 15-16 
2801 PC Gouda 
The Netherlands 
T 31 (0)182 684545 

www.northedge.nl 
Tw @PeterNoordhoek 

Archief

Peter

Rutte: ‘Schaf de beschermde beroepen af’ Hoe wijs is dat?

De speech van Rutte in Berlijn over de toekomst van de EU was redelijk lang en moest concurreren met de speech van Theresa May die op hetzelfde moment plaatsvond. Toch doet de speech er toe, ook als naar de kleine letters wordt gekeken. Een eind in zijn speech, komt Rutte met negen voorstellen die de werking van de EU kunnen verbeteren. Het eerste voorbeeld is direct raak. De zon moet zakken over het rijk van de beschermde beroepen. Letterlijk citerend*:

”Maak de Europese dienstenmarkt nu echt open. Er zijn nu 5000 beschermde beroepen in de EU. Dat zijn 50 miljoen mensen, 22% van alle werkenden. Schaf die beschermde beroepen af. Alleen waar veiligheid, gezondheid en consumentenbescherming aan de orde zijn zouden we nog specifieke en bindende eisen moeten stellen. Notarissen en architecten, om er maar eens twee te noemen, hebben geen nationale bescherming nodig. Maar als een notaris die in een ander EU-land gaat werken, mag natuurlijk wel een taaleis worden gesteld. …”

Waar heeft Rutte het over?

Naar ik weet, loopt het Nederlandse notariaat voorop in het goed aan elkaar schakelen van notariële wetgeving en dienstenverkeer – wat overigens heel wat meer vergt dan alleen taalvaardigheid. In het kader van het internationale samenwerkingsverband van het notariaat, de CNEU, worden er, mede door de Nederlandse inbreng, grote stappen gezet, maar het kan inderdaad nog wel wat sneller. Datzelfde geldt voor de bescherming van andere beroepen. Lang niet elke vorm van beroepsbescherming is zinvol, zeker niet als het om de bescherming van beroepen gaat die niet tegen de concurrentie opkunnen in breder EU-verband. Zo is vaak betoogd dat de wijze waarop Italië haar beroepen bewaakt een belangrijke rede is waarom daar de noodzakelijke vernieuwing maar niet wil slagen. En zo heeft elk land wel redenen voor beschermingsconstructies. Daarom zegt Rutte: ‘Schaf de beschermde beroepen af!’

Tegenwerpingen

Dat klinkt krachtig. Even verderop zegt hij dat de Europese Unie 1000 miljard laat liggen door met name het vrije verkeer van diensten niet genoeg te stimuleren. Dat is een groot bedrag (als de cijfers kloppen). Toch is het wel erg kort door de liberale bocht wat Rutte hier te berde brengt. Een paar tegenwerpingen:

– Het voorstel getuigt van bar weinig besef van wat er voor nodig is om een beroep te laten groeien. Zorgen dat iedereen even weinig weet is geen slimme manier om Europa beter te laten concurreren. Specialisme komt niet goedkoop in een kenniseconomie en verdient wel degelijk bescherming.

– Het voorstel getuigt van overheidscentrisme. De enige beperkingen die er zijn, zijn typisch beperkingen die door overheden worden ingesteld en gaan gemakshalve voorbij aan de talloze andere redenen die overheden hebben om beroepen te reguleren – en af te schermen van andere landen. Het is niet moeilijk te voorspellen dat overheden nog de meeste hindernissen zullen opwerpen om beroepen echt minder beschermd te maken.

– Het voorstel overschat de effectiviteit van het weghalen van de bescherming. Zo zijn recent de Productschappen (PBO’s) afgeschaft. Het gevolg: grote desoriëntatie, te weinig preventieve actie en een overmaat van acties die door de toezichthouder, de NVWA, moet worden opgevangen, alwaar de specialistische kennis onvoldoende aanwezig is om tijdig in te grijpen. Tel uit je winst. Hoe slim is het om de bescherming er af te halen?

– Het voorstel ontkent het publieke element in veel beroepen: de ethos. Een eed afnemen is nooit genoeg; het moet al bij de opleiding in de botten gaan zitten. Rutte noemt de notarisfunctie als een waar de bescherming wel vanaf kan. De bescherming van het beroep is echter door de overheid zelf in het leven geroepen en niet door de beroepsgroep. De geschiedenis van het notariaat laat daarbij bij herhaling zien dat het weghalen van de regulering niet goed uitpakt. De vraag is wel of het notariaat zelf haar publieke rol voldoende serieus neemt en daar mag ze zeker op worden aangesproken, maar dat is een ander verhaal dan de bescherming er af halen.

– Het voorstel is niet erg consistent, gegeven de context van de lezing. Er zijn grote verschillen wet- en regelgeving, ook waar deze de beroepen betreffen. Op dat punt valt zeker veel winst te behalen. Tegelijk kiest Rutte consequent voor de inter-gouvernementele lijn. Dat kan dan even gaan duren.

Weging van een voorstel

Nogmaals, er is niets op tegen om de bescherming aan te passen als dat tot een beter verkeer van diensten leidt binnen de EU. De verschillen in regelgeving tussen de landen, zowel publiek als privaat, zijn te groot om goed te zijn voor het beoogde vrije verkeer van diensten. Als tegelijk de nodige lagen bureaucratie kunnen worden geschrapt binnen de landen zelf, ook in de wijze waarop we beroepen beschermen, dan is dat helemaal welkom. Daarbij twijfel ik er ook geen moment dat er economen zijn die tot achter de komma kunnen berekenen hoeveel meer welvaart de afschaffing van de bescherming in hun ogen op zal leveren. Maar willen we werkelijk het soort marktwerking wat we tot nu toe hebben gehad? Een marktwerking die een paar grote bedrijven en overheidsinstellingen oplevert en voor het overige veel, heel veel kleine bedrijven die allemaal te kleine marges hebben om zich te kunnen onderscheiden van de ander? Is een markt waarin diversiteit de toon zet niet veel beter (en Europeser) op de langere termijn? Ook de diversiteit die voortkomt uit kwaliteit, ranking en bescherming? Het is maar een vraag en mijnheer Rutte, wat dat betreft roept uw voorstel meer vragen op dan antwoorden.

Peter Noordhoek is promovendus op het terrein van ‘Trusting associations’

* Toespraak van minister-president Mark Rutte bij de Bertelsmann Stifting in Berlijn op vrijdag 2 maart 2018.

Als raadsverkiezingen voor het eerst worden gehouden. Tunesië 2018

Terwijl de lokale verkiezingen in Nederland de hete fase bereiken, mocht ik, samen met drie collega’s naar Tunesië gaan om daar kandidaten te trainen voor de raadsverkiezingen van 6 mei a.s. Met alle respect voor de Nederlandse verkiezingen, die in Tunesië zijn van grotere betekenis, al was het maar omdat ze voor het eerst plaatsvinden. En al trainend besef je dan dat een lokale democratie allesbehalve vanzelfsprekend is en alleen kan bestaan dankzij vaardigheden die wij hier vanzelfsprekend zijn gaan vinden. Veel te vanzelfsprekend. In deze blog beschrijf ik wat trainen in zo’n context betekent en trek ik het door naar de vraag: ‘hoe staat het ervoor met Noord-Afrika?’ Het is nog maar een paar maanden geleden dat de kabinetsformatie vastliep op deze kwestie, maar we horen er niets meer van. Misschien is dat wel omdat het draait om gaten in de weg, peuteropvang en banen. De gewone dingen die, zeker als je ze optelt, de kwestie nog steeds belangrijk maken.

Basis trainen

Eerst over de training zelf. We zijn met vier Nederlandse trainers naar Tunesië gegaan, allen met veel ervaring: Monique Vogelaar, Bieke Oskam, Wim Eilering en ondergetekende. Bij andere trainingen is de samenstelling weer anders, maar altijd gaat het om ervaren mensen. We doen dat op verzoek van trainingsinstituten van andere landen, die op de een of andere manier dol zijn op de manier waarop wij trainen. In directe zin doen wij dat (als vrijwilligers) op verzoek van De Eduardo Frei Stichting (EFF), die de internationale activiteiten van het CDA organiseert. Dat gebeurt overigens weer in afstemming met andere Nederlandse partijen (NIMD), want democratiebevordering is iets voor alle politieke stromingen. Normaal zijn de trainingen die wij geven vrij breed. Het gaat altijd wel over persoonlijke vaardigheden, maar er komen ook zaken als ‘civil society’ en corruptiebestrijding aan de orde, of een thema als: ‘wat doe je nadat je gekozen bent?’ Dit keer staan de verkiezingen echter al op korte termijn voor de deur en beperken we ons tot de basisvaardigheden: hoe stel je jezelf voor als kandidaat, hoe win je een debat, hoe mobiliseer je stemmers en hoe bereik je ze via bijvoorbeeld social media? Het trainen is vooral gericht op de persoon, maar daar moet het dan ook altijd beginnen. In plenaire slotsessie zorgen we er juist voor dat er presentaties zijn op het niveau van de partijen. Om sfeer te maken heeft mede-docent Wim Eilering hen vooraf het ‘Luizenmoederslied’ ‘Hallo allemaal! Wat fijn dat je er bent’ in gebrekkig Frans geleerd en laten zingen. Het zal je als Tunesische raadskandidaten maar overkomen. Ze hebben het glansrijk overleefd.

Een breder besef dat raadsverkiezingen er toe doen 

Het ging om veertig kandidaten van vier verschillende partijen, overwegend onder jongeren. Om het niveau in te kunnen schatten, is het wel relevant om te weten dat de Tunesische bevolking relatief hoog opgeleid is (moet je in Frankrijk naar een ziekenhuis, dan is de kans heel groot dat je door een Tunesische arts wordt behandeld). Wat verder opvalt, is hoe stevig en divers de achtergrond van de kandidaten is. Van medisch specialist tot taxichauffeur (‘ik vond de onzin van de mensen op de achterbank te groot worden’), alles is aanwezig. Met alle respect voor de Nederlandse raadsleden in Nederland met een ambtelijke of ‘vrijgestelde’ status, in Tunesië zie je aan de achtergronden dat er een breder besef is dat de raadsverkiezingen er toe doen.

De vier partijen vertegenwoordigen stromingen die lopen van traditioneel tot progressief, maar per saldo zitten ze wel allemaal in het gematigde midden van de Tunesische politiek. Wat in mijn Nederlandse ogen visueel opvalt, is hoe verschillend iedereen zich kleed, van modern tot traditioneel. De diversiteit is groter dan bij ons en iedereen lijkt dat heel normaal te vinden. Alle deelnemers zijn per definitie voor het eerst kandidaat, al zijn er enkele oudere mannen bij die duidelijk ervaring hebben als bestuurder. Die laatsten lijken nog niet allemaal door te hebben hoe hun wereld gaat veranderen, de rest kijkt er met grote hoop naar uit. Wat we als trainers hopen, is dat de raadsverkiezingen ook een versterking betekenen voor de positie van de vrouwen, maar dan zal er nogal wat meer moeten gebeuren.

Verschil tussen nieuwe en oude democratie

Al met al valt is er dus geen reden om op voorhand de kandidaten lager in te schatten dan degenen die zich nu als kandidaat hebben aangemeld voor de Nederlandse raadsverkiezingen. Het grote verschil is vooral dat wij zijn opgegroeid in een maatschappij waarvan de deelnemers de spelregels van de democratie (denken te) kennen en die ook ongeveer weten wat het is om campagne te voeren binnen het verband van een politieke partij. Tijdens zo’n training zie je dat dit een relevant verschil is. Zij moeten nadrukkelijk getraind worden in vaardigheden die wij voor vanzelfsprekend houden en wij moeten weer eens beseffen dat niets vanzelfsprekend is. Wat bijvoorbeeld opvalt, is de moeite die de deelnemers hebben om op lokaal niveau prioriteiten te kiezen die naar de kiezer toe onderscheidend werken. Steeds worden door de kandidaten dezelfde problemen benoemd: gaten in de weg, gebrek aan banen, luchtverontreiniging (opvallend vaak genoemd) en de zorgen die moeders hebben. Allemaal heel concreet en in die zin passend bij raadsverkiezingen. Maar voor zover oplossingen worden aangedragen zijn die veelal het zelfde en nog algemener verwoord dan bij ons gebruikelijk is. Er zijn wel degelijk verschillen tussen de partijen, maar de kandidaten hebben er echt moeite mee de algemene uitgangspunten te vertalen naar de dagelijks praktijk en andersom. Je ziet de onwennigheid die je in Nederland ook wel bij nieuwe partijen ziet, waarbij wellicht ook een rol speelt dat ze niet gewend zijn met elkaar het gesprek inhoudelijk aan te gaan.

Klepels en klok

Als het om campagne voeren gaat, hebben een aantal zeker dingen opgepikt, vooral via social media, maar het is nog een kwestie van klepel en klok. Plannen moeten nog gemaakt worden, er zijn nog geen routines. Het onderscheid wordt gemaakt door de personen, niet door de partijen. En dan zie je dat sommigen het vak van politicus direct door hebben, maar dat de meesten nog veel moeten leren, inclusief het lef om op een kiezer af te stappen en het verhaal van hun partij te doen.

Voor ons, als trainers, is het dankbaar werk. In korte tijd zie je de kandidaten groeien. Ze zijn bijzonder nieuwsgierig en de meesten weten prima wat ze willen. Die plannen komen ook nog wel. Het zijn meer de tradities er omheen die nog ontbreken. Wat ik zelf graag zou willen doen is deze deelnemers als het ware een Nederlands manteltje om de schouders te hangen van democratische gewoontes, maar daar zal toch gewoon de tijd z’n werk moeten doen. De vraag is of ze die tijd hebben. Dat voelt extra scherp, omdat we in onze Nederlandse situatie er ruwweg van uit kunnen gaan dat het leven gewoon door zou gaan als er een keer geen raadsverkiezingen zouden zijn (het zou misschien wel goed zijn; dan weten we weer wat we missen). Voor Tunesië ligt dat anders. Niemand die weet of deze verkiezingen een blijvertje zullen zijn. Een aantal factoren kunnen ervoor zorgen dat binnen een paar jaar de roep om autoritair leiderschap weer luid zal klinken.

Diepere factoren

De meest voor de hand liggende factor is de economie. De mensen in het land ervaren geen vooruitgang. Banen zijn er niet en de banen zijn slecht betaald. Het gevolg: diepe en brede armoe en meer corruptie dan een land eigenlijk kan dragen. De oorzaak voor de economische malaise loopt van toeristen die wegblijven tot het feit dat de landbouw niet kan voldoen aan Europese standaarden. Stuk voor stuk zijn het factoren die aangepakt zouden kunnen worden, ook maar het land zelf lijkt daar steeds minder toe in staat. Europa acteert in mijn ogen veel te ambivalent: wel woorden, nog te weinig daden. Geen wonder dat voor elke kiezer en kandidaat die blij is met de verkiezingen er velen tegenover staan die alle geloof in democratie lijken te hebben verloren.

En dan is er nog een andere factor. Ook op lokaal niveau. Een simpel voorbeeld: het geld dat er altijd was voor kinderopvang is er niet meer. Wie springen er in dat gat? Nogal wat moskeeën. Vanaf een jaar of vier vangen zij de kinderen op, uiteraard naar religieus gebruik. Kunnen die moskeeën dat zelf betalen? Met behulp van geld uit rijkere staten in de Arabische regio wel. Dat betekent een hele lastige keuze voor ouders die hun kinderen graag modern opvoeden. Er wordt nu gesproken over een wet die het onmogelijk zou maken om buitenlands geld te accepteren, maar het is nog maar de vraag of dat er door komt.

Achter de economische strijd gaat dus ook een culturele strijd schuil. Anders dan in bijvoorbeeld in Libië gelukkig een strijd zonder wapens, want Tunesië is in de kern nog steeds een vreedzaam en stabiel land (jawel, je kan er prima op vakantie gaan in de bekende gebieden). Van alle landen aan de zuidkant van de Middellandse zee kunnen er waarschijnlijk slechts drie als redelijk stabiel worden beschouwd: Marokko, Algerije en Tunesië. Van deze drie is Tunesië van oudsher wellicht het meest stabiel – en in zekere zin zie ik het feit dat de Arabische lente in dit land startte als een teken daarvan: stabiliteit is niet hetzelfde als een eindeloze status quo. De mensen willen nu echte verandering zien: in democratische, economische en culturele zin.

Wat hebben we geleerd na de mislukte formatie?

Nog maar een paar maanden geleden liep in ons land de formatie met Groen Links mis vanwege onenigheid over de mate waarin we ons als Europa met Noord-Afrika moeten bemoeien. Voor een deel is het prima te begrijpen waarom deze partij terughoudend is. Loop je niet vast in de woestijn? Kan en mag je migratie wel afremmen langs die weg? Is het resultaat niet meer oorlog? Dat zijn legitieme vragen – maar niet als het tot een soort nobel nietsdoen leidt.

Een paar keer een training verzorgen in een land maakt mij nog niet tot een expert, maar je hoeft geen genie te zijn om in te zien dat investeren in de ‘soft power’ loont. Versterken van de democratie en economie lijkt mij een legitieme manier om ons belang te dienen: we maken onszelf sterker door het land sterker te maken. Mooi om daar een bijdrage te leveren.

Peter Noordhoek

Men moet Gouda prijzen!

Zo sprak, gebiedend en met luide stem, Joost Reichenbach, niemand nog een keuze latend. En dan mag het niet verbazen dat hij tot de nieuwe stadsdichter van Gouda werd gekozen. Na de fantastische en ‘verbindende’ Hanneke Leroux, krijgen we een man met een uitgesproken beelden, woorden en mimiek. Hij is letterlijk en figuurlijk groot en extravert, waarmee ik denk dat zijn stadsdichterschap dat ook zal zijn – wat weer prima past bij een beweging waarin de poëzie in Gouda groot en extravert is geworden. Als voorzitter van de ministichting die de stadsdichtersverkiezing organiseert, prijs ik mij gelukkig.

Tevreden achterover zakkend (kort hè, Noordhoek, kort), vind ik het wel leuk om even stil te staan bij het gegeven dat deze stadsdichtersverkiezingen vlak voor de raadsverkiezingen zijn gehouden. Wat zijn de overeenkomsten, wat de verschillen? Ik merk dat beide verkiezingen in een stad als Gouda (‘Men moet Gouda prijzen!’ Ja, Joost) naar elkaar toe groeien. In ieder geval hadden we voor de stadsdichtersverkiezingen de 4 resterende kandidaten een extra opdracht gegeven: maak een gedicht over het thema ‘kiezen’, elk naar eigen inzicht te interpreteren.

Chris Bellekom deed dat beeldend door in zijn laatste zin over ‘kies-pijn’ te spreken:

‘Als ik kiezen kon / koos ik je leven leedvrij / niet kapot geleefd / gespoten geslagen gekozen / dan kies ik je vernieuwd / kies ik je jong en brutaal / dan mag je opnieuw schreeuwen / seks en sigaretten en wij / groen en een scheut kiespijn’

Udo Doedens zei letterlijk:

‘Kiezen is een wek-woord … / Ik sudderde lang in onverschil / en droomde van niets / tot iets bij mij lispelde / ‘word een mens en kies’

Jeffrey van Geenen koos ervoor het thema de andere kant op te interpreteren:

‘Ik zit vast in een stemlokaal / tot de kiescommissie komt / de stembus sluit / Ik ben er uit / verkiezingskoorts voorbij / en eindelijk / eindelijk jij bij mij … / en ik /dit weekend / keuzevrij’

Joost eindigde vlammend:

‘Want als ik naar geloof verlang / Is eerst mijn beste keuze: vrijheid / van stemmen zonder dwang’

Het thema ‘kiezen’ was natuurlijk erg makkelijk gekozen, zo vlak voor de raadsverkiezingen. Maar je ziet hoe elke dichter dat weer op een andere manier kan kantelen en keren – en dit keer, met alle zenuwen, voor een groot publiek.

v.l.n.r.: Udo Doedens, Joost Reichenbach, Jeffrey van Geenen en Chris Bellekom

Bij gedichten komt dat grotere publiek niet vanzelf. Er was even een moment – nadat de gemeente de subsidie had beëindigd – dat het stadsdichterschap en eigenlijk het hele dichtgebeuren op de stichting hing. Die penibele situatie duurde maar kort. Het mooie is dat dit al lang niet meer het geval is. In de afgelopen jaar zien we dat een steeds grotere groep actief is geworden. Door je als kandidaat op te geven voor de verkiezing (14 kandidaten dit keer), maar ook door activiteiten te organiseren (Chris, proost!) of door domweg in forse aantallen te verschijnen als er weer ergens wat wordt voorgedragen wordt. Opvallend was de rol van social media. Drie maanden lang stonden Facebook en twitter vol van oproepen, gedichten, rivaliteiten en humor. Dat werkt wel. Ondertussen maakten boekhandel, bibliotheek en cultuurhuis elkaar sterker door een liefdevolle concurrentie en lieten de politici van Gouda merken dat deze verkiezingen hen ook niet koud lieten (er zaten er heel wat op en rond de tribune zaterdag). De stadsdichters zijn het gezicht en vaak de trekker achter de activiteiten, maar ook onze onvolprezen afscheidnemende stadsdichter Hanneke Leroux hoefde het niet allemaal alleen te doen. Zo bouw je aan een stad, zo bouw je aan een stad waar de poëzie leeft.

De keuze is gemaakt, de klus is weer geklaard. Terug naar waar het echt om gaat: het goede gedicht. Ook ik mag nu weer dichten en gedichten voordragen of publiceren en die wetenschap lucht op. Maar voordat ik dat ga doen, nog een terugblik. Wat is mij nu bijgebleven? Best wel veel, maar eerder beelden, stemmen en houdingen, dan woorden en regels. Ik leef om te leren. Van welk gedicht heb ik dan het meest geleerd? Het is een gedicht van Udo Doedens. Het gedicht ‘binnen’ vertelt iets wat ik in het abstracte al wist over de verschillen in de Westerse en Marokkaanse cultuur, maar hij laat het prachtig tot leven komen. Daarnaast boeit mij het verhaal dat iemand mij na afloop vertelde, dat toen Udo het gedicht begon voor te dragen, er een paar Marokkaanse jongens op de eerste verdieping van de bibliotheek begonnen te luisteren, wegliepen en er een aantal andere Marokkaanse jongen bij hadden gehaald om te luisteren.

Tot slot een bijzondere dank en een suggestie. De bijzondere dank gaat uit naar: Dick van Markvoort, Jan Graafland, Carolyt Koops en Hanneke Leroux. Een teamprestatie.

De suggestie is om te luisteren naar de band die ook op de stadsdichtersverkiezing speelde en nu zelf in de halve finale is van de grote Prijs van Nederland: Out of Skin. Ze zijn bijzonder en zijn te vinden op Spotify en elders.

Peter Noordhoek

Wie was Lubbers?

Foto: Telegraaf

Wie was Lubbers? Ik weet het niet, ook al heb ik hem op vele manieren gevolgd. In een tijd dat er minder nieuwskanalen waren dan nu, maar al wel heel veel, was hij er altijd. Via kranten, tijdschriften en via televisie natuurlijk, maar vooral ook via zijn beleid, dat mij op allerlei momenten geraakt en geïntrigeerd heeft. Niet alleen omdat mijn afstudeerboek ging over deregulering, één van zijn beleidskinderen. Maar ook omdat zijn bezuinigen mijn baankansen hebben beïnvloed, positief of negatief. We studeerden voor werkloosheid in die jaren en dat kwam mede door zijn bezuinigingen. Aan de andere kant zorgden diezelfde bezuinigingen waarschijnlijk weer voor de ommekeer. En ook omdat ik in zijn jaren in militaire dienst zat en alles en iedereen verscheurd was door de kruisrakettenkwestie. In veel huiskamers ging regelmatig een neutronenbom af.

Dus op allerlei manieren bepaalde hij mijn leven en dat van iedereen om mij heen. Toch, eigenlijk heb ik nooit het idee gehad dat het nou allemaal zijn eigen beleid was, in de zin van de expressie van zijn persoonlijke overtuiging. Dat was niet zo. Hij kwam niet met beleid, hij kwam met oplossingen. Er was een probleem, hij dacht even mee, en hop, daar was de oplossing. Pas veel later, na zijn aftreden, begon ik door het lezen van wat teksten van hem – veel in reactie op Marga Klompé – te geloven dat het hem ernst was geweest, dat er wel degelijk een diepere laag van overtuiging was. In zijn jaren van regeren heb ik hem, zo moet ik bekennen, ook als christendemocraat, nooit helemaal vertrouwd. Of beter gezegd: nooit spontaan vertrouwd. Hij bewees zichzelf namelijk wel. Keer op keer. En misschien had ik beter moeten weten. Want de man die naar de Houtrusthallen toeging, naar het hol van de leeuw, moet een harde kern hebben gehad. Maar ik denk dat ik niet de enige was die gedurende het premierschap altijd twijfelde over zijn diepere bedoelingen.

Op meerdere momenten heb ik hem ook van dichtbij meegemaakt, vooral tegen het einde van zijn premierschap. Op vele congressen, maar ook op uitslagenavonden heb ik hem meegemaakt (inclusief geweldige omhelzing door de Surinaamse echtgenote van zijn maat Jan de Koning, op een van die bijzondere uitslagenavonden). En zelfs heb ik hem gezien op die ene avond, zojuist weer in het journaal teruggezien, dat Lubbers zei dat hij zijn stem zou geven aan Ernst Hirsch Ballin. Velen hebben geschreven dat hij daarmee het mes in de rug van Brinkman stak. Daar kwam het natuurlijk ook op neer, maar ook als ik het nu terugkijk, denk ik dat hij op dat moment eerder totaal onthecht bezig was, dan met een prinsenmoord. Hij leefde op dat moment in zijn eigen wereld, wist misschien niet eens zelf meer wie hij was. De strakke, altijd drie stappen vooruitdenkende macher was weg. Een impulsief reagerende Lubbers liep over Esscheriaanse gedachtentrappen die altijd weer bij hemzelf uitkwamen als enige gekwalificeerde premier. Zo tragisch – en niet alleen voor hemzelf. Omdat je er zelf bij bent geweest – een verkiezingsavond van het CDA Zuid-Holland, ergens in een bijna onvindbaar zaaltje in een buitenwijk – maakt zoiets natuurlijk extra indruk. En toch is het niet moeilijk om terug in de tijd te gaan en sterk onder de indruk van de man te zijn.

Lubbers kwam aan de macht toen ik van mijn militaire dienst naar de universiteit ging. En bijna gelijk leek er wat te kantelen. Meer dan we ons nu kunnen voorstellen. Van de chaos van Van Agt en Wiegel (en dat was het), kwam er opeens een lijn in. Er werd richting gegeven, op het gaspedaal gedrukt. Allemaal onder leiding van die voorheen zo wollig sprekende man. Ik denk dat het buitenland het eerder door had dan wij, of laat ik voor mijzelf spreken: opeens las ik in de Economist en Time over het einde van de ‘Dutch disease’ en was Lubbers een voorbeeld voor Thatcher. Wat een gigantische omkering. Allemaal onder zijn leiding. Wie het ook was, die Lubbers, hij had wel heel veel in zijn mars. Ik heb veel aan hem te danken. Ik denk wij allemaal.

Ergens in een klus zou een (auto)biografie van Lubbers moeten zijn, met Theo Brinkel als degene die de pen vasthield. Ik zou het nog graag willen lezen, maar ik weet bijna zeker dat ik na lezing nog steeds niet zal weten wie Lubbers was. Het maakt niet meer uit. Goede reis, Ruud Lubbers.

Peter Noordhoek

The Need to Slow Down Artificial Dumbness (AD) in the Stock Market

A combination of algorithms can become artificial intelligence (AI) when they show they can learn. When that same combination leads time after time to damage – damage that could have been avoided – you get Artificial Dumbness (AD). My statement here, is that the stock market is ruled by AD. And not just recently. And as we humans are really the dumb ones here, I want to put the issue of the digitization of the stock market on the agenda of society in general and of the (financial) regulators in particular. I am no more than an ordinary stock holder, and I have little to complain about, but maybe you should hear me.

1987: a big digital scare

I can remember the crash of 1987: Black Monday. It was before the days I had stocks, and I was mildly amused when I saw a grown man cry over his loss of money after the DOW went down with record speed. Don’t you know stocks can go down too? That slight nastiness on my part changed when it became clear that the speed with which the market had turned was perhaps more due to the way computers were programmed then to his decisions. That sounded rather unfair to me, and I voiced this to anyone willing to listen (not many). It was the first time computers truly aggravated a crash and turned that crash global within 24 hours. In later years, I was more or less satisfied with the idea that when a share went down too fast, trade could be suspended for a day or so. The digital multiplier effect seemed under control, more or less. If the stock market is a car, then cutting the cord to the gas pedal regularly helped to slow things down. But I did not fully trust the assurances.

2007: the digital monster we dear not look in the face

I was a stockowner by 2007. Having learned that it was wise to spread my portfolio I had (and have) done so: one weighted portfolio run by professionals, one weighted portfolio with ‘smart’ trackers and one portfolio build up by myself. I am happy to say that this last portfolio outperforms the other two, but please do not follow this example of ‘monkey-smartness’, as I managed to buy stocks in a bank just a week before the great crash of 2007. That was the last time I considered myself an expert. But the real shock was not what happened with my stocks, but what happened to the economy and the world after Lehman Brothers. I followed and debated everything intensely. I saw a host of measures being taken, among them measures to increase buffers, professionalism and ways of preventing fraud. Great, but I always had the feeling it missed this one big point: the role of the algorithms in ‘stop-loss’ and other decisions. In all the measures announced and debated in parliaments and boards, hardly ever was there a debate on this even making a byline in the media or the halls of politics. The impact of the speed of digital trading in the crucial days of the crash has been described, but hardly ever debated. Would the impact of the crisis have been the same without these algorithms? No way. If the stock market is like a car, then the algorithms kept on gassing its engine far beyond the initial crash, involving many other cars, all gassing and pushing themselves over the edge of the highway, ruining the highway in the process. What if the gas would have been cut for all these cars?

The stock market crash of autumn 2007 was no real surprise to me, as my interest in the role of algorithms had alerted me to what went on with the mortgages in the US, still I will never claim to belong to those who predicted the impact of the crash. I did follow from the first how fast the crash spread out from Wall Street and the role of automated decisions in this. Anxiously I waited for the regulators to address the issue, but in a way, I am still waiting. As a consequence I have also started to fear that we are undermining our democracy by not talking and addressing the more general issue of who owns the algorithms in or close to the public arena.

2018: a final warning

It is now 2018. What happened last week with the stock market still seems small beer compared with the crisis of 1987 and 2007. The American stock markets moved from an expectation of almost none inflation to an expectation of very little inflation – et presto. This must have triggered a number of other anxieties, which in turn also impacted a new phenomenon, the Volatility Index. This in turn triggered a host of selling of which a news channels said, ‘that no human brain was involved’.

No doubt, many other factors were also involved in the big slide downwards, including the fact that the slide might have scared the large block new stock holders witless , also because of what was already happening to bitcoin (natural dumbness). Yet the fact that other markets like the valuta market did not join the slide and the fact that many experts cannot explain the slide from anything else but stop-loss mechanisms, suggests algorithm failure (artificial dumbness). We have not learned our lessons.

Please understand, I am not against a downturn as such. Nature and stupidity should run its course, nor can we prevent smart idiots from inventing financial instruments that are even more bonkers from a financial stability point of view than we already have. Anyhow, I believe conservative stock owners like me should not panic or change course immediately (on the condition of having evaded the temptation of bitcoin, of course). The point here is speed. Right at the moment that a crash should cause people to think, we have allowed ourselves digital constructions that far outstrip human thinking in speed. At the moment, the only option seems to suspend trade all together. In a real crash this might have the same effect as speeding your car while at the same time applying the brakes. Guess what happens?

So, let a crash happen where and when it does, but let’s be able to reverse gear at the moment a crash happens and reduce speed to something within human limits for at least a 24-hour cycle. In this I just prefer natural dumbness to artificial dumbness.

Action

This is what I would like to see happen:

  • Pretty soon we will all be our own personal bank, with our own monetary and financial spread of instruments. In technical terms, we are almost there. Good luck to the government that wants to chase us. Yet, for things like stocks we will always need sizeable trading hubs to get the necessary scale of economics. So, these markets and their institutions will by necessity anchor the financial market, and so are the inevitable focus of market regulation. The fall of stocks last week was excessive in relation to its cause. A cap would have been as justified as a cap on inflation.
  • Who ‘owns’ the problem? As it seems, not the writers of the algorithms, or not enough. It is not because I distrust (stock) market and banking regulators (well, a little), but on principle I think this is an issue for the monetary authorities in the world; the Federal Reserve Bank, The European Central Bank and others. They are the ultimate guardian of the financial system. The problem is that they are economist by nature and outlook. Digital security at the time of market crashes should be their domain. In terms of risks, the speed with which money flows through digital channels has become as vital as the speed with which money flows through trade channels. The latter is called inflation, let me call the first ‘digiflation’.
  • International Monetary Fund Managing Director Christine said today in Dubai, that we should ‘focus efforts on action that could prevent cross-market problems instead of paying more attention to certain entities or countries’. I appreciate her saying this, as she is leading the way with dealing with this issue, but I have little faith in the predictive capabilities of financial regulators to predict where the next Digital Bubble Machine (DBM) is coming from, while they do should be able to reduce the speed of trading.
  • What should the speed of a fall in stocks be? In technical terms, I recognize that this is probably not an easy question, if only for the fact that it would require a very intricate licensing system to be able to influence algorithms for all market players. Yet when someone can write algorithms, someone else should be able to scrap or overrule them. It’s not a challenge I should think is impossible, also given its importance.
  • At its heart, the problem is probably more a matter of communication than anything else. On the one hand, we still think we understand regulation, when in fact we cannot anymore; there is just too much of it. On the other hand, we assume we do not understand algorithms, when in fact we can always reduce them to a few parameters. In this case: I want the stock market to go back to the speed of a human talking or typing on a key board.

And so on. This is all just to put the issue on our common agenda, from which it slips away all too easily because we think this is something for experts and everyone else is the expert.

WOLF!

Please understand that I do not want this to be the blog of an old-fashioned man or doom sayer. I love information technology and the benefits it brings. I smile when an algorithm is better than any expert in predicting which startup has the most chance to succeed. I love the fact that I can save a lot of decision time by just following trackers. Nor do I have any ax to grind. I am no expert, let alone a guru. I am an investor with his eye on his pension and little else. This is a stock market dip I can easily handle (haven’t even called my stock broker), taking the long view, as always. Yet this is the third time I seriously feel like crying: “WOLF!!”. I do so, knowing that now there is probably still something to be done about the stock market algorithms. I fear that next time we have created the kind of Artificial Dumbness no one, with or without a brain, can correct anymore.

Peter Noordhoek

Weet u het al? De keuze bij het referendum over de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten

Foto auteur

Op 21 maart a.s. gaan we niet alleen naar de stembus om een nieuwe gemeenteraad te kiezen, maar mogen we ook kiezen in het kader van een referendum. Meer precies: een referendum in het kader van de ‘Wet houdende regels met betrekking tot de inlichtingen- en veiligheidsdiensten alsmede wijziging van enkele wetten (Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017)’, door tegenstanders de ‘Sleepwet’ genoemd. Deze blog zet wat afwegingen op een rij.

Serieuze kiezers zullen zich realiseren dat ze eigenlijk te weinig van de nieuwe wet afweten om daar een goed oordeel over te kunnen geven. Je voelt dat veiligheid en privacy in zo’n wet op gespannen voet kunnen komen te staan, maar je wilt niet met alle winden meewaaien, dus wat doe je? Omdat ik vermoed dat mijn lezers best serieus zijn (anders hou je het niet uit, waarschijnlijk), hebben jullie net als ik al op de wet gegoogeld. Het valt mij niet tegen: er is veel en compacte informatie te krijgen van zowel voor- als tegenstanders. Ook de Kiesraad geeft nuttige info.

De aanvraag voor het referendum is zo’n 420.000 maal getekend (waarvan ruim 30.000 ongeldig). Ga je naar de website sleepwet.nl dan krijg je complete informatie van de tegenstanders. Dubbel vind ik wel dat in de 2e alinea de volgende zin staat: ’Er is geen enkele instantie of politieke beweging aan verbonden’ en dat direct daarna, in de volgende alinea staat dat het referendum gesteund wordt door partijen als Forum voor Democratie, DENK, SP en Partij voor de Dieren. Serieuzer, want minder politiek, vind ik dat ook een partij als Transparency International Nederland het referendum steunt.

Niet duidelijk is op de site van de voorstanders van het referendum dat het hier om een raadgevend referendum gaat. Gelet op de vele partijen die ontbreken op de website, inclusief de coalitiepartijen, is het logisch dat dit keer de raad van kiezer niet direct gevolgd zal worden. Dat stemt op zich niet vrolijk. We leven in een tijd vol wantrouwen en dan is een ‘nee’ tegen een wet altijd verleidelijk. Dan zal er dus een verlies-verlies situatie ontstaan voor de regering: wordt de uitslag van het referendum gevolgd, dan houden we een verouderde wet, maar wordt de uitslag niet gevolgd dan ontstaat er een ‘zie je wel, de overheid neemt ons niet serieus’ situatie. Uiteraard is dit een win-win situatie voor de meer extreme oppositiepartijen op links en rechts.

Zelf heb ik mij in een eerdere, door George Smiley geïnspireerde blog al voor de wet uitgesproken, maar vanwege het naderen van de datum van 21 maart en vooral vanwege de actualiteit, wil ik er nog een keer op terug komen. Allereerst om dat op zich het vanuit democratisch perspectief altijd verstandig is met een kritische blik te kijken naar inlichtingen en veiligheidswerk, maar in de tweed plaats omdat er afgelopen weken weer dingen zijn gebeurd waarvan ik vind dat we het belang ervan onvoldoende tot ons door hebben laten dringen. Om mijn ondeskundigheid iets te verminderen, heb ik er voor de zekerheid nog wat boeken en publicaties op nagelopen over spionage tijdens de Koude Oorlog. Hoe verhoudt zich dat met nu? het volgende laat zich vanuit recente publicaties dan op een rij zetten:

1         Cyber-aanvallen

Het is natuurlijk gewoon een groot succes voor de AIVD dat ze er lange tijd in geslaagd is om een Russische hack-operatie te infiltreren. Ze zijn er in geslaagd een primaire bron te worden voor de wijze waarop de Russen de Amerikaanse verkiezingen hebben beïnvloed. Chapeau. Het is en blijft waanzinnig dat dit vanuit Rusland überhaupt is geprobeerd. Dat dit verhaal is gelekt, juist nu, vlak voor het referendum, deugt niet en is dus precies weer reden om het toezicht op de diensten scherp te houden, maar wat er daarna gebeurde zet alles weer in een ander licht: zware en gerichte DdOS-aanvallen op Nederlandse banken en overheidsinstellingen zoals de Belastingdienst. Het kabinet noemt het aanvallen van ‘criminelen’. Criminelen zijn het zeker, maar wie de aard en omvang van de aanvallen tot zich door laat dringen, weet dat het hier om staatscriminelen gaat. Ook hier is het toeval te groot. Zoekend naar parallellen met spionage uit de Koude Oorlog, is die parallel er eigenlijk niet en moet je het eerder in een warme oorlog zoeken, waar een succesvolle raid wordt beantwoord met een artilleriebarrage over een breed front. Het is ‘slechts’ digitaal en niemand raakt gewond, maar het voelt aan als oorlogsdaden voor de tijd dat de onderhandelingen in Geneve op stoom kwamen.

2         Amerika als onbetrouwbare bondgenoot

Wat moet je denken van een verenigde Staten waar niet alleen de politiek tot op het bod verdeeld is, maar waarbij overduidelijk de inlichtingen – en veiligheidsdiensten niet op dezelfde lijn zitten als de president? Waar onderzoek na onderzoek wijst op Russische ‘trouble making’, zo niet erger? Waar ondanks al deze signalen, er deze week een invulling van de boycot van Rusland komt die naar het lijkt tandeloos gaat worden? Je kan zeggen dat dit is om het bedrijfsleven niet in de weg te zitten en niet vanwege Russische druk, maar wat is nu nog de echte agenda van de Verenigde Staten als het om Rusland gaat?

Het Atlantisch bondgenootschap is altijd de kern geweest van het veiligheidsbeleid en dat zou zo moeten blijven, maar de glans raakt er zo wel vanaf, om het nog maar niet te hebben over de positie waar de Britten nu na Brexit in terechtkomen. Voor de Britten is het realisme van ‘Dunkirk’ dichterbij dan de pathetiek van het ‘Darkest hour’.

3         Europa als onaf bouwsel

Het lijkt mij dat veel meer dan in het verleden, de stemming in Europa nu wordt: samenwerken moet. De praktijk zal ongetwijfeld weerbarstig blijven – ik wil eigenlijk niet weten hoe erg het is. Het is aantrekkelijk om te denken dat het nu rustig met aanslagen is, duidt op betere samenwerking, maar daar is het nog te vroeg voor. Na volgende aanslagen zullen we ongetwijfeld opnieuw horen dat het om personen gaat die al langer op de lijst van verdachte personen stonden, maar waar niet bij werd ingegrepen. En wat voor terroristen geldt, geldt ook voor de grotere geopolitieke risico’s zoals we die lopen – en niet alleen vanuit Rusland. Afgelopen week vond ik een heel boekwerk in onze brievenbus contra de PKK. Nog verontrustender dan de pure, maar erg doorzichtige propaganda, was ook de wijze waarop het wetenschappelijk denken in diskrediet werd gebracht. De hele evolutieleer werd ontmanteld. Atatürk moet zich voortdurend omdraaien in zijn graf bij het werk van zijn opvolger – want dat het hier niet om een privé-initiatief ging was wel duidelijk.

Er is dus heel veel te doen voor inlichtingen en veiligheidsdienst op het Europese continent. Het is een onaf bouwsel, maar gelukkig wordt er wel gebouwd.

Weging

Als ik dit zo op een rij zet, dan is een update van de Wiv logisch. Vertrouw ik hiermee de inlichtingen- en veiligheidsdiensten om altijd binnen hun bevoegdheden te blijven? Dat is de verkeerde vraag. Nee, dat doe ik niet. Mensen die hun beroep baseren op wantrouwen – iets wat niet alleen voor spionnen, maar ook voor politiemensen, journalisten en wetenschappers geldt – slaan vroeg of laat door en de gevolgen kunnen ernstig zijn. De vraag is of het blokkeren van de wet een redelijk alternatief is. In mijn vorige blok heb ik aangegeven dat dit vooral een kwestie is van de vraag of je als burger voldoende vertrouwen in de rechtstaat hebt om er op te vertrouwen dat misbruik van bevoegdheden gecorrigeerde zal worden. Zelf heb ik dat vertrouwen wel, maar ik kan mij voorstellen dat dit vertrouwen ontbreekt. Voor die mensen heb ik nog twee extra argumenten.

Het eerste argument is een ongemakkelijke waarheid: we zijn in een digitale wapenwedloop bezig. Laat het bovenstaande maar tot je doordringen. Ik zie niet hoe het blokkeren van de wet de situatie verbetert. Bedenk daarbij dat de Wiv de diensten niet alleen meer bevoegdheden geeft, maar ook het toezicht verder verscherpt.

Het tweede en laatste wat wellicht gerust weet te stellen, is de aandacht die er nu op Europees niveau is voor privacy- en gegevensbescherming. Europa is ook op dit terrein met een update bezig. Als per mei van dit jaar de Algemene Verordening op de Gegevensbescherming (AVG/GDPR) in werking treedt, is dat voor mij een teken dat we over de hele linie bezig zijn de digitale veiligheid op een hoger niveau te krijgen. Het zijn dus niet alleen de veiligheidsdiensten die op een hoger niveau worden gebracht, ook de burgers zelf. Zou er slechts eenzijdig aan de bevoegdheden van de diensten of aan de privacy van de burger worden gewerkt, dan zou ik meer zorgen hebben dan nu.

Zorgen blijven er: ‘it’s a dangerous world out there’. Maar ten goede of ten kwade, dat referendum is er. Ook al heb ik nog het zuur in mijn mond van het laatste referendum over Oekraïne; niet stemmen kan voor een ware democraat geen optie zijn. Stem voor de wet.

Peter Noordhoek

Burgemeester en watersnood: verschillen in verantwoording tussen 1953 en nu

De foto van de rijzige man is van burgemeester van Heesen uit ’s-Gravendeel. Hij kijkt uit over zijn verdronken dorp. De foto is genomen op het balkon van het doktershuis op De Kaai. Omdat ook het gemeentehuis onder water staat, is het doktershuis op dat moment het crisiscentrum. Alles wat hij ziet en verantwoordelijk voor is, staat onder water. Het moet zijn zwartste moment zijn: door de vele doden is de rouw tastbaar in het dorp. Het zal in zekere zin ook zijn mooiste moment zijn. Omdat ’s-Gravendeel van alle rampplaatsen het dichtste bij de randstad ligt, zal er al vanaf de tweede dag Koninklijk bezoek zijn en is een niet aflatende stoet van militairen, bestuurders, journalisten en andere belangrijke personen die willen zien wat er is gebeurd, om vast gast Koningin Juliana maar niet te vergeten. Samen met de dokter is hij het gezicht van het dorp.

Toen ik opgroeide in hetzelfde witte huis waar hij toen stond, heb ik de foto’s wel bekeken (mijn vader werd in ‘59 de opvolger van Dr. Van der Bijl). Er is vast een moment geweest dat ik precies op dezelfde plek op ons balkon ben gaan staan, nadenkend over de vraag wat ik zou hebben gevoeld als ik daar had gestaan. Ik stelde mij voor hoe, in wat toen onze huiskamer was, het crisisberaad zou hebben plaatsgevonden, vol met moeilijke beslissingen en hoe dan de koningin opeens binnen stond om met iedereen te spreken, inclusief de oudste zoon van de dokter. Wat moet dat spannend zijn geweest.

Storm in 2018

Het is nu januari 2018. We hebben twee grote winterstormen gehad waarvan vooral de storm van 18 januari windsnelheden liet zien die met 1953 vergelijkbaar waren. Alle stormvloedkeringen zijn voor het eerst allemaal tegelijk in werking getreden. Best bijzonder. De video’s over weggewaaide mensen en opwippende daken zijn vast vaker bekeken dan die van de gesloten sluizen. Begrijpelijk. En waar we het echt over hadden, zijn de 66 vrachtwagencombinaties die van de dijk zijn gewaaid. Ondanks code rood! Hoe kan zoiets gebeuren. Schande. Wie is verantwoordelijk? Binnen 48 uur weten we tot op de euro nauwkeurig wat de stormschade is en wat daarvan door die vrachtwagens is veroorzaakt. Die krijgen toch zeker wel een stevige boete?! Een zaak voor een burgemeester lijkt dit niet. Er heeft er in ieder geen enkele het nieuws gehaald en dat moet dan toch de maatstaf zijn.

Nadenkend over overeenkomst en verschil tussen ’53 en ’18 kom ik niet alleen uit op het grote verschil in veiligheid, ook al vind ik dat we daar wel eens wat meer stil bij zouden mogen staan in dankbaarheid (hebben ze toch maar mooi aan al die plucheplakkers te danken). Ons korte termijngeheugen blijft allesbepalend. Het grootste verschil zit voor mij in hoe we over verantwoordelijkheid, schuld en boete denken.

Voor de ramp

Wie zich in de ramp van ’53 verdiept, valt met de ogen van nu (!) op dat niemand verantwoordelijk wordt gesteld voor de ramp die zich toen heeft voltrokken. De Hoeksche Waard en de burgemeesters daar, inclusief Van Heesen, lijken positieve uitzonderingen in het grootste bestuurlijk falen van na de Tweede Wereldoorlog, zowel voor als na de ramp. Voor de ramp: bestuurders, dijkgraven, Haagse en provinciale bestuurders allemaal hoe slecht de dijken er voor stonden of hadden dat kunnen weten. Zeker ook de burgemeesters. Je kan de oorlog de schuld geven, het gebrek aan geld, maar pure onwil en bestuurlijke kinnesinne hebben er ook toe geleid dat de situatie in stand bleef. In 1906 was er een stevige watersnood geweest, in de oorlog was Walcheren wel drie keer geïnundeerd, maar lessen over de kwaliteit van de dijken waren niet geleerd. Men had het kunnen weten, men wist het, maar tot de nacht gebeurt er niets. Soms hadden meerdere kernen maar één burgemeester en dan zou je het de burgemeester nog kunnen vergeten dat hij niet overal alarm liet slaan, maar teveel burgemeesters weigerden eenvoudig om hun bed uit te komen, of om anderen dan alarm te laten slaan.

Tijdens de ramp

Eén van de weinige instanties die de nacht zelf deed wat het moest doen was de KNMI. Zij zagen de storm aankomen en deden hun best de waarschuwing zo ernstig mogelijk te doen klinken: er komt ‘gevaarlijk hoog water’. Ze snapten ook dat die aanduiding niet concreet genoeg was. Helaas mochten ze geen andere aanduiding hanteren dan deze, gingen de zenders onherroepelijk op slot gedurende de nacht. Er waren slechts dertig instanties in het Noordzeegebied geïnteresseerd in de stormwaarschuwingen van het KNMI en daarvan zouden er uiteindelijk slechts een drietal voldoende geïnteresseerd blijken in de inhoud van het bericht om er actie op te nemen. Daaronder was gelukkig ook de dijkgraaf van de Hoeksche waard. Mede door die alarmering behoorde Van Heesen tot de kleine minderheid van burgemeesters die al voordat het water om halfdrie ’s nachts haar hoogste punt bereikte maatregelen aan het treffen was, zoals het afsluiten van de havenmuur van De Kaai voor het doktershuis met vloedplanken, maar ook: een wijk die tegen de hoge rivierdijk aanlag, de Nest, te gaan ontruimen. Dat pakt deels dramatisch uit: een deel van de wijk stroomt uit richting het doktershuis en daarvan weer een deeltje richting de Molendijk. En juist de Molendijk, een binnendijk, zou later die nacht het zwaarst getroffen worden. Die nacht vielen er 39 doden in het dorp, waaronder alleen al 20 uit één huis aan de Molendijk. Ook vooruitzien beschermt niet altijd tegen falen. In 2018 zouden we treuren om een vrachtwagenchauffeur die om het leven kwam omdat hij zijn truck uit was gestapt om een tak te verwijderen en daarbij een andere tak op het hoofd kreeg. Triest, maar wel van een totaal andere orde dan bijvoorbeeld zo in ‘s-Gravendeel gebeurde.

Maar in ’s-Gravendeel was men in ieder geval wakker toen de ramp uitbrak en dat was meer dan je op de meeste plekken kon zeggen. Het verhaal van de ramp zoals Slager dat in 1998 heeft opgeschreven ook een verhaal van bureaucratisch falen waar je bloed van gaat koken als je het leest. Positieve verhalen als die bijvoorbeeld over de Hoeksche Waard lijken vooral bedoeld om te laten zien hoeveel burgemeesters besluiteloos bleven, hoeveel wethouders liever vluchtten dan hun handen uit de mouwen te steken, hoeveel militairen zich verscholen achter de commandoketen en arbeiders zich achter hun cao. Je kan er een lijst van eindeloos falen van maken. Dat kan.

Niemand wil het weten

En dan het opmerkelijke: niemand wil over falen weten. Niet over vooraf, niet over tijdens. Toen niet en later niet. Dat wordt heel breed gedragen en niet alleen door de betrokken bestuurders. De schuldvraag wordt hoogstens gefluisterd. Iemand stelt in de Tweede Kamer de vraag of er niet een parlementaire enquête moet komen, maar die persoon wordt weggehoond. Kranten staan ook niet open voor kritische vragen van hun eigen journalisten. Burgers lijken ook geen lastige vragen te willen stellen. Publicaties van de ramp gaan uitsluitend over hoe erg het was, hoe we er weer boven uitkomen, wie de helden zijn (primair de Koningin; in die dagen volstrekt terecht). Niet: hoe heeft dit kunnen gebeuren, hoe had dit kunnen worden voorkomen, wie draagt hier de verantwoordelijkheid? Als in 1978 (ex)minister Jan Terlouw een boek schrijft over de Oosterschelde, dan bestaat de basis voor zijn beschrijving van de ramp nog uitsluitend uit onkritische overzichtsboeken. Nog meer dan in de geschiedschrijving over de oorlog, zou in verhalen over de watersnoodramp het eigen ‘foute’ of zelfs maar ‘grijze’ element ontbreken. Alles was de straf van God of onze eigen verdienste om er weer bovenop te komen. We gingen de Deltawerken doen, we gingen vechten over open of gesloten caisons, en dat was het. De boeken bleven dicht, tot Slager kwam, vijf-en-veertig jaar later.

Ook in mijn oude dorp zijn dingen gebeurd die niet konden. Mij staat nog het meeste bij, dat een deel van de zwaar gereformeerde gemeente in ons dorp weigerde om lichamen te helpen bergen. Het was immers zondag. Dat verhaal was een vroege test voor mijn geloof. Maar er was nog meer waar ik de vinger niet achter kreeg toen ik in de jaren negentig onderzoek deed voor een boek over de ramp. Er had wel wat meer verantwoording mogen zijn. Je weet niet wat mensen naar elkaar toe hebben uitgesproken, maar zeker op schrift ontbraken de lessen en is toch vooral alles zo opgeschreven ‘dat niemand beschadigd raakte’. Dat kwam er op neer dat het stil bleef. Daar ben ik, zo realiseer ik mij nu, in mee gegaan, ook door ervoor te kiezen om de romanvorm te gaan hanteren.

Dilemma

En dat brengt mij bij het Dilemma van de Dag. Ik ben genoeg kind van mijn tijd om grote moeite te hebben met het gebrek aan verantwoordelijkheid nemen voor wat er mis is gegaan. Je kan alles op God of de natuur gooien, maar in feite was veel van de ramp vermijdbaar. En door zo totaal om de donkere kant van je verleden heen te lopen, doe je uiteindelijk ook degenen die het wel goed hebben gedaan tekort. Het kan niet anders of juist de burgemeesters uit die tijd hebben hard hun best gedaan ‘het dicht te houden’. Tegelijk ben ik er ook van overtuigd dat onze huidige verantwoordingscultuur niet zaligmakend is. De verbetenheid waarmee alles aan een onderzoek onderworpen wordt, het direct stellen van schuldvragen, de routine waarmee het touw wordt getest waaraan Barbertje kan gaan hangen; het is van een zuiverheid die een zeer onzuivere nasmaak achterlaat.

Daarom kan ik een eind meegaan met de mensen die zeggen dat je niet alles hoeft te weten en dat wonderen beter genezen als je ze niet voortdurend gaat openkrabben. Zolang je maar wel blijft nadenken bij de volgende crisissituatie. Ik kijk nu bijvoorbeeld met bewondering naar de burgemeesters in het zuiden van land die de criminaliteit daar durven te benoemen, tot en met de integriteitsschendingen in de gemeenteraad. Het is bijna grappig. De meest alerte en dapperste burgemeesters in ’53, hadden bijna allemaal een achtergrond in het verzet: die wachtten niet totdat ze van anderen het alarm kregen. Mijn beeld van de burgemeesters in het zuiden is dat zij nu de verzetsleiders zijn tegen de criminaliteitsgolf daar. Steun ze!

Eb, vloed en een tik tegen je hoed

Wat blijft is mijn verwondering over hoe groot en totaal de ommekeer in openheid en verantwoording is en waar deze toch vandaan komt. Soms denk ik dat het te maken heeft met de Deltawerken en het vertrek van eb en vloed uit de dorpen aan de kust. Tot mijn 10e wist ik altijd of het op- of afgaand tij was en dat deed wat met mijn kijk op de dingen. Wie weet hoe zoiets doorwerkt op je besef van veiligheid achter de dijken. Het andere aspect, minstens zo belangrijk, is het Vertrek van het Gezag uit Holland. Burgemeesters, dorpsartsen; ze waren iemand. Die faalden niet en als ze toch faalden, dan faalden ze niet.

kijk naar onderstaande foto, genomen vanuit de eerste verdieping van het doktershuis door mijn eigen vader in de vroege jaren zestig. Je ziet vanaf rechts een deel van de muur lopen die bij hoogwater het dorp afschermde van het hoge water. In de inkepingen op de kop van de muur werden de vloedplanken gedaan, ook in de nacht van 1 februari 1953. Het hoge water kwam ook nog na die datum tot op die drempel. Totdat de zee werd afgesloten, eb en vloed verdwenen en even later de haven zelf verdween achter de buitendijk. Let ook op de vrouw die daar met twee kinderen aankomt. Dat zijn mijn moeder met mij en mijn broer Paul aan de hand. Een oudere man tilt zijn hoed op, want dan deed je naar de vrouw van de dokter. Ook dat gedrag zou minder dan tien jaar later verdwenen zijn – tot vreugde van mijn ouders, overigens, maar daar stopten de verandering natuurlijk niet mee. Mijn beeld is dat de vloed van 1953 heel veel meer heeft meegenomen dan gedacht. Wat we daarvan vinden, moeten we maar zeggen.

Peter Noordhoek

Recent gaf ik aan mijn dissertatie te hebben voltooid. Deze wordt nu beoordeeld. Het is een dissertatie die een valse start heeft gekend in 1985. Tot aan 1990 heb ik er hard aan gewerkt, maar toen bleek de combinatie met mijn werk te zwaar. Om mijzelf te tonen dat ik wel in staat was een grote tekst te schrijven, schreef ik toen ‘Klappen op het water’. Deze roman beschreef op vrije wijze wat er in en rond de watersnoodramp kan zijn gebeurd. De roman kwam af, is door aardig wat mensen geleerd, maar nooit gepubliceerd. Nu mijn dissertatie af is … wie weet.

Wat literatuur:

Rien Allewijn – Een zee van water. Februarivloed 193 over de Hoeksche Waard en het eiland van Dordrecht. Klaaswaal, 1983.
Historische Vereniging ‘s-Gravendeel – Om nooit te vergeten. Een terugblik op de watersnoodramp van 1953 in ‘s-Gravendeel. Eigen uitgave, 2003.
Kees Slager – De ramp. Een reconstructie. Uitgeverij De Koperen Tuin, 1992.
Kees Slager – Watersnood. De Buitenspelers, Ouwerkerk, 2010.

De Wet op het vermeerderend toezicht (WVT)

Foto: auteur

Een dankblog bij meer dan 500 nieuwsbrieven ‘Toezicht in het nieuws’

Rob Velders is inmiddels toe aan zijn vijf-honderd-en-tweede nieuwsbrief over ’Toezicht in het nieuws’. Heel consistent en behoorlijk volledig informeert hij elke week een paar duizend professionals in de wereld toezicht, inspectie en handhaving over de ontwikkelingen in het vak (en betrekt hij de lezer via discussies, vacatures en aankondigingen). Want zo kijkt hij ernaar: als een vak. Hij heeft er ook opvattingen over: regelmatig zie je een groen balkje onder een nieuwsitem waarin hij zijn mening geeft. Daar mag je over twisten, maar door de persoonlijke toon erin tilt hij de nieuwsbrief boven het niveau van uit van een stapeltje krantenknipsels. Omdat niemand anders kennelijk bij de mijlpaal heeft stilgestaan, wil ik hem bij deze de Tevreden Lezer Speld op spelden. Deze felbegeerde TLS wordt slechts zelden uitgereikt, al was het maar omdat ik hem nu net verzin.

Dik, dikker

Hierbij geldt gelijk een kanttekening die ons naar de inhoud brengt. Want echt helemaal lezen is er voor mij niet meer bij. Ik weet dat de nieuwsbrief Rob (www.veldersnovak.nl) is ontstaan in de tijd dat hij zelf nog bij een inspectie werkt en dat hij toen begonnen is met een eigen knipselkrantje. Die werd ook door zijn collega’s zo gewaardeerd, dat hij na zijn verzelfstandiging onder druk werd gezet om deze, nu in de vorm van een nieuwsbrief, voort te zetten. Toen hij aan die druk toegaf was deze nieuwsbrief heel wat dunner. Inmiddels zien we aan het tijdstip van verzenden – diep in de zondagnacht – dat zowel de omvang als het aantal lezers enorm is toegenomen. Tien bladzijden met klein gedrukte titels en aankondigingen zijn geen uitzondering meer en dat kan zelfs voor mij teveel worden – mijn trouwe lezers weten wat dat zegt. Tegelijk is dat beeld van 10 volle pagina’s vol nieuws de beste visuele ondersteuning die je kan hebben voor de groei in aandacht voor toezicht. Een beter overzicht van de ontwikkelingen in toezichtland dus ook niet, althans, als geaccepteerd wordt dat titels van berichten ook de lading dekken. Hoe dan ook, ik doe een poging. Ik noem een paar oorzaken en wordt daarna steeds kritischer in mijn commentaren. Het is uit betrokkenheid en omdat ik vind dat we allemaal goed toezicht verdienen en omdat het groots moet zijn om voor een toezichthouder te werken.

Vaste waarden

Een aantal toezichthouders komt in de berichtgeving voortdurend terug, hoewel van tijd tot tijd onder een afkorting. Voor de goede orde, in de nieuwsbrief gaat om een grote verscheidenheid bronnen, maar mediaberichten, plus ambtelijke en Kamerstukken voeren de boventoon, vaak ook van de toezichthouder zelf. En dan zijn er nog de overige publicaties, waaronder incidenteel een blog van ondergetekende. De mediaberichten vangen de meeste aandacht en daarin zie je met enige regelmaat alle grote toezichthouders en inspecties ‘aan de beurt komen’ voor media-aandacht. De NVWA was de afgelopen maanden sterk in het nieuws vanwege de Fipronil affaire en de mestrijders, maar daarvoor was o.a. de Inspectie Gezondheidszorg aan de beurt (toe nog voor de toevoeging van de Jeugdzorg) en weer daarvoor de ILT in het kader van de Fyra. En kan je teruggaan in de tijd – of vooruitgaan. Dit weekend is een idee gelanceerd voor een toezichthouder voor Defensie. Dat is grappig voor iemand die veertig jaar geleden nog net prins Bernhard heeft meegemaakt in zijn rol als Inspecteur-generaal voor de krijgsmacht. Alle officieren deden het in hun broek voor de Anjerman. Heel effectief, maar wel goeddeels ontmanteld. Kan de nieuwe toezichthouder net zo effectief als prins Bernard worden of wordt deze weer nieuw voer voor publicaties in de nieuwsbrief? Oude toezichtrollen blijven dus bestaan en wijzigen hoogstens van vorm. Maar nieuwe loten aan de stam dienen zich wel degelijk aan – wie had de komst van de autoriteit Consument en Markt voorzien? – of krijgen een groeispurt door nieuwe wetgeving – denk aan de Autoriteit Persoonsgegevens en de Algemene Verordening Gegevensbeheer (AVG). En dan is er nog iets wat zich zelfs voor de nieuwsbrief regelmatig aan het zicht voltrekt: de opkomst van de handhavers in het lokale domein. Ze zijn er al lang, maar mede door de hele decentralisatie beweging, is handhaving ‘hot’.

Vak of speelbal?

De nieuwsbrief gaat gelukkig over meer dan alleen de politieke koersbewegingen van de instituten in het toezichtdomein. Door de oogharen kijkend, zie je ook de groei van het vak. Naast dat het strategisch vermogen wordt ontwikkeld, zie je steeds meer publicaties over de professie zelf en de communicatie er om heen. Welke interventies kan je toepassen? Hoe stuur je gedrag? Hoe treeft je op: wanneer hard, wanneer zacht? En hoe communiceer je daarover? Het zal niet verbazen, maar Rob Velders zelf pleit voortdurend voor meer transparantie. De basisredenering daarachter is simpel: geef je het ‘object van toezicht’ – dus: jij en ik – meer kans om met een beslissing mee te denken, hoe meer kans op begrip. Toezichthouders blijven dat moeilijk vinden en zijn steeds net te voorzichtig. Een mooi voorbeeld is de omgevingsverkenning die Meike Bokhorst en Judith van Erp schreven op verzoek van de Inspectieraad onder de titel “Van transparantie naar responsiviteit.” Ze constateren dat er grote verschillen zijn in omgevingsgerichtheid van toezichthouders. Wat ze ook zien en wat ze graag willen aanmoedigen, is een verschuiving van ‘transparantie voor burgers, via verantwoording aan burgers, naar responsiviteit met burgers en organisaties’. In onderstaand schema wordt de verschuiving keurig in beeld gebracht.

Hogere lat

Maar ondertussen is het nog niet zover. Het voorbeeld van het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) laat zien hoe ontzettend moeilijk het kan zijn met een nieuwe aanpak vertrouwen terug te winnen in het aardbevingsgebied. En toch zegt Paul van Dijk op het discussieplatform de ‘Toezichttafel’ in mijn ogen terecht dat de lat nog wel hoger mag worden gelegd dan het ‘responsieve proces’ van in gesprek gaan met de onder toezicht gestelden. Het is wel degelijk denkbaar dat, binnen ieders verantwoordelijkheid, burgers en bedrijven mee kunnen gaan denken met de toezichthouders over hun agenda. Van Dijk heeft gelijk. Bij wetgeving is dat via de internetconsultaties al lang praktijk en het is een effectieve maatregel in het verbeteren van de kwaliteit van wetgeving gebleken. Zelf zou ik nog een stap verder willen gaan, maar daar kom ik zo op. Toch, met alle kanttekeningen, zie je in zo’n 500 nieuwsbrieven het vak van de toezichthouder zich wel degelijk ontwikkelen, met in het 500e nummer o.a. weer een bericht over een heuse wetenschapsagenda. Het blijft vooral een kwestie van durf.

Durf

Durf is wel een moeilijke term in de toezichtwereld. Mijn beeld is dat in al de jaren van de nieuwsbrief de emmer met durf nauwelijks de kans heeft gekregen zich te vullen. Misschien nog wel op het niveau van de individuele toezichthouder: complimenten hoe die zich dagelijks door hun werk heenslaan. Maar op institutioneel niveau? De houding van veel inspecties en toezichthouders is fundamenteel passief, soms tot op het beeld van een geslagen hond aan toe. En het werkt niet. In mijn ogen kon bijvoorbeeld de ellende met de Fyra alleen maar gebeuren doordat de inspectie te lang in haar procedurele, regeltoepassende rol bleef en dat ook bij de private toezichthouder liet gebeuren. De inhoud van de norm, in de vorm van losse platen, verdween uit beeld. Was niet de taak (goed om in de nieuwsbrief te lezen dat de ILT de koers nu heeft omgegooid). En zelfs rond de Fipronil affaire vraag ik mij af of het zo groot was geworden als niet automatisch een wettelijke norm was overgenomen en er toch iets van een inhoudelijke effecttoetst was geweest. In dezelfde tijd dat de nieuwsbrief begon te verschijnen, konden we ook kennisnemen van het gedachtegoed van Weick & Sutcliffe en hun ‘high reliability organizing’ (HRO). Kort gezegd komt het er op neer dat normen en procedure op zich nodig zijn, maar dat je er nooit op kan leunen, want dan val je om. Anderen, zoals Frederique Six vroegen aandacht voor het thema van vertrouwen. Ferdinant Mertens blijft doordachte commentaren geven, dus we kunnen het weten …

Ja, maar. De politiek verwacht …

De Wet op het Vermeerderend Toezicht (WVT)

De politiek verwacht teveel. Schandalig teveel. Dat is op zich weer het logisch gevolg van druk via (social) media, maar het lijkt mij ook de rol van de politicus om daar niet teveel in mee te gaan. Er is meer dan het hier en nu. Zeker bestuurders horen rugdekking te geven als hun toezichthouders niets anders doen dan de wetten van die politiek uit te voeren.

Helaas. Een aantal jaren geleden vroeg ik Rob om bij te houden hoeveel oproepen er wekelijks werden gedaan om het toezicht te verhogen en hoeveel oproepen er werden gedaan om het toezicht te verlagen of te vereenvoudigen. Na ongeveer twee jaar is hij daar mee gestopt, omdat de verhouding steeds ongeveer hetzelfde bleef. In een verhouding van ongeveer 5 : 2 wonnen elke week de vragen (eisen) voor meer toezicht. En dat terwijl er landelijk, ook in het regeerakkoord van Rutte I en II, gepleit werd voor ‘uitgaan van vertrouwen’ en het verminderen van toezichtfuncties tegelijk met minder regellasten. En dan toch die voortdurende roep om meer toezicht.

We zijn alweer een kabinet verder. Rob houdt de cijfers dus niet meer bij, maar als ik mij net vergis, is de ontwikkeling op onheilspellende wijze doorgegaan. Af en toe lees je op een deelgebied nog over een poging toezichtlasten terug te brengen, maar de dieperliggende trend is dat er gewoon niet meer over vermindering van toezichtlasten wordt gesproken. In een enkel woord: het is een taboe geworden. Natuurlijk lopen er nog talloze mensen en organisaties rond die minder toezicht zouden willen, maar wie wil dat nog doen als je binnen de kortste keren krantenkoppen om je hoofd gaat krijgen dat er misstanden aan het licht zijn gekomen in jouw sector? Het is gewoon te riskant. De Wet op het Vermeerderend Toezicht (WVT) zou wel eens niet meer onder controle kunnen zijn. Tenzij we Trump gaan importeren natuurlijk, die lijkt te laten zien dat het wel kan.

Financiële leegte

De geïnformeerde lezer zal, waarschijnlijk al ruim voor we op dit punt in deze tekst zijn gekomen, verwezen hebben naar de financiële situatie. Het kabinet had en heeft al budgettair geanticipeerd op een verminderde noodzaak van toezicht (daar lezen ze duidelijk de nieuwsbrief niet). Dan is het logisch dat toezichthouders niet aan de verwachtingen kunnen voldoen en vastlopen in te weinig capaciteit en middelen. We moesten er lang op wachten, maar wat dat betreft chapeau voor de WRR die in haar grote rapport over toezicht er wel aandacht voor vroeg. Waarna iedereen weer over leek te gaan op de orde van de dag. Wat dan opvalt uit de nieuwsbrief is wat er niet in staat: een regelmatige stroom van publicaties over de (niet) beschikbare financiën. Net als indertijd de zelfstandige bestuursorganen, laten de toezichthouders het uitkleden nagenoeg geluidloos gebeuren. Je moet echt in de teksten kruipen om het geld te kunnen volgen, en dan nog.

Er is wel een lapmiddel, het doorberekenen van toezichtkosten. In eigen publicaties heb ik eerder al pek en veren richting de politici gebruikt die deze verboden doping willen gebruiken. Ik vermoed dat er ook bestuurskundigen aan dit beleid hebben meegewerkt en dan krijg ik plaatsvervangende schaamte. Nooit les gekregen over de wet van Niskanen en de budgetmaximalisatie die erbij hoort? Was ‘bestuurskundige’ een echt beroep dan hadden ze nu voor de tuchtrechter moeten verschijnen vanwege een beroepsfout.

En bij dat alles vraag ik mij af of de toezichthouders ook bij voldoende middelen wel kunnen voldoen aan de verwachtingen. Het antwoord laat zich raden. Dus toezichthouders, wat heb je te verliezen met een assertievere houding?

Het aanvullend alternatief?

En dat brengt deze razende nieuwsbladlezer bij zijn laatste punt. Wat is het alternatief? Toen de auteur deze nieuwsbrief begon te lezen, was hij zelf behoorlijk actief in de wereld van het toezicht. Zoals bijna alle externen hebben gemerkt, gingen de deuren dicht en werden er slechts spaarzaam opdrachten verstrekt op ander dan IT-gebied. In mijn geval was dat jammer, maar niet erg. Mijn opdrachtgevers werden branches en beroepsverenigingen. Zij hadden en hebben allemaal te maken met incidenten waarbij de misdragingen van een deel van de leden het vertrouwen in de hele vereniging onder druk zet. Het interne toezicht kan altijd beter, maar dan is het onheil al gebeurd. Dus gaan ze op zoek naar andere vormen om de leden weer scherp te krijgen. Of het nu ‘werken aan innovatie’ of ‘doen aan kwaliteit’ heet, er moet iets gebeuren. Was dat vroeger een zaak voor de vereniging alleen, nu hangt er bijna altijd de schaduw van een toezichthouder over deze pogingen vertrouwen te herstellen. Dat is op zich niet erg. Integendeel: het is mijn indruk dat de aanwezigheid de noodzakelijke snelheid aan het veranderingsproces geeft. Bij verenigingen zonder toezichthouder gaat het langzamer. Waar het mis gaat, is als de toezichthouder de taak van het interne toezicht gaat overnemen. De toezichthouder zelf heeft daarvoor doorgaans niet de goede mensen, de leden van de vereniging kunnen achterover gaan hangen omdat ze zelf niet meer verantwoordelijk zijn. Behandel mensen als kinderen en je krijgt kinderen.

Ik blijf dus overtuigd van zelfregulering (beter, want het gaat niet om regulering: interne kwaliteitszorg) als het enige echte middel om op termijn vertrouwen te herstellen en de toezichthouder gezond te houden. Het is het aanvullend alternatief en wie nu aanvult op wie laat ik graag in het midden.

Doorgaan!

En zo gaat het denken en het debat door. Ik hou van blogs op sites in eigen beheer, want dan kan ik veel langer doorgaan dan goed is voor de lezer, maar het mag duidelijk zijn dat ik veel waardering heb voor de nieuwsbrief van Rob Velders en hoop dat hij nog vele jaren zijn zondagse nachtrust blijft verstoren en onze mailbox blijft vullen.

Peter Noordhoek

(Alleen ondergetekende is verantwoordelijk voor wat er uit zijn grieperig hoofd komt.)

Gouda is een afslag

Deze week verscheen onder redactie van Niels Honkoop en Teun Hardjono een bundel stukjes van Gouwenaars waarin vooruit gekeken werd naar het jaar 2020, als de stad 750 jaar bestaat. Ook deze burger is gevraagd een stukkie te schrijven. En doet een oproep.

Gouda is een afslag, een blauw bord boven een doorgaande weg. Gouda is een midden. Een midden op weg naar iets anders. Gouda is een station. Een halte waarop treinen zich splitsen en weer verder gaan. Toch?

Nou nee. Ga naar een bergtop, steek een oceaan over, verdwaal in een wereldstad: altijd heb je als Gouwenaar een antwoord op de vraag ‘Where are you from?’. Zeg ‘Gooooda’, voeg er zo nodig ‘cheese’, ‘käse’ of ‘fromage’ aan toe, en iedereen lijkt de plaats te kennen. Startend met een G-klank, gevolgd door een pijnlijke klinker en met een laatste lettergreep als een korte ademstoot, is ‘Gouda’ een plaatsnaam die kort genoeg is om direct onthouden te worden en tongtrekker genoeg om in het geheugen te blijven haken (probeer maar, dat met die tong).

Stel dat Gouda niet Gouda maar, zeg, Hellevoetssluis had geheten? Zou je dan ook die blik van herkenning in dat kleine plaatsje in Californië krijgen? Het wordt tijd dat we het ons realiseren: Gouda heeft als plaatsnaam een zeldzaam hoge woordkwaliteit. En wat we ons ook mogen realiseren: in die plaats zijn vroeger en nu veel inwoners die prachtig met woorden om kunnen gaan. Als schrijver, als drukker en als dichter.

Let bijvoorbeeld eens op de dichters. Gouda heeft ze altijd in ruime mate gehad: van Erasmus tot de rederijkers, van Leo Vroman tot de stadsdichters. Van wijk tot dijk, van steeg tot St Jan, van notabelen tot armoedzaaiers. En volgens mij veert de stad bij elk van hun gedichten net een beetje omhoog

. Leo Vroman schreef: “De toekomst ligt altijd verder weg / dan het verleden” en Gouda heeft veel verleden, maar het mooie is dat onze dichters veelal vanuit het hier en nu schrijven; soms zacht en mijmerend, soms hard en in de volle actualiteit. En dat zal in 2020 niet anders zijn dan nu. Het enige wat waarschijnlijk is, is dat vanaf begin 2020 er een nieuwe stadsdichter zal zijn. Een staddichter die het over het Gouda van dan zal hebben of over het Gouda van hoe het was. Het enige wat hij of zij, net als bijna alle andere dichters, niet zal doen is om in gedichtvorm iets over de toekomst te schrijven. Dat heeft een reden.

Dichters weten hoe moeilijk het is iets van het hier en nu in een enkel woord te vangen, laat staan er een heel gedicht van te maken. Over de toekomst dichten is opvallend genoeg te vaag om er iets in te kunnen raken dat de moeite waard is. Gelukkig ligt 2020 al dichtbij. Een van de dingen die dan gedaan zijn is de versterking van de IJsselkade en in het verlengde ervan het Goudse deel van de IJsseldijk. Het is aan deze dijk dat Leo Vroman in de dertiger jaren van de vorige eeuw het liefste lag:

Leo is daarna uit Gouda vertrokken, om nooit meer terug te keren. Net als vele anderen kom ik juist van buiten Gouda en ga er nu niet meer weg. Het is mijn visie dat ik in 2020 op de verhoogde dijk zal gaan liggen, fietsers voorbij hoor komen en dan aan hem zal denken. Gouda is een afslag – naar een dijk.

Sorry, dit laatste heb ik er als extraatje bij gedaan, staat niet in de bundel. Maar ik doe het toch graag even. Want het is gedichtentijd. De deadline voor het insturen van gedichten komt snel dichterbij. Als voorzitter van de stadsdichtersverkiezingen in Gouda moet ik streng zijn: de 21e januari sluit de inschrijving. De 2e februari hebben we dan de auditieronde en de 17e februari de finale. En wat is er nou mooier dan stadsdichter te zijn van een stad als Gooooouda.

Peter Noordhoek

Camiel Eurlings en de keuze om te bekennen

Deze jaarwisseling zag het voorlopig einde van de carrière van Camiel Eurlings. Ik heb zijn opkomst en neergang mee mogen maken en omdat hij een bijzondere persoon is, laat ik daar hier wat van zien, zonder hem heilig te maken of de pretentie te hebben hem echt te kennen. Hij moest zijn zetel bij het IOC opgeven na een ‘trial by media’ en dat geeft een vieze smaak. Als ‘persoon van besproken gedrag’ heeft hij daar wel zijn rol in gehad en daar zit een les in. Maar eerst terug, terug naar de eerste kennismaking.

In de aanloop naar de landelijke verkiezingen van 1998, had ik de bijzondere opdracht om alle 50 kandidaten van de kandidatenlijst voor het CDA te trainen. De zittende groep kandidaten was tot op het bot verdeeld. De nieuwe groep omvatte een groot aantal jongere kandidaten waarvan eigenlijk niemand wist wat je er aan had. Om voor zo’n divers gezelschap iets te bedenken, moest je vooral niet laten praten. Dat zou de verdeeldheid maar vergroten. Om die reden zette ik ze in groepen van 7 kandidaten in taxi’s, aangevuld door een coach van buiten. Die taxi’s werden naar naburige steden gestuurd. Elke groep had de opdracht om drie wildvreemde mensen van zo verschillend mogelijke pluimage van de straat te plukken en hen te overtuigen dat het leuk zou zijn om met hen mee te gaan naar de congreslocatie. Daar zouden ze de kans krijgen hun verhaal te doen richting de kandidaten. De kandidaten mochten niets terugzeggen. Door dit ver buiten Den Haag te doen hadden we minimale kans dat er parlementair journalist geïnspireerd zou worden om over de ontvoeringsstrategie van het CDA te praten.

Als programma werkte het perfect. Minder perfect werkte het voor veel individuele kandidaten. Ook de meer ervaren kandidaten vonden het bijzonder lastig zomaar iemand op straat aan te spreken. Het bleek al helemaal moeilijk voor de teams om ook echt als team te opereren. Dan zie je wel direct welke kandidaten er gevoel voor hebben en wie niet. Degenen die het perfect deden, hadden er geen moeite mee om mensen aan te spreken of om een team te helpen smeden. Wie die dat in alle opzichten het beste deed, was de toenmalige fractievoorzitter, Jaap de Hoop Scheffer. Wat was die man goed en authentiek in zijn optreden. Als ik nadenk over de afstand tussen iemands mediabeeld en ‘de echte persoon’, denk ik sindsdien aan hem. Daarna sprongen er in beide opzichten twee jonkies uit: Joop Wijn en Camiel Eurlings. Die laatste was ook letterlijk de jongste. Naast een natuurlijke flair had hij ook een inzicht in menselijk gedrag waar oudere mensen nog veel van konden leren. Het woord ‘talent’ stond wel zo vet op zijn voorhoofd geschreven dat hij er last van had. Je zag hem heen en weer geslingerd worden tussen de wens tot erkenning van zijn talent en de wens om gewoon te kunnen doen. Ik had ondertussen mijn handen vol en behandelde hem net als ieder andere kandidaat. Misschien kwam er daardoor van zijn kant wel iets van een klik. In ieder geval heb ik hem daarna bij momenten goed leren kennen. Het kon gebeuren dat je elkaar maanden niet sprak en dat je toch direct de draad weer op kon pakken op de momenten dat je elkaar weer zag, meestal in campagneverband. ‘In het moment’ was hij altijd goed. Snel en vol charisma. De uitdaging was om hem in jouw moment te krijgen.

Na een aantal jaren begon ik het wel lastiger te vinden om aan anderen uit te leggen waarom ik zo enthousiast over Camiel was. Je hoorde steeds vaker over prima donna gedrag, niet in het minst blijkend uit die gewoonte om overal te laat te komen of niet te verschijnen. Tegelijk: hij had prima medewerkers en het stelt altijd gerust als mensen zich omringen door kwaliteit. Als politiek bestuurder heeft hij bijna alle dossiers aangepakt en veilig door de Kamer geleid. Zelden gedonder. Onderschat niet hoe moeilijk dat is. Maar zeker rond kabinetsformaties was er te veel emotie, te veel ego. Camiel, waar ben je mee bezig? Waar ben je überhaupt? En waar sta je echt voor?

Ik was zeker niet de enige die met deze vragen rondliep. Daarom is de opvolging van Jan Peter Balkenende door Camiel Eurlings nooit een vanzelfsprekende geweest. Maar toen het kabinet met de PvdA klapte, moest er op hele korte termijn een campagne worden gevoerd. Dan krijg je het soort blikvernauwing die neerkomt op de vraag ‘Wie kan ons de overwinning bezorgen?’ Camiel was toen ons grootste stemmenkanon, vooral richting het zuiden. Moest hij het niet toch maar gaan doen? Ik was destijds in een stevige adviespositie en heb toen negatief geadviseerd. Als iemand de stemmen kon pakken, dan was hij het, maar wat daarna? Welk CDA krijgen we dan? Dat advies is genegeerd. Camiel kreeg de opvolgingsvraag wel – en weigerde. Vanwege zijn relatie. Dat ‘nee’ werd niet geaccepteerd door mijn lieve gezinspartij. Er ontstond een potsierlijk jacht op Camiel, die zich zoals vaker onvindbaar probeerde te houden. Mij staat een beeld bij van een Eurlings die letterlijk in een ballon wegvloog, met zijn hand tegen het oor richting mannen op de grond: “Ik kan je niet horen. Wat zeg je?” Ik was er niet bij en weet dus niet of het waar is, maar als een drama te groot wordt, wordt het een farce. Dat gold ook voor zijn optreden tijdens het roemruchte congres in Arnhem. Ik kreeg per sms de vraag of ik hem kon stoppen in zijn liefdesbetuiging aan Maxime Verhagen, maar hoe had ik dat moeten doen? Het was zo voorbij – en zo ‘over the top’.

Over zijn daaropvolgende baan bij KLM of zijn functie bij het IOC weet ik niet meer dan andere mensen. Zijn kwaliteiten staan voor mij buiten twijfel, maar hoe vang je die in een goede functie? Het lijkt mij dat dit beter is gelukt in zijn IOC dan in zijn functie bij KLM. En de relatie? Camiel is in de positie terecht gekomen dat hij publiekelijk de weging moest maken tussen de kans op een premierschap en zijn relatie. In het normale leven kan de keuze tussen werk en gezin een relatie al stevig belasten, hoe heftig moet dit dan niet zijn geweest? Het is in ieder geval uitgemond in een drama. Dit keer geen farce, maar een echt drama, met alleen maar verliezers.

Ik beschrijf dit zo, omdat ik ook ben geraakt door de persoon Camiel Eurlings en we een gezamenlijk verleden hebben. Daar kijk ik per saldo positief op terug, zelfs al denk ik dat het premierschap een stap te ver zou zijn geweest. Wat is het ongelofelijk jammer dat het zo moest gaan. Wie is de persoon die ik zo vaak een hand heb gegeven? We zijn echter allemaal complexere wezens dan in krantenkoppen gevangen kan worden en dat geldt zeker ook voor Camiel Eurlings. Daarom ben blij dat het OM uitspraak heeft gedaan, of tot een afspraak is gekomen, want dat geeft toch genoeg duidelijkheid: zijn donkere kant moet het op een gegeven moment gewonnen hebben. Hij heeft iets goed te maken. En ook al geloof ik in tweede kansen, nu nog niet. Punt.

Was er maar een punt te zetten. Er is iets overheen gekomen waar ik nooit aan zal wennen. De januskop van publieke opinie en media – zuiverheid eisend en tegelijk smullend van het schandaal – heeft voor een tweede en veel hardere veroordeling gezorgd dan wat ons justitieel apparaat kan doen. Niemand lijkt ook op het idee te komen om het OM of de politiek te verwijten dat de strafmaat wellicht te laag is. We hebben het OM gewoon helemaal niet nodig. Geef me een microfoon of toetsenbord en ik spreek het oordeel wel uit. Politiek redacteur David van der Wilde van BNNVARA doet wel zijn werk. In een commentaar zegt hij: ‘Een feitenvrije hetze leidde tot Eurlings vertrek.’ De bronnen voor de uitspraken over wat Eurlings wel of niet gedaan zou hebben, zijn indirect of niet naspeurbaar. Toch hebben cohorten mensen dan al hun uitspraak gedaan. Hoort u daar ook bij? Hoe voelt dat? Bent u ook zo van mening dat iemand niet veroordeeld moet worden totdat … Ja, maar.

Ja, maar. Dat geldt kennelijk niet voor mensen die van, zoals iemand zich op de radio versprak, ‘van besproken gedrag zijn’. De privépersoon moet dan kunnen wijken voor het kunnen bespreken van het gedrag van de Bekende Nederlander. Dat is de norm geworden. En op dit punt wordt de casus Eurlings inderdaad heikel voor hem. Hij heeft toch echt de verkeerde inschatting gemaakt over de omgang met de media en zijn keuze voor bekennen op z’n zachts gezegd slecht getimed. Dit punt raakt aan de kern van de politieke communicatie en volgens mij is er geen standaard recept. Wel zijn er ruwweg drie scenario’s:

  • Deur dichten: elk commentaar weigeren of zo nodig liegen. Niet wrijven in de vlek.
  • Deur geleiden: met mate informatie verstrekken. Jij bepaalt wat wanneer bekend wordt en rekent op het korte geheugen van mensen
  • Deur opendoen: direct openheid van zaken gegeven. Misschien zelfs wel meer dan strikt nodig.

De oudere generatie heeft de eerste strategie als voorkeur. Niet alleen Trump doet het zo. De ‘generatie Balkende’ is het tweede, zeer professionele scenario bijgebracht. De opdracht is om samen met je adviseurs meester van de situatie te blijven. Het derde scenario doet het meest naïef aan. Zelf ben ik graag een beetje naïef en ben wel een fan van dit laatste scenario, maar dat vraagt wel dat je op een echt authentiek niveau kunt communiceren. Het is weinigen gegeven authentiek te reageren als het er op aan komt en dan te bekennen op een manier dat iedereen denkt ‘hij is een klojo, maar in zijn positie zou ik hier misschien ook wel toe komen’. En dat iedereen dan weer overgaat tot de orde van de dag als hij of zij verder geloofwaardig is. Pieter Omtzigt is recent op dit derde scenario uitgekomen en heeft mede daardoor veel steun gekregen.

Kijkend naar Camiel Eurlings zie je wat mij betreft het zoveelste falen van het tweede scenario. Geen enkel verhaal, geen bekentenis was nog geloofwaardig, alles werd mosterd na de maaltijd. Opnieuw was hij aan het wegduiken, bezig zich onvindbaar te maken. Dat lijkt mij de bron van het drama na het drama. Ik blijf moeite houden met de wijze waarop wij als samenleving en media nu een weg opgaan waarbij wij het met z’n allen beter lijken te weten dan een openbaar ministerie, maar het is wel de realiteit van nu. Het heeft iets zichtbaar gemaakt waar iedereen over na mag denken die ‘van besproken gedrag’ is. Na Camiel Eurlings zullen er volgende Barbertjes komen die ‘het zichzelf aandoen’. Weinigen zullen er echter zoveel te bieden hebben als hij. Als we dan toch onderscheid gaan maken, laat dat dan ook gezegd zijn.

Peter Noordhoek


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: "De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard." Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek