Contact

Northedge B.V. 
Oosthaven 15-16 
2801 PC Gouda 
The Netherlands 
T 31 (0)182 684545 

www.northedge.nl 
Tw @PeterNoordhoek 

Archief

Weblog

Over promoveren: aanleiding, bronnen, feest en verder

Ik promoveerde op maandag 15 april 2019. Daarna vierden we het. Op de dinsdagochtend sliepen we uit en maakten we een boswandeling. Aan het einde van de dag waren we weer thuis en werkten we weer. Woensdag, donderdag en vrijdag had ik audits door het land heen. Bij de start van het Paasweekend was ik vooral moe. Zo moe. Maar ook tevreden? Oh, zo tevreden. Maar over wat? Kent u dat het gevoel van een kind als het met zijn of haar armen een grote boom wil omvatten? Het lukt niet, de armen bereiken elkaar niet. Inmiddels hebben we een korte vakantie achter de rug. Dat gevoel is er nog steeds, maar het wordt ook tijd om er wat aan te doen. Hier wordt de lezer geïnformeerd over (een samenvatting van) de inhoud, de bronnen voor de originele studies, de aanleiding voor de promotie en een beschrijving van de dag zelf, samen met foto’s. Dus: aan het begin de inhoud, aan het einde de sfeer.

AANLEIDING

In augustus 1984 studeerde ik af aan de Leidse universiteit. Aris van Braam, mijn hoogleraar zei, duim en wijsvinger bijna helemaal naar elkaar toeknijpend, “Je bent zo dichtbij, een kwestie van wat je hebt van wat extra literatuur voorzien.” Het is me toen niet gelukt. Een kwestie van omstandigheden, een kwestie van niet willen volstaan met het minimale. In 2011, midden in de crisis, publiceerde ik een boek over de reactie van branche- en beroepsverenigingen op de incidenten die de crisis met zich mee bracht. Het was een praktisch bedoeld boek over ‘Branchebrede kwaliteit’, puttend uit mijn concrete ervaringen. Tegelijk liep ik tegen een aantal opmerkelijke zaken aan. Zaken, zoals het aantal verenigingen en wat nu echt hun aard was, waarop geen sluitende antwoorden bestonden. En toen werd een hoogleraar op mij afgestuurd, John Rijsman. En hij zei: “Je bent zo dichtbij, een kwestie van wat je hebt van wat extra literatuur voorzien.” Ik luisterde, maar dacht ook: dit is mij eerder gebeurd en het is niet waar wat hij zegt, want er moet nog zoveel opnieuw worden bedacht. Maar dat was wel precies wat ik wilde. Ik wilde reflecteren op mijn praktijk, wilde fundamentele dingen aan de orde stellen. Ik wilde ogen openen, te beginnen met de mijne. En dat werd de start van een nieuw traject. John Rijsman bleef mij met zachte hand naar het doel leiden. Een andere hoogleraar, Teun Hardjono, vroeg ik om mij scherp te houden op de kwaliteitsdimensie van mijn verhaal, maar bleek vooral belangrijk omdat hij mij methodologisch strakker zou maken. Maar het blijft een wonder dat het er nu ligt. Alleen in september 2017 heb ik een weekje vrij genomen, de rest van de tijd heb ik geschreven in de momenten tussen werk, privé en hobby (CDA) in. Op dit moment heb ik geen idee meer hoe ik dat heb gedaan.

WEGWIJZER

Het ligt er en dit is waarschijnlijk geen slecht moment om nieuwsgierige mensen de weg te wijzen in wat ik in mijn verdediging heb laten testen. Vooraf; ik reken nergens op. Boeken lezen wordt steeds minder gedaan en van alle soorten boeken worden dissertaties waarschijnlijk het minste gelezen. Natuurlijk vind ik dat mijn tekst de grote uitzondering op die regel hoort te zijn, maar ondertussen ga ik mijn best doen om vooral de verschillende elementen ervan naar voren te brengen in de komende jaren. Easy does it. In deze tekst verwen ik mijzelf nog. Hier geef ik aan wat de belangrijkste inhoudelijke elementen van de dissertatie aan, de bronnen, en deel links naar verschillende onderdelen, voor zover nu beschikbaar. Verder deel ik via video, foto’s en een korte tekst de momenten van een voor mij geweldige dag en wat daar aan vooraf ging. Misschien dat ik bij wat jongere – en oudere – mensen die een dissertatie vanuit de praktijk overwegen iets van enthousiasme los kan maken. En tot slot sta ik nog even stil bij de vraag van ‘En nu?’

BRONNEN

De dissertatie bestaat uit een hoofdtekst en vier bijlagen.

Lees hier een samenvatting van de gehele studie: Noordhoek – publiekssamenvatting Trusting Associations 20190320
Voor hier een samenvatting van de deelstudie over het notariaat: Publiekssamenvatting ‘Werken aan het notarieel tekort’

De totale studie (800 p.) is te downloaden via de portal van de universiteit Tilburg. Op een deel (casus notariaat) berust nog een embargo tot 15 april 2020. Via de auteur is de studie in boekvorm en per onderdeel verkrijgbaar. Via zijn social media-uitingen zijn ook vervolgpublicaties verkrijgbaar. Vragen staat altijd vrij: info@northedge.nl.

Omdat de hoofdtekst Nederland overstijgend is, is het een Engelstalige “Main study” geworden. Dit omvat een Nederlandse samenvatting. De titel is gelijk aan de totale dissertatie: “Trusting Associations. A Surgent Approach to Quality Improvement in Associations.” De intentie is om de main study via blogs en artikelen naar het Nederlands toe te vertalen. Deze main study is te bestellen via mijn nieuwe persoonlijke website (nog in aanbouw): www.meerdannu.nl. Daar ook in een digitale versie en natuurlijk ook via dit ISBN-nummer: 978 90 5294 2957.

De dissertatie omvat verder nog drie casussen:

  • “Voorbij het minimum” – de casus over de openbare bibliotheken (VOB)
  • “Werken aan het notarieel tekort.” – de casus over het notariaat (KNB)
  • “Meerwaarde in vele ogen” – de casus over makelaars en taxateurs (NVM)
    Plus een bijlage met een overzicht van 200+ verschillende ‘Kwaliteitsinterventies’.

Elk van deze bijlagen is apart in te zien of te bestellen via de bovenstaande adressen, c.q. links, met uitzondering van de al genoemde casus over het notariaat. Deze casus verschijnt onder de titel “Werken aan het notarieel tekort” op 23 mei 2019 als aparte uitgave van Wolters Kluwer in de serie Ars Notariatus via ISBN 9789013153903 en te bestellen via de site van Wolters Kluwer of andere uitgevers.

Hier de video van het verdedigen van het proefschrift.

DE DAG

Promoveren op de je 61e geeft waarschijnlijk veel minder stress dan op een jongere leeftijd. Anders kan ik niet goed verklaren hoe relatief ontspannen ik naar de dag heb toegeleefd en de eigenlijke verdediging mocht beleven. Voor aanvang was ik verstrooid genoeg om eerst mijn rokkostuum bijna te vergeten en daarna mij usb-stick met presentatie. Als ik op mijn woorden focus, blijft er vrees ik te weinig aandacht over voor de gewone dingen. Dank aan Monique, Twan, Marc (Muntinga, paranimf l.), Mark, Geert, Peter, Brigitte, Bert (de Beijer, paranimf r.) en natuurlijk Loes en de pedel voor het oppakken van alles waar ik niet aan wilde denken.

Maar mijn publiekspraatje ging me vlot genoeg af. Kijk vooral naar het verslag en zie het als een impressie van het totaal, niet als een letterlijke samenvatting.

Tegen het einde van mijn publiekspraatje (ca. minuut 12) zag ik dat de hoogleraren er ook zin in kregen. De vragen die daarna op mij af werden gevuurd waren stevig, maar ook stevig in de zin dat ik er graag mijn tanden in zette. Er ontstond steeds meer een echte sfeer voor debat en dat was natuurlijk naar de zin van iedereen; die procedures zijn soms nodig, maar helpen niet bij de levendigheid. Het was mooi om aan de hoogleraren te merken hoe betrokken ze waren geraakt bij mijn werk en het recht wilden doen. Als ik een kanttekening heb, dan is het deze: de meeste vragen gingen of over kwaliteitszorg of waren methodologisch van aard en daardoor kwamen zaken die meer met verenigingen of toezichtkwesties te maken hadden er wellicht wat te bekaaid van af, maar gegeven de omvang en samenstelling van de commissie had dat ook waarschijnlijk niet anders gekund. Ondertussen ging er al heel wat over tafel.

Toen het “Hora est” klonk, was dat tot groot ongenoegen van de hooggeleerde Henk de Haan, die juist een vraag had willen stellen en deze volgens Tilburgs gebruik niet af mocht maken. Henk de Haan – degene die ooit als enige Kamerlid had gewaarschuwd tegen de toetreding van Griekenland tot de Euro – liet zich niet zomaar het woord ontzeggen, maar op vreemd grondgebied moest de Groningen toch zijn vraag intrekken. Het gaf iets weer van de betrokkenheid van iedereen. Na het terugtrekken van de hoogleraren werd mij de bul overhandigd door copromotor Teun Hardjono en kreeg ik een ‘laudatio’ van mijn promotor John Rijsman (minuut xx en verder). Dat laudatio was, naar ik later begreep, ongebruikelijk indringend. Het sprak de verwachting uit dat mijn promotie van grote betekenis zou zijn. Het legde ook de verwachting op mij dat ik ook op academisch niveau nog het nodige zou gaan betekenen, maar daar wilde ik mij niet door laten belasten. Wat ik wel op mijn schouders gelegd voelde worden was de verantwoordelijkheid om in de zin van mijn proefschrift door te gaan en in de wetenschapstraditie van de sociaal-psychologie van de universiteit Tilburg te treden zoals John Rijsman die heeft voorgestaan of in ieder geval in de wetenschapsfilosofische benadering zoals ik die ooit met Rijsman, Hardjono en Noordergraaf heb gedeeld. Een mooier einde van de ceremonie kon ik mij persoonlijk niet wensen.

Of toch wel? Na afloop, na de erehaag en de groepsfoto volgden de momenten waar ik, samen met Loes, ook echt naar uitkeken, de gesprekken. Het mooie was dat mensen uit bijna alle fasen van mijn leven aanwezig waren. In de cortège was professor Bertien Collette, hoogleraar epidemiologie die o.a. in Nederland de screening op baarmoederhals- en borstkanker georganiseerd heeft en de eerste voorzitter van de vereniging van vrouwelijke hoogleraren in Nederland. Voor mij was ze echter vooral ‘tante’ Bertien, de huisarts met wie mijn ouders huis en praktijk deelden en waarin ik vanaf mijn 2eover de vloer kwam. Mijn ouders zijn beiden al overleden en dan is voor mij (en mijn ook aanwezige zus Marion) onbetaalbaar om haar er nog bij te hebben. En zo waren er allemaal mensen die voor mij in mijn leven van betekenis waren en zijn; de leraar van de lagere school, de vrienden van de middelbare school, de collega van de vakgroep Bestuurskunde in Leiden, enzovoort, enzovoort tot en met de opdrachtgevers, collega-bestuursleden, politieke, zakelijke en andere vrienden van nu. De katholieken zeggen dit het beste: ik ben een gezegend mens. En dan heb ik Loes en Twan ook nog.

EN NU?

Was ik eerder gepromoveerd, dan had ik er waarschijnlijk een toren van verwachtingen op gebouwd. Misschien is het maar goed dat dit niet is gebeurd. Het promoveren is de afgelopen jaren in zekere zin bijzaak geworden. Ik had het niet volgehouden als ik er niet zo’n enorm krachtige manier aan over gehouden had om te reflecteren op mijn werk en alles wat daar mee te maken heeft. De promotie heeft door de jaren heen mij gedwongen te blijven analyseren op een hoger, dieper niveau dan anders was gebeurd. Carrièreverwachtingen zijn echter ver op de achtergrond gekomen. De grap is, dat ongeveer drie maanden voor het promoveren het er wel degelijk op gaat lijken dat ik het nodige met de materie ga doen. Het is nog te vroeg om daar al iets over te publiceren, maar ik kijk al uit naar spannende nieuwe activiteiten.

Peter Noordhoek (die ergens onderweg een ‘s’ heeft verloren)

Een steeds hechter verband … mogen we hopen

Op 25 april is een motie van SGP/CU in de Tweede Kamer aangenomen waarin wordt gevraagd de zinsnede “Een steeds hechter verband” (“an ever closer union”) uit de EU-verdragen te schrappen. Tot de partijen die dit steunen behoren naast de SP en de VVD ook mijn eigen CDA.
Dit vraagt om een scherpe reactie, zeker richting het CDA, maar ook de andere partijen mogen zich bezinnen.

De motivatie voor de motie is de overweging dat ‘talloze burgers’ zich niet thuis voelen in een unie als ‘steeds hechter verband’. De dreiging van een federale staat zou er in verscholen zijn. De eerste vraag is waar die ‘talloze’ burgers zijn en of het dezelfde zijn die in een recente peiling met meer dan 90% aangeven het bestaan van de unie een goede zaak te vinden. De tweede vraag is of hier geen sprake is van een herhaling van de oude truc om slechts in halve waarheden over de unie te spreken. In dit geval van een halve zin, want de rest van de zin luidt: “waarin besluiten zo dicht mogelijk bij de burgers worden genomen in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel.”

Het maakt het tot een ronduit populistische motie, al te makkelijk in het licht van de Europese verkiezingen. Mijn partij zou beter moeten weten, om meerdere redenen en dat bij een nadere behandeling laten weten.

De eerste reden ligt in het verleden.
De grondleggers van het CDA waren geen mensen voor grote constructies. Integendeel. ‘subsidiariteit’ het katholieke kernbegrip op basis waarvan beslissingen zo laag mogelijk moesten worden gelegd. Het ‘souvereiniteit in kleine kring’ zegt in grote lijnen hetzelfde voor het protestantse deel. De vorming van het CDA gebeurde echter in de schaduw van Wereldoorlog en koude oorlog. De oprichters voelden in hun botten dat er ook een groter verband nodig was om het kleine kans te geven. Ze snapten dat grotere staten alleen weer groot mochten worden mits ze ingekapseld zouden worden in kleinere staten. Die paradox laat zich moeilijk uitleggen aan ‘de’ burgers, maar er zijn gelukkig altijd ook ‘talloze’ burgers die het wel snapten en snappen.

De tweede reden ligt in een aantal vragen richting de toekomst:
• Zijn we klaar voor de economische kracht van China?
• Hebben we de cyberaanvallen vanuit Rusland al onder de knie?
• Zijn we al klaar om te concurreren met de Googles en Facebooks van deze wereld?
• Halen we onze eigen energiedoelstellingen al?
• Hebben we al een waterdichte migratiestrategie?
• Voelen we ons veilig genoeg, hier in ons mooie Nederland? In Europa?

Weet u, ik heb het aardig gehad met dat softe nationalisme van ons. Dat wazige gedoe dat heil verwacht van het achter de nationale dijken kruipen. Het onszelf klein en zielig maken (een ‘puinhoop’), terwijl iedereen naar ons kijkt als kampioenen. Laten we scherper uit onze ogen kijken, bewust van onze kracht. Echte nationalisten zijn Europeanen.
Geen enkele van de hier gestelde vragen laat zich immers als land alleen beantwoorden. Voor alle vragen hebben we iets nodig. Gelukkig is dat iets er: Europa. Uiteindelijk geen groter instituut, maar een ‘hechter verband’. Of dat ooit richting dat kennelijk vreselijke perspectief van een federatie gaat; wie zal het zeggen? De Verenigde Staten deden er ruwweg een eeuw over voor dat ze echt snapten wat daar voor nodig was en zolang zijn wij nog niet bezig. Wat wel kan worden voorzien, is dat als we dat niet naar elkaar hardop zeggen, die wens van een hechter verband, we in een mum van tijd weer terug zijn bij het duiken achter de dijken. Terug bij de situatie waarin we alle lastige klussen overlaten aan ‘Brussel’ en niet eerlijk zijn over onze eigen rol. En dan verbaasd zijn als we met z’n allen onze doelen niet halen.

Het ‘steeds hechter verband’ is de hoeksteen van de Europese familie. Schrap die en het eigen verleden wordt verloochend en de toekomst niet gezien.

Peter Noordhoek

Provinciale Statenverkiezingen in 2019: over dralers, draaiers en doorbraken

Afgelopen woensdag heb ik gestemd. Veel gestemd. Tweemaal Provinciale Staten, tweemaal Waterschappen en dat tweemaal, voor zowel namens mijn vrouw als mijzelf. Indirect dus ook twee stemmen voor de Eerste Kamer. En aan het einde van de middag mocht ik nog een keer stemmen: als lid van de CDA-delegatie die in EVP-verband over de positie van Fidesz van Orban moest beslissen. Allemaal individuele stemmen, met zeker bij de laatste stemming het gevoel dat jouw stem er toe doet. En dan ga je als een haas terug van Brussel naar Nederland, pakt de auto naar Den Haag en kom je laat een uitslagenavond binnen en dan realiseer je je dat jouw stemmen van de ochtend er slechts een paar uit miljoenen is. En dat tot een uitslag leidt die jij niet wil. Hoe dat te duiden? Voor mijn partij, het CDA, is er sprake van een verwachte nederlaag. Het beeld daarachter is diffuus, met een mix van uitkomsten die ergens tussen ‘bar slecht’ en ‘valt mee’ uitkomen. Dit is dan toch mijn eerste duiding, waarbij ik graag eerst stil wil staan bij iemand die in relatieve stilte heel veel voor het CDA, Nederland en Europa heeft gedaan.

Andriessen heen

Frans Andriessen is overleden. Een voetnoot bij een woeste week, maar toch wel het beste om als eerste bij stil te staan. Hij is nu onderdeel van de statistiek geworden van overleden leden. Maar hij blijft ook wat het CDA groot maakt: een partij die bestuurders voortbrengt vol stille kracht. Hij was zowel pragmatisch als principieel, betrokken als trouw. Frans zou altijd loyaal blijven aan het CDA. Ook ver nadat hij zichzelf uit de politiek had gehaald door zijn ontslagbrief te schrijven, bleef hij op CDA-bijeenkomsten komen en zijn mening naar beste weten geven, daarbij een schat aan Europese ervaring meenemend. En achteraf had hij steeds gelijk. Dat hij het niet daadwerkelijk kreeg had met zijn houding te maken: superdeskundig, soms belerend, maar ook bescheiden en droog, zeker voor een katholiek. En nu is hij dus een statistiek geworden in het drama van zowel KVP als CDA; weer een lid minder door overlijden. Wie gaat hem vervangen? Wat moeten zijn opvolgers doen in een situatie als waar we nu voor staan? Een paar overwegingen.

Eerste analyse verkiezingen

Het CDA is niet zover teruggevallen als op basis van de peilingen gedacht. Hoewel Maurice de Hond als beste de totaaluitslag heeft voorspeld, was hij juist degene die dacht dat de hoge opkomst ten nadele van het CDA zou gaan. Intern werd vermoed dat FvD het meest zou profiteren van de Tv-debatten en de aanslag in Utrecht, met het CDA als grootste slachtoffer. Dat het niet zo is uitgepakt is m.i. weer de verdienste van enkele sterke regio’s en de vele persoonlijke campagnes. Complimenten aan alle harde werkers. De basis wordt smaller, maar is nog wel sterk. Anders gezegd: lokaal redt wat landelijk niet lukt. Ondertussen wordt de positie in de gebieden die we uiteindelijk nodig hebben voor groei moeilijker toegankelijk: middelgrote en grote steden en verstedelijkte gebieden, daar waar we de diversiteit moeten vinden die een volkspartij hoort te onderscheiden van andere partijen.

Oh, oh, die boodschap

Onze grote verhalen slaan niet aan, de kleine wel.

Voor grote verhalen moet er slagkracht zijn, voor het kleinere contact. De menselijke maat zit in het laatste en heeft bijvoorbeeld via het ‘goede morgen’ wellicht gewerkt op lokaal niveau. Met alle scepsis over provincie en waterschappen; voor onze partij mag duidelijk zijn dat veel van onze kandidaten gewonnen hebben door persoon per persoon, verhaal per verhaal, het campagnewerk te doen. De kleine verhalen kloppen.

Het gehoopte grote verhaal, gemotiveerd vanuit de op zich terechte zorg voor de bezorgde burger, bleef veel te droog voor de ‘Veenbrand’ waar Kim Putters het over heeft. Het vertaalde zich in een eenzijdig ‘rechtse’ boodschap over een veel te lange periode (van Verhagen tot nu). Wat het ons in 2017 misschien heeft opgeleverd, was nu zeker weg, behalve in Limburg, waar een eigen koers werd uitgezet.

De draai en de dralers

Heeft de draai op punten als kinderpardon en klimaatbeleid geholpen voor een beter resultaat bij de kiezers? Nee, natuurlijk niet. Eén zwaluw maakt nog geen zomer en de draai op het punt van het kinderpardon is too little, too late geweest. De zwenking van de coalitie ten aanzien van het klimaatakkoord stond haaks op de waarschuwende toon van Buma en de provinciale lijsttrekkers. Onze positie is veel te weinig verklaard vanuit een authentieke keuze voor rentmeesterschap. Pragmatisme verdronk de principiële keuze. Ondertussen zal het verleidelijk zijn de nederlaag te wijten aan een groep domme linkse mensen in de achterban. Nu is er door een aantal groepen inderdaad hard en continue gedramd, maar daar stond een onvermogen van de partijleiding tegenover om iets met de signalen te doen. Zozeer, dat ook de bruggenbouwers in de partij (laat ik voor mijzelf spreken) op een gegeven moment niet anders dan consequent op de inhoud konden zijn en de kritische leden steunen. Daar stond vanuit diezelfde partijleiding geen effectief en daadkrachtig verhaal naast, gevangen als de fractie zich voelde in het coalitieakkoord. Het gevolg: een te lang dralen en te laat tot een doorbraak gebrachte beleidskeuzes.

De doorbraak en de doeners

De opgave is nu om van de draai een echte doorbraak te maken naar een nieuwe middenkoers met bijpassende energie.

En helaas, over die nieuwe koers kan zorg zijn. Als we deze coalitie voort willen zetten in een situatie met een minderheid in de Eerste Kamer en meerderheden die in de praktijk vooral op links gezocht moeten worden, dan verwacht ik op dit moment weinig anders van de huidige fractie dan een remmende rol. De natuurlijk houding van Buma versterkt dit. Dan definiëren we ons dus al snel door een negatieve rol, onderbroken door incidentele ‘draaien’, daar waar het de achterban echt te ver gaat. Terwijl de partij en WI werken aan een nieuwe koers, is wat van de fractie gevraagd wordt juist een activistische rol: initiërend, activerend, voortrekkend en flexibel. Erg gericht op concrete dingen en initiatieven (daar hebben we wel degelijk de fractie voor), maar daarnaast met hoopgevende toon; tegen de kramp, tegen de angst.

Een klassiek voorbeeld van het tegenovergestelde, is wat er gebeurde met de congresresolutie die de relatie met Fidesz aan de orde stelde. Mede door de overreactie van Fidesz, werd dat het begin van een beweging die binnen de grootste Europese politieke partijfamilie, de EVP, heeft geleid tot een schorsing van Fidesz en, hoe hij het ook draait, een forse nederlaag van Orban. Zijn houding van bluf werd doorgeprikt. Dat hebben wij als CDA in gang gezet, niemand anders. Maar in plaats van die daadkracht te laten zien en de voortrekkersrol te vieren, hebben we moeten meemaken dat alle berichtgeving over ons initiatief en het succes ervan intern werd weggemoffeld. Waarom? Kort samengevat: angst. Als altijd, een slechte raadgever. Het CDA is de doener, niet de VVD.

De vastgedraaide draaier

En geen misverstand: de grootste electorale concurrent is de VVD en niet Forum of PVV. Een concurrent die het alleen maar moeilijker gaat krijgen. De echte grote draaier is deze keer Rutte met het klimaatakkoord geweest. Een opvallende wending naar links die als briljant werd gekenschetst door Tom-Jan Meeus en andere duiders. Wellicht is het ook precies de draai die een aankomend minderheidskabinet nodig heeft om te kunnen overleven en voor de VVD om de wending van het CDA richting het midden af te snijden, maar richting landelijke verkiezingen lijkt mij deze beweging een draai teveel voor de VVD. Mij lijkt het voor de VVD onvermijdelijk om ‘het gat op rechts’ weer te willen dichten. Het CDA moet dan niet achter deze vastgedraaide draaier aangaan en gewoon doen waar ze voor is opgericht door Frans Andriessen en anderen: het midden vullen met praktische politiek en een principiële houding.

Peter Noordhoek

Over dijken en dilemma’s

Deze week werd ik gevraagd een gedicht voor te dragen in het kader van de waterschapsverkiezingen. Leuk, zo zei ik. Niet alleen vanwege de uitdaging om daar iets van te maken, maar ook omdat ik wel wat met deze verkiezingen heb. In het verleden heb ik een paar keer de campagnes geleid voor de waterschappen (met vijf waterschappen in de provincie Zuid-Holland geen sinecure) en één keer heb ik ook in het landelijk campagneteam gezeten. Dus ik heb er wel wat mee. En er is nog een andere reden, maar daar kom ik zo op.
Echter, nadat ik had toegezegd kwam er niets fatsoenlijks uit mijn handen. Geen dichtregel werkte, geen idee sloeg aan. En omdat dit niet voor het eerst was bij het thema water, waterschappen of watersnood, ben ik er even goed over gaan nadenken.

Het was deels een worsteling met de schijnbare ‘saaiheid’ van het thema. Ja, er kunnen vreselijke dingen gebeuren met het water, maar concreet lijkt er niets aan de hand dat we niet met een paar miljard aan dijkverhoging kunnen oplossen. De laatste ramp, die van ’53, is meer dan 65 jaar geleden. Boeiend, maar niet heus. Gelukkig het land dat voor een spannend verhaal moet teruggrijpen op iets dat zolang geleden is gebeurd, maar voor campagnes, verhalen en gedichten is die saaiheid geen zegen.
Voor een ander deel heeft die blokkade juist met de ramp van ’53 te maken. Er is toen iets gebeurd in het dorp waar ik ben opgegroeid, ‘s-Gravendeel, en waar eigenlijk nooit over werd gesproken. Het gaat over een besluit dat toen met de beste bedoelingen is genomen, maar letterlijk rampzalig heeft uitpakt. De dreiging van doorbraak bij één dijk was zo groot dat besloten werd een wijk te ontruimen en de mensen naar een veiliger geachte binnendijk te evacueren.  Destijds heeft niemand officieel voor dat besluit moeten boeten, maar als het vandaag de dag zou zijn gebeurd, hadden we de betrokkenen onmiddellijk de schuld gegeven, al was het maar via onze social media. Ik ben van kort na ’53, maar ben wel opgegroeid in het doktershuis waar het halve dorp tijdens de ramp naar toe is gevlucht. Geleidelijk kwam ik achter die toedracht, maar wat moest ik ervan maken? Zoals ik er nu aan denk, vind ik de schuldvraag niet meer aan de orde. Veeleer moeten we een kennisvraag stellen: weten we wel genoeg in ten tijde van een ramp met het water (of het klimaat) juist te handelen? Een gruwelijke inschattingsfout als toen zullen we nu niet meer maken, gelet op de kennis van nu? Maar welke nieuwe fouten gaan we maken terwijl de kennis om ze te voorkomen er al is? Hoe gaan we om met de klimaatdilemma’s van morgen?

Dat alles is niet simpel om in een gedicht te vangen. Ondanks dat ik veel over de ramp heb geschreven en die kennis weer bruikbaar heb gemaakt in campagnes, lukte het in ieder geval niet. Tot vorige week dus. Na een paar pogingen kwam er een ‘dichtverhaal’ op gang, geschreven in twee delen. Het is gedaan in de vorm van een verslag van een gesprek dat nooit heeft plaatsgevonden, met personen die er nooit zijn geweest. Dat heeft mij de vrijheid gegeven het zo te schrijven dat de lezer waarschijnlijk denkt dat het precies zo moet zijn geweest. Uw gewaardeerde aandacht graag.

 

De Dijk

“De dijk”, zo zei ze, heel veel later,
“slingerde als een slang” en ze beschreef hoe
de bomen onderin het scherp talud
meebogen met de storm als in gebed
En hoe de wijk De Nest genegen leek om,
als een kam vol lange, smalle huisjesharen,
voor houvast op te kijken naar die hoge buitendijk
maar dat daar juist het stormwater al dreigend
over de kruin heen naar beneden leek te komen.

“Het ging niet meer”, zo vervolgde zij,
“in de ogen van de hoge heren.
Dijkgraaf, burgemeester en politieman:
’t zou duidelijk zijn wat er van kwam.
En dus kwamen buren langs om,
helemaal verschrikt, te zeggen dat
iedereen verderop naar de Molendijk,
een binnendijk, veilig, moest vertrekken

“Vraag niet hoe”, zei ze, naar haar handen kijkend,
“maar zo is ’t gegaan”, en zijn ze met z’n allen
Naar oom Piet en tante Sjaan op de dijk vertrokken en
zich met tassen en bedgoed in hun huisje laten proppen
“Niemand kon nog slapen, ’t was zo’n lawaai,
Maar we waren toch wel blij dat we ’t hadden gedaan.
Totdat opeens het van de Puttershoekse kant
ging klinken: Het water, het water komt eraan!

Toen stroomde opeens zwart water het huisje binnen
en werd gelijk, als ’t ware, dat huis in brokken
van achteren van de dijk getrokken
En overal klonk gegil, gegil,
zo da ’k ‘t nog altijd horen kan als ik dat wil, wat ik niet wil
En overal langs de dijk heeft ons toen
de ramp getroffen
En dat maakt mij nu even stil”

“Vraag ook niet hoe”, vervolgt ze later,
“hoe ik toch weer op ’t droge ben gekomen.
’t Was bij het huis van d’n dokter
dat ik weer droge voeten vond.
En er ook mijn broertje weer vond.
Maar mijn zusje was verdwenen
en mijn beide ouders ook.
Drie van twee-en-dertig die er aan
de Molendijk, die binnendijk, verdronken
En iets van mij toen ook.”

= o = o =

“Niet alles wat ze zegt is zo gegaan”, zegt
haar dochter, ver genoeg van haar moeder vandaan
“Een deel is wat anderen vertelden” zegt
ze, wetend hoe het geheugen werkt.
“En een deel is wat we nog altijd niet kunnen
of willen begrijpen”, zegt ze, terwijl haar ogen
strak in de mijne kijken.

“Denk aan die dijkgraaf, burgemeester en politieman.
Hoe fout we ze nu zouden vinden, hoezeer iets dat niet kan.
Hoe hun opdracht iedereen de dood in joeg
die om niets anders dan bescherming vroeg
Toen ten onrechte beschermd door hun gezag
en door wat men toch niet weten mag
In tijden van nu waarschijnlijk snel veroordeeld
met een tweet en eeuwige schande in ’t verschiet.”

Ze schudt het hoofd, maar wordt dan erg concreet:
“De buitendijk had wel degelijk kunnen bezwijken
Maar weet je? Water zoekt altijd het zwakste punt.
Niet het sterkste.
Reden waarom de dijken meest aan de
oostkant van de eilanden zijn bezweken.
Het verste van de storm, dus
daar waar niemand hoefde te waken.
We weten nu dat zodra de dijken aan de achterkant faalden
de mensen aan de hoge dijk verder hadden kunnen slapen.”

De dochter, geleerd uit Delft teruggekomen,
vervolgt met zachte stem, maar wel verstaanbaar:
“We bouwen vaak op het misverstand dat
onze dijken ons beschermen
Terwijl we op niets anders kunnen bouwen dan ons verstand
En door niets voor vanzelfsprekend aan te nemen
En zelfs dat niet.

Binnendijken kunnen buitendijken worden en andersom
Zonder waakzaamheid en gedrevenheid
maken ze ons alleen maar lui en dom
En zoals met het water is, zo is ’t met het klimaat
en alles wat ons aan vanzelfsprekendheden bindt
Als we niet af en toe over onze rampen praten
worden we ziende blind.”

Voordat ze weer naar haar moeder ging
heeft ze me nog even aangekeken,
zo van: “Heb je het begrepen?”
Maar ik weet niet of ik het begrepen heb
Ik weet alleen dat ik het begrijpen wil
hoe we in ieder geval voorkomen
wat voorkomen zou kunnen worden.
Want heel veel van de gevaren zijn nu al bekend
en aan een ‘Had ik maar’ raak je nooit gewend.

 

Peter Noordhoek 2019

Werkende armen verenigen

Naar een andere manier om met een armoedevraagstuk om te gaan

Foto: Peter Noordhoek

Dit najaar is er onder meer bij de begrotingsbehandeling van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aandacht gekomen voor het vraagstuk van de ‘Werkende armen’. In een recent SCP-rapport is een analyse gemaakt van de problematiek van deze grote groep werkenden die niet voldoende verdienen om rond te komen en in de praktijk onder het minimumloon werken. 

De reflex is om deze groep te benaderen als onderdeel van een klassiek armoedeprobleem dat al opgelost is langs de lijn van de gemeentelijke bijstand. Onvoldoende inkomen? Vraag maar een uitkering aan. Principe en praktijk rijmen daar niet mee. Het principe is dat werk moet lonen en dat te snel in een bijstandsuitkering terugvallen daar geen recht aan doet. De praktijk is dat gemeenten deze groep niet goed weten te bereiken en andersom. De beste manier om aan beide bezwaren tegemoet te komen is niet primair langs de weg van geld of overheid, maar door betere manieren te bedenken om op ‘vak’ niveau de werkende armen te benaderen en organiseren. Niet beginnen dus bij de overheid, maar bij de verenigingen zoals wij die al hebben. In deze blog werk ik dat verder uit. Saai en vrij degelijk. Wie iets leukers te lezen heeft, moet dat zeker gaan doen.

SER-aanvraag

De minister heeft bij de begrotingsbehandeling op vragen van de Kamerleden Peters (CDA) en Van Brenk (50+) toegezegd de vraag over de wijze van organiseren van werkende armen door te geleiden richting de Sociaal Economische Raad, de SER. Dat is echt mooi, maar ik ben er niet helemaal gerust op dat die vraag wel op de goede manier beantwoord gaat woorden. Mijn kennis en expertise ligt niet op het terrein van sociale zekerheid, maar van verenigen meen ik wel wat verstand te hebben en juist op dat terrein ligt volgens mij de uitdaging. Het recente mislukken van het pensioenoverleg doet vermoeden dat ook daarbij het mislukken eerder op het niveau van de wijze van organisatie van de achterban moet worden gezocht dan in de pensioenproblematiek op zich. We moeten als het ware opnieuw ontdekken hoe we onszelf in de Nederlandse samenleving organiseren. Ooit hadden we daar krachtige verenigingen voor, maar hun rol is onder druk komen te staan. Dat moet anders.

Werkende armen

Eerst een korte kenschets van de problematiek van ‘werkende armen’. Het is een problematiek die wel eerder in beeld is geweest, maar het SCP-rapport van september 2018, ook kundig verteld door het NRC, laat zien hoe hardnekkig het probleem is. Het SCP spreekt van 320.000 werkende armen, een stijging van 50% ten opzichte van 2001 en die stijging gaat door. Hoeveel het er precies zijn is overigens moeilijk vast te stellen. Slechts een op de drie gemeenten heeft überhaupt werkenden als doelgroep in beeld.

Aan wie moeten we concreet denken? Bij werkende armen kan gedacht worden aan de zelfstandige die een garage begint en er al zijn geld en tijd in investeert, maar eigenlijk te weinig verdient om rond te komen. Denk ook de parttime postbode, de kamerschoonmaakster in het hotel. Vaak hebben ze meer dan één baan, maar het is niet genoeg om rond te komen. Velen hebben een migranten achtergrond, maar lang niet allen. Sommigen hebben nu een geel vestje aan, de meesten voelen daar geen tijd voor.

Van alle redenen waarom de problematiek van de werkende armen hardnekkig is, springen er twee boven alles uit. De eerste is de kwetsbaarheid van de groep. De tweede is het gegeven dat het doorgaans om een meervoudige problematiek gaat. 

Voor wat betreft de kwetsbaarheid betreft is het wel oppassen geblazen, want het doet geen recht aan de groep om ze als zielig neer te zetten. Er is wel een groep die volgens het SCP, zoals dat heet, een ‘laag arbeidsethos’ heeft. Maar over het algemeen gaat het om hardwerkende wensen die tegen een stootje kunnen en terecht trots zijn op wat ze doen. De kwetsbaarheid zit vooral in het feit dat ze kostwinnaar zijn en de zorg hebben voor een gezin. Er hoeft maar een wasmachine kapot te gaan en alle mooie plannen kunnen naar de prullenmand. Tijd voor meer dan het werk lijkt er niet te zijn.

Wat de meervoudige problematiek betreft: de problemen met het werk kunnen groot genoeg zijn, maar dit moet ook weer tegen de achtergrond worden gezien van de vraag hoe vaardig men is om in de samenleving overeind te blijven: het percentage dat analfabeet is of een taalachterstand heeft, is verhoudingsgewijs hoog. Om diezelfde reden is het percentage dat gebruik weet te maken van allerlei toeslagen en regelingen weer extra laag. Drempels zijn hoog en vaak onzichtbaar. Tijdens een voorgaande regeringsperiode werd er eens een pot voor armoedebestrijding in het leven geroepen waar 100 miljoen in zat. Daarvan ging 17 miljoen op aan overhead, werd er 40 miljoen door de gemeenten naar hun uitkeringstrekkers gesluisd en bleef het overige deel, bestemd dus voor de werkenden, op de plank liggen. Het werd gewoon niet opgehaald. De doelgroep wist het loket niet te vinden of wilde het niet vinden. 

Kern: gebrek aan zelf-organiserend vermogen

De kern van het probleem lijkt daarmee nog eerder het gebrek aan zelf-organiserend vermogen dan het gebrek aan geld. Lidmaatschappen van vakverenigingen zijn er zelden. Het lijkt niet moeilijk te oorzaken daarvoor te noemen. Niet zelden voldoen ze niet aan de eisen voor lidmaatschap of worden de kosten als te hoog gevoeld. Zijn ze wel lid, dan verschijnen ze vaak niet. Domweg omdat ze er de tijd niet voor hebben of in ieder geval niet de tijd om de weg naar invloed te vinden. Maar ook omdat ze niet weten wat een vereniging te bieden heeft in termen van opleidingen, verzekeringen of het samen kunnen mopperen op de boze buitenwereld. Ze weten letterlijk niet wat ze missen. 

En laten we wel zijn, ook van de kant van de branche- en beroepsverenigingen zijn er weinig redenen om naar het lidmaatschap van de werkende armen te gaan lonken. Zijn ze mini-ondernemers, dan is het voldoen aan de professionele maatstaven vaak een hele opgave. Eerder worden ze als Beun de Hazen, valse concurrenten, gezien dan als een welkome aanvulling op het verenigingskader. Gaat het om mensen met laaggeschoold werk met een honorering die op of onder Cao-niveau ligt, dan is er ook weinig reden om te gaan lonken naar hun lidmaatschap. Kunnen ze hun contributie wel betalen? Willen we wel aan ondermijning van de Cao meewerken? Niet dus. Daarbij komt, laten we daar ook niet onhelder over zijn, juist bij deze groep relatief vaker problemen voor in de sfeer van misbruik en fraude. Wil je dat naar je toetrekken? Niet snel dus.

Kortom; de lage organisatiegraad is eigenlijk heel logisch als je naar de onderliggende oorzaken kijkt. Ze komt van beide kanten en is mede daardoor behoorlijk hardnekkig. En toch moet er iets gebeuren. De analyse over het gevaar van een te grote afstand tussen onder- en bovenklasse is al voor de gele hesjes vaak genoeg gemaakt en wordt breed gedeeld. 

Langdurige inspanning

Wie de geschiedenis van de opbouw van de verzorgingsstaat een beetje doorheeft, weet dat daarvoor veel meer nodig was dan wetgeving en een ontmoeting van werkgevers en werknemers. De rol van branche- en beroepsverenigingen is de onmisbare basis waarop al die andere dingen konden gebeuren. Met alle respect voor vakbonden of werkgeversverenigingen; zij zijn niet degenen die de Vele Kleine Dingen Doen die uiteindelijk een samenleving opbouwen waarin een polder kan gedijen. Het is andersom: eerst is er een basis van mensen die opgroeien in een vak of beroep, daarna komt pas de belangenbehartiging. Die les moet in het achterhoofd worden gehouden als we het hebben over de organisatiegraad van werkende armen. Het slechte nieuws: we hebben het dan over een langdurige inspanningen. Een inspanning die start bij de basis: het werk dat men doet en de vereniging die dat kan organiseren.

Maar in het verleden is het wel gebeurt en we zijn er met z’n allen alleen maar beter van geworden. Het wordt dus tijd om de vereniging als emancipatie-bouwer te herontdekken. Maar dan wel op een slimme manier, anders gaat het niet werken.

Voorstel

Het voorstel dat ondergetekende in een resolutie voor een CDA-congres heeft neergelegd, maar wat niet terug is gekomen in het Kamerdebat – en dus reden voor deze blog, het is niet anders – komt neer op een deal tussen een werkende, de vereniging en sociale partners. De kern is een omkering van de normale gang van zaken. Normaal is dat een werkende beslist om zich aan te sluiten bij een vereniging, contributie betalen en dan te gaan profiteren van de lusten en lasten van wat de vereniging heeft te bieden. De omkering komt vanuit het idee dat hier het de vereniging is die de werkende lid maakt en hem of haar laat deelnemen aan wat de vereniging te bieden heeft. Dus de vereniging heeft een actieve rol, wacht niet af. De vereniging zorgt er ook voor dat het nieuwe lid snapt wat van hem of haar wordt verwacht en zorgt voor de opleidingen en activiteiten die bij het lidmaatschap horen. En dat net zolang tot het lid zelf in staat is om volwaardig lid van de vereniging te zijn.

Collega’s die collega’s benaderen

Nogmaals, dat gaat waarschijnlijk niet vanzelf. Als het makkelijk was, dan werd het al gedaan. Het lijkt logisch voor een branche- of beroepsvereniging een aparte eenheid op te zetten die met leden en medewerkers projectmatig aan de slag gaat. Het idee is dus dat de vereniging potentiële leden, tevens werkende armen, identificeert en een lidmaatschap aanbiedt. Dit gebeurt langs de lijnen van het vak zoals dat wordt uitgeoefend. Het zijn in beginsel collega’s die collega’s benaderen en een aanbod doen. Ontmoeting en opleidingen zijn onderdeel van het aanbod. De vereniging biedt het lidmaatschap gratis aan, het nieuwe lid brengt tijd, energie en aandacht. Gaat het goed, dan heeft de vereniging er op korte termijn een goed nieuw lid aan en het nieuwe lid kan aan zin of haar competenties werken en leren om met lotgenoten op te trekken. Er kan natuurlijk van alles bij en omheen worden gedacht. 

Het betekent dus een investering van de kant van de verenigingen. Vanuit hun maatschappelijke taak zou je van veel verenigingen mogen verwachten dat ze de kosten hiervan zelf kunnen opbrengen, maar er is ook een gezamenlijk belang. Een belang dat zich kan vertalen in financiering door sociale partners, inclusief de overheid. Daar zitten uiteraard voorwaarden aan vast. Het belangrijkste lijkt mij te zijn dat gelden gebonden blijven aan het ‘vak’, dat wat de werkende armen nodig hebben om zich op eigen kracht te ontwikkelen en hun trots te behouden.

Peter Noordhoek

Bronnen: 

SCP, 2018: Als werk weinig opbrengt. https://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2018/Als_werk_weinig_opbrengt

Resolutie CDA Zuid-Holland ‘Werkende armen’, CDA-congres 3 november 2018.

Over de actualiteit van een debat

Het CDA-congres is geweest. Inmiddels is het mijn gewoonte geworden om als delegatieleider van Zuid-Holland met een soort verslag te komen. Dat moet vooral gelezen worden als een verwondering en niet als een verantwoording. Opnieuw zijn er een aantal dingen in en rond het CDA gepasseerd die mij, als actieve beschouwer, zowel blij maken als aan het denken zetten. Het is de functie van een stevige blog als deze om dit met de lezer te delen, waarbij er vooral in het laatste deel, dat over een niet verschenen resolutie over het kinderpardon gaat, wat ongemak zit over de druk die de ‘actualiteit’ op de partijdemocratie kan zetten. Wie het korter wil, kan in ieder geval bij twitter terecht. Wie het leuker wil, raad ik vooral de vlotte vlogs van delegatielid Michel Rogier aan.

Renteresolutie

Wie zei er dat leden geen invloed hebben? Afgelopen zaterdag was die er op allerlei manieren.

Het meest zichtbaar was dat door het aannemen van een resolutie van de CDA Jongeren, het CDJA over de rentebetalingen in het kader van het leenstelsel. We zijn helemaal niet voor dat leenstelsel, mede omdat het de toegang tot het onderwijs merkbaar beïnvloed, wat nu al voorzienbaar tot tekorten aan huisartsen en anderen gaat leiden. Maar binnen het nieuwe stelsel is nu ook nog eens een renteverhoging aangekondigd. Dat is onderdeel van een ingewikkeld geheel van plussen en minnen in het akkoord, maar het CDJA zegt: dit willen wij niet. Wij hebben als CDA Zuid-Holland in een eerder debat over het studiestelsel gezegd dat wij het met de inhoud van de resolutie eens ware, maar het niet reëel vonden dat ze eisten dat de coalitieonderhandelingen daarvoor overgedaan zouden worden. Toen hebben we de fractie geholpen om de leden te overtuigen niet mee te gaan met de resolutie. Deze resolutie was anders gericht, maar werd er niet om heronderhandelen gevraagd en vonden we dat we nu consequent moesten zijn. We hebben het CDJA gesteund. De resolutie werd met ruime meerderheid aangenomen.

De fractie heeft in de discussie over de resolutie vooral financiële argumenten gebruikt. Er zou 250 miljoen mee gemoeid zijn. Hoe dachten wij het schrappen te gaan dekken? Die vraag is een soort omkering van het bekende gezegde ‘congressen kopen geen straaljagers’. Nu werd het CDA-congres gevraagd om dekking bij de resolutie te geven. Dan maak je van het congres een fractie. Is dat de bedoeling? Misschien zou dat moeten bij verkiezingsprogramma’s. Toen het verkiezingsprogramma voor de laatste landelijke verkiezingen werd besproken hebben we er als Zuid-Holland per amendement genoeg bij weten te plussen om wel degelijk een paar straaljagers te kunnen kopen. Programma’s worden echter geschreven zonder financieel kader en dan is er geen echte rem meer op de wensenlijstjes. Bij resoluties is dat anders. Daarbij is het prijskaartje min of meer bekend en kan je er over praten. Maar uiteindelijk gaat het niet om het prijskaartje. Het gaat er om dat de leden gehoord worden en richting kunnen geven. Het ingewikkelde is dat de fractie wel degelijk luistert, maar door de resolutie zeer letterlijk te nemen zichzelf de ruimte ontneemt om iets anders te doen dan te ontraden (missen we dan toch het katholieke element?).

Het wordt wellicht anders als er een alternatief wordt geboden. Direct na de vorige resolutie hebben we de partij gevraagd om een groep stevig te laten nadenken over de beste manier om het onderwijs toegankelijk te maken. Op dit congres kon alleen gemeld worden dat er een expertgroep aan het starten is. Dan doet de fractie er verstandig aan om de resolutie minder financieel te interpreteren en vooral te omarmen als een uitspraak om als een haas huiswerk te gaan doen. Wellicht dat de coalitiegenoten er ook nog wat in gaan zien.

Van openbaar vervoer tot kunstmatige intelligentie

Veel minder controversieel, maar wel concreet waren de resoluties zoals we die zelf indienden. Terwijl deze week een filerecord werd bereikt met meer dan 1000 kilometer stilstaande auto’s, is het in feite doodtij als het gaat om het investeren in openbaar vervoer. Vooral voor de dure (onder tunnelde) trajecten in de randstad is te weinig geld. Lossen we dat probleem niet op, dan verplaatst het probleem zich naar buiten de randstad. De overheid heeft te weinig geld, pensioenfondsen hebben dat wel, maar mogen om formele redenen dat geld niet hierin investeren. Onze resolutie helpt om die patstelling te doorbreken.

Wat zijn de gevolgen van kunstmatige intelligentie voor ons en de overheid? Hoe beïnvloeden ze onze rechtsstaat? Moeten we er misschien de grondwet op aanvullen? We hebben een resolutie hierover aangenomen gekregen en zoals Sybrand Buma zelf in reactie zei: ‘het onderwerp lijkt zeer technisch, maar het thema is juist bij uitstek politiek.’

Werkende armen

Het mooiste resultaat, en waar ik gewoon trots op ben, is een resolutie over ‘werkende armen’. Het SCP heeft onlangs een verdere stijging gemeld van het aantal mensen dat wel werkt, maar niet genoeg er van te kunnen leven of een gezin te onderhouden. Het gaat om honderdduizenden mensen voor wie werk niet voldoende loont om uit de armoedeval te komen. Kenmerkend voor de groep is dat ze moeilijk te bereiken zijn en tegelijk zichzelf niet kunnen organiseren. Voor het lidmaatschap van een branchevereniging, vakbond of werkgeversorganisatie hebben ze het geld niet of ze kennen de meerwaarde niet van het contact met collega’s. De verenigingen zelf kunnen of willen het zich niet veroorloven om leden te hebben die zich geen contributie kunnen veroorloven of ‘bewerkelijk’ zijn. Daar is wat aan te doen. Geef bijvoorbeeld de lidmaatschapsgelden aan de vereniging in dezelfde branche als van het mini-garage of ander bedrijfje dat nu te marginaal bezig is om te kunnen of mogen bestaan en help ze zich verder te ontwikkelen. Ook deze resolutie geeft niet precies aan hoe dat betaald moet worden of waar dit naar toegaat. Ook verenigingen zullen de knop moeten omzetten. En ongetwijfeld moeten we eerst door een aanval van pilotziekte heen voordat het enige schaal bereikt, maar in ieder geval komt er dan weer beweging in de zaak.

De resolutie is niet alleen aangenomen; de fractie gaat er echt mee aan de gang en wil dat het tot een SER-advies komt. Als dit er komt, dan, dan … laten we zien dat de christendemocratische weg de weg is om zowel markt als overheid beter te laten functioneren.

Hoe oud moet je zijn voor de politiek?  

Het is grappig dat, terwijl veel journalisten de partij nog steeds als een grijze partij vol grijze mensen beschouwen, de werkelijkheid laat zien dat, zeker op landelijk niveau, de gemiddelde leeftijd van haar vertegenwoordigers zich eerder richting de dertig beweegt dan richting de pensioengerechtigde leeftijd. Het gevolg is dat er een resolutie wordt ingediend door de Zuid-Hollandse afdeling van het CDA Seniorenberaad (CDAS), dat er meer ouderen in vertegenwoordigende functies moeten komen. Ik kon de logica van die resolutie niet ontkennen, maar was er toch niet echt enthousiast over. Als rechtstreeks CDA-lid in ’82 heb ik mij mateloos geïrriteerd aan de bloedgroepenstrijd. Die strijd lijkt gestreden, maar zou in deze politiek correcte tijden zomaar terug kunnen komen in de vorm van een strijd tussen leeftijden en geslachten. Dan is het een kwestie van tijd voor het ‘afspiegelingsbeginsel’ tot vervorming leidt. Bij bloedgroepen geldt dat je daar nog wat aan kan doen met je politieke keuzes, aan je lijf en leeftijd lijkt maar weinig te doen (bij mij wel: lijf 61, geest 21).

De resolutie is geruisloos overgenomen (de jongeren hielden zich wijselijk stil), maar ik zag het aan en bedacht er nog iets anders bij: wij hebben net uitgebreid stil gestaan bij het overlijden van Wim Kok. Zijn grijze kop werd weer synoniem met wijsheid. En het zou mij niet verbazen als dat ook een reactie is op de golf van dertigers die nu de leiding van partijen overnemen. De afstand tussen de gemiddelde leeftijd van publiek en partijleiders wordt wel erg groot.

De resolutie die er niet kwam: kinderpardon

Op de kortere termijn speelde een andere resolutie een rol: de resolutie die er niet kwam. Tot op het allerlaatste moment waren we in onzekerheid over een ‘actuele resolutie’ over het kinderpardon. De hele voorgaande middag, avond en vroege ochtend stond de WhatsApp groep van de delegatie en andere kanalen vol over deze mogelijke resolutie. Een groot deel van de tijd was daarbij kwijt aan het zoeken naar iemand die een tekst had gezien of meer wist. Misschien dat ik later nog eens hoor waarom die resolutie er niet kwam, maar het gebeurde niet. Enerzijds geeft dat het onbevredigende gevoel van een voetballer die zich heeft opgeladen voor een spannende uitwedstrijd die op het laatste moment niet doorgaat. Anderzijds vond ik het niet meer dan terecht en werd ik weer eens getroffen door het gevoel over de kwetsbaarheid van de (interne) partijdemocratie. Ik besef dat het formalistisch klinkt in het licht van het kwaad dat het uitzetten van in Nederland gewortelde kinderen is, maar er gelden spelregels voor het indienen van resoluties. Die kwamen heftig onder druk te staan met deze resolutie en daarom is het denk ik goed om er over te schrijven, al was het maar omdat zo’n resolutie zomaar opnieuw opduiken.

Resoluties geven het gevoel weer van de achterban over een politieke kwestie. Dus niet van een enkel lid: de drempel ligt bij minimaal 25 leden wil je enigszins over een ‘achterban’ kunnen spreken. Zo’n resolutie moet ook op tijd worden ingediend om het partijbestuur vooraf de gelegenheid te geven er met elkaar over te spreken en een gewogen reactie te geven, het zogenaamde ‘préadvies’. De leden moet vooraf ook de gelegenheid krijgen om kennis te nemen van de andere resoluties vanuit de partij en woordvoerders te kiezen. Voor dit alles staan strakke termijnen.

Je kan daarin ook overdrijven. Een collectief van afdelingen uit onze provincie had een resolutie 20 minuten te laat ingediend. Er werd niet eens naar de inhoud gekeken: afgewezen. Niemand had geklaagd als er even wat ruimte was gegeven. En nu zou er opeens, de dag voor het congres, een resolutie over het kinderpardon worden ingediend. Alles wat we aan informatie hadden was een artikel uit Trouw waarin gesproken werd over veronderstelde spanningen tussen de leden en de top van het CDA over wat er moet gebeuren met het kinderpardon. Lokale afdelingen zouden versoepeling willen, de landelijke fractie niet. Bij dat soort vaagheid gaat het ‘Mauro-alarm’ hard af; de herinnering aan een debat waarin rechtstatelijk denken keihard tegenover de naastenliefde werd gezet en een partij als het CDA, die op beide is gebouwd, het meest kwetsbaar voor scheuring is.

Voor de top van de partij (die al snel wordt verondersteld onder één hoedje te spelen met de fractie) produceert dat al direct een moeilijk moment: weigert ze de resolutie omdat deze te laat is, dan ‘duikt ze’ en is ze ‘harteloos’ of ‘keihard rechts’ in het weigeren van een debat. Laat ze de resolutie door, dan negeert ze de eigen regels. Er is wel een ontsnappingsmogelijkheid. Aangezien ‘de vergadering over haar eigen orde gaat’, kan ze een ‘actuele resolutie’ indienen en deze vervolgens bediscussiëren.

Als vertegenwoordiger van de achterban had ik direct een ander idee, geboren moet ik zeggen vanuit de irritatie over de resolutie die 20 minuten te laat was. Ik wilde voor de bespreking van de resolutie een punt van orde maken. Want wat is er ‘actueel’ aan een resolutie als deze? De situatie bestond toch al vele weken, zo niet jaren? En is migratie niet per definitie altijd actueel, gelet op de gevoeligheid? Of actueel te maken, door activisten of journalisten met een agenda? Dan moet je toch niet het meest gevoelige thema op de meest gehaaste manier gaan voeren? Het antwoord lijkt duidelijk, maar ook in mijn WhatsApp en twitter kwamen de reacties van mensen die je direct de maat nemen op je gevoel voor de kinderen.

Ik stond toch klaar het punt van orde te maken, maar dit keer was dit niet nodig. Gelukkig voor de kinderen zelf. Ik hoop dat de mogelijke indieners hebben ingezien, dat hoe scherper het licht van de publiciteit op deze kinderen worden gericht, hoe moeilijker het wordt het pardon feitelijk te verlenen (terwijl het mijn indruk is dat die druk op staatssecretaris al hoog is). Liever zou ik het overigens een volgende keer willen hebben over de verkorting van de procedures. We gaan een tijd van personeelstekorten in, maar het lijkt mij dat het oplossen van een personeelstekort bij de IND toch echt wat urgenter dan in andere sectoren. Maar misschien is dat te praktisch gedacht.

Voor het debat

Ook de moeilijkste discussie moeten we niet uit de weg gaan. In andere vorm zal iets als het kinderpardon toch weer langs komen. Maar dan moet het ook echt een debat tussen de leden zijn. Ik hou van debatten waarbij het druk voor de microfoon is. Ik hou van debatten waar ook de hotemetoten in de zaal gewoon ‘het lid uit Amersfoort’ of ‘het lid uit Dokkum’ zijn. Ik hou ook van debatten waar de mensen in de zaal beseffen dat de mensen op het toneel ook hun best doen en naar eer en geweten handelen, want dan is er een omgeving waarin je elkaar altijd wel ergens op kunt vinden.

Afgelopen week was er een incident de Tweede Kamer waarbij een Kamerlid inbrak in een debat waar hij zich niet voor had aangemeld. Hij werd daar op gewezen, maar trok zich er niets van aan. De gemiddelde Nederland zou bij zo’n bericht gaan gapen en zich hoogstens storen aan de bureaucratie van de Kamer. Dit lid was Thierry Baudet, het onderwerp was migratie. Hij plaatste zich buiten de orde en werd daarvoor beloond. Tot frustratie van de Kamerleden die wel een serieus probeerden te voeren, was er alleen nog maar aandacht voor Baudet. Het debat was vergeten, de inhoud was weg. Zo wordt onze parlementaire democratie uitgehold. Als een partij als het CDA daar een tegenwicht voor wil zijn, dan hoort daar een partijdemocratie bij die wel het goede voorbeeld geeft: fair, inhoudelijk, levendig en wellevend.

Peter Noordhoek

The Final Brexit Scenario

At a moment that most Europeans are occupied by the question whether or not to have a summer and winter time, and if so, which one should it be, there is something that should concern us just a little bit more: Brexit. The negotiations seem to be going nowhere (though 95% is said to have been agreed upon) and the Tory government is showing all the signs of a messy divorce. Hundreds of thousands of people go to the streets, and more than a million people sign a petition asking for a second referendum. Meanwhile, the pundits on twitter are playing with scenarios called Canada, Norway, Switzerland or simply ‘Hard Brexit’, or are still trying to convince each other with leave or remain arguments that reach no one anymore, as they seem to have completely balanced each other out. What a waste of talented people. Last summer I have thought out my own scenario, and I think it still holds. I formulated it as a twitter thread and maybe I will turn it into one, but I like to do it here as a blog first, accompanied with a little story I found illustrating.

This is my final Brexit scenario, in the sense that I think that, provided Ms. May is as brave as I think she is, this is how it will play out in the beginning of 2019.

  1. There will be some form of custom union for the whole of the UK, in order to get around the backstop problem.
  2. The last bit of the Article 50 negotiations with Brussels will be very much along the lines of Brussels, but with enough elements of the Chequers agreement in it, to give the British the right to claim some success. The most crucial bit is the part where Britain must give some assurances that Britain will not misuse the new freedom for competing with the EU. Given the weak position of Ms. May, she will have to convince the 27 that she has a scenario that will lead to more quiet waters. No doubt there will be feelers with Corbyn’s Labor party as well.
  3. The scenario will not be called ‘Chequers’ or ‘Chequers plus’, but just ‘the agreement reached with Brussels’ or ‘the-Chequers-that cannot-be-named-Chequers. A Canadian, Norwegian or another scenario will not be materially relevant to what can be agreed with Brussels, or is something for later.
  4. Brussel will want resolution before the EP-elections in May, with most details settled, as the British government cannot be trusted enough to deal with in good faith later.
  5. On the whole it is a package which still makes it not attractive for other countries to leave the EU. Mistrustful misanthropic Tories will see this too, and many Brexiteers will feel cheated or made to feel cheated by leading conservative voices and the Murdoch media.
  6. Whether or not Parliament will vote in favor of the agreement, is very much in doubt. Not just because of divisions within the Tory party. The DUP will most likely not play along. The Scottish National Party will, for its own reasons, also has grave doubts. Labor, of course, sees this as the moment to topple the government. Chances for a positive vote are far less than 50%.
  7. A new referendum will not be seriously considered, as it is too divisive for both country and Conservative Party. And the latter gets to decide. No way.
  8. However, voter analysis will show that people are very much fed up with arguing about Brexit. The issue itself is a loser. Any reasonable agreement the government puts forward could get a majority. When they are not gung-ho, the British can be very pragmatic.
  9. Which will lead to the present government to say that an election will be held, with the agreement at its core. A vote for May is a vote for the agreement.
  10. Corbyn can only win if and when the Tories leave the middle of the road. A de facto remain-like scenario gives him a good chance if the Tories do. Given his strong negatives, he will loose if there is half a decent performance from the Tory leader.
  11. Before this scenario can be played out, a leadership contest will be held within the Tory party. It is up to Boris or Davids to go for the leadership with a hard Brexit option. Yet, the electoral numbers will not be in favor of either of them. How strong are the true believers? This is the true gamble May has to take.
  12. May might solve this by saying: this is not about me. After the election, I will step down, be it yes or no. This way she opens the opportunity make it about the agreement and not about party politics.
  13. It could well end up with May losing the election, and with the agreement in the dust bin. In that case it is likely that Labor’s remain-scenario is the winner. Even many Tories may live with that; they know they’ve had their turn and blew it.
  14. But chances are the voters will still vote Conservative if it stands for what-not-can-be-called Chequers. Even now the Tories are ahead of Labor in the polls. Most voters dislike the idea of a Corbyn government and, after all that has been said and done, may want some form of Brexit. As long as it’s not called Chequers, they can then sit down on the old Brexit bench and talk together about the future again. If it still holds.

One evening this summer, my wife and I stayed at an old semi-castle close to Loch Ness, in Scotland. Over a glass of wine, the owner told us its story. After the terrible battle of Culloden, all the man, women and children of a nearby village of local people – rebels all, of course – were sold in slavery. Ships brought them to the Caribbean, where they were set to work on a plantation on one of its islands. One of them, still a boy, managed to escape. He came back later and managed to become the owner of the plantation, keeping slaves like his predecessors had. By the end of his life made a fortune and bought himself the castle-like house near the ground of his birth. He made it, he came back. He was a fighter, he was greedy, he conquered everything.

Nowadays the place is home to a great but vulnerable couple of people. One a journalist, one an artist. Making money is not their goal in life, but they want to make sure the castle remains fit for use. For this reason, they are on AirBandB, but do not really want to be found. It is wonderful when you do, though, with the grounds and inside all the paintings and great stuff that is there. When talking with them, you soon find out that they abhor Brexit, hate the Tories.

Why am I writing this? Because in a way both the old conqueror and the old couple stand for a Britain totally at odds with itself and the world. Brexit is born out of a strong fighting spirit in which the battles of yesterday still live on. I can appreciate and even admire it, but it is totally misdirected and ignorant of the modern world. A modern world in which the couple feels at home, but they no longer have the strength to shape or comment it. In fact, in order to make do, they rent their heritage to Europeans. It seems more than tragic, it’s seems the end of the road.

It is not. Somehow or other the house will live on when its occupants are no longer there, and both Culloden and Brexit will be words from the past. It is the way it goes. But it would help Britain to move on if they were a little less preoccupied with the past and a little more with the future.

Peter Noordhoek

Over hypocrisie

Foto: PN

Twee keer in ruim een week werd ik aangesproken op de hypocrisie die er in de houding van de Nederlanders zou liggen. De eerste keer ging het om de houding van Nederland ten aanzien van Curaçao. De tweede keer ging het over de houding ten opzichte van Hongarije. Omdat het gevaar van schijnheiligheid altijd op de loer ligt, leg ik dat niet zonder meer naast mij neer. Maar wanneer trek je het echt naar jezelf toe en laat je het je positie beïnvloeden? Tot slot van deze blog nog enkele woorden naar aanleiding van het overlijden van Wim Kok.

Curaçao

Mijn broer wilde bij mij langskomen. Hij woont en werkt met zijn gezin al vele jaren in Curaçao, maar door het plotseling overlijden van zijn schoonmoeder was de familie naar Nederland gekomen. Na de crematie van deze bijzondere vrouw, was er geen echte gelegenheid om te praten en dus wilde hij bij mij thuis langskomen. Natuurlijk, welkom. In Café Central, op de markt in Gouda, hebben we ons gesprek gehad. Dat gesprek ging eerst en vooral over familie, maar bleek van zijn kant ook erg gedreven door een verlangen om zijn beklag te doen over de Nederlandse houding ten aanzien van Curaçao. Dat is wel vaker een gespreksthema, maar meestal doet hij zijn best om het bij een vrolijk soort cynisme te laten. Dit keer kon hij dat nauwelijks nog opbrengen. De boosheid over de ‘hypocrisie van de Hollanders’ zat heel dicht onder het oppervlak. Hij zou het nooit op mij persoonlijk richten, maar ik moet het wel heel goed horen.

Het gaat slecht met Curaçao. Naast het toerisme is er eigenlijk niets meer. De raffinaderij ligt stil, mede door de situatie in Venezuela, scheepsverkeer ligt door een conflict met de Chinezen goeddeels stil. Hij is directeur van een bedrijf in Willemstad en natuurlijk voelt hij het ook, maar hij hoeft geen medelijden. Ook de eilandregering krijgt bepaalt zijn medelijden niet. De zorg draait om de werkeloosheid en bijbehorende armoede die nu het eiland treft. Die is heel groot. En daaruit komt het verwijt door over Nederland en de Nederlandse overheid – het kan jullie kennelijk helemaal niets schelen. De Nederlandse overheid is bezig met controles, de Nederlandse overheid is bezig met verantwoording. Een Nederlandse overheid die uitgerangeerde ambtenaren naar het eiland stuurt en waar niets van uitgaat. En ondertussen is het geld voor bijvoorbeeld Sint-Maarten nog steeds niet uitgegeven, omdat ze de boeken kennelijk nog steeds niet sluitend krijgen. Hij sluit kernachtig af: ‘Jullie willen toch van ons af? Nou, doe dat dan, maar zelfs daar zijn jullie te slap voor. Het is allemaal zo hypocriet’.

Dat maakt indruk. Niet omdat ik het niet wist: de berichten heb ik gelezen. En hij heeft het er niet voor het eerst over. Maar het is anders als er iemand tegenover je zit, zeker als het je broer is, die de volle emotie op je loslaat. Ik heb een hogere pet op van de Nederlandse ambtenaren dan hij en het lijkt me een onmogelijk eiland om (bij) te sturen, maar als alles wat we doen een soort voorkomen is van krantenkoppen over ‘verspilling van gelden in de Antillen’, dan maken we het uiteindelijk alleen maar slechter en verdienen we de woede. Zijn ‘we’ hypocriet. Maar ben ‘ik’, als Nederlander, dat dan ook?

Hongarije

Het duurde nog geen week voordat ik de volgende verwijten te pakken had over hypocrisie. Samen met drie collega’s, mocht ik afgelopen weekend aanwezig zijn op het ‘alumni congres’ van het Robert Schumann Instituut. Het instituut verzorgt opleidingen voor vooral jongeren en vrouwen in Oost- en Centraal-Europa en is nauw verbonden aan de Europese Volkspartij. Sinds 2006 train ik al voor ze en de samenwerking is heel hecht geworden. Net als bij alle politieke partijen wordt het belang van training structureel onderschat en daardoor is er altijd een gebrek aan middelen, dus we hebben al heel wat lief en leed gedeeld rond het instituut. Nooit heeft de lokale politiek in de weg gezeten. Tot afgelopen juni en dat is ook wel mijn eigen ‘schuld’. Het instituut is gevestigd in Boedapest, Hongarije, en de medewerkers zijn allen Hongaren. Onze Zuid-Hollandse resolutie over het optreden van regeringspartij Fidesz en hun leider Orban, heeft de relatie met Hongarije op scherp gezet. En ook al heeft het RSI niet meer of minder banden met Fidesz dan het met het CDA heeft, je vraagt je toch af hoe je ontvangen wordt als je naar hun ‘home town’ toegaat.

Goed dus. Met deelnemers uit landen van Litouwen tot Libanon en van Albanië tot Armenië, werd het een mooie bijeenkomst. Elk van de vier Nederlandse deelnemers mocht een sessie voorzitten, waarbij het in mijn geval ging om een levendige paneldiscussie over de positie van jongeren en vrouwen. Prima, maar het is toch vooral in de wandelgangen dat de echte gesprekken worden gevoerd. En natuurlijk gingen die ook over de positie van Hongarije in de EU en in het politieke familieverband van de Europese volkspartij (EVP). Op een gegeven moment legde ik mijn gesprekspartner uit dat het verwijt richting Fidesz niet alleen om het kritische rapport Sargentini gaat, maar ook te maken heeft met het beeld dat Hongarije de grootste netto-ontvanger van EU-gelden is en dat dit gegeven Fidesz kennelijk niet tot meer bescheidenheid brengt – en dan hebben we het nog niet over de signalen van corruptie. Hoe denk je dat de gemiddelde burger in Nederland daarover zal denken? Mijn gesprekspartner wees in antwoord op alle deelnemers in de gang van het congres en zei, in ongeveer deze bewoordingen: “Al deze mensen zijn afkomstig uit landen die aantoonbaar minstens zo corrupt zijn als Hongarije – en wij doen er wel degelijk veel aan om de corruptie terug te dringen. Ik zou je er ook op willen wijzen dat ook in Westerse landen veel corruptie voorkomt, waarvan sommigen minsten op het niveau van Albanië. Het is wel heel hypocriet om de kritiek alleen op Hongarije te richten.”

Daar viel en valt best het nodige tegen in te brengen: het zijn de provocaties van Orban zelf die de kritiek hebben uitgelokt. Onze resolutie bijvoorbeeld, was bovenal een oproep tot dialoog. Als je er een oorlogsverklaring in wilt lezen, wie heeft er dan een probleem? Andere landen proberen autoritair gedrag niet vanuit een ideologie te vergoelijken die op de eigen partijfamilie is gericht. Je kan ook zeggen dat je niet een beetje zwanger kunt zijn: corrupt is corrupt, ondemocratisch is ondemocratisch. Je kan zelfs zeggen dat we als we EVP eindelijk niet meer hypocriet zijn: te lang hebben we fout gedrag getolereerd en ondertussen mooie woorden over waarden hebben gesproken. Eindelijk trekken we een streep. Niets hypocriets aan. We zijn eindelijk consequent.

Allemaal waar, maar mijn gesprekspartner liet me ondertussen visueel zien wat het probleem met een strakke houding is: het maakt ontmoetingen als die dag uiteindelijk onmogelijk als partijen uit de familie worden gestoten. Het ‘socializen’ in de gangen van het congres tussen vertegenwoordigers van landen vol corruptie en autocratische neigingen zal die landen nooit direct minder corrupt maken. Door het opleiden van nieuwe generaties leiders maak je de kans wel groter dat ze langzaam maar zeker hun landen mee trekken in een meer democratische beweging. Dat is lange termijnwerk en vergt een stevige dosis optimisme, maar het is niet hypocriet om daarin te geloven.

Twee beschuldigingen

Twee beschuldiging van hypocrisie. Beide niet in de eerste plaats op mij gericht, dus als ik wilde kon ik duiken. Ik wist al van de ellende op Curaçao en vind het belangrijk dat er meer aandacht voor komt (al vermoed ik dat ook met een perfecte Nederlandse overheid het moeilijk blijft). In het geval van Hongarije heb ik in de vorm van de resolutie actie genomen en ben ik dit weekend de discussie niet uit de weg gegaan. Hoezo hypocriet? Tegelijk vertegenwoordig ik een land en een deel van Europa dat zeker kwetsbaar is voor beschuldigingen van hypocrisie. We zijn wel van het geheven vingertje. En van de splinter en de balk. Alleen al doordat we onze debatten door de (social) media steeds weer laten versmallen tot een enkel item dat hoog in het nieuws scoort, treft kritiek dat we niet fair zijn in onze kritiek naar een arm eiland of een gefrustreerd land al snel doel. En dus moet je oppassen met duiken voor zo’n verwijt.

Uiteindelijk denk ik echter dat het weinig zin heeft je te laten verlammen door een angst hypocriet te zijn. Benoemen, aandacht vragen en actie nemen is de betere koers: wakker worden als het om Curaçao gaat, grenzen trekken als het om gedeelde Europese waarden gaat. De echte waarschuwing die in de beschuldiging van hypocrisie besloten ligt, komt in de vorm van een voorbehoud: het gesprek moet wel doorgaan. Mijn broer moet bij mij langs kunnen blijven komen (absoluut! – en ik naar hem overigens) en ik moet naar Boedapest blijven gaan (absoluut!). Belangrijker: ik heb mede in de gaten te houden of mijn regering wel beter werk gaat afleveren op het eiland en ik heb in de gaten te houden of de trainingen en ontmoetingen wel doorgaan zoals ze moeten doorgaan. Uiteindelijk gaat het om wat je zelf voor verschil kunt maken, niet om welke lasten van de wereld je allemaal moet dragen.

Peter Noordhoek

Wim Kok

Wim Kok was onze laatste premier met wijze grijze haren. Persoonlijk heb ik hem niet gekend, wat het voor mij minder logisch maakt in een blog bij hem stil te staan en ook omdat vele goede beschrijvingen voorhanden zijn van mensen die hem goed gekend hebben (gedacht kan worden aan Niemantsverdriet, Wallage, Klein & Kooistra).

Er is één element uit zijn levensverhaal dat ik eruit wil halen. Vroeg in Paars I hield Kok een rede waarin hij zei dat ‘de PvdA haar ideologische veren moest afschudden’. Die uitspraak is hem later zeer kwalijk genomen. Van het begin af is dat voor mij echter een uitspraak geweest waarvan ik vond dat die niet bij hem paste. Niet omdat Kok geen praktische man is. Dat was hij wel. Maar precies dat: praktisch – en dat is weer iets anders dan pragmatisch. Wim Kok was gedoopt in de rode verf van de sociale beweging en daarvan ontleende hij zijn principes. Ik kon mij niet voorstellen dat hij die af wilde krabben. Ik denk dat dit ook niet is gebeurd. Je ‘ideologische veren willen afschudden’ is in wezen een zeer ideologische uitspraak. Die kwam dan ook van Bram Peper vandaan en niet van Kok. Peper schreef de tekst voor die speech en Kok liet zich verleiden om die woorden uit te spreken om zo een streep te zetten onder interne twisten binnen de PvdA. In de kern was Kok namelijk vooral een verzoener, een bruggenbouwer. Voor mij was hij, anders dan Den Uyl, een vertegenwoordiger van de ‘stille generatie’ en een van de allerlaatsten van die generatie die ons hielp om de brug te slaan tussen de conformistische naoorlogse periode en veel liberaler tijdperk. Ware bruggenbouwers zijn mensen die zichzelf blijven, ook in het contact met andersdenkenden. Hij verloochende zich daarbij niet, bleef altijd PvdA’er, altijd socialist, maar dat weerhield hem niet voor de beste oplossing te gaan. Heel praktisch. Dank, Wim Kok.

Adam Smith als gemeenschapsdenker. Of: hoe het beeld van liberalisme mag worden bijgesteld

Waarom leest een mens een biografie? Als we braaf zijn, dan zeggen we: om van de persoon te leren. Als we minder braaf zijn: om ons te verkneukelen over een leven dat spannender is geweest dan dat van onszelf. Als die laatste reden de belangrijkste is, ga dan vooral geen biografie van Adam Smith lezen. Zonde van de tijd. Nog nooit de biografie gelezen van iemand die zo braaf was als hij. En dat was geen act, zo was hij. Het enige moment dat de biografie in de buurt van geweld komt, is het moment dat Smith door andere zaken niet aan zijn collegeverplichtingen kan voldoen en hij de collegegelden aan zijn studenten terug wil geven. Zijn studenten weigeren die geste van de geliefde docent en het wordt bijna een handgemeen als hij toch probeert het geld in de zakken van de studenten te stoppen. Voor het overige mag zijn leven saai worden genoemd, ook al leefde hij allesbehalve saaie tijden. Die saaiheid houdt op zodra je probeert in zijn hoofd te kijken en over zijn boeken gaat lezen. Maar zelfs dat is nog een beperkt genoegen omdat hij testamentair liet vastleggen dat behalve zijn twee belangrijkste boeken, al zijn andere teksten en aantekeningen moesten worden vernietigd, wat zijn erfgenamen met heel veel tegenzin uiteindelijk gedaan hebben. Alles wat we nog hebben van die teksten zijn de aantekeningen die zijn studenten tijdens de colleges maakten (studenten, laat dit tot je doordringen).

Smith herontdekt

En dan toch blijft er meer dan genoeg over om je mee te laten verbazen. Over de rijkdom van zijn gedachtegoed, over de manier waarop dit – nog tijdens zijn leven – van invloed was op de wereld en hoe we dat naar de wereld van nu moeten vertalen. Adam Smith is altijd geclaimd door liberalen, economen en vrije marktdenkers, maar zoals de nieuwe biografie van Jesse Norman overduidelijk maakt, is zijn gedachtengoed veel breder relevant en past het liberale gedachtengoed van nu eigenlijk helemaal niet zo goed bij de man zoals hij in zijn tijd stond. En het fascinerende is, dat dit ook voor andere liberalen geldt. Ook Thorbecke, de grote leidsman van het liberalisme in Nederland, is in zijn achtergrond en manier van denken niet de liberaal zoals die er nu vaak van gemaakt wordt. Dat is geen verwijt. Tot op zekere hoogte is het een logisch proces en de voormannen van andere richtingen, inclusief de mijne, worden ook lang niet altijd goed begrepen door de eigen achterban. Maar het is nu tijd om Adam Smith te herontdekken. Dat doe ik kort door in navolging van Norman een paar misverstanden op een rij te zetten rondom het gedachtengoed van Adam Smith en daarna een paar lessen te trekken, inclusief nog een klein uitstapje naar Thorbecke. In de beschrijving van de misverstanden hoop ik tegelijk het gedachtengoed zelf te beschrijven. Dat lukt niet goed in het bestek van deze tekst, maar ik verwijs graag naar Norman en andere bronnen.

De vrije markt en andere mythes

Adam Smith (1723-1790) is waarschijnlijk het best bekend als de man die de gedachte van de vrije markt heeft geïntroduceerd. Zonder hem zou het kapitalisme geen kapitalisme zijn geworden. Het beeld dat wij van die vrije markt hebben, is er een van maximale individuele vrijheid, waarbij een gerichtheid op het maken van winst genoeg is om een goede samenleving te krijgen. Die vrijheid zou de basis worden voor een politieke ideologie die overheidsingrijpen afwijst, de gerichtheid op winst een manier van problemen oplossen op basis van eigen belang die in haar meest extreme, Ayn Rand-achtige vorm alle vormen van gemeenschapsdenken verdacht maakt.

Smith was in zijn leven veel meer een filosoof dan een ideoloog en hij zou gruwen van een aantal karikaturen die van zijn gedachtegoed zijn gemaakt. Wat hij wel heeft gedaan en wat tot op zekere hoogte nog steeds klopt, is dat hij de markt centraal stelt in zijn denken. Daarin was hij de eerste. Maar dat moet wel in de context van zijn tijd worden gezien. Allereerst omdat Smith was opgegroeid in een soort permanente oorlogseconomie, overlopend van de Schotse opstanden tot de Napoleontische oorlogen. De ontwikkeling van echte markten is dan een hoopgevend alternatief en iets dat toen minstens zo nieuw is als nu de opkomst van de startups. De andere kant was zijn wantrouwen tegen de rijke koopmannen, veelal monopolisten, die hij zag en die elkaar voortdurend de bal toespeelde. Hij zag als een van de eersten het risico van een gebrek aan mededinging en te grote ongelijkheid en toonde zich om die reden ook wantrouwend richting gilde-achtige groepen.

Een regelmatig zichtbare hand

Dus de markt die hij zag was nog lang niet de vanzelfsprekendheid zoals wij die nu kennen. Het was een kwetsbaar, organisch geheel dat meer waardering verdiende en zijn systematische beschrijving ervan, vooral in zijn boek ‘The Wealth of Nations,’ heeft er enorm aan bijgedragen dat die waardering er kwam en dat we beter zijn gaan begrijpen welke rol randvoorwaarden als belastingen, mededingingsbeleid en andere vormen van overheidsingrijpen daarbij nodig zijn. Tegelijk kwam die zoektocht naar de ‘rijkdom van naties’ wel als een verrijking en een verdere doordenking van een al eerder opgezet intellectueel project. Het boek ‘A Theory of Moral Sentiments’ laat al zien dat Smith de maatschappij bovenal in morele termen ziet en niet in economische (een term die so wie so nauwelijks in beeld was in zijn tijd). En het moralisme van Smith is bovenal gematigd. Zo geloofde hij veel minder in de kracht van ‘contracten’ dan in de kracht van ‘sympathie’; de onderlinge aantrekkingskracht van mensen, van sociale verbanden. In de kern komt daar ook de term ‘invisible hand’ (de onzichtbare hand) vandaan. Hij gebruikt die term slechts drie keer in zijn oeuvre en elke keer om te laten zien hoe vanzelfsprekend verbanden kunnen ontstaan, dus zonder dat er interventie van overheden of andere partijen nodig zijn*. In zijn eerste boek onderzoekt hij de rol van altruïsme, het bijna onwaarschijnlijke gegeven dat mensen iets voor anderen doen zonder van anderen een tegenprestatie te vragen, maar wat wel degelijk bestaat. Via de invisible hand ziet Smith dat je een samenleving niet op altruïsme hoeft te baseren om toch een optimale uitkomst voor de maatschappij te kunnen krijgen Maar dat betekende niet dat hij afscheid nam van beginselen als gemeenschapszin. Integendeel. Hij bleef exponent van de Schotse verlichting, van soberheid en innerlijke beschaving. Hoezeer het ook als een vrije markt kan worden beschouwd, van slavernijhandel moest hij bijvoorbeeld niets hebben. Zijn benadering was, net als die van zijn grote vriend David Hume, niet primair religieus, maar wel uitgesproken moreel geladen. In zijn geval een strakke moraal, zeker ook zonder (kort door de bocht) de vrijheid, blijheid van wat we nu kennen als het progressief liberalisme van de Amerikaanse democratische partij.

Zet je de mythes over het gedachtegoed van Adam Smith op een rij en vergelijk je dat met de historische werkelijkheid, dan krijg je verschillen als deze:

De verleiding is groot om al die verschillen verder te gaan toelichten, want de misvattingen onder de mythes zijn niet zonder consequenties voor de dag van vandaag. Zeker de economen onder ons doen er goed aan terug naar de bron van het denken van Adam Smith te gaan en Norman’s kritiek te lezen op met name de wijze waarop de economie is verwetenschappelijkt. Tegelijk gaat dat buiten het bestek van deze blog om alles uit te werken. En dringt deze vraag zich op: als we zoveel misvattingen hebben over het werk van de grondlegger van het vrije markt denken en daarmee van het liberalisme, wat liggen er nog meer voor misvattingen onder deze politieke stroming?

En Thorbecke dan?

In Nederland krijgt die vraag een extra lading omdat er nu een voortreffelijke biografie ligt over Rudolf Thorbecke, net zozeer de onbetwiste grondlegger van het liberalisme in Nederland als Adam Smith dat is in bredere zin. Het interessant is dan dat ook hij zich niet primair doet kennen als een vrijheids- of vrije markt denker. Het vermoeden is er dat Thorbecke’s liberalisme vooral gezien moet worden als zijn reactie op het conservatisme en dogmatisch christelijke van zijn tegenstanders. De oudere Thorbecke laat zich vooral kennen als een pragmatisch en op macht gerichte politicus en krijgt ideologisch profiel in vooral zijn strijd met zijn vroegere vriend Groen van Prinsterer. De jongere Thorbecke laat bij vlagen uitgesproken christendemocratische trekken zien, inclusief een opvallend organische opvatting over de bouw van staat en samenleving. Het is die organische opvatting die de werkelijke basis lijkt te zijn voor Thorbecke als de inrichter van de Nederlandse staat, met zijn liberalisme als een pragmatisch methode om zoveel mogelijk ruimte te krijgen voor de benodigde verandering.

Natuurlijk zijn er grote verschillen tussen beiden, ook omdat de tijd anders was en omdat Thorbecke als persoon net zo assertief en arrogant was als Smith rustig en bescheiden. Waar het hier om gaat is de constatering dat de wortels van het liberalisme niet in het extremisme liggen van absolute vrije marktdenkers of progressieve liberalen, maar in klassieke waarden als gemeenschapsdenken en een oog hebben voor de kleine man. Er valt wat te herontdekken. Wat mij betreft zowel binnen als buiten het liberalisme.

Peter Noordhoek

* Wat mij doet vermoeden dat als Adam Smith nu zijn werk zou schrijven, hij die niet zozeer aan het werk zou zien in de ‘vrije’ markt, maar in de moderne civil society en het verenigingsleven.

LITERATUUR

Jesse Norman (2018). Adam Smith. What He Thought, and Why it Matters. Allen Lane.

Remieg Aerts (2018). Thorbecke wil het. Biografie van een staatsman. Prometheus.

Trump en de erfenis van Jackson

Amerikaans buitenlands beleid, Andrew Jackson en Trump’s totale oorlog

Vanuit Europa volgen we met verbazing de gedragingen van Donald Trump. Je zou willen schrijven ‘stijgende verbazing’, maar onze wenkbrauwen stijgen al zo lang dat ze de achterkant van onze hoofden beginnen te naderen. Dat is niet alleen slecht voor onze haarlijn; het gevaar wordt dan zo groot dat we stoppen met verbaasd zijn en we het absurde als normaal gaan ervaren. Waar we denk nog wel echt verbaasd over zijn, is de acceptatie van Trump door een groot deel van de Amerikanen. Hoe bestaat het dat ze het gedrag van Trump accepteren? Dat de kans aanwezig is dat ze bij een volgende presidentsverkiezing opnieuw op hem stemmen? Daar gaat deze blog over, waarbij het startpunt ligt bij het buitenlands beleid van nu en bij de angst voor indianen bij het waterhalen toen de staten van de Verenigde Staten nog jong waren.

Kiezen tussen aardig of effectief

In juli kwam Trump naar Europa. Op elk denkbaar punt confronteerde hij. Geen norm was veilig voor hem, zelfs niet de basis voor NATO zelf zoals vastgelegd in artikel 5. Geen protocol was veilig voor hem (het beeld van Trump die voor de Britse koningin uitmarcheerde is net zo iconisch als de Trump die achter Hillary Clinton aan het ijsberen was). En geen relatie was veilig voor hem – zelfs Poetin leek zich ongemakkelijk te voelen bij Trumps’ huwelijksaanzoek in Helsinki. Dat het Europese establishment geen raad met hem weet is te verklaren, maar eigenlijk geldt hetzelfde voor het Amerikaanse establishment, ook het republikeinse. En toch is de manier waarop Trump opereert niet zonder steun bij datzelfde establishment. Het verschil wordt door Republikeinen soms zo benoemd:“Obama was a good man, but we hated his Foreign Policy’en van Trump zeggen ze: ‘He is a bad man, but we think his foreign policy is more effective’. Iran en het ‘wanbetalen’ door de Europeanen worden dan als voorbeelden genoemd. Voor wie moet kiezen tussen een aardige en een effectieve man zou dan de keuze snel zijn gemaakt. En toch is zo’n redenering te makkelijk. Er moet meer aan de hand zijn.

Hamilton

Een van de meer interessante commentatoren van het buitenlandsbeleid is Walter Russel Mead. Bij een lezing in het Hudson Institute (en te lezen in een artikel van zijn hand in Foreign Affairs), gaf hij een verklaring voor de acceptatie van Trump aan de hand van het buitenlands beleid van vier eerdere presidenten.

Het Amerikaanse buitenlandse beleid is altijd gekenmerkt geweest door een soort dubbele tweedeling: de ‘idealisten’ versus de ‘realisten’ en de ‘interventionisten’ versus de ‘afkeerders’.

Zowel Bush Jr. als Sr., en ook John McCain, kunnen worden gezien als aanhangers van de lijn van president Hamilton. Hamiltoniaans zijn bovenal realisten en geloven in een militair dominant VS om zo ook financieel en economisch dominant te kunnen zijn. Ze zijn dus voor een actieve, ‘interventionistische’ rol van de VS in de wereld. Deze ‘neoconservatieve’ stroming gebruikt daarbij het systeem van liberale vrijhandel als middel om die dominantie te kunnen verzekeren. Trump heeft zeldzaam snel korte metten gemaakt met deze stroming, maar het zou niet verbazen als deze stroming terugveert zodra Trump van het toneel verdwijnt.

Wilson

Tegenover de ‘realistische’ Hamiltoniaanse stroming staat die vooral die genoemd is naar president Wilson. Ook Wilson geloofde in interventies en een actieve buitenlandse politiek, maar sterk ingegeven vanuit idealistische motieven, primair het zorgen voor vrede en het verspreiden van democratie (‘bestrijdt de oorzaken van oorlog’). Een veilige wereld is een democratische wereld, een goed bestuurde wereld. President Obama wordt nu vooral als een exponent van deze stroming neergezet. En hoewel dat voor een deel zeker waar is, overheersen volgens mij de realistische elementen (zie ook de titel van het boek van zijn speechschrijver buitenland, Ben Rhodes: ‘The World as It Is’). Eigenlijk waren presidenten als Kennedy en Johnson meer Wilsoniaans, afgedwongen door zowel de strijd met het communisme en het idealisme van de jonge generatie in de zestiger jaren. Het lijkt moeilijk voorstelbaar dat er na Trump weer een Wilsoniaanse president komt. Dan moet er toch eerst een geloofwaardigheidsproblemen worden opgelost. Het is een van de redenen dat ik niet geloof in een sterk links-liberale kandidaat van democratische huize.

Jefferson

Een derde stroming sluit aan bij de houding van de schrijven van de Onafhankelijkheidsverklaring en tevens 4epresident van de VS, Jefferson. Deze stroming staat voor een minimale rol van de VS. Hoe kleiner het profiel van de VS, hoe minder kans op schade, is zo’n beetje de redenering. Het belang van de VS wordt smal en nationalistisch gedefinieerd en vooral in directe kosten en baten. De meest extreme vorm van dit ‘realisme’ is te vinden onder de ‘libertarians’ die zo wantrouwend tegenover alle vormen van overheidsbemoeienis staan, dat ze ook niet geloven in een succesvol Amerikaans beleid, anders dan het op afstand blijven van elk gewapend conflict. Na Wilson was deze stroming een tijdlang volstrekt dominant (met nota bene Lindbergh, die als eerste de vlucht tussen New York en Parijs had gemaakt, als kampioen. Pas na de aanval op Pearl Harbor door de Japanners slaagde president Roosevelt er in deze te doorbreken, waarna de Jeffersonians na WOII eigenlijk nooit meer aan de bak kwamen.

Na Obama dachten republikeinen als Rand Paul en Ted Cruz goede kansen als presidentskandidaat te hebben met een Jeffersoniaanse lijn, maar dat is niet door gegaan. Met Trump kwam een kandidaat op het podium die bovenal uniek mag heten, maar die ook wel degelijk voor een presidentiële stroming staat. Uitgesproken nationalistisch en populistisch, is het best wel even zoeken naar het goede voorbeeld. President Theodoor Roosevelt komt dan in de gedachten op, maar die was toch eerder een Hamiltonian in zijn slimheid. Voor het beter, maar nog altijd niet helemaal passend voorbeeld, komen we uit bij de 7president van de Verenigde Staten, Andrew Jackson. Zijn verhaal is in ieder geval nog meer spectaculair en kleurrijk dan dat van Trump.

De houwdegen: Andrew Jackson

Jacksonianisme is een stroming voor wie de wereld van de ‘Founding Fathers’ van de Verenigde Staten letterlijk en figuurlijk ver, ver weg lag. Voor hen geen verheven gedachten over de verlichting of universele missie van democratisering. Voor hen wel de dagelijkse strijd om het bestaan in een nieuw land waarin de westelijke grenzen stap voor stap op de indianen veroverd moesten worden. Neem dat laatste letterlijk. Jackson is in 1766 in een blokhut geboren aan de grens van Indiaans gebied. Pal daarna overleed zijn vader aan het bewerken van het land. Het weer was tijdens de begrafenis zo guur, dat niemand het merkte dat de kist ergens op weg naar het graf van de wagen was gegleden. Zijn moeder nam de zorg over hem en zijn broer ferm ter hand, maar het leven was ruig, mede door de dreiging van de indianen. Elk moment kon er een aanval zijn. Het gevolg was dat je dag en nacht je wapen bij je had en je nog geen water bij de put ging halen zonder dat wapen in de buurt te hebben. Daarover lezend, begrijp je iets van de obsessie die Amerikanen nog steeds met wapens hebben. Toch zou voor de jonge Andrew de echte dreiging van de Britten komen. Als 13-jarige werd hij soldaat en liet toen al de moed zien die hem later beroemd zou maken. Het litteken van een Britse houwdegen zou zijn hele leven er het bewijs van blijven. Het verhaal van een self-made man zou volgen, inclusief veel ritselen en regelen, vallen en weer opstaan. Daarin zou zijn leven opvallende parallellen vertonen met het vroege leven van Lincoln, een generatie later. Maar waar Lincoln morsig, melancholisch maar wijs door zijn leven ging, was het leven van Jackson als dat wat hem zijn litteken bezorgde; een houwdegen. Hij vocht tegen de Britten, de indianen, de Mexicanen en tegen iedereen die hem te na kwam. Bijna altijd won hij, maar tegen het einde van zijn leven zat zijn lichaam vol met littekens en kogels (kogels die in die tijd doorgaans niet dodelijk waren. Echt moedige mensen vingen de eerste kogel in hun lichaam op, om daarna rustig te kunnen richten). Hij overleefde alles, ook zijn eigen veldslagen. Hij leidde een militie die groter en groter zou worden. Uiteindelijk zou hij met de slag om New Orleans, waarin hij een overmacht aan Britten de pan in zou hakken, definitief zijn status als held vestigen. Puur op die reputatie zou hij daarna president worden.

De Jacksoniaanse revolutie

Dat was tegelijk ook een enorme omslag, groter dan die van Trump nu. Tot op dat moment waren het notabelen, vooral herenboeren uit Virginia, die president werden. Politieke partijen waren als fenomeen zeer verdacht; dat zou maar de ‘rule of the mob’ brengen. Jackson doorbrak dat en werd de eerste die president werd op basis van zijn, net als hij, laagopgeleide achterban. Waarmee hij tegelijk de beslissende zet gaf richting de oprichting van een echte politieke partij.

Jackson was geen slechte president, juist ook doordat zijn instinct hem zei politiek voor de kleine man te kiezen. Regelmatig was het puur populistisch wat hij deed en hij schrok nooit terug voor een gewapend conflict. Onder zijn leiding verdween de slavernij allerminst en werden de indianen steeds verder naar het westen opgejaagd. En zo werd zichtbaar wat we nu de ‘Jacksoniaanse revolutie’ noemen, met kenmerken als deze:

  • bemoei jij je niet met mij, dan bemoei ik mij niet met jou. Het buitenland is ver, ver weg.
  • maar als jij je met mij bemoeit op een manier die mij niet bevalt, dan zal je het merken. Er is geen andere oorlog dan totale oorlog
  • en dan gaat het om niets anders dan die oorlog te winnen en te overleven. Al het andere – ook de ethiek – is daaraan ondergeschikt. Anders zullen de indianen je scalpen. Elites beschermen je niet.
  • en heb jij iets dat bij mij hoort, dat eigen is – zoals bijvoorbeeld het Amerikaanse grondgebied zoals ik dat zie – dan heb je dat in te leveren, want ik ben superieur aan jou
  • tegelijk kan ik niet tegen onrechtvaardigheid. Als je vechten wilt, dan kan dat
  • en daarna ben je dood of gaan we elk onze eigen weg. Dat is vrijheid.

In alles is sprake van wederkerigheid (‘reciprocity’): als het geen totale oorlog waard is, dan is het helemaal geen oorlog waard. Daarbij moet beseft worden dat hierin de hele erfenis schuilt van een geïsoleerd land en een bevolking die de buitenwereld niet begrijpt of gelijkwaardig acht. Wie de Verenigde Staten bezoekt, weet dat aan overal de Amerikaanse vlag hangt. Het veiligste land ter wereld gedraagt zich alsof er elke dag een invasie kan komen.

Terug naar Trump

Terug naar Trump, om de vergelijking te kunnen maken. Trump heeft een trouwe achterban, volgens een peiling van augustus 2018, van 18%. Dit laat zich opvallend goed vergelijkbaar met de harde kern van populisten in menig Europees land, waaronder Nederland. Dit is het deel dat het Jacksoniaanse concept van nationalisme en totale oorlog snapt en omarmt. Daarnaast heeft hij echter een bredere aanhang. Zo’n 40% zegt zijn beleid te steunen. Die bredere achterban lijkt voor een groot deel samen te vallen met het deel van de bevolking dat zich in de steek gelaten voelt en genoeg aan de eigen zorgen heeft om de politiek, dat vieze elitaire spel, over te laten aan iemand die net als zij een buitenstaander is.

Uiteindelijk hangt het van opkomst, tegenstander, omstandigheden en valse trucs af of die 40% zich inderdaad laat vertalen in een tweede presidentschap, maar de kans is zeker aanwezig als de lijn van Trump echt Jacksoniaans is. Op een essentieel punt is Trump echter geen Jackson en dat heeft met de vorm van het nationalisme te maken. Ook voor Jackson gold een soort ‘eigen volk eerst’. Hij begreep de problematiek van indianen beter dan algemeen wordt aangenomen, maar hij zag de verdrijving van indianen als iets dat onvermijdelijk was. Hij hield slaven, maar zag slavernij als iets dat eindig was. Trump lijkt daar anders mee om te gaan. Hij bouwt zijn muur met Mexico en gebruikt het migrantenthema om heel bewust vreemdelingenhaat aan te wakkeren. Dat deed Jackson niet. Jackson (later weer gevolgd door Lincoln) deed iets heel anders: hij benadrukte bovenal de eenheid van de niet-echt-verenigde staten. Hij was bovenal een ‘unionist’. Hij vocht voor eenheid tegen de Britten, hij vocht tegen degenen die dreigden hun staat te zullen afscheiden, hij vocht voor een centrale bank een tegen degenen die deze centrale bank. Zou Jackson vandaag leven, dan zou hij naar alle waarschijnlijk enorm voor de Europese eenheid strijden – en Trump de stad uitjagen, want dat is nog een verschil tussen Jackson en Trump; de eerste echt moedig, de tweede niet.

Twee weken in de VS

In juli en augustus van dit jaar was de auteur van dit artikel in de VS. De eerste week mocht ik op bezoek gaan bij het Congres en lezingen horen over de Trans-Atlantische relatie. Bij dit laatste hoorde ik ook Walter Russell Mead zijn vergelijking met de vier presidenten maken. Dat was dezelfde week dat Trump naar Europa trok. Voor iedereen die met Hamiltoniaanse ogen naar dat bezoek keek, waaronder velen in het gehoor, een vreselijke week. De Wilsonianen riepen ‘Wee ons’ in de media en de Jeffersonianen waren blij met het doel van Trumps’ missie, maar niet met de manier waarop. Alleen de Jacksonianen konden tevreden zijn en bewonderend kijken naar de manier waarop hun voorman amok maakte. Hij kwam, sloeg om zich heen, en ‘won’.

In de afgelopen week was ik opnieuw in de VS, nu voor een groot congres met allemaal verenigingsmanagers, georganiseerd door de enorme Amerikaanse vereniging van verenigingen, ASAE. Als lid van een stevige Nederlandse delegatie vertegenwoordigde ik ons in een overleg over de erkenning van het vak van verenigingsmanager. Wat opviel was dat de Amerikanen zich faciliterend opstelden en vooral niet in de weg wilden lopen. De vertegenwoordigers uit Azië, Midden-Oosten, Australië en Zuid-Amerika trokken het, met de Nederlanders als enige vertegenwoordigers uit het versnipperde Europese continent. Het zou goed kunnen dat dit de echte start wordt van een wereldwijd netwerk – met de VS alsnog steeds onmisbare, maar niet langer leidende kracht. Hoe diep de onzekerheid van de Amerikanen over hun eigen rol zit, zou later die week blijken. Op donderdag kwam er de dubbelslag voor Trump van een schuld verklaring van Cohen en een veroordeling van Manofort. Die dubbelslag is volgens mij veel harder aangekomen dan het optreden van Trump in Europa. Je voelde de gêne. Een voorzichtige conclusie: de komende jaren zullen agressie en terughoudendheid de toon van de grootmacht bepalen.

Wat na Trump?

Aan het einde van het verhaal van Russel Mead had ik een vraag voor hem. De opvolger van Andrew Jackson was Martin van Buuren. Dat was geen bijzonder succesvol presidentschap van de Amerikaan van Nederlandse afkomst, maar dat zich wel kenmerkte door de formele oprichting van de Democratische partij. Wat zou er in dat licht gezegd kunnen worden over de opvolging van Trump? Russel Mead vond een links-radicale reactie niet onlogisch, maar dat deze zou worden gematigd door het Amerikaanse twee partijen stelsel. In mijn ogen zou dat kunnen, maar eerder zou ik een implosie van de republikeinse partij verwachten (net zoals bij de Tories in het VK, kan erbij worden gedacht). Het is ook interessant om na te denken over de erfenis van Trump in Europa. Mijn verwachting is dat het mede leidt tot een versterkte partijvorming op Europees niveau. De leiders van de Visigradlanden gedragen zich uitgesproken Jacksoniaans, de socialisten proberen het met Wilsoniaans missiegedrag, in het midden strijden Hamiltoniaanse, liberale krachten met Jeffersoniaanse middenkrachten. Paradoxaal genoeg denk ik dat Trump en zijn Jacksoniaanse collega’s in Europa het einde van het nationalisme zullen versnellen. De spanning tussen de individuele landen en de Europese Unie gaat, zo is mijn overtuiging, verplaatst worden van een spanning tussen Europa en de wereld, met veel meer partijvorming dan nu het geval is daarbinnen in. Trump is het gat aan het trekken.

 

Peter Noordhoek

 

Literatuur

H.W. Brands (2005). Andrew Jackson. His Life and Times. Random House.

Richard Brookhiser (2014). Founders’ Son. A. Life of Abraham Lincoln. Basic Books.

Walter Russel Mead (2002). Special Providence: American Foreign Policy and How It Changed the World. Routledge.

Walter Russel Mead (March-April 2017). The Jacksonian Revolt. Foreign Affairs.

Ben Rhodes (2018). The World as It Is. A Memoir of the Obama White House. Random House.

Sean Wilentz (2005). The Rise of American Democracy. Jefferson to Lincoln. Random House.

 

 

 

 

 


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: "De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard." Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek