

Werken aan een Leerboek Verenigingskunde

Verenigingen. De basis is eenvoudig: het gaat om mensen die zich betrokken voelen op hetzelfde doel. Dat doel kan bijna alles zijn, maar dat doel is ook een aanleiding om bij elkaar te komen en steeds weer bij elkaar te blijven komen. Het gaat dus om het ver-enigen van mensen tot wat ze gemeen - gezamenlijk - hebben en dat over langere tijd. En dat is altijd spannend, ook al speelt die dynamiek zich vaak wat achter de schermen af. Dat mensen zich verenigen is logisch, maar mensen handelen niet altijd logisch en hebben ook niet altijd hetzelfde voor ogen, ook niet als het om een gezamenlijk doel gaat. Dat kan het ingewikkeld maken, ook al hebben wij mensen allerlei spelregels ontwikkeld om daar ook weer uit te komen. Verenigingen verenigen alles in zich; de problemen en de oplossingen voor die problemen. Daarom zijn ze zo fascinerend. Al tijden maak ik schetsjes waarin ik ontwikkelingen bij elkaar probeer te brengen, waarvan hier het een schetsje waarin ik in beeld probeer te brengen hoe wisselend de (aandacht voor) vormen van verenigingen is en hoe de verenigingswereld zich kennelijk wil verdelen over wel of niet bezoldigd / bekostigen of beprijsde activiteiten. Hier horen, al schetsend, ook woorden bij. Die woorden zijn er al in behoorlijke mate. Hier gaat het om het samenbrengen ervan voor het kunnen leren van de verzamelde kennis: het werken dus aan een Leerboek Verenigingskunde. Hier de link naar een eerste opzet voor het Leerboek, inclusief een essay waarin verenigingskunde wordt gepland naast andere disciplines. Het heeft nadrukkelijk een concept status.
De schatting is dat de wereld tussen de 8 en 12 miljoen verenigingen kent. Voor Nederland spreken we over zo'n 250.000 verenigingen. Het zijn getallen die voortdurend veranderen, zowel omlaag als omhoog, maar vooral aangeven hoe groot het fenomeen is - en pas op: dit zijn de verenigingen en niet hun leden.
In hun doelen beslaan ze zo'n beetje alle menselijke en bedrijfsmatige activiteiten en dekken ze ook het hele leven af; van de geboorte tot aan het overlijden en van het meest ingewikkelde werk tot en met 'simpel' vrijwilligerswerk. Die complexiteit maakt ordening noodzakelijk zodra je erover spreekt. Die complexiteit maakt ook organisatievermogen nodig zodra je verenigingen hun doel wil laten bereiken. En die complexiteit maakt inzicht nodig in wat mensen en jezelf in beweging zet. Dan hebben we het dus over de kennis en kunde die nodig is om tot een vereniging te komen en te blijven en er het maximale uit te halen. Maar wat weten we eigenlijk?
Verenigingen zijn echt een ondergewaardeerd studieobject. Zet je bijvoorbeeld de bestuurskundige, politieke, economische en management faculteiten naast elkaar en zet je deze faculteiten af ten opzichte van het aantal faculteiten dat raakt aan civil society, middenveld en verenigingen, dan ontstaat een zeer scheef beeld. De derde sector wordt naast die van de overheids- en marktsector weinig gezien. Of dat erg is, hangt van je perspectief af, maar het is in ieder geval een bijzonder gegeven.
Het is alweer enige jaren geleden dat ik die wanverhouding in de gaten kreeg. Op vele manieren heb ik er wat aan proberen te doen, waarbij ik sta op de schouders van vele anderen en nog best veel medestanders heb. Maar de getallen zijn in verhouding niet groot - en daarom is het zo nodig dat we kennis vergaren en verspreiden. in de vorm van een promotieonderzoek en door de uitvoering van het nationaal verenigingsonderzoek heb ik dat zelf uitgebreid mogen doen, maar mij afvragen waar mijn meerwaarde ligt voor dit vakgebied, kom ik uit bij de verbindersfunctie die ik altijd heb vervuld. Dat kan je tussen mensen doen - hebben we weer een vereniging bij - maar dat kan je ook tussen leergebieden doen. Er is een gat in overdracht tussen het academische niveau en wat ik maar het 'kaderniveau' in verenigingen noem. Een inmiddels behoorlijk grote hoeveelheid boeken op management of functioneel niveau weet nog onvoldoende het gat te overbruggen met inzichten uit de wetenschappelijke literatuur. Omgekeerd zie je op wetenschappelijk niveau ook nog weinig studentenstromen naar het domein gaan (ik hoop nu onmiddelijk kritiek te krijgen van de Erasmus universiteit en andere universiteiten, want er is een bijna activistische beweging rond gemeenschappen en nieuwe vormen van coöperatie). Er kan in ieder geval nog een schep bovenop.
Dat kan ook - en dit raakt aan een stukje eigen verleden. In 1988 mocht ik student-assistent zijn van professor Aris van Braam. Hij was een van de twee hoogleraren bestuurskunde in Nederland. Ik studeerde juridisch-bestuurswetenschappen in Leiden en ik vond die richting interessanter dan de juridische, maar ik moest het ergste vrezen want de richting dreigde te worden opgeheven, want we waren maar met 12 studenten (in Twente was er nog een iets groter groepje van 20 studenten). Ik was toen activistisch genoeg om een petitie te beginnen tegen de dringende opheffing. Het ging gelukkig niet door en ik kon afstuderen. Het jaar erna kreeg ik een telefoontje van mijn hoogleraar met de vraag of ik een les wilde geven aan de nieuwe studenten. Dat wilde ik wel en ik bereide mij voor op een groep van 20 studenten. Het waren er bijna 200. Het jaar daarop mocht ik het opnieuw doen en zat de grootste zaal van de universiteit vol met honderden studenten bestuurskunde.
Ja, het zou mooi zijn om dat te herhalen met verenigingskunde. Is dat reëel? Nu absoluut niet. Mar wie zegt dat overheden en bedrijven zo relevant blijven als nu. Is er al niet al lang een verschuiving gaande van formele naar meer informele collectieven? En weten we echt hoe we daar mee om moeten gaan? Niet echt. Verenigingen zijn als een oud continent dat het verdient om door Columbussen ontdekt te worden alsof het nieuw is - wat het deels ook is.
Daarom zou het tijd kunnen zijn voor een Leerboek Verenigingskunde. Het is een complex maar boeiend veld. Het afbakenen, ordenen en doorgronden is nu aan de orde voor wie voorbij de bestaande kennis ook naar de waaromvragen toe wil kunnen gaan. Dus, voor nieuwe en oude verenigingsmensen werk ik nu aan de opzet van een Leerboek Verenigingskunde. Het concept is deels geschreven als een projectvoorstel en deels geeft het ook al een inhoudelijk beeld van waar het over gaat. In deze ruwe vorm presenteer ik het voor commentaar en suggesties. Want wie wil er nu niet de succesvolle denkleider van de toekomst zijn?
Peter Noordhoek
Reageren op dpn@northedge.nl