CONTACT

Stilstaan bij de herdenking van de oorlogsslachtoffers in het voormalig Nederlands-Indië, 15 augustus 2020. Een reflectie in drie flarden, beginnend met een gedicht.

II          De flarden en het horloge

Bij mijn afstuderen in Leiden in 1984 ontving ik van mijn vader een vestzakhorloge. Mijn vader vertelde erbij dat hij het horloge had laten repareren en dat het van mijn opa is geweest. Dit is wat ik weet. Meer dan feiten en flarden zijn het niet.

 
De eerste flard is dat mijn opa ooit bij een van de voorgangers van Unilever werkte, maar door de missie werd gegrepen. Hij nam ontslag en vertrok met oma – dat is zeker - begin 1927 naar wat toen bekend stond als Nederlands-Indië. Daar gekomen, maakten ze een lange, lange rit (de afstanden worden snel onderschat) naar Pourbolingo in Midden-Java. Die naam Pourbolingo is meer dan een flard: de intrigerende, muzikale naam stond in zijn paspoort te lezen en heb ik vaak gemurmeld als ik als kind in zijn bureaula rommelde en zijn paspoort tegenkwam. Pour-bo-lin-go. Lag daar toen ook het horloge al? Niet dat ik me herinner. 

Uit het huwelijk van mijn grootouders werden 6 kinderen werden geboren, waarvan 5 jongens. De kinderen Thijs, Ko en Jan werden nog in Nederland geboren. Mijn vader Wijnand werd eind december van dat jaar in geboren en de jongste zoon, Joop, nog weer later. Een meisje overleed vroeg. Er is een flard van een van mijn ooms waarin hij uitsprak dat de dood van het meisje zeker bij mijn oma erg heeft doorgewerkt. En later was er meer om te verwerken. Eén zoon, oom Thijs, was naar Nederland gegaan om te studeren. Nog een flard, dit keer indringend herinnerd door hoe hij dit vertelde op de begrafenis van oom Ko: hoe hij alleen op een schip vertrok naar Nederland, naar Rotterdam. De wijkende kade, de eenzaamheid. Er zouden 12 jaar overheen gaan voordat hij met de rest van het gezin herenigd zou worden.
Opa was eerst hoofd van een Chinees-Nederlandse lagere school geworden en na een periode van verlof in Nederland, werd hij docent op een andere school. De flarden die er zijn, zijn mooi. Van spelen en klauteren in bomen, van vakanties en bijzondere auto’s. Zelfs van het vliegtuig De Uivert, die net een trans-Atlantische reis had voltooid. Er is nog een foto van. Typische herinneringen van opgroeiende jongens, door wat er na kwam van extra glans voorzien.

Bij de start van de oorlog in 1942 werd het gezin langzaam maar zeker uit elkaar getrokken. Alleen de jongste zoon, oom Joop, mocht bijna tot het einde van de oorlog bij oma blijven, totdat ook hij van haar gescheiden werd. Opa was al snel het kamp ingegaan. Oom Ko nam de rol van zijn vader over, maar niet lang. Al snel ging hij, samen met oom Jan, een kamp in. Mijn vader bleef langer bij zijn moeder en broertje Joop, maar ook hij werd op zijn 15van zijn moeder gescheiden en ging naar een jongenskamp. Feitje: dit was dit jongenskamp Halmaheira te Semarang. Een naam die ik nooit van mijn vader heb gehoord. Pas na zijn overlijden las ik de naam van het kamp in het levensloop verhaal van oom Jan, door hemzelf opgesteld in 2002. Verteld in ijzeren chronologie, komen de feiten over de kamptijd haast ongewild tot leven in hun betekenis voor de jongens Noordhoek. Ongewild, omdat de goede dingen wel worden gemeld en al het ander vooral wordt geregistreerd. Gevoelens worden alleen benoemd als het niet anders kan.

Eén van die goede momenten beschrijft hoe oom Jan, en mijn vader, Wijnand elkaar op een perron bij toeval tegenkomen. Vanaf dat moment is het, inclusief om Ko, een verhaal van drie broers. Samen komen ze in een volgend kamp terecht, bij Bandung. Het zou de drie broers lukken om een taak te krijgen in het rondbrengen van het spaarzame eten in het deel van het kamp dat voor de zieken was gereserveerd. Dat rondbrengen bestond vooral uit het op de schouders dragen van stokken met daarin zware gamellen hangend, vol met stijfsel waarin mais ronddreef. Flard van mijn moeder: “Bij je vader liepen spieren als kabels over zijn rug, van het sjouwen.” Andere, angstige flarden zijn van het smokkelen van eten en van het elkaar in het gezicht moeten slaan van de bewakers, met daar tegenover flarden van de vriendschappen en de momenten waarop ze les kregen van goede docenten. Niet alles was slecht, maar wel gebeurde alles binnen de grenzen van prikkeldraad. 

De beëindiging van de oorlog op 15 augustus 1945 – flard: mede ‘dankzij’ de atoombom - betekende nog niet dat het kamp kon worden verlaten, wel werden de leden van de familie langzaam maar zeker weer samengevoegd. Mijn opa kwam zelfs, ziek en waarschijnlijk ondervoed, nog in 1944 in hetzelfde kamp Bandung als zijn drie zonen terecht. Dat duurde echter niet lang, wel lang genoeg om hen de vader te laten aansterken met extra voedsel. Hij en andere prominenten werden echter weer snel naar een ander kamp afgevoerd. 
Met het einde van de oorlog met Japan begon de onafhankelijkheidsstrijd. Nederlanders waren nergens veilig. De Japanners werden van bewakers beschermers en trokken soms zelfs samen met de Britten op om de kampen veilig te houden. Het was dus niet zonder gevaar om het kamp te verlaten, maar de broers zijn toch naar dat kamp gegaan, alleen maar om daarna weer terug te moeten gaan. Ze kregen hem niet te zien. Gelukkig werd hij later richting Bandung vervoerd, waar ze hem alsnog konden bezoeken en laten eten, maar hij was al erg verzwakt door hongeroedeem en daar kwamen weer andere kwalen zoals dysenterie overheen. Zo ging hij naar het einde toe. Mijn vermoeden is toch dat mijn vader nog in deze fase met opa heeft kunnen spreken en dat hij toen de in een doek gewikkelde resten van opa’s vestzakhorloge heeft gekregen. Zoals ik op de avond na mijn afstuderen hoorde, was het horloge kapot gevallen toen hij ziek en kennelijk te langzaam uit een vrachtwagen klom. Hij viel toen de Noord-Koreaanse bewaker hem van achteren sloeg met zijn geweer. 
Mijn vader heeft het zo meegenomen. Van Indië, naar Australië, naar Dordrecht, naar ’s-Gravendeel, naar die avond in Leiden. Ik heb het nooit bewust gezien tot hij het horloge, gerepareerd, tevoorschijn haalde uit de lade van zijn bureau en aan mij gaf. Zonder bijzondere woorden, alleen dat hij graag wilde dat ik het had en dat hij trots was. 

Op een latere avond heb ik toch meer gehoord, maar alleen door de levensbeschrijving van oom Jan kan ik het nu benoemen alsof ik het toen ook die avond zo hoorde. 
Nog toen mijn opa leefde is via het Rode Kruis een bericht uitgegaan naar mijn oma en oom Joop. Die laatste zat nog apart in een jongenskamp, maar mijn oma wist haar zoon kennelijk op te halen en kennelijk toestemming en middelen voor de reis te krijgen. Te laat. Mijn opa overleed, niet meer bij bewustzijn, in aanwezigheid van de drie broers. Nog geen twee uur daarna kwamen, voor de broers totaal onverwacht, om oma en oom Joop samen binnen, nadat ze in allerlei samen waren gevoegd en zo snel mogelijk hadden gereisd. Na 3,5 jaar gescheiden te zijn geweest kwam mijn oma en oom dus nog geen 2 uur te laat om hem nog in leven te hebben gezien.  

Nog diezelfde dag kregen ze te horen dat ze allen weer moesten vertrekken. Er lag een schip klaar. Dat hebben ze geweigerd. Eerst moest opa begraven worden, hoe dan ook. Oom Jan: “De volgende dag werd hij in een eenvoudige lijkkist op de laadbak van een open vrachtwagen geplaatst, zijn kinderen er om heen zittend, en mama voorin bij de bestuurder, naar de burgerlijke begraafplaats in Bandung gereden, waar we papa zijn lichaam aan de aarde hebben toevertrouwd.”

Oma ging met haar 4 zonen via Australië uiteindelijk naar Dordrecht toe. De oudste, Thijs, had na een studie bosbouw de opdracht gekregen om in Borneo landmeetkundige werkzaamheden te doen. Hij was daarheen vertrokken rond de tijd dat het schip met de andere broers in Nederland aankwam. Na zijn gedwongen terugkeer in 1949 waren moeder en alle zonen dan eindelijk voor het eerst weer bij elkaar. 

In Nederland zijn de broers hun eigen weg gegaan, maar ze zijn elkaar ook blijven ontmoeten, samen met hun partners: de Noordhoekendag. Na het overlijden van oma werden de contacten eigenlijk alleen maar intensiever. Niet dat ze zoveel met elkaar bespreken die broers. Een zwijgzaam geheel, die Noordhoeken, stuk voor stuk. De echtgenotes solidariseerden sterk met elkaar in hun gedeelde moeite met de gesloten aard van de broers, terwijl ze zelf toch ook overwegend van ‘niet zeuren, maar aanpakken’ waren. Er werd wel verteld, maar diep ging het zelden, althans voor zover ik als oudste zoon van Wijnand kon achterhalen. Een kwestie van flarden. Tot vlak voor zijn overlijden heeft hij aan ons als kinderen per saldo heel weinig verteld over de kamptijd. Lid van een stil gezin in een te stille generatie. 

Het horloge was gerepareerd, maar de oude conditie had het niet meer. Mijn vader overleed in 2004. Het horloge staat nu in onze woonkamer, goed in het zicht. Het herinnert mij aan mijn vader, het herinnert mij aan Indië, maar vooral ook hoe hij in het leven stond. In twee flarden komt dat samen. 

De eerste flard heeft met de Japanners te maken. De Koreaanse soldaat sloeg namens de Japanners en ik weet dat er nog veel ergere dingen zijn gebeurd, ook met mijn vader. Toch heb ik mijn vader nooit boos of verbitterd gehoord. Toen de cabaretier Wim Kan een boycot ging organiseren tegen de komst van de keizer Hirohito naar Nederland, was mijn vader daar geen voorstander van. Hij vergaf liever. Het was iets dat ik niet begreep, maar ook niet kon vergeten.

De tweede flard – eerder een smaak, een geur - was de relatie met de mensen die gerepatrieerd werden toen Nederlands-Indië Indonesië werd. Voor ons betekende dat: nasi. Op donderdag gebracht door de ‘kokkie’ van de enige Indische familie in ons dorp en die dol op mijn vader was. En op zijn stille manier, wederzijds. Toch Indië als echte thuis? Het duurde overigens best lang voordat ik in mijn gedachten de sprong kon maken van kokkie naar het ruwe geweld van de gijzelingen. Die sprong ben ik daarna op allerlei manieren gaan maken. De geschiedenis van de overgang van Indië naar Indonesië laat zich niet eenduidig kennen. Alsof niemand onschuldig mag zijn en er wel veel over verontschuldigingen wordt gesproken, maar niemand het ooit verwacht of gelooft als het komt. Alleen de tijd verwacht niets.

Nu ben ik stadsdichter van Gouda. En wie even éen, twee lagen dieper graaft, of een paar kilometer naar het westen fietst, richting Moordrecht, weet dat Indië dichtbij is. Ik heb daar nu nog geen gedichten over, behalve waar ik mee begon. Hoogstpersoonlijk, zeker, maar misschien kan het staan voor iets wat we hopelijk ook zonder horloge kunnen doen: flarden herinneringen doorgeven en verder en verder gaan. 

III         Over herinneringen en flarden

Deze tekst is geschreven nadat ik eerst een gedicht heb geschreven over hoe het horloge van mijn grootvader en vader in mijn handen is geraakt. Ondanks dat dichters soms beweren dat je in gedichten alles kwijt kan, werkte dit gedicht voor mij als een te ondiepe schaal om mijn herinneringen in te doen. Op een gegeven moment volgde dus het verhaal, passend bij andere teksten die ik over de stille generatie van mijn ouders heb geschreven. Ik ben zelf van 1957, altijd zeer historisch bewust geweest, maar er ook van bewust dat mijn ‘mammoet’-generatie nooit de geschiedenis zo intens zal kunnen beleven als de generatie van mijn ouders. Gelukkig maar, zeg ik inmiddels oprecht, maar ook bewust van het feit dat wij een opgave hebben om hun ervaringen op de een of andere manier vast te houden. Anders dan de luide protestgeneratie voor ons, is die ‘verloren’ generatie van ouders echt een stille generatie. Mogelijk doordat de leden ervan oud genoeg waren om alles bewust mee te maken, maar te jong om zelf meer te doen dan het te ondergaan. 

Maar generalisaties over generaties zijn snel gemaakt en het gaat er om juist recht te doen elk individu, zeker als het om je eigen ouders en familie gaat. De lessen die dichtbij kunnen worden geleerd, zijn vaak de beste lessen. Daarom vind ik het zo storend van mijzelf dat ik zo laat feitelijk onderzoek ben gaan doen en mijn ouders niet zo gedegen heb bevraagd als ik in mijn werk wel gewoon ben te doen. 

De werkelijkheid is dat ik bij het schrijven van de eerste versie van deze tekst stevige fouten heb gemaakt. Mijn herinneringen waren niet zo betrouwbaar als ik dacht. De volgorde van de gebeurtenissen had ik niet meer scherp en het leidde er bijvoorbeeld toe dat ik niet durfde op te schrijven dat er maar 2 uur zat tussen het overlijden van opa en de komst van mijn oma en oom Joop. Het leek mij zo onwaarschijnlijk weinig, dat ik het liever openliet. Toch klopte het. Nu deed ik daar per saldo het verhaal niet mee teniet, maar het is wellicht kenmerkend voor een stadium waarin feiten flarden gaan worden en die flarden onvermijdelijk steeds grotere gaten gaan vertonen.

Het is alsof we ‘piek geheugen’ al hebben gehad; het moment waarop we ons het meest bewust zijn geweest dat er een wereldoorlog is geweest en dat we ook nog de bronnen en personen aanwezig hadden om te bevragen. Wij worden nu snel de tweede- en derdehands bronnen die door de volgende generatie moeten worden bevraagd voor het te laat is. 

Te laat is? Voor wat dan? Voordat we de fouten van het verleden echt gaan herhalen. Opgegroeid in grote welvaart kunnen we alleen de ervaring van die welvaart doorgeven. De oorlogsgeneratie voor ons had een ander kader. Dat mag niet aan flarden gaan. Ik heb een horloge en deel dit verhaal nu met jullie. Haal er ook één. 

Peter Noordhoek, januari 2022.

Het gedicht is geschreven ter gelegenheid van de herdenking van de oorlogsslachtoffers in het voormalig Nederlands-Indië 15 augustus 2020., samen met een korte toelichting.

In de aanloop van een nieuwe Noordhoekendag, met nog maar een enkele vertegenwoordiger van de oorspronkelijke generatie in leven, ben ik door gaan schrijven aan de toelichting op het gedicht. Daarbij is dankbaar gebruik gemaakt van de ‘Levensloop Jan Christiaan Noordhoek’, opgesteld door hem in september 2002 en is rond februari 2022 gesproken met oom Joop. Opnieuw is de herdenking van de oorlogsslachtoffers in het voormalig Nederlands-Indië aanleiding voor publicatie.

Naast de eigen bronnen is gebruik gemaakt van Jeroen Kemperman (samensteller) – De Japanse bezetting in dagboeken. Deel: buiten de kampen. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Met name de delen zoals die zijn overgetypt van mevrouw Huussen en dan vooral waar die raken aan de familie Noordhoek en de kampen waar zij verbleven bleken relevant. Alle fouten zijn mijn fouten.

Northedge

info@northedge.nl
 Copyright © 2020 -  All Rights Reserved
BTW nummer Northedge B.V.: 8192.31.472.B.01
KvK nr. Northedge B.V.: 29048758 Rotterdam
menu-circlecross-circle linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram