Contact

Northedge B.V. 
Oosthaven 15-16 
2801 PC Gouda 
The Netherlands 
T 31 (0)182 684545 

www.northedge.nl 
Tw @PeterNoordhoek 

Archief

Adam Smith als gemeenschapsdenker. Of: hoe het beeld van liberalisme mag worden bijgesteld

Waarom leest een mens een biografie? Als we braaf zijn, dan zeggen we: om van de persoon te leren. Als we minder braaf zijn: om ons te verkneukelen over een leven dat spannender is geweest dan dat van onszelf. Als die laatste reden de belangrijkste is, ga dan vooral geen biografie van Adam Smith lezen. Zonde van de tijd. Nog nooit de biografie gelezen van iemand die zo braaf was als hij. En dat was geen act, zo was hij. Het enige moment dat de biografie in de buurt van geweld komt, is het moment dat Smith door andere zaken niet aan zijn collegeverplichtingen kan voldoen en hij de collegegelden aan zijn studenten terug wil geven. Zijn studenten weigeren die geste van de geliefde docent en het wordt bijna een handgemeen als hij toch probeert het geld in de zakken van de studenten te stoppen. Voor het overige mag zijn leven saai worden genoemd, ook al leefde hij allesbehalve saaie tijden. Die saaiheid houdt op zodra je probeert in zijn hoofd te kijken en over zijn boeken gaat lezen. Maar zelfs dat is nog een beperkt genoegen omdat hij testamentair liet vastleggen dat behalve zijn twee belangrijkste boeken, al zijn andere teksten en aantekeningen moesten worden vernietigd, wat zijn erfgenamen met heel veel tegenzin uiteindelijk gedaan hebben. Alles wat we nog hebben van die teksten zijn de aantekeningen die zijn studenten tijdens de colleges maakten (studenten, laat dit tot je doordringen).

Smith herontdekt

En dan toch blijft er meer dan genoeg over om je mee te laten verbazen. Over de rijkdom van zijn gedachtegoed, over de manier waarop dit – nog tijdens zijn leven – van invloed was op de wereld en hoe we dat naar de wereld van nu moeten vertalen. Adam Smith is altijd geclaimd door liberalen, economen en vrije marktdenkers, maar zoals de nieuwe biografie van Jesse Norman overduidelijk maakt, is zijn gedachtengoed veel breder relevant en past het liberale gedachtengoed van nu eigenlijk helemaal niet zo goed bij de man zoals hij in zijn tijd stond. En het fascinerende is, dat dit ook voor andere liberalen geldt. Ook Thorbecke, de grote leidsman van het liberalisme in Nederland, is in zijn achtergrond en manier van denken niet de liberaal zoals die er nu vaak van gemaakt wordt. Dat is geen verwijt. Tot op zekere hoogte is het een logisch proces en de voormannen van andere richtingen, inclusief de mijne, worden ook lang niet altijd goed begrepen door de eigen achterban. Maar het is nu tijd om Adam Smith te herontdekken. Dat doe ik kort door in navolging van Norman een paar misverstanden op een rij te zetten rondom het gedachtengoed van Adam Smith en daarna een paar lessen te trekken, inclusief nog een klein uitstapje naar Thorbecke. In de beschrijving van de misverstanden hoop ik tegelijk het gedachtengoed zelf te beschrijven. Dat lukt niet goed in het bestek van deze tekst, maar ik verwijs graag naar Norman en andere bronnen.

De vrije markt en andere mythes

Adam Smith (1723-1790) is waarschijnlijk het best bekend als de man die de gedachte van de vrije markt heeft geïntroduceerd. Zonder hem zou het kapitalisme geen kapitalisme zijn geworden. Het beeld dat wij van die vrije markt hebben, is er een van maximale individuele vrijheid, waarbij een gerichtheid op het maken van winst genoeg is om een goede samenleving te krijgen. Die vrijheid zou de basis worden voor een politieke ideologie die overheidsingrijpen afwijst, de gerichtheid op winst een manier van problemen oplossen op basis van eigen belang die in haar meest extreme, Ayn Rand-achtige vorm alle vormen van gemeenschapsdenken verdacht maakt.

Smith was in zijn leven veel meer een filosoof dan een ideoloog en hij zou gruwen van een aantal karikaturen die van zijn gedachtegoed zijn gemaakt. Wat hij wel heeft gedaan en wat tot op zekere hoogte nog steeds klopt, is dat hij de markt centraal stelt in zijn denken. Daarin was hij de eerste. Maar dat moet wel in de context van zijn tijd worden gezien. Allereerst omdat Smith was opgegroeid in een soort permanente oorlogseconomie, overlopend van de Schotse opstanden tot de Napoleontische oorlogen. De ontwikkeling van echte markten is dan een hoopgevend alternatief en iets dat toen minstens zo nieuw is als nu de opkomst van de startups. De andere kant was zijn wantrouwen tegen de rijke koopmannen, veelal monopolisten, die hij zag en die elkaar voortdurend de bal toespeelde. Hij zag als een van de eersten het risico van een gebrek aan mededinging en te grote ongelijkheid en toonde zich om die reden ook wantrouwend richting gilde-achtige groepen.

Een regelmatig zichtbare hand

Dus de markt die hij zag was nog lang niet de vanzelfsprekendheid zoals wij die nu kennen. Het was een kwetsbaar, organisch geheel dat meer waardering verdiende en zijn systematische beschrijving ervan, vooral in zijn boek ‘The Wealth of Nations,’ heeft er enorm aan bijgedragen dat die waardering er kwam en dat we beter zijn gaan begrijpen welke rol randvoorwaarden als belastingen, mededingingsbeleid en andere vormen van overheidsingrijpen daarbij nodig zijn. Tegelijk kwam die zoektocht naar de ‘rijkdom van naties’ wel als een verrijking en een verdere doordenking van een al eerder opgezet intellectueel project. Het boek ‘A Theory of Moral Sentiments’ laat al zien dat Smith de maatschappij bovenal in morele termen ziet en niet in economische (een term die so wie so nauwelijks in beeld was in zijn tijd). En het moralisme van Smith is bovenal gematigd. Zo geloofde hij veel minder in de kracht van ‘contracten’ dan in de kracht van ‘sympathie’; de onderlinge aantrekkingskracht van mensen, van sociale verbanden. In de kern komt daar ook de term ‘invisible hand’ (de onzichtbare hand) vandaan. Hij gebruikt die term slechts drie keer in zijn oeuvre en elke keer om te laten zien hoe vanzelfsprekend verbanden kunnen ontstaan, dus zonder dat er interventie van overheden of andere partijen nodig zijn*. In zijn eerste boek onderzoekt hij de rol van altruïsme, het bijna onwaarschijnlijke gegeven dat mensen iets voor anderen doen zonder van anderen een tegenprestatie te vragen, maar wat wel degelijk bestaat. Via de invisible hand ziet Smith dat je een samenleving niet op altruïsme hoeft te baseren om toch een optimale uitkomst voor de maatschappij te kunnen krijgen Maar dat betekende niet dat hij afscheid nam van beginselen als gemeenschapszin. Integendeel. Hij bleef exponent van de Schotse verlichting, van soberheid en innerlijke beschaving. Hoezeer het ook als een vrije markt kan worden beschouwd, van slavernijhandel moest hij bijvoorbeeld niets hebben. Zijn benadering was, net als die van zijn grote vriend David Hume, niet primair religieus, maar wel uitgesproken moreel geladen. In zijn geval een strakke moraal, zeker ook zonder (kort door de bocht) de vrijheid, blijheid van wat we nu kennen als het progressief liberalisme van de Amerikaanse democratische partij.

Zet je de mythes over het gedachtegoed van Adam Smith op een rij en vergelijk je dat met de historische werkelijkheid, dan krijg je verschillen als deze:

De verleiding is groot om al die verschillen verder te gaan toelichten, want de misvattingen onder de mythes zijn niet zonder consequenties voor de dag van vandaag. Zeker de economen onder ons doen er goed aan terug naar de bron van het denken van Adam Smith te gaan en Norman’s kritiek te lezen op met name de wijze waarop de economie is verwetenschappelijkt. Tegelijk gaat dat buiten het bestek van deze blog om alles uit te werken. En dringt deze vraag zich op: als we zoveel misvattingen hebben over het werk van de grondlegger van het vrije markt denken en daarmee van het liberalisme, wat liggen er nog meer voor misvattingen onder deze politieke stroming?

En Thorbecke dan?

In Nederland krijgt die vraag een extra lading omdat er nu een voortreffelijke biografie ligt over Rudolf Thorbecke, net zozeer de onbetwiste grondlegger van het liberalisme in Nederland als Adam Smith dat is in bredere zin. Het interessant is dan dat ook hij zich niet primair doet kennen als een vrijheids- of vrije markt denker. Het vermoeden is er dat Thorbecke’s liberalisme vooral gezien moet worden als zijn reactie op het conservatisme en dogmatisch christelijke van zijn tegenstanders. De oudere Thorbecke laat zich vooral kennen als een pragmatisch en op macht gerichte politicus en krijgt ideologisch profiel in vooral zijn strijd met zijn vroegere vriend Groen van Prinsterer. De jongere Thorbecke laat bij vlagen uitgesproken christendemocratische trekken zien, inclusief een opvallend organische opvatting over de bouw van staat en samenleving. Het is die organische opvatting die de werkelijke basis lijkt te zijn voor Thorbecke als de inrichter van de Nederlandse staat, met zijn liberalisme als een pragmatisch methode om zoveel mogelijk ruimte te krijgen voor de benodigde verandering.

Natuurlijk zijn er grote verschillen tussen beiden, ook omdat de tijd anders was en omdat Thorbecke als persoon net zo assertief en arrogant was als Smith rustig en bescheiden. Waar het hier om gaat is de constatering dat de wortels van het liberalisme niet in het extremisme liggen van absolute vrije marktdenkers of progressieve liberalen, maar in klassieke waarden als gemeenschapsdenken en een oog hebben voor de kleine man. Er valt wat te herontdekken. Wat mij betreft zowel binnen als buiten het liberalisme.

Peter Noordhoek

* Wat mij doet vermoeden dat als Adam Smith nu zijn werk zou schrijven, hij die niet zozeer aan het werk zou zien in de ‘vrije’ markt, maar in de moderne civil society en het verenigingsleven.

LITERATUUR

Jesse Norman (2018). Adam Smith. What He Thought, and Why it Matters. Allen Lane.

Remieg Aerts (2018). Thorbecke wil het. Biografie van een staatsman. Prometheus.

Trump en de erfenis van Jackson

Amerikaans buitenlands beleid, Andrew Jackson en Trump’s totale oorlog

Vanuit Europa volgen we met verbazing de gedragingen van Donald Trump. Je zou willen schrijven ‘stijgende verbazing’, maar onze wenkbrauwen stijgen al zo lang dat ze de achterkant van onze hoofden beginnen te naderen. Dat is niet alleen slecht voor onze haarlijn; het gevaar wordt dan zo groot dat we stoppen met verbaasd zijn en we het absurde als normaal gaan ervaren. Waar we denk nog wel echt verbaasd over zijn, is de acceptatie van Trump door een groot deel van de Amerikanen. Hoe bestaat het dat ze het gedrag van Trump accepteren? Dat de kans aanwezig is dat ze bij een volgende presidentsverkiezing opnieuw op hem stemmen? Daar gaat deze blog over, waarbij het startpunt ligt bij het buitenlands beleid van nu en bij de angst voor indianen bij het waterhalen toen de staten van de Verenigde Staten nog jong waren.

Kiezen tussen aardig of effectief

In juli kwam Trump naar Europa. Op elk denkbaar punt confronteerde hij. Geen norm was veilig voor hem, zelfs niet de basis voor NATO zelf zoals vastgelegd in artikel 5. Geen protocol was veilig voor hem (het beeld van Trump die voor de Britse koningin uitmarcheerde is net zo iconisch als de Trump die achter Hillary Clinton aan het ijsberen was). En geen relatie was veilig voor hem – zelfs Poetin leek zich ongemakkelijk te voelen bij Trumps’ huwelijksaanzoek in Helsinki. Dat het Europese establishment geen raad met hem weet is te verklaren, maar eigenlijk geldt hetzelfde voor het Amerikaanse establishment, ook het republikeinse. En toch is de manier waarop Trump opereert niet zonder steun bij datzelfde establishment. Het verschil wordt door Republikeinen soms zo benoemd:“Obama was a good man, but we hated his Foreign Policy’en van Trump zeggen ze: ‘He is a bad man, but we think his foreign policy is more effective’. Iran en het ‘wanbetalen’ door de Europeanen worden dan als voorbeelden genoemd. Voor wie moet kiezen tussen een aardige en een effectieve man zou dan de keuze snel zijn gemaakt. En toch is zo’n redenering te makkelijk. Er moet meer aan de hand zijn.

Hamilton

Een van de meer interessante commentatoren van het buitenlandsbeleid is Walter Russel Mead. Bij een lezing in het Hudson Institute (en te lezen in een artikel van zijn hand in Foreign Affairs), gaf hij een verklaring voor de acceptatie van Trump aan de hand van het buitenlands beleid van vier eerdere presidenten.

Het Amerikaanse buitenlandse beleid is altijd gekenmerkt geweest door een soort dubbele tweedeling: de ‘idealisten’ versus de ‘realisten’ en de ‘interventionisten’ versus de ‘afkeerders’.

Zowel Bush Jr. als Sr., en ook John McCain, kunnen worden gezien als aanhangers van de lijn van president Hamilton. Hamiltoniaans zijn bovenal realisten en geloven in een militair dominant VS om zo ook financieel en economisch dominant te kunnen zijn. Ze zijn dus voor een actieve, ‘interventionistische’ rol van de VS in de wereld. Deze ‘neoconservatieve’ stroming gebruikt daarbij het systeem van liberale vrijhandel als middel om die dominantie te kunnen verzekeren. Trump heeft zeldzaam snel korte metten gemaakt met deze stroming, maar het zou niet verbazen als deze stroming terugveert zodra Trump van het toneel verdwijnt.

Wilson

Tegenover de ‘realistische’ Hamiltoniaanse stroming staat die vooral die genoemd is naar president Wilson. Ook Wilson geloofde in interventies en een actieve buitenlandse politiek, maar sterk ingegeven vanuit idealistische motieven, primair het zorgen voor vrede en het verspreiden van democratie (‘bestrijdt de oorzaken van oorlog’). Een veilige wereld is een democratische wereld, een goed bestuurde wereld. President Obama wordt nu vooral als een exponent van deze stroming neergezet. En hoewel dat voor een deel zeker waar is, overheersen volgens mij de realistische elementen (zie ook de titel van het boek van zijn speechschrijver buitenland, Ben Rhodes: ‘The World as It Is’). Eigenlijk waren presidenten als Kennedy en Johnson meer Wilsoniaans, afgedwongen door zowel de strijd met het communisme en het idealisme van de jonge generatie in de zestiger jaren. Het lijkt moeilijk voorstelbaar dat er na Trump weer een Wilsoniaanse president komt. Dan moet er toch eerst een geloofwaardigheidsproblemen worden opgelost. Het is een van de redenen dat ik niet geloof in een sterk links-liberale kandidaat van democratische huize.

Jefferson

Een derde stroming sluit aan bij de houding van de schrijven van de Onafhankelijkheidsverklaring en tevens 4epresident van de VS, Jefferson. Deze stroming staat voor een minimale rol van de VS. Hoe kleiner het profiel van de VS, hoe minder kans op schade, is zo’n beetje de redenering. Het belang van de VS wordt smal en nationalistisch gedefinieerd en vooral in directe kosten en baten. De meest extreme vorm van dit ‘realisme’ is te vinden onder de ‘libertarians’ die zo wantrouwend tegenover alle vormen van overheidsbemoeienis staan, dat ze ook niet geloven in een succesvol Amerikaans beleid, anders dan het op afstand blijven van elk gewapend conflict. Na Wilson was deze stroming een tijdlang volstrekt dominant (met nota bene Lindbergh, die als eerste de vlucht tussen New York en Parijs had gemaakt, als kampioen. Pas na de aanval op Pearl Harbor door de Japanners slaagde president Roosevelt er in deze te doorbreken, waarna de Jeffersonians na WOII eigenlijk nooit meer aan de bak kwamen.

Na Obama dachten republikeinen als Rand Paul en Ted Cruz goede kansen als presidentskandidaat te hebben met een Jeffersoniaanse lijn, maar dat is niet door gegaan. Met Trump kwam een kandidaat op het podium die bovenal uniek mag heten, maar die ook wel degelijk voor een presidentiële stroming staat. Uitgesproken nationalistisch en populistisch, is het best wel even zoeken naar het goede voorbeeld. President Theodoor Roosevelt komt dan in de gedachten op, maar die was toch eerder een Hamiltonian in zijn slimheid. Voor het beter, maar nog altijd niet helemaal passend voorbeeld, komen we uit bij de 7president van de Verenigde Staten, Andrew Jackson. Zijn verhaal is in ieder geval nog meer spectaculair en kleurrijk dan dat van Trump.

De houwdegen: Andrew Jackson

Jacksonianisme is een stroming voor wie de wereld van de ‘Founding Fathers’ van de Verenigde Staten letterlijk en figuurlijk ver, ver weg lag. Voor hen geen verheven gedachten over de verlichting of universele missie van democratisering. Voor hen wel de dagelijkse strijd om het bestaan in een nieuw land waarin de westelijke grenzen stap voor stap op de indianen veroverd moesten worden. Neem dat laatste letterlijk. Jackson is in 1766 in een blokhut geboren aan de grens van Indiaans gebied. Pal daarna overleed zijn vader aan het bewerken van het land. Het weer was tijdens de begrafenis zo guur, dat niemand het merkte dat de kist ergens op weg naar het graf van de wagen was gegleden. Zijn moeder nam de zorg over hem en zijn broer ferm ter hand, maar het leven was ruig, mede door de dreiging van de indianen. Elk moment kon er een aanval zijn. Het gevolg was dat je dag en nacht je wapen bij je had en je nog geen water bij de put ging halen zonder dat wapen in de buurt te hebben. Daarover lezend, begrijp je iets van de obsessie die Amerikanen nog steeds met wapens hebben. Toch zou voor de jonge Andrew de echte dreiging van de Britten komen. Als 13-jarige werd hij soldaat en liet toen al de moed zien die hem later beroemd zou maken. Het litteken van een Britse houwdegen zou zijn hele leven er het bewijs van blijven. Het verhaal van een self-made man zou volgen, inclusief veel ritselen en regelen, vallen en weer opstaan. Daarin zou zijn leven opvallende parallellen vertonen met het vroege leven van Lincoln, een generatie later. Maar waar Lincoln morsig, melancholisch maar wijs door zijn leven ging, was het leven van Jackson als dat wat hem zijn litteken bezorgde; een houwdegen. Hij vocht tegen de Britten, de indianen, de Mexicanen en tegen iedereen die hem te na kwam. Bijna altijd won hij, maar tegen het einde van zijn leven zat zijn lichaam vol met littekens en kogels (kogels die in die tijd doorgaans niet dodelijk waren. Echt moedige mensen vingen de eerste kogel in hun lichaam op, om daarna rustig te kunnen richten). Hij overleefde alles, ook zijn eigen veldslagen. Hij leidde een militie die groter en groter zou worden. Uiteindelijk zou hij met de slag om New Orleans, waarin hij een overmacht aan Britten de pan in zou hakken, definitief zijn status als held vestigen. Puur op die reputatie zou hij daarna president worden.

De Jacksoniaanse revolutie

Dat was tegelijk ook een enorme omslag, groter dan die van Trump nu. Tot op dat moment waren het notabelen, vooral herenboeren uit Virginia, die president werden. Politieke partijen waren als fenomeen zeer verdacht; dat zou maar de ‘rule of the mob’ brengen. Jackson doorbrak dat en werd de eerste die president werd op basis van zijn, net als hij, laagopgeleide achterban. Waarmee hij tegelijk de beslissende zet gaf richting de oprichting van een echte politieke partij.

Jackson was geen slechte president, juist ook doordat zijn instinct hem zei politiek voor de kleine man te kiezen. Regelmatig was het puur populistisch wat hij deed en hij schrok nooit terug voor een gewapend conflict. Onder zijn leiding verdween de slavernij allerminst en werden de indianen steeds verder naar het westen opgejaagd. En zo werd zichtbaar wat we nu de ‘Jacksoniaanse revolutie’ noemen, met kenmerken als deze:

  • bemoei jij je niet met mij, dan bemoei ik mij niet met jou. Het buitenland is ver, ver weg.
  • maar als jij je met mij bemoeit op een manier die mij niet bevalt, dan zal je het merken. Er is geen andere oorlog dan totale oorlog
  • en dan gaat het om niets anders dan die oorlog te winnen en te overleven. Al het andere – ook de ethiek – is daaraan ondergeschikt. Anders zullen de indianen je scalpen. Elites beschermen je niet.
  • en heb jij iets dat bij mij hoort, dat eigen is – zoals bijvoorbeeld het Amerikaanse grondgebied zoals ik dat zie – dan heb je dat in te leveren, want ik ben superieur aan jou
  • tegelijk kan ik niet tegen onrechtvaardigheid. Als je vechten wilt, dan kan dat
  • en daarna ben je dood of gaan we elk onze eigen weg. Dat is vrijheid.

In alles is sprake van wederkerigheid (‘reciprocity’): als het geen totale oorlog waard is, dan is het helemaal geen oorlog waard. Daarbij moet beseft worden dat hierin de hele erfenis schuilt van een geïsoleerd land en een bevolking die de buitenwereld niet begrijpt of gelijkwaardig acht. Wie de Verenigde Staten bezoekt, weet dat aan overal de Amerikaanse vlag hangt. Het veiligste land ter wereld gedraagt zich alsof er elke dag een invasie kan komen.

Terug naar Trump

Terug naar Trump, om de vergelijking te kunnen maken. Trump heeft een trouwe achterban, volgens een peiling van augustus 2018, van 18%. Dit laat zich opvallend goed vergelijkbaar met de harde kern van populisten in menig Europees land, waaronder Nederland. Dit is het deel dat het Jacksoniaanse concept van nationalisme en totale oorlog snapt en omarmt. Daarnaast heeft hij echter een bredere aanhang. Zo’n 40% zegt zijn beleid te steunen. Die bredere achterban lijkt voor een groot deel samen te vallen met het deel van de bevolking dat zich in de steek gelaten voelt en genoeg aan de eigen zorgen heeft om de politiek, dat vieze elitaire spel, over te laten aan iemand die net als zij een buitenstaander is.

Uiteindelijk hangt het van opkomst, tegenstander, omstandigheden en valse trucs af of die 40% zich inderdaad laat vertalen in een tweede presidentschap, maar de kans is zeker aanwezig als de lijn van Trump echt Jacksoniaans is. Op een essentieel punt is Trump echter geen Jackson en dat heeft met de vorm van het nationalisme te maken. Ook voor Jackson gold een soort ‘eigen volk eerst’. Hij begreep de problematiek van indianen beter dan algemeen wordt aangenomen, maar hij zag de verdrijving van indianen als iets dat onvermijdelijk was. Hij hield slaven, maar zag slavernij als iets dat eindig was. Trump lijkt daar anders mee om te gaan. Hij bouwt zijn muur met Mexico en gebruikt het migrantenthema om heel bewust vreemdelingenhaat aan te wakkeren. Dat deed Jackson niet. Jackson (later weer gevolgd door Lincoln) deed iets heel anders: hij benadrukte bovenal de eenheid van de niet-echt-verenigde staten. Hij was bovenal een ‘unionist’. Hij vocht voor eenheid tegen de Britten, hij vocht tegen degenen die dreigden hun staat te zullen afscheiden, hij vocht voor een centrale bank een tegen degenen die deze centrale bank. Zou Jackson vandaag leven, dan zou hij naar alle waarschijnlijk enorm voor de Europese eenheid strijden – en Trump de stad uitjagen, want dat is nog een verschil tussen Jackson en Trump; de eerste echt moedig, de tweede niet.

Twee weken in de VS

In juli en augustus van dit jaar was de auteur van dit artikel in de VS. De eerste week mocht ik op bezoek gaan bij het Congres en lezingen horen over de Trans-Atlantische relatie. Bij dit laatste hoorde ik ook Walter Russell Mead zijn vergelijking met de vier presidenten maken. Dat was dezelfde week dat Trump naar Europa trok. Voor iedereen die met Hamiltoniaanse ogen naar dat bezoek keek, waaronder velen in het gehoor, een vreselijke week. De Wilsonianen riepen ‘Wee ons’ in de media en de Jeffersonianen waren blij met het doel van Trumps’ missie, maar niet met de manier waarop. Alleen de Jacksonianen konden tevreden zijn en bewonderend kijken naar de manier waarop hun voorman amok maakte. Hij kwam, sloeg om zich heen, en ‘won’.

In de afgelopen week was ik opnieuw in de VS, nu voor een groot congres met allemaal verenigingsmanagers, georganiseerd door de enorme Amerikaanse vereniging van verenigingen, ASAE. Als lid van een stevige Nederlandse delegatie vertegenwoordigde ik ons in een overleg over de erkenning van het vak van verenigingsmanager. Wat opviel was dat de Amerikanen zich faciliterend opstelden en vooral niet in de weg wilden lopen. De vertegenwoordigers uit Azië, Midden-Oosten, Australië en Zuid-Amerika trokken het, met de Nederlanders als enige vertegenwoordigers uit het versnipperde Europese continent. Het zou goed kunnen dat dit de echte start wordt van een wereldwijd netwerk – met de VS alsnog steeds onmisbare, maar niet langer leidende kracht. Hoe diep de onzekerheid van de Amerikanen over hun eigen rol zit, zou later die week blijken. Op donderdag kwam er de dubbelslag voor Trump van een schuld verklaring van Cohen en een veroordeling van Manofort. Die dubbelslag is volgens mij veel harder aangekomen dan het optreden van Trump in Europa. Je voelde de gêne. Een voorzichtige conclusie: de komende jaren zullen agressie en terughoudendheid de toon van de grootmacht bepalen.

Wat na Trump?

Aan het einde van het verhaal van Russel Mead had ik een vraag voor hem. De opvolger van Andrew Jackson was Martin van Buuren. Dat was geen bijzonder succesvol presidentschap van de Amerikaan van Nederlandse afkomst, maar dat zich wel kenmerkte door de formele oprichting van de Democratische partij. Wat zou er in dat licht gezegd kunnen worden over de opvolging van Trump? Russel Mead vond een links-radicale reactie niet onlogisch, maar dat deze zou worden gematigd door het Amerikaanse twee partijen stelsel. In mijn ogen zou dat kunnen, maar eerder zou ik een implosie van de republikeinse partij verwachten (net zoals bij de Tories in het VK, kan erbij worden gedacht). Het is ook interessant om na te denken over de erfenis van Trump in Europa. Mijn verwachting is dat het mede leidt tot een versterkte partijvorming op Europees niveau. De leiders van de Visigradlanden gedragen zich uitgesproken Jacksoniaans, de socialisten proberen het met Wilsoniaans missiegedrag, in het midden strijden Hamiltoniaanse, liberale krachten met Jeffersoniaanse middenkrachten. Paradoxaal genoeg denk ik dat Trump en zijn Jacksoniaanse collega’s in Europa het einde van het nationalisme zullen versnellen. De spanning tussen de individuele landen en de Europese Unie gaat, zo is mijn overtuiging, verplaatst worden van een spanning tussen Europa en de wereld, met veel meer partijvorming dan nu het geval is daarbinnen in. Trump is het gat aan het trekken.

 

Peter Noordhoek

 

Literatuur

H.W. Brands (2005). Andrew Jackson. His Life and Times. Random House.

Richard Brookhiser (2014). Founders’ Son. A. Life of Abraham Lincoln. Basic Books.

Walter Russel Mead (2002). Special Providence: American Foreign Policy and How It Changed the World. Routledge.

Walter Russel Mead (March-April 2017). The Jacksonian Revolt. Foreign Affairs.

Ben Rhodes (2018). The World as It Is. A Memoir of the Obama White House. Random House.

Sean Wilentz (2005). The Rise of American Democracy. Jefferson to Lincoln. Random House.

 

 

 

 

 

Commissie Sorgdrager komt tekort, net als alle partijen in de fipronilaffaire

Het rapport van de commissie Sorgdrager over de fipronilaffaire lijkt voorlopig het laatste woord te worden over deze affaire over een mogelijke besmetting van leren. Terwijl we in feite aan het wachten zijn op de volgende affaire, kan het wellicht geen kwaad nog eens goed te kijken naar de analyse van de commissie. Daar is ruim voldoende reden toe.

Het NRC haalt deze kernzin uit het rapport van de commissie die de fipronilaffaire heeft onderzocht, de zogenaamde commissie Sorgdrager:

“Of aan het feit dat de bedrijven hun verplichtingen niet nakwamen onkunde, onoplettendheid of onwil ten grondslag ligt, kan de commissie niet beoordelen.”

Tsja. Het feit dat de commissie schrijft dat ze dit niet kan beoordelen, weerhoudt haar voorzitter er niet van heel stellig te oordelen over de sector. In combinatie met alle observaties over het falen van de toezichthouders, naast de NVWA bovenal de private toezichthouders, komt ze tot één enkele conclusie: er is te weinig aandacht geweest voor voedselveiligheid. Het is de hoogste tijd voedselveiligheid absolute prioriteit krijgen, zonder afweging tegen andere belangen. Daarin ligt de aanleiding voor deze blog. Voor mij wordt zo een te zwaar accent gelegd op een te lichte basis. Daarbij zitten er naar mijn indruk weeffouten in de wijze waarop naar de verhouding tussen publiek en privaat ‘toezicht’ wordt gekeken.

Het rapport over de fipronilaffaire is in haar soort zeker geen slecht rapport. Gelukkig is er, zoals we vaker zien bij dit soort rapportages, een uitstekende reconstructie geschreven van het gebeuren. Het leest als een trein. Alle complimenten. Maar, zoals we ook wel vaker zien bij deze rapportages, is er ook een neiging om uit de bocht te vliegen bij de conclusies en aanbeveling of de kern in mijn ogen net niet te raken. Dat geldt ook hier, dus graag zet ik er mijn conclusies naast, hopend dat mijn kritiek de doorwerking van het rapport helpt in plaats van hindert.

Ik doe dat zonder contacten of banden met de sector, al zal de lezer merken dat ik niet helemaal een vreemdeling in Jerusalem bent als het om ontwikkelingen op certificeringsgebied gaat. Verder heb ik geruime tijd geleden opleidingen en andere trajecten gedaan, ook bij VWA tijdens de vogelgriepcrisis e.d. Tot de eierketen heb ik mij op zich nooit aangetrokken gevoeld, al was het maar omdat ik geen eieren lus – ooit een bron van wanhoop voor mijn moeder.

Bij het schrijven van deze blog heb ik mij deze vragen gesteld:

  1. Wat is de kern van de fipronelaffaire?
  2. Waarom werkte de ‘private borging’ niet?
  3. Waarom werkte de ‘publieke borging’ niet?
  4. Gaat die focus op voedselveiligheid wel helpen?

In het stellen van deze vragen negeer ik bewust de formele afbakening die de commissie zelf voor haar werkzaamheden heeft gemaakt (p.9). Door die afbakening zou de commissie alleen op systeemniveau kijken en ziet zij bijvoorbeeld af van een inhoudelijke discussie over de hoogte van de norm voor fipronilbesmetting. Ik meen dat de commissie deze afbakening niet had mogen aanvaarden, want binnen deze afbakening kunnen geen volwaardige lessen worden getrokken. Omdat er naar mijn weten geen andere commissie aan het werk wordt gezet om wel een volledige analyse te maken, doe ik hier wat volgens mij de commissie zelf ondertussen wel degelijk ook doet en wat ook gewoon verwacht mag worden van de zijde van politiek en publiek: de volle analyse maken en daar een mening over geven.

1.         Wat is de kern van de fipronelaffaire?

Er is voor zover wij weten geen consument direct doodgegaan aan fibronel residuen in eieren, waarschijnlijk ook niemand ziek. Als affaire is het in die zin moeilijk te overtreffen in onschuld. En toch heeft de commissie gelijk als het liever spreekt in termen van ‘crisis’ dan in termen van ‘incident’. De impact is enorm geweest – en is dat voor een aantal pluimveeboeren nog steeds. Dus dat er lessen moeten worden geleerd en maatregelen worden genomen: natuurlijk. En laten we blij zijn dat we de eerste lessen nu hebben kunnen leren via een relatief onschuldige aanleiding als deze. Maar toch, het wringt, die verhouding tussen crisis en effect. Tijdens het lezen heb ik proberen te turven hoe vaak er vragen zijn geteld als ‘hoe schadelijk is het nu eigenlijk?’, ‘kan het echt blijven hangen in kip en ei’, ‘hoe hoog is die norm nu eigenlijk?’. Op een gegeven moment ben ik opgehouden, zo vaak worden vragen als deze gesteld en blijven harde antwoorden uit. De commissie zelf maakt op een gegeven moment wel een mooi schema (p. 71) van alle manieren waarop de normen kunnen worden toegepast, maar maakt geen vertaling naar fysieke effecten op mensen. Wat gebeurt er als er bijvoorbeeld meer dan 0,72 milligram per kilogram ei in zit? Ze lijkt daarvoor vast te houden aan de inschatting van het BuRO, een onderzoekslaboratorium met een semi-grappige naam en die stelt in feite geen merkbare gevolgen vast (p. 83). Af en toe komen flarden langs in termen van ‘schade aan organen’, maar het wordt nauwelijks grijpbaar. Wat we vooral weten is dat er een overtreding wordt begaan van een hoeveelheid werkzame stof die is afgeleid van een MRL, het ‘wettelijk toegestane restgehalte van een stof op levensmiddelen’. De residuwaarde van een MRL wordt ‘ten minste vastgesteld op het laagste niveau zoals dat nodig is om de meest kwetsbare consument te beschermen’. De basis is een schatting van de hoeveelheid van een stof die iemand levenslang dagelijks kan innemen zonder waarneembaar negatief effect op de gezondheid. Ook voor Fipornil is zo’n waarde vastgesteld. In oktober 2014 is op Europees niveau besloten Fipronil per 1 januari 2017 feitelijk uit de voedselketen te halen. De reden waarom dat is gebeurd, blijft in het rapport onbenoemd. Wat we wel weten is dat een paar maanden later via vele omwegen de paniek toeslaat en de voedselveiligheid wezenlijk bedreigd zou zijn. Is dat het?

Het lijkt mij heel wat nuchterder – en in lijn met de opdracht van de commissie – om vast te stellen dat vooral het systeemvan voedselveiligheid bedreigd is geraakt. Partijen hebben er mee gefraudeerd of hebben het genegeerd. Ze hebben het verkeerd geïnterpreteerd of niet gehandhaafd. Dat is ernstig en het rapport laat zien dat als het met fipronil fout kan gaan, het waarschijnlijk ook met andere stoffen fout kan gaan. Toch is dat van andere orde dat een probleem met de voedselveiligheid als zodanig. Want als je handhaven van het systeem als doel centraal stelt, dan stel je jezelf niet meer de vraag of dat systeem wel deugt en überhaupt handhaafbaar is. Allerlei gedragsaspecten komen dan niet meer aan bod. En dat is precies wat je terugziet in het rapport Sorgdrager. Het antwoord van de commissie op de fipronilaffaire is het benadrukken en het completer maken van het systeem. De vraag naar het ‘waarom?’ wordt niet overtuigend beantwoord. Is dat belangrijk? Ja. Op 1 augustus 2017 kwam de plaatsvervangend IG geruststellend bedoelde woorden zeggen op Nieuwsuur. Hij bereikte volstrekt het tegendeel. Dat was niet verwacht. Niet door hem, maar ook niet door alle anderen die op dat moment in en rond het systeem van voedselveiligheid werkten. Dat is de valkuil van systeemdenken als er geen natuurlijke vertaling gemaakt kan worden van een ‘overschrijding van de meetwaarde’ naar ‘mijn ei is vergiftigd!’. Je moet letterlijk en figuurlijkje woorden weten te doseren, verhalen weten te maken, om paniek te voorkomen. Ook de commissie Sorgdrager doseert niet goed en loopt nu het risico in een ‘Cry Wolf’ scenario terecht te komen.

2.         Waarom werkte de ‘private borging’ niet?

De commissie beschrijft op gedegen wijze hoe het systeem van private borging in de voedselketen, en dan vooral de eierketen, er uit ziet. Menig professional kan daar wat van leren. Systematisch wordt de vinger gelegd bij kwetsbaarheden en afhankelijkheden in een hoog opgetuigd systeem. De beschrijving maakt duidelijk waarom moedwillige fraude in het systeem van private borging heel lang onontdekt kan blijven. De middelen ontbreken om frequent genoeg te controleren, de werkwijze is niet consequent genoeg, de afstand tot de sector is niet groot genoeg. De aanbevelingen die worden gedaan om dat te verhelpen zijn logisch. Ik zou nog een stap verder willen gaan. Als repressie je doel is, dan zal een sector gebonden borgingssysteem in effectiviteit in effectiviteit zeer waarschijnlijk achterlopen bij een puur publiek toezichtsysteem. Het ‘overlaten aan de sector’ van toezichtfuncties kent een hoge prijs. Het is uiteindelijk minder effectief en maakt de sector in feite minder eigenaar van de eigen kwaliteit, want de betrokken personen en bedrijven hebben het meestal wel door als de sectororganisatie iets doet wat eigenlijk een overheidstaak is. Dan is het ook niet ‘eigen’ meer. Niet doen dus. Laat repressief en ‘deductief’ (vanuit de regel naar de situatie) over aan publieke partijen. In het geval van de NVWA zou dat een grote organisatie nog groter maken.  Bij voldoende fondsen en vermogen tot integraal afwegen, zouden private partijen alsnog aan bod kunnen komen, maar omdat de commissie nog geen knikje in de richting van de oude productschappen wil geven, loopt die weg voorlopig dood.

Maar in welke mate moet repressie je doel zijn? Was preventie als doel van de private borging niet beter geweest? Je zou kunnen zeggen dat als de mensen in de sector zelf hun eigen vorm van certificering serieus hadden genomen, het malafide bedrijf ‘Chickfriend’ lang niet zo’n schade had kunnen doen. Dat is niet gebeurd en is de basis voor het feitelijk neerleggen van de verantwoordelijkheid voor de fipronilaffaire bij de pluimveehouders zelf. Bij hen komen de gevolgen werkelijk neer, al wordt dat niet zo benoemd door de commissie. Op dit punt treft de commissie echt een verwijt. De pluimveehouders zijn in dit rapport objecten van toezicht en niets meer. Het zijn zeker geen mensen. Oh nee, dat is niet helemaal waar. Ergens is een verslag van een ‘chaotisch verlopen vergadering’ en uit de omschrijving valt op te maken dat een persoon zijn stem had verheft die zelf getroffen was door de affaire. Het lijkt duidelijk uit de beschrijving dat dit natuurlijk niet kan. Zo’n persoon mag niet aanwezig zijn. Dat is tegen het systeem.

En wat als het denken vanuit het systeem tijdig ter zijde was gesteld en er bijvoorbeeld op de voortreffelijk wijze van het NRC was gevolgd wat er feitelijk aan de hand was in de gesloten gemeenschap van familiebedrijven in de pluimveesector? Welnu, dan was wellicht echt gezien dat er een zeer serieus probleem was met de mijt in de vacht van de kippen en het onvoldoende werkzaam zijn van wel geaccepteerde stoffen. Het maakte de betrokken boeren zeer begrijpelijk wanhopig. Daarbij ging het niet alleen om economische motieven, maar ook om dierenleed. Dat probleem is niet serieus genomen – en wordt nog steeds niet serieus genomen, gelet op het feit dat de commissie er in haar analyses geen woord aan weet te weiden, laat staan begrip te tonen. Dat zou best wel eens met aansprakelijkheidskwesties te maken kunnen hebben, maar dan zitten wij nu wel met een onvolkomen rapport waarvan de aanbevelingen te eenzijdig zijn geformuleerd. Ook al werkt het systeem zo dadelijk weer; de directe oorzaak van het probleem is daarmee nog niet weggenomen.

En het gaat verder. Nergens in de reconstructie wordt aannemelijk gemaakt waarom individuele pluimveehouder niet de moeite heeft genomen de certificaten inhoudelijk te lezen voordat al dan niet een bestelling bij het malafide bedrijf Chickfriend werd gedaan. Want dat is de veronderstelling die de commissie en talloze aanhangers van de ‘empirische school’ in kwaliteitszorg met elkaar delen: dat wat wordt opgeschreven, ook wordt gelezen en dus tot conform gedrag leidt.

Hierin speelt een reconstructie van het NRC weer een waardevolle rol (niet geciteerd in het rapport, wel in een blog van deze auteur). Uit die reconstructie komt een gedragsbeschrijving naar boven die de wetsovertreding niet goedmaakt, maar wel begrijpelijk maakt. Het gaat om boeren met een urgent gevoeld probleem. Zij worden geholpen door een bedrijf waar het logo van het eigen kwaliteitslabel op de auto staat en waarvan de eigenaren behoren tot de lokale familiekring en dus hun eigen taal spreken. Dat is heel krachtig. Dan nog blijft het een onwaarschijnlijk verhaal waar de twee eigenaren mee komen. Toch zie je dat zelfs de boeren die er niet in trapten omdat ‘het te mooi was om waar te zijn’ niet tot die conclusie komen omdat ze nog eens in de certificering zijn gedoken, maar omdat ze hun intuïtie gebruiken.

Het kennisnemen van certificaten als borging tegen normoverschrijving is, zoals eigenlijk iedereen kan weten die nu deze tekst leest zonder eerst alle algemene voorwaarden van de browserleverancier volledig te hebben gelezen, bovenal een ‘nuttige fictie’. Als de druk te groot wordt, wordt deze ter zijde geschoven en is geloof in symbolen, relaties en verhalen veel krachtiger. Dat geldt zeker op het terrein van de voedselketen, waar alle partijen het over eens zijn dat het certificeringsveld vol, onoverzichtelijk en complex is. Kortom; ik denk dat we die ‘domme’ boeren net zozeer moeten snappen als dat we de ‘domme’ kijkers moeten snappen die na de uitzending van 1 augustus in paniek raakten voordat we ons systeem verder gaan vervolmaken.

Het is in ieder geval jammer dat in het rapport niet staat beschreven met wie allemaal is gesproken. Nu krijg je de indruk dat over de boeren is gesproken en niet met de boeren. Dan kan je wachten op het verwijt van Randstedelijke arrogantie.

Dit alles vraagt om een meer preventieve benadering van de vraag hoe een volgende fipronilaffaire kan worden voorkomen en welke rol private borging speelt. Nogmaals, de commissie zet vooral in op het volledig en integraal maken van de systemen en het is de vraag of dat voldoende is. Daarbij is het overigens opvallend dat het rapport van de commissie niet inspeelt op een belangrijke ontwikkeling in de sfeer van private borging van de voedselketen. De publicatie van het rapport valt zo goed als samen met de publicatie van de nieuwe ISO 22000 norm voor voedselveiligheid, als opvolger van de HACCP-norm (zie ook FSSC 22000). (). Het ligt voor de hand dat hieruit een ‘High Level Structure’ gevormd gaat worden voor de verschillende voedselketens die in belangrijke mate kan voldoen aan de aanbevelingen van de commissie – of voor een middel dat erger is dan de kwaal. Het is echt een gemiste kans dat de commissie niet meer begrip toont voor de mensen in het werkveld en meer had gezegd over manieren waarop de boeren zelf voor borging kunnen gaan zorgen. Gebeurt dat namelijk niet, dan ligt verdere robotisering van de eierketen voor de hand en dat is het soort ‘rationalisering’ waarvan we uiteindelijk allemaal armer worden en in ieder geval op gespannen voet staat met de wens om tot meer diervriendelijke bedrijfsvoering te komen. Dat risico wordt niet benoemd.

3.         Waarom werkte de ‘publieke borging’ niet?

Bij de analyse van de publieke borging is de commissie duidelijk op steviger grond. De analyse is scherp, de aanbevelingen zijn strak. Niet om daar afbreuk aan te doen, maar om nog wat waarschuwingen mee te geven die de commissie niet geeft, het volgende.

Voorzienbaar is bijvoorbeeld dat de aanbevelingen tot weer een nieuwe reorganisatie gaan leiden en dat is nu juist onderdeel van het probleem. Het stapelen van reorganisatie op reorganisatie heeft ook altijd een achterliggende oorzaak: botsende beleidsprioriteiten. De aanbeveling om bijvoorbeeld voedselveiligheid nog maar bij één departement te beleggen is dan een recept voor meer falen als er geen kader is om die botsende belangen in te wegen. En het gaat verder.

Het rapport beschrijft hoe de NVWA de fipronilaffaire heel consequent bleef beschrijven als een ‘incident’ en niet als een ‘crisis’. De status van een crisis heeft een praktisch gevolgd: dan moet er opgeschaald worden naar departementaal niveau. Terecht zegt de commissie dat te laat is opgeschaald, maar ik vraag mij af of de discussie wel volledig is weergegeven. Op nogal wat departementen is te merken dat de inhoudelijke deskundigheid zover is weggeorganiseerd dat het departement eigenlijk niet meer kan worden gezien als een volwaardige, laat staan superieure, gesprekspartner voor een inspectie. Ik weet werkelijk niet in hoeverre dit ook in deze casus speelt, maar eigenlijk moet je in dit soort situaties niet alleen over een overzicht beschikken van de bevoegdheden, maar ook over de feitelijk voorhanden kennis.

Sorry, nog twee punten voordat ik bij de slotvraag kom.

Voorgesteld wordt om de NCAE, een semi-private organisatie met waarschijnlijk bijbehorende cultuur, toe te voegen aan de NVWA, een organisatie die worstelt met het verwerken van vele culturen. Gelet op de al bestaande verweving van taken niet zeker niet onlogische, maar het is alsof je iemand die moet vermageren aanbeveelt om te vermageren door nog een koekje te nemen. Het is overigens wel heel leerzaam om op bijvoorbeeld bladzijde 37 de complexiteit van het veld op je in te laten werken – en dan te beseffen dat het nog complexer wordt dan al wordt beschreven.

Met veel instemming heb ik de waarschuwing van de commissie gelezen over de problemen met privacy en persoonsgegevens. Het spitst zich toe op het gebruik van gegevens in de strafrechtketen, wat voor zeer schadelijke vertragingseffecten zorgt, maar terecht waarschuwt de commissie voor de bredere gevolgen door de invoering van de AVG, de Algemene verordening gegevensbescherming. Dit moet snel en direct worden aangepakt op het niveau waar dit hoort: op Europees niveau, met de Autoriteit Persoonsgegevens als uitvoerder.

4.         Gaat die focus op voedselveiligheid wel helpen?

Wat brengt tot het laatste punt: de absolute prioriteit die volgens de commissie aan veiligheid moet worden gegeven. Het rapport toont heel helder aan dat die prioriteit er in de onderzochte periode niet is geweest en dan verbaast de conclusie niet. Het heeft zelfs iets dat clichématigs. Maar toch moet hier opgepast worden dat een dergelijke absolute prioriteit op termijn als middel niet erger wordt dan de kwaal. Er zijn andere sectoren waar veiligheid de absolute prioriteit heeft en dat nog waargemaakt wordt ook. Geacht kan worden aan sectoren als de luchtvaart en de nucleaire industrie. Daar zie je een technocratische elite met een kennismonopolie ontstaan. Met een beroep op veiligheid worden dan alle andere afwegingen, inclusief economische en milieutechnische overwegingen, tegengehouden en is het effect verstarring. Nu kan je zeggen dat de voedselsector nog ver van dit risico af is, maar als ik kijk naar de ontwikkeling op het gebied van voedselnormen als de FSC, dan kan het wel eens heel snel gaan, inclusief een kennismonopolie van degenen die het certificeringsschema weten te hanteren of de positie hebben om input te leveren voor de handhavingsnormen van de overheid. Mijn mening is juist dat van nu af aan er echt aan integrale risicoweging wordt gedaan, met daarbinnen dan weer veel aandacht voor de gedragskant van alles wat ver van de werkpraktijk wordt afgesproken. En er moet eindelijk serieus werk worden gemaakt van het probleem van de mijt.

Peter Noordhoek

Peter Noordhoek doet onderzoek over de impact van kwaliteits- en toezichtbenaderingen op het niveau van sectoren en hun verenigingen.

Mr. W. Sorgdrager – Commissie onderzoek fipronil in eieren. Rapportage juni 2018.

SGS News – ISO updates its food safety management system standard ISO 22000. June 2018.

P. Noordhoek – Certificeringsnaiviteit. Blog 13 augustus 2017 https://www.northedge.nl/2017/08/13/certificeringsnaiviteit/Mr. W. Sorgdrager – Commissie onderzoek fipronil in eieren. Rapportage juni 2018.

Internal party democracy and the power of resolutions

Foto: Dirk Hol

Last Monday my phone flooded with messages concerning a certain congress ‘resolution’ about the Hungarian party Fidesz. As leader of the delegation of the CDA South-Holland I was in charge of the team that produced that resolution. On Saturday the resolution was passed at the congress by the members of the CDA. That Monday an angry letter had been sent by the vice-president of Fidesz to our party leader, calling the resolution ‘a lie’ (9 times) and suspending contacts with the CDA until apologies were made. Our party chairman wrote in response a letter back, explaining that the resolution was the outcome of members speaking their mind and that they were bound to respect internal party democracy. She was right, as I hope to show here, but chances are that she will not be believed. From my trainings across Europe I know that an internal party democracy like ours is not everywhere to be found or understood. Even the weekend before the congress I was explaining to a group of young talents what I was so busy with, and they listened with wonderment. I thought I should write a blog about it, not imagining I would write it so soon. The Fidesz resolution is a-typical, in the sense that it has a message beyond the Dutch setting. For that reason, a resolution literally closer to home is also discussed. 

What is a resolution and why is it effective?

A resolution is a short statement by members of our party advising the party leadership, most of our representatives in the parliaments, on which course to take. It is not binding, in contrast to the only other instrument the members have, the amendments. Amendments are changes to the electoral platform of the part. These are binding. In practice both are binding – I cannot remember a single resolution that was willingly and explicitly put aside by the CDA party leadership, but it also must be said that it is usual that we keep on arguing till we somehow agree. And there are good reasons for that.

Take the resolutions that we put in as South-Holland. This is time we had four resolutions in play (out of 19). Two is usual for us, but this was a congress without an election to look forward to and quite a lot of unresolved issues. We had one resolution on a tax issue. Highly controversial, but I save you the details (even so, it was accepted). We had two resolutions on Europe. One on the issue of ‘Spitzenkandidaten’: we want to see the candidates before our representatives vote on them (accepted too). Then we had the resolution ‘on the rights and duties of EPP parties (‘Fidesz’), more on this later. But I want you to pay some attention first to a resolution that is very particular to our province and a few others.

Why we take it seriously

It concerns the for the reader probably esoteric issue of ‘peat soil subsidence’. Due to the heating of the earth the level of water is rising everywhere. Most of our province is beneath sea level, so in order to prevent flooding we are spending billions of euros to raise the dikes high enough. We have a big program for that. However, at the same time we have the problem of our soil getting lower. My city for instance, Gouda, sinks every year 1 to 3 centimeter or so, and its at places already something like 5 meters below sea level. There is no program for that yet, as it is such a slow process and we have so many other priorities (and it will cost so much: 16-22 billion is a rough estimate). Yet, we think we can wait no longer. Because of this, we have formulated a resolution pressuring our representative to push for pilots and priorities. And here’s the thing: the parliamentarian responsible for this in the CDA does not see this as censorship. We know he cares for the issue. Yet he can use the resolution in his negotiations with the other parties: ‘Look, I have this resolution that I cannot ignore. It’s not just my opinion. It’s what my party members think of it as well.’ In this way more than half of all resolutions were there to speed things up. The rest were there to point another direction then where the party leadership seems to be going or were just new issues.

In this way, resolutions may both help and hinder the party leadership. I am totally convinced our representatives are true democrats, but as a member I also know they have reason enough to take resolutions seriously.

Leading the debate

A resolution can be part of the deliberations of our congress when it is supported by at least 25 members or a recognized body of the party. Our delegation of South-Holland represents the largest part of the membership, but there are many other bodies that can let their voice be heard. The CDJA, the youth organization, makes even more noise than South-Holland (there is no better way to learn national politics than by trying your hand at a resolution, is my conviction). Together we usually lead the debate, but there are always other with their themes and priorities. Voting by the way, takes place on a ‘one (wo)man, one vote’ base. We lead by example and some use of WhatsApp, but cannot bind anyone to our voting preference.

To speak out

Now back to the question ‘What is a resolution?’. You see, there is a little technique involved in order to get a resolution accepted. The fourth resolution, on ‘Fidesz, will be used here as an example and I will continue to do so, if only for the reason that it shows the mechanics of how a resolution goes through congress.

A classic resolution consists of three main parts:

I – a ‘statements of observations’ (literally: ‘Constateert dat’ = ‘Observes the following’). In three to five lines, factual statements are given on the issue. In the case of the Fidesz resolution, we bound ourselves strictly to reports and statements made by recognized institutes like the OSCE and the European Parliament and included a line on the fact that Fidesz was a respected member of the EPP.

II – a ‘statement of considerations’ (literally: ‘Overweegt dat’ = ‘Considers the following’). In a limited number of lines, observations are connected to the political context and a need for action is described. In the case of Fidesz we again stayed very close to authorative statements by others, mostly that of the EPP itself.

III – a so-called ‘dictum’ (literally: ‘Spreekt uit’ = ‘Speaks out’). The dictum is the most important part of the resolution and usually the shortest. It states what is asked from the party leadership. In the case of the ‘peat soil subsidence’ we basically asked for action and money. In the case of Fidesz, we pressed the need for a monitored ‘dialogue’, comparable to what has been done in other instances. As we do not believe in dialogue as a goal in itself (something that goes for other issues just as well), we stated that this dialogue at some time must lead to a conclusion about the membership of Fidesz in EPP. As logical as this may sound to outsiders, it does go a step further then until now. A columnist from the Dutch national daily ‘De Volkskrant’ thought this was just too soft: we should have kicked Fidesz out long ago and not be so pussy footed about it (Makes me wonder how they deal with internal conflict at her newspaper). Diplomats may think our text was not careful enough: why should the CDA go further then already internally debated? But you have to remember that this is a resolution formulated in such a way that above all it can convince the members of the CDA. I will get back to that, but first more on the road a resolution must travel to get accepted.

The order of the day

Every resolution, after the threefold argumentation, ends with the same sentence: ‘And goes back to the order of the day’. Nobody ever asks what that ‘order of the day’ is, but it sounds good. More interesting is what happens before we go back to the order of the day. This is what happened with the Fidesz resolution.

We have a custom of having a brainstorm some two months before the congress. This produces a long list of possible resolutions. In South-Holland we use two questions to weigh which resolution we should select to defend before congress.

The first question: is the resolution relevant enough? This question is easily answered when the subject concerns our own province, like the resolution on soil subsidence, but can be harder to answer when it is something close to the news of the day. We prefer resolutions that are relevant to the course the party is taking above resolutions that are comments on the political problems of the day. We usually leave that to the media, but it is nice when you can do both.

The second question: does the resolution lead to debate? This question is important because we believe the CDA should be a party of debate. As a party we have had our periods when every debate was stifled because of political ‘management’ considerations. In the end that is deadly for a political party.

This second question also comes with a clear benchmark: if possible the resolution should make it to the afternoon, to the main stage. There is always a session in the morning of the congress in which all resolutions will be discussed, alongside other sessions. In order not to make the congress too long, the only resolutions that will move on to the plenary debate in the afternoon are those that have had a so-called ‘negative pre-advice’ from the party presidency. So, only those resolutions pass that are contentious. It usually means that these are the resolutions that lead to meaningful and often exciting debate. It is nice to bring in this kind of resolution. We don’t have many (boring) speeches to listen to at our congresses. Instead we have fast debates where the ones who have written the resolution get first and last speaking rights on stage, and the party leadership – party leader and party chairman are together on stage – get the opportunity to give their view on the resolutions and then the members can have their say: each for a maximum of 30 seconds. And this is important, when you are thinking of doing the same in your party: every member is equal. Even if, say, you are the minister for employment, you cannot speak as minister. You announce yourself as ‘the member of Gouda’, or wherever you live. After each resolution has been discussed in this way, a vote is taken on a ‘one man, one vote’ base. later the party will tells us what has come of the different resolutions. That’s internal democracy.

Judging a resolution

At least in theory. But how to deal in practice with a resolution censoring a fellow party within the EPP?

When Bart van Horck, a valued member of our delegation and with great credentials when it comes to European affairs, came up with his concept for a resolution ‘The rights and duties of Fidesz as EPP-party’, my first reaction was downright critical. I will not deny that part of me did not want a confrontation with my Hungarian friends, but I pushed that aside for more elementary considerations. Could the two questions be answered in a positive way? On first appearance a resolution on Fidesz is of relevance to us, as we want to speak out on Europe on the way to the European election and the behavior of the Fidesz leadership is not only contentious to us, but also detrimental to our CDA position. Yet, not too long ago we had a resolution on the Visigrad countries, which had been supported by congress, but did nothing in terms of furthering the debate. This also touched the second question of debating power. The resolution on the Visigrad countries had not reached the main stage, as everyone agreed with it, including the political leadership. Would not the same happen with this resolution? I also had technical objection: the resolution was too long. It appeared to be more a policy paper than a resolution. A good resolution is only one page long, with an 11-point size letter. This one was more than 2,5 pages long. You just cannot count on the members to read all of the resolutions, let alone long ones (the same goes for blogs like these, I know. Sorry).

With a bit of a sigh – also because I received it in the middle of a holiday – I set about reviewing and editing it. There was much to edit, but during the editing process I also came to appreciate the resolution more. In its consistent build-up of authoritive statements and documents it provides an inescapable image of a party sliding away from its own original values and those of the European family of parties to which Fidesz rightfully belonged. Even so, it stays away from a too easy condemnation. Instead it provides a monitoring process that was already used on another occasion. The only necessity is for Fidesz is to take a ‘dialogue’ seriously. That can never be too much to ask.

In editing, I emphasized the Christian democratic roots of Fidesz, of which they are rightfully proud. I also suggested taking out any reference to the university founded by Soros, as just mentioning the name seems has such symbolic significance that it effectively ends all dialogue. At the same time, I came to share Bart’s conclusion that it is only through specific resolutions like these that we can hope to get further in the debate with Fidesz and to resolve it one way or the other.

Getting a resolution accepted

Writing and editing a resolution is one thing, getting it accepted another. After getting the consent of our own chairman and small board of South-Holland for the resolution just before the deadline, we then had to wait for the reaction of the national board. Would they support it or not? They would but did seek changes to the text. In particular they would rather have us delete the last part of the dictum, formulating the consequence for not taking part in the dialogue. We considered it seriously but thought it too much a watering down of the resolution. To me it was clear that without any mentioning of consequences the members would not take it seriously and it certainly would not lead to any debate worth mentioning. In terms of our own criteria, the resolution would fail the test. Even so, the resolution got accepted by the party leadership. Glad of this, I turned my attention to more contentious resolutions.

After this, there was another hurdle to take: the ‘special general assembly’ of South-Holland. It prepares for the congress, also deciding what position to take on the resolutions that are not ours. As far as the resolution on Fidesz was concerned, there was a bit more debate than anticipated. It was in favor of Fidesz, coming from admiration for its migration policy, including a wall. When we explained that this resolution did not mention the wall but focused on the way Fidesz deals with its own constitution, there was only agreement.

Finally, the congress itself. More particular: the morning session on resolutions. Again, there was more debate than anticipated, but this time coming from the other side; any sign of sympathy for the position Fidesz was taking was censored by the members (leading me to think we think that on balance we had it about right concerning our members). As the resolution stood at ‘acceptance’ and the members wanted, if anything, only a stronger resolution, it stood as it was. It would not be debated in the main session in the afternoon. Only the dictum would be read by that day’s chairman, with the proposal to ‘adopt it by acclamation’. An applause came, and so it was adopted.

Not the end of it: afterword

I am always glad when a resolution by us gets adopted, as were all other resolutions by South-Holland that day. Especially the resolution on ‘peat soil subsidence’ led to a further sharpening of the resolution in the morning session. Yet, I was disappointed in the sense that we had not been capable to have any debate in the afternoon. Especially the brazen youth, with resolutions that aimed straight for our position in the government, had more success in that respect (as dangerous this is otherwise). We had emotional debates on a number of issues. Internal democracy within our party is not pure democracy, with you have sharp checks and balances. You meet each other all the time. You talk, you persuade. But on the whole we respect each other’s role and responsibility when it comes to de bating resolutions. So we had another congress where emotions ran high and a debate led to another outcome than expected. But this I just fine, as long as we keep on respecting each other.

With regard to the Fidesz resolution, knowing it had not survived the morning, I thought that was the end of that. Yet early Monday morning there was a text in a newsletter by Politico and soon other media picked it up. Anyway, I got a few calls and explained in short how we work, just like I do now (though longer). And that is it. Though two things bug me.

The first thing is this: why bother? The resolution was accepted in the morning, there was no debate. Ignoring it would have been the logical course of action if you wanted the resolution to go away. Then why the sharp letter by Fidesz? Maybe someone misjudged the way our internal democracy works.

The second thing is: why get angry at all? I did not let this play a role in my decision to have the resolution, but I do have my own feelings about the issue and here I express them freely.

I have been coming to Hungary now for about ten years or so. I don’t think I have ever even spoken with someone who is a socialist or ‘liberal’. I have come to know them as hardworking, very competent people. This compliment includes the Hungarians in Rumania. I also respect that Orban and the people from Fidesz took back control of the country after the socialists made a true mess of it. The people from Fidesz did this by getting in touch with the local communities and expressing their needs. That’s how it should be done. I do have serious doubts about the migration policy, including the wall, because I think it only delays things and is too unilateral in a legal sense. Even so, I respect that Orban took action when others stayed lame.

Yet I really, really do not understand this drift towards authoritarian rule. Democracy is not only about voting rights, it is so much more and here it seems to go wrong according to all authoritive reports. And even if I were to have doubts about these reports, which I cannot, there is this: in Budapest I went to the ‘House of Horrors’. It depicts the Communist regime in Hungary in all its gruesome details. That made a deep impression on me. The idea that Hungary, like other Central Eastern European countries, is in all appearances embracing communist style leadership is abhorrent to me. In a way I think I understand it: many countries are young democracies and in times of crisis and disillusionment the temptation is there to fall back on the old strongman culture of before. But understanding it is not the same as accepting it, if only in memory of Christian democrats like Wim van Velzen who worked so hard to get Hungary back in the European family. It has to be fought in the only way that history shows will last: through democratic dialogue. If there has to come an answer to an outcome of internal democratic debate, do not show weakness by Trumpian accusations of lies, but engage in true democratic debate. Argue, disagree, try to convince, and most of all: show us all what you are really made of.

Peter Noordhoek

Meer dan maat-politiek: wat lessen uit de raadsverkiezingen 2018

Gouda, 21 maart 2018

In de aanloop van de raadsverkiezingen leefde onder zowel peilers als experts de verwachting dat de VVD de grootste landelijke partij geworden. Dat is net niet gebeurd (CDA 13,5 en VVD 13,3%). Deze blog spitst zich toe op die 0,2% verschil en op de gevolgen van het feit dat als we partijen als VVD en CDA bij elkaar optellen, ze al 5% achter blijven bij de 32,8% van de stemmen die naar lokale partijen gingen. Met andere woorden; laat iedereen de lokale partijen nu eindelijk eens serieus gaan nemen, in hun kracht en in hun zwakte. Zie de grotere ontwikkeling daarachter. En doe er concreet wat aan. Zelf kom ik al met een voorstel.

VVD: stille winnaar

De VVD kwam met haar lijsttrekker, Mark Rutte. Ondersteund door een mediabudget dat een veelvoud is van andere partijen, kwamen de partij met die ene persoon en in de kern één woord: doen. Deze sterke-troef-campagne maakte in de ogen van het ‘Politiek Panel’ van NRC, tot ‘stille winnaar’ van de verkiezingen: hij zit nu steviger in het zadel dan daarvoor. In de ogen van anderen was dit de campagne die de partij het op één na slechtste resultaat opleverde van de laatste halve eeuw. Zelf vond ik het de campagne van een tennisspeler die bij de baseline ballen op staat te vangen, met één oog op de tennis-banen naast hem. Bloedeloos knap.

CDA: de gorilla die niet gezien werd

Het CDA bleef de grootste, met uiteindelijk ook veruit de meeste raadszetels van alle partijen. Het is een uitslag met plussen (Eindhoven, maar ook mijn eigen Gouda, zie het plaatje), minnen (Rotterdam) en wilde stabiliteit (Den Haag). Per saldo was er voor de partij sprake van weinig verschuiving ten opzichte van 2014. Al met al een uitslag die kennelijk moeilijk te duiden is. Zowel voor- als na de raadsverkiezingen is er eigenlijk opmerkelijk weinig over de prestaties van het CDA gezegd en geschreven. Twee dagen voor de verkiezingen werd in NRC een media-analyse gepresenteerd over wie de meeste media-aandacht had gegenereerd. Op de social media na, haalde het CDA op alle kanalen de hoogste of bijna-hoogste aanwezigheid en toch werd in datzelfde artikel het CDA slechts terloops aangehaald.

Toch wel merkwaardig. Kent u die oefening waarin u wordt gevraagd goed op te letten en te tellen hoe vaak een bal heen en weer gaat tussen een groep mensen. En dat dan na afloop blijkt dat u de gorilla die dwars door het beeld liep niet hebt opgemerkt? Zoiets. Degene die de gorilla wel zag was Özcan Akyol bij DWDD. De dag na de verkiezingen zei hij in de nabeschouwing dat hem het CDA was opgevallen. Sommige partijen vinden zichzelf steeds opnieuw uit, maar bij deze partij zou er nauwelijks sprake van politieke vernieuwing zijn, op een tikkeltje naar rechts na. Ze zijn gewoon trouw gebleven aan zichzelf. Samengevat: een solide partij met een best goede uitslag. Waarna de discussie weer snel over andere partijen ging.

Rol van het landelijk

Akyol maakt een goed punt. Net als de Christen Unie heeft het CDA nauwelijks geleden onder regeringsdeelname. Maar dat is eerder een teken van de beperkte invloed van de landelijke politiek op de uitslag, dan een echte verklaring van het grote verschil in uitslagen. Voor een beter beeld moet dan ook naar het lokale beeld worden gekeken, juist door de grote verschillen die dan tevoorschijn komen. Kijk bijvoorbeeld naar het beeld van de 100.000+ gemeentes. Landelijk is er gemiddeld sprake van een minnetje van minder dan een half procent, maar de uitschieters gaan richting 50% in de plus en 30% in de min. Een manier om dat te verklaren is door het CDA serieus te beschouwen als eerder een lokale dan als een landelijke partij en dan vooral als het redelijk alternatief van de puur lokale partijen. Voor een groot deel praten we namelijk over dezelfde kiezers. Dan kunnen campagnes namelijk echt het verschil maken, naast uiteraard het oordeel over de partij in coalitie of oppositie. De rol van ‘het landelijke’ is dan niet onbetekenend, maar eerder randvoorwaardelijk. En dat ging dit keer prima. Na een valse start in januari – het advies over het aangaan van coalities met de PVV – is de campagne echt ten dienste gesteld aan de lokale campagnes, met het spotje over mijn fractie/jouw fractie als communicatief hoogtepunt. En omdat er geen Turkije crisis of zoiets aan de hand was en landelijke partijen en media zich bij de debatten verloren in zeurderige identiteitsdiscussies, creëerde dat als het ware ruimte voor de lokale afdelingen om gehoord te worden. Dan is het leuk campagnevoeren, kan ik uit de eerste hand vertellen. Hoe koud het ook was.

Naar een nieuwe Morele Meerderheid?

Dus het ging nog niet zo slecht. Toch blijft het spannend. De beweging van de kiezers is nog niet af en daar wil ik wat dieper dan wellicht gebruikelijk op in gaan.

In een voor mijn partij positief scenario, komt het midden weer terug. Voor mijn partij is er dan de opgave om een dikke plus te zetten op dat beeld van een solide partij waar je in spannende tijden op kunt bouwen. In dat scenario – en dat zie je nu ook al wel gebeuren – profiteren we dan van de bredere ploeg die er nu is en worden we dan ook bij landelijke verkiezingen veel meer zichtbaar dan we de laatste keer konden zijn. Wat ik dan oprecht hoop, is dat we dan leidend worden in wat Matthew Dowd in Amerika de ‘New Moral Majority’ noemt. Dat zijn juist niet Trump en zijn populistische aanhang, maar degenen die geloven in integriteit, diversiteit, een deugdelijke overheid, veiligheid en een rechtvaardige samenleving. Ook in Nederland zou zich zo’n Morele Meerderheid op kunnen bouwen en soms denk ik dat dit al aan het gebeuren is – maar liefst zonder landelijke politiek erbij. Een middenpartij als het CDA zou daar wel een drager voor moeten worden.

Van Janmaat naar maat-politiek

In een negatief scenario, worden wij samen met de andere middenpartijen verder vergruisd tot een deelpartij voor deelthema’s, heel erg persoonsgericht en nauwelijks ideologisch geladen. Ik zie dan een soort beweging van Janmaat naar maat-politiek voor me. Janmaat heeft, alweer bijna veertig jaar geleden de beweging richting een rechts populisme in gang gezet. Die beweging gaat nog steeds door – hoewel het woordgebruik wat ingewikkelder dreigt te worden – en heeft ook de andere partijen voor een deel meegenomen, inclusief de mijne. Ideologisch gezien gaat de wal het schip nu keren en zie je dat het fenomeen zich beperkt tot zo’n 20% van het electoraat. Maar er is iets anders aan de hand dat fundamenteler is en dat ook de voedingsbodem is voor veel lokale partijen (die met hun percentage van nu 32% daar dus fors boven zitten). De ontwikkeling gaat in de richting van ‘maat-politiek’: de moderne kiezer wil zijn politiek precies op zijn of haar maat en anders stemt hij tegen. Rosanne Hertzberger koppelde dit fenomeen dit weekend aan de milennials, maar dat is mij net te makkelijk. Als kiezer vertonen we allemaal hetzelfde gedrag dat we als kopers op het internet vertonen: we willen uit een breed aanbod kunnen kiezen wat elk van ons past en als het niet goed is zenden we het terug waar het vandaan komt. Dat is best een probleem, want in de moderne politiek past niets in een keer en kan je ook niets terugsturen. In die constellatie hebben lokale partijen, vooral als ze nieuw zijn, een duidelijk voordeel. Geen Morele Meerderheid, maar een Makkelijke Meerderheid, waarbij je als kiezer zonder de pijn van een verbroken loyaliteit je stem de ene keer op de ene en dan weer op de andere lokale partij geven. Of wegblijven.

Volwassen lokale partijen

Ik weet nog niet of de Morele Meerderheid dan wel de makkelijke Meerderheid leidend wordt, maar één ding weet ik wel: lokale partijen bepalen nu voor een groot deel de landelijke politiek en zullen dat voor de voorzienbare termijn blijven doen. Daar moet beter over worden nagedacht dan tot nu toe is gedaan. Nog steeds proef ik teveel bij ‘oude’ partijen de sfeer van ‘dat zijn afsplitsingen van ons, van mensen die het bij ons niet meer redden’. Dat kan nog steeds voorkomen, maar wie alleen zo kijkt, ziet niet dat veel lokale partijen volwassen zijn geworden, met leden – ook jonge – die direct bij lokale partijen zijn binnengekomen en nooit een ander soort partij hebben meegemaakt. Was het in het verleden zo dat lokale partijen opkwamen en weer verdwenen, samen met de oprichters, nu zal je steeds meer (jong) volwassen partijen krijgen, die ook nog eens zo groot kunnen zijn dat ze de afdelingen van ‘oude’ partijen in de schaduw stellen, zoals Leefbaar in Rotterdam zowel eerder de PvdA en nu de PVV in de schaduw stelt. Maar het blijft kwetsbaar: in mijn gemeente Gouda kachelde de lokale partij achteruit, niet in het minst door eigen toedoen.

Een collectief probleem

Wie alleen naar andere (lokale) partijen kijkt als concurrenten waarmee je maar een ding doet – verslaan! – kan hier weinig met die partijen. Wie even verder kijkt, vermoedt dat met de lieve kiezers van nu, we in een situatie terecht komen van oude partijen die om de haverklap in een doos worden gepropt om weer naar Den Haag terug te worden gestuurd en lokale partijen wel even leuk vinden, maar echt niet veel langer dan vier jaar. Dit is een collectief probleem voor ons democratisch systeem. En daarom kunnen we de lokale partijen niet aan de lokale partijen overlaten.

Na de grote woorden over Meerderheden, heb ik daarom nu een klein pragmatisch voorstel. Dat gaat niet over de politieke inhoud. Elke partij moet die zelf maken. Dat gaat wel over de vraag welke eisen je mag stellen aan een moderne partij wil deze de onvermijdelijke problemen kunnen overkomen. Lokale politiek is, zoals de Raad voor het Openbaar Bestuur heeft gesteld, ‘Niet alleen een ambt, ook een ambacht’. Denk aan een goed integriteitsbeleid, inclusief mogelijkheden voor bemiddeling en tuchtrecht. Denk aan HRM-faciliteiten zoals opleidingen of aan een professionele administratie, AVG-proof en met accountant. Dat moet er allemaal zijn. Het wordt tijd om daar nu werk van te gaan maken, maar dan wel op een wat andere manier dan tot nu toe voorzien. Echter, vanuit mijn oude contacten met lokale partijen weet ik dat samenwerking tussen die partijen in de praktijk een drama is en blijft. Om die reden zou ik voor willen stellen dat de landelijke partijen, het CDA voorop, elk een facilitaire organisatie gaan inrichten waar lokale partijen zich bij kunnen aansluiten. Niet meer, maar ook niet minder. Aansluiten bij een partij met een per saldo goede reputatie als het om integriteit en bestuurlijk vermogen gaat, betekent dan voldoen aan de integriteitseisen van die partij, veel trainen en de tijdige blik van een accountant. Daar tegenover staat dan een kwaliteitsgarantie en een groter lerend vermogen. Iedereen kan er beter van worden. Alleen: geen inhoudelijke aansturing, geen merkverbinding en geen toegang tot de organen van de landelijke partij en vol de concurrentie in, zeker als het campagnetijd is. Per saldo wel een constructie waarbij je als kiezer, welke spaanders er ook door de lucht vliegen, weet dat het ook zonder onnodige schandalen en gedoe kan. CDA: wacht niet tot de andere partijen zover zijn, ga zo’n faciliteit aanbieden.

Er start weer een nieuwe raadsperiode. Dat is goed, maar toch: laten we niet teveel op de oude voet doorgaan.

Peter Noordhoek

Bronnen:

DWDD – Terugblik raadsverkiezingen. DWDD 22-3-2018, vanaf 6:49

Reinier Kist, VVD en D66 winnen de race om de media-aandacht. NRC 19-3-2018

Matthew Dowd, tweet, 25-3-2018

Rosanne Hertzberger, Bij de geringste twijfel stem je tegen. NRC 24-3-2018

Raad voor het Openbaar Bestuur, ‘Niet alleen een ambt, ook een ambacht’. ROB, 1-11-2016

Peer Review op inductieve wijze

 

Met enige regelmaat begint een sector, branche of beroepsorganisatie met ‘intercollegiale toetsing’, ook wel peer review genoemd. Het is zo’n term waarvan iedereen met een beroepsachtergrond na wat nadenken zegt, ‘ik snap het: collega’s die bij elkaar langskomen.’ Dat is de start, inderdaad. Maar daarna slaat de verwarring toe. Want wat komen die collega’s doen? Controleren, coachen, of iets anders? Is het een vorm van certificering of juist niet? Hier worden kort wat ontwikkelingen rondom peer review op een rij gezet en wordt ook een standpunt ingenomen: peer review moet zich verder ontwikkelen van een deductieve naar een meer inductieve benadering. En zeker verder gaan dan een expert benadering. Hoe zegt u? Lees maar.

Van collegiaal model naar expert model

Peer review is een reactie op een reactie*. Lange tijd was het de gewoonte dat er binnen sectoren en verenigingen beroepsgenoten elkaar in het oog hielden. Als het nodig was gingen dan een of meer collega’s namens de vereniging bij het lid op bezoek dat wel eens de grenzen zou kunnen hebben overtreden. Meer sociale controle eigenlijk, dan een objectieve vaststelling van overtredingen. Door globalisering en de opkomst van het managementdenken was dat al snel niet toereikend meer. Private regulering, geïnspireerd door (delen van het) kwaliteitsdenken leidde tot een dominantie van certificeringsschema’s, inclusief een professionalisering van de manier waarop dat getoetst werd. We noemen dat nu de ‘auditexplosie’, maar dat klinkt te negatief: een stevige beoordeling van producten en diensten is op zich van groot economische belang. Het is dan ook logische dat het auditeren zelf onderwerp is geworden van normstelling. Bekend is de ISO 17000 norm voor ‘conformiteitsbeoordeling’, maar de wijze van auditeren en certificeren zit in veel meer normen verwerkt en in sectornomen zoals de International Professional Practices Framework (IPPF) voor onderzoeken die in het kader van de accountants- en controllersfunctie worden gedaan. Het opmerkelijke is dat ook in de sectoren waarin om statusredenen peer review eigenlijk de enige optie is – de medische en wetenschappelijke wereld – de objectivering via protocollering verder is doorontwikkeld dan waar ook. Feitelijk is daarmee het ‘expert’ model het ‘collegiale’ model gaan overvleugelen.

Twee reacties

Maar er moest natuurlijk een reactie op komen. Twee zelfs. De eerste reactie was heel verheven, de tweede pragmatisch. De eerste reactie kennen we als het INK-model (EFQM voor de Europeanen). Het nadeel van certificeringsschema’s is de vaak eenzijdige focus op het productieproces, of in he geval van keurmerken, op de producteisen. We moesten leren dat de ‘totale kwaliteit’ om veel meer gaat. Het moet leiden tot een integrale blik op zaken die vaak moeizaam meetbaar zijn, zoals leiderschap. Om dat te beoordelen, werd een scoremethodiek ontwikkeld die bewust ‘intersubjectief’ van aard zou zijn. Gemengde teams van experts en collega’s geven dan als juryleden een score. Geoefende juryleden kunnen in hun oordeel zeer dicht bij elkaar komen (tot 5 punten op een schaal van 1000).

Verandering in schaalgrootte

Toch wordt deze wijze van beoordelen niet zo vaak meer toegepast. Op zich is dat jammer, maar om verschillende redenen wel verklaarbaar. Een van de minder genoemde redenen is een hele fundamentele: er is door de globalisering een tweedeling in de schaalgrootte van bedrijven en instellingen gekomen: in veel beroepsgroepen is er een verdeling gekomen tussen een paar grote en complexe leden en vele, vele kleinere bedrijven of zelfstandigen. Het aantal leden kan daardoor groeien, maar omdat in de praktijk de vertegenwoordigers van middelgrote leden vaak de vereniging trekken, is de spankracht feitelijk verminderd. Een vereniging besturen is altijd al een evenwichtsact geweest en dat is nu nog ingewikkelder geworden. Als daar dan nog eens een crisis overheen komt die niet alleen geldgebrek met zich meebrengt maar ook een toename aan incidenten die de media halen, ja, dan zijn de rapen gaar. Het alternatief van meer overheidstoezicht is zelden aantrekkelijk. Je kan er een mooi verhaal over houden, maar eigenlijk is dan de enige optie die van peer review. Er zijn meerdere varianten mogelijk, maar de meest logische is de variant waarbij elk lid dan gedurende een dag wordt bezocht door een ander lid. Hoogstens wordt een groter team geformeerd bij de grotere leden. En als dat het idee is, dan komen we nu uit bij het onderscheid tussen deductief en inductief.

Deductief peer review

Bij elke nieuwe keuze voor een sector- of branchebrede aanpak zou je zeggen: doordenk die even goed. Wat heb je nu echt nodig? In werkelijkheid is daar zelden ruimte voor en wordt gekozen voor bestaande modellen. In de praktijk gaan die uit van een deductieve aanpak: er zijn normen en regels die samen de ‘dominante theorie’ vormen en worden toegepast op de praktijk van de leden. Bij conformiteit volgt een positief oordeel (keurmerk, certificaat, prijs), bij non-conformiteit niet. In deze benadering is kennis van de ‘dominante theorie’ leidend. Bij de ‘peers’ wordt kennis van de praktijk van de collega’s bekend veronderstelt (scheelt weer in training). In de kern is het ‘expert’ model weer leidend: audits worden geacht binnen de kaders die de theorie aangeeft plaats te vinden. Kalibratie van oordelen is moeilijk, maar zeker niet onmogelijk. De uitkomsten ervan zouden door de buitenwereld beschouwd moeten kunnen worden als ‘valide’. Dat is belangrijk, want in de kern ligt de meerwaarde in de validering naar de buitenwereld toe: ‘Kijk, ook volgens de (wettelijke) normen zijn wij te vertrouwen’.

Het gedonder met deductief peer review

Helaas, er blijken toch de nodige nadelen aan het deductieve model verbonden te zijn. Of anders gezegd: de voordelen zijn niet groot genoeg. Ten opzichte van overheidstoezicht en expert toezicht is de legitimerende kracht uiteindelijk genoeg: er blijft toch snel de geur aan hangen van ‘de slager die zijn eigen vlees keurt’.

De deductieve benadering is misschien nog wel het meest problematisch voor de leden. De dominante theorie is er een van regels en procedures. Peer review wordt daarmee doorgaans de laatste in een lange reeks van andere toetsingen te staan, allen gericht op de handhaving van regels en procedures. Meer ‘bureaucratie’ is dan het begrijpelijk verwijt. De oplossing: de peer review een meer coachende doelstelling meegeven: het gaat om het ‘verbeteren’ of het ‘waarderen’, niet om het ‘controleren’. Ze hebben een punt. Maar er zijn genoeg leden die vinden dat er juist te weinig wordt gecontroleerd en dat bijvoorbeeld het intern tuchtrecht te weinig betekent als het gaat om het verwijderen van de ‘rotte appels en peren’. En ook zij hebben een punt, al was het maar omdat juist al die al bestaande vormen van toezicht het de leden makkelijk heeft gemaakt om tot een soort onderlinge non-interventie te komen: de vereniging moet zorgen voor de discipline. ‘Ten slotte’, zegt het lid, ‘ik ben goed bezig, maar vereniging – kijk eens, mijn collega niet. Er harder op graag.’ Het paradoxale effect kan zijn dat de leden elkaar (nog) minder direct gaan aanspreken op het gedrag.

En zo, komt de vereniging, voor je het weet, vast te zitten met haar deductieve benadering tussen de coachende en controlerende benadering. Is er een alternatief?

Van deductief naar meer inductief

Bij een inductieve benadering wordt er gestart bij de waarnemingen. Deze leiden vervolgens naar een, al dan niet dominante, theorie. Vertaalt naar een audit in het kader van peer review, zou dan de situatie van het lid en diens bedrijf of organisatie leidend zijn voor het oordeel. Dus in de rugzak van de auditor(s) zitten geen normen of regels. Als er al gelet wordt op normen en regels, dan die zoals die worden gehanteerd door het lid zelf. Belangrijker zou dan kunnen zijn wat het lid van zichzelf en de vereniging verwacht. Een oordeel? Dat is iets waar auditor en lid wellicht samen toe komen.

Dat is nogal een conceptuele sprong. Laat ik daar maar duidelijk over zijn: een volledig inductieve benadering zie ik in het kader van peer review nog niet direct gebeuren. Wellicht wel in het kader van intervisie, maar dat is een ander verhaal, waarin de verhoudingen anders zijn.

Wat ik wel, ook in de praktijk, zie gebeuren, is een soort ‘conditioneel’ inductieve benadering, waarbij de audittee, het lid dat bezoek krijgt van de collega, op voorhand een zeker krediet krijgt en waarbij er bewust gebruik wordt gemaakt van het eerste oordeel dat de auditor/collega heeft van de opstelling en werkwijze van een lid. Er is een basis beschikbaar op grond waarvan normatief kan worden geoordeeld en zowel interne regelgeving als regelgeving vanuit de overheid zijn gewoon van toepassing, maar deze basis (dat kan bijvoorbeeld een afgelegde eed of gelofte zijn) wordt alleen ingezet als dat nodig is. Het helpt ook als de auditor/collega zich voorafgaand aan een audit al een beeld kan vormen van dat lid via openbare en/of voor leden beschikbare informatie o ver de activiteiten van dat lid. Maar het belangrijkste is wellicht nog de feitelijke start van de audit, het welkom.

Drie manieren van binnen komen

Hier worden drie manieren van binnenkomen geschetst en zoals de lezer zal begrijpen lopen die van meer inductief naar meer deductief.

– maximaal inductief

De eerste manier van binnenkomen is die waarbij er sprake is van een prima welkom tussen de collega’s. Al snel begint het gesprek, al snel is er een uitwisseling van ervaringen. Dus de herkenning: wij zijn collega’s. Daarbij merkt de collega/auditor al snel dat dit een kantoor is dat overwegend haar zaken op orde heeft: het lid/de audittee is, om het zo maar eens te zeggen, ‘bewust bekwaam’ en heeft een duidelijke visie op waar deze naar toe wil. Elke toekomstvisie houdt keuzes in, dus dat worden de dilemma’s waar in de audit op aangesloten kan worden. Het gaat minder over de te controleren elementen. Dat wordt overigens wel degelijk gedaan na het startgesprek, maar de scope daarvan kan beperkter zijn en meer gericht op de dilemma’s van het lid. In het slotgesprek moet de collega/auditor echt aan de bak om een goede sparringpartner voor het lid te zijn, ondertussen niet vergetend ook de mindere zaken te benoemen. Toch; het blijft niet steken in de details. Het lid/de audittee heeft na afloop het beeld dat hij zijn toekomstvisie goed heeft kunnen aanscherpen. De collega/de auditor heeft het beeld dat hij zelf veel heeft geleerd. Beiden hebben het gevoel primair met een gewaardeerd collega te hebben gesproken en pas secundair met een auditor/audittee te maken hebben gehad.

– zo inductief mogelijk

De tweede manier van binnenkomen is meer onderzoekend. Vooraf heeft de auditor/collega onderzoek gedaan naar het publieke beeld van het lid en bij de start wordt dat naar de audittee/collega toe gespiegeld met de vraag: ‘wat is jouw verhaal bij deze informatie?’ Dat kan vervolgens leiden tot een vruchtbaar gesprek over de toekomst van de audittee/het lid, maar duidelijk is dat deze eerder reactief in zijn omgeving zit dan met een expliciete koers. Dat mag uiteraard, maar dat betekent wel dat de auditor relatief iets meer tijd zal besteden aan het feitenonderzoek. De kans dat er zaken worden aangetroffen die niet bij eigen of externe regelgeving passen is groter. Ook dit deel hoeft niet alleen maar controlerend te verlopen (collegiale tips kunnen best), maar het is wel eerder constaterend dan coachend. Voordat na het onderzoek tot een slotgesprek wordt overgegaan, moet de auditor/collega een weging maken, zeker als er sprake is van meerdere tekortkomingen. Is dit incidenteel of structureel? Kan de audittee/het lid snel herstellen of is het daar teveel voor. In het slotgesprek geeft de auditor/collega de bevindingen terug, er daarbij voor wakend dat het een echt gesprek tussen collega’s blijft. In dat gesprek kan in beginsel alles aan de orde komen dat helderheid kan geven aan de audittee/het lid over de eigen toekomst en wat hem of haar concreet te doen staat om op een hoger niveau te komen.

Aan het einde van de audit heeft de auditor/collega het gevoel dat hij een collega heeft kunnen helpen met het leggen van een steviger fundament onder zijn of haar werkwijze, inclusief wat vingerwijzingen voor de toekomst. De audittee/het lid heeft heel veel om over na te denken, maar omdat de benadering eerder meedenkend dan oordelend is geweest, kan hij of zij vrede hebben met een afloop die extra werk met zich meebrengt. Misschien beseft hij of zij het niet, maar het is belangrijk dat de eenzaamheid even is doorbroken. Beiden hebben het gevoel dat dit een audit was die alleen maar in het vertrouwde verenigingsverband zo kan gebeuren en dat voelt goed.

– deductief

De derde manier van (niet) binnenkomen, is als duidelijk wordt dat er of sprake is van uitgesproken weerstand of van lid dat de eigen zaken duidelijk niet onder controle heeft.
Bij weerstand gaat de auditorrol domineren. Na uiteraard eerst geprobeerd te hebben die weerstand te doorbreken, wordt de aanpak verder deductief. Bij nader onderzoek wordt de basis aan regelgeving aangeboord en worden waar nodig constateringen gedaan. Bij extreme weerstand wordt de audit eerder afgebroken dan tot een eventuele heraudit gekomen. Snel ingrijpen is dan het meest belangrijk.

Ook de situatie van volledig falen komt voor. Ook dan heeft het geen zin om alle details langs te lopen. In deze situatie kan wel de collegiale verhouding weer erg belangrijk worden. Is er een hulpvraag? Zo ja, dan gaat op aangeven van de auditor de vereniging als het kan in actie komen. Belangrijk is daarbij de vraag: kan het lid niet, of wil het lid niet. In dat laatste geval heeft de auditor een rotte appel te pakken en moet er een signaal naar de vereniging gaan. In het geval van niet kunnen, is het logisch dat de vereniging om het lid heen gaat staan en gaat helpen.

Meer dan een expert

Zo ziet er voor mij de overgang van inductief naar deductief er uit. Je begint als het even kan als collega en wordt alleen die strenge auditor als dat niet anders kan. Er valt nog veel meer over te zeggen: hoe hou je het zuiver? (voor zover na te gaan, niet moeilijker dan bij expert audits) Kan je nog kalibreren? (ja) Heeft het voldoende effect? (aantoonbaar ja, vooral in combinatie met een beperkte mate van verticaal toezicht). Hier wil ik het laten bij nog een laatste reflectie op het karakter van die collega/auditor, de ‘peer’. Daarin neem ik ook stelling. Ik vind namelijk dat een ‘peer’ aanmerkelijk verder kan en moet gaan dan een expert. De expert moet namelijk binnen het meegegeven kader blijven, de ‘peer’ heeft de vrijheid om daarbuiten te treden. Daarin ligt ook in belangrijke mate diens meerwaarde. Zeker bij de kleine organisaties waar we het vandaag de dag over hebben – de kleine en eenmanskantoren – loopt vaak alles door elkaar: het zakelijke en het persoonlijke, de buitenwereld en de binnenwereld. Naar buiten toe doet men zich daarbij vaak groter voor dan men is. Zoals al even gememoreerd: er is veel eenzaamheid onder de concullega’s. Simpele kwesties als een zieke secretaresse kunnen. De continuïteit voor het lid direct bedreigen. De collega/auditor moet daar niet naar opzoek gaan, maar hij of zij moet het ook niet uit de weg gaan: daar ben je collega’s voor. Je herkent elkaars problemen, dus mag je het erover hebben. In trainingen merk ik dat de expertrol voor een auditor vaak veiliger voelt dan de rol van collega. Dat is meer dan jammer; het is een gemiste kans. Als trainer ga ik daarover de discussie aan en bij de coaching van audits let ik er ook altijd op of de auditor de veiligheid van de regelgeving durft te verlaten voor meer essentiële gespreksstof. Concepties vooraf van een audit als ‘coachend’ of ‘controlerend’ vind ik dan alleen maar lastig, want ze veronderstellen een superieure positie. Een positie die er binnen collegiale verhoudingen juist niet hoort te zijn. Peer review is peer review als het een ontmoeting tussen peers wordt – en dan is het goud waard.

Peter Noordhoek

 

* De Britse term ‘peer review’ krijgt hier de voorkeur boven het Nederlandstalige ‘intercollegiale toetsing’ om twee redenen. De eerste is dat kwaliteitstoetsing steeds meer een internationaal karakter heeft gekregen. De tweede is dat het woord ‘toetsing’ onvoldoende de lading dekt van wat zou moeten worden beoogd en ‘review’ neutraler is.

From Cold War to Cold Walls

Former and future assumptions behind the nuclear threat

Spy swaps and new nuclear threats bring the idea of a new Cold War back in the headlines. Though it is not the right analogy for our times, it is time to rethink the nature of the Cold War and see what it may tell us for what is coming.

Here 5 historical periods are described, leading from the ‘classic’ cold war to what is called the ‘hot walls’ period. In each period four elements come into focus: 1) the attitude towards nuclear weapons, 2) migration and our wish to build walls, 3) the atmosphere of a time in terms of ideology and religion, and 4) the ascent of the digital domain. Libraries can be filled with all this, and though I try to be brief and hit the essentials, this is one of my longer blogs to date. The reason for that is to show a pattern and to convince the reader that the flow of history can in some ways be predicted, as action begets reaction. I write this, knowing as they say, that history repeats itself, but never in the same way. There will be no Cold War. In fact, it looks likely that there will never be a classic war again, hot or cold. This text more about the opening up and closing of societies and the risks that both entail. It seems that we are in a phase of closing now, with wall being raised. As these walls will be challenged and hotly debated, I venture to call the period in which we now start to live in, the period of the ‘Hot Walls’.

Here we go.

Classic Cold War: 1945-1962

The end of the Second World War brought peace and freedom in much of the world, but also the coming together of two completely new developments. The first was the presence of Russia far into middle Europe, a geographic position it wanted to hold on to. The second was the first use of nuclear weapons against Japan by the USA. It beat both the Germans and the Russians in the race to develop the bomb, but it did invite the latter into a rocket building competition that would lead straight into space. It was a matter of time before they put bombs instead of monkeys on top of them. This development scared many, including many of the post-war leaders. Already in (1947) it led to the theory of ‘containment’ (after George Kennan’s ‘Theory X’). Even so, it must be remembered that in these first years the use of nuclear force was not a taboo to many generals and politicians. It was only after the death of Stalin and the stalemate in Korea, that something of a stand-off on the nuclear front arose, with in the background many of the classic Cold War espionage antics we see return in our time.

Then there is a second development to consider. The post-WWII years were also years of heavy migration, not only in Europe, but also in Asia. Millions of people were on the move, far more than now. Most of it was a kind of backwards migration, bringing people back to into the fold of their nation (even decolonization and the birth of the state of Israel can be seen as such). In the end the political goal was simply to end this migration. In the East they were very crude about it, and the wall in Berlin and the one dividing the Koreas became the true symbols of this stand-still.

And finally, there is a third element to consider. Nations and continents were run from the top downwards. The Cold War was in many ways a real but distant threat; managed by the elite, imagined by fearful people with few facts at their disposal. They lived in an age of ideological and religious orthodoxies, supported by strict social control. It was a time of standing up for your nation, religion and ideology.

Those three developments of stand-off, stand-still and stand-up turned into two dominant coalitions of nation states and a cold war that was as logical to the people as the real war had been.

Nuclear Cold War: 1962-1989

The Cuba crisis literally led to a standstill of ships just before the island of Fidel Castro. It made both the West and East feel the madness of ‘Mutually Assured Destruction’ by nuclear arms. The development of nuclear weapons did not stop, but the proliferation of the weapons did, more or less. Actions of war limited themselves to relatively compact theatres far from the West, as the so-called ‘domino-theory’ also created a sort of stand-still for conventional arms. Even so there were a number of theatres of war that never seemed to stop festering: in the Middle East and in some Far Eastern countries.

Nothing lasts. In hindsight, the days of the Cuban crisis not only represented the height of the classic Cold War, but also the beginning of the end of it. President Kennedy committed the USA to action in Vietnam, starting a war it could never win, and also creating a cultural call to action for the new baby boom generation. Poor president Johnson, poor president Nixon.

Underneath lies a very peculiar question: how to deal with a nuclear balance of power? There are two ways to go about it, and both are at heart non-ideological: either you try to maintain that balance in the shape of some real political formula, or you try to mitigate that balance by creating more trust between the antagonists. In both cases it is hard work – and the reward is not visible. The greatest victory of the post-war generation lies in the way they averted a nuclear war by accepting there was no way to ‘win’ it. Their victory: nothing happened. The problem with a victory in which nothing happens, is that there is no prove that your balance of power approach worked in the first place, and meanwhile you have these bombs hanging over everybody’s head.

Two things happened to further undermine the credibility of the elite in both West and East. The first is geographic in nature. Conflicts in the Middle East and Northern Ireland escalated and got a terrorist dimension, unbalancing Europe. For the US, the Vietnam War became a lost cause, symbolizing loss, also on the economic front. Russia could not trust its satellite states. Mao started a cultural revolution to hold on to power. The first stirrings of globalization should have led to a movement of people, but it hardly happened. All developments that were asking for a reaction later on.

The second thing that happened was the cultural ‘thing’. Deep divisions opened between generations. Both the surge to the left by the younger generation and the reaction to it by the ‘silent majority’ broke the cosy ideological and religious post-war consensus. The times were a-changing indeed and the nuclear balance had to change with it.

The real change to that balance came from the right. Ronald Reagan unbalanced the balance of power both with new weapons and the announcement of a ‘shield’. And the response? The balance of power crumbled. Was it just Russian weakness, or a vindication of those who never believed in the rationale behind that balance in the first place? Who can tell, but the first is more logical. Anyhow, the Wall in Berlin came down. We all saw it real-time on TV and wrote our stories and feelings about it on this new machine: the computer.

Years of Prosperity: 1989 – 2001

We can remember from these recent years or prosperity roughly twelve years of freedom, bringing the rewards of the digital age, distributed broadly through the benefits of globalisation. Russia shrank and stopped being a partner in the balance of power. China shook and started to adapt. In ideological and religious terms, you might call this a decade of liberal and secular victory, but really it was most of all a belief in quality and effectiveness and other non-ideological and secular concepts. New wealth brought migration waves, but they were mostly experienced as the benevolent version of the post-war migration waves. It brought more cultures together than ever before, in the fold of on the whole tolerant societies.

The nuclear threat was actually still there, with hardly any nuclear warheads dismantled, but it disappeared from the political agenda, a drifting standstill in one, more or less connected block of (would be) NATO countries.

In this atmosphere of private wealth and public peace – always relative of course; it did not touch everyone – new institutions and businesses were being built and started to thrive, including the businesses of the ‘New Digital Economy’. Institutions speed up their development, including the collection of nation states that started to call itself the European Union, breaking down both financial (Euro) and geographic walls (expansion of that same EU).

Meanwhile everything gets connected through the internet. It feels like we can now know everything about everybody, so why not rearrange ourselves into one big yuppie community? Each of us can also know as much about our nuclear capacity as only government leaders could know in the cold war days, but hey, who wants to know about all that old stuff?

The populist period: 2001-2016

9-11 changed much. When the two towers came tumbling down, it was not another movie. It was unreal real. It also served to make visible a larger trend that was already shaping events everywhere and led to a ‘return of ideology’ far removed from the liberal non-ideology. No nuclear balance of power applies to a situation where hijacked planes crash into skyscrapers (though be sure there were tense moments between the US and Russia immediately after the event), so a conventional was fought first against Al Qaida in Afghanistan and soon against Saddam Hussein’s Iraq. In hindsight we can say that the conventional war was won, but in most other respects it was a disastrous repeat of earlier American classical warfare. Even though weapons may have become ever better, both in the sense of accuracy and raw power (with some bombs in tonnage stronger than the first Atom bomb), their impact rekindled an anti-Americanism not felt since the height of Cold War days.

One of the negative side effects was that for their facilities the Americans were ever more bound to Saudi Arabia and other Arabic states, in the very same period that these very closed countries were increasing their funding to those who were vulnerable to fundamentalist. One result was fear, brought home in the West through terrorism, creating absolutism in the East. The Arab Spring of 2011 did not stand a chance against it (though we should not forget the very real longing for freedom and democracy that is there still).

Another side effect that would have severe impact on the West was an increase in migration, caused by both war, oppression and simple economic motivations. Adding these numbers to earlier increase in the number of non-western migrants. Add to this – at least as impactful – the influx of cheap low skilled workers from the new member states in the EU, and the whole political system of Western countries started to bend and sometimes break. It may not have happened with such force if this new and very visible wave of migrants had not come at a time when the economy took an enormous and long dive downwards. It changed the perception of too many people who a little earlier felt fine within their bubble, perhaps in communities with no migrants at least as much as where there were many. And this time the feelings of loss and fear could be freely shared unchecked with everybody on social media.

But maybe perceptions would have changed anyhow, as the end of the Cold War left an ideological vacuum that religion or traditional party lines could no longer fill. A man like Kissinger wrote and writes a lot about the tension between realism and idealism, but probably he mistook how much the thinking about the nuclear balance of power dominated the ideological debate. When that fell away, there was for a time no true ideology to take its place, not even liberalism. But inevitably, that would change, and this was the time it would change – into the mirror image of the cultural wars of the sixties and seventies.

In my own country, Bolkestein, the leader of the main liberal party, the VVD, and someone who had spent most of his years outside the Netherlands, introduced an outlook that was more conservative than liberal. Conservatism was a stream of thinking (especially the Ayn Rand version) that until then had hardly any adherents during the Cold War, not even through the cultural wars of the sixties and seventies. Now it took hold, especially after two other developments came about. One was that – with again Bolkestein as the first to do so – the link of conservatism with the rejection of migration was made, especially that from Muslim countries. The second was that Bolkestein led the way for a string of populists that left the fold of traditional parties. From Fortuyn to Wilders, to now Baudet; by going against convention these populists could claim a following of 15-20% of the electorate. Even more important may be their influence on the main stream parties: they felt obliged to tack either more to the right and to the left, leaving the middle as no more than the political space where the compromises had to be made.

What goes for the Netherlands, also holds more or less for other countries. In a country like Austria, conservatism has always been strong, but checked by Christian-democratic forces. Now these forces were weakening, together with their religious base.

Traditional socialism took a beating too, though from time to time, like in France, it still could shine as a sort of counter movement. But in most countries, too many low earning people changed adherence from traditional to populist parties to keep socialism alive as a political force. All-in-all, the strength of the conservative-populist movements is a sign of the lack of a real connecting stories or ideologies, or simply of the lack of a common enemy. Good administration and an effective execution of government policy are just not enough. Yet, how to do so, when in daily life there is much to deal with – and much of it is beyond the capabilities of a single nation state, especially when it comes to migration? Like it or not, we now live in an age of continents, not of nations. And this ‘balance of continents’ will determine how we deal with the ‘balance of ballistics’ and so much more. America, Asia and Europe are now the dominant forces. Russia is behaving like a separate continent too, but it is doubtful whether post-Putin this can be maintained any longer than this post-Brezhnev could. For now, and the coming years however, we do live in a time of block-restoration on a continental base, with two in Europe, of which its main symbol is this: walls.

The years of Cold Walls: 2016-2020?

There is a wall-race going on. Already physical walls have gone up in Israel, Hungary and Turkey. High fences can be already be found in more than 70 places (by May 2017, compared to about 12 when the Berlin Wall fell*) and can be found from Gibraltar to Calais, not to mention the fences surrounding G20 conferences and other. But the real increase of walls can be found on the internet. Of course, we want to deter the vast quantity of viruses, malware and hoaxes that have come our way since the nineties, leading us to adapt passwords and install all kind of warning- and back-up programs. But we are getting to a different, more qualitative and strategic level now, creating ‘Cold Walls’ that are means and end in a struggle for ‘sovereignty in our own circle’, to borrow a phrase from old Mr. Kuyper, founder of the ‘Anti-Revolutionary Party’ in the late 19th century.

The American election of 2016 will probably be the historical fault line here. It is highly unlikely that Russian interference was truly decisive in deciding the election in favour of Trump, but the fact that they even considered trying it is way beyond what any nation should do. On top of that we now have a presidency that is destabilising in its unpredictability and choice of force above diplomacy. Meanwhile China seems to follow the opposite course, for instance by trying to lay a new Silk route to Europe, but look at what happens to all in China or dealing with China: all have to adapt to its big walls of censorship and scrutiny. One of the things that is noteworthy about China, is how strict the government is dealing with the oligarchs that own the internet or energy activities. We have not seen the same in America or Russia yet – to the contrary. A happy coincidence is that the EU (not Britain) seems to be relatively free of these oligarchs, making it possible to come with strict privacy regulations. The problem with this is that it is in essence a defensive strategy: Europe is raising the digital walls by its GDPR regulations and others. Perhaps this can be turned into a competitive advantage later on, together with a smart 5G strategy, yet it is hard to see in this a way to cross (trade) barriers and wars. Both Brexit and Trump’s America First strategy point towards higher walls. The Chinese approach is, as stated, basically a one-way street. What does this then mean for the old relic called ‘nuclear balance’?

Not much good. Nuclear weapons are becoming instead the ultimate means to cross them or tear walls down. Their nature becomes in that sense more offensive; it is weapon against wall, starting in North Korea and perhaps going further in the direction of Iran, India and Israel. Yet, before that – and ‘preferably’ instead of that -there will be cyberwar. Certainly with Bolton as the new Secretary of State in the USA, cyber warfare will be the instrument of choice. As before, Europe and Britain will be the main arena for cyber battles, for the moment keeping the nuclear option at bay. That is, if Europe takes this lying down. Interesting about the response to the incident was that it was hard to distinguish between the NATO and the EU-response, with the impression that the EU was in the lead. No, Europe is already strong enough to counter. More worrisome is the fact that not all countries joined the move to expel diplomats, perhaps a prediction of the future difficulties in shaping Europe as a union in political and defensive terms.

Ending these reflections on the next phase of the move from Cold War to Cold Walls, there should also be this consideration of how we behave in terms of ideals and religion. To start with the latter; secularism is here to stay, but the search is one for secular convictions that are less based on individual convictions and more on collectively shared virtues. This coincides with increased carefulness in the public and digital domain. We learn not to show everything, we hope to control our impulses and hold everyone else accountable for their actions. This holds as much for the younger generation – that of #MeToo and the protest against an NRA that allows no restraint in freedom, even if that freedoms costs other peoples live – and it will hold more and more for an ageing baby boom generation as it knows it cannot return to power. So, for a few years we might have a convergence of conservative beliefs from the older generation and conservative behaviour of the younger on. But soon they might diverge again, as the younger generation no longer accepts the walls that have been built around their countries and digital domains. Whether through blockchain, edge adaptations, publicly regulated free spaces or simple physical meetings, they will break through – that is, if in the meantime no fool has thought it is a good idea to break through walls by nuclear means. Then we are all in the cold, and no walls can help us.

Peter Noordhoek

There is no single source for this article, except for the data on the number of walls (https://panampost.com/elena-toledo/2017/03/01/trump-border-wall-join-ranks-others-worldwide/). I started reading and assessing Kissinger when I was 15 and I have never stopped, but alongside him there have been many, many more great writers and thinkers on every part and aspect of the age we live in. I have read and used many, and still claim only the judgement of an interested layman. We each have to interpret our own time line. As mine is growing longer, there is more to say.

AVG en de start van een bijzondere inspanning

Foto auteur

Afgelopen weken vond de parlementaire behandeling plaats van de Uitvoeringswet Algemene Verordening Persoonsgegevens (Uitvoeringswet AVG). Komende maand mei gaat deze overal in Europa van kracht komen, zoals steeds meer mensen beseffen. Ik heb de parlementaire behandeling gevolgd en langs twee lijnen bestudeerd. De eerste lijn is de praktische lijn: hoe gaan we nu met die nieuwe verordening om? Conclusie: het belangrijkste is om een start te maken. De tweede lijn is meer fundamenteel. De AVG staat voor een omslag in het privacy denken: voor het eerst duwt een heel continent tegen de trend in dat steeds meer data onder controle van anderen dan jijzelf komen. Dat is indrukwekkend maar kan ook wringen.

Hoe druk moeten we ons maken?

Eerst de praktische kant. En dan kan het hele Kamerdebat over de invoering van AVG het beste worden samengevat als één groot pleidooi voor het ontzien van verenigingen, kerken en kleine bedrijven. Zoals Toorenburg (CDA) zei: “De Autoriteit Persoonsgevens (AP) moet niet alleen de bijl hanteren, maar ondersteunen, hulp verlenen.” Daarin was geen verschil van mening met de minister of met de partijen onderling. Dat afdwingen kon echter ook niet, zie hieronder. Kamer en kabinet kunnen AP alleen vriendelijk verzoeken niet te hard van stapel te gaan, want zij stelt haar eigen prioriteiten. De minister sprak daarbij de verwachting uit dat handhaving door de AP in eerste instantie gericht zal zijn op de grotere bedrijven en instellingen en in die situaties waarin er al een aanleiding is om te gaan handhaven; als ze dus willens en wetens in de fout gaan. De Kamer zelf nam een resolutie aan waarin werd uitgesproken: “… in de fase waarin nog veel vragen zijn over de regels, de overheid zich zo hulpvaardig mogelijk moet opstellen en zich dus primair behoort te richten op voorlichting en hulp bij de interpretatie en uitvoering van de regelgeving, onverlet haar handhavingstaak inzake bewuste schendingen.” (Resolutie Koopmans c.s. 34851-18 d.d. 8 maart 2018). Vervolgens wordt de regering verzocht deze motie onder de aandacht van de Autoriteit Persoonsgegevens te brengen.

Coulance als ze al op stoom zijn

Dus nu kunnen we achteroverleunen? De ‘bangmakerij’, zoals minister Dekker (VVD) het beschreef, achter ons laten? Los van het idee dat je nooit iets alleen uit angst moet doen, was dat toch niet de les die uit het debat kon worden getrokken. Die les start met het punt dat AP haar eigen handhavingsbeleid blijft maken. Meer dan een oproep heeft de Kamer niet gedaan en kan ze ook niet doen. En zeker als je naar verenigingen kijkt, is er al snel sprake van het gebruik van ‘bijzondere persoonsgegevens’ (gevoelig in medisch, etnisch, politiek e.d. opzicht). Daar zal toch extra aandacht naar uitgaan vanuit AP. Maar beter werd het in het begin van het debat zo verwoord door Buitenweg (GL) toen ze pleitte voor: “Coulance als bedrijven al op stoom zijn, maar de essentie moet niet op de lange baan worden geschoven”. Met andere woorden: begin in ieder geval en denk vooral goed na over wat je wilt met de bescherming van jou en andermans persoonsgegevens.

(Het debat even latend voor wat het is, lijkt mij dat so wie so een nuchter advies. De AVG gaat net als andere regelmonsters niet snel weg. De invoering ervan vergt gewoon tijd. Die tijd heb je nodig. Ik schrijf het niet zonder belang op*, maar ook uit eigen ervaring zeg ik: pak het aan. Ik behoor tot degenen die als het om papier gaat nu alles snel opruimt, maar digitaal alles, maar dan ook alles wil bewaren. Dat betekent concreet meer dan twintig jaren aan digitale bestanden in mijn bedrijfje. Ik dacht te weten wat ik aan persoonsgegevens heb. Wil ik al die (vervuilde) bestanden houden? Niet dus.)

Voor zover ik mij de AVG-problematiek nu eigen heb gemaakt, zie ik veel paralellen met trajecten in mijn vakgebied, kwaliteitszorg. Je moet er echt even doorheen, maar als je het goed en procesmatig aanpakt, heb je er voordeel van.

Vage elementen

Een andere invalshoek kwam naar boven toen ik het debat even liet bezinken. Omdat de invoering van de verordening een gegeven was, concentreerde het debat zich bovenal op de vage elementen in de AVG. Die zijn er genoeg. Hoe zit het nu precies met de functionaris gegevensverwerking? Wanneer moet je die hebben? Hoe voorkom je dat de bescherming van persoonsgegevens in de medische sector een onterecht schild wordt tegen kwaliteitscontrole? Waarom die verschillen in leeftijdsgrenzen? Hoe zit het precies met de kerken, met de toegang van journalisten?

Op al deze vragen kwam geen helder antwoord, domweg omdat de minister er niet over gaat. Het zijn vragen die in de (nabije) toekomst kunnen worden doorgespeeld naar AP, waar dan nader beleid kan worden gemaakt. Zelf nadenken, dat is het devies. Bijvoorbeeld over de vraag of en wanneer een functionaris gegevensbescherming in een kleine school moet worden ingesteld. Dat hangt niet af van de omvang van de school, maar van de hoeveelheid en aard van de data.

En wie goed luisterde, kreeg te horen dat deze onzekerheid structureel is bij de AVG. Deels komt dit doordat de verordening de uitkomst is van een paar jaar lang intensief onderhandelen over de elementen ervan en dan krijg je altijd zaken die pas na wat jaren praktijk duidelijk worden. Een diepere oorzaak is, dat tegenwoordig elke wet of verordening wel consequenties voor het gebruik van data kent. Het betekent dat elke vorm van nieuwe wetgeving op de een of andere manier kruist met de AVG en zo voor nieuwe vragen rond de afbakening zorgt. De AVG is nooit klaar en roept ook nieuwe wetgeving op (waaronder de Wet inlichtingen en veiligheidsdiensten, de Wiv, waarover we woensdag gaan stemmen in het kader van een referendum). Met andere woorden; je kan dus wel wachten tot er meer duidelijkheid is, maar die duidelijkheid zal nooit volledig zijn. Ondertussen ben je kwetsbaar – en niet alleen voor handhaving door AP.

Conflicten op continentaal niveau betekent klussen op lokaal niveau

Dit weekend was het weer raak. In alle grote kranten werd het verhaal gepubliceerd over de wijze waarop een campagne bureau – Cambridge Analytics, hier ook bekend van campagnes rond het Oekraïne referendum en Forum voor Democratie – de beschikking kreeg over miljoenen persoonsgegevens van Facebook. De gegevens werd naar alle waarschijnlijkheid zowel ingezet voor ‘microtargeting’ van kiezers als voor het zwartmaken van Hillary Clinton tijdens de laatste Amerikaanse presidentsverkiezing. Dat gebeurde via software die door een nog geen twintigjarige Australiër was gemaakt en werden beheerd, gebruikt en misbruikt via bedrijven die op alle continenten van de wereld actief zijn. Toen de AVG (in het Engels: GDPR) werd opgesteld, was dat al reden om de privacy beginselen niet langer op nationaal niveau te formuleren maar op Europees niveau en verhalen als dit maken duidelijk dat het nog steeds nodig is om hierover op bovennationaal niveau actie te nemen.

In het Kamerdebat werd wel duidelijk dat dit toch behoorlijk wringt. Van der Staaij (SGP) zei, tegelijk boos, teleurgesteld en machteloos kijkend, “Zelden zo’n wangedrocht gelezen!” Daarna zei het staatsrechtelijk geweten van de Tweede Kamer: “De rechtszekerheid is het slachtoffer van alle compromissen op Europees niveau.” Dat deed Kathelijne Buitenweg van Groen Links naar de interruptiemicrofoon komen om de Europese Unie te verdedigen, omdat volgens haar privacy alleen nog op dat niveau te regelen valt. Beiden hebben dus gelijk. Juridisch mag de nieuwe Autoriteit een soort Zwitserse gatenkaas gaan handhaven. Dat is nauwelijks uit te leggen aan al die mensen, bedrijven en instellingen die er een smak werk bijkrijgen zonder voldoende helderheid. Tegelijk is het ook waar dat er echt misstanden zijn als het gaat om gegevensbescherming en dat het tijd wordt om daar iets aan te doen. Welbeschouwd is het daarom heel bijzonder wat er in het kader van AVG gebeurt: voor het eerst wordt echt een dam opgeworpen tegen de willekeur waarmee met persoonsgegevens kan worden omgegaan: de burgers op een heel continent duwen terug. Er is geen ander voorbeeld van op de hele wereld. Ik weet niet hoe het afloopt en de prijs in termen van bureaucratie en rechtszekerheid is gevaarlijk hoog, maar als we het tijdig onder de knie weten te krijgen, gebeurt er wel iets dat van wezenlijk belang is voor de bescherming van onze persoonlijke levenssfeer, inclusief onze ‘data’.

Peter Noordhoek

* Peter Noordhoek is mede verbonden aan ‘Stichting AVG Verenigingen’, een initiatief dat sinds juni 2017 aan vooral (koepel)verenigingen en haar leden een laagdrempelige manier biedt om de nieuwe verordening onder de knie te krijgen.

Bij teveel personen wordt het een massa. Waarom de versplintering wel een probleem is

Politiek wordt steeds meer persoonlijk. Toch? We ontwikkelen ons richting een partij per kandidaat, een kandidaat per kiezer. Ideaal toch? Of is dat eigenlijk een nachtmerrie? Ik was bij een jongerendebat. Elke kandidaat deed het goed (vooral de nr. 5 van het CDA Gouda, Niels Honkoop. Onthoudt die naam). Ik had fotodienst en voor het plaatje zocht ik een plek terzijde van de kandidaten. Zeven hoofden op een rij. Even daarna wisselde de groep kandidaten. Weer zeven kandidaten op een rij. Leuke koppen, heel divers. Veel toekomst. En toch zag ik vooral de rijen kandidaten. Oftewel: hoe je de anonimiteit organiseert. Veel toekomst?

Recent heeft mijn werkelijk zeer gewaardeerde docent Wim Voermans, samen met Geerten Waling, een boek geschreven onder de titel ‘Gemeenten in de genen’. Hij stelt dat de lokale democratie prima functioneert. Daar kan ik het mee eens zijn. Omdat ik nogal eens over de grens mag trainen, weet ik hoe gelukkig we ons mogen prijzen met onze democratie. Maar ik zet toch echt vraagtekens bij de stelling dat veel partijen een teken zouden zijn van een florerende democratie. Dat zou namelijk gewoon een kwestie zijn van een goede afspiegeling van de bevolking. En een goede afspiegeling, dat vormt op termijn de beste basis voor de democratie, zo is de stelling van het boek. Ik weet het niet. Of ik weet eigenlijk zeker van niet. Staatkundig kan dat inderdaad zo zijn, maar als je heel veel personen bij hun personen zet, krijg je een massa. En als je voor elke kiezer een partij hebt, krijg je partijen die zo plat zijn als een plaatje.

Ik geloof in ideologisch gevoede en historisch gewortelde partijen. Partijen die langzaam aan de mantel van de democratie zijn gegroeid, die de blauwe plekken van het besturen hebben gebruikt om er sterker van te worden. Partijen die er tegen kunnen als binnen die partijen over de koers gevochten wordt omdat ze weten dat ze uiteindelijk weten wat de gezamenlijke basis is. Die lokaal geworteld zijn en landelijk kunnen kijken, die de zachte sector niet alleen zacht bejegenen en de harde sector met af en toe een tikje tegen de kont menselijk weten te houden. En van die partijen heb je er altijd maar een paar nodig.

Ach, eigenlijk zijn die partijen helemaal het probleem niet – en de kandidaten nog minder. Ik ben natuurlijk helemaal niet in de positie om het te zeggen, maar het probleem zijn wij: de kiezer. Als wij kiezers alleen maar ons eigen belang denken, hoe kan je dan verwachten dat kandidaten aan het algemeen belang denken? Zullen we ons als kiezers eens gaan bezinnen?

Peter Noordhoek

Rutte: ‘Schaf de beschermde beroepen af’ Hoe wijs is dat?

De speech van Rutte in Berlijn over de toekomst van de EU was redelijk lang en moest concurreren met de speech van Theresa May die op hetzelfde moment plaatsvond. Toch doet de speech er toe, ook als naar de kleine letters wordt gekeken. Een eind in zijn speech, komt Rutte met negen voorstellen die de werking van de EU kunnen verbeteren. Het eerste voorbeeld is direct raak. De zon moet zakken over het rijk van de beschermde beroepen. Letterlijk citerend*:

”Maak de Europese dienstenmarkt nu echt open. Er zijn nu 5000 beschermde beroepen in de EU. Dat zijn 50 miljoen mensen, 22% van alle werkenden. Schaf die beschermde beroepen af. Alleen waar veiligheid, gezondheid en consumentenbescherming aan de orde zijn zouden we nog specifieke en bindende eisen moeten stellen. Notarissen en architecten, om er maar eens twee te noemen, hebben geen nationale bescherming nodig. Maar als een notaris die in een ander EU-land gaat werken, mag natuurlijk wel een taaleis worden gesteld. …”

Waar heeft Rutte het over?

Naar ik weet, loopt het Nederlandse notariaat voorop in het goed aan elkaar schakelen van notariële wetgeving en dienstenverkeer – wat overigens heel wat meer vergt dan alleen taalvaardigheid. In het kader van het internationale samenwerkingsverband van het notariaat, de CNEU, worden er, mede door de Nederlandse inbreng, grote stappen gezet, maar het kan inderdaad nog wel wat sneller. Datzelfde geldt voor de bescherming van andere beroepen. Lang niet elke vorm van beroepsbescherming is zinvol, zeker niet als het om de bescherming van beroepen gaat die niet tegen de concurrentie opkunnen in breder EU-verband. Zo is vaak betoogd dat de wijze waarop Italië haar beroepen bewaakt een belangrijke rede is waarom daar de noodzakelijke vernieuwing maar niet wil slagen. En zo heeft elk land wel redenen voor beschermingsconstructies. Daarom zegt Rutte: ‘Schaf de beschermde beroepen af!’

Tegenwerpingen

Dat klinkt krachtig. Even verderop zegt hij dat de Europese Unie 1000 miljard laat liggen door met name het vrije verkeer van diensten niet genoeg te stimuleren. Dat is een groot bedrag (als de cijfers kloppen). Toch is het wel erg kort door de liberale bocht wat Rutte hier te berde brengt. Een paar tegenwerpingen:

– Het voorstel getuigt van bar weinig besef van wat er voor nodig is om een beroep te laten groeien. Zorgen dat iedereen even weinig weet is geen slimme manier om Europa beter te laten concurreren. Specialisme komt niet goedkoop in een kenniseconomie en verdient wel degelijk bescherming.

– Het voorstel getuigt van overheidscentrisme. De enige beperkingen die er zijn, zijn typisch beperkingen die door overheden worden ingesteld en gaan gemakshalve voorbij aan de talloze andere redenen die overheden hebben om beroepen te reguleren – en af te schermen van andere landen. Het is niet moeilijk te voorspellen dat overheden nog de meeste hindernissen zullen opwerpen om beroepen echt minder beschermd te maken.

– Het voorstel overschat de effectiviteit van het weghalen van de bescherming. Zo zijn recent de Productschappen (PBO’s) afgeschaft. Het gevolg: grote desoriëntatie, te weinig preventieve actie en een overmaat van acties die door de toezichthouder, de NVWA, moet worden opgevangen, alwaar de specialistische kennis onvoldoende aanwezig is om tijdig in te grijpen. Tel uit je winst. Hoe slim is het om de bescherming er af te halen?

– Het voorstel ontkent het publieke element in veel beroepen: de ethos. Een eed afnemen is nooit genoeg; het moet al bij de opleiding in de botten gaan zitten. Rutte noemt de notarisfunctie als een waar de bescherming wel vanaf kan. De bescherming van het beroep is echter door de overheid zelf in het leven geroepen en niet door de beroepsgroep. De geschiedenis van het notariaat laat daarbij bij herhaling zien dat het weghalen van de regulering niet goed uitpakt. De vraag is wel of het notariaat zelf haar publieke rol voldoende serieus neemt en daar mag ze zeker op worden aangesproken, maar dat is een ander verhaal dan de bescherming er af halen.

– Het voorstel is niet erg consistent, gegeven de context van de lezing. Er zijn grote verschillen wet- en regelgeving, ook waar deze de beroepen betreffen. Op dat punt valt zeker veel winst te behalen. Tegelijk kiest Rutte consequent voor de inter-gouvernementele lijn. Dat kan dan even gaan duren.

Weging van een voorstel

Nogmaals, er is niets op tegen om de bescherming aan te passen als dat tot een beter verkeer van diensten leidt binnen de EU. De verschillen in regelgeving tussen de landen, zowel publiek als privaat, zijn te groot om goed te zijn voor het beoogde vrije verkeer van diensten. Als tegelijk de nodige lagen bureaucratie kunnen worden geschrapt binnen de landen zelf, ook in de wijze waarop we beroepen beschermen, dan is dat helemaal welkom. Daarbij twijfel ik er ook geen moment dat er economen zijn die tot achter de komma kunnen berekenen hoeveel meer welvaart de afschaffing van de bescherming in hun ogen op zal leveren. Maar willen we werkelijk het soort marktwerking wat we tot nu toe hebben gehad? Een marktwerking die een paar grote bedrijven en overheidsinstellingen oplevert en voor het overige veel, heel veel kleine bedrijven die allemaal te kleine marges hebben om zich te kunnen onderscheiden van de ander? Is een markt waarin diversiteit de toon zet niet veel beter (en Europeser) op de langere termijn? Ook de diversiteit die voortkomt uit kwaliteit, ranking en bescherming? Het is maar een vraag en mijnheer Rutte, wat dat betreft roept uw voorstel meer vragen op dan antwoorden.

Peter Noordhoek is promovendus op het terrein van ‘Trusting associations’

* Toespraak van minister-president Mark Rutte bij de Bertelsmann Stifting in Berlijn op vrijdag 2 maart 2018.


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: "De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard." Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek