Contact

Northedge B.V. 
Oosthaven 15-16 
2801 PC Gouda 
The Netherlands 
T 31 (0)182 684545 

www.northedge.nl 
Tw @PeterNoordhoek 

Archief

Weblog

1 32 33 34

Passion in Gouda

Deze weblog gaat over een gebeurtenis die ik waarschijnlijk zou hebben genegeerd als die niet letterlijk aan mijn deur voorbij zou zijn gegaan: ‘the Passion’. Met Gouda als niet toevallig gekozen decor, werd het lijdensverhaal van Christus modern maar wat houterig verbeeld en ‘verzongen’. De wijze waarop bekende Nederlandse liedjes werden ingezet om het verhaal te vertellen was redelijk geslaagd, maar zeker niet zo revolutionair als wat eerder al is gedaan. Het was interessant en passend hoe de bedenkers de eigenlijke kruisiging niet lieten zien, maar eenvoudig verwezen naar de hypocriete manier waarop we anno 2011 echt leed verhullen. Daar tegenover stond voor mij, zeker vooraf, het verontrustende beeld van de kruisgang zelf. Gouda stond de afgelopen dagen op z’n kop vanwege het gebeuren en dat was niet allemaal even slim gecommuniceerd door de gemeente. Toen een medewerker van Primera rond 17u meldde dat er op de 21e geen poststukken meer weggingen, ‘want er komt een kruisiging tussendoor’ vond ik dat humor genoeg om het tweeten. Toen een van mijn volgers een reply gaf waarin hij sprak van een ‘spotspektakel’ vond ik dat te zwart-wit, maar ik voelde wel aan wat hij bedoelde.

Dat gevoel kantelde tijdens de uitzending zelf. Er waren twee momenten. Het eerste moment was toen de groep met kruisdragers langskwam over de Westhaven. Wij keken vanuit het raam van onze huis aan de Oosthaven en werden verrast door de zang van de kruisdragers en de mensen daar achter. Niets popsongs, niets liedjes van BN’ers. De mensen zongen Paasliederen, religieuze liederen. Even kwam het me voor dat het kruis was gekaapt, teruggestolen door de kerkelijken – en toen realiseerde ik mij dat dit de ware basis was voor de makers van EO-RKK. Dit was hun stuk van de manifestatie. Loes, mijn vrouw, wist beter. Ze vond het gewoon mooi, bijzonder. Ze wilde er deel van uitmaken. Dat begreep ik en toen zijn we ons huis uitgestapt en richting de markt gegaan. Uiteindelijk kwamen we op een plek waar het kruis de markt op kwam. Toen het zover was, lieten we het kruis en de mensen er achter voor ons uit gaan en liepen een heel kort stukje mee. Dat was mooi. Even deel van iets groters. Opeens begreep ik wel wat het kan betekenen om aan een kruisgang mee te doen (afgelopen zomer bezochten we Lourdes. Ik stond naar ik dacht open voor een spirituele beleving, na alles wat ik daarover van mijn katholieke vrienden had gehoord. Maar temidden van al het commerciële geweld daar voelde ik me koeler en gereformeerder dan ooit). Kortom, de Passion in Gouda was even de moeite waard. Een gevoel dat nog verder versterkt werd toen we na afloop een St. Janskerk voor de ‘afterparty’ aantroffen die voller was dan ooit.

Twee vragen blijven me bezighouden. De eerste: de makers wilden jongeren bereiken die in meerderheid geen flauw idee meer hebben over de betekenis van Pasen. Hoe effectief is deze manier? De tweede: wat zegt dit over onze tijd en hoe we (ik) met die verschuiving in betekenisgeving om moeten gaan?

Aan de Passion, als idee overgenomen van de BBC, is naar ik hoor 2 jaar gewerkt. In totaal is er zo’n 1,1 miljoen euro met de realisatie gemoeid geweest. Dat was er aan af te zien. Er valt altijd iets op te merken, maar dit moet voor de betrokken omroepen een huzarenstuk zijn geweest. Complimenten. Met 20.000 bezoekers en bijna 1 miljoen kijkers (plus de kijkers naar de herhaling op zaterdagavond), moet het ook in termen van omroepmaatstaven goed zijn uitgepakt. Of de gestelde doelstelling van het mensen bewust maken van het Paasverhaal gehaald is – tsja, dat is de vraag. De mensen op de markt leken over het algemeen behoorlijk religiueus bewust, ook de kinderen onder hen. Natuurlijk waren er ook veel mensen die vooral blèrden en ander pubergedrag vertoonden, maar ik kan me voorstellen dat ze onder het meuten ook nog iets anders mee hebben gekregen. Het zal mij niet verbazen dat hetzelfde ook voor de kijkers thuis zal gelden. Goeddeels gaat het om kijkers die toch al zouden kijken. De miljoen mensen die op 2 oktober naar het CDA-congres keken waren over het algemeen veel politiek bewuster dan de gemiddelde kijker (Linda de Mol trok diezelfde dag 1,5 miljoen kiezers), maar dat er een uitstraling vanuit is gegaan zal niemand kunnen betwijfelen – echter lang niet genoeg om het beeld van de partij positief bij te stellen. De vergelijking gaat mank, maar ook voor de Passion moet gelden dat het een stevige inspanning was, maar die inspanning zal verdampen als het bij een éénmalige actie blijft. Alleen met herhaling is het effect blijvend. Hebben EO en RKK dan de middelen om het vol te houden? Ik kon het niet helpen om even door de ogen van een campagneleider te kijken. Bij een landelijke verkiezing beschikken alleen de grootste partijen over een budget dat richting de miljoen gaat en daar moeten dan letterlijk tientallen evenementen worden betaald, op een landelijk dekkende manier. Dat is dus nog veel meer een schot hagel (al worden de lijsttrekkerdebatten ‘gratis’ aangeboden) en de effectiviteit is zo evident beperkt. Juist de Passion maakte mij duidelijk wat een waanzinnige inspanning er er nodig zijn om de kennis over Pasen weer bij te laten trekken, laat staan het geloof weer dichterbij te brengen. EO en RKK hebben een strategische keuze gemaakt waar politieke partijen nog van kunnen leren, maar voorlopig is de echte slag nog lang niet gemaakt.

Elke tijd heeft haar eigen manier om het lijdensverhaal te verbeelden en verklanken. Als ik nu 8 jaar was zou de passion mij ongetwijfeld boeien en bijblijven – als ik lang genoeg op had mogen blijven om het te zien (wat absoluut niet het geval was). Toen ik echt 8 jaar was, kwam het lijdensverhaal alleen tot me via de Kinderbijbel en de vertelling op school en in de kerk. De TV was een geheimzinnig kastje naast de kerstboom waar Paulus de Boskabouter op woensdagmiddag uit kwam. Daar ergens tussenin vond de secularisatie plaats. Of passender gezegd; daar ergens tussenin kwam Jezus Christ Superstar langs en leerden we net zozeer door het perspectief van Judas kijken als dat van Christus en leerden ongemerkt ons eigen perspectief te kiezen. Het mooie is dat anno nu in een TV-show als de Passion het mogelijk blijkt dat niet alleen gereformeerden en katholieken met de stoet meelopen, maar ook mensen met een joodse, agnostische of islamitische achtergrond. Dat zou vroeger ondenkbaar zijn geweest en is het nu echt wel. Dat is toch pure winst? Tegelijk is er meer gebeurd dan alleen het loslaten van het traditionele geloof. Het tellen van het aantal gelovigen is nauwelijks relevant als de aard van geloof en geloofsbeleving daaronder zich fundamenteel wijzigen, zoals hier in Nederland is gebeurd. Zonder het weblog nog meer uit de lengte te laten lopen als nu al gebeurd, zou ik het willen verwoorden via twee van mijn gedichten (eng hoor, dat blijft iets heel persoonlijks).
In het eerste gedicht zit de afrekening met de kerk als instituut, in dit geval de katholieke kerk, maar ik had het ook over mijn eigen kerk kunnen hebben. De ik-figuur hoort alleen wat hij begrijpt en wat hij begrijpt is dat zijn kerk wordt aangevallen. De priester tegenover hem kan niet direct zijn. Hij versleutelt alle alle wezenlijke elementen van het Evangelie en lijdensverhaal in een aantal cryptische opmerkingen, die erg waar zijn, maar door de ander dus niet worden gehoord. Wat rest is verlies en verbittering.
In het tweede gedicht, net geschreven, dus ruw, zit de verwondering over de Passion. Het gaat niet meer over instituten, hoogstens over het instituut stad of het instituut Omroepland. Waar het alleen nog maar om draait is de verwondering, die van mij, maar meer nog die van een meisje dat ik die avond om haar heen zag kijken.

De priester en het barmeisje (een cryptogedicht)

Na afloop van zijn laatste mis benaderde ik de priester
en vroeg wat ik onder het begrip “genade” moest verstaan

Hij aarzelde, bedacht zich en zei toen bitter
dat hij gewoonlijk de G na de F in het alfabet zag staan

Ik was verbaasd, herstelde mij en vroeg wat hij bedoelde
toen hij zo smalend over “barmhartigheid” had gesproken

Hij keek mij aan, wist dat ik mij ongemakkelijk voelde
en zei dat hij zo het hart van een barmeisje had gebroken

Nu wantrouwend, met een sterk vermoeden van schandaal, vroeg ik hem
waar zijn gevoel voor “edelmoedigheid” was gebleven

En hij vertelde mij in een voor de kerk vernederend verhaal
dat al zijn pretentie bij de moed van die del was gaan verbleken

Inmiddels volkomen cynisch vroeg ik hem vervolgens snerend
wat de pseudopriester van het woordje “naastenliefde” vond

Mij berispend zei hij toen triest maar ook belerend
dat naast liefde soms ook een gelofte tot een einde komt

Met grote verontwaardiging en harde verwijten
wilde ik hem nog over zijn “goddelijke” roeping spreken

Maar met teleurstelling en zonder dat ik het kon begrijpen
zei hij dat Diens Zoon het brood al voor Hem had willen breken

Bijtend, afgewezen en vaag vernederd
vroeg ik hem tenslotte nog wat hij in de mis bedoelde
toen hij het over “heiligheden” had

Maar hij keerde zich om en naast de dichte kerkdeur zei hij:
Hij ligt achter mij; in het verleden en niet in het heden
Hij faalde toen ik niet meer genoeg aan woorden had

PN ’78

 

– o – 

 

Passion

Een rommelige stad wordt ingenomen
door Glamourland
Een park gemaakt voor zondagsrust
wordt bezongen als Gethsemanee
En een plastic kruis wordt gekaapt
door Paasgangers

Ik observeer met woorden
maar waarden krabben ze open

Verwonderd
wandel ik
toch
met hen
mee

Een meisje zegt: ‘dit is een raar verhaal’
maar haar ogen glanzen zachtjes

PN ‘11

Donner, Klink en Hirsch Ballin: drie denkers en wat ze te denken hebben

Het onvolprezen CDV heeft een themanummer gemaakt over populisme. Ze hebben vele interessante mensen gevraagd daar een bijdrage aan te leveren, waaronder Donner, Hirsch Ballin en Klink. We kennen de laatste drie allemaal bij hun voornaam, maar bij een blad als dit houdt je het voornaam en gebruikt je alleen hun achternaam.

Zoals te verwachten viel, leggen deze drie verschillende accenten in hun uitleg van het begrip populisme, maar dat is niet de reden om over hen te schrijven. Met een PVV die zich naar buiten Kabinetsverband populistisch opstelt, maar daarbinnen ronduit gouvernementeel, krijgt de discussie over populisme toch iets gezochts. Daarbij zijn de bijdrage van de drie op het eerste oog geen oefening in confrontatie. Ze maken beschrijvingen van het fenomeen die aanvullend werken op elkaar. Ze staan in eenzelfde traditie van bedachtzaam kijken naar een relevant verschijnsel. Waar het hoogstens schuurt is in de wijze waarop ze met het verschijnsel omgaan; in de consequenties van de conclusies. Die conclusies vullen elkaar in the themanummer overigens aan. Donner benadrukt het opvoeden, Hirsch Ballin het overeind houden van de rechtsstaat, Klink de noodzaak van hervorming. Alle drie zijn verenigd in hun afkeer van het populisme, alle drie zijn ook veel te groot om alleen aan symptoombestrijding te doen. Maar waarom ben ik dan toch zo nerveus bij het lezen?

Scheve hoofdpijn

Of het populisme groter of kleiner wordt in ons land, hangt uiteindelijk af van heel veel factoren, maar het begint en eindigt doorgaans bij de gesprekken aan tafel of in het café als we de verhalen van ‘buiten’ groot en groter maken en niet meer weten wat nog normaal is en wat niet. Populisme bestaat bij gratie van het bestaan van onzekerheid. In die zin is het wat mij betreft geen erg interessant verschijnsel. Populisme bestrijden door het te bestrijden, is zoiets als bijziendheid corrigeren door scheel te gaan kijken. Het levert vooral scheve hoofdpijn op.

Maar niets doen is toch ook geen optie? Waarop mijn antwoord zou zijn dat je wel degelijk wat moet doen, maar dan door naar de bron aan te pakken, de onzekerheid. Tegelijk is dat weer zo’n ware, maar vage uitspraak, dat de lezer gelijk zou hebben als die afhaakt.

Drie heren

Dan is het fijn om drie denkers van het formaat Donner, Hirsch Ballin in Klink in de geledingen te hebben, zoals denk ik ook vertegenwoordigers van andere partijen zouden beamen. Naar hen zou je mogen kijken voor een verdere aanwijzingen over de koers van het CDA nu we inmiddels al een paar maanden op weg zijn met het kabinet. Daarom is het meer dan een beetje spannend om de drie naast elkaar in een tijdschrift te zien, schrijvend over iets dat dicht bij de kern ligt van het gedoogakkoord. Iedereen die er op 2 oktober bij was of naar de TV keek, kan echter weten dat Donner enerzijds en Hirsch Ballin en Klink anderzijds, tot conclusies kwamen die hen diametraal tegenover elkaar zetten. Iedereen de drie kent, weet ook dat zij niet impulsief positie kiezen, maar alles tot op punten en komma’s hebben doordacht. Zou die tegenstelling verder aangescherpt worden door het schrijfwerk van de heren? Als dat zo is zijn we als partij nog verder van huis.

Non-confrontatie?

De eerste conclusie is dus dat dit niet het geval is. Het is een beetje een non-confrontatie. Deze week was er een door het Wetenschappelijk Instituut georganiseerd debat tussen Hans Hillen en Renée Paas, met aan het slot commentaar door Herman Kaiser. Er was de nodige pers op af gekomen, mede omdat men een heftig debat voortzetting verwachtte van het debat in trouw tussen Hillen en Kaiser. Ook dat werd een non-confrontatie. Hillen ging middendoor en deed een goede poging te zoeken naar dat wat verbindt in het gedachtengoed. Hij kon het plagen niet laten door te pleiten voor een districtenstelsel, maar daar bleef het eigenlijk bij. Grappig om te merken hoe journalisten daarna niet goed weten te reageren. Close reading natuurlijk, dames en heren. Maar ook door wat gezegd worden serieus te nemen als uiting van een eigen politieke stroming. Daar ga ik nu ook een poging toe doen.

Donner

De drie weten de confrontatie door allemaal een variant te nemen op het lange termijn perspectief. Donner zoekt het antwoord in de verantwoordelijkheid nemen en betrokkenheid tonen. Echter: ‘een betrokken burger wordt men niet vanzelf’, het moet geleerd worden.’ Hij vervolgt: ‘samenwerken, verbinden, matiging, beperking, respect voor een anders zienswijze, beleving of geloof; het komt niet vanzelf, maar moet worden bijgebracht ..’ Om dan te stellen: ‘Niets werkt zo louterend als zelf betrokken te zijn, zelf deelnemer te zijn, zelf te worden aangesproken op wat wel of niet zou moeten.’ Hij concludeert dat populisme niet bestreden moet worden door ‘confrontatie, afwijzing en uitsluiting, maar ook daarmee waar mogelijk samenwerking te zoeken.’ De houding van Donner is die van een man die voorbij het grote verhaal is en de maat van kleine stappen kent.

Hirsch Ballin

Donner formuleert als de door de wol geverfde leraar die voor een moeilijke klas staat. Geef me maar tijd en ik weet ze wel op weg te krijgen. Je ziet het hem doen. Hirsch Ballin is meer de schooldirecteur in een ruige buurt die om zich heen kijkt en zich verzet tegen pogingen van de leerlingen om de school gaan overnemen. Wel of niet detectiepoortjes bij de ingang?

Populisten zien in zijn visie de gevestigde politieke structuren als een belemmering van ‘gewone mensen’. Populisten keren zich niet alleen tegen de ‘anderen’, maar tegen de instituties van de rechtsstaat. Hirsch Ballin onderschrijft het Program van Uitgangspunten van het CDA als het stelt dat een democratisch gekozen partij, die de beginselen van het staatsbestel aanvaardt, niet bij voorbaat mag worden uitgesloten van het dragen van regeringsverantwoordelijkheid. Hij vraagt zich echter af of er gronden zijn waarop een partij zich daarvoor toch diskwalificeert. Centraal staat voor hem het begrip ‘wederkerigheid’. Wil je in een democratisch bestel je rol kunnen spelen, dan moet je de regels van de rechtstaat erkennen. Pas dan kan een partij worden beschouwd als een dragende kracht voor de rechtsstaat. Ruim citerend uit het verkiezingsprogramma van de PVV, stelt hij dat er sprake is van een sterk vriend-vijand denken. Collectieve diskwalificatie van groepen – de immigranten, de ‘elites’- is daar een uitgesproken voorbeeld van, waarbij feiten kennelijk irrelevant zijn.

Hirsch Ballin stelt dat een democratie niet kan functioneren als zij gepaard gaat met de uitsluiting van bepaalde groepen van volwaardige participatie. Hij plaatst dit in een breder raamwerk van gebonden zijn aan het recht en het idee dat besluitvorming aan procedures is gebonden. Hij realiseert zich dat deze besluitvorming vaak geduld vraagt, maar ziet dat ook als een teken van respect voor diegenen die het recht hebben ook hun opvattingen naar voren te brengen. Dat is de operationalisering van het begrip wederkerigheid. Het meewegen van het gezichtspunt van de ander, en dus van iedere betrokkene, is een eis (mijn cursivering, PN) die geldt voor elke democratie. Aan het slot zegt hij dan: ‘Politici die zich van hun verantwoordelijkheid bewust zijn zullen dit ook aan Henk en Ingrid willen duidelijk maken.’

Ik zou niet graag in de schoenen van Henk en Ingrid willen staan als ze met Hirsch Ballin worden geconfronteerd – hier weersta ik de analogie van de schooldirecteur. Henk en Ingrid zijn geen namen voor pubers. Ik zou overigens ook niet graag in de schoenen van de politici willen staan bij deze verdediger van de rechtstaat.

Klink

Klink is de jongste van het drietal, maar is de enige die echt met een historische analyse komt. En wat voor één. Hij traceert de wortels van de huidige populistische beweging op grond van macro-economische bewegingen tot Paars II. Mooi beschrijft hij het onbegrip van de elite over het kennelijk ongenoegen van de bevolking in een tijd dat ‘zelfs de Economist’ Nederland de hemel in prijst. Maar: ‘wat lastig te duiden is, wordt al snel als irrationeel weggezet’. Na de Fortuyn-revolte is het besef dat het anders moet volop aanwezig en wordt een hervormingsagenda geformuleerd door de eerste kabinetten Balkenende. Zonder hervormingen zouden de verzorgingsstaat en de economie genadeloos vastlopen, met alle gevolgen van dien. Hervorming was dus nodig om zekerheid over behoud van inkomen en meer te behouden. Het probleem was natuurlijk dat de maatregelen die daarvoor nodig waren – verhoging AOW-leeftijd, aanpakken WAO – de onzekerheid zelf weer verder vergrootten. Via een ‘toerustingsagenda’ werd dat bijgebogen, inclusief een sociale zekerheid die voor de echt sociaal zwakken toereikend is. Klink maakt op dit punt een scherp onderscheid ‘met sommige voorlieden van het CDA’, die vinden dat ‘de overheid niet elk gat kan dichten en dat de samenleving op zichzelf moet zijn aangewezen.’ Of Klink die voorlieden voldoende recht doet is de vraag, maar als ik hem goed begrijp is de teneur van zijn verhaal dat we nu opnieuw voor de noodzaak van een grote sociale en economische hervorming staan, met de vergrijzing als katalysator. Dan kunnen we ons als middenpartij niet laten gijzelen door populistische partijen die inde kern niet hervormingsgezind zijn of open staan voor andere antwoorden. Bij die andere antwoorden betrekt hij ook de ‘gepercipieerde opkomst van de islam’ bij. Gepercipieerd, niet alleen omdat de getalsmatige groei van de islam bescheiden zou zijn, maar omdat het niet juist is de ontwikkeling binnen de islam op één hoop te gooien. Hij ziet de lelijke islam, maar er is ook een andere islam. Willen we die een kans geven dan mogen populistische stromingen die verbinding tussen islam en rechtstaat niet op slot gooien en is ook op dat vlak iets nodig, passend bij de hervormingsagenda.

Reflectie

Wat me bij het bovenstaande opvalt is dat ik de denklijn van Donner in een paar regels heb kunnen vangen zonder het gevoel te krijgen hem onrecht te doen en dat dit me bij Hirsch Ballin en Klink niet gelukt is. Waarbij het overigens heel knap is dat je bij Klink direct het gevoel krijgt dat hij per direct in staat is een nieuwe hervormingsagenda voor het strategisch beraad te formuleren.

Of je hem dat verhaal moet laten schrijven is de vraag overigens. Hij vergist zich als hij denkt dat de tegenstander het huidige kabinet is. Dat is de kiezer van morgen. Daarbij denk ik dat hij nog niet klaar is met het reflecteren op de periode Balkenende, in veel opzichten ook zijn periode.

Het verhaal van Hirsch Ballin geeft mij nog de meeste moeite. Het is het verhaal van een onverschrokken verdediger van de rechtsstaat. Ik voel me er klein bij als ik het lees. Maar het is te abstract; het verhaal van een andere wereld, een andere planeet bijna. ‘Gewone mensen denken zo niet’, hoor ik mijzelf denken, wetend dat ik hem tekort doe. Maar de wederkerigheid waar Hirsch Ballin over spreekt moet je ook voelen, moet je als terecht ervaren en niet als het mechanisme waarmee mensen zich buitengesloten voelen. Dat laatste is, terecht of onterecht, voor ontzettend veel mensen het geval en daar helpt geen honderd keer uitleggen aan. Als hij dan het woord ‘eis’ verbindt aan het principe dat anderen zich altijd moeten kunnen laten horen, krijg ik het benauwd. Er wordt een grenspaal in de grond geramd waar ik niet omheen kan of wil, maar waarvan ik weet dat het de zaken erger en niet beter zal maken. Want wat is de volgende stap?

Voordat ik daar op in ga, eerst nog mijn reflectie op Donner. Als procesdenker voel ik me zeker tot zijn benadering aangesproken, maar er zitten ook een paar evidente tekortkomingen in. Hij zal het zo zeker niet bedoelen, maar net als het verhaal van Hirsch Ballin is het een toch wel arrogant verhaal. Het is een verhaal dat van boven naar beneden is opgeschreven, zonder veel besef dat er een eigen bijdrage is geleverd aan een voedingsbodem voor het populisme. Daarbij is de raad om geduld te hebben weliswaar wijs, maar dan moet die tijd er wel zijn, of ten minste de indicatie van een soort tijdpad. Het meest verontrust ben ik nog door de gedachte dat we nu te maken hebben met een tovenaarsleerling die de leraar vol geduld aan het opvoeden is. Wie speelt er nu met wie welk spel? Politiek is voor mij een voortdurende emancipatiestrijd. Ik denk niet dat noch het CDA noch de VVD op dit moment een emancipatiebeweging vertegenwoordigen, Wilders kan daar wel enige claim op maken. Het verhaal van Donner zou er voor mij heel wat steviger op worden als hij laat zien welke beweging onze partij vertegenwoordigd, waarbij ik ook aan Klink’s kritiek denk op de agenda van dit kabinet. Let wel; ik ben er van overtuigd dat Donner niet voor de makkelijkste weg kiest door voor de lijn van meegaan en bijbuigen te kiezen. Het vraagt om duizend en één confrontaties en als iemand daar niet bang van is, dan is het Donner. Maar is het dan toch niet beter om de strijd echt aan te gaan en dan, net als Hirsch Ballin, met één duidelijk principieel standpunt duidelijk te markeren waar je staat?

Principes

Principiële standpunten laten zich vanuit hun aard niet relativeren. Ik wil het niet eens, want ik heb bewondering voor iedereen die naar principes leeft en handelt. Op mijn eigen manier probeer ik dat ook. En toch zal ik nooit zomaar iets principieel verklaren. Elk gesprek stopt nadat een principieel standpunt is verwoord. Met een proces van herbronning, hertaling, of hoe we het ook noemen, in het vooruitzicht, kunnen we het ons niet permitteren om stilzwijgend aan de stille strijd van onze prominenten voorbij te gaan. Dat is wel het risico dat doorschemert uit de drie verhalen. Waar sta ik dan? De drie laten me wel achter met een dilemma.

Ik heb ook zo mijn principiële standpunten. Eén daarvan is dat je luistert naar je kiezer, of die kiezer nu het grootste ongelijk heeft van de wereld of niet. Toen op 6 juni de uitslag binnenkwam, was dat voor mij niet alleen een boodschap aan Balkende en Van Heeswijk, maar aan de hele partij. De kiezer zei: je hebt je beurt gehad. Ik ervoer dat als pijnlijk, een ontkenning van goede intenties en echte resultaten, maar ook als bevrijdend. Kan je weer gaan bouwen. Ik heb er zin in. Al snel kwam er echter een tegenbeweging op gang, Die kwam neer op de stelling dat het CDA hopeloos is als oppositiepartij en dat haar ervaring harder nodig is dan ooit. Beide dingen kon ik niet ontkennen, maar ik vond en vind het principieel onjuist om er zo over te denken, ook en juist binnen de Nederlandse verhoudingen. En net zoals er niets praktischer is als een goede theorie, denk ik dat we een hoge prijs gaan betalen voor het negeren van dit principe. We hebben zoveel huiswerk te doen.

Trein

Maar goed, de trein vraagt niet de weg aan mijnheer Noordhoek en ik kom, net als alle andere leden, terecht in een uiterst lastige afweging over een gedoogconstructie. Waar trek je de streep? Alle elementen die de drie te berden brengen over het populisme waren toen ook aanwezig. Met name het lezen van het gedoogakkoord was pijnlijke lectuur. Het bevat dingen die tegenstrijdig zijn aan alles wat ik van mijn ouders heb meegekregen en waar ik in de loop van mijn leven voor ben gaan staan. Het raakte mij op principieel niveau. Het probleem was echter dat het niet bij één principieel punt bleef. Buiten deze tijden geldt dit evenzeer; maar heeft niet elke politieke afweging een principieel element in zich? En maken we die afwegingen niet dagelijks? Toewerkend naar 2 oktober kon ik de principiële discussies niet meer op één hand tellen en ook niet op twee. En naast al die niet te relativeren principiële punten kwamen allerlei praktische afwegingen. Wat is de prijs van geen kabinet? Wat gaat de economie doen, als .. ? Wat betekent dit voor de partij? Nou ja, zo heeft iedereen hebben geworsteld. Zelf heb ik uiteindelijk voor het gedoogakkoord gestemd. Dat heb ik gedaan vanuit mijn perceptie van het landsbelang, alles afwegend wat ik kon over de effecten op economie en samenleving en uiteindelijk menend dat het principiële punt van de vrijheid van godsdienst andere punten niet mocht overvleugelen. Het besef dat ik daarmee iets deed waarin ik het niet met mijzelf eens was, was zwaarder te hanteren dan het besef dat stemmen voor gedoogsteun in mijn perceptie tegen het belang van de partij ingaat. De kans dat we zwaar moeten betalen voor kabinetsdeelname schat ik nog steeds hoog in. Maar net als Donner wil ik niet versagen en steeds weer laten zien wat we werkelijk waard zijn en wat werkelijk de moeite waard is.

Bent u er nog?

Bent u er nog? Nog niet afgehaakt vanwege deja vu gevoelens? Waar brengt dit ons dan? Alle drie laten mij en de leden op een andere manier in de steek. Donner geeft te weinig perspectief en maakt je benieuwd naar waar zijn grenzen liggen. Hirsch Ballin eist zaken die niet te eisen zijn maar moeten worden verdiend. Klink komt met een ambitieuze hervormingsagenda en belast die nog verder met een verbinding van islam en rechtsstaat, zonder te overtuigen dat mensen beter toegerust aan deze agenda zullen beginnen dan bij vorige agenda’s.

Misschien zit de grootste fout wel bij mijzelf. Dat ik verwacht dat denkers als deze drie mij panklare oplossingen zouden kunnen bieden. Net zoals ik op 2 oktober mijn eigen afweging heb moeten maken, zal ik dat de komende maanden en jaren steeds opnieuw moeten doen – en daar is niets mis mee. Als ik mijzelf wel maar aan die ene beschavingsregel houd die door het verhaal van alle drie heengaat; het uitgangspunt dat je je verplaatst in de wereld van de ander en daar respect voor hebt. Zelfs of juist als dat populisten zijn.

Richting de drie is de boodschap ondertussen wel dat ze mij en de andere leden niet moeten blokkeren in die ontwikkeling. De aantrekkelijkheid van het CDA heeft voor een belangrijk deel steeds gelegen in het feit dat het tegenstellingen, ook van religieuze aard, steeds weet te overwinnen. Zelfs intellectuele tegenstellingen zouden overbrugbaar moeten zijn. Principiële bezwaren moeten gehoord en erkend worden, maar ze mogen die ontwikkeling niet blokkeren. En heren, blijf schrijven en inspireren.

Peter Noordhoek

www.northedge.nl

Bronnen:

Piet Hein Donner – De ware volkspartij zoekt naar gemeenschappelijke belangen.

Enst M.H. Hirsch Ballin – Henk, Ingrid en de rechtsstaat.

Ab Klink – Hervormingen zijn noodzakelijk om populisme in de toekomst niet opnieuw in de kaart te spelen.

Alle artikelen verschenen in: Govert Buijs, Pieter Jan Dijkman & Frank van den Heuvel (Red.) – Populisme in de Polder. CDV, lente 2011.

 

NB Dank aan degenen die per twitter en mail op mijn vorige bijdragen en de aankondiging van deze weblog hebben gereageerd. Ook al gebruik ik niet alles in directe zin, het wordt zeer gewaardeerd.

Gedichten, gedachten en een vraag

Vorige week kondigde ik aan dat deze week in het teken zou staan van het publiceren van mijn gedichten van het laatste decennium. Dat is inmiddels gebeurd: http://bit.ly/dEY2Q8 Ik hoor niet bij degenen die denken dat een gedicht pas goed is als ie ontoegankelijk is. Het betekent echter ook niet dat gedichten eenvoudig moeten zijn. Deze gedichten zijn het overwegend niet.

Deze week heeft verder in het teken van werk en allerlei financiële activiteiten gestaan. Komende dinsdag krijgt Northedge Opleidingen en audit om te bezien of het in aanmerking komt voor certificering van kort beroepsonderwijs. Ik heb daar allerlei bedenkingen bij, maar wellicht hoort dat bij het ondergaan van een audit. Misschien wel een keer goed om degene te zijn die hem ondergaat.

Hoe dan ook; geen grote weblog dus. Helemaal niets kan ik niet schrijven, maar ik beperk me tot een gevoel en een vraag. Het gevoel heeft te maken met de schietpartij in Alphen a/d Rijn. In de laatste campagne heb ik nog in dat winkelcentrum gefylerd. Een winkelcentrum eerlijk gezegd als zoveel anderen – en juist daarom voelt het waarschijnlijk tegelijk zo onwezenlijk en zo dichtbij als zoiets gebeurd. Een vriend van me die bij politie werkt ging gisteren direct naar Alphen toe. Niet omdat hij daar functioneel wat te doen had, maar omdat hij er voor zijn collega’s wilde zijn. Hij hield tegelijk twitter in de gaten en pikte er een tweet uit waarin iemand schreef dat hij het voorbeeld zou van de schutter zou gaan volgen. De man zit inmiddels vast, maar zo merk je hoe kwetsbaar we allemaal zijn voor copieergedrag, tot in het extreme. Deze zondag zitten de kerken vol met redelijk mensen die elkaar ondersteunen en zich tegelijk bijna radeloos afvragen hoe we kunnen voorkomen dat dit vaker gaat gebeuren. We vrezen het antwoord: dat kan niet. Maar misschien kunnen we het gevaar iets minder maken door alert te blijven op de loners in onze wereld en simpelweg door een cultuur van nadenken te stimuleren en copieergedrag te herkennen en te ontmoedigen. Zei hij hoopvol, hoopvol.

Dan een aankondiging, c.q. vraag. Het raakt wel degelijk weer het CDA. In het laatste nummer van CDV (Christen-Democratische Verkenningen) formuleren zowel Donner als Hirsch Ballin en Klink een christen-democratisch antwoord op de vraag hoe een volkspartij om moet gaan met populistische bewegingen. 

Alle drie bewonder ik zeer. Alle drie zijn politici die met argumenen en redeneerlijnen komen waar je niet tegen op kan als je alleen maar met wat ideologisch kreten gewapend bent. Ze leveren echt denkwerk. Maar dan wordt het er niet makkelijker op als Hirsch Ballin en Klink op een fundamenteel andere lijn zitten dan Donner. Ik neem een week de tijd, tot mijn volgende weblog, om zelf na te denken over dit verschil van inzicht en mijn positie te bepalen. Wellicht vindt de lezer het de moeite waard mee te denken. Mijn weergave van het verschil van inzicht is deze: Donner stelt: ‘de beste manier om een populistische partij te bestrijden is niet door de confrontatie met haar te zoeken, maar door de zorgen van haar kiezers serieus te nemen’. Hirsch Ballin stelt daar tegenover dat populistische partijen zich niet alleen tegen ‘de ander’ keren, maar ook tegen de instituties van de rechtsstaat. Daar is geen compromis op mogelijk: ‘De democratische rechtsstaat is er voor iedereen, of hij is er niet’. Klink stelt dat het populisme ontkent dat rechtsstaat en islam samen kunnen gaan. Zonder hervormingen, ook hervormingen die een brug slaan tussen islam en rechststaat, worden middenpartijen als het CDA gegijzeld door het populisme.

Ga er maar aan staan. Dat lijkt echt op een fundamentele tegenstelling. De komende week probeer ik een manier te vinden om het kennelijk onverenigbare toch bij elkaar te brengen. Als het bij deze mensen niet lukt, bij wie dan wel. Wie mee wil denken is dus welkom.

CDA en de strategische lijn: ware woorden

Het was een heel slecht moment voor mij. Ik wilde vrijdag een mevrouw van een internet-radiostation vertellen wat de vier basisbegrippen van het CDA zijn en kwam niet verder dan drie. Gelukkig was het op een receptie en niet tijdens een uitzending. Ik kwam vrij vlot tot de begrippen rechtvaardige samenleving, rentmeesterschap en solidariteit. Pas nadat mijn ‘senior moment’ was gepasseerd kon ik weer op ‘gespreide verantwoordelijkheid’ komen. De dame van de radio vergaf het me. Wat ze me niet vergaf was dat het van die onmogelijke termen waren. Gelukkig gaf ze mij wel de kans de vierbegrippen in andere woorden te vertalen, maar ondertussen vergaf ik het mezelf niet helemaal dat het zo moeizaam ging. Ben je al zo’n 30 jaar met die begrippen bezig, geef je er soms zelfs les in en dan weet je ze nog steeds niet gedachteloos te hanteren. Schande. Zou dat het zijn wat er mis is met ons? Laat ik voor mijzelf spreken; ik voel de waarde ervan, maar heb het niet zo in woorden paraat als zou moeten in deze tijd.

Ruth Peetoom is de nieuwe voorzitter. Van harte, van harte. Mijn beeld is dat zij en de andere kandidaten vooral zichzelf gedragen hebben en dat er niet overdreven veel is ‘gemanaged’. Maar als er wel is gemanaged dan is dat bij Ruth waarschijnlijk vooral geweest in de lijn van ‘geen fouten maken’. Het waren vooral de tegenstander(s) die met inhoud kwamen. Ruth heeft naar mijn gevoel richtinggegevende uitspraken over de inhoudelijke koers van het CDA eerder vermeden dan gedaan. Mede daaruit is de behoefte aan iets van een Strategisch Beraad goed verklaarbaar. Een vacuüm vult zichzelf. Een resolutie in die richting werd afgekondigd en nog voordat de middag voorbij was werd een dergelijk beraad aangekondigd. De partij gaat me dus helpen met mijn geheugenprobleem. Mooi. Maar hierbij gelden twee waarschuwingen en daar wil ik deze blog aan besteden.

De eerste waarschuwing is dat de behoefte aan een Strategisch Beraad juist niet gezocht moet worden in de behoefte aan een brede consultatie van de leden, maar juist aan de wens om weer een soort Balkenende of Klink aan het woord te laten die voor ons zal gaan formuleren wat onze inhoudelijke lijn is. Dit is dus geen vraag om een gedeeld proces, dit is de vraag om ‘een gezaghebbende stem’. De vraag komt dan gelijk op wie dat dan wel gaan doen en vervolgens hoe zich dat gaat verhouden met het bredere consultatieproces zoals dat ook binnen de partij moet worden gevoerd en waar de permanente programmacommissie het kanaal voor moet worden. Mijn beeld: het strategisch beraad is een sui generis actie; een eenmalige verdiepingsslag van enkele mensen met de gave van woord en hart. Daarna weer in de lijn.

De tweede waarschuwing heeft te maken met wat mij bij de dame van de internetradio overkwam. De tijden zijn wel veranderd sinds het vorige strategisch beraad werd geformuleerd. Zou het al op een computer zijn gemaakt, of nog met zo’n IBM typemachine met roterende kop? Mijn punt is dit: vergeet het dat een strategische lijn achter een bureau kan worden geformuleerd. Het kan niet anders of het wordt een wisselwerking tussen de elementen van het gedachtegoed en de beelden over welk element het beste over zal komen bij het electoraat. We hebben te maken met zo’n 17 miljoen Nederlanders, waarvan velen alleen nog maar via mediasignalen bereikt kunnen worden. Dat vraagt om een strakke aanpak met een heldere strategische lijn. De kans dat wat een strategische beraad bedenkt niet aansluit bij die mediasignalen is levensgroot. De uitkomsten van het strategisch beraad bepalen dus ook waar en hoe (permanent) programma en (permanente) campagne elkaar gaan ontmoeten.

Laat ik een poging doen om de elementen van dat proces te schetsen. En laat ik maar beginnen bij precies waar Ruth Peetoom zegt dat het om moet gaan: het ‘hertalen’ van ons gedachtegoed.

Dat start dus bij de vier kernbegrippen. Ik geef ze weer en geef er direct een hertaling bij in de vorm van vier teksten voor een abri op een druilerig station in Gouda-Goverwelle.

  • gespreide verantwoordelijkheid     –       ik sta voor meer. Jij ook?
  • publieke gerechtigheid                  –       ik respecteer, jij respecteert, wij respecteren
  • rentmeesterschap                         –       nu delen telt op voor later
  • solidariteit                                      –       open armen en een warm hart 

Maak zelfs maar eens een dergelijke hertaling van onze basisbegrippen; het valt nog niet mee, maar ik ben dan ook geen copy-writer. Heb daarbij trouwens de neiging om er nog iets aan toe te voegen als ‘en durf te genieten’, want het is allemaal zo verdraaid serieus. En toch denk ik dat ik er campagnetechnisch wel voor zou willen gaan om de komende jaren met dergelijke kernwoorden overal zichtbaar te zijn. VVD en vooral PVV maken de wereld erg plat in hun abri-teksten. Ik durf wel een andere kant op te gaan – mits de woorden precies goed zijn. En dan kom ik weer bij mijn punt terug. De hertaling van onze vier echt mooie beginselen moet heel nauw aansluiten bij wat onze moderne marketing- en communicatiemogelijkheden zeggen. Velen zullen die laatste vieze woorden vinden, maar de fout van het verleden is dat we de balans niet hebben gevonden, niet dat we ons professioneel hebben opgesteld. Een nieuwe balans is nodig. In ‘De conjunctuur van de macht’ (G. Voerman e.a.) beschrijft Marcel ten Hooven hoe Arie Oostlander al zijn medewerkers de opdracht gaf om al het confessionele bronmateriaal te gaan doorzoeken om zo een synthese voor een politieke leer te kunnen vinden. Traditionele bronnen werden gecombineerd met tegen de tijd in denken en daar kwam iets heel moois uit voort. Daar hebben we nu ontzettend veel profijt van, maar nu wordt het tijd voor een omgekeerd proces. We moeten onze orthodoxie tegen de bronnen van nu houden, er de woorden voor vandaag uithalen, dan weer terug naar onze bron gaan, etcetera.

In mijn opa’s auto was een geheimzinnig bordje geschroefd. Het duurde best lang voor ik RIJJIJOFRIJIK als kleine jongen kon ontcijferen. Tegen de tijd dat ik begreep dat op het bordje ‘rij jij of rij ik’ stond kon ik de boodschap niet meer uit mijn hoofd krijgen. Vanuit die boodschap heb ik afgelopen zaterdag mijn best gedaan een aantal resoluties van organisatorische aard te ontraden (‘bij wijze van spreke heb ik nog liever dat dit congres een straaljager koopt dan dat het nog een comité gaat oprichten’; sorry voor de hyperbool). Het gevolg is wel dat ik nu natuurlijk even niets meer over structuurkwesties mag zeggen. Ik denk dat ik nog aan de goede kant van de lijn blijf als ik zeg dat er goed gekeken moet worden naar de samenhang tussen de (permanente) programmacommissie en de (permanente) campagne. Ja, de inhoud moet leidend zijn. Maar vergeet het dat die netjes te scheiden zou zijn van de campagne. Dat moet je niet eens willen scheiden. Elke programmacommissie gaat kopje onder als de hete fase van de campagne in zicht komt, geen campagneteam kan de boog jaren achter elkaar gespannen houden. Waar ik op hoop is dat degenen die bestuurlijk en professioneel verantwoordelijk gaan worden voor programma en campagne heel nauw gaan samenwerken. het is aan de nieuwe voorzitter om daar dicht bij te zitten en bij te sturen als er meer dan een gezonde spanning tussen beide mooie klussen komt.

Jongens (m/v), wat draaf ik weer door. Als iedereen zo dwaas doet als ik, heeft Ruth al snel spijt van haar uitspraak ‘We gaan het doen. We gaan het samen doen’. Ik herhaal daarom mijn boodschap maar zoals ik die zaterdag ook deed: geef de nieuwe voorzitter de ruimte. In die ruimte gaan mooie dingen gebeuren.

Het was fijn om ook op het congres te merken dat mijn blog wordt gewaardeerd. Vandaar dat ik er vanavond toch een vervolg aan heb gegeven. De frequentie wordt wel verlaagd. Komende week kom ik met iets heel anders, een bundeling van mijn gedichten uit het laatste decennium. Daarna wil ik mijn ‘Polblog’ over politieke ontwikkelingen afwisselen met blogs over mijn werk en geregeld een weekje niets.

Crisis in het CDA: bij het herlezen van een brief

In deze laatste weblog voor het congres van 2 april geen actuele interpretatie van de voorzitterstrijd in deze dagen. Mijn keuze is in principe gemaakt, al zal ik wel wachten tot na de speeches op het congres. Via de woorden die ze uitspreken en de vorm die ze daarvoor kiezen, zeggen de kandidaten iets over zichzelf en hun invulling van de voorzittersrol. Ik vind het een kwestie van respect om te wachten op de speeches – en bovendien hou ik wel van een beetje rethoriek.

Belangrijker is echter wat deze voorzitterskeuze betekent voor het in beweging brengen van onze partij. Hoe keren we het tij? Onze partij wordt in een razendsnel tempo leeggezogen. Op de langere termijn geloof ik in de kansen van een partij als het CDA, op de korte termijn zijn de vooruitzichten dramatisch. Beide kandidaten bieden een eigen perspectief op een kerend tij. Sjaak van der Tak doet dit door er op te wijzen dat de meeste potentiële CDA-kiezers zich op rechts bevinden en dat we die kiezers daar eerst moeten vinden voordat we ze weer richting het midden kunnen gidsen, want ook hij ziet daar de logische plaats van het CDA. Het is in ieder geval een analyse die feitelijk juist is en als strategische koers overtuigend. Je kan jezelf wel tot matigende middenpartij verklaren, maar je moet ook een verhaal hebben om die positie onvermijdelijk te maken en daarvoor wijst hij de richting. Er zit echter één klein, maar vitaal woordje in deze denklijn dat er uit moet worden gelicht. Het gaat om het woordje ‘we’. ‘We’ kunnen anderen niet overtuigen van ons verhaal als ‘we’ niet eerst onszelf weten te overtuigen. Het is op dit punt dat de kandidatuur van Ruth Peetoom zo welkom is: in haar persoon laat ze zien dat ook de tegenstemmers van 2 oktober erbij horen – dat er een ‘we’ is. Het principe dat je eerst het eigen huis op orde moet hebben voordat je effectief naar buiten toe kunt optreden, geldt ook voor ons.

Het is wel een heikel evenwicht, als ik er zo over nadenk. Alleen de persoon Ruth zal niet genoeg zijn om een verandering te geven – zoals ze zelf waarschijnlijk als eerste zal toegeven. Gelukkig heeft ze uit de eerste rond een stemmenaantal gehaald die ver boven de 32% uit is gekomen. Toch blijft het risico bestaan dat ze teveel met die 32% en te weinig met de 100% wordt geidentificeerd. Daarom is het zo belangrijk om niet alleen naar de persoon, maar ook naar de inhoud te kijken. En om dat weer te doen, ben ik vanavond maar eens terug gegaan naar de roemruchte brief van Ab Klink. Toen ik iemand zei dat ik daar over wilde schrijven, kreeg ik gelijk een schrikreactie. Moet je het daar nou over hebben? Een beetje riskant is het wel, heb ik haar toegegeven, maar ik hoop het zo te doen dat het ruimte geeft en geen oude vechtpunten herhaalt.  

We zijn nu een paar maanden verder met het Kabinet. Klopt zijn analyse van destijds en zullen we er ook in de komende periode nog tegen aan lopen? Ik kan me de woensdagavond nog goed heugen dat de brief uitkwam. Samen met een paar anderen, inclusief onze lijsttrekker Liesbeth Spies, waren we aan het vergaderen over het provinciale verkiezingsprogramma. Het was een hele onrustige dag, vol met beelden van ‘de deur’. Ik hield in ieder geval mijn Blackberry in de gaten en opeens zag ik iets langs komen over een brief. Onder tafel probeerde ik de bijlage bij het bericht te openen, maar dat lukte niet. Het was me in ieder geval duidelijk dat er iets bijzonders aan de hand was. Daarom vroeg ik Liesbeth om met mij de vergadering uit te komen en gingen wij op zoek naar een computer om de brief goed te kunnen lezen. We waren het zaaltje nog niet uit of de eerste journalisten meldden zich. Het probleem was dat wij op dat moment zelf ook niemand achter de fractiedeur konden bereiken. Welk standpunt moest Liesbeth innemen? Met enig improviseren lukte het ons een PC te vinden en de brief te lezen. We hebben elkaar toen even goed aangekeken. Heftig. Klopt het? En tegelijk besef je op zo’n moment dat het niet in de eerste plaats om de inhoud van de brief gaat, maar om de onderlinge verhoudingen binnen de fractie. Met dat in gedachten is Liesbeth antwoord gaan geven. Eerlijk en niet verhullend dat de brief een diep meningsverschil aangaf, maar ook professioneel in de zin dat ze er wel voor waakte om de tegenstellingen groter te maken dan ze al waren. Later die avond mocht ze dat op de radio nog eens doen, maar toen was er al contact achter de deur geweest. 

Ik merk nu dat ik te lang in die nauwe zin naar de brief ben blijven kijken; als iets waarbij geredderd moest worden. Allerlei mensen probeerden om, al dan niet via de media, mij aan hun kant te scharen, maar ik wilde toch proberen mijn bijdrage aan de eenheid te leveren. Ik twijfel er niet aan dat het er die avond en dagen ruig aan toe is gegaan, maar ik had ook mijn buik meer dan vol van prominenten die hun principes gingen uitventen zonder zich aan spelregels te houden. Daarmee zeggen ze: mijn principes zijn belangrijker dan de jouwe. Ze vroegen respect, maar ze gaven het niet. Vanaf die avond ben ik nog meer dan ik al deed mijn eigen afweging gaan maken. Maar nu, eind maart 2011 – als we wellicht via deze voorzitterkeuze weer over een brug kunnen gaan – wordt het ook zaak naar de onderliggende spanning te kijken, anders staan we elkaar aan de andere kant van de brug weer verwijtend aan te kijken. Daarom komt de brief weer terug in mijn gedachten, maar meer op inhoud. De zin die het meest beklijfd uit de brief van Ab Klink is deze: ‘De dieptelaag van de motieven doet er toe in de politiek’. Daarin neem ik hem zeer serieus. Juist nu. 

In veel opzichten heeft Ab dan een vooruitziende brief geschreven. Je kan zeggen dat hij heeft aan zien komen dat het CDA in een sterk verdedigende positie terecht is gekomen en dat de oorzaak daarvan is dat het in de kluwen van motieven die aan het kabinetsbeleid ten grondslag liggen steeds aan het kortste eind trekt. Ook al hebben we de beste en meest ervaren bewindspersonen; de lof komt elders terecht, de kritiek bij het CDA. Als hij zegt dat ‘dit traject de spankracht van het CDA te boven gaat’, lijken de uitkomsten van de provinciale verkiezingen hem gelijk te geven. En toch vind ik het te smal om te zeggen dat Ab een vooruitziende blik heeft gehad. In mijn ogen is er zowel meer als iets anders aan de hand. Wat dan? Events, my boy, events. Er is sprake van een ongekende internationale onrust. Niet voor niets, maar toch onverwacht, zijn het vooral de ministers in de buitenlandhoek die onder druk staan. Daarnaast komen dan nog eens de bezuinigingen. Bezuinigingen die in bijna alle gevallen gepaard gaan met ongekende structuur- en stelselwijzigingen. De combinatie van de internationale en binnenlandse agenda geeft een ongekende dynamiek. Voor het publiek lijkt het teveel van het goede, zowel inhoudelijk als communicatief. Het is geen toeval dat de berichtgeving zich versmalt tot een helicopterincident en het bijzonder onderwijs. Heel belangrijke onderwerpen natuurlijk, maar niet in het minst omdat ze een symblische lading krijgen tegen de achtergrond van veel groter en heftiger bewegingen. In die dynamiek krijgen punten waarop PVV en CDA wezenlijk van elkaar verschillen, geloof en integratie, vooralsnog niet de gedachte zwaarte.

Is Wilders dan veranderd? Dat is niet het punt. Wilders doet vooralsnog geslaagde pogingen het onverzoenlijke te verzoenen. Aan de ene kant is dat zijn boodschap van de-islamisering. Dat brengt hij nog met volle overtuiging, maar die agenda komt niet echt vooruit. Ondertussen werkt hij hard door aan maatschappelijke acceptatie van zijn partij (en zichzelf). Dat laat meer ontwikkeling zien. Het is geen geheim dat de PVV op de werkvloer van het Parlement over het algemeen goed en loyaal samenwerkt met de twee regeringspartijen. Als Klink schrijft dat dit Kabinet kapot zal gaan aan gebrek aan cohesie, dan zal hij moeten toegeven dat de cohesie bij het vorige kabinet in de dagelijkse praktijk heel wat meer onder druk stond. In die praktijk beperken de botsingen met de coalitie zich tot de buitenlandse missies en daar valt mee om te gaan. Het zal boeiend worden om te bezien wat Wilders over heeft voor zijn maatschappelijke acceptatie, maar als ik hem was zou ik de huidige koers voortzetten, want die levert hem geen windeieren op. 

Van CDA-zijde mogen we ons ernstig achter de oren krabben waarom we voor regeringsdeelname hebben gekozen en niet voor de oppositie, maar vooralsnog heeft dat met andere redenen te maken dan met de PVV. Waar we voor staan is een ongelofelijk breed front van ingrijpende veranderingen en daar staan we voor zonder geaccepteerde boodschap of boodschapper. Landsbelang vraagt dat we toch in regeringsverband aan de slag gaan, terwijl het partijbelang volgens mij iets anders zegt. Op 9 juni werd niet alleen onze partijleider, maar juist ook onze partij naar huis gestuurd. De diepere motieven waar Ab terecht over spreekt raken niet alleen de integratiediscussie, maar ook die over de wijze waarop we wonen, bijstand verlenen, onderwijs geven, internationaal solidair zijn, onze buurman op straat groeten en ga zo maar door. Vermaak één motief tot lakmoesproef en we schieten allemaal tekort.

Het is mijn stelling dat de brief van Ab Klink en alles daaromheen een (te) sterke versmalling heeft gegeven in de discussie. We zijn samen een tunnel ingelopen. Het accepteren van de gedoogconstructie werd de lakmoesproef voor alles, met het voor of tegen op 2 oktober als dieptepunt. Wat ik hoop is dat de komst van de nieuwe voorzitter binnen de partij aangeeft dat de discussie weer in het volle licht en over de volle breedte wordt gevoerd. Om bruggen te slaan moeten we eerst uit de tunnel komen. Zelf wil ik dat in een zekere ontspannenheid doen (zei de vrijwilliger). Regeringsdeelname is geen doel op zich. Dit land moet geregeerd worden en dan hebben we nog steeds een belangrijke bijdrage te leveren. Tegelijk zie ik uit naar het moment dat we weer voluit voor onszelf kunnen kiezen. We hebben een unieke kans om onszelf van program van uitgangspunten tot verkiezingsprogramma weer inhoudelijk te gaan doordenken. Als we dat samen, snel, goed en grondig aanpakken, komt ook ons moment weer snel genoeg.

Nu naar de tweestrijd

De uitslag is bekend. Ruth Peetoom en Sjaak van der Tak gaan door. Voor hen uiteraard de felicitaties.

Geen van de andere kandidaten kwamen boven de 6 procent, waarbij Ton iets van 100 stemmen meer kreeg dan Martijn op een totaal van 18000 stemmers, minder dus dan 25% van het totaal aantal leden. Aangezien meer dan een week voor het sluiten van de stemming het percentage al rond de 20% stond, lijkt het er op dat de grootste klap direct al in de eerste week en dagen werd gemaakt en erg bepaald werd door het mediabeeld van de twee favorieten. Jammer voor de vier andere kandidaten, maar het lijkt alsof ze nauwelijks een echte kans hebben gehad. Een zure les voor de volgende voorzitterscampagne – selecteer alleen maar ‘bekende’ kandidaten of alleen ‘onbekende’ kandidaten. Immers, bij een campagnetermijn van minder dan vier weken kan een onbekende kandidaat nooit voldoende naamsbekendheid opbouwen, zeker niet als je al vroeg de mogelijkheid opent om te gaan stemmen. Jammer voor Ton, Martijn, jan en Ronald, want zeker in de laatste week begon het beeld wat te kantelen. Ik leef met ze mee.

Een andere weging is de vraag of een kleine 25% nu een hoge opkomst is of niet. Het lijkt wat hoger te zijn dan bij de vorige voorzittersverkiezingen, maar echt veel is het niet. Gelet op de volle zalen en alles er omheen zal ik niet degene zijn die zegt dat de voorzittersverkiezing niet leefde, maar kennelijk moeten we er nog steeds aan wennen om het op deze, wat anonieme, manier te doen. De vraag is natuurlijk of de slotronde een ander beeld te zien zal geven. Het zijn twee heel verschillende kandidaten, die ook wat polariserend op elkaar werken. Daarbij kunnen degenen die op het congres van 2 april aanwezig zijn dan nog hun stem uitbrengen, wat ook goed is voor de betrokkenheid. We zullen het zien.

Deze ronde blijf ik niet op het hekje zitten. Mijn voorkeur gaat uit naar Ruth. Ik vind het vreselijk belangrijk om de volle breedte van de partij weer te pakken, dus ook de 32%-ers. Als iemand die brug kan slaan is zij het. Ik hoop dat – ook als er nog spanning mocht zijn tussen de regeringsvleugel en de tegenbeweging – het huis van de partij bij haar weer open genoeg zal zijn om iedereen weer binnen te laten lopen voor een borrel en een stevig gesprek. Ik zie haar ook goed in staat om met wat wijsheid de vernieuwing in de lijst(en) ter hand te nemen en dat is uiteindelijk toch de belangrijkste taak die een voorzitter te doen heeft.

Ik merk bij mijzelf wel dat de redenen om voor Ruth te gaan nog wat defensief zijn, vooral gericht op het helen van wonden en het klaar maken van een nieuwe sprong. Waar die nieuwe sprong naar toe gaat en hoe krachtig die zal zijn – ik maakte er eerder al kritische opmerkingen over. Wat dat betreft is Sjaak toch een geweldige kandidaat; wat hij doet doet hij krachtig. Ik ben zeker niet gerustgesteld over het punt van de tijdsbesteding, maar dat is uiteindelijk niet waar het om draait. Hij is een man met drive en allemachtig, wat hebben we een dergelijke drive nodig. Sjaak laat niemand neutraal, mij ook niet. Het respect dat ik voor hem heb, neemt ook de het gevoel niet weg dat hij mij en velen anderen met mij niet mee zal nemen in die drive en dat heb ik wel bij Ruth. Vandaar mijn keuze – wat niet wegneemt dat ik met veel plezier de tweede en laatste fase van deze verkiezingen zal volgen en er over zal schrijven als er dingen gebeuren die de moeite waard zijn om nader te beschouwen.

Voor-zitten of voor-staan

Afgelopen vrijdag zaten de kandidaat-voorzitters van het CDA in eerste instantie allemaal keurig op een rij achter tafels in het krappe zaaltje van gebouw ’t Centrum in Bodegraven. Er moesten (weer) stoelen worden bijgeplaatst, de sfeer was opgewekt en verwachtingsvol.
Net als bij elk debat, stelde de gespreksleider voor om in het begin een korte ronde te doen waarin de kandidaten iets over zichzelf konden vertellen. Hij gaf als eerste het woord aan Martijn Vroom – en die doorbrak meteen de beperkte bewegingsvrijheid voor de zes. Hij worstelde zich langs een tafel en deed vervolgens staande zijn verhaal. Helemaal typisch Martijn. Hij staat voor zijn voorzitterschap. De andere kandidaten volgden overigens direct zijn voorbeeld, met niet minder gedrevenheid. Het moment bleef bij mij haken, omdat het mij met een glimlach deed beseffen dat we geen voor-zitter zoeken, maar iemand die wil voor-staan. Als ik iets heb geleerd van de debatten en interviews van de afgelopen twee weken, dan is het de behoefte aan iemand die het CDA-gevoel nieuwe inhoud geeft en daarvoor staat. Het draagt het risico in zich dat we onze voorzitter selecteren alsof het om de nieuwe partijleider gaat. Dat is teveel gevraagd, maar een echte wegbereider voor de volgende fase moet hij of zij wel zijn.
Als een soort weblog na-zitter vind ik het in ieder geval de moeite waard om wat indrukken te vergelijken, ook ten opzichte van mijn eerste weblog over deze voorzittersverkiezingen. In een wat andere volgorde loop ik de kandidaten langs en wil, voor de die-hards, daarna nog iets kwijt over de koers van de vereniging.
Ik schreef net dat het typerend voor Martijn is om zo naar voren te stappen. In die kleine actie laat hij zich zien als initiatiefrijk, maar ook confronterend. Als hij iets zegt over de partij, dan gebeurt er wat. Willen we zo’n voorzitter? We hebben het nodig, is mijn antwoord. Opnieuw. Willen we zo’n voorzitter? Een fors deel zal dat niet willen. Martijn is door zijn zelfgekozen profiel als jongerenkandidaat vooral aangewezen op een relatief beperkt deel van de leden. Demografisch behoor ik daar niet toe, maar hij houdt een speciale plaats bij mij omdat hij, in zijn voor de troepen uitlopen, dichter bij de toekomst staat dan de partij. Ook als het aantal stemmen dat hij krijgt niet genoeg is voor de tweede ronde, is elke stem op Martijn wel een prikkel vooruit.
En hoe doet Jan de Visser het? Jan is scherper dan ik vooraf voor mogelijk hield en dat bevalt me prima. Klasse ook dat hij in zijn eigen weblog direct op de drie dilemma’s inging zoals ik die vorige week in mijn weblog had geformuleerd. Hij kwam ook met wat waarschijnlijk de enige one-liner is die deze campagne overleeft: ‘het moet niet links, het moet niet rechts, het moet van onderop’. Mijn zorg is niet meer dat hij teveel een denker is. Hij laat meer zien. Maar als ik naar hem luister is het wel vooral mijn verstand dat op hem reageert. Laat ik voor mijzelf spreken: zijn passie is zonder meer oprecht, maar raakt mijn hart minder. Is het eerlijk om iemand zo te beoordelen? Nee, maar het is wel een factor.
Ronald Zoutendijk heeft mij aangenaam verrast bij de start van de campagne. ik kende hem niet, maar hij bleek wel iemand te zijn die je graag wilt leren kennen. Daarna is er echter weinig ontwikkeling in zijn verhaal gekomen, wat waarschijnlijk komt omdat zijn ervaring nog beperkt is. Zijn boodschap van luisteren naar de leden vind ik te mager. Op zich is het overigens wel goed dat die boodschap werd gebracht. Het maakt namelijk vooral duidelijk dat het voor de leden niet genoeg is om een ‘procesvoorzitter’ te hebben. De leden willen wel degelijk iemand met een degelijke boodschap. Voor Ronald komt deze campagne te vroeg, maar een aangename kennismaking blijft het.
Dan de bekende twee. Ik zal deze eerste ronde niet op één van beide stemmen. Dat heeft niet direct met hen te maken, maar met mijn gloeiende irritatie met de media. Een paar uitzonderingen daargelaten, hebben de meeste aan het begin geconcludeerd dat deze twee de min of meer Bekende Nederlanders zijn en dat is het dan. Dat er wel degelijk een ontwikkeling in deze campagne heeft gezeten met verschuivingen in voorkeuren – het is ze ontgaan. Voor mij maken de media nog altijd niet uit welke voorzitter ik moet kiezen, dat bepaal ik zelf wel.
Doe ik Ruth en Sjaak daarmee tekort? Wel wat, maar het geeft mij het voordeel nog even te kijken hoe beiden zich ontwikkelen in een waarschijnlijke tweede ronde. Als deze campagne één ding duidelijk heeft gemaakt, dan is het dat de leden niet alleen mee willen praten, maar ook leiding willen krijgen. Beide hebben voor mij de goede balans tussen verbinden en bouwen nog niet gevonden, hun eigen persoonlijkheden zitten nog wat in de weg. In Bodegraven nam Sjaak wat gas terug en kwam met analyses en woorden die me raakten, maar in Den Haag was hij me teveel de tot op het bot gedreven man die de mensen in zijn omgeving vergeet in zijn urgentie om maar bij zijn publiek door te dringen. Hoe gaat hij dat later als partijvoorzitter doen? Dan een punt waar hijzelf tabak van heeft, maar naar mijn vermoeden niet weggaat in een volgende ronde. Sjaak geeft tak-tak-tak antwoord op de vraag of het voorzitterschap in twee dagen te doen valt (en biedt een aantrekkelijke bezuiniging aan), maar ik heb nu 4 voorzitters meegemaakt die allen behoorlijke managers waren en toch moesten vechten om niet 7 x 24 uur met het voorzitterschap bezig te zijn. Het probleem zal wel oplosbaar blijken te zijn, maar ik ben nog niet overtuigd.
Ruth haalt er nog niet uit wat er in zit. Een fijne vrouw, maar ik onthou te weinig van wat ze zegt. Dat is overigens niet door gebrek aan passie of scherpte – ze kan fel zijn – maar mag het een onsje concreter? Er is iets van een gat tussen haar geschreven woorden en de woorden voor een publiek (waarbij ik niet uitsluit dat ik kritische luister dan het gemiddelde lid). Misschien is dat omdat ze ons niet wil vervelen, maar voor mij geeft het ook aan dat dit een voorzitter is die nog moet groeien. Hoe doet ze dat in het Haagse haaienbad, als je er direct moet staan? Voor mij is ze wel volstrekt geloofwaardig, meer dan welke kandidaat ook, als een voorzitter die tussen de mensen in staat en weet wat er speelt. Ik heb echter geleerd dat dat alleen niet voldoende is. Wat ik zie is goed, wat ik hoor kan krachtiger. Het wordt een belangrijke volgende ronde.
De duidelijke winnaar voor mij is tot nu toe Ton Roerig en niet alleen voor mij. Als ik mijn contacten goed beluister, concludeer ik dat hij zich bij alle 4 grote debatten van onbekende tot publieksfavoriet heeft weten te ontwikkelen. Niet voor niets zijn zowel Ruth als Sjaak lovend over hem. Dat komt vooral omdat hij in zijn basishouding de woorden en uitstraling van een verbinder heeft, maar op de goede momenten steeds weet ‘op te schalen’ naar het niveau van een stevige beslisser. Mijn vraag aan het begin van de verkiezingen was of hij inhoudelijk niet te licht is voor het voorzitterschap. Maar juist op dat punt heeft hij veel laten zien – ondanks of omdat hij zo’n beetje de enige is die niet met een 3, 7, 10 of 12-puntenplan komt of met een contract zwaait. Uit alles blijkt daarbij dat Ton degene is die de groepsprocessen in de zaal het beste leest en dan zijn keuzes maakt. Heb ik dan geen kritiek? Niet veel op zijn optreden als hij er is. Ik vraag me wel af of hij voldoende vooruit heeft gedacht. Zijn campagne is niet de beste van de kandidaten, een beetje teveel ‘on the fly’, zoals de Engelsen zeggen. Nu loopt Ton hetzelfde risico als de ‘andere’ kandidaat bij de vorige verkiezingen. ‘Achteraf’ zeggen nogal wat mensen ‘Oh, hadden we dat maar eerder gehoord’.
Zijn we zo rond? Mijn stem blijft mijn geheim, maar ik heb denk ik geen geheim gemaakt van de richting waarheen ik denk. Zo moet uiteraard iedereen een eigen afweging maken (of heeft die al gemaakt; donderdag zou al 15% van de leden hebben gestemd, al meer dan de vorige keer). Ik moet nog wel iets kwijt, of beter gezegd, ik moet nog wel iets compenseren. Het geeft iets ongemakkelijks om zo over personen te oordelen. Je kan redenerend at ze er om hebben gevraagd door zich kandidaat te stellen, maar het gaat in de politiek al zoveel over personen. Voor je het weet schiet je door in het gepsychologiseer. De partij die ze zo moeten gaan leiden is veel complexer dan wat één persoon aan kan. Voor de absolute die-hards daarom nog een reflectie op een hoger abstractieniveau. Ben ik dat ook weer kwijt.
Deze voorzitterswisseling zal zeker een markering in de koers van de partij worden. Niet direct overigens. De echte markering komt als er een nieuwe lijst wordt samengesteld en de volgende verkiezingen een kans bieden om weer te gaan bouwen – en dan nog zal het tijd kosten voordat dit zichtbaar wordt voor de kiezer. De kandidaten die nu roepen dat we in 2014 er weer helemaal zijn, geef ik graag gelijk, maar ze gedragen zich als iemand die een staatslot koopt: je hoopt miljonair te worden terwijl de kans dat je wordt overreden ondertussen statistisch groter is (voor diegenen die graag de parallel met Rutte trekken; daar ging wel het vertrek van o.a. Verdonk en Wilders en een moeizame periode van zo’n 8 jaar aan vooraf; even lang als de oppositieperiode van de PvdA en onszelf). Wat er nu gebeurt, gaat wel koers en tempo bepalen en dat is razend interessant.

EFQM-schemaVoor mijn trainingen in het buitenland gebruik ik af en toe een plaatje om te verduidelijken hoe een politieke partij nu eigenlijk werkt. Niet in de vorm van het gebruikelijke structuurharkje of het portret van de Grote Leider, maar in de vorm van een plaatje dat inzet en resultaat met elkaar verbindt. Aan de linkerkant zie je wat gedaan moet worden om als moderne politieke partij sterk te zijn en aan de rechterkant zie je wat daar de gewenste uitkomsten van moeten zijn, met een betere maatschappij als abstract geformuleerde uitkomst. Alleen stemmen binnenhalen is nooit genoeg. Het is een wisselwerking tussen verschillende elementen (met daaronder weer sub- en subelementen). Op dit moment maken we ons terecht druk over onze inhoudelijke boodschap, van program van uitgangspunten tot concrete beleidspunten, maar op zich is dat niet iets dat de kiezer direct raakt; het is als het ware het transformatorhuisje tussen de inzet van de leidende figuren en wat je concreet aan acties ziet.

In ’98 heb ik dit model voor de afdeling Amsterdam gebruikt met het voorbeeld van ‘wel of niet detectiepoortjes op school’ als concrete invulling ervan. Dat werkte best goed, maar het maakt tegelijk wel erg duidelijk hoe complex en veeleisend een politieke actie kan zijn. Het sloeg dus dood. Een plaatje als dit schrikt af voor mensen die in de waan van de dag leven, het stimuleert niet. Er zijn echter momenten dat je in de volheid naar alle elementen moet kijken die een goed functionerende politieke partij bepalen. Zo’n moment is de start van een nieuwe voorzittersperiode. Waar staat die voorzitter dan voor? Welke eisen mag je stellen? Hanteer ik dit model (dat natuurlijk nu ook weer te simpel is), dan is die opgave heel fors, zelfs als je er rekening mee houdt dat het CDA nog altijd in veel opzichten een stevige partij is. Wie de partij al afschrijft heeft niet gezien hoe groot de inzet is geweest rond de laatste verkiezingen en is het congres op 2 oktober al weer vergeten.
Maar buiten de piekmomenten moet er vreselijk veel gebeuren. Er is geen aandachtsgebied dat verwaarloosd mag worden en overal is wat aan de hand. Nederland gaat heel schraal met haar politieke partijen om, dus redding van suikeroompjes en andere sponsoren valt niet te verwachten. Eigenlijk zit er maar één ding op; het vliegwiel weer draaiend maken. Zorgen dat standpunten van de partij een reactie uitlokken, positief of negatief, en dan doorduwen en uitbouwen. Dat betekent bovenal werken aan het transformatorhuisje, want een voorzitter alleen kan dat niet. Na de voorzittersselectie verdienen ‘program & strategy’ prioriteit, met veel oog voor het gewenste maatschappelijk effect. Pas daarna kan je hopen dat de andere zaken op zo’n manier in beweging komen dat er weer groei mogelijk is. Dat betekent ook dat de partij zich tijd moet gunnen en zo nodig de handen vrij moet maken. Dat laatste is belangrijk, want voor je het weet lopen de prioriteiten van het zittende kabinet dwars door die van de partij-ontwikkeling heen. Een goede voorzitter voorkomt dat waar het kan en kiest voor de partij als het moet. Dat is niet hetzelfde als voor oppositie kiezen, maar het is wel goed om de vrijheid van een oppositiementaliteit te voelen.
Wat een baan. Zullen we helpen?

2e Bijeenkomst HRO-initiatief

Hierbij wil ik alle belangstellenden namens het “HRO-initiatief’ van harte uitnodigen voor de tweede bijeenkomst van het ‘HRO-initiatief’. Het zal plaatsvinden op 29 maart a.s. van 16.00 – 18.00 uur, in Regardz The Globe in Den Haag (station HS), met aansluitend borrel en broodjes.

We zijn in vele opzichten stappen aan het zetten met het gedachtegoed van ‘hoogbetrouwbaar organiseren’ (High Reliability Organizing, oftewel: HRO) en die stappen komen op 29 maart naar wij verwachten mooi bij elkaar.

Na een eerste artikel in M&O afgelopen zomer, is recent een artikel over HRO geplaatst in Sigma, het vakblad voor kwaliteitsdeskundigen (beide te vinden op deze website onder artikelen).

Een volgende stap vindt tijdens de bijeenkomst op 29 maart plaats met de presentatie van de Nederlandstalige uitgave van het boek van Karl Weick en Kathleen Sutcliffe ‘ Management van het Onverwachte‘, uitgever BBNC, Rotterdam. De vertaling is van de hand van Herman de Bruine. Het boek zit in de kosten van 75 euro voor deelname.

Het boek wordt aangeboden aan Pieter Gieling, vm. districtschef bij de Politie Utrecht en nu verbonden aan de Politieacademie te Apeldoorn. Na de aanbieding gaan we met hem in gesprek over elementen uit het boek en zijn inzichten uit de politiepraktijk.

Stappen zijn er ook te melden in de vorm van nieuw onderzoek, mede dankzij de respons op de vorige bijeenkomst. Zoals beloofd zullen we daar wat dieper op ingaan tijdens de bijeenkomst.

Voor degenen die nog onbekend zijn met het gedachtegoed lopen we de elementen in het begin van de bijeenkomst nog even langs, maar wel korter dan in de eerste bijeenkomst. Het verslag van die bijeenkomst staat eveneens op deze website.

Aanmelding graag op: dpn@northedge.nl of op de agenda op deze website.

Mede namens Herman de Bruine en Jos Tjon,

Peter Noordhoek

Over dilemma’s en een voorzitterskeuze

Eigenlijk heb ik deze weblog om over mijn werk te schrijven, maar omdat ik mijn website net met een column daarover heb gevuld, permiteer ik mij om nog wat meer te schrijven naar aanleiding van de strijd om het landelijk voorzitterschap van het CDA.

Ik zeg ‘naar aanleiding’ omdat ik de afgelopen week mij niet super goed aangesloten heb gevoeld bij die strijd. Wat ik van de verschillende kandidaten hoorde was goed. Ruth en Sjaak hadden beide effectieve en informatieve optredens in de media. De andere kandidaten slaagden er minder goed de media te vinden, maar de meesten maakten dat digitaal goed. (ik las dit weekend weer eens in David Plouffe’s ‘The Audacity to Win’. Daarin beschrijft hij hoe Obama’s campagne er in slaagde om via hun website meer dan 20% van het electoraat direct te bereiken, dus zonder tussenkomst van de media. Ook zonder het BN-complex van Nederlandse journalisten maakt deze campagne weer duidelijk hoe belangrijk het directe digitale kanaal is).

Maar al met al wacht ik de komende week af en hoop dat de debatten nog wat meer duidelijkheid zullen brengen. Zal ik ze een vraag stellen? Maar wat zou die vraag dan moeten zijn? Het wordt natuurlijk al snel vragen naar de bekend weg. Hmm, als ik ze nu eens een dilemma voorleg? Een dilemma uit het harde leven van een gekozen voorzitter. Laat ik dat eens proberen; een vraag in de vorm van een dilemma. Als CDA-lid, mocht iemand daar nog aan twijfelen.

Eerste dilemma. Je bent voorzitter en gaat, zoals elke donderdagavond, naar het Bewindspersonenoverleg (BPO). Een nuttig afstemmingsoverleg, waar je eigenlijk nooit kunt ontbreken. Aan de orde is een punt dat niet in het regeerakkoord staat, maar wel controversieel is. Denk aan een een extra korting op de sociale voorzieningen omdat vorige ingrepen niet voldoende bleken te zijn. Je eigen hoofd communicatie citeert uit een onderzoek waaruit blijkt dat de meeste potentiële CDA-kiezers de maatregel wel vervelend vinden, maar er hun stemgedrag niet door wijzigen. Je eigen bewindspersonen zijn, alles afwegend, voor de maatregel. Als voorzitter weet je heel goed dat een belangrijk deel van de eigen achterban fel tegen is en dit als een test van je betrouwbaarheid zien. Wat doe je?

Tweede dilemma. Ze gunnen elkaar niets. De provinciaal voorzitters komen keihard op voor kandidaten uit de eigen regio. Het voorstel van de lijst vindt geen genade. Heel veel nieuwe mensen, maar nauwelijks bekende namen, dus wordt er vooral gekeken naar waar de kandidaten vandaan komen. De provinciaal voorzitters trekken hun conclusie: te weinig mensen uit de eigen provincie, hier kan ik niet mee thuiskomen. Op een gegeven moment sneuvelen er in dit proces zoveel kandidaten dat de voorzitter meent dat de kwaliteit van de lijst niet langer gegarandeerd kan worden. Hier kan hij / zij ook niet mee thuiskomen. Tijd om nog langer te masseren is er niet. Gaat de voorzitter alsnog heel democratisch met de provinciale collega’s mee of trekt hij / zij een streep?

Derde dilemma. De voorzitter doet boodschappen bij de bakker. Niemand herkent hem / haar. Hij hoort de mensen spreken over de gezichtsbepalende figuren van zijn / haar partij en het is niet best; je kan er geen brood van bakken. Zijn / haar hart geeft hem in dat de mensen gelijk hebben. Tegelijk weet hij / zij dat diezelfde gezichtsbepalende figuren oprecht hun uiterste best doen om hun bestuurlijke opdracht te vervullen en dat de mensen die nu zo makkelijk met hun kritiek in de media komen wel erg makkelijk praten hebben en het niet beter zullen doen. Dan herkent een van de mensen in de winkel hem / haar en zegt: ‘En, ga jij daar nou wat aan doen of niet?’ Ga je daar als voorzitter dan op in of niet?

Drie pogingen tot een dilemma. De eerste is een bijna wekelijkse realiteit in het leven van een voorzitter, de tweede gaat om de meest essentiële verantwoordelijkheid van elke voorzitter: het samenstellen van een lijst. De derde is wellicht het meest fundamenteel: het luisteren naar wat je hart je ingeeft.

De antwoorden zijn eigenlijk niet eens zo interessant. Elk van de kandidaten mag verbaal vaardig genoeg worden geacht om er iets van te maken. Ik ben vooral benieuwd naar de wijze waaorop ze worden beantwoord. Welke toon wordt er gezet, hoe krachtig of wijs wordt het antwoord? Ik denk bijvoorbeeld dat Ronald Zoutendijk aan het eerste dilemma een kluif heeft omdat het een test is voor zijn gedachte om van zoveel mogelijk zaken een ledenraadpleging te maken. Of is een partijlid belangrijker dan een kiezer? Jan de Visser moet mij de passage in zijn boek aanwijzen waar staat hoe je hier 2.0 mee omgaat. Martijn Vroom zie ik vanuit zijn vernieuwingsdrang op ramkoers gaan richting de provinciale voorzitters, maar wellicht is hij dat voor door er in te slagen eerst zijn structuurverandering te realiseren. Ton en Ruth kunnen de boel wel bij elkaar proberen te houden bij het tweede en derde dilemma, maar soms is praten niet genoeg en moeten er keuzes worden gemaakt. Bij het derde dilemma moet Sjaak de mensen met wie hij al zo lang optrekt wellicht toch echt de waarheid gaan zeggen. Weer, allemaal zullen ze hun weg wel uit deze dilemma’s kunnen vinden, want het zijn stuk voor stuk verstandige mensen, maar de manier waarop ze dat woorden geven lijkt me wel interessant.

Vragen stellen is eigenlijk een wel erg makkelijke bezigheid. Het is net alsof je superieur bent aan degene wie je de vragen stelt – zo dadelijk mag je een oordeel over de antwoorden geven. Nah, denk niet dat ik ze voorleg. Het moet ook op een andere manier wel mogelijk zijn een beeld te krijgen van waar ze voor staan. Mischien is het wel genoeg om te vragen of ze een glas bier, een wijntje of een spaatje met me willen drinken. Zegt ook veel en is wel zo gezellig. Ondertussen leg ik de dilemma’s graag aan mijn mede-leden voor: snappen wij dat dit is wat we van een voorzitter vragen? Hebben we wel de juiste verwachtingen? Gaan wij de voorzitter steunen als hij / zij het moeilijk heeft, of gaan we er nog wat bezwaren boven op stapelen?

Wie het ook wordt; geef de voorzitter het krediet dat bij de zwaarte van de functie hoort.

CDA: bij een voorzitterskeuze

Er stond een beamer en een laptop klaar, maar het beeld was leeg. Vier jaar geleden ondernam ik de reis van Gouda naar Bergeijk om een kandidaat voor het voorzitterschap te spreken. Ik had net een campagne voor provinciale staten achter de rug en had drie maanden daarvoor de landelijke verkiezingen voor Zuid-Holland mogen doen. Als toegift mocht ik mee met Greg Clark MP, een Brits parlementslid die meedeed aan de verkiezingen in Tunbridge Wells, een fascinerende inkijk inkijk in de Britse verkiezingen. Allemaal prachtig, maar het had allemaal veel, veel tijd gekost en het werk riep hard. Toen ik het telefoontje van Yke de Grood kreeg, was ik in eerste instantie dan ook heel kort over het vooruitzicht om nog een campagne te gaan doen. Peter van Heeswijk, voor het voorzitterschap van de partij? Ik had nog nooit van hem gehoord en vlak daarvoor had ik laten weten dat wie het ook van Marja van Bijsterveldt zou overnemen het erg moeilijk zou krijgen. Onbegonnen werk. Maar ja, ik ben een softie en Yke, hoofd van het steunpunt CDA Brabant, weiger je niet zomaar iets. Iemand met meer poliiek gevoel is er in Nederland niet te vinden. Aards, hard, direct, maar met een overlopend CDA-hart. Maar nu wel gebonden. Ze mocht haar favoriete kandidaat niet helpen. Of ik het wilde doen.

Dus was ik in Bergeijk, bij een lege laptop en een projector met wit licht. Een kleine zes weken later was Peter voorzitter. Hij deugde. Duidelijker kan ik het niet zeggen. Hij deugde. Als mens, als CDA’er. Dat straalde hij ook uit. Een ondernemer, maar ook een gewone man. Voelde zich voor niemand te goed. Had een mooi bedrijf opgebouwd, werkte zich te barste. Dacht aan meer dan zichzelf. En hij was provinciaal voorzitter van de op een na grootste provincie in CDA-land. Dan ben je iemand. Daarbij deed hij zijn bestuurswerk zo dat hij vrienden maakte, dwars door het hele land. En last but not least; hij zag er gewoon goed uit. Zijn foto was de man, alles klopte. Zijn tegenkandidaat had intellectueel meer in te brengen, kon beter praten en had veel meer vrienden in ‘high places’. Zijn campagne was eerder begonnen, beter doordacht en sneller dan die voor Peter ooit kon worden. Toch werd het nooit een echte strijd. Ik hoefde de dingen alleen maar op een rij te zetten en Peter won.

Het is niet goed afgelopen met het voorzitterschap van Peter. Dat hij deugde bleef zichtbaar, niet in het minst in het feit dat hij op 9 juni direct zijn consequenties nam bij de verkiezingsnederlaag en aftrad. Ook toen Frissen alle schuld op hem schoof – en daar valt best wat op af te dingen – zocht hij niet de publiciteit en bleef loyaal. Maar alleen een goed mens zijn, ondernemer zijn en bestuurlijke ervaringen hebben binnen het CDA, is dus niet genoeg. Ik heb Peter van Heeswijk kei- en keihard zien werken aan alles dat er voor nodig is om een goed voorzitter te zijn, maar uiteindelijk was het nooit genoeg. Beelden zijn ook wat dat betreft snel gezet, maar met pijn in het hart zeg ik: Den Haag vrat hem op, met huid en haar. Omdat hij een fantastisch gezin om zich heen heeft en zelf iemand is die de zon snel ziet schijnen komt hij er weer boven op, maar wat wordt er onmenselijk veel van een voorzitter gevraagd.

En daar moet ik natuurlijk aan denken nu zich zes nieuwe kandidaten hebben gemeld. Gaan die het beter doen? Ik wil noch de partij, noch andere in de kern goede mensen als Peter weer door zo’n ervaring heen laten gaan. Wat zijn dan nu de kwaliteiten waar een voorzitter aan moet voldoen? Als je nog nooit vol in de hitte van de Haagse strijd hebt gestaan – en dat geldt voor bijna alle kandidaten – is het eigenlijk onverantwoord om er aan te beginnen. Maar goed, we hebben er zes en die verdienen een eerlijke weging.

Ik loop ze langs, wetend dat het om eerste indrukken gaat en er nog het nodige kan gebeuren.

Ruth Peetoom – een fijne vrouw, iemand met wie je graag wilt optrekken. In termen van ‘ticking the boxes’ heeft ze veel mee: vrouw dus, maar ook een jonge uitstraling, predikant en – heel belangrijk: met duidelijk wortels buiten de Randstad, in feite de enige niet Zuid-Hollandse kandidaat. Daardoor begint ze nu ook met een voorsprong: ze heeft overweldigend veel provincies achter zich, plus waarschijnlijk het Vrouwenberaad. Daarbij heeft ze een profiel en een programma dat heel erg op ’verbinden’ en de eenheid van de partij is gericht. So far, so good. Maar dan komt tegelijk het probleem; ze is onvermijdelijk ook de kandidaat van de 32% tegenstemmers. Bij een normale voorzittersverkiezing zou dat een voordeel zijn; we houden van evenwicht en haar verkiezing kan laten zien dat ook de 32% er helemaal bij hoort. Dit keer wordt de voorzitterscampagne een mediacampagne en dan worden verschillen groter en tot splijtzwam gemaakt. Het voordeel kan dan een nadeel worden. Dat is dan ook precies wat gebeurde in haar radio-interview met Spijkers met Koppen op de eerste dag na de presentatie van de kandidaten. Hoe ze daar in het vervolg mee omgaat bepaalt haar succes.

Ton Roerig – niet zo heel veel mensen zullen hem kennen, maar ik zeker wel; hij was in 2006-7 lid van mijn campagneteam en heeft ook in de laatste campagne goed meegedraaid. Ik heb hem leren kennen als een mensenmens, hij is heel goed voor de teamsfeer. Hij houdt ook van het politieke spel. Dat moet ook wel; anders overleef je geen wethouderschap in een stad als Hilversum. Hoewel Drent van achtergrond, heeft hij een Bourgondische uitstraling; er is meestal wel iets van een twinkeling in zijn oog en een lach om zijn mond (ook als ie weer eens laat is voor een vergadering). Mede door die losse houding kwam hij volgens mij ook het beste over in DWDD. Dat is belangrijk, want sinds Bleker wordt er wat dat betreft veel van een voorzitter verwacht. Behalve zijn relatieve onbekendheid heeft hij als nadeel dat hij vrij weinig specifieke kenmerken heeft. Nauwelijks ‘ticking the boxes’ bij hem. Hij is niet geprofileerd als het om ideologische of christelijk-sociale thema’s gaat en moet zich nog goeddeels bewijzen binnen de partij en het Haagse. Veel zal afhangen van zijn vermogen om mensen die dat meer in huis hebben om zich heen te verzamelen, maar dat vermogen lijkt nu juist bij hem goed in orde.

Martijn Vroon – wat mij betreft de meest interessante kandidaat, al heb ik nog niet de overtuiging dat hij het wordt. Hij weet heel wat punten af te tikken: veruit de jongste kandidaat en net als de meeste jongeren ideologisch christelijk-rechts. Daarnaast is hij helemaal top als het gaat om het gebruik van social media, is hij een campagnewonder en heeft hij als oud-medewerker van de fractie misschien nog wel de meeste frisse kijk van alle kandidaten op hoe het daar werkelijk aan toe gaat – en is hij in zijn uitstraling van niemand bang. De reden waarom ik hem zo interessant vind. is echter vooral dit: hij benoemt zichzelf als de kandidaat van de verandering, radicale verandering zelfs. Welnu, deze partij heeft dat nodig. Martijn een beetje kennend, zal die verandering er ook komen als hij voorzitter mocht worden. Er is een heel overtuigend punt te maken dat we nu geen verbinder nodig hebben, maar een veranderaar. Tegelijk zit daar ook mijn aarzeling bij zijn kandidatuur. Hoewel we binnen de partij er nu wel van overtuigd zijn dat de situatie ernstig is, betekent dit nog niet dat iedereen klaar voor verandering is. Dat maakt hem minder verkiesbaar en kan hij bij een eventuele verkiezing tot voorzitter ook wel eens als verdelend worden ervaren. Toch, een beetje meer Martijn zou welkom zijn.

Jan de Visser – de derde met een theologische achtergrond, maar hij is duidelijk meer dan dat. Zijn CV leest als dat van iemand die zichzelf voortdurend ontwikkeld – en ik twijfel er niet aan dat hij er alles aan zal doen om ook de partij te ontwikkelen. Wat mij enorm voor hem inneemt is zijn initiatief om zelf een boek te schrijven met zijn visie op de partij en vervolgens het lef te hebben om niet langs de kant te blijven staan. Verantwoordelijkheid nemen, heet dat. Hoewel hij wat grijs overkomt, bleek tijdens DWDD dat hij niet voor niets advocaat is; hij kwam scherp uit de hoek. Geen bange man. Waar ik minder van overtuigd ben is zijn vermogen om door de hele partij omarmd te worden. Hij heeft denk ik een beetje mijn probleem; teveel in het eigen hoofd leven. En wat ik uiteindelijk echt mis is genoeg Haagse ervaring. Ik zie hem niet genoeg tegenspel bieden tegen de krachten daar – maar wil graag van het tegendeel overtuigd worden.

Sjaak van der Tak – is mijn probleemkandidaat. Hij heeft onmiskenbare leiderscapaciteiten, hij is bang van niemand en een brok energie. In de partij heeft hij zijn sporen meer dan verdiend en hij moet ook degene zijn die het beste tegenwicht kan bieden tegen de ego’s in kabinet en fractie. Maar daar zit dan ook tegelijk het probleem. Hij presenteert zich als iemand van buiten Den Haag, maar hij is echt een insider en volgens mij de duidelijke favoriet van dit kabinet. Dat laatste hoeft bepaald geen schande te zijn, maar het kan hem wel in een hoek zetten. Als zodanig is zijn positie spiegelbeeldig aan die van Ruth Peetoom en loopt ook hij het risico verdelend in plaats van verbindend te zijn. Als hij vandaag in Trouw juist Hirsch Ballin voorstelt als degene die de rechtstatelijke kant van onze lijn moet versterken, dan denk ik ‘hé, mooi tegendraads’, maar ik hou het gevoel dat ik niet helemaal weet waar ik sta met Sjaak. Hij is iemand die het ieder geval gewoon vindt om op de eerste rij te zitten. Prima, laat het dan maar eens zien. Hij is in ieder geval een van de redenen waarom ik denk ik tot het laatst wacht voor ik mijn keuze maak.

Ronald Zoutendijk – is op het eerste oog een aangename verassing. Serieus, rustig, echt iemand aan wie je portemonnee kan toevertrouwen – hij is dan ook niet voor niets directeur van het Laurensfonds. Lijkt me ook een fijn iemand om voor te werken. De andere kant is er natuurlijk ook: geen trackrecord in de partij of Den Haag, geen echt specifieke plus, of het zou die als kandidaat voor de steden moeten zijn, en één grote min: Wassenaar. Ik word ook wat melig van zijn boodschap. Die valt samen te vatten als het geven van meer zeggenschap aan de leden. Het democratisch gehalte van deze partij is m.i. echter het probleem niet, het gaat nu om leiderschap. Met enige spijt constateer ik dan ook dat zijn kans om gekozen te worden niet groot is – maar wellicht vergis ik me. In ieder geval is hij één van de groep van zes waarvan ik in dat geval oprecht hoop dat ze in een andere capaciteit actief worden voor de partij.

Mijn lichte voorkeur gaat naar de eerste drie kandidaten uit. Toch hou ik, zoals dat in niet-Nederlands heet, ‘een open mind’. Bij de laatste voorzitterscampagne waren er maar iets van 4 radiointerviews en iets meer krantenartikelen. De campagne werd bepaald door de folder van elke kandidaat, diens enige internetpagina en een 12-tal optredens in ledenvergaderingen. Er moest gestemd worden voordat het congres kon plaatsvinden. Het dankwoord van Peter en zijn tegenkandidaat Jeroen was voor velen het eerste moment dat ze beide kandidaten hoorden spreken en toen kon er dus geen keuze meer worden gemaakt. Nu zal dat anders gaan. De media zullen zich er volop mee bemoeien, de social media nog meer. De kandidatuur van Ruth is nog steeds een logische, maar geen onvermijdelijke meer. Niet voor mij en niet voor de rest van de leden. Het gaat er nu om dat elk lid echt goed nadenkt over wat voor voorzitter er moet komen en daar de keuze door laat bepalen.

1 32 33 34


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: "De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard." Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek