Contact

Northedge B.V. 
Oosthaven 15-16 
2801 PC Gouda 
The Netherlands 
T 31 (0)182 684545 

www.northedge.nl 
Tw @PeterNoordhoek 

Archief

Weblog

De Wet op het vermeerderend toezicht (WVT)

Foto: auteur

Een dankblog bij meer dan 500 nieuwsbrieven ‘Toezicht in het nieuws’

Rob Velders is inmiddels toe aan zijn vijf-honderd-en-tweede nieuwsbrief over ’Toezicht in het nieuws’. Heel consistent en behoorlijk volledig informeert hij elke week een paar duizend professionals in de wereld toezicht, inspectie en handhaving over de ontwikkelingen in het vak (en betrekt hij de lezer via discussies, vacatures en aankondigingen). Want zo kijkt hij ernaar: als een vak. Hij heeft er ook opvattingen over: regelmatig zie je een groen balkje onder een nieuwsitem waarin hij zijn mening geeft. Daar mag je over twisten, maar door de persoonlijke toon erin tilt hij de nieuwsbrief boven het niveau van uit van een stapeltje krantenknipsels. Omdat niemand anders kennelijk bij de mijlpaal heeft stilgestaan, wil ik hem bij deze de Tevreden Lezer Speld op spelden. Deze felbegeerde TLS wordt slechts zelden uitgereikt, al was het maar omdat ik hem nu net verzin.

Dik, dikker

Hierbij geldt gelijk een kanttekening die ons naar de inhoud brengt. Want echt helemaal lezen is er voor mij niet meer bij. Ik weet dat de nieuwsbrief Rob (www.veldersnovak.nl) is ontstaan in de tijd dat hij zelf nog bij een inspectie werkt en dat hij toen begonnen is met een eigen knipselkrantje. Die werd ook door zijn collega’s zo gewaardeerd, dat hij na zijn verzelfstandiging onder druk werd gezet om deze, nu in de vorm van een nieuwsbrief, voort te zetten. Toen hij aan die druk toegaf was deze nieuwsbrief heel wat dunner. Inmiddels zien we aan het tijdstip van verzenden – diep in de zondagnacht – dat zowel de omvang als het aantal lezers enorm is toegenomen. Tien bladzijden met klein gedrukte titels en aankondigingen zijn geen uitzondering meer en dat kan zelfs voor mij teveel worden – mijn trouwe lezers weten wat dat zegt. Tegelijk is dat beeld van 10 volle pagina’s vol nieuws de beste visuele ondersteuning die je kan hebben voor de groei in aandacht voor toezicht. Een beter overzicht van de ontwikkelingen in toezichtland dus ook niet, althans, als geaccepteerd wordt dat titels van berichten ook de lading dekken. Hoe dan ook, ik doe een poging. Ik noem een paar oorzaken en wordt daarna steeds kritischer in mijn commentaren. Het is uit betrokkenheid en omdat ik vind dat we allemaal goed toezicht verdienen en omdat het groots moet zijn om voor een toezichthouder te werken.

Vaste waarden

Een aantal toezichthouders komt in de berichtgeving voortdurend terug, hoewel van tijd tot tijd onder een afkorting. Voor de goede orde, in de nieuwsbrief gaat om een grote verscheidenheid bronnen, maar mediaberichten, plus ambtelijke en Kamerstukken voeren de boventoon, vaak ook van de toezichthouder zelf. En dan zijn er nog de overige publicaties, waaronder incidenteel een blog van ondergetekende. De mediaberichten vangen de meeste aandacht en daarin zie je met enige regelmaat alle grote toezichthouders en inspecties ‘aan de beurt komen’ voor media-aandacht. De NVWA was de afgelopen maanden sterk in het nieuws vanwege de Fipronil affaire en de mestrijders, maar daarvoor was o.a. de Inspectie Gezondheidszorg aan de beurt (toe nog voor de toevoeging van de Jeugdzorg) en weer daarvoor de ILT in het kader van de Fyra. En kan je teruggaan in de tijd – of vooruitgaan. Dit weekend is een idee gelanceerd voor een toezichthouder voor Defensie. Dat is grappig voor iemand die veertig jaar geleden nog net prins Bernhard heeft meegemaakt in zijn rol als Inspecteur-generaal voor de krijgsmacht. Alle officieren deden het in hun broek voor de Anjerman. Heel effectief, maar wel goeddeels ontmanteld. Kan de nieuwe toezichthouder net zo effectief als prins Bernard worden of wordt deze weer nieuw voer voor publicaties in de nieuwsbrief? Oude toezichtrollen blijven dus bestaan en wijzigen hoogstens van vorm. Maar nieuwe loten aan de stam dienen zich wel degelijk aan – wie had de komst van de autoriteit Consument en Markt voorzien? – of krijgen een groeispurt door nieuwe wetgeving – denk aan de Autoriteit Persoonsgegevens en de Algemene Verordening Gegevensbeheer (AVG). En dan is er nog iets wat zich zelfs voor de nieuwsbrief regelmatig aan het zicht voltrekt: de opkomst van de handhavers in het lokale domein. Ze zijn er al lang, maar mede door de hele decentralisatie beweging, is handhaving ‘hot’.

Vak of speelbal?

De nieuwsbrief gaat gelukkig over meer dan alleen de politieke koersbewegingen van de instituten in het toezichtdomein. Door de oogharen kijkend, zie je ook de groei van het vak. Naast dat het strategisch vermogen wordt ontwikkeld, zie je steeds meer publicaties over de professie zelf en de communicatie er om heen. Welke interventies kan je toepassen? Hoe stuur je gedrag? Hoe treeft je op: wanneer hard, wanneer zacht? En hoe communiceer je daarover? Het zal niet verbazen, maar Rob Velders zelf pleit voortdurend voor meer transparantie. De basisredenering daarachter is simpel: geef je het ‘object van toezicht’ – dus: jij en ik – meer kans om met een beslissing mee te denken, hoe meer kans op begrip. Toezichthouders blijven dat moeilijk vinden en zijn steeds net te voorzichtig. Een mooi voorbeeld is de omgevingsverkenning die Meike Bokhorst en Judith van Erp schreven op verzoek van de Inspectieraad onder de titel “Van transparantie naar responsiviteit.” Ze constateren dat er grote verschillen zijn in omgevingsgerichtheid van toezichthouders. Wat ze ook zien en wat ze graag willen aanmoedigen, is een verschuiving van ‘transparantie voor burgers, via verantwoording aan burgers, naar responsiviteit met burgers en organisaties’. In onderstaand schema wordt de verschuiving keurig in beeld gebracht.

Hogere lat

Maar ondertussen is het nog niet zover. Het voorbeeld van het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) laat zien hoe ontzettend moeilijk het kan zijn met een nieuwe aanpak vertrouwen terug te winnen in het aardbevingsgebied. En toch zegt Paul van Dijk op het discussieplatform de ‘Toezichttafel’ in mijn ogen terecht dat de lat nog wel hoger mag worden gelegd dan het ‘responsieve proces’ van in gesprek gaan met de onder toezicht gestelden. Het is wel degelijk denkbaar dat, binnen ieders verantwoordelijkheid, burgers en bedrijven mee kunnen gaan denken met de toezichthouders over hun agenda. Van Dijk heeft gelijk. Bij wetgeving is dat via de internetconsultaties al lang praktijk en het is een effectieve maatregel in het verbeteren van de kwaliteit van wetgeving gebleken. Zelf zou ik nog een stap verder willen gaan, maar daar kom ik zo op. Toch, met alle kanttekeningen, zie je in zo’n 500 nieuwsbrieven het vak van de toezichthouder zich wel degelijk ontwikkelen, met in het 500e nummer o.a. weer een bericht over een heuse wetenschapsagenda. Het blijft vooral een kwestie van durf.

Durf

Durf is wel een moeilijke term in de toezichtwereld. Mijn beeld is dat in al de jaren van de nieuwsbrief de emmer met durf nauwelijks de kans heeft gekregen zich te vullen. Misschien nog wel op het niveau van de individuele toezichthouder: complimenten hoe die zich dagelijks door hun werk heenslaan. Maar op institutioneel niveau? De houding van veel inspecties en toezichthouders is fundamenteel passief, soms tot op het beeld van een geslagen hond aan toe. En het werkt niet. In mijn ogen kon bijvoorbeeld de ellende met de Fyra alleen maar gebeuren doordat de inspectie te lang in haar procedurele, regeltoepassende rol bleef en dat ook bij de private toezichthouder liet gebeuren. De inhoud van de norm, in de vorm van losse platen, verdween uit beeld. Was niet de taak (goed om in de nieuwsbrief te lezen dat de ILT de koers nu heeft omgegooid). En zelfs rond de Fipronil affaire vraag ik mij af of het zo groot was geworden als niet automatisch een wettelijke norm was overgenomen en er toch iets van een inhoudelijke effecttoetst was geweest. In dezelfde tijd dat de nieuwsbrief begon te verschijnen, konden we ook kennisnemen van het gedachtegoed van Weick & Sutcliffe en hun ‘high reliability organizing’ (HRO). Kort gezegd komt het er op neer dat normen en procedure op zich nodig zijn, maar dat je er nooit op kan leunen, want dan val je om. Anderen, zoals Frederique Six vroegen aandacht voor het thema van vertrouwen. Ferdinant Mertens blijft doordachte commentaren geven, dus we kunnen het weten …

Ja, maar. De politiek verwacht …

De Wet op het Vermeerderend Toezicht (WVT)

De politiek verwacht teveel. Schandalig teveel. Dat is op zich weer het logisch gevolg van druk via (social) media, maar het lijkt mij ook de rol van de politicus om daar niet teveel in mee te gaan. Er is meer dan het hier en nu. Zeker bestuurders horen rugdekking te geven als hun toezichthouders niets anders doen dan de wetten van die politiek uit te voeren.

Helaas. Een aantal jaren geleden vroeg ik Rob om bij te houden hoeveel oproepen er wekelijks werden gedaan om het toezicht te verhogen en hoeveel oproepen er werden gedaan om het toezicht te verlagen of te vereenvoudigen. Na ongeveer twee jaar is hij daar mee gestopt, omdat de verhouding steeds ongeveer hetzelfde bleef. In een verhouding van ongeveer 5 : 2 wonnen elke week de vragen (eisen) voor meer toezicht. En dat terwijl er landelijk, ook in het regeerakkoord van Rutte I en II, gepleit werd voor ‘uitgaan van vertrouwen’ en het verminderen van toezichtfuncties tegelijk met minder regellasten. En dan toch die voortdurende roep om meer toezicht.

We zijn alweer een kabinet verder. Rob houdt de cijfers dus niet meer bij, maar als ik mij net vergis, is de ontwikkeling op onheilspellende wijze doorgegaan. Af en toe lees je op een deelgebied nog over een poging toezichtlasten terug te brengen, maar de dieperliggende trend is dat er gewoon niet meer over vermindering van toezichtlasten wordt gesproken. In een enkel woord: het is een taboe geworden. Natuurlijk lopen er nog talloze mensen en organisaties rond die minder toezicht zouden willen, maar wie wil dat nog doen als je binnen de kortste keren krantenkoppen om je hoofd gaat krijgen dat er misstanden aan het licht zijn gekomen in jouw sector? Het is gewoon te riskant. De Wet op het Vermeerderend Toezicht (WVT) zou wel eens niet meer onder controle kunnen zijn. Tenzij we Trump gaan importeren natuurlijk, die lijkt te laten zien dat het wel kan.

Financiële leegte

De geïnformeerde lezer zal, waarschijnlijk al ruim voor we op dit punt in deze tekst zijn gekomen, verwezen hebben naar de financiële situatie. Het kabinet had en heeft al budgettair geanticipeerd op een verminderde noodzaak van toezicht (daar lezen ze duidelijk de nieuwsbrief niet). Dan is het logisch dat toezichthouders niet aan de verwachtingen kunnen voldoen en vastlopen in te weinig capaciteit en middelen. We moesten er lang op wachten, maar wat dat betreft chapeau voor de WRR die in haar grote rapport over toezicht er wel aandacht voor vroeg. Waarna iedereen weer over leek te gaan op de orde van de dag. Wat dan opvalt uit de nieuwsbrief is wat er niet in staat: een regelmatige stroom van publicaties over de (niet) beschikbare financiën. Net als indertijd de zelfstandige bestuursorganen, laten de toezichthouders het uitkleden nagenoeg geluidloos gebeuren. Je moet echt in de teksten kruipen om het geld te kunnen volgen, en dan nog.

Er is wel een lapmiddel, het doorberekenen van toezichtkosten. In eigen publicaties heb ik eerder al pek en veren richting de politici gebruikt die deze verboden doping willen gebruiken. Ik vermoed dat er ook bestuurskundigen aan dit beleid hebben meegewerkt en dan krijg ik plaatsvervangende schaamte. Nooit les gekregen over de wet van Niskanen en de budgetmaximalisatie die erbij hoort? Was ‘bestuurskundige’ een echt beroep dan hadden ze nu voor de tuchtrechter moeten verschijnen vanwege een beroepsfout.

En bij dat alles vraag ik mij af of de toezichthouders ook bij voldoende middelen wel kunnen voldoen aan de verwachtingen. Het antwoord laat zich raden. Dus toezichthouders, wat heb je te verliezen met een assertievere houding?

Het aanvullend alternatief?

En dat brengt deze razende nieuwsbladlezer bij zijn laatste punt. Wat is het alternatief? Toen de auteur deze nieuwsbrief begon te lezen, was hij zelf behoorlijk actief in de wereld van het toezicht. Zoals bijna alle externen hebben gemerkt, gingen de deuren dicht en werden er slechts spaarzaam opdrachten verstrekt op ander dan IT-gebied. In mijn geval was dat jammer, maar niet erg. Mijn opdrachtgevers werden branches en beroepsverenigingen. Zij hadden en hebben allemaal te maken met incidenten waarbij de misdragingen van een deel van de leden het vertrouwen in de hele vereniging onder druk zet. Het interne toezicht kan altijd beter, maar dan is het onheil al gebeurd. Dus gaan ze op zoek naar andere vormen om de leden weer scherp te krijgen. Of het nu ‘werken aan innovatie’ of ‘doen aan kwaliteit’ heet, er moet iets gebeuren. Was dat vroeger een zaak voor de vereniging alleen, nu hangt er bijna altijd de schaduw van een toezichthouder over deze pogingen vertrouwen te herstellen. Dat is op zich niet erg. Integendeel: het is mijn indruk dat de aanwezigheid de noodzakelijke snelheid aan het veranderingsproces geeft. Bij verenigingen zonder toezichthouder gaat het langzamer. Waar het mis gaat, is als de toezichthouder de taak van het interne toezicht gaat overnemen. De toezichthouder zelf heeft daarvoor doorgaans niet de goede mensen, de leden van de vereniging kunnen achterover gaan hangen omdat ze zelf niet meer verantwoordelijk zijn. Behandel mensen als kinderen en je krijgt kinderen.

Ik blijf dus overtuigd van zelfregulering (beter, want het gaat niet om regulering: interne kwaliteitszorg) als het enige echte middel om op termijn vertrouwen te herstellen en de toezichthouder gezond te houden. Het is het aanvullend alternatief en wie nu aanvult op wie laat ik graag in het midden.

Doorgaan!

En zo gaat het denken en het debat door. Ik hou van blogs op sites in eigen beheer, want dan kan ik veel langer doorgaan dan goed is voor de lezer, maar het mag duidelijk zijn dat ik veel waardering heb voor de nieuwsbrief van Rob Velders en hoop dat hij nog vele jaren zijn zondagse nachtrust blijft verstoren en onze mailbox blijft vullen.

Peter Noordhoek

(Alleen ondergetekende is verantwoordelijk voor wat er uit zijn grieperig hoofd komt.)

Gouda is een afslag

Deze week verscheen onder redactie van Niels Honkoop en Teun Hardjono een bundel stukjes van Gouwenaars waarin vooruit gekeken werd naar het jaar 2020, als de stad 750 jaar bestaat. Ook deze burger is gevraagd een stukkie te schrijven. En doet een oproep.

Gouda is een afslag, een blauw bord boven een doorgaande weg. Gouda is een midden. Een midden op weg naar iets anders. Gouda is een station. Een halte waarop treinen zich splitsen en weer verder gaan. Toch?

Nou nee. Ga naar een bergtop, steek een oceaan over, verdwaal in een wereldstad: altijd heb je als Gouwenaar een antwoord op de vraag ‘Where are you from?’. Zeg ‘Gooooda’, voeg er zo nodig ‘cheese’, ‘käse’ of ‘fromage’ aan toe, en iedereen lijkt de plaats te kennen. Startend met een G-klank, gevolgd door een pijnlijke klinker en met een laatste lettergreep als een korte ademstoot, is ‘Gouda’ een plaatsnaam die kort genoeg is om direct onthouden te worden en tongtrekker genoeg om in het geheugen te blijven haken (probeer maar, dat met die tong).

Stel dat Gouda niet Gouda maar, zeg, Hellevoetssluis had geheten? Zou je dan ook die blik van herkenning in dat kleine plaatsje in Californië krijgen? Het wordt tijd dat we het ons realiseren: Gouda heeft als plaatsnaam een zeldzaam hoge woordkwaliteit. En wat we ons ook mogen realiseren: in die plaats zijn vroeger en nu veel inwoners die prachtig met woorden om kunnen gaan. Als schrijver, als drukker en als dichter.

Let bijvoorbeeld eens op de dichters. Gouda heeft ze altijd in ruime mate gehad: van Erasmus tot de rederijkers, van Leo Vroman tot de stadsdichters. Van wijk tot dijk, van steeg tot St Jan, van notabelen tot armoedzaaiers. En volgens mij veert de stad bij elk van hun gedichten net een beetje omhoog

. Leo Vroman schreef: “De toekomst ligt altijd verder weg / dan het verleden” en Gouda heeft veel verleden, maar het mooie is dat onze dichters veelal vanuit het hier en nu schrijven; soms zacht en mijmerend, soms hard en in de volle actualiteit. En dat zal in 2020 niet anders zijn dan nu. Het enige wat waarschijnlijk is, is dat vanaf begin 2020 er een nieuwe stadsdichter zal zijn. Een staddichter die het over het Gouda van dan zal hebben of over het Gouda van hoe het was. Het enige wat hij of zij, net als bijna alle andere dichters, niet zal doen is om in gedichtvorm iets over de toekomst te schrijven. Dat heeft een reden.

Dichters weten hoe moeilijk het is iets van het hier en nu in een enkel woord te vangen, laat staan er een heel gedicht van te maken. Over de toekomst dichten is opvallend genoeg te vaag om er iets in te kunnen raken dat de moeite waard is. Gelukkig ligt 2020 al dichtbij. Een van de dingen die dan gedaan zijn is de versterking van de IJsselkade en in het verlengde ervan het Goudse deel van de IJsseldijk. Het is aan deze dijk dat Leo Vroman in de dertiger jaren van de vorige eeuw het liefste lag:

Leo is daarna uit Gouda vertrokken, om nooit meer terug te keren. Net als vele anderen kom ik juist van buiten Gouda en ga er nu niet meer weg. Het is mijn visie dat ik in 2020 op de verhoogde dijk zal gaan liggen, fietsers voorbij hoor komen en dan aan hem zal denken. Gouda is een afslag – naar een dijk.

Sorry, dit laatste heb ik er als extraatje bij gedaan, staat niet in de bundel. Maar ik doe het toch graag even. Want het is gedichtentijd. De deadline voor het insturen van gedichten komt snel dichterbij. Als voorzitter van de stadsdichtersverkiezingen in Gouda moet ik streng zijn: de 21e januari sluit de inschrijving. De 2e februari hebben we dan de auditieronde en de 17e februari de finale. En wat is er nou mooier dan stadsdichter te zijn van een stad als Gooooouda.

Peter Noordhoek

Camiel Eurlings en de keuze om te bekennen

Deze jaarwisseling zag het voorlopig einde van de carrière van Camiel Eurlings. Ik heb zijn opkomst en neergang mee mogen maken en omdat hij een bijzondere persoon is, laat ik daar hier wat van zien, zonder hem heilig te maken of de pretentie te hebben hem echt te kennen. Hij moest zijn zetel bij het IOC opgeven na een ‘trial by media’ en dat geeft een vieze smaak. Als ‘persoon van besproken gedrag’ heeft hij daar wel zijn rol in gehad en daar zit een les in. Maar eerst terug, terug naar de eerste kennismaking.

In de aanloop naar de landelijke verkiezingen van 1998, had ik de bijzondere opdracht om alle 50 kandidaten van de kandidatenlijst voor het CDA te trainen. De zittende groep kandidaten was tot op het bot verdeeld. De nieuwe groep omvatte een groot aantal jongere kandidaten waarvan eigenlijk niemand wist wat je er aan had. Om voor zo’n divers gezelschap iets te bedenken, moest je vooral niet laten praten. Dat zou de verdeeldheid maar vergroten. Om die reden zette ik ze in groepen van 7 kandidaten in taxi’s, aangevuld door een coach van buiten. Die taxi’s werden naar naburige steden gestuurd. Elke groep had de opdracht om drie wildvreemde mensen van zo verschillend mogelijke pluimage van de straat te plukken en hen te overtuigen dat het leuk zou zijn om met hen mee te gaan naar de congreslocatie. Daar zouden ze de kans krijgen hun verhaal te doen richting de kandidaten. De kandidaten mochten niets terugzeggen. Door dit ver buiten Den Haag te doen hadden we minimale kans dat er parlementair journalist geïnspireerd zou worden om over de ontvoeringsstrategie van het CDA te praten.

Als programma werkte het perfect. Minder perfect werkte het voor veel individuele kandidaten. Ook de meer ervaren kandidaten vonden het bijzonder lastig zomaar iemand op straat aan te spreken. Het bleek al helemaal moeilijk voor de teams om ook echt als team te opereren. Dan zie je wel direct welke kandidaten er gevoel voor hebben en wie niet. Degenen die het perfect deden, hadden er geen moeite mee om mensen aan te spreken of om een team te helpen smeden. Wie die dat in alle opzichten het beste deed, was de toenmalige fractievoorzitter, Jaap de Hoop Scheffer. Wat was die man goed en authentiek in zijn optreden. Als ik nadenk over de afstand tussen iemands mediabeeld en ‘de echte persoon’, denk ik sindsdien aan hem. Daarna sprongen er in beide opzichten twee jonkies uit: Joop Wijn en Camiel Eurlings. Die laatste was ook letterlijk de jongste. Naast een natuurlijke flair had hij ook een inzicht in menselijk gedrag waar oudere mensen nog veel van konden leren. Het woord ‘talent’ stond wel zo vet op zijn voorhoofd geschreven dat hij er last van had. Je zag hem heen en weer geslingerd worden tussen de wens tot erkenning van zijn talent en de wens om gewoon te kunnen doen. Ik had ondertussen mijn handen vol en behandelde hem net als ieder andere kandidaat. Misschien kwam er daardoor van zijn kant wel iets van een klik. In ieder geval heb ik hem daarna bij momenten goed leren kennen. Het kon gebeuren dat je elkaar maanden niet sprak en dat je toch direct de draad weer op kon pakken op de momenten dat je elkaar weer zag, meestal in campagneverband. ‘In het moment’ was hij altijd goed. Snel en vol charisma. De uitdaging was om hem in jouw moment te krijgen.

Na een aantal jaren begon ik het wel lastiger te vinden om aan anderen uit te leggen waarom ik zo enthousiast over Camiel was. Je hoorde steeds vaker over prima donna gedrag, niet in het minst blijkend uit die gewoonte om overal te laat te komen of niet te verschijnen. Tegelijk: hij had prima medewerkers en het stelt altijd gerust als mensen zich omringen door kwaliteit. Als politiek bestuurder heeft hij bijna alle dossiers aangepakt en veilig door de Kamer geleid. Zelden gedonder. Onderschat niet hoe moeilijk dat is. Maar zeker rond kabinetsformaties was er te veel emotie, te veel ego. Camiel, waar ben je mee bezig? Waar ben je überhaupt? En waar sta je echt voor?

Ik was zeker niet de enige die met deze vragen rondliep. Daarom is de opvolging van Jan Peter Balkenende door Camiel Eurlings nooit een vanzelfsprekende geweest. Maar toen het kabinet met de PvdA klapte, moest er op hele korte termijn een campagne worden gevoerd. Dan krijg je het soort blikvernauwing die neerkomt op de vraag ‘Wie kan ons de overwinning bezorgen?’ Camiel was toen ons grootste stemmenkanon, vooral richting het zuiden. Moest hij het niet toch maar gaan doen? Ik was destijds in een stevige adviespositie en heb toen negatief geadviseerd. Als iemand de stemmen kon pakken, dan was hij het, maar wat daarna? Welk CDA krijgen we dan? Dat advies is genegeerd. Camiel kreeg de opvolgingsvraag wel – en weigerde. Vanwege zijn relatie. Dat ‘nee’ werd niet geaccepteerd door mijn lieve gezinspartij. Er ontstond een potsierlijk jacht op Camiel, die zich zoals vaker onvindbaar probeerde te houden. Mij staat een beeld bij van een Eurlings die letterlijk in een ballon wegvloog, met zijn hand tegen het oor richting mannen op de grond: “Ik kan je niet horen. Wat zeg je?” Ik was er niet bij en weet dus niet of het waar is, maar als een drama te groot wordt, wordt het een farce. Dat gold ook voor zijn optreden tijdens het roemruchte congres in Arnhem. Ik kreeg per sms de vraag of ik hem kon stoppen in zijn liefdesbetuiging aan Maxime Verhagen, maar hoe had ik dat moeten doen? Het was zo voorbij – en zo ‘over the top’.

Over zijn daaropvolgende baan bij KLM of zijn functie bij het IOC weet ik niet meer dan andere mensen. Zijn kwaliteiten staan voor mij buiten twijfel, maar hoe vang je die in een goede functie? Het lijkt mij dat dit beter is gelukt in zijn IOC dan in zijn functie bij KLM. En de relatie? Camiel is in de positie terecht gekomen dat hij publiekelijk de weging moest maken tussen de kans op een premierschap en zijn relatie. In het normale leven kan de keuze tussen werk en gezin een relatie al stevig belasten, hoe heftig moet dit dan niet zijn geweest? Het is in ieder geval uitgemond in een drama. Dit keer geen farce, maar een echt drama, met alleen maar verliezers.

Ik beschrijf dit zo, omdat ik ook ben geraakt door de persoon Camiel Eurlings en we een gezamenlijk verleden hebben. Daar kijk ik per saldo positief op terug, zelfs al denk ik dat het premierschap een stap te ver zou zijn geweest. Wat is het ongelofelijk jammer dat het zo moest gaan. Wie is de persoon die ik zo vaak een hand heb gegeven? We zijn echter allemaal complexere wezens dan in krantenkoppen gevangen kan worden en dat geldt zeker ook voor Camiel Eurlings. Daarom ben blij dat het OM uitspraak heeft gedaan, of tot een afspraak is gekomen, want dat geeft toch genoeg duidelijkheid: zijn donkere kant moet het op een gegeven moment gewonnen hebben. Hij heeft iets goed te maken. En ook al geloof ik in tweede kansen, nu nog niet. Punt.

Was er maar een punt te zetten. Er is iets overheen gekomen waar ik nooit aan zal wennen. De januskop van publieke opinie en media – zuiverheid eisend en tegelijk smullend van het schandaal – heeft voor een tweede en veel hardere veroordeling gezorgd dan wat ons justitieel apparaat kan doen. Niemand lijkt ook op het idee te komen om het OM of de politiek te verwijten dat de strafmaat wellicht te laag is. We hebben het OM gewoon helemaal niet nodig. Geef me een microfoon of toetsenbord en ik spreek het oordeel wel uit. Politiek redacteur David van der Wilde van BNNVARA doet wel zijn werk. In een commentaar zegt hij: ‘Een feitenvrije hetze leidde tot Eurlings vertrek.’ De bronnen voor de uitspraken over wat Eurlings wel of niet gedaan zou hebben, zijn indirect of niet naspeurbaar. Toch hebben cohorten mensen dan al hun uitspraak gedaan. Hoort u daar ook bij? Hoe voelt dat? Bent u ook zo van mening dat iemand niet veroordeeld moet worden totdat … Ja, maar.

Ja, maar. Dat geldt kennelijk niet voor mensen die van, zoals iemand zich op de radio versprak, ‘van besproken gedrag zijn’. De privépersoon moet dan kunnen wijken voor het kunnen bespreken van het gedrag van de Bekende Nederlander. Dat is de norm geworden. En op dit punt wordt de casus Eurlings inderdaad heikel voor hem. Hij heeft toch echt de verkeerde inschatting gemaakt over de omgang met de media en zijn keuze voor bekennen op z’n zachts gezegd slecht getimed. Dit punt raakt aan de kern van de politieke communicatie en volgens mij is er geen standaard recept. Wel zijn er ruwweg drie scenario’s:

  • Deur dichten: elk commentaar weigeren of zo nodig liegen. Niet wrijven in de vlek.
  • Deur geleiden: met mate informatie verstrekken. Jij bepaalt wat wanneer bekend wordt en rekent op het korte geheugen van mensen
  • Deur opendoen: direct openheid van zaken gegeven. Misschien zelfs wel meer dan strikt nodig.

De oudere generatie heeft de eerste strategie als voorkeur. Niet alleen Trump doet het zo. De ‘generatie Balkende’ is het tweede, zeer professionele scenario bijgebracht. De opdracht is om samen met je adviseurs meester van de situatie te blijven. Het derde scenario doet het meest naïef aan. Zelf ben ik graag een beetje naïef en ben wel een fan van dit laatste scenario, maar dat vraagt wel dat je op een echt authentiek niveau kunt communiceren. Het is weinigen gegeven authentiek te reageren als het er op aan komt en dan te bekennen op een manier dat iedereen denkt ‘hij is een klojo, maar in zijn positie zou ik hier misschien ook wel toe komen’. En dat iedereen dan weer overgaat tot de orde van de dag als hij of zij verder geloofwaardig is. Pieter Omtzigt is recent op dit derde scenario uitgekomen en heeft mede daardoor veel steun gekregen.

Kijkend naar Camiel Eurlings zie je wat mij betreft het zoveelste falen van het tweede scenario. Geen enkel verhaal, geen bekentenis was nog geloofwaardig, alles werd mosterd na de maaltijd. Opnieuw was hij aan het wegduiken, bezig zich onvindbaar te maken. Dat lijkt mij de bron van het drama na het drama. Ik blijf moeite houden met de wijze waarop wij als samenleving en media nu een weg opgaan waarbij wij het met z’n allen beter lijken te weten dan een openbaar ministerie, maar het is wel de realiteit van nu. Het heeft iets zichtbaar gemaakt waar iedereen over na mag denken die ‘van besproken gedrag’ is. Na Camiel Eurlings zullen er volgende Barbertjes komen die ‘het zichzelf aandoen’. Weinigen zullen er echter zoveel te bieden hebben als hij. Als we dan toch onderscheid gaan maken, laat dat dan ook gezegd zijn.

Peter Noordhoek

Dit is een kerstkaart

Het is weer die tijd van het jaar. Het is eigenlijk vreselijk, het is werkelijk geweldig. Iedereen gooit je dood met kerstdingen – en niemand harder dan de winkeliers. En de meesten van ons laten zich er graag door meeslepen, niet in het minst omdat de Kerstman geen zwarte pieten heeft. De meesten. Dus niet iedereen. Al die aandacht voor kerst kan het er ook inwrijven dat je zelf bijvoorbeeld helemaal geen reden voor een kerstgevoel hebt. Dat kerst het soort cliché is waar je koud van wordt.

 

Al meer dan twintig jaar schrijf ik een kerstgedicht en daarin probeer ik altijd iets van die dubbelheid te vangen. Het was en is nooit de bedoeling geweest dat zo lang vol te houden. Mijn toenmalige werkgever, De Baak, vond het een goed idee om in plaats van kerstkaarten rond te sturen, een donatie te doen aan het Ronald McDonald-huis. Een goed idee natuurlijk. Al die stukjes karton met standaard opdruk betekenen natuurlijk niet zoveel. Zelf vond ik het toch jammer. Een kerstkaart vormt toch ook een kans om even een persoonlijke boodschap op de kaart te schrijven. En daarom bedacht ik: ik schrijf zelf een gedicht en stuur dat met wat eigen woorden naar mijn beste vrienden en kennissen toe. Zo gezegd, zo gedaan – en niet erg netjes gedaan. Ik schreef het gedicht en kopieerde het gewoon, op veel te glad papier. Veel mensen moeten een aantal zwarte vegen hebben ontvangen in plaats van een kerstgedicht.

Kerst en Nieuwjaar –

Het is zoeken naar een oud gevoel
in te moderne tijden

Het gaat om de kitsch van Kerst
om bomen en gekleurde ballen

Het gaat om het stilstaan en herhalen
en het vragen naar wat komen gaat

En wat we vragen is een
witte kerst in een warm klimaat

En wat we willen zijn cliché’s
op zoek naar de waarheid

Kerst en Nieuwjaar –
ik glimlach en verlang er naar

Lerend van mijn fout, heb ik het jaar erna er meer werk van gemaakt. Sindsdien heb ik menig ontwerper en drukker gek gemaakt – en incidenteel ook zelf iets ontworpen – zoals dit jaar. Het was soms ook best pittig. Op een gegeven moment ben ik er toe over gegaan om midden in de zomer, als zoals dat heet de mussen dood van het dak vallen, het kerstgedicht te schrijven. Het bracht wat koelte en een iets eerder halen van de deadline. Soms was het dan nog teveel. Toch heb ik slechts één jaar overgeslagen, klagend over hoe moeilijk het was iets origineels te verzinnen. En dat heb ik geweten. Stoppen mocht niet. Ik klaag nog altijd, maar met opgewekt gemoed. En vindt ondertussen plezier in het voordragen uit het eigen werk. Voor wie dat ‘live’ wil horen: op kaarsjesavond 15 december a.s. sta ik op meerdere locaties in Gouda. Ko bijvoorbeeld van 16:30 tot 18:30 in Galerie de Hollandsche maagd aan de Oosthaven.

Ook dit jaar heb ik dus weer een gedicht uit een hoekje van mijn hersenen naar boven getild. Dit keer gaat het vooral om de kerstkaart zelf en wat die kan betekenen. Want dat moet ik erbij zeggen: de kerstkaart kan iets zeggen, maar wat er met een eigen pen op geschreven wordt, zegt altijd nog meer. Ook dit jaar zullen er velen zijn -waaronder uzelf? – die een kaart zullen ontvangen met een opmerking van mijn kant, hoe klein ook. Helaas kan ik allang niet meer iedereen bereiken. Daarom toch ook maar gewoon langs digitale weg.

Brexit: the case of country that walks away from what it wants most

Brexit. Are you still paying attention to it? In continental Europe, not many are. For all its importance, it is basically a sideshow. Probably this is a good thing for the European negotiators. It gives Michel Barnier and his colleagues a stable base on which to negotiate. If the source can be believed, Brexit was not even a topic in the failed coalition talks in Germany, as all three parties agreed wholeheartedly on the European position.

How did we get into this mess?

So, it really does not look well for the British government in the negotiations that are now taking place. The payment to be made by the British on the ‘Brexit bill’ is getting closer and closer to the 80 million Euro or so requested by Europe (but we will all stay silent on this, don’t we?). Meanwhile both the Irish government and the Democratic Unionist Party threaten to derail the whole process with their concerns about the borders with Northern Ireland. No doubt other countries are waiting in the wings with their concerns and demands. Britain faces a remarkably united front in a way many who care about the future of Europe should think about deeply, for better and for worse.

Still, it is not only the British that should ask themselves, ‘What have we gotten ourselves in for?’ All of us should ask: how on earth did we get ourselves into this mess? Without this reflection, it is just a matter of time before we get ourselves into another mess (and still have the Brexit one to deal with).

How deep the divide?

Here two sources are provided that each give an answer to that question of how we got into that mess (again).

It starts with an article in the Financial Times (warning: paywall) about the negotiations the British did in the ‘60’s (failed) and ‘70’s with the EEC, the predecessor of the EU. There are remarkable similarities in the way the British underestimated the dynamics of the negotiation process. It makes for interesting reading, because if ever there was a repeat of history, it is now (though, if anything, the conditions for British success are even less favourable than then). The same misinterpretation of motives, the same way the British underestimate the impact of the European ‘mechanistic’ way of negotiation. Unbelievable.

Flying above the beach

The other thing that should be read is this: the transcript of a lecture that Sir Ivan Rogers gave recently at Hertford College in Oxford. He was not only from 2013 to 2017 UK’s former EU ambassador, but before that also David Cameron’s main adviser for Europe, based in the Prime Minister’s Office at Number 10. It is a long read, to be sure, but it is absolutely well worth reading it. This not only for its fascinating account of how the decision on the Brexit referendum came to be made, but also because it shows very well which (mis)conceptions there were and are in both the British and EU camp when it comes to negotiation.

In his speech, he sort of flies above the divide between Britain and the EU, like a Spitfire without bullets left above the beaches of Dunkirk. And if I may further misuse the metaphor; with below him the grey helmets of tens of thousands of pensioners forced to abandon their sunny homes on the continent. Here I will deal first a bit with the point about the negotiations and then summarize a few of my own findings.

The case of the country that walks away from what it wants most

One of the many interesting quotes from the lecture holds the key to both present and past negotiations between the continent and the EU:

“Whether others fear that you will walk away in any negotiation depends not on frequency, volume and vehemence of threats to do so. It depends on whether, as they assess them, the other side thinks you can walk away to a better state of the world than you are walking away from.”

Time and again, David Cameron came with proposals to create a special place for Britain within the EU. In a way he knew that the British proposals never stood much of chance to be adapted. Each proposal was made more from the perspective from British political realities then from a clear assessment of what the other countries wanted to hear, but there was one thing that rang true to at least some of the member state: to let the internal market work better. Further economic integration, fostering trade, was something no one could reasonably object to. This position was the base from which all the more contrarian proposals could be launched. In political terms, for a long time there was no reward in challenging the EU partners too much. A defensive, sometimes obstructive, position was for a long time good enough, and often more for internal British consumption than from a desire for immediate change. Meanwhile the virtues of the internal market were sold to anyone with ears to hear.

The remarkable thing is that the present negotiations seem to work from the presumption that a working internal market is something the continent wants, not the British. The world is better off without Britain in the internal market. The British would not put it as literal as I put it here, but this is de facto their position. The benefits of free trade outweigh that of the internal market? I do not know who believes this, but certainly not the last four British governments. Even Margaret Thatcher poured much money and effort into building that internal market. And now they are walking away from that internal market, walking away from what they perhaps wanted most of all the members.

What changed the world?

So, what changed the world? Two things stand out from Sir Ivan Rogers lecture. The first is the rise of the net contribution to the EU budget, the second the issue of the influx of Eastern European labour to the UK. From continental perspective, this is incomprehensible. The first was a direct consequence of the enlargement of the EU, which was championed most of all by Britain. The second is even more idiotic one, from continental perspective. Not only did the British already have an exception from the agreement to take in refugees the way other European countries have, the British government very much accepted at the time the influx from Eastern Europe, even forgoing the adjustment period that all the other countries applied (economic growth that year was projected to be rather slow, also because of demographic factors. Adjusted for the production capacity of the foreign workers the figures became better).

But this was all before the economic crisis. Never popular with the British people, the EU became an easy scapegoat for all that was economically wrong, never mind that the City of London was at the financial centre of it all. The longer British and EU kept on rationalizing from the perspective of the internal market, the longer they ignored the rising sentiment against the EU, the more it became a very frail negotiation strategy. It does not look like David Cameron ever did something very ‘wrong’. He probably did better than his predecessors. The internal market strategy just ran empty. Resurrecting the danger of losing that market as central part of the referendum strategy, was in that sense also an empty strategy. Into that emptiness came the danger of more strangers taking away our jobs, a foreign court as supreme master and the idea that we British know better to run the economy than the mules in Brussels do.

Reinventing the world as it is

Let’s go back to the present by going back to that quote: “Whether others fear that you will walk away in any negotiation depends not on frequency, volume and vehemence of threats to do so. It depends on whether, as they assess them, the other side thinks you can walk away to a better state of the world than you are walking away from.”

So far, the EU has shown a united front. It has a clear negotiation strategy. It accepts a Brexit, as article 50 has been invoked. It does not want or need to humiliate Britain. Yet, as long as it holds on to the four basic elements of the EU, including the free flow of people, the result will be a Britain that is no longer part of the internal market. Even with a ‘soft’ Brexit, the implications are bad. But the world has changed so much in some British eyes, it is not impossible that a ‘better state of the world’ will mean walking away from the negotiation table, with no foreseeable return. Then what?

Considering the depth of the divisions within Britain, there is no way the EU can or should force the British back to the negotiation table. Damage limitation, that should be the bottom line. They really have to do this themselves. Maybe the failures of the negotiations in British eyes, will also mean a breakdown of the British government. But even then, the resulting new elections will only be a first step – given Labour’s own problems, no more than that – towards a more realistic view and perhaps another, more realistic negotiation. Remain will not be in the cards for a long time, if ever. If it would happen, it is probably because Germany and other key countries will give up on free flow of people, but that is certainly not in the cards yet – and has never been the real reason for Brexit. No, reinventing the world as it is, will take a long, long time.

What now, Britain?

Working from the assumption that any outcome of the negotiations will be a loss-loss scenario, it is the British that will have to get their act together first. More than anything, this means getting their industrial base in order. Have a look at this scheme, comparing German and British productivity numbers: most of Britain is at the level of the worst parts of East Germany. It cannot compete. Restarting the economy means reinventing the educational system. It can work – history shows Britain has done it before – but it will take many years.

It could be, though it is hard to imagine, that many British will say that the City of London will come out well from Brexit. This would be good enough for the whole of the British economy. In this scenario, the City will deregulate and cut rates for financial services like a madman, making London more the financial centre of the world economy than ever. Perhaps it would work for a short while for the British – if you don’t care for the people in Nottingham and Wales – but it is more likely that European and other countries will sense that the City beast is wounded and push the city out of business with a combination of even sharper rates and a safer regulatory environment.

There is something else that is urgently needed for the British (and others): a rediscovery of the middle ground. There is a small passage in Ivan Rogers lecture, that is of wider significance than a purely historic one. It has to do with membership of the EPP, the Europe’s Peoples Party. Leaving the EPP was logical from the position the Conservative Party had taken, the decision might even have helped him to become party leader, but it meant that David Cameron did no longer sit on the table where the most important decisions were made. Well, he was warned. But Ivan Rogers gives it deeper meaning by stating: ‘Not many Tories now intuitively understand Christian Democrats in the way they did 20 years ago. The same is true in reverse.’ In my terms: the Conservatives have left the middle ground. Successive prime ministers have recognized the danger in this. John Major tried to gain the centre ground with ‘citizen’s charters’ and other means. Cameron was serious when he proposed the ‘Big Society’. Theresa May is serious about housing and income inequality. There plans are laughed at, destroyed by the politicians and press from both the left and right. It was clumsily done, but what Theresa May had proposed in terms of pensions, was basically the right thing to do. It cost here the last election. Today’s walkout of the members of a policy committee on social mobility, shows how difficult it has become to get together on something everyone should be able to agree on. Yet, it is hard to see any British recovery without a recovery of the middle ground.

Please, start talking again, really talking

How I detest the British press, as they are very much to blame for the situation Britain is in now. As an Anglophile, I think the editors are slaughtering their country for nothing but financial gain. But the less emotional part of me, knows nothing will change as long as the media outlets will find readers and viewers. It is up to the people in Little England to rediscover what is important to them, starting with throwing away their normal news outlets. The divide is deep between people in Britain. So deep that people, even within families, no longer talk with each other about Brexit, not even daring to say what they voted for. I guess the debates should start at their kitchen tables, rediscovering middle ground.

Peter Noordhoek

Voorbij het frame van de sleepwet: over oude spionnen en blijvende keuzes

Er komt een referendum over een Wet op de inlichtingen en veiligheidsdiensten, slechter bekend als de ‘sleepwet’. Een wet die onze agenten en spionnen teveel bevoegdheden zou geven en onvermijdelijk onze privacy gaat schenden. Zeggen de tegenstanders. Zegt Lubach, en hij kan het weten. Het klinkt in ieder geval allemaal heel spannend, wat die overheid met ons van plan is. Een beetje duister eigenlijk. Iets waar je een spionageroman over leest. Toch? Een lekkere lange blog.  

Er was een tijd dat ik erg bezig was met Smiley. Hij was het tegenovergestelde van James Bond, 007. George Smiley was grijs. Iemand met een zachte handdruk onder ronde brillenglazen. Maar hij was ook ongrijpbaar en gehard in het spel achter het ijzeren gordijn: ‘the spy who came in from the cold’. Iemand voor wie het doel belangrijker was dan het middel, want het ging over leven en dood. Tegelijk was hij, zoals zijn bedenker, John Le Carré, hem in de zestiger jaren beschreef, ook alles wetend en begrijpend. Zo iemand die je graag als je baas of mentor wilt hebben.

In zijn nieuwste boek ‘A Legacy of Spies’, komt Smiley terug (‘Jeetje, daar lazen mijn ouders over’, zei mijn medepassagier. Eén moment voelde ik me oud, het volgende superieur). Smiley is niet langer de held, hij is de schurk; een donkere figuur uit de Koude Oorlog geworden. Al jaren dood, maar toch. Zoals het boek het vertelt, loopt er een procedure tegen de Britse inlichtingendienst over dingen die onder verantwoordelijkheid van Smiley zouden zijn gebeurd en waar de dienst voor aansprakelijk is gesteld. Dus: slechte publiciteit, veel geld. De dienst doet wat diensten doen: kijken of ze de schade kunnen afwentelen. Op Smiley valt niets meer te verhalen. Hij zou dood zijn. Op zijn medewerker misschien? Die leeft nog. En zo voelt Peter, de medewerker van George Smiley, het net om hem heen sluiten.

Mooie thematiek voor een spionageroman. De medewerker – net met pensioen gegaan, dus niet langer nodig – krijgt het zwaar, kan eigenlijk niet tegen de logica van het afschuiven op, dreigt te worden vermorzeld. Bijna. Ook Carré houdt van helden die het net redden.

Ik moest er over doordenken. Mijn eerste baas was – ver voordat hij mijn baas werd – ook een ‘spion’. Hij was zelfs één van de grondleggers van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) in Nederland. Kind uit een Scheveningse familie van 9 kinderen en met niet meer dan een boekhouddiploma op zak, zou hij zijn carrière eindigen in de Raad van Bestuur van een universiteit. Ver voordat hij in een bestuurszetel belande was hij roekeloos moedig in de oorlog en werd toen door Schermerhorn, de latere premier (samen met Drees), gespot als een talent. Hij hielp bouwen aan de nieuwe inlichtingendienst en legde onder andere de basis voor wat later (het tegengaan van) bedrijfsspionage zou gaan heten.

Toen hij mij in smiezen was hij al lang uit de dienst. Af en toe deed hij nog wat in de sfeer van opleidingen, maar voor zover ik weet was dat het. Zijn dag vulde hij in de tachtiger jaren met ‘interessante klusjes’. Hij had de reputatie van een harde saneerder; iemand die een kakelend hok rustig kon krijgen door alle kippen in de pan te doen. Maar meestal deed hij zijn werk met een glinstering in zijn ogen voor iedereen die met een oplossing kwam in plaats van een probleem.

Vijf jaar lang deelden we lief en leed bij een opleidingsinstituut; hij als voorzitter, ik als zeer jonge directeur-secretaris. In die jaren reden we samen alle universiteiten af en begon hij in de auto steeds meer te vertellen over zijn verleden. Ik betwijfel of ik ooit echte geheimen heb gehoord (al leerde ik zo’n 20 jaar voordat het in de media kwam heel wat over prins Bernhard), maar wat ik wel meekreeg was een houding die ik maar zal duiden als ‘koel kijken, warm voelen’. Eerst een messcherp doorkijken naar de diepere lagen en dan handelen, met echt begrip voor het menselijk tekort. Kortom; ik had aan hem een goede leermeester. Niet de enige, wel een belangrijke.

En met de lezing van het boek, komt dan de gedachte op: wat als die gewaardeerde voorzitter van mij een verleden zou hebben dat hem op de een of andere wijze in kwaad daglicht zou zetten? Dat wat goed was, nu opeens fout zo zijn? En dat ik dan nu als zijn oud-medewerker daarvoor aansprakelijk zou worden gehouden, omdat hij zelf al dood is? Ik weet dat hij in de oorlogsjaren op een beruchte landverrader heeft gejaagd en hem uiteindelijk te pakken kreeg. Van echt bewijs van landverraad was nauwelijks sprake, van een echte rechtsgang ook niet. Maar het was genoeg voor toen. Stel dat familie van die veronderstelde landverrader nu alsnog het gebrek aan bewijs als basis voor een claim zou nemen en bij het geconstateerde overlijden van de overijverige spion de medewerker aansprakelijk zou stellen?

Maar nee, het zou niet werken. Niet alleen omdat ik geen John le Carré ben en niet het vermogen heb om zoiets te schrijven, of omdat er ook zoiets als verjaring is, maar vooral ook omdat het niet logisch voelt dat je met terugwerkende kracht iemand in de schoenen kan zetten van een ander die iets zou hebben misdaan, net zo min als je met de kennis van nu iemand kan veroordelen voor de daden van toen. Tenminste, dat vind ik. Dat geldt voor de daden van mijn oude baas (die volgens mij zeer gerechtvaardigd waren), dat geldt ook bijvoorbeeld voor de mariniers die de trein met gijzelnemers in de punt hebben bestormd en voor vele andere voorbeelden van dingen die we nu gruwelijk kunnen vinden, maar logisch zijn vanuit de tijd van toen, toen we in vergelijking met nu ongelofelijk primitieve middelen hadden om ons gedrag op te baseren.

En dat brengt me waar ik naar toe wil, zeker in deze dagen van de nieuwe Wet Veiligheids- en Inlichtingendiensten (Wiv), de ‘Veegwet’. Ik meen dat we onze handen al vol genoeg hebben aan onze verantwoordelijkheid voor de dag van vandaag en dat we maar moeten hopen dat latere generaties ons niet harder zullen oordelen dat wij nu de spionnen en soldaten van toen. En mijn gevoel is dat zowel voor- als tegenstanders van de wet – en het inmiddels erbij horende referendum – er een potje van maken. De voorstanders door de relativering te gaan zoeken, de tegenstanders door de overheid of grote bedrijven tot vijand te maken.

Nee, het valt niet mee. Net zoals er in de VS teveel mensen met wapens rondlopen, zo lopen in de samenleving van nu met teveel computers rond die tot teveel in staat zijn. Overheden, bedrijven, maar ook gewone individuen: we hebben stuk voor stuk meer toegang tot informatie dan de beste spionagedienst in de koude oorlog. In totaal zoveel digitale informatie dat het meeste ervan nimmer meer door mensen kan worden gelezen; het is gewoon teveel. Alleen via algoritmes kan er nog betekenis uit worden gehaald en dan nog eerder door computers dan door mensen. Veruit het meeste daarvan betreft nuttige of ten minste onschuldige informatie. Een heel klein deel ervan kan en zal worden misbruikt door anderen. We kunnen niet weten welk deel.

Dat maakt ons machteloos, dat maakt ons bang. Terecht. We zijn kwetsbaar. We kunnen best wat doen aan verbetering van onze privacy, en dat moeten we ook doen. Als het er echt op aan komt is onze privacy geen fractie van de privacy die de mensen vroeger achter het ijzeren gordijn konden genieten.

En nee, de overheid is niet de kwade pier. Zelfs de Russische niet. Niet bij voorbaat. Ze worden in hoge mate bemenst door bange mensen die geen fouten willen maken en zich in willen dekken tegen de boosheid van hun bazen. Misschien wel gevaarlijker, maar geen reden om overal een samenzwering in te zien. Hetzelfde geldt voor bedrijven. Ook Google en Facebook worden niet geleid door schurken. Ze hebben hun belangen, maar die belangen worden ook begrenst, is het niet door overheden, dan wel door concurrenten en aandeelhouders. En tegenover elke ambtenaar of medewerker die de fout ingaat of zijn macht misbruikt, staat een veel groter aantal dat op z’n minst professioneel het eigen werk doet en zijn er velen die met overtuiging over zowel onze veiligheid als onze privacy waken.

Met andere woorden; alles kan gebeuren, maar niet alles dat kan gebeuren zal ook gebeuren. En als het er op aan komt moeten we aan de kant van de overheid gaan staan. Daarom nog even terug naar het voorstel van de nieuwe wet. Want we moeten niet alleen iets begrijpen van veiligheidszaken en inlichtingendiensten om bij het referendum te weten wat we moeten stemmen. We moeten ook iets over wetgeving weten. Wetten lopen namelijk per definitie achter de werkelijkheid aan. Stel, je wilt heel precies regelen dat de eigen privacy niet geschonden kan worden, door niets of niemand. Als dat het geval is, dan moet je ook bijvoorbeeld weten dat jouw telefoon niet zomaar afgeluisterd kan worden.

Dat vergt technische kennis, veel technische kennis. Dan denk ik nog even aan mijn oude voorzitter met mijn iPhone in de hand. Ik probeer te bedenken hoe hij de warme en de koude oorlog zou zijn doorgekomen als hij toen al de beschikking over een iPhone had gehad. Ik kan me er weinig bij voorstellen. Waarschijnlijk was hij opgepakt. Via een trace op zijn medewerker die weer in zijn contactenlijst stond, etcetera. Dat zou dus nu niet meer mogen kunnen. Dat moet geregeld worden. Ik weet wel dat er over een jaar weer een nieuwe versie van de iPhone zal zijn. Dan moet het dus opnieuw geregeld worden. Met een nieuwe wet. Ziet de lezer het probleem? Het kan niet anders of de wet moet zo geregeld worden dat er ruimte is om op nieuwe ontwikkelingen in te spelen zonder elke keer de wet te hoeven wijzigen. Ja, dan blijft er een risico op de schending van privacy bestaan.

Waar het in de praktijk op neerkomt, is dat de wet vooral ‘procesbepalingen’ zal bevatten. Dat betekent dat vooral geregeld wordt wie wanneer wat mag beslissen: de ‘checks en balances’. Daar ben ik niet zo dol op. In een sfeer van wantrouwen – en dat is er natuurlijk gewoon – betekent dat er vooral een bureaucratische moloch (verder) wordt opgetuigd, waarbij iedereen elkaar binnen de diensten in de gaten mag gaan houden. Ik heb er mijn twijfels bij – en vraag mij bijvoorbeeld af of er nog mensen overblijven die nog tijd hebben om gewoon dossiers te bekijken – maar denk dat er weinig anders op zit dan door die rituele dans heen te gaan.

Met of zonder referendum moeten we dus door de hoepel van een nieuwe wet springen. Komt het wel tot een referendum en is de stemming afwijzend, houden we nog lang de huidige wet en die is in ieder geval verouderd. Het directe gevolg is toenemende onveiligheid naar mate de veroudering langer voort blijft duren. Maar ook bij een positieve uitkomst van de stemming, dus aanname van de nieuwe wet, hoeven we nog niet blij te zijn. Mijn beeld is dat de huidige veiligheids- en inlichtingendiensten de laatste jaren zover zijn uitgekleed dat een nieuwe wet nog geen betere dienst maakt. Het maakt het wat makkelijker, niet meer dan dat.

Nee, wat echt aan de orde is en waar het referendum dan ook over zou moeten gaan, is eigenlijk dit: hebben we een basisvertrouwen in onze eigen overheid? Zijn ze er voor ons of niet? Uiteindelijk val je bij ingewikkelde vraagstukken als deze terug op een moreel oordeel en niet op een technisch oordeel. Dat geldt ook hier.

Ik heb me afgevraagd hoe mijn oude voorzitter op de situatie zou hebben gereageerd. Je kan zeggen: hij was een oud-spion, natuurlijk zou hij voor de nieuwe wet zijn. Maar ik zie zijn snor al trillen; de man had een perfecte bullshit-meter. Hij zou niet aarzelen om zijn mening te geven over wat hij van zo’n referendum vindt. Ik weet nog hoe fel hij was als het om prins Berhard ging. In de oorlog had hij een paar keer de Biesbosch overgestoken en trof daar iemand aan die hij als een held wilde vereren, maar in zijn ogen een windvaan, een ‘volstrekte nonvaleur’ was. Zijn gezag accepteerde hij in ieder geval niet. Hij haatte Berhard omdat die verraad pleegde aan zijn hoge idealen, maar in feite was hij tot op het bot gezagsgetrouw. En had daar zo nodig zijn leven voor over.

Natuurlijk zou hij voor de nieuwe wet zijn – en ondertussen zowel tegenstanders als regering tot op de veters afbranden. Sleepwet? Als oud-Scheveninger zou hij het een eretitel vinden.

En Smiley? Op de laatste bladzijde van Le Carré’s boek vindt Peter, de oud-medewerker van George Smiley zijn oude baas terug, die toch nog blijkt te leven (het blijft een roman). Het draait uit op de eeuwige vraag: “Waar deden we het allemaal voor?” Het antwoord van Smiley: ‘Voor de wereldvrede, wat dat ook mocht zijn? Ja, ja natuurlijk. Er zou geen oorlog zijn, maar in de strijd om de vrede lieten we geen steen overeind staan, zoals onze Russische vrienden pleegden te zeggen.’ Hij viel stil, om alleen maar met meer kracht te vragen: ‘Of was het allemaal in de naam van het kapitalisme? God beware me.’

Hij nam een slokje wijn, met een glimlach om zijn lippen, als het ware zichzelf iets vragend: ‘Was het dan allemaal voor Engeland, dan?’ vervolgde hij. ‘Inderdaad draaide het een tijd om ons eigen land. Maar wiens Engeland? Welk Engeland? Alleen voor Engeland, als burger van Nergensland? Ik ben een Europeaan, Peter. Als ik al een missie had, dan was het voor Europa. Als ik zonder hart was, dan was ik zonder hart voor Europa. Als ik al een onbereikbaar ideaal had, dan was het om Europa uit haar duisternis te leiden richting een nieuwe tijd van redelijkheid. Dat is nog steeds mijn droom’.

En zo gaat het referendum toch nog over Europa. In ieder geval volgens Le Carré en zijn George Smiley. Deze Peter zegt het hem wel na. Referenda zijn op zich niet absurd, maar ze gaan zo snel over iets waar het niet over zou moeten gaan. De nieuwe Wiv, de ‘sleepwet’ lost noch het probleem van veiligheid, noch dat van privacy op. Het past na aanname alleen wat beter bij de tijd in een klein hoekje van Europa. Als zodanig verdient de nieuwe wet steun, ook als start voor een sterkere inlichtingen- en veiligheidsdienst.

Peter Noordhoek

Bronnen:

John le Carré (2017) – A Legacy of Spies. Viking, London.

34 588 Regels met betrekking tot de inlichtingen- en veiligheidsdiensten alsmede wijziging van enkele wetten (Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 20..)

www.sleepnet.nl

Hoe een virtuele resolutie het van een echte won

Het CDA-congres in Nijmegen van 4 november jl. stond in het teken van de deelname aan het nieuwe kabinet. Sybrand Buma legde aan de leden verantwoording af over het bereiken in het kader van het regeerakkoord en we konden kennismaken met de nieuwe ploeg bewindspersonen. Tegen die achtergrond vond ook de bespreking van resoluties plaats; de uitspraken van de leden richting de fractie. Eén resolutie trok vooraf al de nodige aandacht: die over de gewenste terugkeer van de basisbeurs. Hier neem ik deze als concreet voorbeeld van de vraag hoe je een resolutie daadwerkelijk kunt binnenhalen. Ik zeg erbij dat Zuid-Holland en mijn persoontje hier niet slecht uit zijn gekomen en eigen roem altijd wat kan stinken. Aan de andere kant wil de docent in mij graag uitleggen hoe zoiets gaat en wil ik graag richting degenen die mij door de schouwburg in Nijmegen hebben zien ronddarren, uitleggen wat er nu eigenlijk gebeurde.

Het CDJA, de jongeren van de partij, spraken bij monde van de nieuwe voorzitter Lotte Visser uit, dat het CDA opnieuw de onderhandelingen aan moest gaan met de formatiepartners en de terugkeer van de basisbeurs, inzet van ons verkiezingsprogramma, alsnog moest regelen. Het haalde de voorpagina van De Telegraaf en het leverde direct een tv-optreden op voor Lotte bij WNL. Het is op zich heel knap om zoveel publiciteit te halen met een resolutie (zelf ben ik nooit verder dan de radio gekomen met een resolutie over de introductie van een kiesdrempel), maar die aandacht van de media is natuurlijk niet direct positief bedoeld. De resolutie werd geïnterpreteerd als een aanval op het onderhandelingsresultaat van de partijleider, Sybrand Buma. De resolutie werd daarmee toch een soort testcase op de vraag of hij goed onderhandeld had.

Resoluties

Resoluties kunnen worden ingediend door afdelingen of ‘gelieerde organisaties’ zoals het CDJA of als ten minste 25 leden met een resolutie komen. Je zou kunnen zeggen dat binnen een partij als het CDA kan, wat in het parlement niet kan: referenda indienen. Elke resolutie is een soort mini-referendum. Het is een van de vele redenen waarom we de partijdemocratie moeten herontdekken en jongeren laten zien dat het lidmaatschap van een partij juist supercool en vernieuwend kan zijn – mits, zoals met alles, je dan ook bereid bent de regels van het spel te leren. Binnen Zuid-Holland hebben we de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in het bouwen aan een goede delegatie naar het congres. We hebben nu een leuk team, met Peter Viallé als de onmisbare secretaris en ondergetekende als delegatieleider. Daarnaast is er grote betrokkenheid vanuit het dagelijks bestuur, met name van Arjan Kraijo, als bestuurssecretaris en Relus Breeuwsma als de kersverse voorzitter van Zuid-Holland. Voor beide laatste zou het hun eerste congres ‘in functie’ zijn. In Nijmegen begon het congres al direct met een ‘deelsessie’ over resoluties. Er kwamen 15 resoluties aan bod, elk voorzien van een pré-advies van het bestuur. Dat advies luidt dan ‘overnemen’ of ‘niet overnemen’, met als het goed is, een inhoudelijke onderbouwing van dat pré-advies (deze keer ontbrak het daar nogal aan). De discussie gaat dan over het wel of niet overnemen van de resolutie. Uiteindelijk worden alleen die resoluties in het plenaire deel van het congres besproken die of overgenomen zijn of duidelijk niet worden gesteund.

Voorbereiding

Als Zuid-Holland hebben we eerst een brainstorm gehad waarbij er een tiental mogelijke resoluties zijn besproken. Uiteindelijk hebben we twee resoluties ingediend: één over luchtkwaliteit en één over de voorwaarden die aan Europese gelden kunnen worden gesteld (wat gebeurt er als bijvoorbeeld Polen en Hongarije de rechtsstaat schenden). Beide zijn op ‘overnemen’ gezet, waarvan één na een tekstuele aanpassing. Een mooi resultaat dus, conform verwachting en reputatie. Al heb ik eigenlijk liever dat onze resoluties net controversieel genoeg zijn om het plenaire deel te halen, omdat resoluties die plenair worden besproken doorgaans meer impact hebben en omdat een stevig debat op z’n tijd gewoon goed is voor de partij.

Over één resolutie was het van het begin af aan duidelijk dat die plenair zou worden besproken. De resolutie van het CDJA getiteld ‘terugkeer basisbeurs’. Elke resolutie bestaat uit drie delen: een onderdeel ‘Constateert dat’ waarin wat feiten worden opgesomd, een onderdeel ‘Overweegt dat’, waarin de redenering wordt opgebouwd en een slotdeel (het zogenaamde ‘dictum’, het ‘Spreekt uit’) waarin het congres wordt voorgelegd een uitspraak te doen richting de fractie van het CDA. Daar hoeft de fractie zich niet aan te houden, maar het weeg wel zwaar. In het geval van het deze resolutie luidde het dictum: “Het CDA de basisbeurs alsnog opgenomen wil zien in de onderwijsparagraaf” Met andere woorden: Buma zou om het openbreken van het regeerakkoord moeten gaan vragen.

Twee dagen voor het congres hadden we als CDA een bijzondere algemene ledenvergadering gehad om alle 15 ingediende resoluties te bespreken. Ten aanzien van deze resolutie wilden we heel ver gaan, mede omdat we ons in de aanloop naar het verkiezingsprogramma hier al erg sterk voor hadden gemaakt. Sterker in feite dan het CDJA zelf: wij wilden niet alleen de bachelor, maar ook de masterfase uit publieke middelen laten betalen. Ook om te laten zien dat we na een verkiezing wat dat betreft bij ons standpunt bleven, waren we blij met alles wat het CDJA in de resolutie had opgeschreven en wilden dat voluit steunen. Op één punt na. Wat het dictum vroeg, heronderhandelen van het regeerakkoord, vonden we onmogelijk. En dat hoefde Sybrand Buma ons echt niet uit te leggen, dat snapten wijzelf ook. Om die reden spraken we af dat we onze steun afhankelijk zouden maken van een wijziging van het dictum. Dat is niet ongebruikelijk en we verwachtten dat het CDJA dat zelf ook wel zou inzien. Dan zouden we steunen. De bal lag eerst bij hen.

Deelsessie

Het was bij momenten aandoenlijk om te zien hoe Sybrand Buma probeerde aannemelijk te maken dat er voor hem echt geen ruimte was en dat elke poging van hem om het akkoord te wijzigen zou stranden. Daartegenover stonden ook harde momenten: geef mij dan aan wat er elders ingeleverd zou moeten worden, want anders gaat het zeker niet gebeuren. Per saldo vroeg Buma vooral begrip voor zijn positie. Hij kreeg het niet van het CDJA.

Als veruit grootste afdeling betekent de steun van Zuid-Holland wel iets. Toen ik aankondigde dat wij de resolutie wilde steunen, zag je het gezicht van de CDJA’ers oplichten, maar direct daarna weer dimmen toen ze begrepen dat we een wijziging van het dictum verlangde. Het antwoord was kort maar heel duidelijk: nee, dat doen we niet. De resolutie werd doorverwezen naar het plenaire deel van het congres. Ondertussen konden we vieren dat we onze eigen resoluties hadden binnengehaald. In die zin konden we al ontspannen: opdracht vervuld.

Lunchpauze

Tijdens de lunchpauze knaagde er toch iets. Pieter Heerma was bij de bespreking van de resoluties aanwezig geweest en kwam naar mij toe. Hij zei dat hij het interessant vond dat we om wijziging van het dictum hadden gevraagd. Hij had zijn zin nog niet eens beëindigd toen mij al duidelijk was dat we een nieuwe poging zouden wagen om het CDJA in beweging te brengen. Een halve minuut later was ik op zoek naar Lotte en haar mensen. Ondertussen probeerde ik voorzitter Relus Breeuwsma te bellen, want zoiets stem je af. In gesprek. En toen liepen Lotte en haar collega voor mij langs. Ik riep ze aan en direct waren we in gesprek. Alhoewel, gesprek? Er zat geen beweging in. Ze hadden één goed argument: het met de terugkeer van de basisbeurs gemoeide bedrag is zo groot, dat als je het nu niet direct in één keer zou regelen, dus via het akkoord, je het kon vergeten. Dan moet je als partij staan voor dat standpunt, ook al zou dat de partijleiding een probleem geven. Volgens mij onderschatten ze dat probleem en overschatten ze hun steun in de zaal en bij ‘de top’. Hoe dan ook, ze wilden niet met een aangepaste tekst komen. Dat maakte de opening om te zeggen dat wij dan als Zuid-Holland met een tekst zouden komen. Ik had nog geen idee welke tekst dat zou zijn, maar vond dat van latere zorg. Het CDJA stond er letterlijk en figuurlijk rigide bij. We gingen elk onze eigen weg.

Het Concertgebouw in Nijmegen is echt prachtig, maar niet erg praktisch. Probeer maar eens iemand te vinden in de gangen van het gebouw. Er zullen best veel congresgangers zijn geweest die mij bellend door de gang hebben zien lopen. Die moeten niet denken dat ik al bellend zware dingen aan het bespreken was. Welnee, we probeerden elkaar te vinden en dat mislukte om de haverklap. ‘Ben jij bij hoofdingang?’ ‘Nee, ben ik net weg.’ Enzovoort.

Uiteindelijk hebben Relus en ik elkaar in een hoekje van de garderobe getroffen. Ik had al een eerste toverformule geschreven, maar die was het nog niet. In lijn met de titel van de CDJA-resolutie schreef ik dat “Het CDA voorstander is en blijft van een terugkeer van de studiebeurs.” Maar Relus, iemand met een sterke onderwijsachtergrond, zei daarop iets belangrijks, in feite het enige dat inhoudelijk relevant was: “De basisbeurs komt nooit meer terug, dat is een gepasseerd station.” Dat betekent dus, schreef ik, al vertalend, dat er ‘Het CDA voorstander is en blijft van een studiestelsel dat toegankelijk is voor iedereen, ongeacht afkomst of draagkracht’. Direct daar achteraan volgde, heel logisch, de zin: ‘Roept de fractie op al het mogelijke te doen het kabinet hiertoe te bewegen’.

Dat was het. Daarna volgde een communicatieslag in drie richtingen. We stelden het team op de hoogte dat we een tekst hadden, lieten het CDJA opnieuw weten zelf met een tekst te komen en namen via Pieter Heerma contact op met Sybrand Buma. Dat laatste snelle contact leidde tot een enkele toevoeging: de woorden ‘in de komende jaren’ werd er in de laatste zin aan toegevoegd, zodat er geen misverstand over kon zijn dat terugonderhandelen niet meer zou kunnen.

Plenair

De bespreking van de resoluties in het plenaire deel van het congres duurde best lang. We zaten als team bij elkaar en ondanks dat het meeste voor ons niet echt spannend meer was, moesten we bij elke resolutie de woordvoering goed in de gaten houden. Vooral de discussie rondom de resolutie ‘eigen risico’ was fel, met veel emotionele en concrete gRelus Breeuwsma en Lotte Visser overleggenetuigenissen van leden van wat het voor hen concreet betekende. Opnieuw moest Sybrand alles uit de kast halen om duidelijk te maken waarom hij niet kon bewegen. Hij probeerde ook de angel er uit te halen door de indieners te vragen de resolutie ‘aan te houden’ en in dat geval een gesprek toe te zeggen met hemzelf en de fractie. Hoe dan ook, de dappere woordvoerder namens de indieners van de resolutie hield het lang vol. Uiteindelijk zei hij dat hij ‘om’ was, wat werd begroet met luid applaus. Ondertussen deed Relus een laatste poging om Lotte over te halen haar resolutie aan te passen. Helaas.

 

De rijen voor de inspraakmicrofoon werden nog langer toen de resolutie over de terugkeer naar de basisbeurs aan bod kwam. Er waren sceptische geluiden over de haalbaarheid ervan, maar vooral de jongeren deden er alles aan om het offensief voor terugkeer van de beurs zo luid mogelijk te laten klinken. Je voelde het opbouwen.

We hadden afgesproken niet meteen met ons voorstel te komen. Eerst wilden we zien hoe de zaal zou reageren op de inbreng van het CDJA en Sybrand Buma (en dit keer ook van Ruth Peetoom). Het was duidelijk dat het verdeeld lag. Omdat de rij voor de microfoons langer werd, ben ik er ook tussen gaan staan, er op vertrouwend dat Rutger Ploum, de fantastische secretaris en regisseur van de middag, mij nog het woord zou geven. Uiteindelijk gebeurde dat. Ik hoorde het stil worden. Het zal velen niet ontgaan zijn dat we met iets bezig waren. Er was direct applaus. Ik meende een gevoel van opluchting te horen. Dat was in ieder geval te horen in de reactie van Sybrand, die de tekst van Zuid-Holland direct steunde. Maar Lotte gaf geen krimp. Dat was op zich knap, maar daarmee kreeg ze de zaal wel tegen zich. Toch: dit keer zouden we wel een stemming hebben.

En toen had ik winnaarsgeluk. Het onoverwinnelijke, superprofessionele duo van Peter N. en Peter V., maakte namelijk een beginnersfout. We behandelden namelijk onze tekst voor het dictum alsof het een nieuw ingediende resolutie was. En bij twee resoluties over hetzelfde thema, is het altijd de vraag welke resolutie het eerst in stemming zou komen. Ik wilde zeker weten dat het CDJA eerst zou gaan, zodat onze resolutie daarna als redelijk alternatief besproken zou worden en bracht dat voor de zaal in als ‘punt van orde’. Onzin natuurlijk, we hadden helemaal geen resolutie en die kan je ook niet tussentijds indienen. De secretaris maakte dat duidelijk, maar dat maakte het hoe dan ook duidelijk dat de CDJA-resolutie verder ging dan ons voorstel. Bovendien kreeg Sybrand de geest en zei dat hij, als de CDJA-resolutie niet zou worden aangenomen, hij zou gaan handelen alsof de resolutie met tekst van Zuid-Holland zou zijn aangenomen. Mijn stommiteit leek een meesterzet.  Een virtuele resolutie was geboren.

En die won. Met grote meerderheid werd de resolutie van het CDJA verworpen en een resolutie met het dictum van Zuid-Holland aanvaard.

Borrel na afloop

Het is best mogelijk dat de resolutie van het CDJA hoe dan ook zou zijn verworpen. De gemiddelde congresbezoeker is een redelijk mens en velen ervan zijn bestuurder. Die houden niet van extreme standpunten en houden er al helemaal niet van om voor het blok te worden gezet. Toch was het wel degelijk spannend geweest. De sympathie voor de inhoud van de resolutie was echt groot. Het heeft luid en duidelijk in ons verkiezingsprogramma staan. Anders dan op andere punten, was het onderhandelingsresultaat ver achter gebleven bij de verwachtingen. Moet er dan niet een signaal gegeven worden?

Jawel, maar dus niet dat van het CDJA: terugonderhandelen. Wat ik hoop – en wat het CDA betreft: verwacht – is dat de komende regeringsperiode gebruikt wordt om de status quo te doorbreken en met een echt vernieuwend stelsel van studiefinanciering te komen. Op dit moment zijn het ‘stand-alone systemen’ die meer na- dan voordelen hebben. Dat kan beter.

Nogmaals, het is leuk om zo te kunnen vertellen hoe ‘slim’ we het als Zuid-Holland hebben gespeeld. Maar heeft het CDJA echt zo hard verloren? Deels wel, ja. Vooral intern en dat zal ze voorlopig nog wel even dwarszitten. Een matiging van toon is aan te raden. Aan de andere kant kunnen ze naar de buitenwereld toe laten zien dat ze hun rug recht hebben gehouden en dat is ook wat waard. Daarnaast: ‘What does not break you, makes you stronger’. Voor de jongeren van het CDA komen in alle opzichten nog wel nieuwe kansen. Ook zin in de spanning van zo’n congres? Wordt lid, doe mee.

congres november 2017

Peter Noordhoek

Met veel dank aan het team zoals dat in Nijmegen aanwezig was: Robert Bosch, Relus Breeuwsma, Bart van Horck, Arjan Kraijo, Anne Hensen Cees Moerman, Martijn van Nijnanten, Ton van der Stoep en Peter Viallé. Daarnaast dank aan iedereen die bij de brainstorm en de bijzondere ALV aanwezig was. Tot de volgende keer!

Kwaliteit in het nieuwe regeerakkoord: ‘Doe mij maar alles’

Kwaliteit – wat een woord voor alles. Vanaf het begin van de jaren negentig voerde ik na elk regeerakkoord een analyse uit van de manier waarop het kabinet aan ‘kwaliteit’ denkt te gaan werken. In die jaren stond het woord ‘kwaliteit’ regelmatig in de titel en ik mocht dat graag kritisch maar positief ontleden, doorgaans voor de Staatscourant. Het was echt een thema, waarbij min of meer bewust beleid werd gemaakt, met instrumenten, modellen alles. Liep ernstig uit de hand*, maar er zat wel een gedachte achter het gebruik van het woord. Dat is nu wel anders, maar ook deze week verscheen een regeerakkoord waarin het woord een kleine 50 keer voorkomt – gemiddeld bijna 1 keer per pagina. Dus ja, ook dit verdient een analyse.

Let op: dit is een analyse op conceptueel niveau. Het zegt vooral iets over de kansen op een goede uitvoering van de beleidsvoornemens en zegt minder over de onderliggende keuzes en hoe terecht die zijn. Uiteindelijk zeggen uitvoeringskansen natuurlijk ook iets over de kwaliteit van de insteek, maar ik maak hier geen politieke keuzes.

Kwaliteit gedefinieerd

Mijn wenselijke definitie van kwaliteit is deze: ‘kwaliteit is de consensus zoals die ontstaat nadat impliciete definities van kwaliteit expliciet zijn gemaakt’**. Lees het rustig nog een keer. Ik weet dat in werkelijkheid het proces van het expliciet maken van kwaliteitsdefinities een recept voor ruzie en uitstelgedrag is. Tot consensus komen is moeilijk; als je iets expliciet moet maken, worden ook de verschillen duidelijk. Het eerste waar ik daarom op let is hoe het woord ‘kwaliteit’ benaderd wordt: concreet of algemeen. Het tweede waar ik op let is het paradigma van waaruit geschreven wordt. De ene vorm van kwaliteitszorg is de andere niet. De benamingen verschillen nog weleens onder deskundigen, maar zelf maak ik een onderscheid tussen 4 paradigma’s of denkscholen: empirisch (denken dat alles meetbaar te maken is: wat?), referentieel (denken dat alles in normen of modellen te vatten is: hoe?), reflectief (denken dat het om anders denken gaat: waarom?) en emergent (denken dat het ontstaat uit botsende belangen: huh?) danwel surgent (bewust aansturen op een definitie: ha!). Dit zijn ruwe omschrijvingen, maar ik leg ze verder uit waar dat relevant is. Laat in ieder geval duidelijk zijn dat vooral de referentiële en reflectieve invalshoeken al snel op gespannen voet staan in de beleving.

Eerst zoom ik echt op het woord kwaliteit in, daarna maak ik het minder letterlijk. Concreet startend: waar wordt het woord kwaliteit mee verbonden?

Gebruik per sector

In de inleidingen het akkoord wordt trots gezegd dat we als Nederland hoog op kwaliteit scoren, bijvoorbeeld als het gaat om de ‘kwaliteit van ons onderwijs en onderzoek’ (p. 1). Dit is puur referentieel; verwijzend naar scoringslijstjes op internationale rankings. Prima om trots te zijn op je kwaliteit, overigens.

Over de sectoren die er voorheen het meest ‘aan deden’, Veiligheid en Justitie en BZK, wordt nu veel minder over kwaliteit gesproken. Bij de inleiding wordt nog over ‘investeringen in de justitiële keten gesproken: ‘er komen middelen voor menskracht en kwaliteit’ (p. 3). En, dat ik dat nog mag beleven, wordt de vraag gesteld ‘hoe op kwaliteit gecontroleerde wiet gedecriminaliseerd aan de coffeeshops toegeleverd kan worden’. Wow; laat ik dat een referentiële vraag noemen (verwijzend naar welke empirische norm? How high can you go?), voortkomend uit een emergente vraag: veel partijen zouden het er liever niet over hebben, maar het kwaliteitsprobleem doet zich indringend voor.

Verder wordt gezwegen. Hebben ze de kwaliteit nu voor elkaar of durven ze er niet meer over te beginnen? Laat ik ze krediet geven; ze hebben zoveel pogingen gedaan om langs empirische of referentiële weg (toepassing modellen) op niveau te komen en dat is zo opzichtig mislukt, dat ze nu er niets over melden. Of lag het niet aan de modellen, maar bijvoorbeeld aan de politieke aansturing?

Dan deze, in het kader van onderwijs: ‘Leerlingen, ouders en leraren willen dat onderwijsmiddelen optimaal bijdragen aan de kwaliteit van onderwijs’. (p. 12) Dat leidt tot een vraag aan de Onderwijsraad en de Algemene Rekenkamer om scherper te formuleren hoe dat kan en tegelijk excessen te vermijden. Dus weer referentieel: norm ontwikkeling. Inclusief wat wantrouwen: ‘Om er bovendien voor te zorgen dat extra geld gebruikt wordt waarvoor het bedoeld is, houdt het kabinet het primair- en voortgezet onderwijs aan bestuurlijke afspraken’. De norm moet gehandhaafd worden. Datzelfde geldt ook voor de ‘kwaliteitsafspraken’ in het MBO en de kwaliteit van het techniekonderwijs. Interessanter wordt het als het lerarenregister langs komt. Het lerarenregister is een vorm van certificering, ook weer referentieel. Om dat tot een succes te maken ‘moet het straks van, voor en door de docent zijn’. Even later: ‘Lesontwikkeling, intervisie en evaluatie van lessen krijgen ook erkenning in het lerarenregister. Dat draagt bij aan de kwaliteit van onderwijs.’ Met andere woorden, de lasten van de strenge certificering moeten gecompenseerd worden door maatregelen die dichter bij de menskant van de docent staan. Hier wordt een referentiële insteek gecompenseerd door een reflectieve. Zou het genoeg zijn?

Ook in de paragraaf over het hoger onderwijs zie je diezelfde spanning terug tussen het referentiële en reflectieve: wat aan de ene hand aan vrijheid wordt gegeven (vrij onderzoek, zelf doelstellingen en indicatoren opstellen), wordt met de andere hand weer dichtgetimmerd via kwaliteitsafspraken. De waarschijnlijke uitkomst zal waarschijnlijk ‘emergent’ zijn als de partijen elkaar in evenwicht houdt en ‘surgent’ als een slimmerik doorbraken weet te bereiken.

Heel apart vind ik de discussie over de kwaliteit in de verpleeghuiszorg. De inzet is bijna puur reflectief: ‘De inzet op kwaliteitsverbetering vraagt ook om een andere manier van werken en organiseren: kleinschalig, vraaggericht, innovatief, met minder regels en meer vertrouwen in de zorgprofessionals.’ De stichting Beroepseer kan trots zijn. Maar deze passage wordt direct gevolgd door deze: ‘Dit moet daadwerkelijk leiden tot een aantoonbare verbetering van de kwaliteit. Bestuurders worden daarop beoordeeld.’ Referentieel dus, empirisch ingestoken. En dat kan nu net niet als je echt reflectief denkt, want dat verzet zich tegen ‘de illusie van meetbaarheid’ en alle bureaucratie die daarbij hoort. Noch hier, noch in andere paragrafen over andere onderwerpen, staat hoe met de spanning moet worden omgegaan. En dat klemt al helemaal als dan opeens het ‘kwaliteitskader verpleeghuiszorg, inclusief transitie-, uitvoerings- en implementatiekosten’ langs komt voor ruim 2 miljard en voortkomend uit niets anders dan een juridische verplichting nadat men er in het parlementaire debat niet uitkwam om te benoemen wat die kwaliteit zou moeten zijn. Ik snap alles, maar professioneel vind ik dat hier een grens is overschreden. Hier is geen sprake van een kwaliteitskader, want alles wat die kwaliteit bepaalt is impliciet gebleven, het is zelfs niet emergent en alleen als Van Rijn een heel slim spel heeft gespeeld surgent (wat niet uitgesloten kan worden). Hoe dan ook zou het beter zijn als men het omgedoopt tot iets als ‘financieel kader verpleeghuiszorg’.

Zo is het niet overal. Het akkoord is prima te pruimen als het simpel referentieel blijft redeneren over kwaliteit. Je kan van alles vinden over de uitspraken over bijvoorbeeld de kwaliteit van de woningen en de gebouwde omgeving, de vele uitspraken over lucht- en waterkwaliteit en zelfs de kwaliteit van de inburgeringscursussen en cultuurinstellingen, maar de uitspraken lenen zich over het algemeen wel voor nadere toetsing. Met andere woorden; de uitspraken blijven binnen het eigen referentiekader. Al blijft het oppassen. Over de waterkwaliteit wordt bijvoorbeeld gezegd: dat men ‘tegen minimale maatschappelijke kosten aan nitraatrichtlijn’ wil voldoen. Wat zijn dan die minimale maatschappelijke kosten? Wat zeg je hier eigenlijk? Close reading is dus verplicht, elke keer als het woord ‘kwaliteit’ langskomt. De Volkskrant beschrijft hoe tijdens de formatie ‘om elke komma werd gestreden’. Los van het feit dat er op bijna Noordhoekiaanse wijze spellingsmissers worden gemaakt (het kan de beste overkomen), heb ik juist vaak het gevoel dat het woord kwaliteit maskeert waar de onderhandelingspartners er niet uitkwamen – en dat is best wel vaak. Ik heb makkelijk praten, maar als ik bij zo’n discussie zou zitten, zou ik regelmatig van paradigma wisselen. Ze hebben elk hun eigen waarde: wat weten we eigenlijk? Hoe zou de norm moeten luiden? Kunnen we echt geen ruimte geven? Kunnen we het niet gewoon laten gebeuren, of kunnen we toch doorpakken? Dan heb je in ieder geval alles gedaan om te schudden aan de boom van impliciete definities achter dat vermaledijde woord ‘kwaliteit’.

Om het overzicht af te ronden, moet ik toch ook zeggen dat er soms een aardig extra accent wordt toegevoegd aan dat woord ‘kwaliteit’. Professioneel vind ik het interessant dat bijvoorbeeld in het kader van stalbranden (is dat niet een wat klein punt voor een regeerakkoord?) er over ‘ketenkwaliteitsystemen’ wordt gesproken. Dat is in ieder geval een moderne benadering, één die weerspiegelt dat heel veel kwaliteitsvraagstukken een keten- of netwerkkarakter hebben. Het meest nieuwsgierig word ik echter naar de operatie ‘Inzicht in Kwaliteit’ die bedoeld is om de kennis over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het begrotingsbeleid te vergroten. Dat doet toch wat twijfelen over de kwaliteit van het huidige begrotingsbeleid, maar gelukkig hadden we dit keer de beschikking over Eric Wiebes, Pieter Omtzigt, Wouter Koolmees en Carola Faber. Tegen hun kennis kan geen studie op.

Alles door de bril van het woord ‘kwaliteit’ bekijken levert wel een blikvernauwing op. Veel van de genoemde zaken hebben, zo zou je kunnen zeggen, een inherente kwaliteit. Als er bijvoorbeeld ergens een budget wordt uitgetrokken voor ‘preventie en ondersteuning bij ongewenste zwangerschappen’ dan kan je zeggen dat dit op zichzelf al staat voor de wens om goed beleid te voeren. Wat mooi. Maar in technische zin zou je ook weer kunnen zeggen dat het veel te gedetailleerd is voor een akkoord als dit. Hoe zinvol is het om te proberen de uitgaven hiervoor vier jaar vooruit te plannen?

En zo heeft alles z’n voor- en nadeel. Het is in ieder geval goed om te beseffen dat dit de uitkomst is van een maandenlang onderhandelingsproces tussen vier partijen die het op vele punten fundamenteel oneens met elkaar waren. Elk mocht af en toe iets winnen, niemand mocht alles winnen. En dan ligt er opeens een tekst.

Analyse over het geheel

Dit akkoord is alleen empirisch in de zin dat er een nauwkeurig financieel kader onder ligt. Hoe dat precies verbonden is met de vele items en inspanningen die onder het woord ‘kwaliteit’ worden gevangen blijft onduidelijk. In iets van 5 van de 50 is die verbinding te maken. De overgrote meerderheid van wat is afgesproken, al dan niet met het woord ‘kwaliteit’ erbij, is referentieel van aard; ergens hoort er een (nadere) norm of afspraak bij. Met de ruimte die daar nog in zit, zal nog menig Kamerdebat worden gevuld. Waar het echt nu al botst is bij de kwaliteitstermen waar een referentieel paradigma (er is een norm te maken) tegenover een reflectieve komt te staan (dat hangt van de persoon en situatie af, vergt maatwerk). Dan weet je dat er a) nog verder onderhandeld moet worden en b) hier doof-blinden met elkaar moeten onderhandelen.

Al met al is het verleidelijk om het hele regeerakkoord als een ‘emergent’ kwaliteitsverhaal te beschouwen dit is wat boven komt drijven als je vier partijen zolang bij elkaar in een hok zet. Toch doet dit het akkoord tekort. Door het verhaal heen worden onverwachte keuzes gemaakt, bijvoorbeeld ten aanzien van duurzaamheid, het eigen woningbezit en de wietteelt. Dat past eerder bij een ‘surgent’ beeld dan een ‘emergent’ beeld. Dat zijn naar verwachting ook de dingen die goede wil hebben gekweekt onderling. We zullen zien of deze lijm tussen de onderhandelingspartners van dusdanige kwaliteit is dat het 4 jaar houdt, want dat is de reguliere kabinetsperiode (herkent de lezer inmiddels de verschillende paradigma’s in deze laatste zin?)

Peter Noordhoek

* In de negentiger jaren werd te instrumenteel over de invoering van kwaliteitszorg gedacht, mede omdat we dachten het bedrijfsleven wel even als model te kunnen gebruiken. Met de gedachte achter ‘New Public management’ (NPM) was en is niet zoveel mis, maar het is wel erg knullig uitgevoerd. Ik heb er aan meegedaan, maar er ook voor gewaarschuwd, o.a. in een artikel van Raymond Saner en ondergetekende ‘Beyond Public Management. Answering the Claims of both Politics and Society.’ In Public Organization Review, 2008. In 2011 zijn we verder gegaan in de uitwerking, maar dat is in het Deens verschenen en aangezien ik dat zelf niet kan lezen, durf ik er ook niet voor in te staan.

** Deze definitie is van ondergetekende, eerder op LinkedIn en andere sites gepubliceerd onder de titel ‘De politiek van de kwaliteit’. De benadering maakt deel uit van mijn promotieonderzoek. Het schema en de vier gebruikte termen zijn mede geïnspireerd op een door Huub Vinkenburg gestarte discussie over ‘scholen van kwaliteit’. Vooral Teun Hardjono heeft deze handschoen opgepakt. Binnenkort verschijnt van hem een boek over dit thema (‘Denken over kwaliteit. Vier paradigma’s) en waar mogelijk probeer ik hem te volgen. Dat lukt alleen niet goed bij het ‘emergente’ paradigma, waar ik ‘urgent’ naast heb gezet.

May en de letterplakker

De afgelopen dagen moest ik zo denken aan de letterplakker. Zou die ontslagen zijn? Och, arme. Maar ja, lijm smelt als er veel warmte bij komt en al die spots daar bij Theresa May op het toneel in Manchester …

May in Manchester

Heeft u het gezien? Theresa May hield haar grote speech, voor duizenden mensen op het jaarlijkse partijcongres en live op TV. Ze wilde het hebben of haar droom voor het land waar ze premier van is, maar iedereen zag de speech na afloop als een nachtmerrie. Er kwam een ‘prankster’ (plager) het toneel op die haar een soort ontslagbrief aanbood, ze kwam minutenlang niet uit haar woorden door een dikke, dikke kikker in de keel en tegen het einde van haar speech vielen een aantal letters van de slogan ‘Building a country that works for everyone’ op de wand achter haar naar de vloer, te beginnen met de letter F. Wat ze uitsprak werd totaal weggeduwd door wat we konden zien. En daarom moet ik aan die letterplakker denken. En voel ik erg mee met May, maar ook met de mensen om haar heen. Want ik heb het ook al eens meegemaakt.

Ik neem de lezer mee terug naar 2010. Wouter Bos had de stekker uit het derde kabinet Balkenende getrokken. Jan Peter wilde eigenlijk stoppen, maar kon niet weigeren toen het bestuur hem toch vroeg om weer lijsttrekker te zijn. Zelf was ik formeel al gestopt als campagneleider voor Zuid-Holland, maar kon niet stoppen omdat mijn vervanger al een paar weken na zijn benoeming gestopt was. Het was bewonderingswaardig hoe Jan Peter zich door de campagne heen sloeg, maar alles wat mis kon gaan, ging ook mis. Tot en met de slotmanifestatie.

Balkenende in Naaldwijk

Weer was het ons als Zuid-Holland gelukt om de slotmanifestatie te krijgen. Het werd Naaldwijk in het Westland. Het middagprogramma deden we als provinciale afdeling nog, de avond was in handen van het partijbureau, met ondersteuning van onze eigen mensen. Ik ging er al vroeg naar toe. Vrij ontspannen heb ik nog met de landelijk voorzitter de campagne doorgesproken en vooruitgekeken naar de avond. Daarna heb ik me in het publiek begeven en plezier gemaakt met de andere leden; samen tegen de rest van de wereld.
Toen het plenaire programma begon, ging ik rechts voorin de zaal zitten. Linksvoor was de hoofdentree naar de zaal. Daar gingen de prominenten het toneel op en stond ook de pers en de zaalregisseur. Vlak voor het einde van het korte programma kwam Jan Peter op. Hij begon op zijn bekende manier te spreken. Met humor, wat woorden van herkenning voor de zaal en daarna het langslopen van de politieke actualiteit.

Terwijl hij sprak, dacht ik iets te zien wat niet klopte. Maar wat? Ik keek nog eens en toen zag ik het. Op het spreekgestoelte waar Jan Peter achter stond te spreken was een bord met het CDA-logo geplakt. Mochten er Tv-opnames worden gemaakt, dan zou direct de link van Jan Peter met zijn partij zichtbaar zijn. Een simpel element van beeldregie. Dat bord was linksboven aan het verzakken. Het hing twee centimeter scheef. Dit ging niet goed, besefte ik opeens. Ik keek om me heen en merkte dat ik niet de enige was die het zag. Een golf van onrust sloeg door de eerste rijen. Ik keek helemaal naar links, waar de zaalregisseur stond. Die was inmiddels ook gewaarschuwd, maar ze kon er kennelijk niet goed bij. Ze zwaaide onze richting op. Mijn richting? Nee, hier heb ik geen zin in! Ik heb geen dienst! Maar terwijl dat door mijn hoofd ging, stond ik al op. Ik wist dat het aan mij was, zeker omdat het bord steeds verder opzij begon te hellen en iedereen in de zaal, behalve Jan Peter, dat ook door had. Er ging nog één andere gedachte door mijn hoofd terwijl ik mijn rol ging vervullen: laat er geen TV zijn, laat er geen TV zijn (dit was net voor de tijd van mobiele telefoons met camera’s).
Snel ging ik het korte trapje op, deed een paar stappen richting het katheder en ging door mijn knieën om het bord op te vangen. Ik was zo strak op tijd dat ik het bord los voelde laten op het moment dat ik mijn handen er omheen sloot. Als in een film. Dat was het moment dat ook Jan Peter door had dat er iets mis was. Hij stopte met praten, zag mij gehurkt voor hem zitten met mijn handen om het bord en zei: “Dit, dames en heren, is nu Peter Noordhoek.” Ik weet tot op de dag van vandaag niet meer wat hij nog meer zei, maar er rolde genoeg gelach door de zaal. Ik sloot me af voor alles behalve dat stomme bord. Het was vastgezet met tweezijdig tape en dat tape was, waarschijnlijk door de warmte van de spotlights, gaan loslaten. Uit alle macht duwde ik het bord weer op de plaats terug. Het leek te houden, maar uit voorzorg bleef ik er even bij. En ja hoor, het begon al weer te schuiven. Ik keek op naar Jan Peter en hij begreep het meteen. Samen hebben we toen het bord, elk aan een kant, beetgepakt en rustig op het toneel gelegd. Jan Peter ging weer vol elan verder met zijn verhaal. Ik daalde het trapje af, terug naar mijn plaats, ontvangen met wat omhooggestoken duimen. Maar toch.

Foto’s: Dirk Hol

Een journalist kon de verleiding niet weerstaan op te schrijven dat het bord naar beneden viel. Precies datgene wat nu net niet gebeurd was. Kenmerkend. Maar eigenlijk hebben we mazzel gehad. Er waren alleen maar foto’s en geen Tv-opnames en de paar aanwezige journalisten en fotografen maakten er verder geen gebruik van. Het was einde campagne. Gelukkig, het was einde campagne.

Wankele evenwichten

In Manchester, tijdens de party conference speech van Theresa May, gebeurde iets wat ik herkende. De leden stonden op iedereen ging met applaus de leider steunen. Dat was deels uit gene en meelij, maar voor het grootste deel omdat je op zo’n moment oprecht niet wil dat jouw leider kapot gaat aan zoiets stoms. Meestal is die leider dan op zijn of haar manier ook op haar best, of in ieder geval het meest menselijk. Theresa May maakte in Manchester meerdere grapjes (toen ze een hoestbonbon van de minister van Financiën kreeg zei ze dat je normaal niets gratis van hem kreeg) en was zeker niet de robot die ze soms kan zijn. Dat gold ook voor Jan Peter in Naaldwijk en nog op een ander moment, toen er opeens de verkeerde videoband werd opgestart bij een congres. Ik herinner mij nog een andere campagnebijeenkomst. Dat was op de Keukenhof, in Lisse. Terwijl minister Donner aan het speechen was, kwamen er opeens touwen naar beneden, waarlangs mensen van Greenpeace naar beneden gleden en halverwege bleven hangen. Donner bleef er onverstoorbaar bij en na een paar momenten zei hij koeltjes: “Kijk, dit zijn nu hangjongeren”. Geweldig. Direct was de angel er uit (dat was niet lang na de moord op Fortuyn. De idioten. Ik zie nog de woede en het schaamrood op de wangen van de bewakers).

Dus op de keper beschouwd hoeft een vervelend moment nog geen teken van zwakte te zijn. Misschien wel het tegenovergestelde. Toch, zoiets komt nooit uit. Een teken van kracht kan het niet echt worden. Ik mocht aanwezig zijn toen David Cameron zijn eerste speech gaf op een partijcongres in Blackpool. Hij sprak een uur lang. Foutloos en zonder van papier op te lezen of een teleprompter te gebruiken. Dat was kracht. Dat was overtuigend. Theresa May wordt enkel nog overeind gehouden door de interne strijd binnen de conservatieve partij en de wens om nu vooral niet naar de kiezer te gaan. Dat is een wel erg wankel evenwicht. Maar wie weet.

Komende week zullen we de presentatie meemaken van het coalitieakkoord en ietsje later van de nieuwe kabinetsploeg. Ook dit gezelschap hangt alleen maar aan elkaar omdat geen van de partijen zelfstandig overeind blijft in het parlement. Het lijkt er bepaald niet op, maar ook dat hoeft nog niet te betekenen dat het kabinet geen jaren blijft zitten. Hoe heeft het vorige kabinet het anders zo lang uit kunnen houden? Ook dat waren tegengestelde partijen die alleen samen overeind konden blijven. En die hun regeringsperiode begonnen met de afbeelding van een brug waarop geen brugdek was gemaakt. De journalisten wisten er wel raad mee. En toch hebben ze het volgehouden. Maar we zullen het meemaken.

Voor Theresa May is de situatie nog altijd niet hopeloos. De betrokkenen weten dat er binnen de conservatieve partij sprake is van meer dan een scheiding der geesten. De kans op een scheuring van de partij is echt groot. Dan kan je het zelfs hebben dat een premier een ontslagbrief aanneemt, niet meer kan praten door de hoest en de letters van haar boodschap van de muur af smelten. Je weet dat je zelf de letterplakker bent als je haar nu niet overeind houdt.

 

Peter Noordhoek

 

Bovenstaand verslag van de bijeenkomst in Naaldwijk is geschreven in 2012.

Over referendum, democratie en wat nog werkt

Het referendum maakt deze week weer veel los. Soms lijken ze te werken, maar op andere momenten lijken ze een democratische manier om de democratie te ondergraven. In Nederland is het enthousiasme niet voor niets aan het verdwijnen. Toch moeten we blijven nadenken over het alternatief. Deze blog eindigt met een naif alternatief. Precies wat we nodig hebben.

Het is deze week goed gegaan met het referendum – het referendum van de Koerden bedoel ik. Afgelopen maandag geen grote meldingen van geweld, geen interventie door Irak of Turkije. Het was rustig op social media. Het is ze gegund. Ik denk geen moment dat het een lief volk is, maar ze durven te vechten waar anderen dat niet doen (lees: ze doen het vuile werk voor ons) en met dat referendum laten ze zien niet de weg van de dictatuur op te gaan.

In Spanje kunnen ze er van leren, want daar gaat het absoluut niet goed. Puur juridisch heeft de regering in Madrid gelijk om het referendum te verbieden, maar voor het overige is de reactie een voorbeeld van hoe je zoiets niet doem. Sinds Cameron geen regeringsleider harder een doodlopende straat op volle snelheid een doodlopende straat ingereden dan Rajoy. In mijn ogen regeringsleiders die niet de slechtsten zijn, maar op een gegeven moment de kracht missen om uit hun eigen redenering te stappen.

We hebben natuurlijk zelf ook onze neus gestoten met het referendum. Het referendum rond het associatieverdrag van de EU met Oekraïne is er een schoolvoorbeeld van. De ervaring is zo slecht bevallen, dat niet alleen veel partijen, inclusief initiatiefnemer D66, maar ook heel veel kiezers er weinig tot niets meer in zien. Dit is wat De Hond vandaag als peiling liet zien:

Die negatieve houding tegenover het (correctief) referendum is dus logisch. In eigen land zien we hoe – gesteund door data manipulatoren, Russische vals nieuws verspreiders en een ronduit naïeve politiek, iets tot stand komt dat tegen het Nederlands belang is. We hebben met Groot-Brittannië gezien hoe een land zich per referendum verscheurt, isoleert en verarmt. We hebben in Turkije gezien hoe een referendum wordt gebruikt om een dictatuur te vestigen. En zo zal het doorgaan. Tel je dat allemaal op, dan lijkt voor verkeerde mensen het referendum het slimste middel om ‘via democratie de democratie te schaden’.

En toch zijn we er daarmee niet, want impliciet stellen we de representatieve (partij)democratie daarmee gelijk aan democratie en dat is wel wat te simpel. Deze week sprak Tjeenk Willink deze woorden: “Kijk naar de effecten van je beleid .. Want als je de burgers verliest, dan houdt de democratie op te bestaan.” Een dame tweette dat ze het met tranen in de ogen gelezen had. En al denk ik dat geen regering nog opgewassen is tegen de complexiteit van de uitvoering, ik snap de wanhoop van die dame wel en vind het terecht dat Tjeenk Willink dit zo stelt. En als we geen referendum kunnen houden, hoe laten onze vertegenwoordigers in de moderne democratie dan wel weten dat ze snappen wat er leeft? (het epistel van ex-volksvertegenwoordiger IJbeltje maakte wat dat betreft ook niet vrolijk).

Er zijn een paar routes. De eerste twee lijken het meest aantrekkelijk, maar zullen in de praktijk niet opgaan. De derde bestaat al, is haalbaar, maar vraagt er wel om een knop om te zetten.

1              de juiste voorwaarde voor een referendum formuleren.

Het probleem met het huidige referendum is dat het op de verkeerde manier concurrentie creëert tussen de kiezer die de volksvertegenwoordiger kiest en de kiezer die in een referendum een keuze maakt. De referendumkiezer zet als het ware de regeringskiezer tussentijds opzij. Dat zou eigenlijk alleen mogen als de opkomst ten minste gelijk is. Dat is dan ook wat we als eis zouden mogen stellen aan elk referendum: de opkomst moet gelijk of hoger zijn als de opkomst bij de laatste landelijke verkiezingen wil deze geldig zijn, want alleen in die situatie kan terecht worden gesproken van voortschrijdend inzicht.

Dit is in feite de lijn die ik met mijn delegatie geaccordeerd hebben gekregen via een resolutie op het CDA congres. Gaat dit het ook in de praktijk worden. Nou nee, want te veel mensen zullen redeneren dat hiermee de lat te hoog wordt gelegd. Dat mag zo zijn, maar in democratisch opzicht klopt de redenering.

2              Over op het Zwitsers systeem

Een dezer dagen wordt het record gebroken van de langste formatie. Ik mailde dit aan een vriend in Zwitserland en hij mailde mij vrolijk terug dat in Zwitserland de regering er al zit sinds 1958! De regeringsposten rouleren en dat is het. En hoe passen de referenda erbij die jullie om de haverklap houden, zo vroeg ik. Ach, zo mailde hij, er zitten soms rare uitschieters tussen, maar ondertussen zit er een balans in die niet slecht uitpakt.

Nu geloof ik dat graag, maar ik zie ons alleen de Zwitserse kant opgaan als we de tijd zouden hebben om er mee om te leren gaan – en ik denk dat we een dergelijke stabiliteit van onze regering nooit zouden accepteren. Jaloers kunnen we er op zijn, maar overnemen zit er niet in.

3              Ons partijsysteem beter benutten

Als er ergens aan inspraak wordt gedaan, wordt geëxperimenteerd, zeker ook digitaal en alles mogelijk lijkt wat je maar kunt bedenken, dan is het binnen onze eigen Nederlandse partijen. Niet binnen alle fracties, laat ik dat in deze week van IJbeltje Berckmoes’ open boekje er direct bij zeggen, maar wel in veel partijen. Er wordt heel veel gedaan om de ledendemocratie mogelijk te maken. Resoluties en amenderingen zijn er altijd geweest, maar die ‘ouderwetse’ manieren van ledendemocratie worden aangevuld door lijsttrekkersverkiezingen met stemmen van binnen en buiten de partij, versies van de G1000 (een brainstorm met 1000 leden) en vele vormen van digitale inspraak, met maximale inzet van sociale media. Het is eigenlijk voorbeeldig. Tegelijk is het wel waar dat de ledenaantallen afnemen en dat steeds minder mensen hier aan mee doen. Dit is permanente democratie op een manier die het woord echt recht doet (en cynische journalisten, wanneer hebben jullie voor het laatst iets beters bedacht?).

Het zal wel naïef zijn, maar ik geloof bovenal in de derde optie. Wordt lid, wordt actief, waardeer de partijdemocratie. Kies niet voor de weg van de minste weerstand door direct de zoveelste nieuwe partij op te richten, maar bewijs de kracht van je ideeën binnen bestaande partijen. Uiteindelijk is dat de logische en meest vruchtbare route.

En hoe moet het nu met Spanje? De enige manier lijkt deze te zijn: om als de wiedeweerga een nieuw referendum uit te schrijven, maar dan voor geheel Spanje. Dat wordt dan de keuze tussen ‘Wilt u dat Spanje een eenheid blijft?’ en ‘Wilt u dat delen van Spanje zich kunnen afscheiden?’ Je kan zeggen dat het voor de mensen in Catalonië niet uitmaakt als de meerderheid zich voor de eerste optie uitspreekt, maar ik denk dat het heel wat lastiger is om tegen de uitspraak van de bevolking van een heel land in te gaan dan tegen een impopulaire regering. Bovendien is er dan ook duidelijkheid voor de andere regio’s. Gaat het mis met de stemming dan weten we ook voor heel Europa wat we snel moeten gaan doen: regionaliseren onder een Europese paraplu.

Zo, genoeg overhoop gehaald, ik wens iedereen weer een goede week,

Peter Noordhoek


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: "De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard." Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek