Contact

Northedge B.V. 
Oosthaven 15-16 
2801 PC Gouda 
The Netherlands 
T 31 (0)182 684545 

www.northedge.nl 
Tw @PeterNoordhoek 

Archief

Weblog

Kerstavondverhalen

Illustratie: Brigitte Kwanten- en Loon

Afgelopen week was ik gevraagd om een gedicht voor te dragen op een ‘Christmas sing-along’, mede vanwege mijn traditie van een jaarlijks kerstgedicht, waarover hieronder meer. 

In het besef dat ik zelf niet kan zingen en dat gedichten over het algemeen minder zingbaar zijn dan liederen (echt een andere discipline), heb ik geprobeerd er een mini-kerstverhaal van te maken. Of, preciezer: een kerstavondverhaal. Hier volgen drie gedichten die samen kerstavondverhalen vormen over hoe verschillende mensen zich op kerstavond kunnen voelen.

Het eerste gedicht (enig autobiografisch element valt niet te ontkennen) is opgedragen aan elk stel dat probeert de kerstavond te halen zonder ten onder te gaan aan alles wat nog moet gebeuren voordat het zover is. Het eindigt in de Sint Jan in Gouda, zittend achter een pilaar omdat we te laat de kerstnachtdienst binnen zijn gekomen.

Het gedicht daarna past in een periode waarin er extra aandacht is voor eenzame mensen. Het gaat om een kennelijk oudere, alleenwonende mevrouw die naar de kerstnachtdienst wil. Aan de ene kant ziet ze er naar uit, aan de andere kant vindt ze het erg spannend. Bij het schrijven moest ik aan zo iemand denken, in de hoop dat ze de moeite zou vinden om zich weer onder de mensen te begeven. Maar er is ook een andere kant aan natuurlijk: wij moeten ook naar eenzame mensen ‘durven’ te gaan. Sinds een jaar of zes denk ik deze tijd altijd aan het feit dat schuin tegenover ons huis iemand maanden dood heeft gelegen en dat dit met kerst ontdekt werd. Mijn vrouw liet het toen niet bij de afschuwelijke gedachte alleen, maar ging prompt langs alle deuren om alle buren voor een borrel uit te nodigen, met mij in touw. Zo werden drempels letterlijk genomen en dat heeft ook gescheeld in de contacten. Ik schrijf dit op een moment dat ze weer even bij een buurman zit. Shhht. Ik draag deze gedichten in ieder geval aan Loes op vanwege haar initiatief.

Het is ook belangrijk om vast te houden aan het idee dat kerst een mooi feest is. Terwijl onze welvaart hoger is dan ooit, lijkt een verbazingwekkend groot aantal mensen iedere gelegenheid aan te grijpen om negatief te zijn over elkaar. Wat ook de aanleiding is, we doen onszelf ermee tekort. Daarom is het ook belangrijk dat we weten te genieten van kerst. Het besef dat niet iedereen mee kan genieten is daar niet mee in strijd, maar maakt kerst juist zo mooi. Het derde gedicht, geschreven in de vorm van drie kerstbomen, probeert dat uit te drukken maakt daarmee deze serie van gedichte verhalen over kerstavond compleet.

Handen op zoek naar elkaar

Hij haalt hijgend de kerst net niet
Zij slaat kerst liefst een keertje over
Hij typt toch maar die extra mail
Zij belooft weer iets te veel
Hij haalt een boom
Zij haalt de boodschappen
Samen vertellen ze elkaar
dat ze nu vrije dagen hebben
en eindelijk wat tijd
voor bezinning hebben

Dan gaat de telefoon
over wanneer moeder opgehaald wil worden
en laat de boom
wat ballen
samen met de eerste naalden
vallen
Terwijl de kerst-CD
voor sfeer moet zorgen
maken beide ruzie
over wie wel eens wat eerder had mogen …

Als ze naar de Kerstnachtdienst gaan
schuiven ze op de laatste stoelen aan
verstopt achter een pilaar
buiten het zicht van koor en predikant
luisteren ze naar oude woorden en gezang
en zoeken twee handen naar elkaar

Het is acht uur ’s avonds

Het is acht uur ’s avonds
Ze is klaar voor de dienst
Haar jas heeft ze al
van de kapstok genomen
Nog een uur, plus
wellicht
nog een kwartier
wachten, dan kan ze wel gaan

Niet te laat, anders heeft ze geen zitplaats
Niet te vroeg, anders valt ze zo op

Ze zet de televisie nog even aan
Journaal
Kerstavond
De vertrouwde stem
haar gast aan tafel
vertelt over een aanslag
over iemand die is overleden en
over de kerstinkopen, een record
Het weerbericht geeft regen

Na het journaal
kijkt ze naar haar boom
vol mooie lichtjes
Licht, voor haar doen,
staat ze dan toch op
Wil niet langer wachten
Doet haar jas aan
Doet de knopen stevig dicht
Haar wollen wanten aan
en gaat al naar de deur toe

Dat is al te snel
Ze doet haar wanten weer uit
knoopt haar jas los
legt die over de stoel heen

Nog even wachten toch

===========================

Kijk
luister
en geniet, want
woorden vormen een slinger
om de kerstboom heen
Kleine woorden, grote woorden
die samengaan en zich slingeren
om de mooie kerstboom heen
En als er wordt gelachen
– en gelachen wordt er veel –
dan wordt elke lach als een ster
gehangen
om de kerstboom heen

Toch
Tegelijk
worden er ook
woorden van verlangen
gehangen om de kerstboom heen
Die zie je niet
Die zijn er niet
Ze hangen niet aan de takken
Ze dienen zeker niet als piek
Ze zijn alleen in gedachten uitgesproken
door iemand die geniet
en misschien wel daardoor
een eigen gemis nog scherper ziet
En door die enkele man of vrouw die buiten loopt
en door het raam al die slingers en sterren ziet
zo vrolijk
om de kerstboom heen

Wij
hangen
onze eigen wensen
om de kerstboom heen
Onze woorden
slingeren wij vrolijk
mee met onze verlangens
Zichtbaar, onzichtbaar
om onze kerstboom heen
En bij dat alles,
hopen, denken wij
dat onze talenten, onze daden
meer dan wat slingers en wat sterren maken
en als het even kan een verschil uitmaken
voor hen die geen kerstboom hebben
zoals wij
Een hele goede kerst gewenst!

Dit jaar zijn alle kerstgedichten van de laatste 25 jaar gebundeld (behalve die van 2018!). Dat is gebeurd in de vorm van een reeks kerst- en nieuwjaarskaarten. De titel van de bundel is ‘Bezinnen en beginnen’. Ik wil kijken of deze bundel komend jaar breder verspreid kan worden. Zo’n bundel kost wel wat, dus helaas zit gratis verspreiden er niet in, maar voor een tientje heeft u dan iets dat u komend jaar weer wat kosten aan kerstkaarten scheelt. en als u een niet al te objectieve recensie schrijft, kan de bundel gratis naar u toekomen. Bestellingen via info@meerdannu.nl graag.

Werkende armen verenigen

Naar een andere manier om met een armoedevraagstuk om te gaan

Foto: Peter Noordhoek

Dit najaar is er onder meer bij de begrotingsbehandeling van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aandacht gekomen voor het vraagstuk van de ‘Werkende armen’. In een recent SCP-rapport is een analyse gemaakt van de problematiek van deze grote groep werkenden die niet voldoende verdienen om rond te komen en in de praktijk onder het minimumloon werken. 

De reflex is om deze groep te benaderen als onderdeel van een klassiek armoedeprobleem dat al opgelost is langs de lijn van de gemeentelijke bijstand. Onvoldoende inkomen? Vraag maar een uitkering aan. Principe en praktijk rijmen daar niet mee. Het principe is dat werk moet lonen en dat te snel in een bijstandsuitkering terugvallen daar geen recht aan doet. De praktijk is dat gemeenten deze groep niet goed weten te bereiken en andersom. De beste manier om aan beide bezwaren tegemoet te komen is niet primair langs de weg van geld of overheid, maar door betere manieren te bedenken om op ‘vak’ niveau de werkende armen te benaderen en organiseren. Niet beginnen dus bij de overheid, maar bij de verenigingen zoals wij die al hebben. In deze blog werk ik dat verder uit. Saai en vrij degelijk. Wie iets leukers te lezen heeft, moet dat zeker gaan doen.

SER-aanvraag

De minister heeft bij de begrotingsbehandeling op vragen van de Kamerleden Peters (CDA) en Van Brenk (50+) toegezegd de vraag over de wijze van organiseren van werkende armen door te geleiden richting de Sociaal Economische Raad, de SER. Dat is echt mooi, maar ik ben er niet helemaal gerust op dat die vraag wel op de goede manier beantwoord gaat woorden. Mijn kennis en expertise ligt niet op het terrein van sociale zekerheid, maar van verenigen meen ik wel wat verstand te hebben en juist op dat terrein ligt volgens mij de uitdaging. Het recente mislukken van het pensioenoverleg doet vermoeden dat ook daarbij het mislukken eerder op het niveau van de wijze van organisatie van de achterban moet worden gezocht dan in de pensioenproblematiek op zich. We moeten als het ware opnieuw ontdekken hoe we onszelf in de Nederlandse samenleving organiseren. Ooit hadden we daar krachtige verenigingen voor, maar hun rol is onder druk komen te staan. Dat moet anders.

Werkende armen

Eerst een korte kenschets van de problematiek van ‘werkende armen’. Het is een problematiek die wel eerder in beeld is geweest, maar het SCP-rapport van september 2018, ook kundig verteld door het NRC, laat zien hoe hardnekkig het probleem is. Het SCP spreekt van 320.000 werkende armen, een stijging van 50% ten opzichte van 2001 en die stijging gaat door. Hoeveel het er precies zijn is overigens moeilijk vast te stellen. Slechts een op de drie gemeenten heeft überhaupt werkenden als doelgroep in beeld.

Aan wie moeten we concreet denken? Bij werkende armen kan gedacht worden aan de zelfstandige die een garage begint en er al zijn geld en tijd in investeert, maar eigenlijk te weinig verdient om rond te komen. Denk ook de parttime postbode, de kamerschoonmaakster in het hotel. Vaak hebben ze meer dan één baan, maar het is niet genoeg om rond te komen. Velen hebben een migranten achtergrond, maar lang niet allen. Sommigen hebben nu een geel vestje aan, de meesten voelen daar geen tijd voor.

Van alle redenen waarom de problematiek van de werkende armen hardnekkig is, springen er twee boven alles uit. De eerste is de kwetsbaarheid van de groep. De tweede is het gegeven dat het doorgaans om een meervoudige problematiek gaat. 

Voor wat betreft de kwetsbaarheid betreft is het wel oppassen geblazen, want het doet geen recht aan de groep om ze als zielig neer te zetten. Er is wel een groep die volgens het SCP, zoals dat heet, een ‘laag arbeidsethos’ heeft. Maar over het algemeen gaat het om hardwerkende wensen die tegen een stootje kunnen en terecht trots zijn op wat ze doen. De kwetsbaarheid zit vooral in het feit dat ze kostwinnaar zijn en de zorg hebben voor een gezin. Er hoeft maar een wasmachine kapot te gaan en alle mooie plannen kunnen naar de prullenmand. Tijd voor meer dan het werk lijkt er niet te zijn.

Wat de meervoudige problematiek betreft: de problemen met het werk kunnen groot genoeg zijn, maar dit moet ook weer tegen de achtergrond worden gezien van de vraag hoe vaardig men is om in de samenleving overeind te blijven: het percentage dat analfabeet is of een taalachterstand heeft, is verhoudingsgewijs hoog. Om diezelfde reden is het percentage dat gebruik weet te maken van allerlei toeslagen en regelingen weer extra laag. Drempels zijn hoog en vaak onzichtbaar. Tijdens een voorgaande regeringsperiode werd er eens een pot voor armoedebestrijding in het leven geroepen waar 100 miljoen in zat. Daarvan ging 17 miljoen op aan overhead, werd er 40 miljoen door de gemeenten naar hun uitkeringstrekkers gesluisd en bleef het overige deel, bestemd dus voor de werkenden, op de plank liggen. Het werd gewoon niet opgehaald. De doelgroep wist het loket niet te vinden of wilde het niet vinden. 

Kern: gebrek aan zelf-organiserend vermogen

De kern van het probleem lijkt daarmee nog eerder het gebrek aan zelf-organiserend vermogen dan het gebrek aan geld. Lidmaatschappen van vakverenigingen zijn er zelden. Het lijkt niet moeilijk te oorzaken daarvoor te noemen. Niet zelden voldoen ze niet aan de eisen voor lidmaatschap of worden de kosten als te hoog gevoeld. Zijn ze wel lid, dan verschijnen ze vaak niet. Domweg omdat ze er de tijd niet voor hebben of in ieder geval niet de tijd om de weg naar invloed te vinden. Maar ook omdat ze niet weten wat een vereniging te bieden heeft in termen van opleidingen, verzekeringen of het samen kunnen mopperen op de boze buitenwereld. Ze weten letterlijk niet wat ze missen. 

En laten we wel zijn, ook van de kant van de branche- en beroepsverenigingen zijn er weinig redenen om naar het lidmaatschap van de werkende armen te gaan lonken. Zijn ze mini-ondernemers, dan is het voldoen aan de professionele maatstaven vaak een hele opgave. Eerder worden ze als Beun de Hazen, valse concurrenten, gezien dan als een welkome aanvulling op het verenigingskader. Gaat het om mensen met laaggeschoold werk met een honorering die op of onder Cao-niveau ligt, dan is er ook weinig reden om te gaan lonken naar hun lidmaatschap. Kunnen ze hun contributie wel betalen? Willen we wel aan ondermijning van de Cao meewerken? Niet dus. Daarbij komt, laten we daar ook niet onhelder over zijn, juist bij deze groep relatief vaker problemen voor in de sfeer van misbruik en fraude. Wil je dat naar je toetrekken? Niet snel dus.

Kortom; de lage organisatiegraad is eigenlijk heel logisch als je naar de onderliggende oorzaken kijkt. Ze komt van beide kanten en is mede daardoor behoorlijk hardnekkig. En toch moet er iets gebeuren. De analyse over het gevaar van een te grote afstand tussen onder- en bovenklasse is al voor de gele hesjes vaak genoeg gemaakt en wordt breed gedeeld. 

Langdurige inspanning

Wie de geschiedenis van de opbouw van de verzorgingsstaat een beetje doorheeft, weet dat daarvoor veel meer nodig was dan wetgeving en een ontmoeting van werkgevers en werknemers. De rol van branche- en beroepsverenigingen is de onmisbare basis waarop al die andere dingen konden gebeuren. Met alle respect voor vakbonden of werkgeversverenigingen; zij zijn niet degenen die de Vele Kleine Dingen Doen die uiteindelijk een samenleving opbouwen waarin een polder kan gedijen. Het is andersom: eerst is er een basis van mensen die opgroeien in een vak of beroep, daarna komt pas de belangenbehartiging. Die les moet in het achterhoofd worden gehouden als we het hebben over de organisatiegraad van werkende armen. Het slechte nieuws: we hebben het dan over een langdurige inspanningen. Een inspanning die start bij de basis: het werk dat men doet en de vereniging die dat kan organiseren.

Maar in het verleden is het wel gebeurt en we zijn er met z’n allen alleen maar beter van geworden. Het wordt dus tijd om de vereniging als emancipatie-bouwer te herontdekken. Maar dan wel op een slimme manier, anders gaat het niet werken.

Voorstel

Het voorstel dat ondergetekende in een resolutie voor een CDA-congres heeft neergelegd, maar wat niet terug is gekomen in het Kamerdebat – en dus reden voor deze blog, het is niet anders – komt neer op een deal tussen een werkende, de vereniging en sociale partners. De kern is een omkering van de normale gang van zaken. Normaal is dat een werkende beslist om zich aan te sluiten bij een vereniging, contributie betalen en dan te gaan profiteren van de lusten en lasten van wat de vereniging heeft te bieden. De omkering komt vanuit het idee dat hier het de vereniging is die de werkende lid maakt en hem of haar laat deelnemen aan wat de vereniging te bieden heeft. Dus de vereniging heeft een actieve rol, wacht niet af. De vereniging zorgt er ook voor dat het nieuwe lid snapt wat van hem of haar wordt verwacht en zorgt voor de opleidingen en activiteiten die bij het lidmaatschap horen. En dat net zolang tot het lid zelf in staat is om volwaardig lid van de vereniging te zijn.

Collega’s die collega’s benaderen

Nogmaals, dat gaat waarschijnlijk niet vanzelf. Als het makkelijk was, dan werd het al gedaan. Het lijkt logisch voor een branche- of beroepsvereniging een aparte eenheid op te zetten die met leden en medewerkers projectmatig aan de slag gaat. Het idee is dus dat de vereniging potentiële leden, tevens werkende armen, identificeert en een lidmaatschap aanbiedt. Dit gebeurt langs de lijnen van het vak zoals dat wordt uitgeoefend. Het zijn in beginsel collega’s die collega’s benaderen en een aanbod doen. Ontmoeting en opleidingen zijn onderdeel van het aanbod. De vereniging biedt het lidmaatschap gratis aan, het nieuwe lid brengt tijd, energie en aandacht. Gaat het goed, dan heeft de vereniging er op korte termijn een goed nieuw lid aan en het nieuwe lid kan aan zin of haar competenties werken en leren om met lotgenoten op te trekken. Er kan natuurlijk van alles bij en omheen worden gedacht. 

Het betekent dus een investering van de kant van de verenigingen. Vanuit hun maatschappelijke taak zou je van veel verenigingen mogen verwachten dat ze de kosten hiervan zelf kunnen opbrengen, maar er is ook een gezamenlijk belang. Een belang dat zich kan vertalen in financiering door sociale partners, inclusief de overheid. Daar zitten uiteraard voorwaarden aan vast. Het belangrijkste lijkt mij te zijn dat gelden gebonden blijven aan het ‘vak’, dat wat de werkende armen nodig hebben om zich op eigen kracht te ontwikkelen en hun trots te behouden.

Peter Noordhoek

Bronnen: 

SCP, 2018: Als werk weinig opbrengt. https://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2018/Als_werk_weinig_opbrengt

Resolutie CDA Zuid-Holland ‘Werkende armen’, CDA-congres 3 november 2018.

Over de actualiteit van een debat

Het CDA-congres is geweest. Inmiddels is het mijn gewoonte geworden om als delegatieleider van Zuid-Holland met een soort verslag te komen. Dat moet vooral gelezen worden als een verwondering en niet als een verantwoording. Opnieuw zijn er een aantal dingen in en rond het CDA gepasseerd die mij, als actieve beschouwer, zowel blij maken als aan het denken zetten. Het is de functie van een stevige blog als deze om dit met de lezer te delen, waarbij er vooral in het laatste deel, dat over een niet verschenen resolutie over het kinderpardon gaat, wat ongemak zit over de druk die de ‘actualiteit’ op de partijdemocratie kan zetten. Wie het korter wil, kan in ieder geval bij twitter terecht. Wie het leuker wil, raad ik vooral de vlotte vlogs van delegatielid Michel Rogier aan.

Renteresolutie

Wie zei er dat leden geen invloed hebben? Afgelopen zaterdag was die er op allerlei manieren.

Het meest zichtbaar was dat door het aannemen van een resolutie van de CDA Jongeren, het CDJA over de rentebetalingen in het kader van het leenstelsel. We zijn helemaal niet voor dat leenstelsel, mede omdat het de toegang tot het onderwijs merkbaar beïnvloed, wat nu al voorzienbaar tot tekorten aan huisartsen en anderen gaat leiden. Maar binnen het nieuwe stelsel is nu ook nog eens een renteverhoging aangekondigd. Dat is onderdeel van een ingewikkeld geheel van plussen en minnen in het akkoord, maar het CDJA zegt: dit willen wij niet. Wij hebben als CDA Zuid-Holland in een eerder debat over het studiestelsel gezegd dat wij het met de inhoud van de resolutie eens ware, maar het niet reëel vonden dat ze eisten dat de coalitieonderhandelingen daarvoor overgedaan zouden worden. Toen hebben we de fractie geholpen om de leden te overtuigen niet mee te gaan met de resolutie. Deze resolutie was anders gericht, maar werd er niet om heronderhandelen gevraagd en vonden we dat we nu consequent moesten zijn. We hebben het CDJA gesteund. De resolutie werd met ruime meerderheid aangenomen.

De fractie heeft in de discussie over de resolutie vooral financiële argumenten gebruikt. Er zou 250 miljoen mee gemoeid zijn. Hoe dachten wij het schrappen te gaan dekken? Die vraag is een soort omkering van het bekende gezegde ‘congressen kopen geen straaljagers’. Nu werd het CDA-congres gevraagd om dekking bij de resolutie te geven. Dan maak je van het congres een fractie. Is dat de bedoeling? Misschien zou dat moeten bij verkiezingsprogramma’s. Toen het verkiezingsprogramma voor de laatste landelijke verkiezingen werd besproken hebben we er als Zuid-Holland per amendement genoeg bij weten te plussen om wel degelijk een paar straaljagers te kunnen kopen. Programma’s worden echter geschreven zonder financieel kader en dan is er geen echte rem meer op de wensenlijstjes. Bij resoluties is dat anders. Daarbij is het prijskaartje min of meer bekend en kan je er over praten. Maar uiteindelijk gaat het niet om het prijskaartje. Het gaat er om dat de leden gehoord worden en richting kunnen geven. Het ingewikkelde is dat de fractie wel degelijk luistert, maar door de resolutie zeer letterlijk te nemen zichzelf de ruimte ontneemt om iets anders te doen dan te ontraden (missen we dan toch het katholieke element?).

Het wordt wellicht anders als er een alternatief wordt geboden. Direct na de vorige resolutie hebben we de partij gevraagd om een groep stevig te laten nadenken over de beste manier om het onderwijs toegankelijk te maken. Op dit congres kon alleen gemeld worden dat er een expertgroep aan het starten is. Dan doet de fractie er verstandig aan om de resolutie minder financieel te interpreteren en vooral te omarmen als een uitspraak om als een haas huiswerk te gaan doen. Wellicht dat de coalitiegenoten er ook nog wat in gaan zien.

Van openbaar vervoer tot kunstmatige intelligentie

Veel minder controversieel, maar wel concreet waren de resoluties zoals we die zelf indienden. Terwijl deze week een filerecord werd bereikt met meer dan 1000 kilometer stilstaande auto’s, is het in feite doodtij als het gaat om het investeren in openbaar vervoer. Vooral voor de dure (onder tunnelde) trajecten in de randstad is te weinig geld. Lossen we dat probleem niet op, dan verplaatst het probleem zich naar buiten de randstad. De overheid heeft te weinig geld, pensioenfondsen hebben dat wel, maar mogen om formele redenen dat geld niet hierin investeren. Onze resolutie helpt om die patstelling te doorbreken.

Wat zijn de gevolgen van kunstmatige intelligentie voor ons en de overheid? Hoe beïnvloeden ze onze rechtsstaat? Moeten we er misschien de grondwet op aanvullen? We hebben een resolutie hierover aangenomen gekregen en zoals Sybrand Buma zelf in reactie zei: ‘het onderwerp lijkt zeer technisch, maar het thema is juist bij uitstek politiek.’

Werkende armen

Het mooiste resultaat, en waar ik gewoon trots op ben, is een resolutie over ‘werkende armen’. Het SCP heeft onlangs een verdere stijging gemeld van het aantal mensen dat wel werkt, maar niet genoeg er van te kunnen leven of een gezin te onderhouden. Het gaat om honderdduizenden mensen voor wie werk niet voldoende loont om uit de armoedeval te komen. Kenmerkend voor de groep is dat ze moeilijk te bereiken zijn en tegelijk zichzelf niet kunnen organiseren. Voor het lidmaatschap van een branchevereniging, vakbond of werkgeversorganisatie hebben ze het geld niet of ze kennen de meerwaarde niet van het contact met collega’s. De verenigingen zelf kunnen of willen het zich niet veroorloven om leden te hebben die zich geen contributie kunnen veroorloven of ‘bewerkelijk’ zijn. Daar is wat aan te doen. Geef bijvoorbeeld de lidmaatschapsgelden aan de vereniging in dezelfde branche als van het mini-garage of ander bedrijfje dat nu te marginaal bezig is om te kunnen of mogen bestaan en help ze zich verder te ontwikkelen. Ook deze resolutie geeft niet precies aan hoe dat betaald moet worden of waar dit naar toegaat. Ook verenigingen zullen de knop moeten omzetten. En ongetwijfeld moeten we eerst door een aanval van pilotziekte heen voordat het enige schaal bereikt, maar in ieder geval komt er dan weer beweging in de zaak.

De resolutie is niet alleen aangenomen; de fractie gaat er echt mee aan de gang en wil dat het tot een SER-advies komt. Als dit er komt, dan, dan … laten we zien dat de christendemocratische weg de weg is om zowel markt als overheid beter te laten functioneren.

Hoe oud moet je zijn voor de politiek?  

Het is grappig dat, terwijl veel journalisten de partij nog steeds als een grijze partij vol grijze mensen beschouwen, de werkelijkheid laat zien dat, zeker op landelijk niveau, de gemiddelde leeftijd van haar vertegenwoordigers zich eerder richting de dertig beweegt dan richting de pensioengerechtigde leeftijd. Het gevolg is dat er een resolutie wordt ingediend door de Zuid-Hollandse afdeling van het CDA Seniorenberaad (CDAS), dat er meer ouderen in vertegenwoordigende functies moeten komen. Ik kon de logica van die resolutie niet ontkennen, maar was er toch niet echt enthousiast over. Als rechtstreeks CDA-lid in ’82 heb ik mij mateloos geïrriteerd aan de bloedgroepenstrijd. Die strijd lijkt gestreden, maar zou in deze politiek correcte tijden zomaar terug kunnen komen in de vorm van een strijd tussen leeftijden en geslachten. Dan is het een kwestie van tijd voor het ‘afspiegelingsbeginsel’ tot vervorming leidt. Bij bloedgroepen geldt dat je daar nog wat aan kan doen met je politieke keuzes, aan je lijf en leeftijd lijkt maar weinig te doen (bij mij wel: lijf 61, geest 21).

De resolutie is geruisloos overgenomen (de jongeren hielden zich wijselijk stil), maar ik zag het aan en bedacht er nog iets anders bij: wij hebben net uitgebreid stil gestaan bij het overlijden van Wim Kok. Zijn grijze kop werd weer synoniem met wijsheid. En het zou mij niet verbazen als dat ook een reactie is op de golf van dertigers die nu de leiding van partijen overnemen. De afstand tussen de gemiddelde leeftijd van publiek en partijleiders wordt wel erg groot.

De resolutie die er niet kwam: kinderpardon

Op de kortere termijn speelde een andere resolutie een rol: de resolutie die er niet kwam. Tot op het allerlaatste moment waren we in onzekerheid over een ‘actuele resolutie’ over het kinderpardon. De hele voorgaande middag, avond en vroege ochtend stond de WhatsApp groep van de delegatie en andere kanalen vol over deze mogelijke resolutie. Een groot deel van de tijd was daarbij kwijt aan het zoeken naar iemand die een tekst had gezien of meer wist. Misschien dat ik later nog eens hoor waarom die resolutie er niet kwam, maar het gebeurde niet. Enerzijds geeft dat het onbevredigende gevoel van een voetballer die zich heeft opgeladen voor een spannende uitwedstrijd die op het laatste moment niet doorgaat. Anderzijds vond ik het niet meer dan terecht en werd ik weer eens getroffen door het gevoel over de kwetsbaarheid van de (interne) partijdemocratie. Ik besef dat het formalistisch klinkt in het licht van het kwaad dat het uitzetten van in Nederland gewortelde kinderen is, maar er gelden spelregels voor het indienen van resoluties. Die kwamen heftig onder druk te staan met deze resolutie en daarom is het denk ik goed om er over te schrijven, al was het maar omdat zo’n resolutie zomaar opnieuw opduiken.

Resoluties geven het gevoel weer van de achterban over een politieke kwestie. Dus niet van een enkel lid: de drempel ligt bij minimaal 25 leden wil je enigszins over een ‘achterban’ kunnen spreken. Zo’n resolutie moet ook op tijd worden ingediend om het partijbestuur vooraf de gelegenheid te geven er met elkaar over te spreken en een gewogen reactie te geven, het zogenaamde ‘préadvies’. De leden moet vooraf ook de gelegenheid krijgen om kennis te nemen van de andere resoluties vanuit de partij en woordvoerders te kiezen. Voor dit alles staan strakke termijnen.

Je kan daarin ook overdrijven. Een collectief van afdelingen uit onze provincie had een resolutie 20 minuten te laat ingediend. Er werd niet eens naar de inhoud gekeken: afgewezen. Niemand had geklaagd als er even wat ruimte was gegeven. En nu zou er opeens, de dag voor het congres, een resolutie over het kinderpardon worden ingediend. Alles wat we aan informatie hadden was een artikel uit Trouw waarin gesproken werd over veronderstelde spanningen tussen de leden en de top van het CDA over wat er moet gebeuren met het kinderpardon. Lokale afdelingen zouden versoepeling willen, de landelijke fractie niet. Bij dat soort vaagheid gaat het ‘Mauro-alarm’ hard af; de herinnering aan een debat waarin rechtstatelijk denken keihard tegenover de naastenliefde werd gezet en een partij als het CDA, die op beide is gebouwd, het meest kwetsbaar voor scheuring is.

Voor de top van de partij (die al snel wordt verondersteld onder één hoedje te spelen met de fractie) produceert dat al direct een moeilijk moment: weigert ze de resolutie omdat deze te laat is, dan ‘duikt ze’ en is ze ‘harteloos’ of ‘keihard rechts’ in het weigeren van een debat. Laat ze de resolutie door, dan negeert ze de eigen regels. Er is wel een ontsnappingsmogelijkheid. Aangezien ‘de vergadering over haar eigen orde gaat’, kan ze een ‘actuele resolutie’ indienen en deze vervolgens bediscussiëren.

Als vertegenwoordiger van de achterban had ik direct een ander idee, geboren moet ik zeggen vanuit de irritatie over de resolutie die 20 minuten te laat was. Ik wilde voor de bespreking van de resolutie een punt van orde maken. Want wat is er ‘actueel’ aan een resolutie als deze? De situatie bestond toch al vele weken, zo niet jaren? En is migratie niet per definitie altijd actueel, gelet op de gevoeligheid? Of actueel te maken, door activisten of journalisten met een agenda? Dan moet je toch niet het meest gevoelige thema op de meest gehaaste manier gaan voeren? Het antwoord lijkt duidelijk, maar ook in mijn WhatsApp en twitter kwamen de reacties van mensen die je direct de maat nemen op je gevoel voor de kinderen.

Ik stond toch klaar het punt van orde te maken, maar dit keer was dit niet nodig. Gelukkig voor de kinderen zelf. Ik hoop dat de mogelijke indieners hebben ingezien, dat hoe scherper het licht van de publiciteit op deze kinderen worden gericht, hoe moeilijker het wordt het pardon feitelijk te verlenen (terwijl het mijn indruk is dat die druk op staatssecretaris al hoog is). Liever zou ik het overigens een volgende keer willen hebben over de verkorting van de procedures. We gaan een tijd van personeelstekorten in, maar het lijkt mij dat het oplossen van een personeelstekort bij de IND toch echt wat urgenter dan in andere sectoren. Maar misschien is dat te praktisch gedacht.

Voor het debat

Ook de moeilijkste discussie moeten we niet uit de weg gaan. In andere vorm zal iets als het kinderpardon toch weer langs komen. Maar dan moet het ook echt een debat tussen de leden zijn. Ik hou van debatten waarbij het druk voor de microfoon is. Ik hou van debatten waar ook de hotemetoten in de zaal gewoon ‘het lid uit Amersfoort’ of ‘het lid uit Dokkum’ zijn. Ik hou ook van debatten waar de mensen in de zaal beseffen dat de mensen op het toneel ook hun best doen en naar eer en geweten handelen, want dan is er een omgeving waarin je elkaar altijd wel ergens op kunt vinden.

Afgelopen week was er een incident de Tweede Kamer waarbij een Kamerlid inbrak in een debat waar hij zich niet voor had aangemeld. Hij werd daar op gewezen, maar trok zich er niets van aan. De gemiddelde Nederland zou bij zo’n bericht gaan gapen en zich hoogstens storen aan de bureaucratie van de Kamer. Dit lid was Thierry Baudet, het onderwerp was migratie. Hij plaatste zich buiten de orde en werd daarvoor beloond. Tot frustratie van de Kamerleden die wel een serieus probeerden te voeren, was er alleen nog maar aandacht voor Baudet. Het debat was vergeten, de inhoud was weg. Zo wordt onze parlementaire democratie uitgehold. Als een partij als het CDA daar een tegenwicht voor wil zijn, dan hoort daar een partijdemocratie bij die wel het goede voorbeeld geeft: fair, inhoudelijk, levendig en wellevend.

Peter Noordhoek

The Final Brexit Scenario

At a moment that most Europeans are occupied by the question whether or not to have a summer and winter time, and if so, which one should it be, there is something that should concern us just a little bit more: Brexit. The negotiations seem to be going nowhere (though 95% is said to have been agreed upon) and the Tory government is showing all the signs of a messy divorce. Hundreds of thousands of people go to the streets, and more than a million people sign a petition asking for a second referendum. Meanwhile, the pundits on twitter are playing with scenarios called Canada, Norway, Switzerland or simply ‘Hard Brexit’, or are still trying to convince each other with leave or remain arguments that reach no one anymore, as they seem to have completely balanced each other out. What a waste of talented people. Last summer I have thought out my own scenario, and I think it still holds. I formulated it as a twitter thread and maybe I will turn it into one, but I like to do it here as a blog first, accompanied with a little story I found illustrating.

This is my final Brexit scenario, in the sense that I think that, provided Ms. May is as brave as I think she is, this is how it will play out in the beginning of 2019.

  1. There will be some form of custom union for the whole of the UK, in order to get around the backstop problem.
  2. The last bit of the Article 50 negotiations with Brussels will be very much along the lines of Brussels, but with enough elements of the Chequers agreement in it, to give the British the right to claim some success. The most crucial bit is the part where Britain must give some assurances that Britain will not misuse the new freedom for competing with the EU. Given the weak position of Ms. May, she will have to convince the 27 that she has a scenario that will lead to more quiet waters. No doubt there will be feelers with Corbyn’s Labor party as well.
  3. The scenario will not be called ‘Chequers’ or ‘Chequers plus’, but just ‘the agreement reached with Brussels’ or ‘the-Chequers-that cannot-be-named-Chequers. A Canadian, Norwegian or another scenario will not be materially relevant to what can be agreed with Brussels, or is something for later.
  4. Brussel will want resolution before the EP-elections in May, with most details settled, as the British government cannot be trusted enough to deal with in good faith later.
  5. On the whole it is a package which still makes it not attractive for other countries to leave the EU. Mistrustful misanthropic Tories will see this too, and many Brexiteers will feel cheated or made to feel cheated by leading conservative voices and the Murdoch media.
  6. Whether or not Parliament will vote in favor of the agreement, is very much in doubt. Not just because of divisions within the Tory party. The DUP will most likely not play along. The Scottish National Party will, for its own reasons, also has grave doubts. Labor, of course, sees this as the moment to topple the government. Chances for a positive vote are far less than 50%.
  7. A new referendum will not be seriously considered, as it is too divisive for both country and Conservative Party. And the latter gets to decide. No way.
  8. However, voter analysis will show that people are very much fed up with arguing about Brexit. The issue itself is a loser. Any reasonable agreement the government puts forward could get a majority. When they are not gung-ho, the British can be very pragmatic.
  9. Which will lead to the present government to say that an election will be held, with the agreement at its core. A vote for May is a vote for the agreement.
  10. Corbyn can only win if and when the Tories leave the middle of the road. A de facto remain-like scenario gives him a good chance if the Tories do. Given his strong negatives, he will loose if there is half a decent performance from the Tory leader.
  11. Before this scenario can be played out, a leadership contest will be held within the Tory party. It is up to Boris or Davids to go for the leadership with a hard Brexit option. Yet, the electoral numbers will not be in favor of either of them. How strong are the true believers? This is the true gamble May has to take.
  12. May might solve this by saying: this is not about me. After the election, I will step down, be it yes or no. This way she opens the opportunity make it about the agreement and not about party politics.
  13. It could well end up with May losing the election, and with the agreement in the dust bin. In that case it is likely that Labor’s remain-scenario is the winner. Even many Tories may live with that; they know they’ve had their turn and blew it.
  14. But chances are the voters will still vote Conservative if it stands for what-not-can-be-called Chequers. Even now the Tories are ahead of Labor in the polls. Most voters dislike the idea of a Corbyn government and, after all that has been said and done, may want some form of Brexit. As long as it’s not called Chequers, they can then sit down on the old Brexit bench and talk together about the future again. If it still holds.

One evening this summer, my wife and I stayed at an old semi-castle close to Loch Ness, in Scotland. Over a glass of wine, the owner told us its story. After the terrible battle of Culloden, all the man, women and children of a nearby village of local people – rebels all, of course – were sold in slavery. Ships brought them to the Caribbean, where they were set to work on a plantation on one of its islands. One of them, still a boy, managed to escape. He came back later and managed to become the owner of the plantation, keeping slaves like his predecessors had. By the end of his life made a fortune and bought himself the castle-like house near the ground of his birth. He made it, he came back. He was a fighter, he was greedy, he conquered everything.

Nowadays the place is home to a great but vulnerable couple of people. One a journalist, one an artist. Making money is not their goal in life, but they want to make sure the castle remains fit for use. For this reason, they are on AirBandB, but do not really want to be found. It is wonderful when you do, though, with the grounds and inside all the paintings and great stuff that is there. When talking with them, you soon find out that they abhor Brexit, hate the Tories.

Why am I writing this? Because in a way both the old conqueror and the old couple stand for a Britain totally at odds with itself and the world. Brexit is born out of a strong fighting spirit in which the battles of yesterday still live on. I can appreciate and even admire it, but it is totally misdirected and ignorant of the modern world. A modern world in which the couple feels at home, but they no longer have the strength to shape or comment it. In fact, in order to make do, they rent their heritage to Europeans. It seems more than tragic, it’s seems the end of the road.

It is not. Somehow or other the house will live on when its occupants are no longer there, and both Culloden and Brexit will be words from the past. It is the way it goes. But it would help Britain to move on if they were a little less preoccupied with the past and a little more with the future.

Peter Noordhoek

Over hypocrisie

Foto: PN

Twee keer in ruim een week werd ik aangesproken op de hypocrisie die er in de houding van de Nederlanders zou liggen. De eerste keer ging het om de houding van Nederland ten aanzien van Curaçao. De tweede keer ging het over de houding ten opzichte van Hongarije. Omdat het gevaar van schijnheiligheid altijd op de loer ligt, leg ik dat niet zonder meer naast mij neer. Maar wanneer trek je het echt naar jezelf toe en laat je het je positie beïnvloeden? Tot slot van deze blog nog enkele woorden naar aanleiding van het overlijden van Wim Kok.

Curaçao

Mijn broer wilde bij mij langskomen. Hij woont en werkt met zijn gezin al vele jaren in Curaçao, maar door het plotseling overlijden van zijn schoonmoeder was de familie naar Nederland gekomen. Na de crematie van deze bijzondere vrouw, was er geen echte gelegenheid om te praten en dus wilde hij bij mij thuis langskomen. Natuurlijk, welkom. In Café Central, op de markt in Gouda, hebben we ons gesprek gehad. Dat gesprek ging eerst en vooral over familie, maar bleek van zijn kant ook erg gedreven door een verlangen om zijn beklag te doen over de Nederlandse houding ten aanzien van Curaçao. Dat is wel vaker een gespreksthema, maar meestal doet hij zijn best om het bij een vrolijk soort cynisme te laten. Dit keer kon hij dat nauwelijks nog opbrengen. De boosheid over de ‘hypocrisie van de Hollanders’ zat heel dicht onder het oppervlak. Hij zou het nooit op mij persoonlijk richten, maar ik moet het wel heel goed horen.

Het gaat slecht met Curaçao. Naast het toerisme is er eigenlijk niets meer. De raffinaderij ligt stil, mede door de situatie in Venezuela, scheepsverkeer ligt door een conflict met de Chinezen goeddeels stil. Hij is directeur van een bedrijf in Willemstad en natuurlijk voelt hij het ook, maar hij hoeft geen medelijden. Ook de eilandregering krijgt bepaalt zijn medelijden niet. De zorg draait om de werkeloosheid en bijbehorende armoede die nu het eiland treft. Die is heel groot. En daaruit komt het verwijt door over Nederland en de Nederlandse overheid – het kan jullie kennelijk helemaal niets schelen. De Nederlandse overheid is bezig met controles, de Nederlandse overheid is bezig met verantwoording. Een Nederlandse overheid die uitgerangeerde ambtenaren naar het eiland stuurt en waar niets van uitgaat. En ondertussen is het geld voor bijvoorbeeld Sint-Maarten nog steeds niet uitgegeven, omdat ze de boeken kennelijk nog steeds niet sluitend krijgen. Hij sluit kernachtig af: ‘Jullie willen toch van ons af? Nou, doe dat dan, maar zelfs daar zijn jullie te slap voor. Het is allemaal zo hypocriet’.

Dat maakt indruk. Niet omdat ik het niet wist: de berichten heb ik gelezen. En hij heeft het er niet voor het eerst over. Maar het is anders als er iemand tegenover je zit, zeker als het je broer is, die de volle emotie op je loslaat. Ik heb een hogere pet op van de Nederlandse ambtenaren dan hij en het lijkt me een onmogelijk eiland om (bij) te sturen, maar als alles wat we doen een soort voorkomen is van krantenkoppen over ‘verspilling van gelden in de Antillen’, dan maken we het uiteindelijk alleen maar slechter en verdienen we de woede. Zijn ‘we’ hypocriet. Maar ben ‘ik’, als Nederlander, dat dan ook?

Hongarije

Het duurde nog geen week voordat ik de volgende verwijten te pakken had over hypocrisie. Samen met drie collega’s, mocht ik afgelopen weekend aanwezig zijn op het ‘alumni congres’ van het Robert Schumann Instituut. Het instituut verzorgt opleidingen voor vooral jongeren en vrouwen in Oost- en Centraal-Europa en is nauw verbonden aan de Europese Volkspartij. Sinds 2006 train ik al voor ze en de samenwerking is heel hecht geworden. Net als bij alle politieke partijen wordt het belang van training structureel onderschat en daardoor is er altijd een gebrek aan middelen, dus we hebben al heel wat lief en leed gedeeld rond het instituut. Nooit heeft de lokale politiek in de weg gezeten. Tot afgelopen juni en dat is ook wel mijn eigen ‘schuld’. Het instituut is gevestigd in Boedapest, Hongarije, en de medewerkers zijn allen Hongaren. Onze Zuid-Hollandse resolutie over het optreden van regeringspartij Fidesz en hun leider Orban, heeft de relatie met Hongarije op scherp gezet. En ook al heeft het RSI niet meer of minder banden met Fidesz dan het met het CDA heeft, je vraagt je toch af hoe je ontvangen wordt als je naar hun ‘home town’ toegaat.

Goed dus. Met deelnemers uit landen van Litouwen tot Libanon en van Albanië tot Armenië, werd het een mooie bijeenkomst. Elk van de vier Nederlandse deelnemers mocht een sessie voorzitten, waarbij het in mijn geval ging om een levendige paneldiscussie over de positie van jongeren en vrouwen. Prima, maar het is toch vooral in de wandelgangen dat de echte gesprekken worden gevoerd. En natuurlijk gingen die ook over de positie van Hongarije in de EU en in het politieke familieverband van de Europese volkspartij (EVP). Op een gegeven moment legde ik mijn gesprekspartner uit dat het verwijt richting Fidesz niet alleen om het kritische rapport Sargentini gaat, maar ook te maken heeft met het beeld dat Hongarije de grootste netto-ontvanger van EU-gelden is en dat dit gegeven Fidesz kennelijk niet tot meer bescheidenheid brengt – en dan hebben we het nog niet over de signalen van corruptie. Hoe denk je dat de gemiddelde burger in Nederland daarover zal denken? Mijn gesprekspartner wees in antwoord op alle deelnemers in de gang van het congres en zei, in ongeveer deze bewoordingen: “Al deze mensen zijn afkomstig uit landen die aantoonbaar minstens zo corrupt zijn als Hongarije – en wij doen er wel degelijk veel aan om de corruptie terug te dringen. Ik zou je er ook op willen wijzen dat ook in Westerse landen veel corruptie voorkomt, waarvan sommigen minsten op het niveau van Albanië. Het is wel heel hypocriet om de kritiek alleen op Hongarije te richten.”

Daar viel en valt best het nodige tegen in te brengen: het zijn de provocaties van Orban zelf die de kritiek hebben uitgelokt. Onze resolutie bijvoorbeeld, was bovenal een oproep tot dialoog. Als je er een oorlogsverklaring in wilt lezen, wie heeft er dan een probleem? Andere landen proberen autoritair gedrag niet vanuit een ideologie te vergoelijken die op de eigen partijfamilie is gericht. Je kan ook zeggen dat je niet een beetje zwanger kunt zijn: corrupt is corrupt, ondemocratisch is ondemocratisch. Je kan zelfs zeggen dat we als we EVP eindelijk niet meer hypocriet zijn: te lang hebben we fout gedrag getolereerd en ondertussen mooie woorden over waarden hebben gesproken. Eindelijk trekken we een streep. Niets hypocriets aan. We zijn eindelijk consequent.

Allemaal waar, maar mijn gesprekspartner liet me ondertussen visueel zien wat het probleem met een strakke houding is: het maakt ontmoetingen als die dag uiteindelijk onmogelijk als partijen uit de familie worden gestoten. Het ‘socializen’ in de gangen van het congres tussen vertegenwoordigers van landen vol corruptie en autocratische neigingen zal die landen nooit direct minder corrupt maken. Door het opleiden van nieuwe generaties leiders maak je de kans wel groter dat ze langzaam maar zeker hun landen mee trekken in een meer democratische beweging. Dat is lange termijnwerk en vergt een stevige dosis optimisme, maar het is niet hypocriet om daarin te geloven.

Twee beschuldigingen

Twee beschuldiging van hypocrisie. Beide niet in de eerste plaats op mij gericht, dus als ik wilde kon ik duiken. Ik wist al van de ellende op Curaçao en vind het belangrijk dat er meer aandacht voor komt (al vermoed ik dat ook met een perfecte Nederlandse overheid het moeilijk blijft). In het geval van Hongarije heb ik in de vorm van de resolutie actie genomen en ben ik dit weekend de discussie niet uit de weg gegaan. Hoezo hypocriet? Tegelijk vertegenwoordig ik een land en een deel van Europa dat zeker kwetsbaar is voor beschuldigingen van hypocrisie. We zijn wel van het geheven vingertje. En van de splinter en de balk. Alleen al doordat we onze debatten door de (social) media steeds weer laten versmallen tot een enkel item dat hoog in het nieuws scoort, treft kritiek dat we niet fair zijn in onze kritiek naar een arm eiland of een gefrustreerd land al snel doel. En dus moet je oppassen met duiken voor zo’n verwijt.

Uiteindelijk denk ik echter dat het weinig zin heeft je te laten verlammen door een angst hypocriet te zijn. Benoemen, aandacht vragen en actie nemen is de betere koers: wakker worden als het om Curaçao gaat, grenzen trekken als het om gedeelde Europese waarden gaat. De echte waarschuwing die in de beschuldiging van hypocrisie besloten ligt, komt in de vorm van een voorbehoud: het gesprek moet wel doorgaan. Mijn broer moet bij mij langs kunnen blijven komen (absoluut! – en ik naar hem overigens) en ik moet naar Boedapest blijven gaan (absoluut!). Belangrijker: ik heb mede in de gaten te houden of mijn regering wel beter werk gaat afleveren op het eiland en ik heb in de gaten te houden of de trainingen en ontmoetingen wel doorgaan zoals ze moeten doorgaan. Uiteindelijk gaat het om wat je zelf voor verschil kunt maken, niet om welke lasten van de wereld je allemaal moet dragen.

Peter Noordhoek

Wim Kok

Wim Kok was onze laatste premier met wijze grijze haren. Persoonlijk heb ik hem niet gekend, wat het voor mij minder logisch maakt in een blog bij hem stil te staan en ook omdat vele goede beschrijvingen voorhanden zijn van mensen die hem goed gekend hebben (gedacht kan worden aan Niemantsverdriet, Wallage, Klein & Kooistra).

Er is één element uit zijn levensverhaal dat ik eruit wil halen. Vroeg in Paars I hield Kok een rede waarin hij zei dat ‘de PvdA haar ideologische veren moest afschudden’. Die uitspraak is hem later zeer kwalijk genomen. Van het begin af is dat voor mij echter een uitspraak geweest waarvan ik vond dat die niet bij hem paste. Niet omdat Kok geen praktische man is. Dat was hij wel. Maar precies dat: praktisch – en dat is weer iets anders dan pragmatisch. Wim Kok was gedoopt in de rode verf van de sociale beweging en daarvan ontleende hij zijn principes. Ik kon mij niet voorstellen dat hij die af wilde krabben. Ik denk dat dit ook niet is gebeurd. Je ‘ideologische veren willen afschudden’ is in wezen een zeer ideologische uitspraak. Die kwam dan ook van Bram Peper vandaan en niet van Kok. Peper schreef de tekst voor die speech en Kok liet zich verleiden om die woorden uit te spreken om zo een streep te zetten onder interne twisten binnen de PvdA. In de kern was Kok namelijk vooral een verzoener, een bruggenbouwer. Voor mij was hij, anders dan Den Uyl, een vertegenwoordiger van de ‘stille generatie’ en een van de allerlaatsten van die generatie die ons hielp om de brug te slaan tussen de conformistische naoorlogse periode en veel liberaler tijdperk. Ware bruggenbouwers zijn mensen die zichzelf blijven, ook in het contact met andersdenkenden. Hij verloochende zich daarbij niet, bleef altijd PvdA’er, altijd socialist, maar dat weerhield hem niet voor de beste oplossing te gaan. Heel praktisch. Dank, Wim Kok.

Adam Smith als gemeenschapsdenker. Of: hoe het beeld van liberalisme mag worden bijgesteld

Waarom leest een mens een biografie? Als we braaf zijn, dan zeggen we: om van de persoon te leren. Als we minder braaf zijn: om ons te verkneukelen over een leven dat spannender is geweest dan dat van onszelf. Als die laatste reden de belangrijkste is, ga dan vooral geen biografie van Adam Smith lezen. Zonde van de tijd. Nog nooit de biografie gelezen van iemand die zo braaf was als hij. En dat was geen act, zo was hij. Het enige moment dat de biografie in de buurt van geweld komt, is het moment dat Smith door andere zaken niet aan zijn collegeverplichtingen kan voldoen en hij de collegegelden aan zijn studenten terug wil geven. Zijn studenten weigeren die geste van de geliefde docent en het wordt bijna een handgemeen als hij toch probeert het geld in de zakken van de studenten te stoppen. Voor het overige mag zijn leven saai worden genoemd, ook al leefde hij allesbehalve saaie tijden. Die saaiheid houdt op zodra je probeert in zijn hoofd te kijken en over zijn boeken gaat lezen. Maar zelfs dat is nog een beperkt genoegen omdat hij testamentair liet vastleggen dat behalve zijn twee belangrijkste boeken, al zijn andere teksten en aantekeningen moesten worden vernietigd, wat zijn erfgenamen met heel veel tegenzin uiteindelijk gedaan hebben. Alles wat we nog hebben van die teksten zijn de aantekeningen die zijn studenten tijdens de colleges maakten (studenten, laat dit tot je doordringen).

Smith herontdekt

En dan toch blijft er meer dan genoeg over om je mee te laten verbazen. Over de rijkdom van zijn gedachtegoed, over de manier waarop dit – nog tijdens zijn leven – van invloed was op de wereld en hoe we dat naar de wereld van nu moeten vertalen. Adam Smith is altijd geclaimd door liberalen, economen en vrije marktdenkers, maar zoals de nieuwe biografie van Jesse Norman overduidelijk maakt, is zijn gedachtengoed veel breder relevant en past het liberale gedachtengoed van nu eigenlijk helemaal niet zo goed bij de man zoals hij in zijn tijd stond. En het fascinerende is, dat dit ook voor andere liberalen geldt. Ook Thorbecke, de grote leidsman van het liberalisme in Nederland, is in zijn achtergrond en manier van denken niet de liberaal zoals die er nu vaak van gemaakt wordt. Dat is geen verwijt. Tot op zekere hoogte is het een logisch proces en de voormannen van andere richtingen, inclusief de mijne, worden ook lang niet altijd goed begrepen door de eigen achterban. Maar het is nu tijd om Adam Smith te herontdekken. Dat doe ik kort door in navolging van Norman een paar misverstanden op een rij te zetten rondom het gedachtengoed van Adam Smith en daarna een paar lessen te trekken, inclusief nog een klein uitstapje naar Thorbecke. In de beschrijving van de misverstanden hoop ik tegelijk het gedachtengoed zelf te beschrijven. Dat lukt niet goed in het bestek van deze tekst, maar ik verwijs graag naar Norman en andere bronnen.

De vrije markt en andere mythes

Adam Smith (1723-1790) is waarschijnlijk het best bekend als de man die de gedachte van de vrije markt heeft geïntroduceerd. Zonder hem zou het kapitalisme geen kapitalisme zijn geworden. Het beeld dat wij van die vrije markt hebben, is er een van maximale individuele vrijheid, waarbij een gerichtheid op het maken van winst genoeg is om een goede samenleving te krijgen. Die vrijheid zou de basis worden voor een politieke ideologie die overheidsingrijpen afwijst, de gerichtheid op winst een manier van problemen oplossen op basis van eigen belang die in haar meest extreme, Ayn Rand-achtige vorm alle vormen van gemeenschapsdenken verdacht maakt.

Smith was in zijn leven veel meer een filosoof dan een ideoloog en hij zou gruwen van een aantal karikaturen die van zijn gedachtegoed zijn gemaakt. Wat hij wel heeft gedaan en wat tot op zekere hoogte nog steeds klopt, is dat hij de markt centraal stelt in zijn denken. Daarin was hij de eerste. Maar dat moet wel in de context van zijn tijd worden gezien. Allereerst omdat Smith was opgegroeid in een soort permanente oorlogseconomie, overlopend van de Schotse opstanden tot de Napoleontische oorlogen. De ontwikkeling van echte markten is dan een hoopgevend alternatief en iets dat toen minstens zo nieuw is als nu de opkomst van de startups. De andere kant was zijn wantrouwen tegen de rijke koopmannen, veelal monopolisten, die hij zag en die elkaar voortdurend de bal toespeelde. Hij zag als een van de eersten het risico van een gebrek aan mededinging en te grote ongelijkheid en toonde zich om die reden ook wantrouwend richting gilde-achtige groepen.

Een regelmatig zichtbare hand

Dus de markt die hij zag was nog lang niet de vanzelfsprekendheid zoals wij die nu kennen. Het was een kwetsbaar, organisch geheel dat meer waardering verdiende en zijn systematische beschrijving ervan, vooral in zijn boek ‘The Wealth of Nations,’ heeft er enorm aan bijgedragen dat die waardering er kwam en dat we beter zijn gaan begrijpen welke rol randvoorwaarden als belastingen, mededingingsbeleid en andere vormen van overheidsingrijpen daarbij nodig zijn. Tegelijk kwam die zoektocht naar de ‘rijkdom van naties’ wel als een verrijking en een verdere doordenking van een al eerder opgezet intellectueel project. Het boek ‘A Theory of Moral Sentiments’ laat al zien dat Smith de maatschappij bovenal in morele termen ziet en niet in economische (een term die so wie so nauwelijks in beeld was in zijn tijd). En het moralisme van Smith is bovenal gematigd. Zo geloofde hij veel minder in de kracht van ‘contracten’ dan in de kracht van ‘sympathie’; de onderlinge aantrekkingskracht van mensen, van sociale verbanden. In de kern komt daar ook de term ‘invisible hand’ (de onzichtbare hand) vandaan. Hij gebruikt die term slechts drie keer in zijn oeuvre en elke keer om te laten zien hoe vanzelfsprekend verbanden kunnen ontstaan, dus zonder dat er interventie van overheden of andere partijen nodig zijn*. In zijn eerste boek onderzoekt hij de rol van altruïsme, het bijna onwaarschijnlijke gegeven dat mensen iets voor anderen doen zonder van anderen een tegenprestatie te vragen, maar wat wel degelijk bestaat. Via de invisible hand ziet Smith dat je een samenleving niet op altruïsme hoeft te baseren om toch een optimale uitkomst voor de maatschappij te kunnen krijgen Maar dat betekende niet dat hij afscheid nam van beginselen als gemeenschapszin. Integendeel. Hij bleef exponent van de Schotse verlichting, van soberheid en innerlijke beschaving. Hoezeer het ook als een vrije markt kan worden beschouwd, van slavernijhandel moest hij bijvoorbeeld niets hebben. Zijn benadering was, net als die van zijn grote vriend David Hume, niet primair religieus, maar wel uitgesproken moreel geladen. In zijn geval een strakke moraal, zeker ook zonder (kort door de bocht) de vrijheid, blijheid van wat we nu kennen als het progressief liberalisme van de Amerikaanse democratische partij.

Zet je de mythes over het gedachtegoed van Adam Smith op een rij en vergelijk je dat met de historische werkelijkheid, dan krijg je verschillen als deze:

De verleiding is groot om al die verschillen verder te gaan toelichten, want de misvattingen onder de mythes zijn niet zonder consequenties voor de dag van vandaag. Zeker de economen onder ons doen er goed aan terug naar de bron van het denken van Adam Smith te gaan en Norman’s kritiek te lezen op met name de wijze waarop de economie is verwetenschappelijkt. Tegelijk gaat dat buiten het bestek van deze blog om alles uit te werken. En dringt deze vraag zich op: als we zoveel misvattingen hebben over het werk van de grondlegger van het vrije markt denken en daarmee van het liberalisme, wat liggen er nog meer voor misvattingen onder deze politieke stroming?

En Thorbecke dan?

In Nederland krijgt die vraag een extra lading omdat er nu een voortreffelijke biografie ligt over Rudolf Thorbecke, net zozeer de onbetwiste grondlegger van het liberalisme in Nederland als Adam Smith dat is in bredere zin. Het interessant is dan dat ook hij zich niet primair doet kennen als een vrijheids- of vrije markt denker. Het vermoeden is er dat Thorbecke’s liberalisme vooral gezien moet worden als zijn reactie op het conservatisme en dogmatisch christelijke van zijn tegenstanders. De oudere Thorbecke laat zich vooral kennen als een pragmatisch en op macht gerichte politicus en krijgt ideologisch profiel in vooral zijn strijd met zijn vroegere vriend Groen van Prinsterer. De jongere Thorbecke laat bij vlagen uitgesproken christendemocratische trekken zien, inclusief een opvallend organische opvatting over de bouw van staat en samenleving. Het is die organische opvatting die de werkelijke basis lijkt te zijn voor Thorbecke als de inrichter van de Nederlandse staat, met zijn liberalisme als een pragmatisch methode om zoveel mogelijk ruimte te krijgen voor de benodigde verandering.

Natuurlijk zijn er grote verschillen tussen beiden, ook omdat de tijd anders was en omdat Thorbecke als persoon net zo assertief en arrogant was als Smith rustig en bescheiden. Waar het hier om gaat is de constatering dat de wortels van het liberalisme niet in het extremisme liggen van absolute vrije marktdenkers of progressieve liberalen, maar in klassieke waarden als gemeenschapsdenken en een oog hebben voor de kleine man. Er valt wat te herontdekken. Wat mij betreft zowel binnen als buiten het liberalisme.

Peter Noordhoek

* Wat mij doet vermoeden dat als Adam Smith nu zijn werk zou schrijven, hij die niet zozeer aan het werk zou zien in de ‘vrije’ markt, maar in de moderne civil society en het verenigingsleven.

LITERATUUR

Jesse Norman (2018). Adam Smith. What He Thought, and Why it Matters. Allen Lane.

Remieg Aerts (2018). Thorbecke wil het. Biografie van een staatsman. Prometheus.

Trump en de erfenis van Jackson

Amerikaans buitenlands beleid, Andrew Jackson en Trump’s totale oorlog

Vanuit Europa volgen we met verbazing de gedragingen van Donald Trump. Je zou willen schrijven ‘stijgende verbazing’, maar onze wenkbrauwen stijgen al zo lang dat ze de achterkant van onze hoofden beginnen te naderen. Dat is niet alleen slecht voor onze haarlijn; het gevaar wordt dan zo groot dat we stoppen met verbaasd zijn en we het absurde als normaal gaan ervaren. Waar we denk nog wel echt verbaasd over zijn, is de acceptatie van Trump door een groot deel van de Amerikanen. Hoe bestaat het dat ze het gedrag van Trump accepteren? Dat de kans aanwezig is dat ze bij een volgende presidentsverkiezing opnieuw op hem stemmen? Daar gaat deze blog over, waarbij het startpunt ligt bij het buitenlands beleid van nu en bij de angst voor indianen bij het waterhalen toen de staten van de Verenigde Staten nog jong waren.

Kiezen tussen aardig of effectief

In juli kwam Trump naar Europa. Op elk denkbaar punt confronteerde hij. Geen norm was veilig voor hem, zelfs niet de basis voor NATO zelf zoals vastgelegd in artikel 5. Geen protocol was veilig voor hem (het beeld van Trump die voor de Britse koningin uitmarcheerde is net zo iconisch als de Trump die achter Hillary Clinton aan het ijsberen was). En geen relatie was veilig voor hem – zelfs Poetin leek zich ongemakkelijk te voelen bij Trumps’ huwelijksaanzoek in Helsinki. Dat het Europese establishment geen raad met hem weet is te verklaren, maar eigenlijk geldt hetzelfde voor het Amerikaanse establishment, ook het republikeinse. En toch is de manier waarop Trump opereert niet zonder steun bij datzelfde establishment. Het verschil wordt door Republikeinen soms zo benoemd:“Obama was a good man, but we hated his Foreign Policy’en van Trump zeggen ze: ‘He is a bad man, but we think his foreign policy is more effective’. Iran en het ‘wanbetalen’ door de Europeanen worden dan als voorbeelden genoemd. Voor wie moet kiezen tussen een aardige en een effectieve man zou dan de keuze snel zijn gemaakt. En toch is zo’n redenering te makkelijk. Er moet meer aan de hand zijn.

Hamilton

Een van de meer interessante commentatoren van het buitenlandsbeleid is Walter Russel Mead. Bij een lezing in het Hudson Institute (en te lezen in een artikel van zijn hand in Foreign Affairs), gaf hij een verklaring voor de acceptatie van Trump aan de hand van het buitenlands beleid van vier eerdere presidenten.

Het Amerikaanse buitenlandse beleid is altijd gekenmerkt geweest door een soort dubbele tweedeling: de ‘idealisten’ versus de ‘realisten’ en de ‘interventionisten’ versus de ‘afkeerders’.

Zowel Bush Jr. als Sr., en ook John McCain, kunnen worden gezien als aanhangers van de lijn van president Hamilton. Hamiltoniaans zijn bovenal realisten en geloven in een militair dominant VS om zo ook financieel en economisch dominant te kunnen zijn. Ze zijn dus voor een actieve, ‘interventionistische’ rol van de VS in de wereld. Deze ‘neoconservatieve’ stroming gebruikt daarbij het systeem van liberale vrijhandel als middel om die dominantie te kunnen verzekeren. Trump heeft zeldzaam snel korte metten gemaakt met deze stroming, maar het zou niet verbazen als deze stroming terugveert zodra Trump van het toneel verdwijnt.

Wilson

Tegenover de ‘realistische’ Hamiltoniaanse stroming staat die vooral die genoemd is naar president Wilson. Ook Wilson geloofde in interventies en een actieve buitenlandse politiek, maar sterk ingegeven vanuit idealistische motieven, primair het zorgen voor vrede en het verspreiden van democratie (‘bestrijdt de oorzaken van oorlog’). Een veilige wereld is een democratische wereld, een goed bestuurde wereld. President Obama wordt nu vooral als een exponent van deze stroming neergezet. En hoewel dat voor een deel zeker waar is, overheersen volgens mij de realistische elementen (zie ook de titel van het boek van zijn speechschrijver buitenland, Ben Rhodes: ‘The World as It Is’). Eigenlijk waren presidenten als Kennedy en Johnson meer Wilsoniaans, afgedwongen door zowel de strijd met het communisme en het idealisme van de jonge generatie in de zestiger jaren. Het lijkt moeilijk voorstelbaar dat er na Trump weer een Wilsoniaanse president komt. Dan moet er toch eerst een geloofwaardigheidsproblemen worden opgelost. Het is een van de redenen dat ik niet geloof in een sterk links-liberale kandidaat van democratische huize.

Jefferson

Een derde stroming sluit aan bij de houding van de schrijven van de Onafhankelijkheidsverklaring en tevens 4epresident van de VS, Jefferson. Deze stroming staat voor een minimale rol van de VS. Hoe kleiner het profiel van de VS, hoe minder kans op schade, is zo’n beetje de redenering. Het belang van de VS wordt smal en nationalistisch gedefinieerd en vooral in directe kosten en baten. De meest extreme vorm van dit ‘realisme’ is te vinden onder de ‘libertarians’ die zo wantrouwend tegenover alle vormen van overheidsbemoeienis staan, dat ze ook niet geloven in een succesvol Amerikaans beleid, anders dan het op afstand blijven van elk gewapend conflict. Na Wilson was deze stroming een tijdlang volstrekt dominant (met nota bene Lindbergh, die als eerste de vlucht tussen New York en Parijs had gemaakt, als kampioen. Pas na de aanval op Pearl Harbor door de Japanners slaagde president Roosevelt er in deze te doorbreken, waarna de Jeffersonians na WOII eigenlijk nooit meer aan de bak kwamen.

Na Obama dachten republikeinen als Rand Paul en Ted Cruz goede kansen als presidentskandidaat te hebben met een Jeffersoniaanse lijn, maar dat is niet door gegaan. Met Trump kwam een kandidaat op het podium die bovenal uniek mag heten, maar die ook wel degelijk voor een presidentiële stroming staat. Uitgesproken nationalistisch en populistisch, is het best wel even zoeken naar het goede voorbeeld. President Theodoor Roosevelt komt dan in de gedachten op, maar die was toch eerder een Hamiltonian in zijn slimheid. Voor het beter, maar nog altijd niet helemaal passend voorbeeld, komen we uit bij de 7president van de Verenigde Staten, Andrew Jackson. Zijn verhaal is in ieder geval nog meer spectaculair en kleurrijk dan dat van Trump.

De houwdegen: Andrew Jackson

Jacksonianisme is een stroming voor wie de wereld van de ‘Founding Fathers’ van de Verenigde Staten letterlijk en figuurlijk ver, ver weg lag. Voor hen geen verheven gedachten over de verlichting of universele missie van democratisering. Voor hen wel de dagelijkse strijd om het bestaan in een nieuw land waarin de westelijke grenzen stap voor stap op de indianen veroverd moesten worden. Neem dat laatste letterlijk. Jackson is in 1766 in een blokhut geboren aan de grens van Indiaans gebied. Pal daarna overleed zijn vader aan het bewerken van het land. Het weer was tijdens de begrafenis zo guur, dat niemand het merkte dat de kist ergens op weg naar het graf van de wagen was gegleden. Zijn moeder nam de zorg over hem en zijn broer ferm ter hand, maar het leven was ruig, mede door de dreiging van de indianen. Elk moment kon er een aanval zijn. Het gevolg was dat je dag en nacht je wapen bij je had en je nog geen water bij de put ging halen zonder dat wapen in de buurt te hebben. Daarover lezend, begrijp je iets van de obsessie die Amerikanen nog steeds met wapens hebben. Toch zou voor de jonge Andrew de echte dreiging van de Britten komen. Als 13-jarige werd hij soldaat en liet toen al de moed zien die hem later beroemd zou maken. Het litteken van een Britse houwdegen zou zijn hele leven er het bewijs van blijven. Het verhaal van een self-made man zou volgen, inclusief veel ritselen en regelen, vallen en weer opstaan. Daarin zou zijn leven opvallende parallellen vertonen met het vroege leven van Lincoln, een generatie later. Maar waar Lincoln morsig, melancholisch maar wijs door zijn leven ging, was het leven van Jackson als dat wat hem zijn litteken bezorgde; een houwdegen. Hij vocht tegen de Britten, de indianen, de Mexicanen en tegen iedereen die hem te na kwam. Bijna altijd won hij, maar tegen het einde van zijn leven zat zijn lichaam vol met littekens en kogels (kogels die in die tijd doorgaans niet dodelijk waren. Echt moedige mensen vingen de eerste kogel in hun lichaam op, om daarna rustig te kunnen richten). Hij overleefde alles, ook zijn eigen veldslagen. Hij leidde een militie die groter en groter zou worden. Uiteindelijk zou hij met de slag om New Orleans, waarin hij een overmacht aan Britten de pan in zou hakken, definitief zijn status als held vestigen. Puur op die reputatie zou hij daarna president worden.

De Jacksoniaanse revolutie

Dat was tegelijk ook een enorme omslag, groter dan die van Trump nu. Tot op dat moment waren het notabelen, vooral herenboeren uit Virginia, die president werden. Politieke partijen waren als fenomeen zeer verdacht; dat zou maar de ‘rule of the mob’ brengen. Jackson doorbrak dat en werd de eerste die president werd op basis van zijn, net als hij, laagopgeleide achterban. Waarmee hij tegelijk de beslissende zet gaf richting de oprichting van een echte politieke partij.

Jackson was geen slechte president, juist ook doordat zijn instinct hem zei politiek voor de kleine man te kiezen. Regelmatig was het puur populistisch wat hij deed en hij schrok nooit terug voor een gewapend conflict. Onder zijn leiding verdween de slavernij allerminst en werden de indianen steeds verder naar het westen opgejaagd. En zo werd zichtbaar wat we nu de ‘Jacksoniaanse revolutie’ noemen, met kenmerken als deze:

  • bemoei jij je niet met mij, dan bemoei ik mij niet met jou. Het buitenland is ver, ver weg.
  • maar als jij je met mij bemoeit op een manier die mij niet bevalt, dan zal je het merken. Er is geen andere oorlog dan totale oorlog
  • en dan gaat het om niets anders dan die oorlog te winnen en te overleven. Al het andere – ook de ethiek – is daaraan ondergeschikt. Anders zullen de indianen je scalpen. Elites beschermen je niet.
  • en heb jij iets dat bij mij hoort, dat eigen is – zoals bijvoorbeeld het Amerikaanse grondgebied zoals ik dat zie – dan heb je dat in te leveren, want ik ben superieur aan jou
  • tegelijk kan ik niet tegen onrechtvaardigheid. Als je vechten wilt, dan kan dat
  • en daarna ben je dood of gaan we elk onze eigen weg. Dat is vrijheid.

In alles is sprake van wederkerigheid (‘reciprocity’): als het geen totale oorlog waard is, dan is het helemaal geen oorlog waard. Daarbij moet beseft worden dat hierin de hele erfenis schuilt van een geïsoleerd land en een bevolking die de buitenwereld niet begrijpt of gelijkwaardig acht. Wie de Verenigde Staten bezoekt, weet dat aan overal de Amerikaanse vlag hangt. Het veiligste land ter wereld gedraagt zich alsof er elke dag een invasie kan komen.

Terug naar Trump

Terug naar Trump, om de vergelijking te kunnen maken. Trump heeft een trouwe achterban, volgens een peiling van augustus 2018, van 18%. Dit laat zich opvallend goed vergelijkbaar met de harde kern van populisten in menig Europees land, waaronder Nederland. Dit is het deel dat het Jacksoniaanse concept van nationalisme en totale oorlog snapt en omarmt. Daarnaast heeft hij echter een bredere aanhang. Zo’n 40% zegt zijn beleid te steunen. Die bredere achterban lijkt voor een groot deel samen te vallen met het deel van de bevolking dat zich in de steek gelaten voelt en genoeg aan de eigen zorgen heeft om de politiek, dat vieze elitaire spel, over te laten aan iemand die net als zij een buitenstaander is.

Uiteindelijk hangt het van opkomst, tegenstander, omstandigheden en valse trucs af of die 40% zich inderdaad laat vertalen in een tweede presidentschap, maar de kans is zeker aanwezig als de lijn van Trump echt Jacksoniaans is. Op een essentieel punt is Trump echter geen Jackson en dat heeft met de vorm van het nationalisme te maken. Ook voor Jackson gold een soort ‘eigen volk eerst’. Hij begreep de problematiek van indianen beter dan algemeen wordt aangenomen, maar hij zag de verdrijving van indianen als iets dat onvermijdelijk was. Hij hield slaven, maar zag slavernij als iets dat eindig was. Trump lijkt daar anders mee om te gaan. Hij bouwt zijn muur met Mexico en gebruikt het migrantenthema om heel bewust vreemdelingenhaat aan te wakkeren. Dat deed Jackson niet. Jackson (later weer gevolgd door Lincoln) deed iets heel anders: hij benadrukte bovenal de eenheid van de niet-echt-verenigde staten. Hij was bovenal een ‘unionist’. Hij vocht voor eenheid tegen de Britten, hij vocht tegen degenen die dreigden hun staat te zullen afscheiden, hij vocht voor een centrale bank een tegen degenen die deze centrale bank. Zou Jackson vandaag leven, dan zou hij naar alle waarschijnlijk enorm voor de Europese eenheid strijden – en Trump de stad uitjagen, want dat is nog een verschil tussen Jackson en Trump; de eerste echt moedig, de tweede niet.

Twee weken in de VS

In juli en augustus van dit jaar was de auteur van dit artikel in de VS. De eerste week mocht ik op bezoek gaan bij het Congres en lezingen horen over de Trans-Atlantische relatie. Bij dit laatste hoorde ik ook Walter Russell Mead zijn vergelijking met de vier presidenten maken. Dat was dezelfde week dat Trump naar Europa trok. Voor iedereen die met Hamiltoniaanse ogen naar dat bezoek keek, waaronder velen in het gehoor, een vreselijke week. De Wilsonianen riepen ‘Wee ons’ in de media en de Jeffersonianen waren blij met het doel van Trumps’ missie, maar niet met de manier waarop. Alleen de Jacksonianen konden tevreden zijn en bewonderend kijken naar de manier waarop hun voorman amok maakte. Hij kwam, sloeg om zich heen, en ‘won’.

In de afgelopen week was ik opnieuw in de VS, nu voor een groot congres met allemaal verenigingsmanagers, georganiseerd door de enorme Amerikaanse vereniging van verenigingen, ASAE. Als lid van een stevige Nederlandse delegatie vertegenwoordigde ik ons in een overleg over de erkenning van het vak van verenigingsmanager. Wat opviel was dat de Amerikanen zich faciliterend opstelden en vooral niet in de weg wilden lopen. De vertegenwoordigers uit Azië, Midden-Oosten, Australië en Zuid-Amerika trokken het, met de Nederlanders als enige vertegenwoordigers uit het versnipperde Europese continent. Het zou goed kunnen dat dit de echte start wordt van een wereldwijd netwerk – met de VS alsnog steeds onmisbare, maar niet langer leidende kracht. Hoe diep de onzekerheid van de Amerikanen over hun eigen rol zit, zou later die week blijken. Op donderdag kwam er de dubbelslag voor Trump van een schuld verklaring van Cohen en een veroordeling van Manofort. Die dubbelslag is volgens mij veel harder aangekomen dan het optreden van Trump in Europa. Je voelde de gêne. Een voorzichtige conclusie: de komende jaren zullen agressie en terughoudendheid de toon van de grootmacht bepalen.

Wat na Trump?

Aan het einde van het verhaal van Russel Mead had ik een vraag voor hem. De opvolger van Andrew Jackson was Martin van Buuren. Dat was geen bijzonder succesvol presidentschap van de Amerikaan van Nederlandse afkomst, maar dat zich wel kenmerkte door de formele oprichting van de Democratische partij. Wat zou er in dat licht gezegd kunnen worden over de opvolging van Trump? Russel Mead vond een links-radicale reactie niet onlogisch, maar dat deze zou worden gematigd door het Amerikaanse twee partijen stelsel. In mijn ogen zou dat kunnen, maar eerder zou ik een implosie van de republikeinse partij verwachten (net zoals bij de Tories in het VK, kan erbij worden gedacht). Het is ook interessant om na te denken over de erfenis van Trump in Europa. Mijn verwachting is dat het mede leidt tot een versterkte partijvorming op Europees niveau. De leiders van de Visigradlanden gedragen zich uitgesproken Jacksoniaans, de socialisten proberen het met Wilsoniaans missiegedrag, in het midden strijden Hamiltoniaanse, liberale krachten met Jeffersoniaanse middenkrachten. Paradoxaal genoeg denk ik dat Trump en zijn Jacksoniaanse collega’s in Europa het einde van het nationalisme zullen versnellen. De spanning tussen de individuele landen en de Europese Unie gaat, zo is mijn overtuiging, verplaatst worden van een spanning tussen Europa en de wereld, met veel meer partijvorming dan nu het geval is daarbinnen in. Trump is het gat aan het trekken.

 

Peter Noordhoek

 

Literatuur

H.W. Brands (2005). Andrew Jackson. His Life and Times. Random House.

Richard Brookhiser (2014). Founders’ Son. A. Life of Abraham Lincoln. Basic Books.

Walter Russel Mead (2002). Special Providence: American Foreign Policy and How It Changed the World. Routledge.

Walter Russel Mead (March-April 2017). The Jacksonian Revolt. Foreign Affairs.

Ben Rhodes (2018). The World as It Is. A Memoir of the Obama White House. Random House.

Sean Wilentz (2005). The Rise of American Democracy. Jefferson to Lincoln. Random House.

 

 

 

 

 

Commissie Sorgdrager komt tekort, net als alle partijen in de fipronilaffaire

Het rapport van de commissie Sorgdrager over de fipronilaffaire lijkt voorlopig het laatste woord te worden over deze affaire over een mogelijke besmetting van leren. Terwijl we in feite aan het wachten zijn op de volgende affaire, kan het wellicht geen kwaad nog eens goed te kijken naar de analyse van de commissie. Daar is ruim voldoende reden toe.

Het NRC haalt deze kernzin uit het rapport van de commissie die de fipronilaffaire heeft onderzocht, de zogenaamde commissie Sorgdrager:

“Of aan het feit dat de bedrijven hun verplichtingen niet nakwamen onkunde, onoplettendheid of onwil ten grondslag ligt, kan de commissie niet beoordelen.”

Tsja. Het feit dat de commissie schrijft dat ze dit niet kan beoordelen, weerhoudt haar voorzitter er niet van heel stellig te oordelen over de sector. In combinatie met alle observaties over het falen van de toezichthouders, naast de NVWA bovenal de private toezichthouders, komt ze tot één enkele conclusie: er is te weinig aandacht geweest voor voedselveiligheid. Het is de hoogste tijd voedselveiligheid absolute prioriteit krijgen, zonder afweging tegen andere belangen. Daarin ligt de aanleiding voor deze blog. Voor mij wordt zo een te zwaar accent gelegd op een te lichte basis. Daarbij zitten er naar mijn indruk weeffouten in de wijze waarop naar de verhouding tussen publiek en privaat ‘toezicht’ wordt gekeken.

Het rapport over de fipronilaffaire is in haar soort zeker geen slecht rapport. Gelukkig is er, zoals we vaker zien bij dit soort rapportages, een uitstekende reconstructie geschreven van het gebeuren. Het leest als een trein. Alle complimenten. Maar, zoals we ook wel vaker zien bij deze rapportages, is er ook een neiging om uit de bocht te vliegen bij de conclusies en aanbeveling of de kern in mijn ogen net niet te raken. Dat geldt ook hier, dus graag zet ik er mijn conclusies naast, hopend dat mijn kritiek de doorwerking van het rapport helpt in plaats van hindert.

Ik doe dat zonder contacten of banden met de sector, al zal de lezer merken dat ik niet helemaal een vreemdeling in Jerusalem bent als het om ontwikkelingen op certificeringsgebied gaat. Verder heb ik geruime tijd geleden opleidingen en andere trajecten gedaan, ook bij VWA tijdens de vogelgriepcrisis e.d. Tot de eierketen heb ik mij op zich nooit aangetrokken gevoeld, al was het maar omdat ik geen eieren lus – ooit een bron van wanhoop voor mijn moeder.

Bij het schrijven van deze blog heb ik mij deze vragen gesteld:

  1. Wat is de kern van de fipronelaffaire?
  2. Waarom werkte de ‘private borging’ niet?
  3. Waarom werkte de ‘publieke borging’ niet?
  4. Gaat die focus op voedselveiligheid wel helpen?

In het stellen van deze vragen negeer ik bewust de formele afbakening die de commissie zelf voor haar werkzaamheden heeft gemaakt (p.9). Door die afbakening zou de commissie alleen op systeemniveau kijken en ziet zij bijvoorbeeld af van een inhoudelijke discussie over de hoogte van de norm voor fipronilbesmetting. Ik meen dat de commissie deze afbakening niet had mogen aanvaarden, want binnen deze afbakening kunnen geen volwaardige lessen worden getrokken. Omdat er naar mijn weten geen andere commissie aan het werk wordt gezet om wel een volledige analyse te maken, doe ik hier wat volgens mij de commissie zelf ondertussen wel degelijk ook doet en wat ook gewoon verwacht mag worden van de zijde van politiek en publiek: de volle analyse maken en daar een mening over geven.

1.         Wat is de kern van de fipronelaffaire?

Er is voor zover wij weten geen consument direct doodgegaan aan fibronel residuen in eieren, waarschijnlijk ook niemand ziek. Als affaire is het in die zin moeilijk te overtreffen in onschuld. En toch heeft de commissie gelijk als het liever spreekt in termen van ‘crisis’ dan in termen van ‘incident’. De impact is enorm geweest – en is dat voor een aantal pluimveeboeren nog steeds. Dus dat er lessen moeten worden geleerd en maatregelen worden genomen: natuurlijk. En laten we blij zijn dat we de eerste lessen nu hebben kunnen leren via een relatief onschuldige aanleiding als deze. Maar toch, het wringt, die verhouding tussen crisis en effect. Tijdens het lezen heb ik proberen te turven hoe vaak er vragen zijn geteld als ‘hoe schadelijk is het nu eigenlijk?’, ‘kan het echt blijven hangen in kip en ei’, ‘hoe hoog is die norm nu eigenlijk?’. Op een gegeven moment ben ik opgehouden, zo vaak worden vragen als deze gesteld en blijven harde antwoorden uit. De commissie zelf maakt op een gegeven moment wel een mooi schema (p. 71) van alle manieren waarop de normen kunnen worden toegepast, maar maakt geen vertaling naar fysieke effecten op mensen. Wat gebeurt er als er bijvoorbeeld meer dan 0,72 milligram per kilogram ei in zit? Ze lijkt daarvoor vast te houden aan de inschatting van het BuRO, een onderzoekslaboratorium met een semi-grappige naam en die stelt in feite geen merkbare gevolgen vast (p. 83). Af en toe komen flarden langs in termen van ‘schade aan organen’, maar het wordt nauwelijks grijpbaar. Wat we vooral weten is dat er een overtreding wordt begaan van een hoeveelheid werkzame stof die is afgeleid van een MRL, het ‘wettelijk toegestane restgehalte van een stof op levensmiddelen’. De residuwaarde van een MRL wordt ‘ten minste vastgesteld op het laagste niveau zoals dat nodig is om de meest kwetsbare consument te beschermen’. De basis is een schatting van de hoeveelheid van een stof die iemand levenslang dagelijks kan innemen zonder waarneembaar negatief effect op de gezondheid. Ook voor Fipornil is zo’n waarde vastgesteld. In oktober 2014 is op Europees niveau besloten Fipronil per 1 januari 2017 feitelijk uit de voedselketen te halen. De reden waarom dat is gebeurd, blijft in het rapport onbenoemd. Wat we wel weten is dat een paar maanden later via vele omwegen de paniek toeslaat en de voedselveiligheid wezenlijk bedreigd zou zijn. Is dat het?

Het lijkt mij heel wat nuchterder – en in lijn met de opdracht van de commissie – om vast te stellen dat vooral het systeemvan voedselveiligheid bedreigd is geraakt. Partijen hebben er mee gefraudeerd of hebben het genegeerd. Ze hebben het verkeerd geïnterpreteerd of niet gehandhaafd. Dat is ernstig en het rapport laat zien dat als het met fipronil fout kan gaan, het waarschijnlijk ook met andere stoffen fout kan gaan. Toch is dat van andere orde dat een probleem met de voedselveiligheid als zodanig. Want als je handhaven van het systeem als doel centraal stelt, dan stel je jezelf niet meer de vraag of dat systeem wel deugt en überhaupt handhaafbaar is. Allerlei gedragsaspecten komen dan niet meer aan bod. En dat is precies wat je terugziet in het rapport Sorgdrager. Het antwoord van de commissie op de fipronilaffaire is het benadrukken en het completer maken van het systeem. De vraag naar het ‘waarom?’ wordt niet overtuigend beantwoord. Is dat belangrijk? Ja. Op 1 augustus 2017 kwam de plaatsvervangend IG geruststellend bedoelde woorden zeggen op Nieuwsuur. Hij bereikte volstrekt het tegendeel. Dat was niet verwacht. Niet door hem, maar ook niet door alle anderen die op dat moment in en rond het systeem van voedselveiligheid werkten. Dat is de valkuil van systeemdenken als er geen natuurlijke vertaling gemaakt kan worden van een ‘overschrijding van de meetwaarde’ naar ‘mijn ei is vergiftigd!’. Je moet letterlijk en figuurlijkje woorden weten te doseren, verhalen weten te maken, om paniek te voorkomen. Ook de commissie Sorgdrager doseert niet goed en loopt nu het risico in een ‘Cry Wolf’ scenario terecht te komen.

2.         Waarom werkte de ‘private borging’ niet?

De commissie beschrijft op gedegen wijze hoe het systeem van private borging in de voedselketen, en dan vooral de eierketen, er uit ziet. Menig professional kan daar wat van leren. Systematisch wordt de vinger gelegd bij kwetsbaarheden en afhankelijkheden in een hoog opgetuigd systeem. De beschrijving maakt duidelijk waarom moedwillige fraude in het systeem van private borging heel lang onontdekt kan blijven. De middelen ontbreken om frequent genoeg te controleren, de werkwijze is niet consequent genoeg, de afstand tot de sector is niet groot genoeg. De aanbevelingen die worden gedaan om dat te verhelpen zijn logisch. Ik zou nog een stap verder willen gaan. Als repressie je doel is, dan zal een sector gebonden borgingssysteem in effectiviteit in effectiviteit zeer waarschijnlijk achterlopen bij een puur publiek toezichtsysteem. Het ‘overlaten aan de sector’ van toezichtfuncties kent een hoge prijs. Het is uiteindelijk minder effectief en maakt de sector in feite minder eigenaar van de eigen kwaliteit, want de betrokken personen en bedrijven hebben het meestal wel door als de sectororganisatie iets doet wat eigenlijk een overheidstaak is. Dan is het ook niet ‘eigen’ meer. Niet doen dus. Laat repressief en ‘deductief’ (vanuit de regel naar de situatie) over aan publieke partijen. In het geval van de NVWA zou dat een grote organisatie nog groter maken.  Bij voldoende fondsen en vermogen tot integraal afwegen, zouden private partijen alsnog aan bod kunnen komen, maar omdat de commissie nog geen knikje in de richting van de oude productschappen wil geven, loopt die weg voorlopig dood.

Maar in welke mate moet repressie je doel zijn? Was preventie als doel van de private borging niet beter geweest? Je zou kunnen zeggen dat als de mensen in de sector zelf hun eigen vorm van certificering serieus hadden genomen, het malafide bedrijf ‘Chickfriend’ lang niet zo’n schade had kunnen doen. Dat is niet gebeurd en is de basis voor het feitelijk neerleggen van de verantwoordelijkheid voor de fipronilaffaire bij de pluimveehouders zelf. Bij hen komen de gevolgen werkelijk neer, al wordt dat niet zo benoemd door de commissie. Op dit punt treft de commissie echt een verwijt. De pluimveehouders zijn in dit rapport objecten van toezicht en niets meer. Het zijn zeker geen mensen. Oh nee, dat is niet helemaal waar. Ergens is een verslag van een ‘chaotisch verlopen vergadering’ en uit de omschrijving valt op te maken dat een persoon zijn stem had verheft die zelf getroffen was door de affaire. Het lijkt duidelijk uit de beschrijving dat dit natuurlijk niet kan. Zo’n persoon mag niet aanwezig zijn. Dat is tegen het systeem.

En wat als het denken vanuit het systeem tijdig ter zijde was gesteld en er bijvoorbeeld op de voortreffelijk wijze van het NRC was gevolgd wat er feitelijk aan de hand was in de gesloten gemeenschap van familiebedrijven in de pluimveesector? Welnu, dan was wellicht echt gezien dat er een zeer serieus probleem was met de mijt in de vacht van de kippen en het onvoldoende werkzaam zijn van wel geaccepteerde stoffen. Het maakte de betrokken boeren zeer begrijpelijk wanhopig. Daarbij ging het niet alleen om economische motieven, maar ook om dierenleed. Dat probleem is niet serieus genomen – en wordt nog steeds niet serieus genomen, gelet op het feit dat de commissie er in haar analyses geen woord aan weet te weiden, laat staan begrip te tonen. Dat zou best wel eens met aansprakelijkheidskwesties te maken kunnen hebben, maar dan zitten wij nu wel met een onvolkomen rapport waarvan de aanbevelingen te eenzijdig zijn geformuleerd. Ook al werkt het systeem zo dadelijk weer; de directe oorzaak van het probleem is daarmee nog niet weggenomen.

En het gaat verder. Nergens in de reconstructie wordt aannemelijk gemaakt waarom individuele pluimveehouder niet de moeite heeft genomen de certificaten inhoudelijk te lezen voordat al dan niet een bestelling bij het malafide bedrijf Chickfriend werd gedaan. Want dat is de veronderstelling die de commissie en talloze aanhangers van de ‘empirische school’ in kwaliteitszorg met elkaar delen: dat wat wordt opgeschreven, ook wordt gelezen en dus tot conform gedrag leidt.

Hierin speelt een reconstructie van het NRC weer een waardevolle rol (niet geciteerd in het rapport, wel in een blog van deze auteur). Uit die reconstructie komt een gedragsbeschrijving naar boven die de wetsovertreding niet goedmaakt, maar wel begrijpelijk maakt. Het gaat om boeren met een urgent gevoeld probleem. Zij worden geholpen door een bedrijf waar het logo van het eigen kwaliteitslabel op de auto staat en waarvan de eigenaren behoren tot de lokale familiekring en dus hun eigen taal spreken. Dat is heel krachtig. Dan nog blijft het een onwaarschijnlijk verhaal waar de twee eigenaren mee komen. Toch zie je dat zelfs de boeren die er niet in trapten omdat ‘het te mooi was om waar te zijn’ niet tot die conclusie komen omdat ze nog eens in de certificering zijn gedoken, maar omdat ze hun intuïtie gebruiken.

Het kennisnemen van certificaten als borging tegen normoverschrijving is, zoals eigenlijk iedereen kan weten die nu deze tekst leest zonder eerst alle algemene voorwaarden van de browserleverancier volledig te hebben gelezen, bovenal een ‘nuttige fictie’. Als de druk te groot wordt, wordt deze ter zijde geschoven en is geloof in symbolen, relaties en verhalen veel krachtiger. Dat geldt zeker op het terrein van de voedselketen, waar alle partijen het over eens zijn dat het certificeringsveld vol, onoverzichtelijk en complex is. Kortom; ik denk dat we die ‘domme’ boeren net zozeer moeten snappen als dat we de ‘domme’ kijkers moeten snappen die na de uitzending van 1 augustus in paniek raakten voordat we ons systeem verder gaan vervolmaken.

Het is in ieder geval jammer dat in het rapport niet staat beschreven met wie allemaal is gesproken. Nu krijg je de indruk dat over de boeren is gesproken en niet met de boeren. Dan kan je wachten op het verwijt van Randstedelijke arrogantie.

Dit alles vraagt om een meer preventieve benadering van de vraag hoe een volgende fipronilaffaire kan worden voorkomen en welke rol private borging speelt. Nogmaals, de commissie zet vooral in op het volledig en integraal maken van de systemen en het is de vraag of dat voldoende is. Daarbij is het overigens opvallend dat het rapport van de commissie niet inspeelt op een belangrijke ontwikkeling in de sfeer van private borging van de voedselketen. De publicatie van het rapport valt zo goed als samen met de publicatie van de nieuwe ISO 22000 norm voor voedselveiligheid, als opvolger van de HACCP-norm (zie ook FSSC 22000). (). Het ligt voor de hand dat hieruit een ‘High Level Structure’ gevormd gaat worden voor de verschillende voedselketens die in belangrijke mate kan voldoen aan de aanbevelingen van de commissie – of voor een middel dat erger is dan de kwaal. Het is echt een gemiste kans dat de commissie niet meer begrip toont voor de mensen in het werkveld en meer had gezegd over manieren waarop de boeren zelf voor borging kunnen gaan zorgen. Gebeurt dat namelijk niet, dan ligt verdere robotisering van de eierketen voor de hand en dat is het soort ‘rationalisering’ waarvan we uiteindelijk allemaal armer worden en in ieder geval op gespannen voet staat met de wens om tot meer diervriendelijke bedrijfsvoering te komen. Dat risico wordt niet benoemd.

3.         Waarom werkte de ‘publieke borging’ niet?

Bij de analyse van de publieke borging is de commissie duidelijk op steviger grond. De analyse is scherp, de aanbevelingen zijn strak. Niet om daar afbreuk aan te doen, maar om nog wat waarschuwingen mee te geven die de commissie niet geeft, het volgende.

Voorzienbaar is bijvoorbeeld dat de aanbevelingen tot weer een nieuwe reorganisatie gaan leiden en dat is nu juist onderdeel van het probleem. Het stapelen van reorganisatie op reorganisatie heeft ook altijd een achterliggende oorzaak: botsende beleidsprioriteiten. De aanbeveling om bijvoorbeeld voedselveiligheid nog maar bij één departement te beleggen is dan een recept voor meer falen als er geen kader is om die botsende belangen in te wegen. En het gaat verder.

Het rapport beschrijft hoe de NVWA de fipronilaffaire heel consequent bleef beschrijven als een ‘incident’ en niet als een ‘crisis’. De status van een crisis heeft een praktisch gevolgd: dan moet er opgeschaald worden naar departementaal niveau. Terecht zegt de commissie dat te laat is opgeschaald, maar ik vraag mij af of de discussie wel volledig is weergegeven. Op nogal wat departementen is te merken dat de inhoudelijke deskundigheid zover is weggeorganiseerd dat het departement eigenlijk niet meer kan worden gezien als een volwaardige, laat staan superieure, gesprekspartner voor een inspectie. Ik weet werkelijk niet in hoeverre dit ook in deze casus speelt, maar eigenlijk moet je in dit soort situaties niet alleen over een overzicht beschikken van de bevoegdheden, maar ook over de feitelijk voorhanden kennis.

Sorry, nog twee punten voordat ik bij de slotvraag kom.

Voorgesteld wordt om de NCAE, een semi-private organisatie met waarschijnlijk bijbehorende cultuur, toe te voegen aan de NVWA, een organisatie die worstelt met het verwerken van vele culturen. Gelet op de al bestaande verweving van taken niet zeker niet onlogische, maar het is alsof je iemand die moet vermageren aanbeveelt om te vermageren door nog een koekje te nemen. Het is overigens wel heel leerzaam om op bijvoorbeeld bladzijde 37 de complexiteit van het veld op je in te laten werken – en dan te beseffen dat het nog complexer wordt dan al wordt beschreven.

Met veel instemming heb ik de waarschuwing van de commissie gelezen over de problemen met privacy en persoonsgegevens. Het spitst zich toe op het gebruik van gegevens in de strafrechtketen, wat voor zeer schadelijke vertragingseffecten zorgt, maar terecht waarschuwt de commissie voor de bredere gevolgen door de invoering van de AVG, de Algemene verordening gegevensbescherming. Dit moet snel en direct worden aangepakt op het niveau waar dit hoort: op Europees niveau, met de Autoriteit Persoonsgegevens als uitvoerder.

4.         Gaat die focus op voedselveiligheid wel helpen?

Wat brengt tot het laatste punt: de absolute prioriteit die volgens de commissie aan veiligheid moet worden gegeven. Het rapport toont heel helder aan dat die prioriteit er in de onderzochte periode niet is geweest en dan verbaast de conclusie niet. Het heeft zelfs iets dat clichématigs. Maar toch moet hier opgepast worden dat een dergelijke absolute prioriteit op termijn als middel niet erger wordt dan de kwaal. Er zijn andere sectoren waar veiligheid de absolute prioriteit heeft en dat nog waargemaakt wordt ook. Geacht kan worden aan sectoren als de luchtvaart en de nucleaire industrie. Daar zie je een technocratische elite met een kennismonopolie ontstaan. Met een beroep op veiligheid worden dan alle andere afwegingen, inclusief economische en milieutechnische overwegingen, tegengehouden en is het effect verstarring. Nu kan je zeggen dat de voedselsector nog ver van dit risico af is, maar als ik kijk naar de ontwikkeling op het gebied van voedselnormen als de FSC, dan kan het wel eens heel snel gaan, inclusief een kennismonopolie van degenen die het certificeringsschema weten te hanteren of de positie hebben om input te leveren voor de handhavingsnormen van de overheid. Mijn mening is juist dat van nu af aan er echt aan integrale risicoweging wordt gedaan, met daarbinnen dan weer veel aandacht voor de gedragskant van alles wat ver van de werkpraktijk wordt afgesproken. En er moet eindelijk serieus werk worden gemaakt van het probleem van de mijt.

Peter Noordhoek

Peter Noordhoek doet onderzoek over de impact van kwaliteits- en toezichtbenaderingen op het niveau van sectoren en hun verenigingen.

Mr. W. Sorgdrager – Commissie onderzoek fipronil in eieren. Rapportage juni 2018.

SGS News – ISO updates its food safety management system standard ISO 22000. June 2018.

P. Noordhoek – Certificeringsnaiviteit. Blog 13 augustus 2017 https://www.northedge.nl/2017/08/13/certificeringsnaiviteit/Mr. W. Sorgdrager – Commissie onderzoek fipronil in eieren. Rapportage juni 2018.

Internal party democracy and the power of resolutions

Foto: Dirk Hol

Last Monday my phone flooded with messages concerning a certain congress ‘resolution’ about the Hungarian party Fidesz. As leader of the delegation of the CDA South-Holland I was in charge of the team that produced that resolution. On Saturday the resolution was passed at the congress by the members of the CDA. That Monday an angry letter had been sent by the vice-president of Fidesz to our party leader, calling the resolution ‘a lie’ (9 times) and suspending contacts with the CDA until apologies were made. Our party chairman wrote in response a letter back, explaining that the resolution was the outcome of members speaking their mind and that they were bound to respect internal party democracy. She was right, as I hope to show here, but chances are that she will not be believed. From my trainings across Europe I know that an internal party democracy like ours is not everywhere to be found or understood. Even the weekend before the congress I was explaining to a group of young talents what I was so busy with, and they listened with wonderment. I thought I should write a blog about it, not imagining I would write it so soon. The Fidesz resolution is a-typical, in the sense that it has a message beyond the Dutch setting. For that reason, a resolution literally closer to home is also discussed. 

What is a resolution and why is it effective?

A resolution is a short statement by members of our party advising the party leadership, most of our representatives in the parliaments, on which course to take. It is not binding, in contrast to the only other instrument the members have, the amendments. Amendments are changes to the electoral platform of the part. These are binding. In practice both are binding – I cannot remember a single resolution that was willingly and explicitly put aside by the CDA party leadership, but it also must be said that it is usual that we keep on arguing till we somehow agree. And there are good reasons for that.

Take the resolutions that we put in as South-Holland. This is time we had four resolutions in play (out of 19). Two is usual for us, but this was a congress without an election to look forward to and quite a lot of unresolved issues. We had one resolution on a tax issue. Highly controversial, but I save you the details (even so, it was accepted). We had two resolutions on Europe. One on the issue of ‘Spitzenkandidaten’: we want to see the candidates before our representatives vote on them (accepted too). Then we had the resolution ‘on the rights and duties of EPP parties (‘Fidesz’), more on this later. But I want you to pay some attention first to a resolution that is very particular to our province and a few others.

Why we take it seriously

It concerns the for the reader probably esoteric issue of ‘peat soil subsidence’. Due to the heating of the earth the level of water is rising everywhere. Most of our province is beneath sea level, so in order to prevent flooding we are spending billions of euros to raise the dikes high enough. We have a big program for that. However, at the same time we have the problem of our soil getting lower. My city for instance, Gouda, sinks every year 1 to 3 centimeter or so, and its at places already something like 5 meters below sea level. There is no program for that yet, as it is such a slow process and we have so many other priorities (and it will cost so much: 16-22 billion is a rough estimate). Yet, we think we can wait no longer. Because of this, we have formulated a resolution pressuring our representative to push for pilots and priorities. And here’s the thing: the parliamentarian responsible for this in the CDA does not see this as censorship. We know he cares for the issue. Yet he can use the resolution in his negotiations with the other parties: ‘Look, I have this resolution that I cannot ignore. It’s not just my opinion. It’s what my party members think of it as well.’ In this way more than half of all resolutions were there to speed things up. The rest were there to point another direction then where the party leadership seems to be going or were just new issues.

In this way, resolutions may both help and hinder the party leadership. I am totally convinced our representatives are true democrats, but as a member I also know they have reason enough to take resolutions seriously.

Leading the debate

A resolution can be part of the deliberations of our congress when it is supported by at least 25 members or a recognized body of the party. Our delegation of South-Holland represents the largest part of the membership, but there are many other bodies that can let their voice be heard. The CDJA, the youth organization, makes even more noise than South-Holland (there is no better way to learn national politics than by trying your hand at a resolution, is my conviction). Together we usually lead the debate, but there are always other with their themes and priorities. Voting by the way, takes place on a ‘one (wo)man, one vote’ base. We lead by example and some use of WhatsApp, but cannot bind anyone to our voting preference.

To speak out

Now back to the question ‘What is a resolution?’. You see, there is a little technique involved in order to get a resolution accepted. The fourth resolution, on ‘Fidesz, will be used here as an example and I will continue to do so, if only for the reason that it shows the mechanics of how a resolution goes through congress.

A classic resolution consists of three main parts:

I – a ‘statements of observations’ (literally: ‘Constateert dat’ = ‘Observes the following’). In three to five lines, factual statements are given on the issue. In the case of the Fidesz resolution, we bound ourselves strictly to reports and statements made by recognized institutes like the OSCE and the European Parliament and included a line on the fact that Fidesz was a respected member of the EPP.

II – a ‘statement of considerations’ (literally: ‘Overweegt dat’ = ‘Considers the following’). In a limited number of lines, observations are connected to the political context and a need for action is described. In the case of Fidesz we again stayed very close to authorative statements by others, mostly that of the EPP itself.

III – a so-called ‘dictum’ (literally: ‘Spreekt uit’ = ‘Speaks out’). The dictum is the most important part of the resolution and usually the shortest. It states what is asked from the party leadership. In the case of the ‘peat soil subsidence’ we basically asked for action and money. In the case of Fidesz, we pressed the need for a monitored ‘dialogue’, comparable to what has been done in other instances. As we do not believe in dialogue as a goal in itself (something that goes for other issues just as well), we stated that this dialogue at some time must lead to a conclusion about the membership of Fidesz in EPP. As logical as this may sound to outsiders, it does go a step further then until now. A columnist from the Dutch national daily ‘De Volkskrant’ thought this was just too soft: we should have kicked Fidesz out long ago and not be so pussy footed about it (Makes me wonder how they deal with internal conflict at her newspaper). Diplomats may think our text was not careful enough: why should the CDA go further then already internally debated? But you have to remember that this is a resolution formulated in such a way that above all it can convince the members of the CDA. I will get back to that, but first more on the road a resolution must travel to get accepted.

The order of the day

Every resolution, after the threefold argumentation, ends with the same sentence: ‘And goes back to the order of the day’. Nobody ever asks what that ‘order of the day’ is, but it sounds good. More interesting is what happens before we go back to the order of the day. This is what happened with the Fidesz resolution.

We have a custom of having a brainstorm some two months before the congress. This produces a long list of possible resolutions. In South-Holland we use two questions to weigh which resolution we should select to defend before congress.

The first question: is the resolution relevant enough? This question is easily answered when the subject concerns our own province, like the resolution on soil subsidence, but can be harder to answer when it is something close to the news of the day. We prefer resolutions that are relevant to the course the party is taking above resolutions that are comments on the political problems of the day. We usually leave that to the media, but it is nice when you can do both.

The second question: does the resolution lead to debate? This question is important because we believe the CDA should be a party of debate. As a party we have had our periods when every debate was stifled because of political ‘management’ considerations. In the end that is deadly for a political party.

This second question also comes with a clear benchmark: if possible the resolution should make it to the afternoon, to the main stage. There is always a session in the morning of the congress in which all resolutions will be discussed, alongside other sessions. In order not to make the congress too long, the only resolutions that will move on to the plenary debate in the afternoon are those that have had a so-called ‘negative pre-advice’ from the party presidency. So, only those resolutions pass that are contentious. It usually means that these are the resolutions that lead to meaningful and often exciting debate. It is nice to bring in this kind of resolution. We don’t have many (boring) speeches to listen to at our congresses. Instead we have fast debates where the ones who have written the resolution get first and last speaking rights on stage, and the party leadership – party leader and party chairman are together on stage – get the opportunity to give their view on the resolutions and then the members can have their say: each for a maximum of 30 seconds. And this is important, when you are thinking of doing the same in your party: every member is equal. Even if, say, you are the minister for employment, you cannot speak as minister. You announce yourself as ‘the member of Gouda’, or wherever you live. After each resolution has been discussed in this way, a vote is taken on a ‘one man, one vote’ base. later the party will tells us what has come of the different resolutions. That’s internal democracy.

Judging a resolution

At least in theory. But how to deal in practice with a resolution censoring a fellow party within the EPP?

When Bart van Horck, a valued member of our delegation and with great credentials when it comes to European affairs, came up with his concept for a resolution ‘The rights and duties of Fidesz as EPP-party’, my first reaction was downright critical. I will not deny that part of me did not want a confrontation with my Hungarian friends, but I pushed that aside for more elementary considerations. Could the two questions be answered in a positive way? On first appearance a resolution on Fidesz is of relevance to us, as we want to speak out on Europe on the way to the European election and the behavior of the Fidesz leadership is not only contentious to us, but also detrimental to our CDA position. Yet, not too long ago we had a resolution on the Visigrad countries, which had been supported by congress, but did nothing in terms of furthering the debate. This also touched the second question of debating power. The resolution on the Visigrad countries had not reached the main stage, as everyone agreed with it, including the political leadership. Would not the same happen with this resolution? I also had technical objection: the resolution was too long. It appeared to be more a policy paper than a resolution. A good resolution is only one page long, with an 11-point size letter. This one was more than 2,5 pages long. You just cannot count on the members to read all of the resolutions, let alone long ones (the same goes for blogs like these, I know. Sorry).

With a bit of a sigh – also because I received it in the middle of a holiday – I set about reviewing and editing it. There was much to edit, but during the editing process I also came to appreciate the resolution more. In its consistent build-up of authoritive statements and documents it provides an inescapable image of a party sliding away from its own original values and those of the European family of parties to which Fidesz rightfully belonged. Even so, it stays away from a too easy condemnation. Instead it provides a monitoring process that was already used on another occasion. The only necessity is for Fidesz is to take a ‘dialogue’ seriously. That can never be too much to ask.

In editing, I emphasized the Christian democratic roots of Fidesz, of which they are rightfully proud. I also suggested taking out any reference to the university founded by Soros, as just mentioning the name seems has such symbolic significance that it effectively ends all dialogue. At the same time, I came to share Bart’s conclusion that it is only through specific resolutions like these that we can hope to get further in the debate with Fidesz and to resolve it one way or the other.

Getting a resolution accepted

Writing and editing a resolution is one thing, getting it accepted another. After getting the consent of our own chairman and small board of South-Holland for the resolution just before the deadline, we then had to wait for the reaction of the national board. Would they support it or not? They would but did seek changes to the text. In particular they would rather have us delete the last part of the dictum, formulating the consequence for not taking part in the dialogue. We considered it seriously but thought it too much a watering down of the resolution. To me it was clear that without any mentioning of consequences the members would not take it seriously and it certainly would not lead to any debate worth mentioning. In terms of our own criteria, the resolution would fail the test. Even so, the resolution got accepted by the party leadership. Glad of this, I turned my attention to more contentious resolutions.

After this, there was another hurdle to take: the ‘special general assembly’ of South-Holland. It prepares for the congress, also deciding what position to take on the resolutions that are not ours. As far as the resolution on Fidesz was concerned, there was a bit more debate than anticipated. It was in favor of Fidesz, coming from admiration for its migration policy, including a wall. When we explained that this resolution did not mention the wall but focused on the way Fidesz deals with its own constitution, there was only agreement.

Finally, the congress itself. More particular: the morning session on resolutions. Again, there was more debate than anticipated, but this time coming from the other side; any sign of sympathy for the position Fidesz was taking was censored by the members (leading me to think we think that on balance we had it about right concerning our members). As the resolution stood at ‘acceptance’ and the members wanted, if anything, only a stronger resolution, it stood as it was. It would not be debated in the main session in the afternoon. Only the dictum would be read by that day’s chairman, with the proposal to ‘adopt it by acclamation’. An applause came, and so it was adopted.

Not the end of it: afterword

I am always glad when a resolution by us gets adopted, as were all other resolutions by South-Holland that day. Especially the resolution on ‘peat soil subsidence’ led to a further sharpening of the resolution in the morning session. Yet, I was disappointed in the sense that we had not been capable to have any debate in the afternoon. Especially the brazen youth, with resolutions that aimed straight for our position in the government, had more success in that respect (as dangerous this is otherwise). We had emotional debates on a number of issues. Internal democracy within our party is not pure democracy, with you have sharp checks and balances. You meet each other all the time. You talk, you persuade. But on the whole we respect each other’s role and responsibility when it comes to de bating resolutions. So we had another congress where emotions ran high and a debate led to another outcome than expected. But this I just fine, as long as we keep on respecting each other.

With regard to the Fidesz resolution, knowing it had not survived the morning, I thought that was the end of that. Yet early Monday morning there was a text in a newsletter by Politico and soon other media picked it up. Anyway, I got a few calls and explained in short how we work, just like I do now (though longer). And that is it. Though two things bug me.

The first thing is this: why bother? The resolution was accepted in the morning, there was no debate. Ignoring it would have been the logical course of action if you wanted the resolution to go away. Then why the sharp letter by Fidesz? Maybe someone misjudged the way our internal democracy works.

The second thing is: why get angry at all? I did not let this play a role in my decision to have the resolution, but I do have my own feelings about the issue and here I express them freely.

I have been coming to Hungary now for about ten years or so. I don’t think I have ever even spoken with someone who is a socialist or ‘liberal’. I have come to know them as hardworking, very competent people. This compliment includes the Hungarians in Rumania. I also respect that Orban and the people from Fidesz took back control of the country after the socialists made a true mess of it. The people from Fidesz did this by getting in touch with the local communities and expressing their needs. That’s how it should be done. I do have serious doubts about the migration policy, including the wall, because I think it only delays things and is too unilateral in a legal sense. Even so, I respect that Orban took action when others stayed lame.

Yet I really, really do not understand this drift towards authoritarian rule. Democracy is not only about voting rights, it is so much more and here it seems to go wrong according to all authoritive reports. And even if I were to have doubts about these reports, which I cannot, there is this: in Budapest I went to the ‘House of Horrors’. It depicts the Communist regime in Hungary in all its gruesome details. That made a deep impression on me. The idea that Hungary, like other Central Eastern European countries, is in all appearances embracing communist style leadership is abhorrent to me. In a way I think I understand it: many countries are young democracies and in times of crisis and disillusionment the temptation is there to fall back on the old strongman culture of before. But understanding it is not the same as accepting it, if only in memory of Christian democrats like Wim van Velzen who worked so hard to get Hungary back in the European family. It has to be fought in the only way that history shows will last: through democratic dialogue. If there has to come an answer to an outcome of internal democratic debate, do not show weakness by Trumpian accusations of lies, but engage in true democratic debate. Argue, disagree, try to convince, and most of all: show us all what you are really made of.

Peter Noordhoek

Peer Review op inductieve wijze

 

Met enige regelmaat begint een sector, branche of beroepsorganisatie met ‘intercollegiale toetsing’, ook wel peer review genoemd. Het is zo’n term waarvan iedereen met een beroepsachtergrond na wat nadenken zegt, ‘ik snap het: collega’s die bij elkaar langskomen.’ Dat is de start, inderdaad. Maar daarna slaat de verwarring toe. Want wat komen die collega’s doen? Controleren, coachen, of iets anders? Is het een vorm van certificering of juist niet? Hier worden kort wat ontwikkelingen rondom peer review op een rij gezet en wordt ook een standpunt ingenomen: peer review moet zich verder ontwikkelen van een deductieve naar een meer inductieve benadering. En zeker verder gaan dan een expert benadering. Hoe zegt u? Lees maar.

Van collegiaal model naar expert model

Peer review is een reactie op een reactie*. Lange tijd was het de gewoonte dat er binnen sectoren en verenigingen beroepsgenoten elkaar in het oog hielden. Als het nodig was gingen dan een of meer collega’s namens de vereniging bij het lid op bezoek dat wel eens de grenzen zou kunnen hebben overtreden. Meer sociale controle eigenlijk, dan een objectieve vaststelling van overtredingen. Door globalisering en de opkomst van het managementdenken was dat al snel niet toereikend meer. Private regulering, geïnspireerd door (delen van het) kwaliteitsdenken leidde tot een dominantie van certificeringsschema’s, inclusief een professionalisering van de manier waarop dat getoetst werd. We noemen dat nu de ‘auditexplosie’, maar dat klinkt te negatief: een stevige beoordeling van producten en diensten is op zich van groot economische belang. Het is dan ook logische dat het auditeren zelf onderwerp is geworden van normstelling. Bekend is de ISO 17000 norm voor ‘conformiteitsbeoordeling’, maar de wijze van auditeren en certificeren zit in veel meer normen verwerkt en in sectornomen zoals de International Professional Practices Framework (IPPF) voor onderzoeken die in het kader van de accountants- en controllersfunctie worden gedaan. Het opmerkelijke is dat ook in de sectoren waarin om statusredenen peer review eigenlijk de enige optie is – de medische en wetenschappelijke wereld – de objectivering via protocollering verder is doorontwikkeld dan waar ook. Feitelijk is daarmee het ‘expert’ model het ‘collegiale’ model gaan overvleugelen.

Twee reacties

Maar er moest natuurlijk een reactie op komen. Twee zelfs. De eerste reactie was heel verheven, de tweede pragmatisch. De eerste reactie kennen we als het INK-model (EFQM voor de Europeanen). Het nadeel van certificeringsschema’s is de vaak eenzijdige focus op het productieproces, of in he geval van keurmerken, op de producteisen. We moesten leren dat de ‘totale kwaliteit’ om veel meer gaat. Het moet leiden tot een integrale blik op zaken die vaak moeizaam meetbaar zijn, zoals leiderschap. Om dat te beoordelen, werd een scoremethodiek ontwikkeld die bewust ‘intersubjectief’ van aard zou zijn. Gemengde teams van experts en collega’s geven dan als juryleden een score. Geoefende juryleden kunnen in hun oordeel zeer dicht bij elkaar komen (tot 5 punten op een schaal van 1000).

Verandering in schaalgrootte

Toch wordt deze wijze van beoordelen niet zo vaak meer toegepast. Op zich is dat jammer, maar om verschillende redenen wel verklaarbaar. Een van de minder genoemde redenen is een hele fundamentele: er is door de globalisering een tweedeling in de schaalgrootte van bedrijven en instellingen gekomen: in veel beroepsgroepen is er een verdeling gekomen tussen een paar grote en complexe leden en vele, vele kleinere bedrijven of zelfstandigen. Het aantal leden kan daardoor groeien, maar omdat in de praktijk de vertegenwoordigers van middelgrote leden vaak de vereniging trekken, is de spankracht feitelijk verminderd. Een vereniging besturen is altijd al een evenwichtsact geweest en dat is nu nog ingewikkelder geworden. Als daar dan nog eens een crisis overheen komt die niet alleen geldgebrek met zich meebrengt maar ook een toename aan incidenten die de media halen, ja, dan zijn de rapen gaar. Het alternatief van meer overheidstoezicht is zelden aantrekkelijk. Je kan er een mooi verhaal over houden, maar eigenlijk is dan de enige optie die van peer review. Er zijn meerdere varianten mogelijk, maar de meest logische is de variant waarbij elk lid dan gedurende een dag wordt bezocht door een ander lid. Hoogstens wordt een groter team geformeerd bij de grotere leden. En als dat het idee is, dan komen we nu uit bij het onderscheid tussen deductief en inductief.

Deductief peer review

Bij elke nieuwe keuze voor een sector- of branchebrede aanpak zou je zeggen: doordenk die even goed. Wat heb je nu echt nodig? In werkelijkheid is daar zelden ruimte voor en wordt gekozen voor bestaande modellen. In de praktijk gaan die uit van een deductieve aanpak: er zijn normen en regels die samen de ‘dominante theorie’ vormen en worden toegepast op de praktijk van de leden. Bij conformiteit volgt een positief oordeel (keurmerk, certificaat, prijs), bij non-conformiteit niet. In deze benadering is kennis van de ‘dominante theorie’ leidend. Bij de ‘peers’ wordt kennis van de praktijk van de collega’s bekend veronderstelt (scheelt weer in training). In de kern is het ‘expert’ model weer leidend: audits worden geacht binnen de kaders die de theorie aangeeft plaats te vinden. Kalibratie van oordelen is moeilijk, maar zeker niet onmogelijk. De uitkomsten ervan zouden door de buitenwereld beschouwd moeten kunnen worden als ‘valide’. Dat is belangrijk, want in de kern ligt de meerwaarde in de validering naar de buitenwereld toe: ‘Kijk, ook volgens de (wettelijke) normen zijn wij te vertrouwen’.

Het gedonder met deductief peer review

Helaas, er blijken toch de nodige nadelen aan het deductieve model verbonden te zijn. Of anders gezegd: de voordelen zijn niet groot genoeg. Ten opzichte van overheidstoezicht en expert toezicht is de legitimerende kracht uiteindelijk genoeg: er blijft toch snel de geur aan hangen van ‘de slager die zijn eigen vlees keurt’.

De deductieve benadering is misschien nog wel het meest problematisch voor de leden. De dominante theorie is er een van regels en procedures. Peer review wordt daarmee doorgaans de laatste in een lange reeks van andere toetsingen te staan, allen gericht op de handhaving van regels en procedures. Meer ‘bureaucratie’ is dan het begrijpelijk verwijt. De oplossing: de peer review een meer coachende doelstelling meegeven: het gaat om het ‘verbeteren’ of het ‘waarderen’, niet om het ‘controleren’. Ze hebben een punt. Maar er zijn genoeg leden die vinden dat er juist te weinig wordt gecontroleerd en dat bijvoorbeeld het intern tuchtrecht te weinig betekent als het gaat om het verwijderen van de ‘rotte appels en peren’. En ook zij hebben een punt, al was het maar omdat juist al die al bestaande vormen van toezicht het de leden makkelijk heeft gemaakt om tot een soort onderlinge non-interventie te komen: de vereniging moet zorgen voor de discipline. ‘Ten slotte’, zegt het lid, ‘ik ben goed bezig, maar vereniging – kijk eens, mijn collega niet. Er harder op graag.’ Het paradoxale effect kan zijn dat de leden elkaar (nog) minder direct gaan aanspreken op het gedrag.

En zo, komt de vereniging, voor je het weet, vast te zitten met haar deductieve benadering tussen de coachende en controlerende benadering. Is er een alternatief?

Van deductief naar meer inductief

Bij een inductieve benadering wordt er gestart bij de waarnemingen. Deze leiden vervolgens naar een, al dan niet dominante, theorie. Vertaalt naar een audit in het kader van peer review, zou dan de situatie van het lid en diens bedrijf of organisatie leidend zijn voor het oordeel. Dus in de rugzak van de auditor(s) zitten geen normen of regels. Als er al gelet wordt op normen en regels, dan die zoals die worden gehanteerd door het lid zelf. Belangrijker zou dan kunnen zijn wat het lid van zichzelf en de vereniging verwacht. Een oordeel? Dat is iets waar auditor en lid wellicht samen toe komen.

Dat is nogal een conceptuele sprong. Laat ik daar maar duidelijk over zijn: een volledig inductieve benadering zie ik in het kader van peer review nog niet direct gebeuren. Wellicht wel in het kader van intervisie, maar dat is een ander verhaal, waarin de verhoudingen anders zijn.

Wat ik wel, ook in de praktijk, zie gebeuren, is een soort ‘conditioneel’ inductieve benadering, waarbij de audittee, het lid dat bezoek krijgt van de collega, op voorhand een zeker krediet krijgt en waarbij er bewust gebruik wordt gemaakt van het eerste oordeel dat de auditor/collega heeft van de opstelling en werkwijze van een lid. Er is een basis beschikbaar op grond waarvan normatief kan worden geoordeeld en zowel interne regelgeving als regelgeving vanuit de overheid zijn gewoon van toepassing, maar deze basis (dat kan bijvoorbeeld een afgelegde eed of gelofte zijn) wordt alleen ingezet als dat nodig is. Het helpt ook als de auditor/collega zich voorafgaand aan een audit al een beeld kan vormen van dat lid via openbare en/of voor leden beschikbare informatie o ver de activiteiten van dat lid. Maar het belangrijkste is wellicht nog de feitelijke start van de audit, het welkom.

Drie manieren van binnen komen

Hier worden drie manieren van binnenkomen geschetst en zoals de lezer zal begrijpen lopen die van meer inductief naar meer deductief.

– maximaal inductief

De eerste manier van binnenkomen is die waarbij er sprake is van een prima welkom tussen de collega’s. Al snel begint het gesprek, al snel is er een uitwisseling van ervaringen. Dus de herkenning: wij zijn collega’s. Daarbij merkt de collega/auditor al snel dat dit een kantoor is dat overwegend haar zaken op orde heeft: het lid/de audittee is, om het zo maar eens te zeggen, ‘bewust bekwaam’ en heeft een duidelijke visie op waar deze naar toe wil. Elke toekomstvisie houdt keuzes in, dus dat worden de dilemma’s waar in de audit op aangesloten kan worden. Het gaat minder over de te controleren elementen. Dat wordt overigens wel degelijk gedaan na het startgesprek, maar de scope daarvan kan beperkter zijn en meer gericht op de dilemma’s van het lid. In het slotgesprek moet de collega/auditor echt aan de bak om een goede sparringpartner voor het lid te zijn, ondertussen niet vergetend ook de mindere zaken te benoemen. Toch; het blijft niet steken in de details. Het lid/de audittee heeft na afloop het beeld dat hij zijn toekomstvisie goed heeft kunnen aanscherpen. De collega/de auditor heeft het beeld dat hij zelf veel heeft geleerd. Beiden hebben het gevoel primair met een gewaardeerd collega te hebben gesproken en pas secundair met een auditor/audittee te maken hebben gehad.

– zo inductief mogelijk

De tweede manier van binnenkomen is meer onderzoekend. Vooraf heeft de auditor/collega onderzoek gedaan naar het publieke beeld van het lid en bij de start wordt dat naar de audittee/collega toe gespiegeld met de vraag: ‘wat is jouw verhaal bij deze informatie?’ Dat kan vervolgens leiden tot een vruchtbaar gesprek over de toekomst van de audittee/het lid, maar duidelijk is dat deze eerder reactief in zijn omgeving zit dan met een expliciete koers. Dat mag uiteraard, maar dat betekent wel dat de auditor relatief iets meer tijd zal besteden aan het feitenonderzoek. De kans dat er zaken worden aangetroffen die niet bij eigen of externe regelgeving passen is groter. Ook dit deel hoeft niet alleen maar controlerend te verlopen (collegiale tips kunnen best), maar het is wel eerder constaterend dan coachend. Voordat na het onderzoek tot een slotgesprek wordt overgegaan, moet de auditor/collega een weging maken, zeker als er sprake is van meerdere tekortkomingen. Is dit incidenteel of structureel? Kan de audittee/het lid snel herstellen of is het daar teveel voor. In het slotgesprek geeft de auditor/collega de bevindingen terug, er daarbij voor wakend dat het een echt gesprek tussen collega’s blijft. In dat gesprek kan in beginsel alles aan de orde komen dat helderheid kan geven aan de audittee/het lid over de eigen toekomst en wat hem of haar concreet te doen staat om op een hoger niveau te komen.

Aan het einde van de audit heeft de auditor/collega het gevoel dat hij een collega heeft kunnen helpen met het leggen van een steviger fundament onder zijn of haar werkwijze, inclusief wat vingerwijzingen voor de toekomst. De audittee/het lid heeft heel veel om over na te denken, maar omdat de benadering eerder meedenkend dan oordelend is geweest, kan hij of zij vrede hebben met een afloop die extra werk met zich meebrengt. Misschien beseft hij of zij het niet, maar het is belangrijk dat de eenzaamheid even is doorbroken. Beiden hebben het gevoel dat dit een audit was die alleen maar in het vertrouwde verenigingsverband zo kan gebeuren en dat voelt goed.

– deductief

De derde manier van (niet) binnenkomen, is als duidelijk wordt dat er of sprake is van uitgesproken weerstand of van lid dat de eigen zaken duidelijk niet onder controle heeft.
Bij weerstand gaat de auditorrol domineren. Na uiteraard eerst geprobeerd te hebben die weerstand te doorbreken, wordt de aanpak verder deductief. Bij nader onderzoek wordt de basis aan regelgeving aangeboord en worden waar nodig constateringen gedaan. Bij extreme weerstand wordt de audit eerder afgebroken dan tot een eventuele heraudit gekomen. Snel ingrijpen is dan het meest belangrijk.

Ook de situatie van volledig falen komt voor. Ook dan heeft het geen zin om alle details langs te lopen. In deze situatie kan wel de collegiale verhouding weer erg belangrijk worden. Is er een hulpvraag? Zo ja, dan gaat op aangeven van de auditor de vereniging als het kan in actie komen. Belangrijk is daarbij de vraag: kan het lid niet, of wil het lid niet. In dat laatste geval heeft de auditor een rotte appel te pakken en moet er een signaal naar de vereniging gaan. In het geval van niet kunnen, is het logisch dat de vereniging om het lid heen gaat staan en gaat helpen.

Meer dan een expert

Zo ziet er voor mij de overgang van inductief naar deductief er uit. Je begint als het even kan als collega en wordt alleen die strenge auditor als dat niet anders kan. Er valt nog veel meer over te zeggen: hoe hou je het zuiver? (voor zover na te gaan, niet moeilijker dan bij expert audits) Kan je nog kalibreren? (ja) Heeft het voldoende effect? (aantoonbaar ja, vooral in combinatie met een beperkte mate van verticaal toezicht). Hier wil ik het laten bij nog een laatste reflectie op het karakter van die collega/auditor, de ‘peer’. Daarin neem ik ook stelling. Ik vind namelijk dat een ‘peer’ aanmerkelijk verder kan en moet gaan dan een expert. De expert moet namelijk binnen het meegegeven kader blijven, de ‘peer’ heeft de vrijheid om daarbuiten te treden. Daarin ligt ook in belangrijke mate diens meerwaarde. Zeker bij de kleine organisaties waar we het vandaag de dag over hebben – de kleine en eenmanskantoren – loopt vaak alles door elkaar: het zakelijke en het persoonlijke, de buitenwereld en de binnenwereld. Naar buiten toe doet men zich daarbij vaak groter voor dan men is. Zoals al even gememoreerd: er is veel eenzaamheid onder de concullega’s. Simpele kwesties als een zieke secretaresse kunnen. De continuïteit voor het lid direct bedreigen. De collega/auditor moet daar niet naar opzoek gaan, maar hij of zij moet het ook niet uit de weg gaan: daar ben je collega’s voor. Je herkent elkaars problemen, dus mag je het erover hebben. In trainingen merk ik dat de expertrol voor een auditor vaak veiliger voelt dan de rol van collega. Dat is meer dan jammer; het is een gemiste kans. Als trainer ga ik daarover de discussie aan en bij de coaching van audits let ik er ook altijd op of de auditor de veiligheid van de regelgeving durft te verlaten voor meer essentiële gespreksstof. Concepties vooraf van een audit als ‘coachend’ of ‘controlerend’ vind ik dan alleen maar lastig, want ze veronderstellen een superieure positie. Een positie die er binnen collegiale verhoudingen juist niet hoort te zijn. Peer review is peer review als het een ontmoeting tussen peers wordt – en dan is het goud waard.

Peter Noordhoek

 

* De Britse term ‘peer review’ krijgt hier de voorkeur boven het Nederlandstalige ‘intercollegiale toetsing’ om twee redenen. De eerste is dat kwaliteitstoetsing steeds meer een internationaal karakter heeft gekregen. De tweede is dat het woord ‘toetsing’ onvoldoende de lading dekt van wat zou moeten worden beoogd en ‘review’ neutraler is.


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: "De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard." Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek