politiek

Murmuraties. Over de kwaliteit van politiek

Een murmuratie is de beweging van een grote zwerm vogels. Zo gedragen we ons steeds meer en dat bepaalt de ‘kwaliteit van de politiek’. . In mijn vorige blog sprak ik over de vraag hoe je – ‘expliciet’ – tot overeenstemming kunt komen over wat kwaliteit is. De lezer heeft het ongetwijfeld begrepen: het is tijd voor de overstap van de ‘politiek van kwaliteit’ naar de ‘kwaliteit van politiek’. In het verhaal zoals ik dat hielp bij mijn verschillende jubilea op 16 juni jl., heb ik de toehoorders als eerste proberen mee te nemen in mijn werk als kwaliteitskundige en een overzicht gegeven van alle manieren waarop je kan proberen om tot overeenstemming te komen over wat dat zou moeten zijn. Ik heb wel geconstateerd dat mensen niet graag expliciet willen zijn over wat ze ‘kwaliteit’ noemen en dat kwaliteitszorg ook een manier kan worden om het moment dat we tot overeenstemming komen zo lang mogelijk uit te stellen: ‘kwaliteit als de langste route naar ruzie’. Het hoort bij de ‘politiek van kwaliteit’ om daar op een verstandige manier een einde te maken en wel tot overeenstemming te komen. Maar wat bepaalt de ‘kwaliteit van de politiek’?

Het begint met een hand

Veel langer dan ik beroepsmatig aan kwaliteit heb gewerkt, loop ik al rond in de politiek. Voor de duidelijkheid: met volle inzet, maar echt als vrijwilliger. In 1982 werd ik lid van een politieke partij, het CDA, maar de belangstelling gaat terug zo ver als mijn vroegste jeugd. En toch heb ik pas vrij recent een soort ‘begin’ ontdekt in het politieke handwerk. Dat komt door mijn campagnewerk. Net als ik ooit aan het kwaliteitsverhaal begon door naar mijn kast met boeken te staren, begon het nadenken toen ik een keer naar mijn hand stond te staren. Begint het daar niet altijd mee? Sindsdien vraag ik bij het begin van mijn politieke trainingen en bijeenkomsten om elkaar een hand te geven. Vervolgens probeer ik het iedereen zo ongemakkelijk mogelijk te maken door ze bijvoorbeeld tegelijk een hand te laten geven en een Japanse buiging te doen. Waarom? Om iedereen even ‘bewust onbekwaam’ te maken bij iets zo dagelijks als een handdruk.

Het is wel de basis. Het geven van een hand. Daarbij gaat het overigens uiteindelijk niet om die hand, maar om de ogen. Uw handdruk zegt best wel wat, maar die geleidt als het ware de ogen van de ander naar uw ogen, waarbij u dan ook nog eens een stem hoort. Ondertussen is het wonderbaarlijk hoeveel informatie er gehaald kan worden uit een simpele handdruk. Wat er aan informatie wordt uitgewisseld tussen de achterkant van uw hoofd en dat van degene met wie u in gesprek bent, daar kan nog altijd geen supercomputer tegenop. Er is niets effectiever dan een handdruk.

Het klassieke probleem is wel, dat het misschien nog wel mogelijk is om iedereen op een bijeenkomst een hand te geven, maar niet alle kiezers. Boeiend is dan weer, dat anno 2017 we door de toepassing van Big Data al weer bijna in staat zijn precies uit te vogelen wie in welke straat en op welk huisnummer een hand moet worden gegeven. De moderne technologie leidt ons van handdruk tot handdruk. Maar dan?

Elementaire paren

Zoals er op meerdere manieren naar kwaliteit kan worden gekeken, zo kan er op nog veel meer manieren naar politiek worden gekeken. Er zijn heel wat meer boeken over geschreven dan over kwaliteitszorg. En toch is er nog wel iets te bedenken dat nog niet eerder is gedaan. Er is een sterke parallel te trekken met wat hiervoor is verteld met twee begrippenparen die nog kaler zijn dan wat ik hiervoor gebruikte. Het eerste bestaat uit het begrippenpaar ‘vertrouwen’ versus ‘wantrouwen’. Het tweede wordt gevormd door de tegenstelling ‘rationeel’ versus ‘niet-rationeel’. Niet-rationeel is in ieder geval een rationaliteit die niet naspeurbaar is voor anderen en waarschijnlijk eerder door emotie (denk aan Daniel Kahneman’s ‘snelle brein’) wordt ingegeven dan door iets dat helemaal doordacht is.

Ons aller ideaal lijkt te zijn dat we zowel rationeel als vol vertrouwen te werk gaan. Het is net als met kwaliteit, daar kan je niet tegen zijn. Waarom lukt het dan zo weinig? In kwaliteitsland zie ik de verbaasde gezichten van kwaliteitsmanagers die niet snappen waarom hun mooie aanpak volgens de Deming-cirkel wordt afgewezen, in de politiek zie ik de mensen voor me die maar niet snappen waarom niet alles per referendum besloten wordt. Dat is toch gewoon een kwestie van het volk vertrouwen, van een rationele aanpak? Nou, niet zonder meer. Maar al te makkelijk wordt aangenomen dat wat mijn vertrouwen heeft en wat in mijn ogen rationeel is, de beste kwaliteit van de politiek vertegenwoordigd. Om het in het Engels te zeggen: ‘the quality of politics is in the eye of the beholder’. Ik, burger, ben de maat van de kwaliteit van de politiek, want ik ben te vertrouwen en wat ik zegt klopt. Totdat je de volgende burger spreekt.

Makers met macht

Het is in grote lijnen weer hetzelfde verhaal: impliciete definities van wat als het al te expliciet gemaakt wordt geen standhoudt (en dus vaak wordt weggemoffeld). Een projectie van de eigen houding en motivatie op anderen en als het er op aan komt het niet zelf meer willen of kunnen overzien – en dan plots vertrouwen op het gezag van een ander, die vroeg of laat dat gezag niet waar maakt.

Een iets beter besef van hoe mensen met elkaar omgaan kan helpen om het proces te duiden. Om in diezelfde begrippenparen te blijven; zij die heel rationeel kunnen zijn, maar handelen uit wantrouwen, dat zijn mensen die al snel de verleiding voelen om uit macht te handelen: het doorzetten van de eigen wil tegen die van anderen in. Mijn kwaliteitsdefinitie, zegt de leider, is bepalend – en die zet ik door. Mijn ervaring is dat er altijd wel mensen zijn die vanuit macht denken, maar hier in Nederland is dat een minderheid of vind je die vooral binnen subgroepen. Er rust een soort taboe op zichtbaar machismo. Zelf Wilders heeft af en toe een kattenfoto nodig. In andere landen wil dat wel anders zijn.

Ondertussen wordt er door journalisten, commentatoren en campagneleiders gezegd dat de persoon van de politieke leider steeds belangrijker wordt. Nou, ik geloof er maar een deel van. Ja, de persoon is belangrijk voor de kiezer, maar als het er op aan komt kan de kiezer prima zonder die persoon. Hoogstens dat een persoon tijdelijk een soort symbolische mantel kan dragen. Hij of zij staat ergens voor; als populist of juist als tegenstander van het populisme, maar daarna kan het razendsnel snel afgelopen zijn. Of, zoals de auteur Frank Herbert, schreef:

Hier ligt het standbeeld van een omgevallen God / Zijn voetstuk hebben wij gebouwd / een hoge en een smalle / Hij moest een heel eind / vallen

Roddels en relaties

Zij die misschien zelf liever op basis van vertrouwen willen werken en tegelijk niet alles rationeel doordenken, zullen niet zozeer eigen macht gaan zoeken als wel de relatie zoeken met anderen die dat wel hebben. Als iedereen dit een goede politicus vindt, dan vind ik dit ook. Hoe kan ik bij hem of haar aansluiten?

Toen ik begon in de politiek, dacht ik dat naar mate ik hoger zou stijgen, er meer en meer een beroep zou worden gedaan op mijn rationeel vermogen en mijn inhoudelijke kennis. Deels is dat ook zo, maar nog sneller dan de ratio stijgt de relatie als cruciale component van de politieke wereld. Wat een verzameling roddelaars bij elkaar. Is het in het bedrijfsleven of in de zorg anders? Niet echt, maar die, mooi gezegd, intermenselijke kant slokt ongelofelijk veel tijd en energie op en de schaduwkant is dat tegelijk met het verdwijnen van kampioenen, in gang gezet beleid met de kampioen de deur uit wandelt en dan moet je maar zien of dat de nieuwe kampioen hetzelfde beleid gaat voeren. Het is volstrekt niet rationeel hoe vaak beleid om zeep wordt gezet door een wijziging van de poppetjes.

Kunnen ratio en vertrouwen worden gecombineerd?

Kunnen ratio en vertrouwen überhaupt wel worden gecombineerd? Wel degelijk. Het heet algemeen belang, het heet parlementaire democratie, het heet rechtsstaat. Er kunnen allerlei interpretaties aan worden gegeven, maar per saldo zijn het wonderen van menselijke constructen. Ratio en vertrouwen zijn er de dagelijks randvoorwaarden van, inclusief het soort checks & balances waardoor bestaand wantrouwen kan worden gereguleerd. Het punt is wel: het zijn constructen waar eeuwen aan is gewerkt en die je net zo min vanuit het niets op een achtermiddag in elkaar kunt zetten, als dat je bijvoorbeeld een nieuw iPhone in een middag kunt ontwikkelen. Ze moeten beetje bij beetje worden opgebouwd. Er naar toespringen via een digitaal referendum is vragen om problemen.

Toch is het digitale ongeduld nu wel degelijk in de samenleving geslopen. Het raakt de politiek, en dan vooral de partijpolitiek, op harde wijze. In de media wordt meer dan ooit aandacht gegeven aan politiek, zeker partijpolitiek. Een oude wet uit de sociale wetenschappen luidt: dat wat aandacht krijgt, groeit. Dat lijkt echter in dit geval niet op te gaan. In plaats van te groeien worden partijen worden alleen maar kleiner en versplinteren. Is dat omdat ze falen in het op basis van ratio en vertrouwen politiek bedrijven? Wie mijn redenering kan volgen, weet dat dit niet zo is. Er is geen ‘schuld’, maar als die er al is, dan ligt die eerder bij ons, als burger, kiezer. We combineren wantrouwen met ‘heel veel andere rationaliteit’ en dat doet ons politieke bouwwerk geen goed.

Ook hierin is de parallel met wat ik eerder besprak over ‘kwaliteit’ voelbaar. We nemen het woord kwaliteit vaak genoeg in de mond, ook in de context van de dagelijkse politiek, maar ontlopen het echte gesprek erover. Dat stuit op een gegeven moment natuurlijk op een grens. Hoe dan ook, meer en meer vertaalt de individuele niet-voorkeur zich in massagedrag. In het gedrag van een zwerm trekvogels.

Murmuraties

Het is een analogie die ik graag gebruik in mijn verhalen over campagnes, zeker in het voormalig Oostblok, waar nog een ouderwetse machocultuur kan heersen. Vergeet de figuur van de leider, vergaat dat persoonsgerichte. Op het totaal van alle maatschappelijke bewegingen kan ook zo’n leider niet veel doen. Zelfs de eerdergenoemde Donald Trump niet, zoals hij meer en meer zal merken. Door ons vermogen tot empathie, ons kunnen verplaatsen in de ander, worden we ook in een soort val gelokt, of beter gezegd: begrenzen we ons, want het is bekend dat we niet in staat zijn met meer dan een paar mensen of gebeurtenissen empathie te hebben. We moeten er echt aan werken om dat te snappen en ar aan te ontsnappen. Wat dat snappen betreft: weet u wat een vlucht zwermvogels doet bewegen? U weet wel, die heen en weer, op en neer gaande beweging van duizenden vogels tegelijk. Hoe werkt dat eigenlijk? Heeft u weleens in zo’n vlucht vogels een ‘leidinggevende vogel’ gezien: zo’n grote sterke vogel die voorop vliegt? Nee. Dat klopt, hoogstens zal een paar seconden zo’n vogel te zien zijn, maar dat is dan eerder toeval dan iets anders. In essentie is zo’n vlucht zwermvogels leiderloos. En toch werkt het. Als een heen en weer zwaaiende ‘murmuratie’ tegen een heldere herfstavond.

Dat komt doordat elke vogel zich gemiddeld aan dezelfde regels houdt. Het zijn, afhankelijk van de bioloog die je raadpleegt, zo’n 5 tot 7 regels, maar in de kern zijn ze te herleiden tot de volgende drie:

  1. Hou de vogels direct in je buurt in de gaten (dat zijn er slechts enkele)
  2. Vlieg naar het midden van de zwerm (daar is veiligheid)
  3. Zorg dat je niet op elkaar botst (dat is het gevaar)

In dat laatste geval zwenk je, samen met de vogels in je directe omgeving, uit en wordt een nieuwe richting voor de vlucht ingezet.

Zo werkt het onder vogels. En zo werkt het in toenemende mate onder mensen. Individuen met het gezag van een president moesten buigen voor de mensenmassa’s in Kiev en Kaïro. Omgekeerd werd een president in het zadel gehouden door een mensenmassa in Istanbul. Hoe? Door superieur werk van leidinggevenden? Integendeel. Die waren nergens te zien of werden zelf opgejaagd. Nee, het was doordat vriend X via facebook, Instagram, WhatsApp of hoe het ook een groepje vrienden mobiliseerde die weer een groep vrienden mobiliseerde, etc. Of door vriendin Y die vond dat het te gek was wat er allemaal gebeurde en of we ons op zaterdag of 10.00 uur in de ochtend zouden kunnen verzamelen op een plein. Neem de bus. Het start met de vrienden zoals we die in de gaten kunnen houden. We verzamelen ons en zoeken veiligheid en verbondenheid in de massa, maar het moet niet te gek worden want dan verspreiden we ons weer.

Honkvaste zwermers

Toch moeten we er wel iets bij bedenken. Zelfs vogels zijn meer dan een verzameling stimulus-respons reacties op externe prikkels. Ook zij hebben dingen in hun DNA of collectief geheugen die maken dat ze niet alleen maar willekeurig rondvliegen en min of meer logische routes volgen. Bij mensen is dat vanzelfsprekend nog veel meer het geval en ook zonder filosofische discussies over het bestaan van de ‘vrije wil’ weten we dat er bij mensen meer keuzes mogelijk zijn. Dat is ook reden voor optimisme: we leren en we kunnen ons aanpassen. Wat we beter door moeten hebben, is dat dit aanpassingsvermogen nu beperkter is dan voorheen, omdat we nu op een wezenlijk andere manier dan vroeger deel uit zijn gaan maken van massabewegingen.

Om dat uit te leggen – ik beken: ik doe dat langzaam en heen en weer zwenkend als een murmuratie, omdat ik hoop dat mijn punt zo beter te proeven is – begin ik hier, in de fysieke omgeving. Tussen datgene wat we kunnen zien: de wanden van een mooi gebouw. Deze lezing wordt gehouden in het voormalig Weeshuis, letterlijk gebouwd met aalmoezen. Samen met het hier tegenoverliggende Willem Vroesenhuis, een prachtig voorbeeld van een van de voorlopers van de welvaartstaat. Geloof maar niet dat het in die tijd fijn was om hier te leven. Toch, de stenen bleven geduldig. Dit weeshuis werd een echte school en daarna een prachtige bibliotheek. Nog maar heel onlangs is die bibliotheek verplaatst naar een parkeerplaats aan de rand van de stad. Een slimme, goede zet, omdat het daar meer mogelijk is ‘een beleving’ te creëren. Het geeft tegelijk ook aan hoe we ons als het ware via concepten toch proberen minder afhankelijk te maken van gebouwen en plaatsen. Het persoonlijke kan daarbij niet gemist worden. De nieuwe bibliotheek heet de Chocoladefabriek. Dat is in ieder geval een slimme verwijzing naar boek en film van Roald Dahl. Het is ook een verwijzing naar het industriële verleden erachter. Op het gebouw staat de beeltenis van Leo Vroman, die juist ten tijde van de opening bij zijn overlijden in belang even uitsteeg boven het niveau der kenners. We voelen de wereld groter worden en reiken naar alles wat die vertrouwd kan maken of in wiens schaduw we mee kunnen liften, maar ondertussen beseffen we nauwelijks hoezeer wij al onderdeel zijn van de grote massa. Hoe we ons terugtrekken in onze eigen cocon, in ons eigen huis, ons eigen beeldscherm van TV, computer en mobiele telefoon – en zo goed als tegelijk wegvliegen in wereldwijde web.

Het is natuurlijk niet nieuw wat ik hier beschrijf, maar ik vraag u toch dit laatste nog eens goed tot u door te laten dringen en daar het inzicht aan te koppelen over hoe zwermen zich gedragen. Laat ik u nog wat meer verleiden om de beleving letterlijk te maken. Iedereen die dit nu aan het lezen is, wil ik allereerst vragen goed om zich heen te kijken en te beseffen dat hij of zij nu tussen muren dit aan het lezen is, waarschijnlijk thuis of op een vaste plaats. Vervolgens wil ik iedereen vragen om (alleen figuurlijk!) de eigen stoel los te laten en omhoog te gaan vliegen. Voel je omhoogvliegen in de digitale lucht. Meng je tussen alle andere vogels daar en voel hoe die, gestuwd door allerlei mediawinden heen en weer en op een neer gaan volgens de regels die we eerder hebben besproken: kijkend naar de vogels het dichtste bij, zoekend naar veiligheid in het midden van de zwerm en wegzwenkend als je te dicht bij de anderen komt, wat nogal eens het geval is. Mocht je tijd over hebben om verder om je heen te kijken, zie dan dat de omgeving een andere is dan je stad of straat. Net zoals zwaluwen niet met ganzen vliegen, of ganzen niet met meeuwen, zo vlieg je hier ook niet rond met anderen dan gelijkgezinden. Maar ook met gelijkgezinden kan het ingewikkeld zwermen zijn. Dan weer een bocht naar links, dan weer een zwenking naar rechts. Voortdurend de anderen in de gaten houdend, je eigen vleugels beschermend. Veel tijd om na te denken is er dan niet. Waar vliegen we eigenlijk naar toe, behalve naar en van elkaar af?

De betere zwermboodschap

Het is mijn overtuiging dat in een tijd van zwermvorming, je maar weinig van elkaar kunt vragen. Dat is niet omdat mensen opeens dommer of slechter zijn geworden, maar omdat je meer dan genoeg hebt aan elkaar en je eigen vlucht en plekje in de zwerm.

De fout die wij maken – ik ben doorgaans geen uitzondering – is dat we op een de verkeerde manier de mensen binnen die zwerm proberen te bereiken, schreeuwend vanaf de grond. Beleidsvoorstellen? Te ingewikkeld. Een verkiezingsprogramma? Een paar van ons hebben belangstelling. Een lijsttrekkersdebat? Even. Ideologie? Geen tijd. Een nieuwe leider? Wie? Die kleurige man? Als hij de weg weet, ja natuurlijk.

Populisme werkt niet omdat het simpel is. Gematigde politici kunnen ook met iets simpels scoren. Simpel scoort omdat al het andere niet te zien is. Althans, zolang onze diepere instincten niet geraakt worden. En die hebben we wel. Wat voor vogels geldt, geldt nog veel meer voor mensen: de wens om thuis te raken, een plek om te landen en nesten te bouwen. Een wens die bij mensen zo sterk is, dat de zwerm niet afgewacht hoeft te worden. Initiatief bestaat. Wat er nodig is, is een richtinggevend idee, gebracht door een politicus die het uiterste bereikt in termen van kwaliteit van de politiek. En dus een boodschap brengt die simpel maar niet de zware niet plat slaat, eenvoudig is, maar wel de juiste richting wijst. Kwaliteit van de politiek krijg je als je allereerst beseft onderdeel van die zwerm te zijn en daarbinnen te vliegen. Je bent maar zo’n kleine vogel, eentje maar. Vergelijk je het aantal mensen dat politiek actief is met het totaal van de bevolking, dan is dat bijna niets. Maar omdat elke vlucht van een zwerm wel degelijk beïnvloedbaar is, zijn er mogelijkheden er een betere vlucht van te maken.

Meer d>n Nu

Zonder de pretentie dat ik die kwaliteit in huis heb, heb ik er wel lang over nagedacht wat de kernboodschap moet zijn. Ik heb die lang gezocht in een betere politieke ideologie, heb naar nieuwe structuren gaan zoeken en allerlei campagnetechnieken gezien en uitgeprobeerd. Toch faalt alles op twee punten: ze zijn te ingewikkeld en ze zijn te specifiek. Wat je nodig hebt is iets dat stimuleert en tegelijk uitnodigt om te argumenteren, om het in te gaan vullen. Meerdere jaren heb ik er over gedaan om iets te bedenken dat maximaal paradoxaal en maximaal basaal is. Het gaat om: ‘Meer d>n Nu. In mijn volgende en laatste blog zal ik daar apart op ingaan. Waar het hier om gaat, is dat de kwaliteit van de politiek in belangrijke mate wordt gemaakt door de kracht van de boodschap. Een kracht die wordt bepaald door de mate van herkenning en overeenstemming. (anders dan de ‘politiek van de kwaliteit’, waar het gaat om de kracht van het proces dat tot overeenstemming leidt. Het start dus met een boodschap die echt basaal is: het gaat om MEER d>n NU!

Peter Noordhoek

Over de politiek van kwaliteit

‘Kwaliteit als de langste route naar ruzie’

Dit is het eerste deel van een lezing die min of meer zo uitgesproken is op 16 juni 2017 op een bijeenkomst ter gelegenheid van 60 jaar Peter Noordhoek, 22,2 jaar Northedge, 20 jaar Gouda en 35 jaar CDA. Wat dit laatste betreft: bij een volgende gelegenheid wordt het verhaal over de ‘politiek van de kwaliteit’ verteld.

Kwaliteit draait toch om klantentevredenheid? Of niet? Hoort daar een verhaal over kwaliteit niet te beginnen? Misschien wel, maar ik moet dan altijd aan een blikje ananas denken – Dole’s Pineapple slices – en dan de schijfjes, niet de stukjes. Ik heb uit langdurig onderzoek naar de klantentevredenheid over zowel producten als diensten geleerd dat een blikje ananasschijfjes de hoogste klantentevredenheid gaat opleveren. Meer dan een Marsreep, veel meer dan een auto en heel veel meer dan dienstverlening, bijvoorbeeld via de horeca. helemaal onderaan stond overheidsdienstverlening, bijvoorbeeld zoals geleverd door de Belastingdienst. Waarom is dat zo? Vrij eenvoudig eigenlijk: met een blikje ananas kan bijna niets mis gaan: zoete troep dat niet wil bederven. Over de lange termijn kan er veel minder mee mis gaan dan met een smeltend iets als een Mars, laat staan dat er meer fouten worden gemaakt met zo’n blikje dat met de dienstverlening door mensen. Pas dus op met het gelijkstellen van kwaliteit aan klantentevredenheid, zeker als het om mensen gaat. Maar er valt juist als het om mensen gaat, wel degelijk heel veel over kwaliteit te vertellen, tot en met de politiek ervan. Maar hoe moet ik daarover vertellen? Ik ga terug in de tijd, naar de eerste keer dat mij gevraagd werd ‘iets over kwaliteit’ te vertellen.

Wat is kwaliteit?

Ik sta recht voor mijn boekenkast. Mijn kast staart terug. Geen van beide bewegen we. Wie eerst? Ik reken er op dat ergens een boek over kwaliteitszorg zich meldt, zodat ik weet waar ik het over moet hebben. Niets beweegt. Geen kaft, geen woord. Morgen moet ik vertellen hoe we aan ‘kwaliteit’ gaan werken en ik heb geen idee. Geen idee waar ik moet beginnen. Kom boek, kom. Niets beweegt, ook niet als ik langzaam, uitdagend, mijn ogen over de boekruggen laat glijden.

Dan, in mijn hoofd, keer ik mijn rug naar de ruggen en stel mijzelf prompt de verkeerde vraag: ‘Wat vind ik een goed boek?’ Per direct geef ik mijzelf een draai om de oren. ‘Goed’? ‘Goed’ is geen goed woord dat ik aan een ander uit kan leggen. Het moet specifieker. OK, OK, moment graag. En dan vraag ik mijzelf af: ‘Waarom vind ik dit boek goed?’ Nu kan ik het vertalen: ‘Wat vind ik een boek dat ‘kwaliteit’ uitstraalt?’

Daarmee heb ik het te pakken. Als ik mijzelf uit kan leggen wat ‘kwaliteit’ is, dan kan ik het waarschijnlijk ook aan anderen uitleggen. Denk ik. Terzijde: wat ik u nu vertel, heb ik al vaak verteld. Het staat zelfs als video op de site van Northedge. Maar na al die jaren sta ik eigenlijk nog steeds voor die boekenkast en ontdek ik iets nieuws. Soms in de kast, vaker in mijzelf, soms in u, mijn publiek. Dat laatste is nu ook het geval en daarom vraag ik u, kom met mij mee voor deze boekenkast staan.

Vier boeken

Het eerste boek dat ik uit de kast pak vraagt daar om met een foute rug vol goudopdruk. Ik haal het tevoorschijn en herken het: een boek vol schamele Schotse rijmelarij. Leuk bij een glas whisky en verder nergens anders bij. Maar dat het boek als eerste mijn aandacht trok is niet vreemd: het is een prachtige uitgave. Elke bladzijde is perfect gedrukt, gebundeld en ingebonden. Als het om de kwaliteit van het drukwerk gaat, dan is dit kwaliteit.

Maar het moet toch over de inhoud gaan? Dat bepaalt toch de kwaliteit? Maar waar haal ik zo’n boek vandaan? Laat ik het gezag van de recensenten volgen, van onze literatoren en, grootser nog, mijn eigen leraar op school. Als tweede boek pak ik Gerard van het Reve’s ‘De avonden’ uit de kast. Dat is goed. Dat is literatuur. Wel jammer dat ik er niet doorheen kwam. Maar dat ligt aan mij. Niet aan de recensent, niet aan de kwaliteit.

Al met al heb ik nu twee boeken in handen gehad die ik uiteindelijk niet met kwaliteit associeer. Wat is het alternatief? Uit de kast pak ik Isaac Asimovs’ ‘Foundation Trilogy’. Dat is science fiction. Literair gesproken worden nu de wenkbrauwen gefronst, maar ik vind het prachtig. En er is nog iets. Het boek ziet er eigenlijk niet uit, met een plastic kaft, grofgesneden bladzijde en wat geel wordende bladzijden. Maar het is wel een eerste druk. Hier betaal je nog altijd goed geld voor. En is dat niet bovenal de manier waarop we kwaliteit uitdrukken? Kwantitatief, in harde munt? Is het niet zo, dat hoe meer je voor een auto betaalt, hoe beter deze zal zijn? Werkt dat ook niet zo voor Duitse auto’s? Kwaliteit dus uitgedrukt in een prijs.

Dus: een mooie band staat niet garant voor kwaliteit, de inhoud ook niet, maar prijs wel? Zo simpel is het dus ook niet.

Uit een hoekje van mijn boekenkast wurm ik een pocket. Wanneer het me lukt hou ik verschillende delen in mijn handen. De kaft vergaat. Letterlijk. Zeldzaamheidswaarde heeft het niet. Met de oud-papier prijzen van nu krijg je er niet eens meer een cent voor. Letterlijk. Inhoudelijke kwaliteit heeft het ook niet. Het gaat om Karl May’s ‘Winnetou’, een cowboys- en indianenverhaal uit de 19e eeuw. Toen al verdacht: de auteur zou uiteindelijk tijd in de gevangenis doorbrengen vanwege plagiaat. Maar emotioneel heeft dit zo’n kwaliteit! Denk aan een jongen die onder de dekens ligt en met een lampje nog leest. Leest over een sterke man die met één klap zijn tegenstander neer kan leggen. Leest over een indiaan die nooit zijn gezicht uit de plooi zal trekken, nooit bang is.

Dus: 4 maal een boek, 4 maal een andere definitie van kwaliteit. En daarbij, belangrijk om te beseffen, gaat het slechts over een ding: niets meer dan een verzameling karton, papier, drukinkt – of anno nu een verzameling elektronica – maar vooral iets dat je kan beetpakken, omdraaien bestuderen en wegleggen. Het is meer dan een idee; het is hard, concreet. Dus: een beetpakbaar geheel dat op hetzelfde moment verschillende definities van kwaliteit kan dragen.

Concreet en beetpakbaar

Tegen het moment dat ik dit bedacht heb, had ik mij al lang weer richting de boekenkast gekeerd. Alleen zag ik nu geen boeken meer, maar mensen. Mijn publiek. En naar hen toe zei ik, met op dat moment slechts een enkel boek in mijn hand: ‘Kijk, ik heb hier iets in mijn hand dat concreet is. Papier, karton, drukinkt. En toch houdt dit boek een definitie van kwaliteit voor mij die jullie waarschijnlijk niet kunnen raden, laat staan kennen. Als ik jullie iets over kwaliteit wil vertellen, dan moet ik het eerst aan mijzelf uitleggen’. En toen ging ik over mijn vier boeken vertellen.

En stokte. Ik was er nog niet. Waarom zou mijn publiek in mijn kwaliteitsdefinities geïnteresseerd zijn? Wat is het meer dan een nieuwe manier om moeilijk te doen? Maar toen wist ik waarom. Want dat publiek van mij, dat vormt een organisatie. Ze moeten samenwerken. En in die samenwerking komen ze elkaar voortdurend tegen in het afgeven van talloze kwaliteitsdefinities. Eigenlijk, en dat heb ik toen maar letterlijk gedaan, moeten er voortdurend stapeltjes boeken worden gevormd: concrete dingen waar wel allerlei verschillende kwaliteitsdefinities aan hangen. Die zie je niet, maar zijn er wel en ze kunnen het stapelen van die boeken zowel heel handig als erg hinderlijk maken. Als dan zaken vastlopen of beter kunnen, dan weet je dus ook dat het geen zin heeft om lang naar die boeken, die concrete dingen te kijken, maar om helder te maken of de kwaliteitsdefinities wel of niet worden gedeeld. Moeilijker gezegd: door impliciete definities expliciet te maken.

Waarna de volgende stap komt: de expliciete definities zo te stapelen dat ze in het verlengde komen te liggen van die van een andere expliciete definitie: het doel van de organisatie. Allemaal boeken op een rij, wijzend in de richting van een doel.

En zo heb ik het verteld. Het werkt. Ik kom nu nog mensen tegen die mij in de jaren negentig met mijn boeken zagen goochelen en dat onthouden hebben. Een videootje ervan doet het heel behoorlijk op mijn site. Natuurlijk zijn er mensen die mij uitdagen om mijn metafoor over kwaliteit te moderniseren, maar dat is prima, zoals ik hierna nog duidelijk wil maken. De vraag is natuurlijk wel wat er is onthouden van ‘die leuke boekenmetafoor’. Vraag ik daar op door, dan komt het er op neer dat ik mensen geleerd heb dat kwaliteit een relatief begrip is en dat we allemaal steeds weer andere kwaliteitsdefinities hanteren. Hoezeer dat ook klopt, het mist wel het belangrijkste punt.

Elke keer als we een kwaliteitsdefinitie expliciet maken, maken we in feite elke keer weer duidelijk dat we niet dezelfde kwaliteitsdefinitie delen. En hoe meer we gaan schrijven of spreken over de eigen kwaliteitsdefinitie, hoe duidelijker het zal worden dat die definities verschillen. Dat geldt al heel snel voor stapeltjes papier, karton en drukinkt, dat geldt al helemaal voor zaken die minder concreet beet te pakken zijn.

De eerste conclusie: kwaliteit is de route naar ruzie

Staande voor die kast heb ik dat niet voldoende doorgehad en ook later ben ik dat blijven onderschatten. Erger is dat ik heb onderschat hoe graag anderen dit ook onderschatten. Ruzie wordt uit de weggegaan. Ruzie is een hard woord, wat precies de reden is waarom ik het gebruik. Juist in het conflict worden scherpe kanten zichtbaar. Natuurlijk kan je ook beginnen met het zoeken naar overeenkomsten in plaats van naar de verschillen, maar de kans dat je conclusies dan minder scherp zullen zijn is groot. En daarmee heb ik het bruggetje gemaakt naar het eerste deel van de titel van mijn verhaal: ‘de politiek van kwaliteit’. Meningsverschillen zijn het domein van de politiek. Beter gezegd; politiek gaat over het hanteerbaar maken van die verschillen, om het kunnen leven met ruzie, het lelijke woord voor conflict. Democratie is een van de vormen daarvan, maar dan moet je wel weten welke vorm ervan.

De tweede conclusie: kwaliteit neemt de langste route naar ruzie

Is er geen discussie over kwaliteit, dan is kwaliteit ook geen thema. Dat is wel iets om over na te denken. Niet slechts wanneer ik sta voor een letterlijk en figuurlijk stomme boekenkast, maar in de publieke arena, voor u, jij en iedereen. Kwaliteit is een open deur, wordt er wel gezegd. Niemand is tegen kwaliteit, iedereen is voor, wordt er wel gezegd. Maar dat is dus helemaal niet waar. Zodra iemand ergens een omschrijving of hoedanigheid van aangeeft en zich openstelt of kwetsbaar maakt voor een discussie daarover, stopt die persoon met wegmoffelen en komt het woord tot leven. Dat komt direct ook het potentiele conflict, de ruzie, tot leven. Het woord kwaliteit bestaat omdat het bestaat, de betekenisrand zoals er omheen wordt getrokken is er voldoende bewijs voor. Denk maar aan de omschrijving van een ‘zwart gat’ in het heelal boven ons. Een zwart gat valt per definitie niet te zien; deze is immers zwart. Echter, daar waar materie in het gat valt laat het nog voor de laatste keer licht zien en wordt de rand zichtbaar. Zoiets is het ook met het kwaliteitsbegrip, maar dan op een ietsiepietsere schaal.

De kunst van het wegmoffelen

Ben ik nog te volgen? Laat ik eerst een statement afgeven: als eenmaal het woord ‘kwaliteit’ in een discussie gevallen is, dan is er dus ergens sprake van een op z’n minst potentieel conflict. Ik benadruk het woord potentieel. Hiervoor heb ik schandalig negatief gesproken over een Schotse dichter, een Nederlandse Beroemde Schrijver en het collectief van literatoren. Positief was ik over science fiction, de werking van het prijsmechanisme en het werk van een Duitse gevangenisklant. Lezer, wilde u in opstand komen? Ik dacht het niet. Waarschijnlijk heeft u slechts met enig medelijden kennisgenomen van de woelingen van een dode bomenverzameler van 60. U heeft waarschijnlijk al genoeg aan de conflicten die u heeft met uw tijd en met uw collega’s en familieleden om er niet nog een conflict over de kwaliteit van boeken bij te halen.

Spreken over kwaliteit is het voorzichtig naar boven halen van een meningsverschil in de hoop dat het hanteerbaar blijft. Het conflict wordt niet echt gezocht, maar er is wel een belang om de eigen positie te verdedigen. Kwaliteitszorg gaat tot nu toe over de kunst van het wegmoffelen, over het nemen van de langste route naar ruzie. Daarvoor stonden ons tot nu toe zo’n drie ‘scholen’ ter beschikking. Vandaag zet ik daar een vierde ‘school’ naast. Elke school bestaat uit een bepaalde techniek om het conflict over kwaliteit mee weg te moffelen.

Kwaliteit in de nanoschijn. De eerste school, de ‘epirische’ of ‘normatieve’ school

De eerste techniek is die van het meten. Dat is de meest klassieke. De school die het meten centraal stelt wordt wel de empirische school genoemd. Of, ter verwarring met de indeling van auteurs als Vinkenburg, ook wel de ‘normatieve school’. Dat laatste komt van de neiging om normen aan nummers, aan getallen te verbinden.

Bij producten en diensten gaat dat verbinden aan nummers buitengewoon goed. Zo goed dat we onszelf daarin niet meer kunnen volgen. Pakt u uw mobiele telefoon eens beet. Dat ding dat u altijd dichtbij u heeft. Staar er naar en besef dan dat uw iPhone een kloksnelheid heeft van 2,34 Gigahertz per seconde en uw Galaxy S7 Edge slechts een snelheid van 2,2 Gigahertz. Overigens is 2,4 Gigahertz ongeveer gelijk aan dat van een magnetron, maar daar zullen we hier maar niet over hebben. Een Gigahertz is gelijk aan 1 miljard Herz, met een cyclus van 1 nanoseconde. Dat is een gegeven dat u kunt beredeneren, maar niet kunt snappen zoals u het snapt als ik de bladzijde van een boek om sla. Ons vermogen tot meten is eigenlijk groter aan het worden dan ons vermogen tot weten. Weten in de zin van beseffen. Het weten is gedelegeerd aan instrumenten, machines en keurmerken. Allemaal gecontroleerd, gevalideerd, geauditeerd. Conflicten worden zo ver weg op de route naar ruzie gelegd. Wel is het daardoor zo dat we het ook niet meer hebben over het feit dat we een magnetron aan onze oren houden. Kwaliteitszorg als nanowegmoffelstragie.

Kwaliteit als dronkemanshulp, de ‘ontwikkelschool’

Nog veel meer wegmoffelen zie we als het gaat om het meten van mensen en onze organisatie. We hebben het deze dagen veel over fake nieuws en overal laten we de feitenchecker op los, maar eigenlijk vind ik dat daar zo langzamerhand meer onvermogen dan onkunde achter schuil gaat. Terwijl we eigenlijk zo lekker op weg waren met onze discussie over kwaliteit op organisatieniveau. Waren we in de jaren tachtig nog vooral bezig met allerlei norm en meetdiscussies in het kader van wat we nu de empirische school kunnen noemen, in de jaren negentig tot aan ongeveer de crisis van 2007, zou de discussie over kwaliteit verbreed worden tot iets dat eigenlijk zo’n beetje alles omvatte. De term ‘ontwikkelingsgericht’ kan dat het beste pakken. Deze school gaat ervan uit dat je een systeem van regelkringen kunt bouwen met daarin alle elementen van een organisatie. Modellen als die van INK en EFQM pakken dat het beste. Ik hanteer ze nog steeds graag. Het werkt als een model, of beter nog als een bril. Een bril met zowel een glas dat geschikt is voor ver zien als voor dichtbij zien. Een beetje zoals mijn ogen, zeg maar: één verziend, één bijziend. Mijn vriend en collega heeft mij wel eens gezegd dat ik ook zo ben en dat het middenspectrum soms ontbreekt. Die observatie laat ik bij hem. In het dagelijks leven draag ik geen bril, als adviseur heb ik deze systeembril veel en graag opgezet. Met die bril op konden ik en mijn vele collega’s kwaliteit wel degelijk vergaand benoemd krijgen. Zo’n INK-traject was wel lang, maar naar we dachten niet te lang. We zaten er naast. Het INK-model werd een hype en net als elke hype raakte het verstrikt in te hoge verwachtingen. De lange INK-route naar kwaliteit liep vast in een file van papieren en processen. En in meer. In een hele cultuur van prestatie-indicatoren en benchmarks. Want meten bleef wel weten. Managers moeten wel ergens op kunnen sturen.

Mag ik u opnieuw vragen naar uw mobiel. Vergelijk die dan eens met die van uw buurman of buurvrouw. Zijn ze hetzelfde? Misschien bij de eerste blik wel. Zouden we hem openmaken, komt de kloksnelheid ook ongeveer overal op de 2 Gigahertz uit. Maar voor het overige? Zijn de apps hetzelfde? Is het hoesje hetzelfde? Nog belangrijker: is de emotionele waarde hetzelfde? In de negentiger jaren mocht ik op basis van het INK-beschrijvingen doen van bijvoorbeeld het gevangeniswezen. Dat was ongelofelijk veel, maar bij alles kon ik mij wat voorstellen, vielen er kwaliteitsdefinities te formuleren. Nu realiseer ik mij dat een enkele mobiele telefoon in zekere zin, en zeker in technische zin, al complexer is dan het gehele gevangeniswezen. En dat er om een enkele telefoon ook de emoties van vele gevangenen kunnen hangen. Of niet? Dat heeft u dus in de hand, concreet. En tegelijk kunt u er niet bij, kan ik er niet bij. Ze worden gemaakt in Korea, Taiwan en China op basis van Amerikaanse algoritmes en Europese marketing. En tegelijk kan ik er eigenlijk niet met u over in gesprek gaan zonder als het ware uw hacker te worden, uw privacy te schenden. We staan meer met elkaar in contact dan ooit en kunnen tegelijk niet meer zo bij elkaar komen dat we elkaars definities van wat we goed of slecht vinden aan onze telefoon, ons kwaliteitsbegrip dus, op elkaar kunnen leggen en tot ruzie of overeenstemming komen. En wat voor onze telefoon geldt, geldt voor zoveel andere zaken.

Daarom wil ik u nog even graag de grap van de dronkenman bij de lantaarnpaal vertellen. Het is laat in de avond. De maan schijnt. Een echtpaar ziet een man scharrelen onder een lantaarnpaal. ‘Wat doet u?’, vraagt een van de twee. ‘Ik zoek mijn sleutels’, klinkt het slissend en kreunend. Waarop de ander 10 meter verderop wijst en zegt: ‘Maar uw auto staat daar!’. Dan is het even stil en zegt de man bij de lantaarnpaal: ‘Ja, maar hier is het ten minste licht’. Na deze grap een paar keer te hebben verteld, heb ik het omgedoopt tot het ‘lantaarnpaalsyndroom’; de neiging om dat te meten wat meetbaar is, in plaats van dat wat gemeten zou moeten worden. Het resultaat: talloze vertekende conclusies en auditrapporten waarvan mensen in organisaties verdraaid goed doorhebben dat de conclusies niet kloppen of irrelevant zijn. Die in wezen weer een extra lange route blijken om het niet echt over kwaliteit te hebben.

 

Het is een metafoor die ik vaak heb gebruikt en weer onvoldoende heb doordacht. Want als je er over nadenkt kan het bijna niet anders of we zijn allemaal ‘lantaarnlijers’. Ons ontbreekt de sleutel tot zoveel echte kennis, dat we bijna niets anders kunnen doen dan te proberen nog net die lantarenpaal te vinden die nog iets van licht op de auto werpt om daarna tastend onze sleutels te gaan zoeken. Weet u, er zijn momenten dat ik denk dat de hele sociale wetenschap één groot lantaarnpaalsyndroom is, maar ik denk dat ik voor nu al genoeg overhoop haal. Voor je het weet ga je over Schrödingers kat en het Heisenberg dilemma hebben, terwijl ik eigenlijk niet anders bedoel dan dat het mij verdorie maar niet lukt om over ‘echte’ kwaliteit te hebben.

In ieder geval is deze ontboezeming van mij een beetje laat. Er is de afgelopen jaren hard en duidelijk met al het managementdenken en haar valse meetzucht afgerekend. Dat dit komt omdat we het nooit goed begrepen hebben en in dat afwijzen zijn doorgeslagen, doet er niets aan af dat de ontwikkelschool voor het moment door Old Shatterhand helemaal knock-out is geslagen.

Kwaliteit als zachte heelmeester: de inspiratieschool

Er is een alternatief voor in de plaats gekomen. Dat zou mijn sympathie moeten hebben, maar heeft het maar deels. Het wordt wel de ‘inspiratieschool’ genoemd en ik begrijp waarom. Het gaat er van uit dat kwaliteit – hoe ook omschreven – alleen kan worden bereikt als de mensen die het betreft er diep van doordrongen zijn – vandaar het woord ‘geïnspireerd’ – dat dit nodig is. Het blijft vaag als het gaat om de vraag wat die kwaliteit dan is. Of beter gezegd; het blijft heel individueel bepaald welke definitie wordt gegeven, maar het gaat in ieder geval om mensen die voor zichzelf de ‘waarom?’ vraag kunnen beantwoorden: ‘waarom wil ik dit?, waarom doe ik dat?’ Dit spreekt eerst en vooral de mensen aan die zich een professional voelen, of dat zouden willen zijn. Vertrouw me, geef me de ruimte en ik lever kwaliteit. Welke kwaliteit? Mijn kwaliteit, want niemand anders dan ik kan die bepalen.

En dan snapt u inmiddels wel waar het probleem komt te liggen. Professionalisme als manier om de kwaliteitsdiscussie weg te moffelen. Weet u nog dat ik die boeken eerder in het verlengde van het doel van de organisatie legde? Dat wordt hier al snel vergeten. Dan is het al snel de organisatie die voor de professional werkt in plaats van andersom. Dat wordt vervolgens een staande uitnodiging voor al die inspecties en toezichthouders om het soort ruwe druk op het stelsel te leggen dat zonder die druk niet uit de betrokkenen zelf voortkomt.

Nogmaals, het is een sympathieke school. Positief ook. Denk maar aan ‘appreciative inquiry’, waarderend onderzoek. Ik denk dat die methode in de praktijk moeilijker is dan het lijkt, maar ook dit heeft mijn sympathie. Alleen, ik denk wel dat het een kwaliteitsbenadering is die past bij individuen die al erg bezig zijn met kwaliteit. En ook als het om kwaliteit gaat, worden de rijken rijker en de armen armer. Het is opvallend hoe slecht een innerlijke drijfveer zich laat overbrengen op een nachtzuster met teveel patiënten en een te lange dienst.

Nu hebben we de bekende scholen gehad en u staat nog steeds met lege handen. Wat een feestje is het hier. Wat zal ik doen? Ik denk dat ik het nog erger ga maken, maar dat ik wel met een soort oplossing kom.

IJskoude kwaliteit: de politieke school

Zelf weet ik daar maar één ding tegenover te stellen en dat zijn de middelen die mij ter hand zijn gesteld in een arena die zo mogelijk nog erger is dan die van de kwaliteit: die van de politiek en van het campagnevoeren. En ja, dan komen al die lelijke beelden boven van framing, manipulatie en machtsbederf. Dan zou je denken dat je het alleen maar erger maakt.

Maar dat weet ik nog zo net niet. Ook dat zijn maar beelden en doen geen recht aan de mooie manieren zoals we die als samenleving hebben ontwikkeld om tot besluiten te komen. Niet alles hoeft te gaan langs de lijnen van de parlementaire besluitvorming, maar kan ook lopen van het simpel overleg tussen twee personen aan een statafel zoals waar ik deze lezing uitspreek tot en met de congressen en ledenvergaderingen waar de massa’s elkaar ontmoeten, we hebben als mensen zo onze manieren en het overgrote deel ervan werkt.

We hebben het dus over een normatieve school gehad die al metend op steeds modernere wijze weg komt van zelf geformuleerde en gedeelde kwaliteitsdefinities. We hebben het gehad over de ontwikkelgerichte die hoopvol en systeemgericht meer is gaan omarmen dan het aankon. En we hebben het over de inspiratieschool van kwaliteit, die veel en waarschijnlijk teveel bouwt op de eigen individuele maat voor kwaliteit. Mijn gedachte is dat er een school bij moet komen die er net als alle andere scholen van uit gaat dat het expliciet maken van kwaliteitsdefinities in beginsel een goede zaak is, maar die daar een andere route voor wil afleggen. Niet gericht op de norm, maar op hoe het is. Niet gelegd op de kwaliteitsdefinitie van een individu, maar op die van het totaal van betrokken individuen, partijen en alle banden daartussen. Niet gericht op ontwikkelingen, maar op posities.

Om dat duidelijk te maken, iets uit mijn praktijk van het begeleiden van branches en beroepsverenigingen bij het opzetten en invoeren van kwaliteitsstelsels. Doorgaans gebeurt dat in de vorm van wat dan intercollegiale toetsing’ of ‘peer review’ heet. Het komt er op neer dat de ene collega bij de andere op bezoek gaat. Daarbij wordt ook zeker het een en ander gecontroleerd, maar de kern is een goed gesprek waarin de ene collega de andere collega een spiegel voorhoudt.

De eerste keer dat ik meemaakte dat het kwaliteitsstelsel van een branchevereniging onderuitging toen de leden zich er over uit moesten spreken, was ik echt geschokt. Hoe kunnen de leden hier tegen zijn? Het is toch zo goed voor hen? Wilden ze dan liever het toezicht van een inspectie? Ik begreep er niets van. Inmiddels, de nodige bestuurscrisissen verder, verwacht ik ze en hoop nu zelfs dat ze er zijn, want dat is een teken dat het serieus is. Wat we inmiddels gecreëerd hebben, als goed bedoelende managers en adviseurs, zijn hele legers van mensen die al die manieren waarop we geprobeerd het de kwaliteitsdiscussie weg te moffelen als het ware teruggooien in ons gezicht: de terreur van de normen en getallen uit de eerste school, de eindeloze complexiteit van de tweede school, het harde zachte uit de derde school. We hebben iedereen de taal gegeven om ons als veranderaars de wapens mee uit de handen te slaan. Om het in Annie M.G. Schmidt taal te zeggen: ‘Er is geen wegmoffelen meer’. Je moet de strijd aan als je bedrijf, branche, vereniging of persoon wat wilt. En dat is goed. Als je op de juiste manier doorzet, dan komt er iets uit dat mooi en de moeite waard is.

Daar heb ik een metafoor voor meegenomen. Een blok ijs. 

Wil je iets veranderen, dan is het vaak net alsof je met je handen door een bak water gaat. Er gebeurt van alles. Het water gaat alle kanten op: het draait, kolkt, spettert en cirkelt. Maar zodra je stopt met het door het water gaan van je handen, stopt ook het bewegen van dat water. Alles kan van plaats veranderd zijn maar, behalve je eigen natte handen, is er geen zichtbaar effect van wat je doet. Er valt in de kern niets beet te pakken. Dat wordt anders als je water gaat verwarmen of bevriezen. Verwarmen van het water is een idee, maar je houdt er uiteindelijk minder van over. Dan is bevriezen een beter idee. Het grote voordeel is dat je het beet kan pakken en bewegen; het glijdt zelfs best lekker. Je handen worden er wel koud van en het ijsblok gaat in de vorm van smeltwater direct weer terug naar de oude vorm, maar ondertussen heb je alles wel kunnen bewegen. Tenzij het een snikhete dag is, is het niet leuk om dingen te bevriezen, maar het werkt wel.

Deze metafoor staat voor mij voor de politiek van kwaliteit. Je gaat niet wild door het water slaan of er slechts wanhopig naar kijken. Je kijkt rustig en gaat dan relaties proberen te bevriezen tot er iets ontstaat – een overeenkomst, een norm of een grens, die houdbaar blijkt. Dan ga je naar het volgende toe, en zo verder. Het kan dat er achter jouw rug van alles weer gaat ontdooien, maar dat is dan zo. Je vak is in belangrijke mate het beheersen van de relatie zodat daarbinnen iets van kwaliteit kan ontstaan. Jij bent het doorgaans niet die bepaalt welke kwaliteit het wordt. Die invloed heb je niet. Je maakt het wel mogelijk.

De politiek van kwaliteit is dus gericht op het vormgeven van de discussie over kwaliteit. Het gaat om het zien en creëren van verbanden, niet om het op voorhand stellen van normen. Het is pessimistisch in de zin dat niet direct wordt verwacht dat er overeenstemming is over kwaliteit, het is optimistisch in de zin dat het altijd mogelijk is om een collectief te creëren waaruit een kwaliteitsdefinitie kan voortkomen. In mijn beste poging tot objectiviteit zou ik daarbij willen zeggen dat er meer kwaliteit is dan ooit, maar nooit genoeg en dat we die kloof alleen kunnen dichten door ook de politieke weg te volgen. Het moet meer dan goede bedoelingen zijn. Anders kom je nooit dichter bij kwaliteit.

Dit is het eerste deel van een lezing die min of meer zo uitgesproken is op 16 juni 2017 op een bijeenkomst ter gelegenheid van 60 jaar Peter Noordhoek, 22,2 jaar Northedge, 20 jaar Gouda en 35 jaar CDA. Wat dit laatste betreft: bij een volgende gelegenheid wordt het verhaal over de ‘politiek van de kwaliteit’ verteld.

Peter Noordhoek over de politiek van kwaliteit

De juiste man op het juiste moment. Helmut Kohl 1930-2017

Op 16 juni vierde ik mijn 60e verjaardag en nog wat andere jubilea (dank u, dank u. Ik kom er op terug). Vlak voordat ik naar bed ging, hoorde ik dat op dezelfde dag Helmut Kohl overleed. Ik heb hem één keer ‘live’ gezien en gehoord, in 1993 in Rotterdam en toen heeft hij wel indruk gemaakt. Er was echt een staatsman aan het woord. Zeker als het gaat om de rol van Duitsland in de geschiedenis was zijn getuigenis indrukwekkend. Tegelijk was hij voor een groot deel van mijn leven vooral de grote, dikke minister-president van een groot, dik land, van Duitsland. Wij hielden niet zo van Duitsland, in die tijd. In deze blog kijk ik terug op een tijd vol misconcepties over Duitsland, maar vooral ook over onszelf. Een kwestie van generatie, zo denk ik. Van de dominante generatie en waarin die ons meeneemt.

Stille mannen, stille afspraken

Na de oorlog kregen we de stille generatie. Vooruitkijken, niet terugkijken, was het devies voor hen. Als je sprak, dan was het over de toekomst en je rotsvaste vertrouwen in God, terwijl zij wisten dat elk moment alle zekerheden onder de voeten kon worden geslagen. Ik ben geboren uit die generatie. Een generatie die ons hele vaste grond onder de voeten heeft geboden, waardoor we als kinderen konden negeren wat ze ons probeerden te leren ‘over het opeten van je bordje, want in de oorlog …’.
Een stille generatie bracht stille leiders voor. Karakters waar je niet toe door kon dringen, want daar waren de tijden en zijzelf te gesloten voor. Maar de richting die ze op wilden was kenbaar uit hun daden. Geen moment was daarin belangrijker dan de afspraak, de uitruil, die Robert Schuman (en Collega Mollet) voor Frankrijk en Konrad Adenauer voor Duitsland in 1957 maakten. Beiden afkomstig uit het Frans-Duitse grensgebied, wisten ze dat niets belangrijker was dan over de wederzijdse grenzen heen te gaan bouwen. Heel pragmatisch werd een deal gemaakt waarbij Duits geld naar Frankrijk vloeide in ruil voor participatie in dat nieuwe Europa, maar beiden wisten, stilzwijgend, dat het om veel meer ging. In Nederland moest een premier als Drees weinig van dat verbond tussen Fransen en Duitsers hebben en keken naar het Verenigd Koninkrijk om zo nodig een stok in het wiel van de Europese eenwording te steken.

Tussengeneraties

De generatie leiders die daarna kwam bestond ook stuk voor stuk uit indrukwekkende persoonlijkheden, maar elk kwam klem te zitten in een tijd van te hoge verwachtingen en bekneld gezag.
In de Verenigde Staten werd dat gesymboliseerd door de tegenstelling in stijl tussen Kennedy en Nixon (scherper nog dan die nu tussen Obama en Trump). In Europa leek het rustiger, maar dat was meer schijn dan werkelijkheid. De Gaulle verenigde en verscheurde zijn eigen land – en gijzelde Europa met zijn door en door Frans gekleurde visie. Een opvolger als Pompidou was daar ook niet sterk genoeg voor. Willy Brand en Helmut Schmidt wisten in Duitsland behendiger om te gaan met de tijd waarin ze leefden, maar ook zij waren meer met aanpassing dan doorbraak bezig. Voor een doorbraak keken zij vooral naar het oosten en eerder richting Berlijn dan Parijs.

Macher

Zelf had ik net met veel moeite mijn eerste baan verworven op het moment dat Kohl op het Duitse toneel aantrad. Dat gebeurde ongeveer tegelijk met Mitterand, Thatcher, Reagan en onze eigen Lubbers in hun landen. Zij waren in mijn beleving allen minder staatsman en meer manager en hervormer dan hun voorgangers. Thatcher en Reagan waren duidelijk de meest idealistische, Mitterand, Kohl en Lubbers meer de ‘machers’. Allen stonden voor een enorme taak om de totaal ingestorte economie en een gedesillusioneerde babyboom generatie weer in beweging te krijgen en dat in een tijd dat in plaats van iPhones er kruisraketten en neutronenbommen op de markt werden gebracht. Elk zou op een eigen manier in slagen, regelmatig tegen alle verwachtingen in, om verandering te brengen. Lang dacht ik dat Kohl de minste was van de hier genoemden. Waar kwam dat door?

Allereerst door de man zelf. Groot, grof, lomp. Zo kwam hij over. Zo anders ook na de door mij bewonderde Helmut Schmidt. Willy Brandt was de man die de moed had om een doorbraak naar het oosten te maken, een idealist waar je enthousiast over kon worden. Helmut Schmidt was de realpolitiker, iemand die je het gevoel gaf dat hij met Henry Kissinger de slimste man van de wereld was en als enige de Amerikanen met een soort superioriteitsgevoel tegemoet kon treden. Kohl was .. tsja, Kohl was.

Een maatje te klein

En wij Nederlanders, ik niet uitgezonderd, keken bepaald niet op een objectieve manier naar de Duitsers. Dat was in de eerste plaats door de oorlog. De generatie die de oorlog had meegemaakt was er nog en was ook begonnen te vertellen. Steeds meer kwamen we te weten. We kwamen ook te weten dat er meer grijs was dan alleen wit of zwart, maar dat veranderde het beeld van ‘De Duitser’ nauwelijks, of het moet door prins Claus zijn veranderd. Als Nederlanders werden we zelfs feller naar mate ons eigen succes groter werd: economisch, maar vooral sportief. Met voetbal voelden we ons gelijk, soms zelfs superieur, ook al wist je dat de Duitser tot het laatste moment doorging. Wat we niet zagen, te laat zagen of niet wilden zagen, was hoe de zwakte van het oosten tot een ‘wende’ zou leiden waarvan Duitsland onontkoombaar de grootste winnaar zou maken. Het was vooral Lubbers die een maatje te klein zou blijken voor dit historische moment, maar we schoten eigenlijk allemaal te kort.

Juiste man, juiste moment

Wie niet tekort schoot, was Kohl. In twee opzichten toonde hij zich groot. Bovenal door de val van de muur als een kans voor eenheid te zien. Dat lijkt achteraf zo’n voor de hand liggend perspectief, maar dat was het niet echt, zelfs niet vanuit een Bismarkiaans perspectief. De vooroorlogse Duitse eenheid is door verdeel en heers tot stand gebracht. De ‘wende’ van 1989 werd voortgedreven door een echte wens tot eenheid. Daarnaast wist ook Kohl hoe hij op een pragmatische manier de Duitse eenheid kon koppelen aan de Europese eenheid. Na de briljante deal van Schuman en Adenauer, maakt Kohl een tweede deal: hij deed afstand van de Duitse mark en ruilde deze in voor de Europese munt. Velen zien deze deal nu als een enorme blunder, maar het was niet aan Kohl en de Duitsers te wijten dat de politieke eenheid tekort zou schieten. Dat was het echec van Zwarte Maandag en het verdrag van Maastricht zelf, dat door Britse veto’s en een net niet goed genoeg Nederlands voorzitterschap er niet van maakte wat vanuit historisch perspectief noodzakelijk was. Maar Kohl ging door, hand in hand met Mitterand. De Frans-Duitse as werkte. Tot op de dag van vandaag wordt de dwingende logica van die deal onderschat.

Op zoek naar het moment

Kohl bleef te lang als Bundeskanzler aan en veroorzaakte zijn eigen ondergang. Toch mogen we nog altijd blij zijn dat hij was waar hij was toen de muur viel. Is Merkel niet groter? In veel opzichten wel. Ze is in ieder geval meer integer dan Kohl. De tragiek van Merkel is lang geweest dat ze de juiste bondgenoten mistte. Pas nu, met Macron, is er een kans dat de Frans-Duitse as het Europese project weer los kan trekken. Zou er een derde deal mogelijk worden? In plaats van met een staatsman als Gorbatsjov kreeg Merkel te maken met KGB-tuig in het Kremlin. Maar al met al doet ze het knap. Trump kan ze ook wel aan.

En wij in Nederland? We zijn de Duitse kant op gaan draaien. De waardering voor dat land is stukken hoger dan in de tijd van Kohl, al willen we nog steeds de taal niet leren en is er geen voetbaloverwinning zoeter dan die op de Duitsers. Nog steeds maken we niet zoveel gebruik van onze relatie met de Duitsers als eigenlijk zou moeten.

De geschiedenis gaat door

En de Duitsers zelf? Kohl is ook voor de Duitsers zelf al geschiedenis. Ik vind de manier waarop Duitsland op de dood van Helmut Schmidt reageerde mooier; daar zit een soort eerherstel in. Toch kan het nog altijd gebeuren dat je in Duitsland komt, of ergens in het buitenland een Duitser tegenkomt en dat ze iemand dan altijd ergens subtiel laat weten dat hij of zij ‘de last van de geschiedenis erkent’ en ‘de bijzondere verantwoordelijkheid die daar uit voortkomt’. Ik ontvang dat in de geest waarin het wordt gezegd, en dat is positief. Maar voor mij is het niet nodig. We hebben genoeg aan onze eigen verantwoordelijkheid. Daarnaast denk ik dat er iets anders speelt dat de Duitsers zelf onvoldoende zien: de mate waarin Duitsers leidinggevende posities in de Europese instituten aan het bezetten zijn. Let wel: ik denk niet dat de betrokken personen dat primair voor hun eigen land doen. Ik denk veeleer dat zij zichzelf eerst en vooral als Europeanen zien, de bouwers aan een nieuwe Europese identiteit. Dat zal vele doen huiveren, maar ik probeer het te zien voor wat het ook is: talenten die zich aan een hoger doel binden.
De geschiedenis gaat door en door. Laten we hopen dat er tijdig mensen als Helmut Kohl langs de weg staan om het moment te grijpen.

 

Peter Noordhoek

Twee kandidaten voor het voorzitterschap CDA Zuid-Holland

Op 13 juni a.s. hebben de leden van het CDA Zuid-Holland de keuze uit twee kandidaten voor het voorzitterschap: Jan Heijkoop en Relus Breeuwsma. Het kan weleens spannend worden – en daar verheug ik mij op. Ondertussen geeft het mij de gelegenheid om een keer een blog te wijden aan gremium waarvan ik vermoed dat er op andere momenten glazig bij wordt gekeken, en dat is niet terecht.

Twee kandidaten gaan zich op 13 juni aan u voorstellen (en u moet er echt zijn om te kunnen stemmen). Ik heb geaarzeld om beiden hier te portretteren, maar ik doe het toch. Dit omdat ik uit de telefoontjes, apps en mails zoals die bij mij binnenkomen de indruk krijg dat de informatie die de provinciale afdeling zelf verspreid niet gelezen of goed gewogen wordt. Graag verwijs ik naar https://www.cda.nl/zuid-holland/actueel/nieuws/153449/ voor alle informatie over de ALV, de CV’s en brieven van de kandidaten.

Voor deze ene keer zeg ik er nadrukkelijk bij: hoewel zeer anders, zijn het beide goede kandidaten. Voor deze ene keer, want doorgaans steekt er vanuit mijn perspectief één kandidaat duidelijk uit boven de andere. Deze keer vind ik ze zowel geschikt als zeer aanvullend. En dat maakt de keuze alleen maar lastiger.

Jan Heijkoop, de kandidaat

Ik ken hem als een stille kracht. Doorgaans op de achtergrond, heeft hij zijn zaken goed voor elkaar. Hij is ruim de oudere van twee en heeft dan ook al een hele carrière er op zitten. Toen ik hem wat beter leerde kennen was hij net gedeputeerde af. Hij had onder meer Financiën in zijn portefeuille en daardoor raakte hij ook in de Ceteco-affaire verstrikt. Hoewel onderzoek hem vrijpleitte voor fouten, nam hij zijn verantwoordelijkheid en trad af. Daarna ging hij niet zitten mokken of met zijn vinger wijzen. Hij pakte het landbouwbedrijf van zijn familie weer op en ging boeren. Al snel wist men hem weer als bestuurder te vinden, waarna een hele reeks bestuursfuncties volgden, inclusief een aantal (interim) burgemeestersfuncties waar hij steeds met alle lof uit komt. Voor mij is hij het voorbeeld van iemand die een tweede kans verdient, gegund krijgt en pakt. De andere kandidaat mag dan veel afdelingen hebben die hem steunen, onderschat de vele fans van Jan niet.

Al met al het profiel van een echte stille kracht en bestuurder pur sang, met diepe wortels in de christen-democratie. Als hij voorzitter wordt verwacht ik onder meer dat hij een hoge gunfactor zal hebben in het landelijk partijbestuur en een goede coach voor zijn medebestuursleden en de afdelingsvoorzitters.

Relus Breeuwsma, de tegenkandidaat

Hoewel nog jong, mag ook Relus best een veteraan heten als het Zuid-Holland gaat. Ook hem ken ik al langer, mede omdat hij een van mijn opvolgers is als campagneleider van Zuid-Holland. Dat doet hij gewoon goed, volgens het recept: even nadenken en dan vooral veel doen, goed samenwerkend met anderen. De groene golf (de bussen die door de provincie gaan) komen onder meer uit zijn koker. Door al dat campagnewerk heeft hij, net overigens als Jan, echte kennis van de verdraaid complexe provincie die Zuid-Holland is.

Maar Relus heeft meer in zijn bagage. Sommigen van jullie zijn hem als jonge hond nog kennen vanuit zijn tijd op het partijbureau, waar hij de afdelingendesk bemande. Menig afdeling is met een moeilijke vraag naar hem toe gegaan. Daarna verhuisde hij naar Rotterdam om als assistent te gaan werken voor wethouder Leonard Geluk en later wethouder Hugo de Jonge. Sinds enige tijd is Relus niet alleen maar van het CDA en werkt hij bij Rijkswaterstaat. Al die tijd heeft hij zijn hoofdfunctie gecombineerd met een groot aantal functies en activiteiten, primair in het Zuid-Hollandse. Zeker binnen de waterschappen is hij actief. Kortom; een veelzijdige ervaring, maar allemaal passend in het profiel van een goede Zuid-Hollandse bestuurder.

Relus is een voorbeeld van wat ik wel eens gekscherend ‘de Friesse bende’ noem. Sybrand Buma is Friese Zuid-Hollander en dat is Relus ook. Doorgaans heel nuchter, maar even krabben en je weet dat daar veel emotie en betrokkenheid onder schuilgaat. Dat brengt ie allemaal mee, inclusief een agrarische achtergrond en een Haagse woonplaats. Hoe krijg je het gecombineerd.

Groot en complex

Zoals ik zei: twee goede kandidaten. Ze delen de kennis van Zuid-Holland en zijn beide door en door christendemocratisch. Ze kiezen ook beiden bewust voor een partijrol en ook dat vind ik sterk. Voor het overige vind ik ze vooral erg aanvullend op elkaar. We zullen echter toch moeten kiezen, zo zegt de procedure. Dat betekent ook een keuze voor welk soort provinciale afdeling je wilt hebben.

Wat mij bij het relatief onbekende fenomeen van de provinciale afdeling brengt. De provinciale afdeling verbindt 3, of eigenlijk 5, bestuurslagen binnen de partij. Daarbij begin ik met te melden dat, hoewel het aantal leden gestaag afneemt, het CDA nog altijd de grootste ledenpartij is en dat daarbinnen het CDA Zuid-Holland veruit de grootste provinciale afdeling vormt, met navenante invloed – in potentie. Hoe zit het in elkaar?

Provinciaal

Het begin op het provinciale niveau. De functie waar we het nu over hebben staat aan het hoofd van een bestuur dat onder meer verantwoordelijk is voor de programma, samenstelling en campagne van de provinciale staten. De laatste keer leidde dat tot 6 Statenleden en één Gedeputeerde, Adri Bom-Lemstra. Het werk dat op dat niveau gebeurd is al behoorlijk intensief. Aan dat provinciale niveau hangt meer. Politiek goed ingevoerde mensen weten dat de verkiezingen voor de provinciale Staten gekoppeld zijn aan die van de Eerste Kamer, wat het extra spannend maakt. Daarnaast loopt ook het samenstellen van de lijsten van de waterschappen via de provincies. Bovendien hangen er nog de nodige provinciale gremia aan de provincie; van Buitenlandcommissie tot vrouwenberaad en meer.

Lokaal

Daarna pak ik het lokale niveau. De provincie is als het goed is de verbinden schakel tussen wat landelijk en lokaal moet gebeuren. Voortdurend vindt er afstemming plaats, vooral als er lastige kwesties spelen zoals rondom herindelingen. Dan kan het soms erg persoonlijk worden. De provincie Zuid-Holland is echter erg groot. Dat gaat eigenlijk niet zonder een goede regionale tussenlaag. Om die reden is de provincie verdeeld in een 14-tal regio’s, waarvan de ene beter loopt dan de andere en soms hele grote steden omvat en soms niets anders dan platteland, maar meestal gaat het om een ingewikkelde mis er tussenin. En echt elke regio is verschillend. Ik kan je zeggen, dat het mij als campagneleider heel veel tijd heeft gekost voordat ik dat in beeld had (maar dat was tegelijk wel een van de leukste kanten van het werk).

Landelijk

Tot slot pak ik het landelijk niveau. De tijd dat er meer dan 80 Zuid-Hollandse kabinetsleden, Kamerleden, Statenleden, Europarlementariërs (oh ja, die laag ben ik nog vergeten) en weet ik niet wat kon inzetten is al enige tijd achter de rug, maar zeker de provinciale voorzitter zal vroeg of laat met de benoeming van deze mensen te maken krijgen. Altijd op de vingers gekeken door de andere provincies, die per definitie vinden dat Zuid-Holland overbedeeld is, moet er heel goed en zorgvuldig gesproken worden over alle posten. En dan is er ook nog de inhoudelijke kant. Als deelnemer in het landelijk Partijbestuur valt er over alles wat te zegen. Sinds kort is de rol van de provincie verder aangescherpt doordat alle amendementen op het landelijk verkiezingsprogramma nu via de provincie lopen, maar de invloed is altijd wel fors geweest. De voorzitter hoeft at niet allemaal alleen te doen, maar een sleutelfiguur ben je wel.

Pittig

Geen kleine functie dus. Ronduit pittig. Zeker niet voor een vrijwilliger als voorzitter en als aanvoerder van een bestuur dat ook uit vrijwilligers bestaat, met een ronduit beperkte professionele ondersteuning. Een functie die snel wordt onderschat. Het is heel moeilijk om op alle drie de fronten goed te zijn en vraagt om een hele efficiënte werkwijze. Mij moet even van het hart dat de huidige voorzitter, Peter Pennekamp, daarom voor zijn werk niet altijd de waardering krijgt die hij verdient. Wat mij betreft: veel waardering.

Keuze voor soort provinciale afdeling

De twee kandidaten zullen daar ongetwijfeld over na hebben gedacht en hun keuzes hebben gemaakt. Wat wij als leden er bij moeten bedenken is dit: zien we zo’n provinciale afdeling als een tussenlaag die zoveel mogelijk onzichtbaar moet blijven of verwachten we een meer dynamische rol? Het eerste is al een hele opgave, maar het tweede is toch wel erg nodig. Persoonlijk denk ik dit laatste, ook in de aanloop van de gemeenteraadsverkiezingen. Dat maakt in ieder geval Relus Breeuwsma tot een logische kandidaat, want deze ambitie zit in zijn hele kandidatuur. Maar Jan Heijkoop heb ik daar nog genoeg niet over gehoord en ik wil hem wel horen.

Jullie ook? Allebei? Kom dan, met mij, op dinsdag 13 juni a.s., om 20.00 uur naar Cultuurhuys De Kroon, Gouweplein 1, 2741 MW Waddinxveen.

Peter Noordhoek

Zoeken naar ontzuilde bezieling

 

Boekrecensie

Een paar maanden geleden heb ik met het blad Bestuursforum – vakblad vooraan het CDA verbonden (lokale) bestuurders – afgesproken een recensie te schrijven over het boek ‘Bezielde ontzuiling’, waarin onder leiding van Govert Buijs en Jan Hoogland een aantal wetenschappers van de Vrije Universiteit zich buigen over de vraag hoe Nederland zich organiseert in een ontzuilde tijd. De deadline lag drie maanden later en dat was eigenlijk te lang daarna. De bezieling was er wat uit, om het zo maar te zeggen. Met de deadline heel dicht bij, nam ik de bundel toch maar mee op een paar dagen trainen in Bosnië-Herzegovina. Daar kwam de bezieling onverwacht terug, na een verhaal over klaslokalen waarin Bosniakse en Kroatische kinderen gezamenlijk les krijgen en waar er letterlijk een laag muurtje door de klas heenloopt. Zo gescheiden beginnen ze hun leven. Op dat moment dacht ik aan de bundel en bedacht: hier is de verzuiling nog vol aanwezig. Een duistere verzuiling op grond van religie en etnische geaardheid. Is het niet heel goed dat we daar in Nederland vanaf zijn?

Er is dus geen reden om weemoedig terug te denken aan de verzuiling. In de bundel gebeurt dat dan ook niet. Er is geen weg terug. Maar er is kennelijk nog steeds wel een gat te vullen. Liefst op basis van het christelijk-sociaal gedachtegoed en de daaraan verbonden maatschappelijke organisaties. De auteurs zijn daar wel nuchter over. De ‘maatschappelijke ondernemingen’ en andere voorbeelden uit de ‘participatiesamenleving’ zijn alleen niet voldoende om dat gat te vullen. Het zal echt nog wel duren voordat bijvoorbeeld de woningcooperaties hun rol weer kunnen oppakken. Maar eigenlijk zoeken de meeste auteurs de oplossing vooral op het individuele niveau van de vakman, de professional, de lotgenoot. Via hen moeten de ‘bezielde verbanden’ opnieuw gestalte krijgen, want, zoals de filosoof Ad Verbrugge stelt: “Bezieling kan zich alleen maar manifesteren wanneer mensen zich gezamenlijk richten op een gedeelde activiteit om die activiteit zelf, niet om de geldelijke beloning of het eigen prestige”. Organisaties en instituten zitten dat eigenlijk vooral in de weg. Reden waarom organisatorische verbanden vooral lichte verbanden moeten zijn, eerder aangestuurd via gedeelde concepten dan via structuren of via het verfoeide woord ‘management’. De tien kernwaarden die Buijs aan het einde van de bundel formuleert zijn er een prima voorbeeld van. Inspirerend en relevant voor iedereen die zich met vormen van participatie en sociaal kapitaal bezig houdt. En tegelijk niet voldoende overtuigend.

(tekst loopt door onder afbeelding)

Wat mist is toch een meer kwantitatieve onderbouwing van de wijze waarop het gat van de verzuiling de afgelopen decennia gevuld is. Zijn we überhaupt wel onderweg om dat te laten lukken? De scherpte zoekend: is de komst van een partij als DENK niet een teken van terugverlangen naar de harde verzuilde kaders van weleer? Of provocerend: moeten we niet constateren dat het populisme met al haar oproepen tot uitsluiting niet veel meer een succesvol ‘bezielend verband’ is gebleken dan alle nationale boomplantdagen bij elkaar? De cijfers van het SCP laten zich niet zo makkelijk interpreteren op dit punt, maar er is geen reden om gerust te zijn. Wellicht is de manier waarop we over de participatie spreken toch te vrijblijvend om er veel van te mogen verwachten.

Onze vroegere verzuiling blijkt namelijk in veel opzichten een succesverhaal, niet in het minst door de succesvolle verbinding tussen ‘volk’ en ‘elite’. Die verbinding is er nu niet meer, of loopt langs de lijnen van overheden die de burgerparticipatie met al hun krachten overeind moeten zien te houden omdat burgers die rol niet zelf oppakken. De verhouding tussen een actieve overheid en de opkomst van ‘bezielde verbanden’ is op z’n zachtst gezegd problematisch. Daarom is het ook nodig om naar onze eigen rol als bestuurders te kijken. Deze bundel biedt daartoe veel inspiratie, maar op een gegeven moment moet de lezer eigen antwoorden gaan zoeken.

Peter Noordhoek

Boekrecensie verschenen in Bestuursforum, april 2017.

Ontzuilde bezieling. Govert Buijs en Jan Hoogland (Red.). Boom bestuurskunde, 2016.


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek