Peter Noordhoek

Murmuraties. Over de kwaliteit van politiek

Een murmuratie is de beweging van een grote zwerm vogels. Zo gedragen we ons steeds meer en dat bepaalt de ‘kwaliteit van de politiek’. . In mijn vorige blog sprak ik over de vraag hoe je – ‘expliciet’ – tot overeenstemming kunt komen over wat kwaliteit is. De lezer heeft het ongetwijfeld begrepen: het is tijd voor de overstap van de ‘politiek van kwaliteit’ naar de ‘kwaliteit van politiek’. In het verhaal zoals ik dat hielp bij mijn verschillende jubilea op 16 juni jl., heb ik de toehoorders als eerste proberen mee te nemen in mijn werk als kwaliteitskundige en een overzicht gegeven van alle manieren waarop je kan proberen om tot overeenstemming te komen over wat dat zou moeten zijn. Ik heb wel geconstateerd dat mensen niet graag expliciet willen zijn over wat ze ‘kwaliteit’ noemen en dat kwaliteitszorg ook een manier kan worden om het moment dat we tot overeenstemming komen zo lang mogelijk uit te stellen: ‘kwaliteit als de langste route naar ruzie’. Het hoort bij de ‘politiek van kwaliteit’ om daar op een verstandige manier een einde te maken en wel tot overeenstemming te komen. Maar wat bepaalt de ‘kwaliteit van de politiek’?

Het begint met een hand

Veel langer dan ik beroepsmatig aan kwaliteit heb gewerkt, loop ik al rond in de politiek. Voor de duidelijkheid: met volle inzet, maar echt als vrijwilliger. In 1982 werd ik lid van een politieke partij, het CDA, maar de belangstelling gaat terug zo ver als mijn vroegste jeugd. En toch heb ik pas vrij recent een soort ‘begin’ ontdekt in het politieke handwerk. Dat komt door mijn campagnewerk. Net als ik ooit aan het kwaliteitsverhaal begon door naar mijn kast met boeken te staren, begon het nadenken toen ik een keer naar mijn hand stond te staren. Begint het daar niet altijd mee? Sindsdien vraag ik bij het begin van mijn politieke trainingen en bijeenkomsten om elkaar een hand te geven. Vervolgens probeer ik het iedereen zo ongemakkelijk mogelijk te maken door ze bijvoorbeeld tegelijk een hand te laten geven en een Japanse buiging te doen. Waarom? Om iedereen even ‘bewust onbekwaam’ te maken bij iets zo dagelijks als een handdruk.

Het is wel de basis. Het geven van een hand. Daarbij gaat het overigens uiteindelijk niet om die hand, maar om de ogen. Uw handdruk zegt best wel wat, maar die geleidt als het ware de ogen van de ander naar uw ogen, waarbij u dan ook nog eens een stem hoort. Ondertussen is het wonderbaarlijk hoeveel informatie er gehaald kan worden uit een simpele handdruk. Wat er aan informatie wordt uitgewisseld tussen de achterkant van uw hoofd en dat van degene met wie u in gesprek bent, daar kan nog altijd geen supercomputer tegenop. Er is niets effectiever dan een handdruk.

Het klassieke probleem is wel, dat het misschien nog wel mogelijk is om iedereen op een bijeenkomst een hand te geven, maar niet alle kiezers. Boeiend is dan weer, dat anno 2017 we door de toepassing van Big Data al weer bijna in staat zijn precies uit te vogelen wie in welke straat en op welk huisnummer een hand moet worden gegeven. De moderne technologie leidt ons van handdruk tot handdruk. Maar dan?

Elementaire paren

Zoals er op meerdere manieren naar kwaliteit kan worden gekeken, zo kan er op nog veel meer manieren naar politiek worden gekeken. Er zijn heel wat meer boeken over geschreven dan over kwaliteitszorg. En toch is er nog wel iets te bedenken dat nog niet eerder is gedaan. Er is een sterke parallel te trekken met wat hiervoor is verteld met twee begrippenparen die nog kaler zijn dan wat ik hiervoor gebruikte. Het eerste bestaat uit het begrippenpaar ‘vertrouwen’ versus ‘wantrouwen’. Het tweede wordt gevormd door de tegenstelling ‘rationeel’ versus ‘niet-rationeel’. Niet-rationeel is in ieder geval een rationaliteit die niet naspeurbaar is voor anderen en waarschijnlijk eerder door emotie (denk aan Daniel Kahneman’s ‘snelle brein’) wordt ingegeven dan door iets dat helemaal doordacht is.

Ons aller ideaal lijkt te zijn dat we zowel rationeel als vol vertrouwen te werk gaan. Het is net als met kwaliteit, daar kan je niet tegen zijn. Waarom lukt het dan zo weinig? In kwaliteitsland zie ik de verbaasde gezichten van kwaliteitsmanagers die niet snappen waarom hun mooie aanpak volgens de Deming-cirkel wordt afgewezen, in de politiek zie ik de mensen voor me die maar niet snappen waarom niet alles per referendum besloten wordt. Dat is toch gewoon een kwestie van het volk vertrouwen, van een rationele aanpak? Nou, niet zonder meer. Maar al te makkelijk wordt aangenomen dat wat mijn vertrouwen heeft en wat in mijn ogen rationeel is, de beste kwaliteit van de politiek vertegenwoordigd. Om het in het Engels te zeggen: ‘the quality of politics is in the eye of the beholder’. Ik, burger, ben de maat van de kwaliteit van de politiek, want ik ben te vertrouwen en wat ik zegt klopt. Totdat je de volgende burger spreekt.

Makers met macht

Het is in grote lijnen weer hetzelfde verhaal: impliciete definities van wat als het al te expliciet gemaakt wordt geen standhoudt (en dus vaak wordt weggemoffeld). Een projectie van de eigen houding en motivatie op anderen en als het er op aan komt het niet zelf meer willen of kunnen overzien – en dan plots vertrouwen op het gezag van een ander, die vroeg of laat dat gezag niet waar maakt.

Een iets beter besef van hoe mensen met elkaar omgaan kan helpen om het proces te duiden. Om in diezelfde begrippenparen te blijven; zij die heel rationeel kunnen zijn, maar handelen uit wantrouwen, dat zijn mensen die al snel de verleiding voelen om uit macht te handelen: het doorzetten van de eigen wil tegen die van anderen in. Mijn kwaliteitsdefinitie, zegt de leider, is bepalend – en die zet ik door. Mijn ervaring is dat er altijd wel mensen zijn die vanuit macht denken, maar hier in Nederland is dat een minderheid of vind je die vooral binnen subgroepen. Er rust een soort taboe op zichtbaar machismo. Zelf Wilders heeft af en toe een kattenfoto nodig. In andere landen wil dat wel anders zijn.

Ondertussen wordt er door journalisten, commentatoren en campagneleiders gezegd dat de persoon van de politieke leider steeds belangrijker wordt. Nou, ik geloof er maar een deel van. Ja, de persoon is belangrijk voor de kiezer, maar als het er op aan komt kan de kiezer prima zonder die persoon. Hoogstens dat een persoon tijdelijk een soort symbolische mantel kan dragen. Hij of zij staat ergens voor; als populist of juist als tegenstander van het populisme, maar daarna kan het razendsnel snel afgelopen zijn. Of, zoals de auteur Frank Herbert, schreef:

Hier ligt het standbeeld van een omgevallen God / Zijn voetstuk hebben wij gebouwd / een hoge en een smalle / Hij moest een heel eind / vallen

Roddels en relaties

Zij die misschien zelf liever op basis van vertrouwen willen werken en tegelijk niet alles rationeel doordenken, zullen niet zozeer eigen macht gaan zoeken als wel de relatie zoeken met anderen die dat wel hebben. Als iedereen dit een goede politicus vindt, dan vind ik dit ook. Hoe kan ik bij hem of haar aansluiten?

Toen ik begon in de politiek, dacht ik dat naar mate ik hoger zou stijgen, er meer en meer een beroep zou worden gedaan op mijn rationeel vermogen en mijn inhoudelijke kennis. Deels is dat ook zo, maar nog sneller dan de ratio stijgt de relatie als cruciale component van de politieke wereld. Wat een verzameling roddelaars bij elkaar. Is het in het bedrijfsleven of in de zorg anders? Niet echt, maar die, mooi gezegd, intermenselijke kant slokt ongelofelijk veel tijd en energie op en de schaduwkant is dat tegelijk met het verdwijnen van kampioenen, in gang gezet beleid met de kampioen de deur uit wandelt en dan moet je maar zien of dat de nieuwe kampioen hetzelfde beleid gaat voeren. Het is volstrekt niet rationeel hoe vaak beleid om zeep wordt gezet door een wijziging van de poppetjes.

Kunnen ratio en vertrouwen worden gecombineerd?

Kunnen ratio en vertrouwen überhaupt wel worden gecombineerd? Wel degelijk. Het heet algemeen belang, het heet parlementaire democratie, het heet rechtsstaat. Er kunnen allerlei interpretaties aan worden gegeven, maar per saldo zijn het wonderen van menselijke constructen. Ratio en vertrouwen zijn er de dagelijks randvoorwaarden van, inclusief het soort checks & balances waardoor bestaand wantrouwen kan worden gereguleerd. Het punt is wel: het zijn constructen waar eeuwen aan is gewerkt en die je net zo min vanuit het niets op een achtermiddag in elkaar kunt zetten, als dat je bijvoorbeeld een nieuw iPhone in een middag kunt ontwikkelen. Ze moeten beetje bij beetje worden opgebouwd. Er naar toespringen via een digitaal referendum is vragen om problemen.

Toch is het digitale ongeduld nu wel degelijk in de samenleving geslopen. Het raakt de politiek, en dan vooral de partijpolitiek, op harde wijze. In de media wordt meer dan ooit aandacht gegeven aan politiek, zeker partijpolitiek. Een oude wet uit de sociale wetenschappen luidt: dat wat aandacht krijgt, groeit. Dat lijkt echter in dit geval niet op te gaan. In plaats van te groeien worden partijen worden alleen maar kleiner en versplinteren. Is dat omdat ze falen in het op basis van ratio en vertrouwen politiek bedrijven? Wie mijn redenering kan volgen, weet dat dit niet zo is. Er is geen ‘schuld’, maar als die er al is, dan ligt die eerder bij ons, als burger, kiezer. We combineren wantrouwen met ‘heel veel andere rationaliteit’ en dat doet ons politieke bouwwerk geen goed.

Ook hierin is de parallel met wat ik eerder besprak over ‘kwaliteit’ voelbaar. We nemen het woord kwaliteit vaak genoeg in de mond, ook in de context van de dagelijkse politiek, maar ontlopen het echte gesprek erover. Dat stuit op een gegeven moment natuurlijk op een grens. Hoe dan ook, meer en meer vertaalt de individuele niet-voorkeur zich in massagedrag. In het gedrag van een zwerm trekvogels.

Murmuraties

Het is een analogie die ik graag gebruik in mijn verhalen over campagnes, zeker in het voormalig Oostblok, waar nog een ouderwetse machocultuur kan heersen. Vergeet de figuur van de leider, vergaat dat persoonsgerichte. Op het totaal van alle maatschappelijke bewegingen kan ook zo’n leider niet veel doen. Zelfs de eerdergenoemde Donald Trump niet, zoals hij meer en meer zal merken. Door ons vermogen tot empathie, ons kunnen verplaatsen in de ander, worden we ook in een soort val gelokt, of beter gezegd: begrenzen we ons, want het is bekend dat we niet in staat zijn met meer dan een paar mensen of gebeurtenissen empathie te hebben. We moeten er echt aan werken om dat te snappen en ar aan te ontsnappen. Wat dat snappen betreft: weet u wat een vlucht zwermvogels doet bewegen? U weet wel, die heen en weer, op en neer gaande beweging van duizenden vogels tegelijk. Hoe werkt dat eigenlijk? Heeft u weleens in zo’n vlucht vogels een ‘leidinggevende vogel’ gezien: zo’n grote sterke vogel die voorop vliegt? Nee. Dat klopt, hoogstens zal een paar seconden zo’n vogel te zien zijn, maar dat is dan eerder toeval dan iets anders. In essentie is zo’n vlucht zwermvogels leiderloos. En toch werkt het. Als een heen en weer zwaaiende ‘murmuratie’ tegen een heldere herfstavond.

Dat komt doordat elke vogel zich gemiddeld aan dezelfde regels houdt. Het zijn, afhankelijk van de bioloog die je raadpleegt, zo’n 5 tot 7 regels, maar in de kern zijn ze te herleiden tot de volgende drie:

  1. Hou de vogels direct in je buurt in de gaten (dat zijn er slechts enkele)
  2. Vlieg naar het midden van de zwerm (daar is veiligheid)
  3. Zorg dat je niet op elkaar botst (dat is het gevaar)

In dat laatste geval zwenk je, samen met de vogels in je directe omgeving, uit en wordt een nieuwe richting voor de vlucht ingezet.

Zo werkt het onder vogels. En zo werkt het in toenemende mate onder mensen. Individuen met het gezag van een president moesten buigen voor de mensenmassa’s in Kiev en Kaïro. Omgekeerd werd een president in het zadel gehouden door een mensenmassa in Istanbul. Hoe? Door superieur werk van leidinggevenden? Integendeel. Die waren nergens te zien of werden zelf opgejaagd. Nee, het was doordat vriend X via facebook, Instagram, WhatsApp of hoe het ook een groepje vrienden mobiliseerde die weer een groep vrienden mobiliseerde, etc. Of door vriendin Y die vond dat het te gek was wat er allemaal gebeurde en of we ons op zaterdag of 10.00 uur in de ochtend zouden kunnen verzamelen op een plein. Neem de bus. Het start met de vrienden zoals we die in de gaten kunnen houden. We verzamelen ons en zoeken veiligheid en verbondenheid in de massa, maar het moet niet te gek worden want dan verspreiden we ons weer.

Honkvaste zwermers

Toch moeten we er wel iets bij bedenken. Zelfs vogels zijn meer dan een verzameling stimulus-respons reacties op externe prikkels. Ook zij hebben dingen in hun DNA of collectief geheugen die maken dat ze niet alleen maar willekeurig rondvliegen en min of meer logische routes volgen. Bij mensen is dat vanzelfsprekend nog veel meer het geval en ook zonder filosofische discussies over het bestaan van de ‘vrije wil’ weten we dat er bij mensen meer keuzes mogelijk zijn. Dat is ook reden voor optimisme: we leren en we kunnen ons aanpassen. Wat we beter door moeten hebben, is dat dit aanpassingsvermogen nu beperkter is dan voorheen, omdat we nu op een wezenlijk andere manier dan vroeger deel uit zijn gaan maken van massabewegingen.

Om dat uit te leggen – ik beken: ik doe dat langzaam en heen en weer zwenkend als een murmuratie, omdat ik hoop dat mijn punt zo beter te proeven is – begin ik hier, in de fysieke omgeving. Tussen datgene wat we kunnen zien: de wanden van een mooi gebouw. Deze lezing wordt gehouden in het voormalig Weeshuis, letterlijk gebouwd met aalmoezen. Samen met het hier tegenoverliggende Willem Vroesenhuis, een prachtig voorbeeld van een van de voorlopers van de welvaartstaat. Geloof maar niet dat het in die tijd fijn was om hier te leven. Toch, de stenen bleven geduldig. Dit weeshuis werd een echte school en daarna een prachtige bibliotheek. Nog maar heel onlangs is die bibliotheek verplaatst naar een parkeerplaats aan de rand van de stad. Een slimme, goede zet, omdat het daar meer mogelijk is ‘een beleving’ te creëren. Het geeft tegelijk ook aan hoe we ons als het ware via concepten toch proberen minder afhankelijk te maken van gebouwen en plaatsen. Het persoonlijke kan daarbij niet gemist worden. De nieuwe bibliotheek heet de Chocoladefabriek. Dat is in ieder geval een slimme verwijzing naar boek en film van Roald Dahl. Het is ook een verwijzing naar het industriële verleden erachter. Op het gebouw staat de beeltenis van Leo Vroman, die juist ten tijde van de opening bij zijn overlijden in belang even uitsteeg boven het niveau der kenners. We voelen de wereld groter worden en reiken naar alles wat die vertrouwd kan maken of in wiens schaduw we mee kunnen liften, maar ondertussen beseffen we nauwelijks hoezeer wij al onderdeel zijn van de grote massa. Hoe we ons terugtrekken in onze eigen cocon, in ons eigen huis, ons eigen beeldscherm van TV, computer en mobiele telefoon – en zo goed als tegelijk wegvliegen in wereldwijde web.

Het is natuurlijk niet nieuw wat ik hier beschrijf, maar ik vraag u toch dit laatste nog eens goed tot u door te laten dringen en daar het inzicht aan te koppelen over hoe zwermen zich gedragen. Laat ik u nog wat meer verleiden om de beleving letterlijk te maken. Iedereen die dit nu aan het lezen is, wil ik allereerst vragen goed om zich heen te kijken en te beseffen dat hij of zij nu tussen muren dit aan het lezen is, waarschijnlijk thuis of op een vaste plaats. Vervolgens wil ik iedereen vragen om (alleen figuurlijk!) de eigen stoel los te laten en omhoog te gaan vliegen. Voel je omhoogvliegen in de digitale lucht. Meng je tussen alle andere vogels daar en voel hoe die, gestuwd door allerlei mediawinden heen en weer en op een neer gaan volgens de regels die we eerder hebben besproken: kijkend naar de vogels het dichtste bij, zoekend naar veiligheid in het midden van de zwerm en wegzwenkend als je te dicht bij de anderen komt, wat nogal eens het geval is. Mocht je tijd over hebben om verder om je heen te kijken, zie dan dat de omgeving een andere is dan je stad of straat. Net zoals zwaluwen niet met ganzen vliegen, of ganzen niet met meeuwen, zo vlieg je hier ook niet rond met anderen dan gelijkgezinden. Maar ook met gelijkgezinden kan het ingewikkeld zwermen zijn. Dan weer een bocht naar links, dan weer een zwenking naar rechts. Voortdurend de anderen in de gaten houdend, je eigen vleugels beschermend. Veel tijd om na te denken is er dan niet. Waar vliegen we eigenlijk naar toe, behalve naar en van elkaar af?

De betere zwermboodschap

Het is mijn overtuiging dat in een tijd van zwermvorming, je maar weinig van elkaar kunt vragen. Dat is niet omdat mensen opeens dommer of slechter zijn geworden, maar omdat je meer dan genoeg hebt aan elkaar en je eigen vlucht en plekje in de zwerm.

De fout die wij maken – ik ben doorgaans geen uitzondering – is dat we op een de verkeerde manier de mensen binnen die zwerm proberen te bereiken, schreeuwend vanaf de grond. Beleidsvoorstellen? Te ingewikkeld. Een verkiezingsprogramma? Een paar van ons hebben belangstelling. Een lijsttrekkersdebat? Even. Ideologie? Geen tijd. Een nieuwe leider? Wie? Die kleurige man? Als hij de weg weet, ja natuurlijk.

Populisme werkt niet omdat het simpel is. Gematigde politici kunnen ook met iets simpels scoren. Simpel scoort omdat al het andere niet te zien is. Althans, zolang onze diepere instincten niet geraakt worden. En die hebben we wel. Wat voor vogels geldt, geldt nog veel meer voor mensen: de wens om thuis te raken, een plek om te landen en nesten te bouwen. Een wens die bij mensen zo sterk is, dat de zwerm niet afgewacht hoeft te worden. Initiatief bestaat. Wat er nodig is, is een richtinggevend idee, gebracht door een politicus die het uiterste bereikt in termen van kwaliteit van de politiek. En dus een boodschap brengt die simpel maar niet de zware niet plat slaat, eenvoudig is, maar wel de juiste richting wijst. Kwaliteit van de politiek krijg je als je allereerst beseft onderdeel van die zwerm te zijn en daarbinnen te vliegen. Je bent maar zo’n kleine vogel, eentje maar. Vergelijk je het aantal mensen dat politiek actief is met het totaal van de bevolking, dan is dat bijna niets. Maar omdat elke vlucht van een zwerm wel degelijk beïnvloedbaar is, zijn er mogelijkheden er een betere vlucht van te maken.

Meer d>n Nu

Zonder de pretentie dat ik die kwaliteit in huis heb, heb ik er wel lang over nagedacht wat de kernboodschap moet zijn. Ik heb die lang gezocht in een betere politieke ideologie, heb naar nieuwe structuren gaan zoeken en allerlei campagnetechnieken gezien en uitgeprobeerd. Toch faalt alles op twee punten: ze zijn te ingewikkeld en ze zijn te specifiek. Wat je nodig hebt is iets dat stimuleert en tegelijk uitnodigt om te argumenteren, om het in te gaan vullen. Meerdere jaren heb ik er over gedaan om iets te bedenken dat maximaal paradoxaal en maximaal basaal is. Het gaat om: ‘Meer d>n Nu. In mijn volgende en laatste blog zal ik daar apart op ingaan. Waar het hier om gaat, is dat de kwaliteit van de politiek in belangrijke mate wordt gemaakt door de kracht van de boodschap. Een kracht die wordt bepaald door de mate van herkenning en overeenstemming. (anders dan de ‘politiek van de kwaliteit’, waar het gaat om de kracht van het proces dat tot overeenstemming leidt. Het start dus met een boodschap die echt basaal is: het gaat om MEER d>n NU!

Peter Noordhoek

Over de politiek van kwaliteit

‘Kwaliteit als de langste route naar ruzie’

Dit is het eerste deel van een lezing die min of meer zo uitgesproken is op 16 juni 2017 op een bijeenkomst ter gelegenheid van 60 jaar Peter Noordhoek, 22,2 jaar Northedge, 20 jaar Gouda en 35 jaar CDA. Wat dit laatste betreft: bij een volgende gelegenheid wordt het verhaal over de ‘politiek van de kwaliteit’ verteld.

Kwaliteit draait toch om klantentevredenheid? Of niet? Hoort daar een verhaal over kwaliteit niet te beginnen? Misschien wel, maar ik moet dan altijd aan een blikje ananas denken – Dole’s Pineapple slices – en dan de schijfjes, niet de stukjes. Ik heb uit langdurig onderzoek naar de klantentevredenheid over zowel producten als diensten geleerd dat een blikje ananasschijfjes de hoogste klantentevredenheid gaat opleveren. Meer dan een Marsreep, veel meer dan een auto en heel veel meer dan dienstverlening, bijvoorbeeld via de horeca. helemaal onderaan stond overheidsdienstverlening, bijvoorbeeld zoals geleverd door de Belastingdienst. Waarom is dat zo? Vrij eenvoudig eigenlijk: met een blikje ananas kan bijna niets mis gaan: zoete troep dat niet wil bederven. Over de lange termijn kan er veel minder mee mis gaan dan met een smeltend iets als een Mars, laat staan dat er meer fouten worden gemaakt met zo’n blikje dat met de dienstverlening door mensen. Pas dus op met het gelijkstellen van kwaliteit aan klantentevredenheid, zeker als het om mensen gaat. Maar er valt juist als het om mensen gaat, wel degelijk heel veel over kwaliteit te vertellen, tot en met de politiek ervan. Maar hoe moet ik daarover vertellen? Ik ga terug in de tijd, naar de eerste keer dat mij gevraagd werd ‘iets over kwaliteit’ te vertellen.

Wat is kwaliteit?

Ik sta recht voor mijn boekenkast. Mijn kast staart terug. Geen van beide bewegen we. Wie eerst? Ik reken er op dat ergens een boek over kwaliteitszorg zich meldt, zodat ik weet waar ik het over moet hebben. Niets beweegt. Geen kaft, geen woord. Morgen moet ik vertellen hoe we aan ‘kwaliteit’ gaan werken en ik heb geen idee. Geen idee waar ik moet beginnen. Kom boek, kom. Niets beweegt, ook niet als ik langzaam, uitdagend, mijn ogen over de boekruggen laat glijden.

Dan, in mijn hoofd, keer ik mijn rug naar de ruggen en stel mijzelf prompt de verkeerde vraag: ‘Wat vind ik een goed boek?’ Per direct geef ik mijzelf een draai om de oren. ‘Goed’? ‘Goed’ is geen goed woord dat ik aan een ander uit kan leggen. Het moet specifieker. OK, OK, moment graag. En dan vraag ik mijzelf af: ‘Waarom vind ik dit boek goed?’ Nu kan ik het vertalen: ‘Wat vind ik een boek dat ‘kwaliteit’ uitstraalt?’

Daarmee heb ik het te pakken. Als ik mijzelf uit kan leggen wat ‘kwaliteit’ is, dan kan ik het waarschijnlijk ook aan anderen uitleggen. Denk ik. Terzijde: wat ik u nu vertel, heb ik al vaak verteld. Het staat zelfs als video op de site van Northedge. Maar na al die jaren sta ik eigenlijk nog steeds voor die boekenkast en ontdek ik iets nieuws. Soms in de kast, vaker in mijzelf, soms in u, mijn publiek. Dat laatste is nu ook het geval en daarom vraag ik u, kom met mij mee voor deze boekenkast staan.

Vier boeken

Het eerste boek dat ik uit de kast pak vraagt daar om met een foute rug vol goudopdruk. Ik haal het tevoorschijn en herken het: een boek vol schamele Schotse rijmelarij. Leuk bij een glas whisky en verder nergens anders bij. Maar dat het boek als eerste mijn aandacht trok is niet vreemd: het is een prachtige uitgave. Elke bladzijde is perfect gedrukt, gebundeld en ingebonden. Als het om de kwaliteit van het drukwerk gaat, dan is dit kwaliteit.

Maar het moet toch over de inhoud gaan? Dat bepaalt toch de kwaliteit? Maar waar haal ik zo’n boek vandaan? Laat ik het gezag van de recensenten volgen, van onze literatoren en, grootser nog, mijn eigen leraar op school. Als tweede boek pak ik Gerard van het Reve’s ‘De avonden’ uit de kast. Dat is goed. Dat is literatuur. Wel jammer dat ik er niet doorheen kwam. Maar dat ligt aan mij. Niet aan de recensent, niet aan de kwaliteit.

Al met al heb ik nu twee boeken in handen gehad die ik uiteindelijk niet met kwaliteit associeer. Wat is het alternatief? Uit de kast pak ik Isaac Asimovs’ ‘Foundation Trilogy’. Dat is science fiction. Literair gesproken worden nu de wenkbrauwen gefronst, maar ik vind het prachtig. En er is nog iets. Het boek ziet er eigenlijk niet uit, met een plastic kaft, grofgesneden bladzijde en wat geel wordende bladzijden. Maar het is wel een eerste druk. Hier betaal je nog altijd goed geld voor. En is dat niet bovenal de manier waarop we kwaliteit uitdrukken? Kwantitatief, in harde munt? Is het niet zo, dat hoe meer je voor een auto betaalt, hoe beter deze zal zijn? Werkt dat ook niet zo voor Duitse auto’s? Kwaliteit dus uitgedrukt in een prijs.

Dus: een mooie band staat niet garant voor kwaliteit, de inhoud ook niet, maar prijs wel? Zo simpel is het dus ook niet.

Uit een hoekje van mijn boekenkast wurm ik een pocket. Wanneer het me lukt hou ik verschillende delen in mijn handen. De kaft vergaat. Letterlijk. Zeldzaamheidswaarde heeft het niet. Met de oud-papier prijzen van nu krijg je er niet eens meer een cent voor. Letterlijk. Inhoudelijke kwaliteit heeft het ook niet. Het gaat om Karl May’s ‘Winnetou’, een cowboys- en indianenverhaal uit de 19e eeuw. Toen al verdacht: de auteur zou uiteindelijk tijd in de gevangenis doorbrengen vanwege plagiaat. Maar emotioneel heeft dit zo’n kwaliteit! Denk aan een jongen die onder de dekens ligt en met een lampje nog leest. Leest over een sterke man die met één klap zijn tegenstander neer kan leggen. Leest over een indiaan die nooit zijn gezicht uit de plooi zal trekken, nooit bang is.

Dus: 4 maal een boek, 4 maal een andere definitie van kwaliteit. En daarbij, belangrijk om te beseffen, gaat het slechts over een ding: niets meer dan een verzameling karton, papier, drukinkt – of anno nu een verzameling elektronica – maar vooral iets dat je kan beetpakken, omdraaien bestuderen en wegleggen. Het is meer dan een idee; het is hard, concreet. Dus: een beetpakbaar geheel dat op hetzelfde moment verschillende definities van kwaliteit kan dragen.

Concreet en beetpakbaar

Tegen het moment dat ik dit bedacht heb, had ik mij al lang weer richting de boekenkast gekeerd. Alleen zag ik nu geen boeken meer, maar mensen. Mijn publiek. En naar hen toe zei ik, met op dat moment slechts een enkel boek in mijn hand: ‘Kijk, ik heb hier iets in mijn hand dat concreet is. Papier, karton, drukinkt. En toch houdt dit boek een definitie van kwaliteit voor mij die jullie waarschijnlijk niet kunnen raden, laat staan kennen. Als ik jullie iets over kwaliteit wil vertellen, dan moet ik het eerst aan mijzelf uitleggen’. En toen ging ik over mijn vier boeken vertellen.

En stokte. Ik was er nog niet. Waarom zou mijn publiek in mijn kwaliteitsdefinities geïnteresseerd zijn? Wat is het meer dan een nieuwe manier om moeilijk te doen? Maar toen wist ik waarom. Want dat publiek van mij, dat vormt een organisatie. Ze moeten samenwerken. En in die samenwerking komen ze elkaar voortdurend tegen in het afgeven van talloze kwaliteitsdefinities. Eigenlijk, en dat heb ik toen maar letterlijk gedaan, moeten er voortdurend stapeltjes boeken worden gevormd: concrete dingen waar wel allerlei verschillende kwaliteitsdefinities aan hangen. Die zie je niet, maar zijn er wel en ze kunnen het stapelen van die boeken zowel heel handig als erg hinderlijk maken. Als dan zaken vastlopen of beter kunnen, dan weet je dus ook dat het geen zin heeft om lang naar die boeken, die concrete dingen te kijken, maar om helder te maken of de kwaliteitsdefinities wel of niet worden gedeeld. Moeilijker gezegd: door impliciete definities expliciet te maken.

Waarna de volgende stap komt: de expliciete definities zo te stapelen dat ze in het verlengde komen te liggen van die van een andere expliciete definitie: het doel van de organisatie. Allemaal boeken op een rij, wijzend in de richting van een doel.

En zo heb ik het verteld. Het werkt. Ik kom nu nog mensen tegen die mij in de jaren negentig met mijn boeken zagen goochelen en dat onthouden hebben. Een videootje ervan doet het heel behoorlijk op mijn site. Natuurlijk zijn er mensen die mij uitdagen om mijn metafoor over kwaliteit te moderniseren, maar dat is prima, zoals ik hierna nog duidelijk wil maken. De vraag is natuurlijk wel wat er is onthouden van ‘die leuke boekenmetafoor’. Vraag ik daar op door, dan komt het er op neer dat ik mensen geleerd heb dat kwaliteit een relatief begrip is en dat we allemaal steeds weer andere kwaliteitsdefinities hanteren. Hoezeer dat ook klopt, het mist wel het belangrijkste punt.

Elke keer als we een kwaliteitsdefinitie expliciet maken, maken we in feite elke keer weer duidelijk dat we niet dezelfde kwaliteitsdefinitie delen. En hoe meer we gaan schrijven of spreken over de eigen kwaliteitsdefinitie, hoe duidelijker het zal worden dat die definities verschillen. Dat geldt al heel snel voor stapeltjes papier, karton en drukinkt, dat geldt al helemaal voor zaken die minder concreet beet te pakken zijn.

De eerste conclusie: kwaliteit is de route naar ruzie

Staande voor die kast heb ik dat niet voldoende doorgehad en ook later ben ik dat blijven onderschatten. Erger is dat ik heb onderschat hoe graag anderen dit ook onderschatten. Ruzie wordt uit de weggegaan. Ruzie is een hard woord, wat precies de reden is waarom ik het gebruik. Juist in het conflict worden scherpe kanten zichtbaar. Natuurlijk kan je ook beginnen met het zoeken naar overeenkomsten in plaats van naar de verschillen, maar de kans dat je conclusies dan minder scherp zullen zijn is groot. En daarmee heb ik het bruggetje gemaakt naar het eerste deel van de titel van mijn verhaal: ‘de politiek van kwaliteit’. Meningsverschillen zijn het domein van de politiek. Beter gezegd; politiek gaat over het hanteerbaar maken van die verschillen, om het kunnen leven met ruzie, het lelijke woord voor conflict. Democratie is een van de vormen daarvan, maar dan moet je wel weten welke vorm ervan.

De tweede conclusie: kwaliteit neemt de langste route naar ruzie

Is er geen discussie over kwaliteit, dan is kwaliteit ook geen thema. Dat is wel iets om over na te denken. Niet slechts wanneer ik sta voor een letterlijk en figuurlijk stomme boekenkast, maar in de publieke arena, voor u, jij en iedereen. Kwaliteit is een open deur, wordt er wel gezegd. Niemand is tegen kwaliteit, iedereen is voor, wordt er wel gezegd. Maar dat is dus helemaal niet waar. Zodra iemand ergens een omschrijving of hoedanigheid van aangeeft en zich openstelt of kwetsbaar maakt voor een discussie daarover, stopt die persoon met wegmoffelen en komt het woord tot leven. Dat komt direct ook het potentiele conflict, de ruzie, tot leven. Het woord kwaliteit bestaat omdat het bestaat, de betekenisrand zoals er omheen wordt getrokken is er voldoende bewijs voor. Denk maar aan de omschrijving van een ‘zwart gat’ in het heelal boven ons. Een zwart gat valt per definitie niet te zien; deze is immers zwart. Echter, daar waar materie in het gat valt laat het nog voor de laatste keer licht zien en wordt de rand zichtbaar. Zoiets is het ook met het kwaliteitsbegrip, maar dan op een ietsiepietsere schaal.

De kunst van het wegmoffelen

Ben ik nog te volgen? Laat ik eerst een statement afgeven: als eenmaal het woord ‘kwaliteit’ in een discussie gevallen is, dan is er dus ergens sprake van een op z’n minst potentieel conflict. Ik benadruk het woord potentieel. Hiervoor heb ik schandalig negatief gesproken over een Schotse dichter, een Nederlandse Beroemde Schrijver en het collectief van literatoren. Positief was ik over science fiction, de werking van het prijsmechanisme en het werk van een Duitse gevangenisklant. Lezer, wilde u in opstand komen? Ik dacht het niet. Waarschijnlijk heeft u slechts met enig medelijden kennisgenomen van de woelingen van een dode bomenverzameler van 60. U heeft waarschijnlijk al genoeg aan de conflicten die u heeft met uw tijd en met uw collega’s en familieleden om er niet nog een conflict over de kwaliteit van boeken bij te halen.

Spreken over kwaliteit is het voorzichtig naar boven halen van een meningsverschil in de hoop dat het hanteerbaar blijft. Het conflict wordt niet echt gezocht, maar er is wel een belang om de eigen positie te verdedigen. Kwaliteitszorg gaat tot nu toe over de kunst van het wegmoffelen, over het nemen van de langste route naar ruzie. Daarvoor stonden ons tot nu toe zo’n drie ‘scholen’ ter beschikking. Vandaag zet ik daar een vierde ‘school’ naast. Elke school bestaat uit een bepaalde techniek om het conflict over kwaliteit mee weg te moffelen.

Kwaliteit in de nanoschijn. De eerste school, de ‘epirische’ of ‘normatieve’ school

De eerste techniek is die van het meten. Dat is de meest klassieke. De school die het meten centraal stelt wordt wel de empirische school genoemd. Of, ter verwarring met de indeling van auteurs als Vinkenburg, ook wel de ‘normatieve school’. Dat laatste komt van de neiging om normen aan nummers, aan getallen te verbinden.

Bij producten en diensten gaat dat verbinden aan nummers buitengewoon goed. Zo goed dat we onszelf daarin niet meer kunnen volgen. Pakt u uw mobiele telefoon eens beet. Dat ding dat u altijd dichtbij u heeft. Staar er naar en besef dan dat uw iPhone een kloksnelheid heeft van 2,34 Gigahertz per seconde en uw Galaxy S7 Edge slechts een snelheid van 2,2 Gigahertz. Overigens is 2,4 Gigahertz ongeveer gelijk aan dat van een magnetron, maar daar zullen we hier maar niet over hebben. Een Gigahertz is gelijk aan 1 miljard Herz, met een cyclus van 1 nanoseconde. Dat is een gegeven dat u kunt beredeneren, maar niet kunt snappen zoals u het snapt als ik de bladzijde van een boek om sla. Ons vermogen tot meten is eigenlijk groter aan het worden dan ons vermogen tot weten. Weten in de zin van beseffen. Het weten is gedelegeerd aan instrumenten, machines en keurmerken. Allemaal gecontroleerd, gevalideerd, geauditeerd. Conflicten worden zo ver weg op de route naar ruzie gelegd. Wel is het daardoor zo dat we het ook niet meer hebben over het feit dat we een magnetron aan onze oren houden. Kwaliteitszorg als nanowegmoffelstragie.

Kwaliteit als dronkemanshulp, de ‘ontwikkelschool’

Nog veel meer wegmoffelen zie we als het gaat om het meten van mensen en onze organisatie. We hebben het deze dagen veel over fake nieuws en overal laten we de feitenchecker op los, maar eigenlijk vind ik dat daar zo langzamerhand meer onvermogen dan onkunde achter schuil gaat. Terwijl we eigenlijk zo lekker op weg waren met onze discussie over kwaliteit op organisatieniveau. Waren we in de jaren tachtig nog vooral bezig met allerlei norm en meetdiscussies in het kader van wat we nu de empirische school kunnen noemen, in de jaren negentig tot aan ongeveer de crisis van 2007, zou de discussie over kwaliteit verbreed worden tot iets dat eigenlijk zo’n beetje alles omvatte. De term ‘ontwikkelingsgericht’ kan dat het beste pakken. Deze school gaat ervan uit dat je een systeem van regelkringen kunt bouwen met daarin alle elementen van een organisatie. Modellen als die van INK en EFQM pakken dat het beste. Ik hanteer ze nog steeds graag. Het werkt als een model, of beter nog als een bril. Een bril met zowel een glas dat geschikt is voor ver zien als voor dichtbij zien. Een beetje zoals mijn ogen, zeg maar: één verziend, één bijziend. Mijn vriend en collega heeft mij wel eens gezegd dat ik ook zo ben en dat het middenspectrum soms ontbreekt. Die observatie laat ik bij hem. In het dagelijks leven draag ik geen bril, als adviseur heb ik deze systeembril veel en graag opgezet. Met die bril op konden ik en mijn vele collega’s kwaliteit wel degelijk vergaand benoemd krijgen. Zo’n INK-traject was wel lang, maar naar we dachten niet te lang. We zaten er naast. Het INK-model werd een hype en net als elke hype raakte het verstrikt in te hoge verwachtingen. De lange INK-route naar kwaliteit liep vast in een file van papieren en processen. En in meer. In een hele cultuur van prestatie-indicatoren en benchmarks. Want meten bleef wel weten. Managers moeten wel ergens op kunnen sturen.

Mag ik u opnieuw vragen naar uw mobiel. Vergelijk die dan eens met die van uw buurman of buurvrouw. Zijn ze hetzelfde? Misschien bij de eerste blik wel. Zouden we hem openmaken, komt de kloksnelheid ook ongeveer overal op de 2 Gigahertz uit. Maar voor het overige? Zijn de apps hetzelfde? Is het hoesje hetzelfde? Nog belangrijker: is de emotionele waarde hetzelfde? In de negentiger jaren mocht ik op basis van het INK-beschrijvingen doen van bijvoorbeeld het gevangeniswezen. Dat was ongelofelijk veel, maar bij alles kon ik mij wat voorstellen, vielen er kwaliteitsdefinities te formuleren. Nu realiseer ik mij dat een enkele mobiele telefoon in zekere zin, en zeker in technische zin, al complexer is dan het gehele gevangeniswezen. En dat er om een enkele telefoon ook de emoties van vele gevangenen kunnen hangen. Of niet? Dat heeft u dus in de hand, concreet. En tegelijk kunt u er niet bij, kan ik er niet bij. Ze worden gemaakt in Korea, Taiwan en China op basis van Amerikaanse algoritmes en Europese marketing. En tegelijk kan ik er eigenlijk niet met u over in gesprek gaan zonder als het ware uw hacker te worden, uw privacy te schenden. We staan meer met elkaar in contact dan ooit en kunnen tegelijk niet meer zo bij elkaar komen dat we elkaars definities van wat we goed of slecht vinden aan onze telefoon, ons kwaliteitsbegrip dus, op elkaar kunnen leggen en tot ruzie of overeenstemming komen. En wat voor onze telefoon geldt, geldt voor zoveel andere zaken.

Daarom wil ik u nog even graag de grap van de dronkenman bij de lantaarnpaal vertellen. Het is laat in de avond. De maan schijnt. Een echtpaar ziet een man scharrelen onder een lantaarnpaal. ‘Wat doet u?’, vraagt een van de twee. ‘Ik zoek mijn sleutels’, klinkt het slissend en kreunend. Waarop de ander 10 meter verderop wijst en zegt: ‘Maar uw auto staat daar!’. Dan is het even stil en zegt de man bij de lantaarnpaal: ‘Ja, maar hier is het ten minste licht’. Na deze grap een paar keer te hebben verteld, heb ik het omgedoopt tot het ‘lantaarnpaalsyndroom’; de neiging om dat te meten wat meetbaar is, in plaats van dat wat gemeten zou moeten worden. Het resultaat: talloze vertekende conclusies en auditrapporten waarvan mensen in organisaties verdraaid goed doorhebben dat de conclusies niet kloppen of irrelevant zijn. Die in wezen weer een extra lange route blijken om het niet echt over kwaliteit te hebben.

 

Het is een metafoor die ik vaak heb gebruikt en weer onvoldoende heb doordacht. Want als je er over nadenkt kan het bijna niet anders of we zijn allemaal ‘lantaarnlijers’. Ons ontbreekt de sleutel tot zoveel echte kennis, dat we bijna niets anders kunnen doen dan te proberen nog net die lantarenpaal te vinden die nog iets van licht op de auto werpt om daarna tastend onze sleutels te gaan zoeken. Weet u, er zijn momenten dat ik denk dat de hele sociale wetenschap één groot lantaarnpaalsyndroom is, maar ik denk dat ik voor nu al genoeg overhoop haal. Voor je het weet ga je over Schrödingers kat en het Heisenberg dilemma hebben, terwijl ik eigenlijk niet anders bedoel dan dat het mij verdorie maar niet lukt om over ‘echte’ kwaliteit te hebben.

In ieder geval is deze ontboezeming van mij een beetje laat. Er is de afgelopen jaren hard en duidelijk met al het managementdenken en haar valse meetzucht afgerekend. Dat dit komt omdat we het nooit goed begrepen hebben en in dat afwijzen zijn doorgeslagen, doet er niets aan af dat de ontwikkelschool voor het moment door Old Shatterhand helemaal knock-out is geslagen.

Kwaliteit als zachte heelmeester: de inspiratieschool

Er is een alternatief voor in de plaats gekomen. Dat zou mijn sympathie moeten hebben, maar heeft het maar deels. Het wordt wel de ‘inspiratieschool’ genoemd en ik begrijp waarom. Het gaat er van uit dat kwaliteit – hoe ook omschreven – alleen kan worden bereikt als de mensen die het betreft er diep van doordrongen zijn – vandaar het woord ‘geïnspireerd’ – dat dit nodig is. Het blijft vaag als het gaat om de vraag wat die kwaliteit dan is. Of beter gezegd; het blijft heel individueel bepaald welke definitie wordt gegeven, maar het gaat in ieder geval om mensen die voor zichzelf de ‘waarom?’ vraag kunnen beantwoorden: ‘waarom wil ik dit?, waarom doe ik dat?’ Dit spreekt eerst en vooral de mensen aan die zich een professional voelen, of dat zouden willen zijn. Vertrouw me, geef me de ruimte en ik lever kwaliteit. Welke kwaliteit? Mijn kwaliteit, want niemand anders dan ik kan die bepalen.

En dan snapt u inmiddels wel waar het probleem komt te liggen. Professionalisme als manier om de kwaliteitsdiscussie weg te moffelen. Weet u nog dat ik die boeken eerder in het verlengde van het doel van de organisatie legde? Dat wordt hier al snel vergeten. Dan is het al snel de organisatie die voor de professional werkt in plaats van andersom. Dat wordt vervolgens een staande uitnodiging voor al die inspecties en toezichthouders om het soort ruwe druk op het stelsel te leggen dat zonder die druk niet uit de betrokkenen zelf voortkomt.

Nogmaals, het is een sympathieke school. Positief ook. Denk maar aan ‘appreciative inquiry’, waarderend onderzoek. Ik denk dat die methode in de praktijk moeilijker is dan het lijkt, maar ook dit heeft mijn sympathie. Alleen, ik denk wel dat het een kwaliteitsbenadering is die past bij individuen die al erg bezig zijn met kwaliteit. En ook als het om kwaliteit gaat, worden de rijken rijker en de armen armer. Het is opvallend hoe slecht een innerlijke drijfveer zich laat overbrengen op een nachtzuster met teveel patiënten en een te lange dienst.

Nu hebben we de bekende scholen gehad en u staat nog steeds met lege handen. Wat een feestje is het hier. Wat zal ik doen? Ik denk dat ik het nog erger ga maken, maar dat ik wel met een soort oplossing kom.

IJskoude kwaliteit: de politieke school

Zelf weet ik daar maar één ding tegenover te stellen en dat zijn de middelen die mij ter hand zijn gesteld in een arena die zo mogelijk nog erger is dan die van de kwaliteit: die van de politiek en van het campagnevoeren. En ja, dan komen al die lelijke beelden boven van framing, manipulatie en machtsbederf. Dan zou je denken dat je het alleen maar erger maakt.

Maar dat weet ik nog zo net niet. Ook dat zijn maar beelden en doen geen recht aan de mooie manieren zoals we die als samenleving hebben ontwikkeld om tot besluiten te komen. Niet alles hoeft te gaan langs de lijnen van de parlementaire besluitvorming, maar kan ook lopen van het simpel overleg tussen twee personen aan een statafel zoals waar ik deze lezing uitspreek tot en met de congressen en ledenvergaderingen waar de massa’s elkaar ontmoeten, we hebben als mensen zo onze manieren en het overgrote deel ervan werkt.

We hebben het dus over een normatieve school gehad die al metend op steeds modernere wijze weg komt van zelf geformuleerde en gedeelde kwaliteitsdefinities. We hebben het gehad over de ontwikkelgerichte die hoopvol en systeemgericht meer is gaan omarmen dan het aankon. En we hebben het over de inspiratieschool van kwaliteit, die veel en waarschijnlijk teveel bouwt op de eigen individuele maat voor kwaliteit. Mijn gedachte is dat er een school bij moet komen die er net als alle andere scholen van uit gaat dat het expliciet maken van kwaliteitsdefinities in beginsel een goede zaak is, maar die daar een andere route voor wil afleggen. Niet gericht op de norm, maar op hoe het is. Niet gelegd op de kwaliteitsdefinitie van een individu, maar op die van het totaal van betrokken individuen, partijen en alle banden daartussen. Niet gericht op ontwikkelingen, maar op posities.

Om dat duidelijk te maken, iets uit mijn praktijk van het begeleiden van branches en beroepsverenigingen bij het opzetten en invoeren van kwaliteitsstelsels. Doorgaans gebeurt dat in de vorm van wat dan intercollegiale toetsing’ of ‘peer review’ heet. Het komt er op neer dat de ene collega bij de andere op bezoek gaat. Daarbij wordt ook zeker het een en ander gecontroleerd, maar de kern is een goed gesprek waarin de ene collega de andere collega een spiegel voorhoudt.

De eerste keer dat ik meemaakte dat het kwaliteitsstelsel van een branchevereniging onderuitging toen de leden zich er over uit moesten spreken, was ik echt geschokt. Hoe kunnen de leden hier tegen zijn? Het is toch zo goed voor hen? Wilden ze dan liever het toezicht van een inspectie? Ik begreep er niets van. Inmiddels, de nodige bestuurscrisissen verder, verwacht ik ze en hoop nu zelfs dat ze er zijn, want dat is een teken dat het serieus is. Wat we inmiddels gecreëerd hebben, als goed bedoelende managers en adviseurs, zijn hele legers van mensen die al die manieren waarop we geprobeerd het de kwaliteitsdiscussie weg te moffelen als het ware teruggooien in ons gezicht: de terreur van de normen en getallen uit de eerste school, de eindeloze complexiteit van de tweede school, het harde zachte uit de derde school. We hebben iedereen de taal gegeven om ons als veranderaars de wapens mee uit de handen te slaan. Om het in Annie M.G. Schmidt taal te zeggen: ‘Er is geen wegmoffelen meer’. Je moet de strijd aan als je bedrijf, branche, vereniging of persoon wat wilt. En dat is goed. Als je op de juiste manier doorzet, dan komt er iets uit dat mooi en de moeite waard is.

Daar heb ik een metafoor voor meegenomen. Een blok ijs. 

Wil je iets veranderen, dan is het vaak net alsof je met je handen door een bak water gaat. Er gebeurt van alles. Het water gaat alle kanten op: het draait, kolkt, spettert en cirkelt. Maar zodra je stopt met het door het water gaan van je handen, stopt ook het bewegen van dat water. Alles kan van plaats veranderd zijn maar, behalve je eigen natte handen, is er geen zichtbaar effect van wat je doet. Er valt in de kern niets beet te pakken. Dat wordt anders als je water gaat verwarmen of bevriezen. Verwarmen van het water is een idee, maar je houdt er uiteindelijk minder van over. Dan is bevriezen een beter idee. Het grote voordeel is dat je het beet kan pakken en bewegen; het glijdt zelfs best lekker. Je handen worden er wel koud van en het ijsblok gaat in de vorm van smeltwater direct weer terug naar de oude vorm, maar ondertussen heb je alles wel kunnen bewegen. Tenzij het een snikhete dag is, is het niet leuk om dingen te bevriezen, maar het werkt wel.

Deze metafoor staat voor mij voor de politiek van kwaliteit. Je gaat niet wild door het water slaan of er slechts wanhopig naar kijken. Je kijkt rustig en gaat dan relaties proberen te bevriezen tot er iets ontstaat – een overeenkomst, een norm of een grens, die houdbaar blijkt. Dan ga je naar het volgende toe, en zo verder. Het kan dat er achter jouw rug van alles weer gaat ontdooien, maar dat is dan zo. Je vak is in belangrijke mate het beheersen van de relatie zodat daarbinnen iets van kwaliteit kan ontstaan. Jij bent het doorgaans niet die bepaalt welke kwaliteit het wordt. Die invloed heb je niet. Je maakt het wel mogelijk.

De politiek van kwaliteit is dus gericht op het vormgeven van de discussie over kwaliteit. Het gaat om het zien en creëren van verbanden, niet om het op voorhand stellen van normen. Het is pessimistisch in de zin dat niet direct wordt verwacht dat er overeenstemming is over kwaliteit, het is optimistisch in de zin dat het altijd mogelijk is om een collectief te creëren waaruit een kwaliteitsdefinitie kan voortkomen. In mijn beste poging tot objectiviteit zou ik daarbij willen zeggen dat er meer kwaliteit is dan ooit, maar nooit genoeg en dat we die kloof alleen kunnen dichten door ook de politieke weg te volgen. Het moet meer dan goede bedoelingen zijn. Anders kom je nooit dichter bij kwaliteit.

Dit is het eerste deel van een lezing die min of meer zo uitgesproken is op 16 juni 2017 op een bijeenkomst ter gelegenheid van 60 jaar Peter Noordhoek, 22,2 jaar Northedge, 20 jaar Gouda en 35 jaar CDA. Wat dit laatste betreft: bij een volgende gelegenheid wordt het verhaal over de ‘politiek van de kwaliteit’ verteld.

Peter Noordhoek over de politiek van kwaliteit

Rebound. Of hoe je een dorp door de tijd trekt

Opening sportpark De Trekdam

Opening sportpark De Trekdam

Onlangs werd ik uitgenodigd voor een basketbaltoernooi van vereniging ‘Rebound’ in ’s-Gravendeel, een dorp op het eiland De Hoeksche Waard, waar ik getogen ben. Dit ter gelegenheid van het afscheid van Cok Eckhart. Na 40 jaar lidmaatschap stopte hij ermee. De club wilde graag dat ik samen met de andere medeoprichters van toen er ook bij zou zijn en meedoen. Voor Cock, graag. Fantastische vent. Het vooruitzicht van een toernooi deed me aarzelen, na zeker 20 jaar geen bal meer in de ring te hebben gegooid. En dan was er nog die herinnering van de openingswedstrijd van de nieuwe club. Het is tijd dat ik mijn wreedste herinnering deel. Na deze blog heb ik geen geheim meer.

Mijn vrienden waren erbij. Vlak voor aanvang hielden ze me bezig met hun grappen en grollen. Een fluit klonk. Ik maakte me met moeite los uit hun greep en stormde de vloer op, richting de mêlee onder de basket. Uit die groep kreeg ik bal toegeworpen. Ik plukte de bal uit de lucht en zocht gelijk de ruimte. Daar! Met de bal vloeiend stuiterend onder mijn hand, snelde ik naar de basket en maakte, hoog springend, een perfect lay-up. De bal cirkelde langs de binnenkant van de ring en viel door het net.

Stilte. Een moment van verbijsterde blikken. Een volgend moment waarin het besef zich klein door mijn hersens lekte. Vrienden die links en rechts van hun bank af rollen. Ik had gescoord … in de basket van mijn eigen team.

Tsja. De uitnodiging voor het toernooi markeert dus het moment dat ik 40 jaar geleden heel knap een 2-punter tegen mijn eigen team haalde. Voor basketbal heel bijzonder. Mijn lieve, goede vrienden uit de middelbareschooltijd herinneren me er al 40 jaar aan, maar voor de rest voor de wereld heb ik het maar stil gehouden. Wellicht is het tijd om me er overheen te zetten. Er zijn redenen genoeg. Het doet mij zelfs aan het wonder van zo’n dorp als ’s-Gravendeel denken. En waarom er überhaupt een jubileum te vieren valt. Oftewel: hoe je een dorp door de tijd heen trekt. Want niets gaat vanzelf, en zelfs dat niet.

Ik was 18 toen ik hielp om Rebound op te richten en gelukkig was er o.a. Cock Eckhart om te helpen. Ervaring had ik al: op m’n 16e hielp ik om aan de Binnenmaas een windsurfvereniging op te richten, maar dit was toch anders. Er was een sporthal in het dorp gekomen. Naast voorspelbare sporten als zaalvoetbal en tennis, was er ook een volleybalclub gekomen, maar ik miste wat: basketbal. In die tijd zat ik op school in Oud-Beijerland en dat was een echte basketbalschool, met in de eigen club BOB alumni als Kees Akerboom. We hadden de eerste Amerikaanse pro in huis. Dat moest er ook in ons dorp komen. Een beetje overmoedig, maar wat zou het. Het werd in ieder geval de start van Rebound. Maar daar wil het eigenlijk niet over hebben. Ik wil het over die sporthal hebben. En over het dorp. En hoe het uit de 50-er jaren naar de 70-er jaren sprong en hoe erg de manier waarop dat gebeurde inspiratie zou kunnen bieden voor nu, want hier hebben we het over een maatschappelijk initiatief voordat iemand op het idee kwam het zo te noemen. Een in z’n soort waanzinnig succesvol initiatief.
Dit stukje Lekker Lang Lezen schrijf ik op basis van mijn eigen jeugdherinneringen. Die kunnen niet alleen fout zijn, maar ook nogal gebrekkig als het om de namen gaat van alle mensen die er een rol in speelden. Excuses aan hen, maar kom toch maar mee in dit verhaal, een verhaal dat ruwweg 15 jaar voor de oprichting van Rebound start. Toen de zestiger jaren aanbraken, maar de vijftiger jaren nog heersten.

= o =

Een man kwam op bezoek bij de dokter. De man, een belangrijker ondernemer in het dorp, verkeerde in algehele staat van ‘malaise’. Moe, lusteloos, ziek, neerslachtig. Nu zouden we zeggen dat de man een burn-out had, maar toen kende nog niemand die term. Of en wat de dokter, mijn vader, hem iets van medicijnen voorschreef, is mij niet bekend. In ieder geval heeft de man mij later verteld dat mijn vader hem een dosis gezond verstand heeft voorgeschreven: ‘Wat jij moet gaan doen, is meer bewegen.’ De man had echter geen zin in de enige twee sporten die het dorp echt te bieden had: voetbal voor de arbeiders of korfbal voor de christenen, wellicht omdat hij als ondernemer in het dorp nogal zichtbaar was en de keuze niet eenvoudig was.

Uit dat spreekkamerbezoek is de oprichting van de tennisclub ’s-Gravendeel voortgekomen. Mijn vader was thuis een stille en ik was toen pas een jaar of 5 oud, maar ik denk dat hij wel aangetrokken werd door die nieuwe, moderne sport van heldere lijnen, oranje klei en witte kledij. Hij ging een groep mensen om zich heen verzamelen die ook wel de sprong naar het nieuwe wilden maken. Daaronder de vrolijke slungelachtige boer Reinier van de Berg, die tussen het boerenwerk door nieuwe machines ontwierp en Dick Barth, diezelfde gedrongen ondernemer die op het spreekuur kwam, en onderdeel van een familie die zich door aan het ontwikkelen was van een traditionele vlasfamilie naar een machinebedrijf voor de landbouw. Moderniseerders dus. Ietsjes later zou daar onder meer de nieuwe directeur van de openbare school bij komen, Mees Boer. De rebellenclub kreeg vorm.

Tegelijk stond het hele dorp nog met beide benen in de verzuilde jaren vijftig. De vlasindustrie had ervoor gezorgd dat ’s-Gravendeel een dorp was met een echte arbeiderspopulatie en de PvdA als grootste partij en een forse openbare school. Tegelijk was het een door en door christelijk dorp, met een grote hervormd kerk in het midden van het dorp, aan het einde van de kreek, maar ook met daarnaast nog de afgesplitste kerken, voorop de gereformeerde en christelijk-gereformeerde kerk. Heel trots was men op de eigen ‘Christelijk-nationale school’. Wij schoolkinderen moesten dan ook niets hebben van de ‘openbare klapsigaren’.

Beide traditionele volksdelen hadden hun leiders, waaronder enkele hele goede wethouders, maar twee koppen sprongen er in gereformeerde hardheid bovenuit: die van burgemeester Verplanke en van dominee Arntzen. Beide hadden persoonlijkheden die groter dan het dorp waren. Verplanke zou uiteindelijk de Vereniging Nederlandse Gemeenten gaan leiden, Arntzen een eigen kerkgemeenschap. Beide mannen waren niet makkelijk, maar hadden wel visie.

Naast de burgemeester en de dominee moest natuurlijk nog een derde notabele staan: de dokter. Er was al een dokter in het dorp, dokter De Haas. Toch lijkt mij dat de hoop werd gevestigd op de jonge nieuwe gereformeerde dokter die in ’59 met zijn vrouw ging wonen in het doktershuis, aan de andere kant van de kreek, het hoge andere middelpunt van het dorp: in ’53 was dat de plek waar de dorpsgemeenschap haar toevlucht zocht.

Doktershuis aan het Havenplein

Dat leek ook goed te gaan. Binnen korte tijd zat de dokter op in het voor hem gereserveerde deel van de kerkbank vooraan in de gereformeerde kerk, zat hij in het schoolbestuur van de Christelijke school en in een reeks andere functies. Toch waren er al snel tekenen dat hij er minder dan traditioneel inzat. Zo liet hij al snel het bordje ‘gereserveerd’ van de voorste naar de achterste bank verplaatsen, onder het moment dat hij snel de kerk uit moest kunnen gaan bij een ongeval en liet hij zich zelden zien in de korfbalvereniging. Het spreekuur waarin de tennisclub werd geboren zou alles op de spits drijven.

Waar draaide het om? De zondagsrust. Terwijl ik druk bezig was om als 7-jarig jongetje met mijn kleurpotloden de zelfgemaakte tekeningen voor de nieuwe tennisbaan onleesbaar te maken, werd een strijd gevoerd over de komst van de tennisbaan. Daar was een vergunning voor nodig en dus een raadsbesluit. En hoe kon men er nu zeker van zijn dat de tennisclub niet op zondag zou worden gebruikt? Verzekeringen dat er respectvol met de zondagsrust om zou gaan werden niet echt geloofd. Dat werd pas anders met mijn vader in de rol van voorzitter. Niemand kon zeggen dat hij niet door en door gereformeerd was. Dat werd ook anders doordat dominee Arntzen (een fantastisch iemand buiten zijn geloof trouwens, ik heb fietsen van hem geleerd) tegen die tijd al vol in zijn kerkstrijd buiten het dorp terecht kwam en vooral doordat de burgemeester een nuttige neutrale bondgenoot ontdekte in de dokter in zijn dagelijkse strijd om het socialistische en het kerkse deel van zijn raad te verzoenen in het opkomend tij van de zestiger jaren.

Oprichting tennisclub

Zo kwam de tennisclub er. Het werd een groot succes. Al snel kwam er behoefte aan extra banen. En tegelijk kwamen er andere wensen bij: nieuwe velden voor de voetbal, een zwembad waarbij de dode kikkers niet langs de bak lagen en – heel belangrijk – toch ook wel de behoefte bij de korfbalclub om niet langer tussen de koeienvlaaien door te hoeven spelen op een iets aangepast weiland. Er moet iets gebeuren. De jeugd van ’s-Gravendeel moest worden beziggehouden. Anders zouden ze maar rare dingen gaan doen in die ‘sozen’ van ze. Dat haar werd ook steeds langer.

Maar de verhoudingen binnen de raad waren alleen maar vaster komen te liggen. De polarisatie was enorm. Het is in die tijd dat burgemeester en dokter elkaar opnieuw wisten te vinden. In 1965 werd de Sportstichting ’s-Gravendeel opgericht. Dat gebeurde met betrokkenheid van de gemeente, maar in de kern was het een particulier, of wat we nu zouden noemen; een maatschappelijk initiatief en om die reden getrokken door mijn vader, de dokter, als voorzitter en met Mees Boer, de schooldirecteur, als secretaris. Na een zeer spannend raadstraject werd de kwestie zondagsrust geneutraliseerd en kon de stichting van start.

Werk aan sportpark De trekdam

 

 

 

 

 

 
Een paar jaar later konden de nieuwe velden op de “Trekdam’ worden geopend. De burgemeester en de dokter trokken samen op, beide strak in het pak. Het lijkt er eerlijk gezegd op dat de echtgenote van de burgemeester (links) en die van de dokter (rechts) een afspraak hebben gemaakt over de jurkjes en witte handschoenen. Die bril van mijn moeder is natuurlijk wel te gek.

Dr. Verplanke en Dr. Noordhoek

Dr. Verplanke en Dr. Noordhoek

Mw. Verplanke en Mw. Noordhoek

Mw. Verplanke en Mw. Noordhoek

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tien jaar na deze opening kon ook een nieuwe sporthal door de stichting worden geopend. Maar wat gaan we in die hal dan doen? Iets later verscheen er een kleine annonce in de krant met de vraag wie er zin had in basketbal. Dat werd Rebound. De eerste wedstrijd werd gelukkig gespeeld voordat overal foto’s van werden genomen.

= o =

Het is een simpel verhaal. Iemand bedenkt een reden om een tennisclub te willen. Andere iemanden volgen. Iemand bedenkt een manier om de problemen in de raad te overwinnen. Andere iemanden volgen. Iemand bedenkt dat het nodig is een sportpark te hebben. Iemanden volgen. En een sporthal. Iemanden volgen.

Het lijkt zo logisch, maar het is niet vanzelfsprekend. Ergens in al die stappen, en goeddeels onbewust, is het dorp zich gaan aanpassen aan de nieuwe tijd. Dat zijn allemaal ideeën en beslissingen geweest waar iemand en nog iemand en nog iemand zich sterk voor heeft gemaakt. Het is niet ‘de’ geschiedenis die zich hier afspeelt – het zijn mensen die naar voren stappen, om wat voor motief dan ook. Op die manier is er als het ware over breuklijnen in de tijd heengestapt. In andere dorpen en plaatsen is dat niet gebeurd, of veel later.

Vooruitgang is ook een keuze, wil ik maar zeggen. En het interessante is dat hier de vorm is gekozen van een maatschappelijk initiatief, een stichting. Later zou deze stichting naar mijn indruk nogal verzakelijken en soms niet meer vormen dan een soort gemeentelijk uitvoeringsorgaan, maar zelfs in die tijd was de stichting bij machte meer aandacht voor de noodzaak van onderhoud te vragen dan klassieke ambtenaren hadden gekund.

Zou dat nu nog zo kunnen? Waarom niet. Er is wel iets verdwenen. De vanzelfsprekendheid waarmee ‘de notabelen van het dorp’ de kar trokken is er niet meer. Mijn vader en zijn vier broers kwamen zonder vader en volstrekt berooid terug uit Nederlands-Indië, maar vanaf het moment dat hij en zijn vrouw vanaf hun bovenverdieping in de gemeente Dordt, met mij en mijn broertje op de arm, het doktershuis introkken, was mijn vader de dokter en stonden voor iedereen – ook voor mijn moeder en ons kinderen – de spelregels vast. Dat is niet meer zo. Dat is goed en dan zie je ook dat met mensen als Cock Eckhart de ontwikkeling van het dorp gewoon doorgaat. En daarna ook. Tenminste, dat hoop ik.

Die zondag van het basketbaltoernooi voor Cok Eckhart, op weg naar de sporthal op de Trekdam, nam ik een omweg via de Zuid Voorstraat langs ons oude huis. Direct daarna nam ik de afslag rechtsaf, richting de Rijkestraat. Opeens bevond ik mij midden in de drukte van de uitgaande Gereformeerde kerk. Onze, mijn oude kerk. Het publiek dat de kerk uitkwam was zo mogelijk nog keuriger en hoofdbedekter dan in onze tijd. Iets verderop kwam ik ook terecht tussen de wandelende kerkgangers van de christelijk-gereformeerde kerk. Toen draaide ik de Strijense dijk op, ging linksaf, rechtsaf en kwam op het parkeerterrein van de sporthal. Korte broeken, T-shirts alom. Anders dan vroeger nu ook volop tatoeages. Een andere wereld, maximaal honderd meter van elkaar vandaan.

Alles is veranderd, niets is veranderd. De twee werelden liggen mogelijk nog verder uiteen dan in de vijftiger jaren van de vorige eeuw. Wie helpt ze overbruggen?

Peter Noordhoek


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek