Voorbij het frame van de sleepwet: over oude spionnen en blijvende keuzes

Er komt een referendum over een Wet op de inlichtingen en veiligheidsdiensten, slechter bekend als de ‘sleepwet’. Een wet die onze agenten en spionnen teveel bevoegdheden zou geven en onvermijdelijk onze privacy gaat schenden. Zeggen de tegenstanders. Zegt Lubach, en hij kan het weten. Het klinkt in ieder geval allemaal heel spannend, wat die overheid met ons van plan is. Een beetje duister eigenlijk. Iets waar je een spionageroman over leest. Toch? Een lekkere lange blog.  

Er was een tijd dat ik erg bezig was met Smiley. Hij was het tegenovergestelde van James Bond, 007. George Smiley was grijs. Iemand met een zachte handdruk onder ronde brillenglazen. Maar hij was ook ongrijpbaar en gehard in het spel achter het ijzeren gordijn: ‘the spy who came in from the cold’. Iemand voor wie het doel belangrijker was dan het middel, want het ging over leven en dood. Tegelijk was hij, zoals zijn bedenker, John Le Carré, hem in de zestiger jaren beschreef, ook alles wetend en begrijpend. Zo iemand die je graag als je baas of mentor wilt hebben.

In zijn nieuwste boek ‘A Legacy of Spies’, komt Smiley terug (‘Jeetje, daar lazen mijn ouders over’, zei mijn medepassagier. Eén moment voelde ik me oud, het volgende superieur). Smiley is niet langer de held, hij is de schurk; een donkere figuur uit de Koude Oorlog geworden. Al jaren dood, maar toch. Zoals het boek het vertelt, loopt er een procedure tegen de Britse inlichtingendienst over dingen die onder verantwoordelijkheid van Smiley zouden zijn gebeurd en waar de dienst voor aansprakelijk is gesteld. Dus: slechte publiciteit, veel geld. De dienst doet wat diensten doen: kijken of ze de schade kunnen afwentelen. Op Smiley valt niets meer te verhalen. Hij zou dood zijn. Op zijn medewerker misschien? Die leeft nog. En zo voelt Peter, de medewerker van George Smiley, het net om hem heen sluiten.

Mooie thematiek voor een spionageroman. De medewerker – net met pensioen gegaan, dus niet langer nodig – krijgt het zwaar, kan eigenlijk niet tegen de logica van het afschuiven op, dreigt te worden vermorzeld. Bijna. Ook Carré houdt van helden die het net redden.

Ik moest er over doordenken. Mijn eerste baas was – ver voordat hij mijn baas werd – ook een ‘spion’. Hij was zelfs één van de grondleggers van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) in Nederland. Kind uit een Scheveningse familie van 9 kinderen en met niet meer dan een boekhouddiploma op zak, zou hij zijn carrière eindigen in de Raad van Bestuur van een universiteit. Ver voordat hij in een bestuurszetel belande was hij roekeloos moedig in de oorlog en werd toen door Schermerhorn, de latere premier (samen met Drees), gespot als een talent. Hij hielp bouwen aan de nieuwe inlichtingendienst en legde onder andere de basis voor wat later (het tegengaan van) bedrijfsspionage zou gaan heten.

Toen hij mij in smiezen was hij al lang uit de dienst. Af en toe deed hij nog wat in de sfeer van opleidingen, maar voor zover ik weet was dat het. Zijn dag vulde hij in de tachtiger jaren met ‘interessante klusjes’. Hij had de reputatie van een harde saneerder; iemand die een kakelend hok rustig kon krijgen door alle kippen in de pan te doen. Maar meestal deed hij zijn werk met een glinstering in zijn ogen voor iedereen die met een oplossing kwam in plaats van een probleem.

Vijf jaar lang deelden we lief en leed bij een opleidingsinstituut; hij als voorzitter, ik als zeer jonge directeur-secretaris. In die jaren reden we samen alle universiteiten af en begon hij in de auto steeds meer te vertellen over zijn verleden. Ik betwijfel of ik ooit echte geheimen heb gehoord (al leerde ik zo’n 20 jaar voordat het in de media kwam heel wat over prins Bernhard), maar wat ik wel meekreeg was een houding die ik maar zal duiden als ‘koel kijken, warm voelen’. Eerst een messcherp doorkijken naar de diepere lagen en dan handelen, met echt begrip voor het menselijk tekort. Kortom; ik had aan hem een goede leermeester. Niet de enige, wel een belangrijke.

En met de lezing van het boek, komt dan de gedachte op: wat als die gewaardeerde voorzitter van mij een verleden zou hebben dat hem op de een of andere wijze in kwaad daglicht zou zetten? Dat wat goed was, nu opeens fout zo zijn? En dat ik dan nu als zijn oud-medewerker daarvoor aansprakelijk zou worden gehouden, omdat hij zelf al dood is? Ik weet dat hij in de oorlogsjaren op een beruchte landverrader heeft gejaagd en hem uiteindelijk te pakken kreeg. Van echt bewijs van landverraad was nauwelijks sprake, van een echte rechtsgang ook niet. Maar het was genoeg voor toen. Stel dat familie van die veronderstelde landverrader nu alsnog het gebrek aan bewijs als basis voor een claim zou nemen en bij het geconstateerde overlijden van de overijverige spion de medewerker aansprakelijk zou stellen?

Maar nee, het zou niet werken. Niet alleen omdat ik geen John le Carré ben en niet het vermogen heb om zoiets te schrijven, of omdat er ook zoiets als verjaring is, maar vooral ook omdat het niet logisch voelt dat je met terugwerkende kracht iemand in de schoenen kan zetten van een ander die iets zou hebben misdaan, net zo min als je met de kennis van nu iemand kan veroordelen voor de daden van toen. Tenminste, dat vind ik. Dat geldt voor de daden van mijn oude baas (die volgens mij zeer gerechtvaardigd waren), dat geldt ook bijvoorbeeld voor de mariniers die de trein met gijzelnemers in de punt hebben bestormd en voor vele andere voorbeelden van dingen die we nu gruwelijk kunnen vinden, maar logisch zijn vanuit de tijd van toen, toen we in vergelijking met nu ongelofelijk primitieve middelen hadden om ons gedrag op te baseren.

En dat brengt me waar ik naar toe wil, zeker in deze dagen van de nieuwe Wet Veiligheids- en Inlichtingendiensten (Wiv), de ‘Veegwet’. Ik meen dat we onze handen al vol genoeg hebben aan onze verantwoordelijkheid voor de dag van vandaag en dat we maar moeten hopen dat latere generaties ons niet harder zullen oordelen dat wij nu de spionnen en soldaten van toen. En mijn gevoel is dat zowel voor- als tegenstanders van de wet – en het inmiddels erbij horende referendum – er een potje van maken. De voorstanders door de relativering te gaan zoeken, de tegenstanders door de overheid of grote bedrijven tot vijand te maken.

Nee, het valt niet mee. Net zoals er in de VS teveel mensen met wapens rondlopen, zo lopen in de samenleving van nu met teveel computers rond die tot teveel in staat zijn. Overheden, bedrijven, maar ook gewone individuen: we hebben stuk voor stuk meer toegang tot informatie dan de beste spionagedienst in de koude oorlog. In totaal zoveel digitale informatie dat het meeste ervan nimmer meer door mensen kan worden gelezen; het is gewoon teveel. Alleen via algoritmes kan er nog betekenis uit worden gehaald en dan nog eerder door computers dan door mensen. Veruit het meeste daarvan betreft nuttige of ten minste onschuldige informatie. Een heel klein deel ervan kan en zal worden misbruikt door anderen. We kunnen niet weten welk deel.

Dat maakt ons machteloos, dat maakt ons bang. Terecht. We zijn kwetsbaar. We kunnen best wat doen aan verbetering van onze privacy, en dat moeten we ook doen. Als het er echt op aan komt is onze privacy geen fractie van de privacy die de mensen vroeger achter het ijzeren gordijn konden genieten.

En nee, de overheid is niet de kwade pier. Zelfs de Russische niet. Niet bij voorbaat. Ze worden in hoge mate bemenst door bange mensen die geen fouten willen maken en zich in willen dekken tegen de boosheid van hun bazen. Misschien wel gevaarlijker, maar geen reden om overal een samenzwering in te zien. Hetzelfde geldt voor bedrijven. Ook Google en Facebook worden niet geleid door schurken. Ze hebben hun belangen, maar die belangen worden ook begrenst, is het niet door overheden, dan wel door concurrenten en aandeelhouders. En tegenover elke ambtenaar of medewerker die de fout ingaat of zijn macht misbruikt, staat een veel groter aantal dat op z’n minst professioneel het eigen werk doet en zijn er velen die met overtuiging over zowel onze veiligheid als onze privacy waken.

Met andere woorden; alles kan gebeuren, maar niet alles dat kan gebeuren zal ook gebeuren. En als het er op aan komt moeten we aan de kant van de overheid gaan staan. Daarom nog even terug naar het voorstel van de nieuwe wet. Want we moeten niet alleen iets begrijpen van veiligheidszaken en inlichtingendiensten om bij het referendum te weten wat we moeten stemmen. We moeten ook iets over wetgeving weten. Wetten lopen namelijk per definitie achter de werkelijkheid aan. Stel, je wilt heel precies regelen dat de eigen privacy niet geschonden kan worden, door niets of niemand. Als dat het geval is, dan moet je ook bijvoorbeeld weten dat jouw telefoon niet zomaar afgeluisterd kan worden.

Dat vergt technische kennis, veel technische kennis. Dan denk ik nog even aan mijn oude voorzitter met mijn iPhone in de hand. Ik probeer te bedenken hoe hij de warme en de koude oorlog zou zijn doorgekomen als hij toen al de beschikking over een iPhone had gehad. Ik kan me er weinig bij voorstellen. Waarschijnlijk was hij opgepakt. Via een trace op zijn medewerker die weer in zijn contactenlijst stond, etcetera. Dat zou dus nu niet meer mogen kunnen. Dat moet geregeld worden. Ik weet wel dat er over een jaar weer een nieuwe versie van de iPhone zal zijn. Dan moet het dus opnieuw geregeld worden. Met een nieuwe wet. Ziet de lezer het probleem? Het kan niet anders of de wet moet zo geregeld worden dat er ruimte is om op nieuwe ontwikkelingen in te spelen zonder elke keer de wet te hoeven wijzigen. Ja, dan blijft er een risico op de schending van privacy bestaan.

Waar het in de praktijk op neerkomt, is dat de wet vooral ‘procesbepalingen’ zal bevatten. Dat betekent dat vooral geregeld wordt wie wanneer wat mag beslissen: de ‘checks en balances’. Daar ben ik niet zo dol op. In een sfeer van wantrouwen – en dat is er natuurlijk gewoon – betekent dat er vooral een bureaucratische moloch (verder) wordt opgetuigd, waarbij iedereen elkaar binnen de diensten in de gaten mag gaan houden. Ik heb er mijn twijfels bij – en vraag mij bijvoorbeeld af of er nog mensen overblijven die nog tijd hebben om gewoon dossiers te bekijken – maar denk dat er weinig anders op zit dan door die rituele dans heen te gaan.

Met of zonder referendum moeten we dus door de hoepel van een nieuwe wet springen. Komt het wel tot een referendum en is de stemming afwijzend, houden we nog lang de huidige wet en die is in ieder geval verouderd. Het directe gevolg is toenemende onveiligheid naar mate de veroudering langer voort blijft duren. Maar ook bij een positieve uitkomst van de stemming, dus aanname van de nieuwe wet, hoeven we nog niet blij te zijn. Mijn beeld is dat de huidige veiligheids- en inlichtingendiensten de laatste jaren zover zijn uitgekleed dat een nieuwe wet nog geen betere dienst maakt. Het maakt het wat makkelijker, niet meer dan dat.

Nee, wat echt aan de orde is en waar het referendum dan ook over zou moeten gaan, is eigenlijk dit: hebben we een basisvertrouwen in onze eigen overheid? Zijn ze er voor ons of niet? Uiteindelijk val je bij ingewikkelde vraagstukken als deze terug op een moreel oordeel en niet op een technisch oordeel. Dat geldt ook hier.

Ik heb me afgevraagd hoe mijn oude voorzitter op de situatie zou hebben gereageerd. Je kan zeggen: hij was een oud-spion, natuurlijk zou hij voor de nieuwe wet zijn. Maar ik zie zijn snor al trillen; de man had een perfecte bullshit-meter. Hij zou niet aarzelen om zijn mening te geven over wat hij van zo’n referendum vindt. Ik weet nog hoe fel hij was als het om prins Berhard ging. In de oorlog had hij een paar keer de Biesbosch overgestoken en trof daar iemand aan die hij als een held wilde vereren, maar in zijn ogen een windvaan, een ‘volstrekte nonvaleur’ was. Zijn gezag accepteerde hij in ieder geval niet. Hij haatte Berhard omdat die verraad pleegde aan zijn hoge idealen, maar in feite was hij tot op het bot gezagsgetrouw. En had daar zo nodig zijn leven voor over.

Natuurlijk zou hij voor de nieuwe wet zijn – en ondertussen zowel tegenstanders als regering tot op de veters afbranden. Sleepwet? Als oud-Scheveninger zou hij het een eretitel vinden.

En Smiley? Op de laatste bladzijde van Le Carré’s boek vindt Peter, de oud-medewerker van George Smiley zijn oude baas terug, die toch nog blijkt te leven (het blijft een roman). Het draait uit op de eeuwige vraag: “Waar deden we het allemaal voor?” Het antwoord van Smiley: ‘Voor de wereldvrede, wat dat ook mocht zijn? Ja, ja natuurlijk. Er zou geen oorlog zijn, maar in de strijd om de vrede lieten we geen steen overeind staan, zoals onze Russische vrienden pleegden te zeggen.’ Hij viel stil, om alleen maar met meer kracht te vragen: ‘Of was het allemaal in de naam van het kapitalisme? God beware me.’

Hij nam een slokje wijn, met een glimlach om zijn lippen, als het ware zichzelf iets vragend: ‘Was het dan allemaal voor Engeland, dan?’ vervolgde hij. ‘Inderdaad draaide het een tijd om ons eigen land. Maar wiens Engeland? Welk Engeland? Alleen voor Engeland, als burger van Nergensland? Ik ben een Europeaan, Peter. Als ik al een missie had, dan was het voor Europa. Als ik zonder hart was, dan was ik zonder hart voor Europa. Als ik al een onbereikbaar ideaal had, dan was het om Europa uit haar duisternis te leiden richting een nieuwe tijd van redelijkheid. Dat is nog steeds mijn droom’.

En zo gaat het referendum toch nog over Europa. In ieder geval volgens Le Carré en zijn George Smiley. Deze Peter zegt het hem wel na. Referenda zijn op zich niet absurd, maar ze gaan zo snel over iets waar het niet over zou moeten gaan. De nieuwe Wiv, de ‘sleepwet’ lost noch het probleem van veiligheid, noch dat van privacy op. Het past na aanname alleen wat beter bij de tijd in een klein hoekje van Europa. Als zodanig verdient de nieuwe wet steun, ook als start voor een sterkere inlichtingen- en veiligheidsdienst.

Peter Noordhoek

Bronnen:

John le Carré (2017) – A Legacy of Spies. Viking, London.

34 588 Regels met betrekking tot de inlichtingen- en veiligheidsdiensten alsmede wijziging van enkele wetten (Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 20..)

www.sleepnet.nl


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek