Weblog

Kwaliteit in het nieuwe regeerakkoord: ‘Doe mij maar alles’

Kwaliteit – wat een woord voor alles. Vanaf het begin van de jaren negentig voerde ik na elk regeerakkoord een analyse uit van de manier waarop het kabinet aan ‘kwaliteit’ denkt te gaan werken. In die jaren stond het woord ‘kwaliteit’ regelmatig in de titel en ik mocht dat graag kritisch maar positief ontleden, doorgaans voor de Staatscourant. Het was echt een thema, waarbij min of meer bewust beleid werd gemaakt, met instrumenten, modellen alles. Liep ernstig uit de hand*, maar er zat wel een gedachte achter het gebruik van het woord. Dat is nu wel anders, maar ook deze week verscheen een regeerakkoord waarin het woord een kleine 50 keer voorkomt – gemiddeld bijna 1 keer per pagina. Dus ja, ook dit verdient een analyse.

Let op: dit is een analyse op conceptueel niveau. Het zegt vooral iets over de kansen op een goede uitvoering van de beleidsvoornemens en zegt minder over de onderliggende keuzes en hoe terecht die zijn. Uiteindelijk zeggen uitvoeringskansen natuurlijk ook iets over de kwaliteit van de insteek, maar ik maak hier geen politieke keuzes.

Kwaliteit gedefinieerd

Mijn wenselijke definitie van kwaliteit is deze: ‘kwaliteit is de consensus zoals die ontstaat nadat impliciete definities van kwaliteit expliciet zijn gemaakt’**. Lees het rustig nog een keer. Ik weet dat in werkelijkheid het proces van het expliciet maken van kwaliteitsdefinities een recept voor ruzie en uitstelgedrag is. Tot consensus komen is moeilijk; als je iets expliciet moet maken, worden ook de verschillen duidelijk. Het eerste waar ik daarom op let is hoe het woord ‘kwaliteit’ benaderd wordt: concreet of algemeen. Het tweede waar ik op let is het paradigma van waaruit geschreven wordt. De ene vorm van kwaliteitszorg is de andere niet. De benamingen verschillen nog weleens onder deskundigen, maar zelf maak ik een onderscheid tussen 4 paradigma’s of denkscholen: empirisch (denken dat alles meetbaar te maken is: wat?), referentieel (denken dat alles in normen of modellen te vatten is: hoe?), reflectief (denken dat het om anders denken gaat: waarom?) en emergent (denken dat het ontstaat uit botsende belangen: huh?) danwel surgent (bewust aansturen op een definitie: ha!). Dit zijn ruwe omschrijvingen, maar ik leg ze verder uit waar dat relevant is. Laat in ieder geval duidelijk zijn dat vooral de referentiële en reflectieve invalshoeken al snel op gespannen voet staan in de beleving.

Eerst zoom ik echt op het woord kwaliteit in, daarna maak ik het minder letterlijk. Concreet startend: waar wordt het woord kwaliteit mee verbonden?

Gebruik per sector

In de inleidingen het akkoord wordt trots gezegd dat we als Nederland hoog op kwaliteit scoren, bijvoorbeeld als het gaat om de ‘kwaliteit van ons onderwijs en onderzoek’ (p. 1). Dit is puur referentieel; verwijzend naar scoringslijstjes op internationale rankings. Prima om trots te zijn op je kwaliteit, overigens.

Over de sectoren die er voorheen het meest ‘aan deden’, Veiligheid en Justitie en BZK, wordt nu veel minder over kwaliteit gesproken. Bij de inleiding wordt nog over ‘investeringen in de justitiële keten gesproken: ‘er komen middelen voor menskracht en kwaliteit’ (p. 3). En, dat ik dat nog mag beleven, wordt de vraag gesteld ‘hoe op kwaliteit gecontroleerde wiet gedecriminaliseerd aan de coffeeshops toegeleverd kan worden’. Wow; laat ik dat een referentiële vraag noemen (verwijzend naar welke empirische norm? How high can you go?), voortkomend uit een emergente vraag: veel partijen zouden het er liever niet over hebben, maar het kwaliteitsprobleem doet zich indringend voor.

Verder wordt gezwegen. Hebben ze de kwaliteit nu voor elkaar of durven ze er niet meer over te beginnen? Laat ik ze krediet geven; ze hebben zoveel pogingen gedaan om langs empirische of referentiële weg (toepassing modellen) op niveau te komen en dat is zo opzichtig mislukt, dat ze nu er niets over melden. Of lag het niet aan de modellen, maar bijvoorbeeld aan de politieke aansturing?

Dan deze, in het kader van onderwijs: ‘Leerlingen, ouders en leraren willen dat onderwijsmiddelen optimaal bijdragen aan de kwaliteit van onderwijs’. (p. 12) Dat leidt tot een vraag aan de Onderwijsraad en de Algemene Rekenkamer om scherper te formuleren hoe dat kan en tegelijk excessen te vermijden. Dus weer referentieel: norm ontwikkeling. Inclusief wat wantrouwen: ‘Om er bovendien voor te zorgen dat extra geld gebruikt wordt waarvoor het bedoeld is, houdt het kabinet het primair- en voortgezet onderwijs aan bestuurlijke afspraken’. De norm moet gehandhaafd worden. Datzelfde geldt ook voor de ‘kwaliteitsafspraken’ in het MBO en de kwaliteit van het techniekonderwijs. Interessanter wordt het als het lerarenregister langs komt. Het lerarenregister is een vorm van certificering, ook weer referentieel. Om dat tot een succes te maken ‘moet het straks van, voor en door de docent zijn’. Even later: ‘Lesontwikkeling, intervisie en evaluatie van lessen krijgen ook erkenning in het lerarenregister. Dat draagt bij aan de kwaliteit van onderwijs.’ Met andere woorden, de lasten van de strenge certificering moeten gecompenseerd worden door maatregelen die dichter bij de menskant van de docent staan. Hier wordt een referentiële insteek gecompenseerd door een reflectieve. Zou het genoeg zijn?

Ook in de paragraaf over het hoger onderwijs zie je diezelfde spanning terug tussen het referentiële en reflectieve: wat aan de ene hand aan vrijheid wordt gegeven (vrij onderzoek, zelf doelstellingen en indicatoren opstellen), wordt met de andere hand weer dichtgetimmerd via kwaliteitsafspraken. De waarschijnlijke uitkomst zal waarschijnlijk ‘emergent’ zijn als de partijen elkaar in evenwicht houdt en ‘surgent’ als een slimmerik doorbraken weet te bereiken.

Heel apart vind ik de discussie over de kwaliteit in de verpleeghuiszorg. De inzet is bijna puur reflectief: ‘De inzet op kwaliteitsverbetering vraagt ook om een andere manier van werken en organiseren: kleinschalig, vraaggericht, innovatief, met minder regels en meer vertrouwen in de zorgprofessionals.’ De stichting Beroepseer kan trots zijn. Maar deze passage wordt direct gevolgd door deze: ‘Dit moet daadwerkelijk leiden tot een aantoonbare verbetering van de kwaliteit. Bestuurders worden daarop beoordeeld.’ Referentieel dus, empirisch ingestoken. En dat kan nu net niet als je echt reflectief denkt, want dat verzet zich tegen ‘de illusie van meetbaarheid’ en alle bureaucratie die daarbij hoort. Noch hier, noch in andere paragrafen over andere onderwerpen, staat hoe met de spanning moet worden omgegaan. En dat klemt al helemaal als dan opeens het ‘kwaliteitskader verpleeghuiszorg, inclusief transitie-, uitvoerings- en implementatiekosten’ langs komt voor ruim 2 miljard en voortkomend uit niets anders dan een juridische verplichting nadat men er in het parlementaire debat niet uitkwam om te benoemen wat die kwaliteit zou moeten zijn. Ik snap alles, maar professioneel vind ik dat hier een grens is overschreden. Hier is geen sprake van een kwaliteitskader, want alles wat die kwaliteit bepaalt is impliciet gebleven, het is zelfs niet emergent en alleen als Van Rijn een heel slim spel heeft gespeeld surgent (wat niet uitgesloten kan worden). Hoe dan ook zou het beter zijn als men het omgedoopt tot iets als ‘financieel kader verpleeghuiszorg’.

Zo is het niet overal. Het akkoord is prima te pruimen als het simpel referentieel blijft redeneren over kwaliteit. Je kan van alles vinden over de uitspraken over bijvoorbeeld de kwaliteit van de woningen en de gebouwde omgeving, de vele uitspraken over lucht- en waterkwaliteit en zelfs de kwaliteit van de inburgeringscursussen en cultuurinstellingen, maar de uitspraken lenen zich over het algemeen wel voor nadere toetsing. Met andere woorden; de uitspraken blijven binnen het eigen referentiekader. Al blijft het oppassen. Over de waterkwaliteit wordt bijvoorbeeld gezegd: dat men ‘tegen minimale maatschappelijke kosten aan nitraatrichtlijn’ wil voldoen. Wat zijn dan die minimale maatschappelijke kosten? Wat zeg je hier eigenlijk? Close reading is dus verplicht, elke keer als het woord ‘kwaliteit’ langskomt. De Volkskrant beschrijft hoe tijdens de formatie ‘om elke komma werd gestreden’. Los van het feit dat er op bijna Noordhoekiaanse wijze spellingsmissers worden gemaakt (het kan de beste overkomen), heb ik juist vaak het gevoel dat het woord kwaliteit maskeert waar de onderhandelingspartners er niet uitkwamen – en dat is best wel vaak. Ik heb makkelijk praten, maar als ik bij zo’n discussie zou zitten, zou ik regelmatig van paradigma wisselen. Ze hebben elk hun eigen waarde: wat weten we eigenlijk? Hoe zou de norm moeten luiden? Kunnen we echt geen ruimte geven? Kunnen we het niet gewoon laten gebeuren, of kunnen we toch doorpakken? Dan heb je in ieder geval alles gedaan om te schudden aan de boom van impliciete definities achter dat vermaledijde woord ‘kwaliteit’.

Om het overzicht af te ronden, moet ik toch ook zeggen dat er soms een aardig extra accent wordt toegevoegd aan dat woord ‘kwaliteit’. Professioneel vind ik het interessant dat bijvoorbeeld in het kader van stalbranden (is dat niet een wat klein punt voor een regeerakkoord?) er over ‘ketenkwaliteitsystemen’ wordt gesproken. Dat is in ieder geval een moderne benadering, één die weerspiegelt dat heel veel kwaliteitsvraagstukken een keten- of netwerkkarakter hebben. Het meest nieuwsgierig word ik echter naar de operatie ‘Inzicht in Kwaliteit’ die bedoeld is om de kennis over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het begrotingsbeleid te vergroten. Dat doet toch wat twijfelen over de kwaliteit van het huidige begrotingsbeleid, maar gelukkig hadden we dit keer de beschikking over Eric Wiebes, Pieter Omtzigt, Wouter Koolmees en Carola Faber. Tegen hun kennis kan geen studie op.

Alles door de bril van het woord ‘kwaliteit’ bekijken levert wel een blikvernauwing op. Veel van de genoemde zaken hebben, zo zou je kunnen zeggen, een inherente kwaliteit. Als er bijvoorbeeld ergens een budget wordt uitgetrokken voor ‘preventie en ondersteuning bij ongewenste zwangerschappen’ dan kan je zeggen dat dit op zichzelf al staat voor de wens om goed beleid te voeren. Wat mooi. Maar in technische zin zou je ook weer kunnen zeggen dat het veel te gedetailleerd is voor een akkoord als dit. Hoe zinvol is het om te proberen de uitgaven hiervoor vier jaar vooruit te plannen?

En zo heeft alles z’n voor- en nadeel. Het is in ieder geval goed om te beseffen dat dit de uitkomst is van een maandenlang onderhandelingsproces tussen vier partijen die het op vele punten fundamenteel oneens met elkaar waren. Elk mocht af en toe iets winnen, niemand mocht alles winnen. En dan ligt er opeens een tekst.

Analyse over het geheel

Dit akkoord is alleen empirisch in de zin dat er een nauwkeurig financieel kader onder ligt. Hoe dat precies verbonden is met de vele items en inspanningen die onder het woord ‘kwaliteit’ worden gevangen blijft onduidelijk. In iets van 5 van de 50 is die verbinding te maken. De overgrote meerderheid van wat is afgesproken, al dan niet met het woord ‘kwaliteit’ erbij, is referentieel van aard; ergens hoort er een (nadere) norm of afspraak bij. Met de ruimte die daar nog in zit, zal nog menig Kamerdebat worden gevuld. Waar het echt nu al botst is bij de kwaliteitstermen waar een referentieel paradigma (er is een norm te maken) tegenover een reflectieve komt te staan (dat hangt van de persoon en situatie af, vergt maatwerk). Dan weet je dat er a) nog verder onderhandeld moet worden en b) hier doof-blinden met elkaar moeten onderhandelen.

Al met al is het verleidelijk om het hele regeerakkoord als een ‘emergent’ kwaliteitsverhaal te beschouwen dit is wat boven komt drijven als je vier partijen zolang bij elkaar in een hok zet. Toch doet dit het akkoord tekort. Door het verhaal heen worden onverwachte keuzes gemaakt, bijvoorbeeld ten aanzien van duurzaamheid, het eigen woningbezit en de wietteelt. Dat past eerder bij een ‘surgent’ beeld dan een ‘emergent’ beeld. Dat zijn naar verwachting ook de dingen die goede wil hebben gekweekt onderling. We zullen zien of deze lijm tussen de onderhandelingspartners van dusdanige kwaliteit is dat het 4 jaar houdt, want dat is de reguliere kabinetsperiode (herkent de lezer inmiddels de verschillende paradigma’s in deze laatste zin?)

Peter Noordhoek

* In de negentiger jaren werd te instrumenteel over de invoering van kwaliteitszorg gedacht, mede omdat we dachten het bedrijfsleven wel even als model te kunnen gebruiken. Met de gedachte achter ‘New Public management’ (NPM) was en is niet zoveel mis, maar het is wel erg knullig uitgevoerd. Ik heb er aan meegedaan, maar er ook voor gewaarschuwd, o.a. in een artikel van Raymond Saner en ondergetekende ‘Beyond Public Management. Answering the Claims of both Politics and Society.’ In Public Organization Review, 2008. In 2011 zijn we verder gegaan in de uitwerking, maar dat is in het Deens verschenen en aangezien ik dat zelf niet kan lezen, durf ik er ook niet voor in te staan.

** Deze definitie is van ondergetekende, eerder op LinkedIn en andere sites gepubliceerd onder de titel ‘De politiek van de kwaliteit’. De benadering maakt deel uit van mijn promotieonderzoek. Het schema en de vier gebruikte termen zijn mede geïnspireerd op een door Huub Vinkenburg gestarte discussie over ‘scholen van kwaliteit’. Vooral Teun Hardjono heeft deze handschoen opgepakt. Binnenkort verschijnt van hem een boek over dit thema (‘Denken over kwaliteit. Vier paradigma’s) en waar mogelijk probeer ik hem te volgen. Dat lukt alleen niet goed bij het ‘emergente’ paradigma, waar ik ‘urgent’ naast heb gezet.

May en de letterplakker

De afgelopen dagen moest ik zo denken aan de letterplakker. Zou die ontslagen zijn? Och, arme. Maar ja, lijm smelt als er veel warmte bij komt en al die spots daar bij Theresa May op het toneel in Manchester …

May in Manchester

Heeft u het gezien? Theresa May hield haar grote speech, voor duizenden mensen op het jaarlijkse partijcongres en live op TV. Ze wilde het hebben of haar droom voor het land waar ze premier van is, maar iedereen zag de speech na afloop als een nachtmerrie. Er kwam een ‘prankster’ (plager) het toneel op die haar een soort ontslagbrief aanbood, ze kwam minutenlang niet uit haar woorden door een dikke, dikke kikker in de keel en tegen het einde van haar speech vielen een aantal letters van de slogan ‘Building a country that works for everyone’ op de wand achter haar naar de vloer, te beginnen met de letter F. Wat ze uitsprak werd totaal weggeduwd door wat we konden zien. En daarom moet ik aan die letterplakker denken. En voel ik erg mee met May, maar ook met de mensen om haar heen. Want ik heb het ook al eens meegemaakt.

Ik neem de lezer mee terug naar 2010. Wouter Bos had de stekker uit het derde kabinet Balkenende getrokken. Jan Peter wilde eigenlijk stoppen, maar kon niet weigeren toen het bestuur hem toch vroeg om weer lijsttrekker te zijn. Zelf was ik formeel al gestopt als campagneleider voor Zuid-Holland, maar kon niet stoppen omdat mijn vervanger al een paar weken na zijn benoeming gestopt was. Het was bewonderingswaardig hoe Jan Peter zich door de campagne heen sloeg, maar alles wat mis kon gaan, ging ook mis. Tot en met de slotmanifestatie.

Balkenende in Naaldwijk

Weer was het ons als Zuid-Holland gelukt om de slotmanifestatie te krijgen. Het werd Naaldwijk in het Westland. Het middagprogramma deden we als provinciale afdeling nog, de avond was in handen van het partijbureau, met ondersteuning van onze eigen mensen. Ik ging er al vroeg naar toe. Vrij ontspannen heb ik nog met de landelijk voorzitter de campagne doorgesproken en vooruitgekeken naar de avond. Daarna heb ik me in het publiek begeven en plezier gemaakt met de andere leden; samen tegen de rest van de wereld.
Toen het plenaire programma begon, ging ik rechts voorin de zaal zitten. Linksvoor was de hoofdentree naar de zaal. Daar gingen de prominenten het toneel op en stond ook de pers en de zaalregisseur. Vlak voor het einde van het korte programma kwam Jan Peter op. Hij begon op zijn bekende manier te spreken. Met humor, wat woorden van herkenning voor de zaal en daarna het langslopen van de politieke actualiteit.

Terwijl hij sprak, dacht ik iets te zien wat niet klopte. Maar wat? Ik keek nog eens en toen zag ik het. Op het spreekgestoelte waar Jan Peter achter stond te spreken was een bord met het CDA-logo geplakt. Mochten er Tv-opnames worden gemaakt, dan zou direct de link van Jan Peter met zijn partij zichtbaar zijn. Een simpel element van beeldregie. Dat bord was linksboven aan het verzakken. Het hing twee centimeter scheef. Dit ging niet goed, besefte ik opeens. Ik keek om me heen en merkte dat ik niet de enige was die het zag. Een golf van onrust sloeg door de eerste rijen. Ik keek helemaal naar links, waar de zaalregisseur stond. Die was inmiddels ook gewaarschuwd, maar ze kon er kennelijk niet goed bij. Ze zwaaide onze richting op. Mijn richting? Nee, hier heb ik geen zin in! Ik heb geen dienst! Maar terwijl dat door mijn hoofd ging, stond ik al op. Ik wist dat het aan mij was, zeker omdat het bord steeds verder opzij begon te hellen en iedereen in de zaal, behalve Jan Peter, dat ook door had. Er ging nog één andere gedachte door mijn hoofd terwijl ik mijn rol ging vervullen: laat er geen TV zijn, laat er geen TV zijn (dit was net voor de tijd van mobiele telefoons met camera’s).
Snel ging ik het korte trapje op, deed een paar stappen richting het katheder en ging door mijn knieën om het bord op te vangen. Ik was zo strak op tijd dat ik het bord los voelde laten op het moment dat ik mijn handen er omheen sloot. Als in een film. Dat was het moment dat ook Jan Peter door had dat er iets mis was. Hij stopte met praten, zag mij gehurkt voor hem zitten met mijn handen om het bord en zei: “Dit, dames en heren, is nu Peter Noordhoek.” Ik weet tot op de dag van vandaag niet meer wat hij nog meer zei, maar er rolde genoeg gelach door de zaal. Ik sloot me af voor alles behalve dat stomme bord. Het was vastgezet met tweezijdig tape en dat tape was, waarschijnlijk door de warmte van de spotlights, gaan loslaten. Uit alle macht duwde ik het bord weer op de plaats terug. Het leek te houden, maar uit voorzorg bleef ik er even bij. En ja hoor, het begon al weer te schuiven. Ik keek op naar Jan Peter en hij begreep het meteen. Samen hebben we toen het bord, elk aan een kant, beetgepakt en rustig op het toneel gelegd. Jan Peter ging weer vol elan verder met zijn verhaal. Ik daalde het trapje af, terug naar mijn plaats, ontvangen met wat omhooggestoken duimen. Maar toch.

Foto’s: Dirk Hol

Een journalist kon de verleiding niet weerstaan op te schrijven dat het bord naar beneden viel. Precies datgene wat nu net niet gebeurd was. Kenmerkend. Maar eigenlijk hebben we mazzel gehad. Er waren alleen maar foto’s en geen Tv-opnames en de paar aanwezige journalisten en fotografen maakten er verder geen gebruik van. Het was einde campagne. Gelukkig, het was einde campagne.

Wankele evenwichten

In Manchester, tijdens de party conference speech van Theresa May, gebeurde iets wat ik herkende. De leden stonden op iedereen ging met applaus de leider steunen. Dat was deels uit gene en meelij, maar voor het grootste deel omdat je op zo’n moment oprecht niet wil dat jouw leider kapot gaat aan zoiets stoms. Meestal is die leider dan op zijn of haar manier ook op haar best, of in ieder geval het meest menselijk. Theresa May maakte in Manchester meerdere grapjes (toen ze een hoestbonbon van de minister van Financiën kreeg zei ze dat je normaal niets gratis van hem kreeg) en was zeker niet de robot die ze soms kan zijn. Dat gold ook voor Jan Peter in Naaldwijk en nog op een ander moment, toen er opeens de verkeerde videoband werd opgestart bij een congres. Ik herinner mij nog een andere campagnebijeenkomst. Dat was op de Keukenhof, in Lisse. Terwijl minister Donner aan het speechen was, kwamen er opeens touwen naar beneden, waarlangs mensen van Greenpeace naar beneden gleden en halverwege bleven hangen. Donner bleef er onverstoorbaar bij en na een paar momenten zei hij koeltjes: “Kijk, dit zijn nu hangjongeren”. Geweldig. Direct was de angel er uit (dat was niet lang na de moord op Fortuyn. De idioten. Ik zie nog de woede en het schaamrood op de wangen van de bewakers).

Dus op de keper beschouwd hoeft een vervelend moment nog geen teken van zwakte te zijn. Misschien wel het tegenovergestelde. Toch, zoiets komt nooit uit. Een teken van kracht kan het niet echt worden. Ik mocht aanwezig zijn toen David Cameron zijn eerste speech gaf op een partijcongres in Blackpool. Hij sprak een uur lang. Foutloos en zonder van papier op te lezen of een teleprompter te gebruiken. Dat was kracht. Dat was overtuigend. Theresa May wordt enkel nog overeind gehouden door de interne strijd binnen de conservatieve partij en de wens om nu vooral niet naar de kiezer te gaan. Dat is een wel erg wankel evenwicht. Maar wie weet.

Komende week zullen we de presentatie meemaken van het coalitieakkoord en ietsje later van de nieuwe kabinetsploeg. Ook dit gezelschap hangt alleen maar aan elkaar omdat geen van de partijen zelfstandig overeind blijft in het parlement. Het lijkt er bepaald niet op, maar ook dat hoeft nog niet te betekenen dat het kabinet geen jaren blijft zitten. Hoe heeft het vorige kabinet het anders zo lang uit kunnen houden? Ook dat waren tegengestelde partijen die alleen samen overeind konden blijven. En die hun regeringsperiode begonnen met de afbeelding van een brug waarop geen brugdek was gemaakt. De journalisten wisten er wel raad mee. En toch hebben ze het volgehouden. Maar we zullen het meemaken.

Voor Theresa May is de situatie nog altijd niet hopeloos. De betrokkenen weten dat er binnen de conservatieve partij sprake is van meer dan een scheiding der geesten. De kans op een scheuring van de partij is echt groot. Dan kan je het zelfs hebben dat een premier een ontslagbrief aanneemt, niet meer kan praten door de hoest en de letters van haar boodschap van de muur af smelten. Je weet dat je zelf de letterplakker bent als je haar nu niet overeind houdt.

 

Peter Noordhoek

 

Bovenstaand verslag van de bijeenkomst in Naaldwijk is geschreven in 2012.

Over referendum, democratie en wat nog werkt

Het referendum maakt deze week weer veel los. Soms lijken ze te werken, maar op andere momenten lijken ze een democratische manier om de democratie te ondergraven. In Nederland is het enthousiasme niet voor niets aan het verdwijnen. Toch moeten we blijven nadenken over het alternatief. Deze blog eindigt met een naif alternatief. Precies wat we nodig hebben.

Het is deze week goed gegaan met het referendum – het referendum van de Koerden bedoel ik. Afgelopen maandag geen grote meldingen van geweld, geen interventie door Irak of Turkije. Het was rustig op social media. Het is ze gegund. Ik denk geen moment dat het een lief volk is, maar ze durven te vechten waar anderen dat niet doen (lees: ze doen het vuile werk voor ons) en met dat referendum laten ze zien niet de weg van de dictatuur op te gaan.

In Spanje kunnen ze er van leren, want daar gaat het absoluut niet goed. Puur juridisch heeft de regering in Madrid gelijk om het referendum te verbieden, maar voor het overige is de reactie een voorbeeld van hoe je zoiets niet doem. Sinds Cameron geen regeringsleider harder een doodlopende straat op volle snelheid een doodlopende straat ingereden dan Rajoy. In mijn ogen regeringsleiders die niet de slechtsten zijn, maar op een gegeven moment de kracht missen om uit hun eigen redenering te stappen.

We hebben natuurlijk zelf ook onze neus gestoten met het referendum. Het referendum rond het associatieverdrag van de EU met Oekraïne is er een schoolvoorbeeld van. De ervaring is zo slecht bevallen, dat niet alleen veel partijen, inclusief initiatiefnemer D66, maar ook heel veel kiezers er weinig tot niets meer in zien. Dit is wat De Hond vandaag als peiling liet zien:

Die negatieve houding tegenover het (correctief) referendum is dus logisch. In eigen land zien we hoe – gesteund door data manipulatoren, Russische vals nieuws verspreiders en een ronduit naïeve politiek, iets tot stand komt dat tegen het Nederlands belang is. We hebben met Groot-Brittannië gezien hoe een land zich per referendum verscheurt, isoleert en verarmt. We hebben in Turkije gezien hoe een referendum wordt gebruikt om een dictatuur te vestigen. En zo zal het doorgaan. Tel je dat allemaal op, dan lijkt voor verkeerde mensen het referendum het slimste middel om ‘via democratie de democratie te schaden’.

En toch zijn we er daarmee niet, want impliciet stellen we de representatieve (partij)democratie daarmee gelijk aan democratie en dat is wel wat te simpel. Deze week sprak Tjeenk Willink deze woorden: “Kijk naar de effecten van je beleid .. Want als je de burgers verliest, dan houdt de democratie op te bestaan.” Een dame tweette dat ze het met tranen in de ogen gelezen had. En al denk ik dat geen regering nog opgewassen is tegen de complexiteit van de uitvoering, ik snap de wanhoop van die dame wel en vind het terecht dat Tjeenk Willink dit zo stelt. En als we geen referendum kunnen houden, hoe laten onze vertegenwoordigers in de moderne democratie dan wel weten dat ze snappen wat er leeft? (het epistel van ex-volksvertegenwoordiger IJbeltje maakte wat dat betreft ook niet vrolijk).

Er zijn een paar routes. De eerste twee lijken het meest aantrekkelijk, maar zullen in de praktijk niet opgaan. De derde bestaat al, is haalbaar, maar vraagt er wel om een knop om te zetten.

1              de juiste voorwaarde voor een referendum formuleren.

Het probleem met het huidige referendum is dat het op de verkeerde manier concurrentie creëert tussen de kiezer die de volksvertegenwoordiger kiest en de kiezer die in een referendum een keuze maakt. De referendumkiezer zet als het ware de regeringskiezer tussentijds opzij. Dat zou eigenlijk alleen mogen als de opkomst ten minste gelijk is. Dat is dan ook wat we als eis zouden mogen stellen aan elk referendum: de opkomst moet gelijk of hoger zijn als de opkomst bij de laatste landelijke verkiezingen wil deze geldig zijn, want alleen in die situatie kan terecht worden gesproken van voortschrijdend inzicht.

Dit is in feite de lijn die ik met mijn delegatie geaccordeerd hebben gekregen via een resolutie op het CDA congres. Gaat dit het ook in de praktijk worden. Nou nee, want te veel mensen zullen redeneren dat hiermee de lat te hoog wordt gelegd. Dat mag zo zijn, maar in democratisch opzicht klopt de redenering.

2              Over op het Zwitsers systeem

Een dezer dagen wordt het record gebroken van de langste formatie. Ik mailde dit aan een vriend in Zwitserland en hij mailde mij vrolijk terug dat in Zwitserland de regering er al zit sinds 1958! De regeringsposten rouleren en dat is het. En hoe passen de referenda erbij die jullie om de haverklap houden, zo vroeg ik. Ach, zo mailde hij, er zitten soms rare uitschieters tussen, maar ondertussen zit er een balans in die niet slecht uitpakt.

Nu geloof ik dat graag, maar ik zie ons alleen de Zwitserse kant opgaan als we de tijd zouden hebben om er mee om te leren gaan – en ik denk dat we een dergelijke stabiliteit van onze regering nooit zouden accepteren. Jaloers kunnen we er op zijn, maar overnemen zit er niet in.

3              Ons partijsysteem beter benutten

Als er ergens aan inspraak wordt gedaan, wordt geëxperimenteerd, zeker ook digitaal en alles mogelijk lijkt wat je maar kunt bedenken, dan is het binnen onze eigen Nederlandse partijen. Niet binnen alle fracties, laat ik dat in deze week van IJbeltje Berckmoes’ open boekje er direct bij zeggen, maar wel in veel partijen. Er wordt heel veel gedaan om de ledendemocratie mogelijk te maken. Resoluties en amenderingen zijn er altijd geweest, maar die ‘ouderwetse’ manieren van ledendemocratie worden aangevuld door lijsttrekkersverkiezingen met stemmen van binnen en buiten de partij, versies van de G1000 (een brainstorm met 1000 leden) en vele vormen van digitale inspraak, met maximale inzet van sociale media. Het is eigenlijk voorbeeldig. Tegelijk is het wel waar dat de ledenaantallen afnemen en dat steeds minder mensen hier aan mee doen. Dit is permanente democratie op een manier die het woord echt recht doet (en cynische journalisten, wanneer hebben jullie voor het laatst iets beters bedacht?).

Het zal wel naïef zijn, maar ik geloof bovenal in de derde optie. Wordt lid, wordt actief, waardeer de partijdemocratie. Kies niet voor de weg van de minste weerstand door direct de zoveelste nieuwe partij op te richten, maar bewijs de kracht van je ideeën binnen bestaande partijen. Uiteindelijk is dat de logische en meest vruchtbare route.

En hoe moet het nu met Spanje? De enige manier lijkt deze te zijn: om als de wiedeweerga een nieuw referendum uit te schrijven, maar dan voor geheel Spanje. Dat wordt dan de keuze tussen ‘Wilt u dat Spanje een eenheid blijft?’ en ‘Wilt u dat delen van Spanje zich kunnen afscheiden?’ Je kan zeggen dat het voor de mensen in Catalonië niet uitmaakt als de meerderheid zich voor de eerste optie uitspreekt, maar ik denk dat het heel wat lastiger is om tegen de uitspraak van de bevolking van een heel land in te gaan dan tegen een impopulaire regering. Bovendien is er dan ook duidelijkheid voor de andere regio’s. Gaat het mis met de stemming dan weten we ook voor heel Europa wat we snel moeten gaan doen: regionaliseren onder een Europese paraplu.

Zo, genoeg overhoop gehaald, ik wens iedereen weer een goede week,

Peter Noordhoek

Dead Bison Communication: marketing against overreaction

In Friday’s New York Times it was reported that a European bison (‘Wisent’) had wandered across the border of Poland into Germany. A law officer, seeing the big beast and hearing that the animal ‘could be dangerous’, ordered it shot. And so it was. How can we get better in our communication and marketing against overreaction?

Wisent on the Veluwe

The European bison is a very rare animal. Coming back from extinction, it is slowly increasing its numbers. They number now about 4.000, which is still less than the Indian tiger. The law officer clearly acted against the law of protection of rare species. He should have thought first and asked for information. In that case he would have learned that the animal always flees from humans. It is so good at flying that it is almost impossible to come closer than 50 meters from the beast. The only known death from a bison is when a farmer started putting his pitch fork into a bison in a place where the animal could not flee. With his big head he swept the farmer away. The idiot (the man, I mean, not the bison).

It is a little known fact, but it is true that bovinae (cows) can kill. Each year about 22 cows cause someone’s death, which makes them more a killer than horses (20) or sharks (5), but still far less than crocodiles (1000). But it could be said that the law officer had a reason to be wary of a big cow like the wisent and that there were no crocodiles around. The point is that he overreacted, which is something we do all the time, law officer or not.

Yet nobody expects the law officer to shoot them too. How strange it is. How is it that we are not afraid to join the road – traffic being killer number one – and fear a big cow so much? How can it be that we manage to completely paralyze our cities and airports for a terrorist threat that is, when measured in cold numbers, has a lower chance of killing you than a common cold?

Accepting that we humans are strange irrational animals, I guess we still have to deal with it. Yet there is a case to be made that we humans should get better at calming ourselves, at being realistic. And especially marketing and communication professionals should start making a better job of it.

A few years back, I had the privilege of running a program to introduce the wisent to a part of the Netherlands, in a beautiful wooded area called the ‘Veluwe’. Since 2015 there is now a small herd of 5 wisents in an area, surrounded by a fence. We hope the herd will expand slowly over time, but first we must observe how the animals adapt to the area, which is partly the reason for the fence. (You can still visit, if you want). In the years leading up to the coming of the herd, we had to find some creative solutions to the problem of all the real and imagined dangers of having wisents in your area. All in all, we had to deal with more than 30 different parties (‘stakeholders) in turning that small herd of wisent from an idea into a reality. All of them were capable of a ‘gut reaction’ that could derail the plan. Even now, when the herd is a reality, the people who took over after we played our part, have to stay very alert. I would suggest three ways to avoid the situation that overreaction kills the action:

  • Don’t let sleeping dogs lie

You can take that literally: dog owners are invited to take their dog (on a leash) to the wisent herd. Staying at some distance, mostly for sake of the herd, but close enough to see there is no danger. There are no incidents known between wisent and dog. But the meaning of ‘don’t let sleeping dogs lie’ goes further.
When you are working for something that represents the unknown, a possible danger, it is no use to pretend it is business like usual. It is better to wake everybody up and tell them something is coming. That way you remain in charge of communication. If there are too many parties involved, start with the people and parties that will face the immediate consequences: the people living there, the farmers, etc.

  • Be brave

There is no fear like the fear of a government communicator for a media headline. Creatures of immediate reaction themselves, they have developed a very fine sense of danger. The problem is that they fail to see when an opportunity presents itself for something that plays to the imagination in the positive sense, especially if it involves something potentially dangerous, like a Big (potentially) Bad Bison (sorry, it is actually a wisent, never mind).

You cannot soft-talk a wisent into a fence, let alone a region full of living, working people. you simply have to put it there. You can call it ‘embracing the danger’, but it is actually very rational. The real risk on the side of the wisent is very small, the risk of a crowd becoming skittish is much larger. So be bold, be clear, take no nonsense. People will love you for it. A perfect chance for good publicity, dear communicator.

  • Expose overreaction

Even so, overreaction can happen and you never have everything under control. What if the dreaded thing happens? The logical reaction is to slow things down and wait for normality to return. The problem of course is that in this age of social media

We are entering the field of real crisis communication here, and this is not where I want to go. Staying with the example of the wisent, and supposing a wisent would wander and graze outside its terrain, and suddenly the airwaves would be full of ‘WISENT ESCAPES!’, ‘HUGE BEAST IN YOUR GARDEN!’, what would be then the appropriate reaction?

Probably I will be showing with this example I am no expert either, but I would love to think that the local officer, as Representative of Good Sense, would ask the hyperkinetic journalist to come a little closer, and start by saying that “Yes, this wisent can be dangerous when provoked, so stay away from him, then he is completely harmless. But you know what? I have just had bad news about an even more dangerous beast going around. Watch Out!” “Oh, really?”, the journalist asks, putting his microphone ever closer. “Yes, and it’s a tick*. AND HE’S HERE!” And with that he puts something very small on the sleeve of the journalist. The journalist jumps back, almost jancking the microphone with him. He does not even hear the officer saying calmly “But the biggest danger is overreaction”, wiping the sleeve of the journalist clean.

  • These tiny ticks can cause Lyme’s disease and other illnesses. This is a still small but real risk, easily addressed by a visual scan. Still, the biggest advice is this: enjoy the outdoors whenever you can, especially on the Veluwe!

 

Peter Noordhoek

Zeker over twijfel: Kuitert, Islam en het probleem van verre bergen

Deze afgelopen week werd ik getroffen door het overlijden van Kuitert, de man die had gezien dat we een algemeen betwijfeld geloof in God hebben, en voerde ik een gesprek met een moslim over de overeenkomsten tussen de wereldreligies – de verschillen zijn zo klein, zei deze, zijn vingers samenknijpend. Ook probeerde Wilders deze week Baudet te overschreeuwen door weer eens met zijn waarschuwing tegen de Islam komen en waarschuwde Paul Scheffers nog eenmaal liberalen voor hun eigen naïviteit als het op migratie aankomt. Ik denk dat ik er een niet te groot kopje soep van heb gemaakt, maar waarschuw wel dat dit zo’n blog met een literatuurlijst is.

Voorbij Kuitert

Kuitert is de man die het klassieke protestantse geluid in de jaren tachtig en negentig heeft ontmanteld. In de jaren daarna is hij daar mee doorgaan, er eigenlijk niets van overlatend, maar zich nog wel gelovig noemend. Ik heb vijftal boeken van hem in mijn kast staan, maar voor mij konden ze niet over zijn eerste bestseller ‘het algemeen betwijfeld christelijk geloof’ heen. Dat had minder met het boek zelf te maken dan met het feit dat ik het van mijn moeder heb gekregen. Daar kon niets meer overheen. Zoiets deed ze buiten een verjaardag of Sinterklaas zelden en nooit zonder dat ze er goed over had nagedacht. Zelf was ze gelovig, ging doorgaans graag naar de kerk, maar toch had ze zich echt in het boek van Kuitert verdiept en daarna had ze het aan mij gegeven, wetend dat ik mij niet meer als gelovig beschouw. Er zijn weinig dingen waar ik meer waardering voor heb gehad, dan dit cadeau. Ik zag het als een teken van open staan voor iets waar ze het moeilijk mee had en ik was oud genoeg om te beseffen dat dit voor haar een manier was om met mij in gesprek te blijven. Ik weet dat ik mijn best heb gedaan haar gebaar te beantwoorden, maar tegelijk was dat lastig, want Kuitert schreef in de kern niets op wat ik al niet had bedacht. Zijn uitspraak ‘Alles wat van Boven komt, komt van beneden’, was voor mij een cliché. Mijn opgave was als het ware de omgekeerde: als niet gelovende wilde ik blijven zien wat in het geloof van waarde is: het maakt wel degelijk uit hoe we hier ‘beneden’ spreken over wat van Boven komt, al was het maar omdat we er in deze wereld nooit onze mond over zullen houden. Dat kunnen we helemaal niet, al noemt 90% van een volk zich seculier.

Een andere titel van hem is ‘Zeker weten. Voor wie geen grond meer onder de voeten voelt’. Nou, ik was al lang zeker dat ik geen zekerheid had als om het geloof ging. Maar ik weet wel dat wij allemaal, ook ik, zekerheden nodig hebben en dat het geloof dan velen in heel veel situaties zekerheid biedt. Dat kan je als niet-gelovige voor jezelf wel wegredeneren, maar dan weiger je iets te zien dat er wel degelijk is en we alleen en als samenleving nodig kunnen hebben. En ik ben niet ongelovig geworden om mijn oude, blinde geloof in te ruilen voor een ander soort blindheid. Ook seculieren kunnen niets zeker weten.

Kuitert bracht een koel soort rationaliteit naar de vraag van het geloof. Dat is soms nodig. Het is goed dat hij zijn koele blik over het geloof heeft doen gaan, er niet aan twijfelend dat hij in zijn twijfel zo zuiver mogelijk heeft geschreven. Maar geloof is ook liefde, haat, mythe en moed; al die emotionele dingen die je niet met een koele knipschaar uit ons kan knippen en ons over onze beperkingen heen kan helpen. Er is geen is onderdeel van onze moderne beschaving die niet via onze beleving van het christelijk geloof is ondersteund: meer dankzij, dan ondanks. Voor mij is de opgave na Kuitert om te zien waar de behoefte aan geloof vandaan komt, te bezien wat het met ons doet en dat te verbinden met dat wat goed en gehecht is aan het merkwaardige product van evolutie dat we zijn. Ik denk dat hij daar geen bezwaar tegen zou hebben. Ondertussen staan we voor een andere opgave.

Weer een kruispunt van geloven

Ik denk dat de eerste jaren van mijn leven in het teken stonden van de strijd tussen geloven en niet-geloven. Letterlijk: strijd. Schooljongensstrijd. Als ‘christelijke aap’ heb ik vieze, vettige, bedorven appels van ‘openbare klapsigaren’ naar mijn hoofd gekregen (nadat ze die eerst op ons veroverd hadden). Katholieken waren de papen van de Tachtigjarige oorlog, die na de eerste echte kennismaking op de middelbare school mij met een carnaval aangenaam verrasten. Al snel merkte ik, dat ik mij binnen mijn eigen, moeizaam bijeengebrachte partij, het CDA, vaak beter thuis voelde tussen katholieken dan mensen uit mijn eigen Grefo achtergrond. Het kan verkeren. En als je zo’n groei, zo’n ontwikkeling achter de rug hebt, is het lastig om de tegenstelling tussen christelijk geloof en Islam erg serieus te nemen. Als niet-gelovige die het geloof serieus wil nemen, was mijn (en is) mijn basishouding positief: het goede zien, de haat beheersen. Intellectueel zijn daar ook wel redenen voor. Niet voor niets dacht Jefferson bij het omschrijven van de vrijheid van godsdienst in de Amerikaanse constitutie expliciet aan aanhangers van de Islam, omdat ze in die tijd een matigende invloed hadden in het gesprek van die tijd. En zoals Arnold Toynbee opschrijft na de Tweede Wereldoorlog, moet de vroege geschiedenis van de Islam, ook die van haar geloof, niet in het minst als een reactie worden gezien op de bruutheid van kruisvaarders en andere veroveraars. Eigenlijk een beetje net zoals het christendom ook een reactie was op de Romeinse overheersing – en er tegelijk veel aan te danken had. In de eeuwen erna zien we vooral hoe het slechtste in elkaar werd versterkt; geschiedenis slaat geschiedenis om de oren en na verloop van tijd zie je alleen nog maar bloed op de muren. En dan is het moeilijk om naar de oorsprong van het geloof terug te gaan en de overeenstemming te zien.

Toch is dat wel wat afgelopen vrijdag iemand met Marokkaanse achtergrond in gesprek met mij deed en wat ik echt waardeerde. Hij zag de overeenstemming tussen de drie godsdiensten vooral als het gegeven dat het in alle drie de Godsdiensten om dezelfde God gaat. Als niet-gelovige waardeer ik zelf vooral dat alle drie in hun boodschap de zelfzuchtigheid van mensen aan de kaak stellen en een vorm van naastenliefde propageren. Met andere woorden; de godsdiensten hebben iets dat transcendent is; over en boven zichzelf uitstijgend, met de Gouden Regel: ‘doe een ander niet wat gij niet wilt dat u geschiedt’ als basis.

Geloof dat marginale figuren nodig heeft

Meer nog dan Kuitert, waardeer ik hierbij het werk van Karen Armstrong. Zij beschrijft scherp, maar zo dat de betrokkenheid er toch doorheen komt, waar de hoofdreligies elkaar raken of, of beter: de manier waarop wij in meer dan vierduizend jaar in Hem geloofd hebben. Om haar te citeren: “De mens heeft altijd een geloof gecreëerd om zijn verwondering voor en zijn besef van de onzegbare zin van het leven in stand te houden.” En: “de mens is niet tegen leegheid en verlatenheid bestand.” In dat vacuüm komt dus altijd een godheid, waarbij het waarschijnlijk is dat dit inhoudelijk, in de boodschap die daarbij hoort een weerspiegeling is van wat Hannah Arend ‘de menselijke conditie’ noemt. In het goede en het kwade, in het optillen van elkaar en in het elkaar naar het leven staan. Ook atheïsme alleen kan dat vacuüm niet vullen als het niet kiest voor welke waarden het staat; anders dan mensen denken, is atheïsme vanuit historisch perspectief niet meer dan een tussenfase (denk bijvoorbeeld aan wat nu in Turkije gebeurt). Ook geloof in niets is een geloof. Hoe we dat geloof invullen en creëren maakt ondertussen wel degelijk uit.

En wat dat betreft ben ik nog altijd gefascineerd door wat de antropoloog Krijn van der Jagt in “De weg omhoog’ heeft geschreven over de historische Jezus. Eigenlijk was, zo volg ik zijn redenering, de kans groot geweest dat Jezus een anonieme en nogal slechte georganiseerde activist zou zijn gebleven in een wereld van stam- en standsverschillen. Een marginale figuur. Dat hij, Goddelijk of niet, dan toch zo’n belangrijke figuur is geworden, heeft alles met zijn boodschap te maken. Gericht op gerechtigheid en niet op macht, een man van ‘communitas’ en van spontaan handelen. Niet gewoontes en rituelen waren leidend, maar hulp verlenen en mededogen. Zijn ‘omkering van waarden’ was revolutionair. Hij zei dat mensen niet onrein werden door het aanraken van dingen buiten henzelf. Een mens wordt onrein door zijn eigen woorden en daden, zo meende hij. Enzovoorts.

Ik haal dit aan, omdat ik meen dat elke godsdienst in principe een plaats en waardering verdient, maar dat dit op termijn wel afhangt van het vermogen tot het vernieuwen van de boodschap en het afschudden van wat buitenkant, onecht en onrechtvaardig is. Daar is geen groter voorbeeld van dan wat Jezus heeft gebracht, maar heb ik altijd de hoop gehad dat zijn voorbeeld een begin voor ons allen zou zijn, niet een soort einde.

Dat is ook het punt waarop ik de constatering dat de drie hoofdgodsdiensten zoveel met elkaar gemeen hebben, laat voor wat die is: al zou van scheppingsverhaal tot Apocalyps de verhalen en gelijkenissen samenvallen, dan nog zijn we als mensen in staat om op een enkel woord uiteen te vallen. Wie verschil wil zien, zal deze vinden. En de verschillen in ontwikkeling tussen de drie hoofdgodsdiensten zijn groot en we hebben nu allemaal televisie en social media om de verschillende te zien en dagelijks te vergroten. Dan moet je echt diep gaan om in gesprek te blijven. En ik vrees dat dit steeds minder gebeurt, reden waarom mijn gesprek van deze week zo is blijven hangen.

Een berg is meer dan haar top

Wat ziet u als u in de buurt van een gebergte komt? ‘Ik zie allemaal hoge toppen’, zegt iemand dan. Klopt, wat nog meer? Dan duurt het even, maar uiteindelijk heeft iemand het ook over de dalen of de voet van de bergen. Zelden zal iemand het direct hebben over de kleine paden en weggetjes, de weilanden, de boerderijen en verspreide stukjes bos die ook onderdeel van de berg zijn. Die de dagelijkse werkelijkheid van elke berg bepalen als je echt dichtbij gaat komen. het zijn de toppen die opvallen. Zo is het nu ook met religies en de berichtgeving erover, zeker die van de Islam. Toppen van terreur, toppen van waanzin.

En zo komen we bij het laatste deel van mijn afwegingen. Dat wordt harder.

De terreur is echt. Waanzin is er. Wilders heeft dan ook makkelijk scoren als hij deze week zegt: “Ons is de oorlog verklaard en we verdedigen ons niet.” Ik zou dan willen zeggen: geef ook eens wat aandacht aan alle berichten die zeggen dat er aanslagen verijdeld zijn. Maar ik kan dat zeggen en ik word echt niet gehoord door de mensen in de kleine gemeenten waar mensen van een ander geloof alleen komen als er een loodgieter uit de stad nodig is. Die komt er veel minder op bezoek dan de nieuwslezer met zijn dagelijkse portie terreur en speelt ook geen rol als je een weekendje Londen wilt plannen en daar toch maar van af ziet. Als je nu de berg klein wilt praten loop je serieus het verwijt dat je die berg niet wilt zien. En krijgt Wilders gelijk.

Dat is dan ook precies de waarschuwing die voormalig PvdA-ideoloog Paul Scheffer liet horen in een lezing afgelopen vrijdag voor het achtenswaardige Montesquieu gezelschap in Den Haag. Hij legde een direct verband tussen de keuze voor Brexit in Groot-Brittannië en de standpunten van de gemiddelde Brit ten aanzien van migratie. Hij liet ook zien hoe breed die afkeer gedeeld werd door zowel de gemiddelde Tory als de stemmer op de Labour lijsttrekker Corbyn en zich zeker niet beperkte tot de UKIP-stemmer. En hoe het electoraat in de rest van Europa onder de juiste omstandigheden net zo reageert als die verdwaalde Britten. Hadden de Europeanen maar wat concessies durven doen op het gebied van migratie, zegt Scheffer dan. Dan zouden we nu niet zo in de problemen zitten. Een interessante visie. Niet helemaal overtuigend, want je geneest een alcoholicus volgens mij ook niet door hem een extra fles drank te geven, maar ik snap heel goed dat mooi bedoelde principes ook ontzettend naïef kunnen uitpakken.

De vraag blijft wat het verstandigste antwoord is op de dreiging die nu van de botsing van de wereldgodsdiensten van Christendom en Islam uitgaat in de optiek van het Westen; van de toppen van terreur in de straten van Nice, Londen en Barcelona tot de vervolging van Christenen in Cairo en de rest van het Midden-Oosten. Is dat het sluiten van grenzen, verhogen van drempels, scheiden van religies, verbieden van moskeeën? Als het helpt, dan moeten we dat op dit moment waarschijnlijk doen. Er is nu eenmaal echt een gillende behoefte ‘om iets te doen’ en harde dingen te roepen. Maar met mijn verstand geloof ik er niets van en zou ik ondertussen hele andere wegen bewandelen.

Wat wil de terrorist?

In een recent bericht van de World Economic Forum stond een analyse van wat nu eigenlijk de motieven waren van de echte terroristen, degenen die daadwerkelijk een aanslag hadden gepleegd. Wat je kunt lezen, is dat het veelal personen zijn met een verknipte achtergrond, vol met geweld en alle zonden die je in het westen maar kunt begaan. Daar wilden ze zich kennelijk van afwenden en via hun stomme daden zich weer respectabel maken in de ogen van hun familie en Allah. Ze moorden niet voor de Islam of tegen het Christendom, maar om met hun eigen fouten in het reine te komen. Ze leven een leven dat één grote dubbele standaard is en blazen de wereld op om van dat gevoel verlost te zijn. Wat een tomeloze dwaasheid.

Het geeft echter ook aan dat de echte sleutel in dat gedrag zit en niet primair in de godsdienst. Daar kan je op aangrijpen als terreurbestrijders – of als leden van de moslimgemeenschap die op een gedrag worden aangekeken dat ook in de ogen van die gemeenschap fout is. En we moeten alleen al op statische gronden ook snappen dat de overgrote meerderheid van de moslims geen terrorist wordt, al worstelen ze misschien ook wel dagelijks met die dubbele standaard van westerse verleidingen en dat doen wat in hun ogen ‘het goede’ is. We moeten op de een of andere manier als christenen en nadenkende niet-gelovigen dus het goede voorbeeld blijven geven. Vasthouden aan onze eigen waarden van ‘communitas’ en spontaan handelen. Zo zit in mijn achterhoofd de wetenschap dat in 2015 ongelofelijk veel vrijwilligers zich bij de noodopvang meldden om hun hulp aan te bieden. Zoveel dat ze er bij het COA gek van werken. Daar school ontzettend veel naïviteit in. En toch geloof ik dat deze vrijwilligers per saldo meer aan terrorismebestrijding doen dan de werkgever die een sollicitatie van iemand met een Arabische naam direct de prullenmand in doet of de politieagent die een auto met Marokkanen erin altijd zal aanhouden. Wetend dat dit allemaal veel te kort door de bocht is voor het meest complexe probleem dat onze samenleving heeft, kom ik toch maar steeds weer bij dit recept uit: waar we maar kunnen het gesprek aangaan. Hard of zacht, naar bevind van zaken, maar blijven praten. Opdat we ergens tussen naïviteit en botheid in laten zien dat integratie loont, van beide zijden. En als dat helpt bij de beleving van de eigen godsdienst? Mijn zegen heeft het altijd.

Peter Noordhoek

Opgedragen aan mijn moeder, Gerda Noordhoek-van den Hout, die op 22 september 2016 overleed.

Wat literatuur:

Karen Armstrong – Een geschiedenis van God. Vierduizend jaar Jodendom, Christendom en Islam. Anthos, 1993.
Peter Harrison – Why religion is not going away and science will not destroy it. Aeon, 7 september 2017.
Dr. H.M. Kuitert – De realiteit van het geloof. Over de anti-metafysische tendens in de huidige theologische ontwikkeling. J.H. Kok, N.V. Kampen, 1967.
H.M. Kuitert – Het algemeen betwijfeld christelijk geloof. Een herziening. Ten Have, 1992.
H.M. Kuitert – Zeker weten. Voor wie geen grond meer onder de voeten voelt. Ten Have, 1994.
H.M. Kuitert – Aan God doen. Ten Have, 1997.
H.M. Kuitert – Hetzelfde anders zien. Het christelijk geloof als verbeelding. Ten Have, 2005.
Larry Siedentop – Inventing the Individual. The Origins of Western Liberalism. Allen Lane Penguin 2014.
Arnold Toynbee – An Historian’s Approach to Religion. Based on the Gifford Lectures Delivered in 1952 and 1953. Oxford University Press, 1956
World Economic Forum – Terrorist extremists don’t kill for islam or christianity. Twitter, 17-9-2017


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek