Maandelijks archief: november 2017

Voorbij het frame van de sleepwet: over oude spionnen en blijvende keuzes

Er komt een referendum over een Wet op de inlichtingen en veiligheidsdiensten, slechter bekend als de ‘sleepwet’. Een wet die onze agenten en spionnen teveel bevoegdheden zou geven en onvermijdelijk onze privacy gaat schenden. Zeggen de tegenstanders. Zegt Lubach, en hij kan het weten. Het klinkt in ieder geval allemaal heel spannend, wat die overheid met ons van plan is. Een beetje duister eigenlijk. Iets waar je een spionageroman over leest. Toch? Een lekkere lange blog.  

Er was een tijd dat ik erg bezig was met Smiley. Hij was het tegenovergestelde van James Bond, 007. George Smiley was grijs. Iemand met een zachte handdruk onder ronde brillenglazen. Maar hij was ook ongrijpbaar en gehard in het spel achter het ijzeren gordijn: ‘the spy who came in from the cold’. Iemand voor wie het doel belangrijker was dan het middel, want het ging over leven en dood. Tegelijk was hij, zoals zijn bedenker, John Le Carré, hem in de zestiger jaren beschreef, ook alles wetend en begrijpend. Zo iemand die je graag als je baas of mentor wilt hebben.

In zijn nieuwste boek ‘A Legacy of Spies’, komt Smiley terug (‘Jeetje, daar lazen mijn ouders over’, zei mijn medepassagier. Eén moment voelde ik me oud, het volgende superieur). Smiley is niet langer de held, hij is de schurk; een donkere figuur uit de Koude Oorlog geworden. Al jaren dood, maar toch. Zoals het boek het vertelt, loopt er een procedure tegen de Britse inlichtingendienst over dingen die onder verantwoordelijkheid van Smiley zouden zijn gebeurd en waar de dienst voor aansprakelijk is gesteld. Dus: slechte publiciteit, veel geld. De dienst doet wat diensten doen: kijken of ze de schade kunnen afwentelen. Op Smiley valt niets meer te verhalen. Hij zou dood zijn. Op zijn medewerker misschien? Die leeft nog. En zo voelt Peter, de medewerker van George Smiley, het net om hem heen sluiten.

Mooie thematiek voor een spionageroman. De medewerker – net met pensioen gegaan, dus niet langer nodig – krijgt het zwaar, kan eigenlijk niet tegen de logica van het afschuiven op, dreigt te worden vermorzeld. Bijna. Ook Carré houdt van helden die het net redden.

Ik moest er over doordenken. Mijn eerste baas was – ver voordat hij mijn baas werd – ook een ‘spion’. Hij was zelfs één van de grondleggers van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) in Nederland. Kind uit een Scheveningse familie van 9 kinderen en met niet meer dan een boekhouddiploma op zak, zou hij zijn carrière eindigen in de Raad van Bestuur van een universiteit. Ver voordat hij in een bestuurszetel belande was hij roekeloos moedig in de oorlog en werd toen door Schermerhorn, de latere premier (samen met Drees), gespot als een talent. Hij hielp bouwen aan de nieuwe inlichtingendienst en legde onder andere de basis voor wat later (het tegengaan van) bedrijfsspionage zou gaan heten.

Toen hij mij in smiezen was hij al lang uit de dienst. Af en toe deed hij nog wat in de sfeer van opleidingen, maar voor zover ik weet was dat het. Zijn dag vulde hij in de tachtiger jaren met ‘interessante klusjes’. Hij had de reputatie van een harde saneerder; iemand die een kakelend hok rustig kon krijgen door alle kippen in de pan te doen. Maar meestal deed hij zijn werk met een glinstering in zijn ogen voor iedereen die met een oplossing kwam in plaats van een probleem.

Vijf jaar lang deelden we lief en leed bij een opleidingsinstituut; hij als voorzitter, ik als zeer jonge directeur-secretaris. In die jaren reden we samen alle universiteiten af en begon hij in de auto steeds meer te vertellen over zijn verleden. Ik betwijfel of ik ooit echte geheimen heb gehoord (al leerde ik zo’n 20 jaar voordat het in de media kwam heel wat over prins Bernhard), maar wat ik wel meekreeg was een houding die ik maar zal duiden als ‘koel kijken, warm voelen’. Eerst een messcherp doorkijken naar de diepere lagen en dan handelen, met echt begrip voor het menselijk tekort. Kortom; ik had aan hem een goede leermeester. Niet de enige, wel een belangrijke.

En met de lezing van het boek, komt dan de gedachte op: wat als die gewaardeerde voorzitter van mij een verleden zou hebben dat hem op de een of andere wijze in kwaad daglicht zou zetten? Dat wat goed was, nu opeens fout zo zijn? En dat ik dan nu als zijn oud-medewerker daarvoor aansprakelijk zou worden gehouden, omdat hij zelf al dood is? Ik weet dat hij in de oorlogsjaren op een beruchte landverrader heeft gejaagd en hem uiteindelijk te pakken kreeg. Van echt bewijs van landverraad was nauwelijks sprake, van een echte rechtsgang ook niet. Maar het was genoeg voor toen. Stel dat familie van die veronderstelde landverrader nu alsnog het gebrek aan bewijs als basis voor een claim zou nemen en bij het geconstateerde overlijden van de overijverige spion de medewerker aansprakelijk zou stellen?

Maar nee, het zou niet werken. Niet alleen omdat ik geen John le Carré ben en niet het vermogen heb om zoiets te schrijven, of omdat er ook zoiets als verjaring is, maar vooral ook omdat het niet logisch voelt dat je met terugwerkende kracht iemand in de schoenen kan zetten van een ander die iets zou hebben misdaan, net zo min als je met de kennis van nu iemand kan veroordelen voor de daden van toen. Tenminste, dat vind ik. Dat geldt voor de daden van mijn oude baas (die volgens mij zeer gerechtvaardigd waren), dat geldt ook bijvoorbeeld voor de mariniers die de trein met gijzelnemers in de punt hebben bestormd en voor vele andere voorbeelden van dingen die we nu gruwelijk kunnen vinden, maar logisch zijn vanuit de tijd van toen, toen we in vergelijking met nu ongelofelijk primitieve middelen hadden om ons gedrag op te baseren.

En dat brengt me waar ik naar toe wil, zeker in deze dagen van de nieuwe Wet Veiligheids- en Inlichtingendiensten (Wiv), de ‘Veegwet’. Ik meen dat we onze handen al vol genoeg hebben aan onze verantwoordelijkheid voor de dag van vandaag en dat we maar moeten hopen dat latere generaties ons niet harder zullen oordelen dat wij nu de spionnen en soldaten van toen. En mijn gevoel is dat zowel voor- als tegenstanders van de wet – en het inmiddels erbij horende referendum – er een potje van maken. De voorstanders door de relativering te gaan zoeken, de tegenstanders door de overheid of grote bedrijven tot vijand te maken.

Nee, het valt niet mee. Net zoals er in de VS teveel mensen met wapens rondlopen, zo lopen in de samenleving van nu met teveel computers rond die tot teveel in staat zijn. Overheden, bedrijven, maar ook gewone individuen: we hebben stuk voor stuk meer toegang tot informatie dan de beste spionagedienst in de koude oorlog. In totaal zoveel digitale informatie dat het meeste ervan nimmer meer door mensen kan worden gelezen; het is gewoon teveel. Alleen via algoritmes kan er nog betekenis uit worden gehaald en dan nog eerder door computers dan door mensen. Veruit het meeste daarvan betreft nuttige of ten minste onschuldige informatie. Een heel klein deel ervan kan en zal worden misbruikt door anderen. We kunnen niet weten welk deel.

Dat maakt ons machteloos, dat maakt ons bang. Terecht. We zijn kwetsbaar. We kunnen best wat doen aan verbetering van onze privacy, en dat moeten we ook doen. Als het er echt op aan komt is onze privacy geen fractie van de privacy die de mensen vroeger achter het ijzeren gordijn konden genieten.

En nee, de overheid is niet de kwade pier. Zelfs de Russische niet. Niet bij voorbaat. Ze worden in hoge mate bemenst door bange mensen die geen fouten willen maken en zich in willen dekken tegen de boosheid van hun bazen. Misschien wel gevaarlijker, maar geen reden om overal een samenzwering in te zien. Hetzelfde geldt voor bedrijven. Ook Google en Facebook worden niet geleid door schurken. Ze hebben hun belangen, maar die belangen worden ook begrenst, is het niet door overheden, dan wel door concurrenten en aandeelhouders. En tegenover elke ambtenaar of medewerker die de fout ingaat of zijn macht misbruikt, staat een veel groter aantal dat op z’n minst professioneel het eigen werk doet en zijn er velen die met overtuiging over zowel onze veiligheid als onze privacy waken.

Met andere woorden; alles kan gebeuren, maar niet alles dat kan gebeuren zal ook gebeuren. En als het er op aan komt moeten we aan de kant van de overheid gaan staan. Daarom nog even terug naar het voorstel van de nieuwe wet. Want we moeten niet alleen iets begrijpen van veiligheidszaken en inlichtingendiensten om bij het referendum te weten wat we moeten stemmen. We moeten ook iets over wetgeving weten. Wetten lopen namelijk per definitie achter de werkelijkheid aan. Stel, je wilt heel precies regelen dat de eigen privacy niet geschonden kan worden, door niets of niemand. Als dat het geval is, dan moet je ook bijvoorbeeld weten dat jouw telefoon niet zomaar afgeluisterd kan worden.

Dat vergt technische kennis, veel technische kennis. Dan denk ik nog even aan mijn oude voorzitter met mijn iPhone in de hand. Ik probeer te bedenken hoe hij de warme en de koude oorlog zou zijn doorgekomen als hij toen al de beschikking over een iPhone had gehad. Ik kan me er weinig bij voorstellen. Waarschijnlijk was hij opgepakt. Via een trace op zijn medewerker die weer in zijn contactenlijst stond, etcetera. Dat zou dus nu niet meer mogen kunnen. Dat moet geregeld worden. Ik weet wel dat er over een jaar weer een nieuwe versie van de iPhone zal zijn. Dan moet het dus opnieuw geregeld worden. Met een nieuwe wet. Ziet de lezer het probleem? Het kan niet anders of de wet moet zo geregeld worden dat er ruimte is om op nieuwe ontwikkelingen in te spelen zonder elke keer de wet te hoeven wijzigen. Ja, dan blijft er een risico op de schending van privacy bestaan.

Waar het in de praktijk op neerkomt, is dat de wet vooral ‘procesbepalingen’ zal bevatten. Dat betekent dat vooral geregeld wordt wie wanneer wat mag beslissen: de ‘checks en balances’. Daar ben ik niet zo dol op. In een sfeer van wantrouwen – en dat is er natuurlijk gewoon – betekent dat er vooral een bureaucratische moloch (verder) wordt opgetuigd, waarbij iedereen elkaar binnen de diensten in de gaten mag gaan houden. Ik heb er mijn twijfels bij – en vraag mij bijvoorbeeld af of er nog mensen overblijven die nog tijd hebben om gewoon dossiers te bekijken – maar denk dat er weinig anders op zit dan door die rituele dans heen te gaan.

Met of zonder referendum moeten we dus door de hoepel van een nieuwe wet springen. Komt het wel tot een referendum en is de stemming afwijzend, houden we nog lang de huidige wet en die is in ieder geval verouderd. Het directe gevolg is toenemende onveiligheid naar mate de veroudering langer voort blijft duren. Maar ook bij een positieve uitkomst van de stemming, dus aanname van de nieuwe wet, hoeven we nog niet blij te zijn. Mijn beeld is dat de huidige veiligheids- en inlichtingendiensten de laatste jaren zover zijn uitgekleed dat een nieuwe wet nog geen betere dienst maakt. Het maakt het wat makkelijker, niet meer dan dat.

Nee, wat echt aan de orde is en waar het referendum dan ook over zou moeten gaan, is eigenlijk dit: hebben we een basisvertrouwen in onze eigen overheid? Zijn ze er voor ons of niet? Uiteindelijk val je bij ingewikkelde vraagstukken als deze terug op een moreel oordeel en niet op een technisch oordeel. Dat geldt ook hier.

Ik heb me afgevraagd hoe mijn oude voorzitter op de situatie zou hebben gereageerd. Je kan zeggen: hij was een oud-spion, natuurlijk zou hij voor de nieuwe wet zijn. Maar ik zie zijn snor al trillen; de man had een perfecte bullshit-meter. Hij zou niet aarzelen om zijn mening te geven over wat hij van zo’n referendum vindt. Ik weet nog hoe fel hij was als het om prins Berhard ging. In de oorlog had hij een paar keer de Biesbosch overgestoken en trof daar iemand aan die hij als een held wilde vereren, maar in zijn ogen een windvaan, een ‘volstrekte nonvaleur’ was. Zijn gezag accepteerde hij in ieder geval niet. Hij haatte Berhard omdat die verraad pleegde aan zijn hoge idealen, maar in feite was hij tot op het bot gezagsgetrouw. En had daar zo nodig zijn leven voor over.

Natuurlijk zou hij voor de nieuwe wet zijn – en ondertussen zowel tegenstanders als regering tot op de veters afbranden. Sleepwet? Als oud-Scheveninger zou hij het een eretitel vinden.

En Smiley? Op de laatste bladzijde van Le Carré’s boek vindt Peter, de oud-medewerker van George Smiley zijn oude baas terug, die toch nog blijkt te leven (het blijft een roman). Het draait uit op de eeuwige vraag: “Waar deden we het allemaal voor?” Het antwoord van Smiley: ‘Voor de wereldvrede, wat dat ook mocht zijn? Ja, ja natuurlijk. Er zou geen oorlog zijn, maar in de strijd om de vrede lieten we geen steen overeind staan, zoals onze Russische vrienden pleegden te zeggen.’ Hij viel stil, om alleen maar met meer kracht te vragen: ‘Of was het allemaal in de naam van het kapitalisme? God beware me.’

Hij nam een slokje wijn, met een glimlach om zijn lippen, als het ware zichzelf iets vragend: ‘Was het dan allemaal voor Engeland, dan?’ vervolgde hij. ‘Inderdaad draaide het een tijd om ons eigen land. Maar wiens Engeland? Welk Engeland? Alleen voor Engeland, als burger van Nergensland? Ik ben een Europeaan, Peter. Als ik al een missie had, dan was het voor Europa. Als ik zonder hart was, dan was ik zonder hart voor Europa. Als ik al een onbereikbaar ideaal had, dan was het om Europa uit haar duisternis te leiden richting een nieuwe tijd van redelijkheid. Dat is nog steeds mijn droom’.

En zo gaat het referendum toch nog over Europa. In ieder geval volgens Le Carré en zijn George Smiley. Deze Peter zegt het hem wel na. Referenda zijn op zich niet absurd, maar ze gaan zo snel over iets waar het niet over zou moeten gaan. De nieuwe Wiv, de ‘sleepwet’ lost noch het probleem van veiligheid, noch dat van privacy op. Het past na aanname alleen wat beter bij de tijd in een klein hoekje van Europa. Als zodanig verdient de nieuwe wet steun, ook als start voor een sterkere inlichtingen- en veiligheidsdienst.

Peter Noordhoek

Bronnen:

John le Carré (2017) – A Legacy of Spies. Viking, London.

34 588 Regels met betrekking tot de inlichtingen- en veiligheidsdiensten alsmede wijziging van enkele wetten (Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 20..)

www.sleepnet.nl

Hoe een virtuele resolutie het van een echte won

Het CDA-congres in Nijmegen van 4 november jl. stond in het teken van de deelname aan het nieuwe kabinet. Sybrand Buma legde aan de leden verantwoording af over het bereiken in het kader van het regeerakkoord en we konden kennismaken met de nieuwe ploeg bewindspersonen. Tegen die achtergrond vond ook de bespreking van resoluties plaats; de uitspraken van de leden richting de fractie. Eén resolutie trok vooraf al de nodige aandacht: die over de gewenste terugkeer van de basisbeurs. Hier neem ik deze als concreet voorbeeld van de vraag hoe je een resolutie daadwerkelijk kunt binnenhalen. Ik zeg erbij dat Zuid-Holland en mijn persoontje hier niet slecht uit zijn gekomen en eigen roem altijd wat kan stinken. Aan de andere kant wil de docent in mij graag uitleggen hoe zoiets gaat en wil ik graag richting degenen die mij door de schouwburg in Nijmegen hebben zien ronddarren, uitleggen wat er nu eigenlijk gebeurde.

Het CDJA, de jongeren van de partij, spraken bij monde van de nieuwe voorzitter Lotte Visser uit, dat het CDA opnieuw de onderhandelingen aan moest gaan met de formatiepartners en de terugkeer van de basisbeurs, inzet van ons verkiezingsprogramma, alsnog moest regelen. Het haalde de voorpagina van De Telegraaf en het leverde direct een tv-optreden op voor Lotte bij WNL. Het is op zich heel knap om zoveel publiciteit te halen met een resolutie (zelf ben ik nooit verder dan de radio gekomen met een resolutie over de introductie van een kiesdrempel), maar die aandacht van de media is natuurlijk niet direct positief bedoeld. De resolutie werd geïnterpreteerd als een aanval op het onderhandelingsresultaat van de partijleider, Sybrand Buma. De resolutie werd daarmee toch een soort testcase op de vraag of hij goed onderhandeld had.

Resoluties

Resoluties kunnen worden ingediend door afdelingen of ‘gelieerde organisaties’ zoals het CDJA of als ten minste 25 leden met een resolutie komen. Je zou kunnen zeggen dat binnen een partij als het CDA kan, wat in het parlement niet kan: referenda indienen. Elke resolutie is een soort mini-referendum. Het is een van de vele redenen waarom we de partijdemocratie moeten herontdekken en jongeren laten zien dat het lidmaatschap van een partij juist supercool en vernieuwend kan zijn – mits, zoals met alles, je dan ook bereid bent de regels van het spel te leren. Binnen Zuid-Holland hebben we de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in het bouwen aan een goede delegatie naar het congres. We hebben nu een leuk team, met Peter Viallé als de onmisbare secretaris en ondergetekende als delegatieleider. Daarnaast is er grote betrokkenheid vanuit het dagelijks bestuur, met name van Arjan Kraijo, als bestuurssecretaris en Relus Breeuwsma als de kersverse voorzitter van Zuid-Holland. Voor beide laatste zou het hun eerste congres ‘in functie’ zijn. In Nijmegen begon het congres al direct met een ‘deelsessie’ over resoluties. Er kwamen 15 resoluties aan bod, elk voorzien van een pré-advies van het bestuur. Dat advies luidt dan ‘overnemen’ of ‘niet overnemen’, met als het goed is, een inhoudelijke onderbouwing van dat pré-advies (deze keer ontbrak het daar nogal aan). De discussie gaat dan over het wel of niet overnemen van de resolutie. Uiteindelijk worden alleen die resoluties in het plenaire deel van het congres besproken die of overgenomen zijn of duidelijk niet worden gesteund.

Voorbereiding

Als Zuid-Holland hebben we eerst een brainstorm gehad waarbij er een tiental mogelijke resoluties zijn besproken. Uiteindelijk hebben we twee resoluties ingediend: één over luchtkwaliteit en één over de voorwaarden die aan Europese gelden kunnen worden gesteld (wat gebeurt er als bijvoorbeeld Polen en Hongarije de rechtsstaat schenden). Beide zijn op ‘overnemen’ gezet, waarvan één na een tekstuele aanpassing. Een mooi resultaat dus, conform verwachting en reputatie. Al heb ik eigenlijk liever dat onze resoluties net controversieel genoeg zijn om het plenaire deel te halen, omdat resoluties die plenair worden besproken doorgaans meer impact hebben en omdat een stevig debat op z’n tijd gewoon goed is voor de partij.

Over één resolutie was het van het begin af aan duidelijk dat die plenair zou worden besproken. De resolutie van het CDJA getiteld ‘terugkeer basisbeurs’. Elke resolutie bestaat uit drie delen: een onderdeel ‘Constateert dat’ waarin wat feiten worden opgesomd, een onderdeel ‘Overweegt dat’, waarin de redenering wordt opgebouwd en een slotdeel (het zogenaamde ‘dictum’, het ‘Spreekt uit’) waarin het congres wordt voorgelegd een uitspraak te doen richting de fractie van het CDA. Daar hoeft de fractie zich niet aan te houden, maar het weeg wel zwaar. In het geval van het deze resolutie luidde het dictum: “Het CDA de basisbeurs alsnog opgenomen wil zien in de onderwijsparagraaf” Met andere woorden: Buma zou om het openbreken van het regeerakkoord moeten gaan vragen.

Twee dagen voor het congres hadden we als CDA een bijzondere algemene ledenvergadering gehad om alle 15 ingediende resoluties te bespreken. Ten aanzien van deze resolutie wilden we heel ver gaan, mede omdat we ons in de aanloop naar het verkiezingsprogramma hier al erg sterk voor hadden gemaakt. Sterker in feite dan het CDJA zelf: wij wilden niet alleen de bachelor, maar ook de masterfase uit publieke middelen laten betalen. Ook om te laten zien dat we na een verkiezing wat dat betreft bij ons standpunt bleven, waren we blij met alles wat het CDJA in de resolutie had opgeschreven en wilden dat voluit steunen. Op één punt na. Wat het dictum vroeg, heronderhandelen van het regeerakkoord, vonden we onmogelijk. En dat hoefde Sybrand Buma ons echt niet uit te leggen, dat snapten wijzelf ook. Om die reden spraken we af dat we onze steun afhankelijk zouden maken van een wijziging van het dictum. Dat is niet ongebruikelijk en we verwachtten dat het CDJA dat zelf ook wel zou inzien. Dan zouden we steunen. De bal lag eerst bij hen.

Deelsessie

Het was bij momenten aandoenlijk om te zien hoe Sybrand Buma probeerde aannemelijk te maken dat er voor hem echt geen ruimte was en dat elke poging van hem om het akkoord te wijzigen zou stranden. Daartegenover stonden ook harde momenten: geef mij dan aan wat er elders ingeleverd zou moeten worden, want anders gaat het zeker niet gebeuren. Per saldo vroeg Buma vooral begrip voor zijn positie. Hij kreeg het niet van het CDJA.

Als veruit grootste afdeling betekent de steun van Zuid-Holland wel iets. Toen ik aankondigde dat wij de resolutie wilde steunen, zag je het gezicht van de CDJA’ers oplichten, maar direct daarna weer dimmen toen ze begrepen dat we een wijziging van het dictum verlangde. Het antwoord was kort maar heel duidelijk: nee, dat doen we niet. De resolutie werd doorverwezen naar het plenaire deel van het congres. Ondertussen konden we vieren dat we onze eigen resoluties hadden binnengehaald. In die zin konden we al ontspannen: opdracht vervuld.

Lunchpauze

Tijdens de lunchpauze knaagde er toch iets. Pieter Heerma was bij de bespreking van de resoluties aanwezig geweest en kwam naar mij toe. Hij zei dat hij het interessant vond dat we om wijziging van het dictum hadden gevraagd. Hij had zijn zin nog niet eens beëindigd toen mij al duidelijk was dat we een nieuwe poging zouden wagen om het CDJA in beweging te brengen. Een halve minuut later was ik op zoek naar Lotte en haar mensen. Ondertussen probeerde ik voorzitter Relus Breeuwsma te bellen, want zoiets stem je af. In gesprek. En toen liepen Lotte en haar collega voor mij langs. Ik riep ze aan en direct waren we in gesprek. Alhoewel, gesprek? Er zat geen beweging in. Ze hadden één goed argument: het met de terugkeer van de basisbeurs gemoeide bedrag is zo groot, dat als je het nu niet direct in één keer zou regelen, dus via het akkoord, je het kon vergeten. Dan moet je als partij staan voor dat standpunt, ook al zou dat de partijleiding een probleem geven. Volgens mij onderschatten ze dat probleem en overschatten ze hun steun in de zaal en bij ‘de top’. Hoe dan ook, ze wilden niet met een aangepaste tekst komen. Dat maakte de opening om te zeggen dat wij dan als Zuid-Holland met een tekst zouden komen. Ik had nog geen idee welke tekst dat zou zijn, maar vond dat van latere zorg. Het CDJA stond er letterlijk en figuurlijk rigide bij. We gingen elk onze eigen weg.

Het Concertgebouw in Nijmegen is echt prachtig, maar niet erg praktisch. Probeer maar eens iemand te vinden in de gangen van het gebouw. Er zullen best veel congresgangers zijn geweest die mij bellend door de gang hebben zien lopen. Die moeten niet denken dat ik al bellend zware dingen aan het bespreken was. Welnee, we probeerden elkaar te vinden en dat mislukte om de haverklap. ‘Ben jij bij hoofdingang?’ ‘Nee, ben ik net weg.’ Enzovoort.

Uiteindelijk hebben Relus en ik elkaar in een hoekje van de garderobe getroffen. Ik had al een eerste toverformule geschreven, maar die was het nog niet. In lijn met de titel van de CDJA-resolutie schreef ik dat “Het CDA voorstander is en blijft van een terugkeer van de studiebeurs.” Maar Relus, iemand met een sterke onderwijsachtergrond, zei daarop iets belangrijks, in feite het enige dat inhoudelijk relevant was: “De basisbeurs komt nooit meer terug, dat is een gepasseerd station.” Dat betekent dus, schreef ik, al vertalend, dat er ‘Het CDA voorstander is en blijft van een studiestelsel dat toegankelijk is voor iedereen, ongeacht afkomst of draagkracht’. Direct daar achteraan volgde, heel logisch, de zin: ‘Roept de fractie op al het mogelijke te doen het kabinet hiertoe te bewegen’.

Dat was het. Daarna volgde een communicatieslag in drie richtingen. We stelden het team op de hoogte dat we een tekst hadden, lieten het CDJA opnieuw weten zelf met een tekst te komen en namen via Pieter Heerma contact op met Sybrand Buma. Dat laatste snelle contact leidde tot een enkele toevoeging: de woorden ‘in de komende jaren’ werd er in de laatste zin aan toegevoegd, zodat er geen misverstand over kon zijn dat terugonderhandelen niet meer zou kunnen.

Plenair

De bespreking van de resoluties in het plenaire deel van het congres duurde best lang. We zaten als team bij elkaar en ondanks dat het meeste voor ons niet echt spannend meer was, moesten we bij elke resolutie de woordvoering goed in de gaten houden. Vooral de discussie rondom de resolutie ‘eigen risico’ was fel, met veel emotionele en concrete gRelus Breeuwsma en Lotte Visser overleggenetuigenissen van leden van wat het voor hen concreet betekende. Opnieuw moest Sybrand alles uit de kast halen om duidelijk te maken waarom hij niet kon bewegen. Hij probeerde ook de angel er uit te halen door de indieners te vragen de resolutie ‘aan te houden’ en in dat geval een gesprek toe te zeggen met hemzelf en de fractie. Hoe dan ook, de dappere woordvoerder namens de indieners van de resolutie hield het lang vol. Uiteindelijk zei hij dat hij ‘om’ was, wat werd begroet met luid applaus. Ondertussen deed Relus een laatste poging om Lotte over te halen haar resolutie aan te passen. Helaas.

 

De rijen voor de inspraakmicrofoon werden nog langer toen de resolutie over de terugkeer naar de basisbeurs aan bod kwam. Er waren sceptische geluiden over de haalbaarheid ervan, maar vooral de jongeren deden er alles aan om het offensief voor terugkeer van de beurs zo luid mogelijk te laten klinken. Je voelde het opbouwen.

We hadden afgesproken niet meteen met ons voorstel te komen. Eerst wilden we zien hoe de zaal zou reageren op de inbreng van het CDJA en Sybrand Buma (en dit keer ook van Ruth Peetoom). Het was duidelijk dat het verdeeld lag. Omdat de rij voor de microfoons langer werd, ben ik er ook tussen gaan staan, er op vertrouwend dat Rutger Ploum, de fantastische secretaris en regisseur van de middag, mij nog het woord zou geven. Uiteindelijk gebeurde dat. Ik hoorde het stil worden. Het zal velen niet ontgaan zijn dat we met iets bezig waren. Er was direct applaus. Ik meende een gevoel van opluchting te horen. Dat was in ieder geval te horen in de reactie van Sybrand, die de tekst van Zuid-Holland direct steunde. Maar Lotte gaf geen krimp. Dat was op zich knap, maar daarmee kreeg ze de zaal wel tegen zich. Toch: dit keer zouden we wel een stemming hebben.

En toen had ik winnaarsgeluk. Het onoverwinnelijke, superprofessionele duo van Peter N. en Peter V., maakte namelijk een beginnersfout. We behandelden namelijk onze tekst voor het dictum alsof het een nieuw ingediende resolutie was. En bij twee resoluties over hetzelfde thema, is het altijd de vraag welke resolutie het eerst in stemming zou komen. Ik wilde zeker weten dat het CDJA eerst zou gaan, zodat onze resolutie daarna als redelijk alternatief besproken zou worden en bracht dat voor de zaal in als ‘punt van orde’. Onzin natuurlijk, we hadden helemaal geen resolutie en die kan je ook niet tussentijds indienen. De secretaris maakte dat duidelijk, maar dat maakte het hoe dan ook duidelijk dat de CDJA-resolutie verder ging dan ons voorstel. Bovendien kreeg Sybrand de geest en zei dat hij, als de CDJA-resolutie niet zou worden aangenomen, hij zou gaan handelen alsof de resolutie met tekst van Zuid-Holland zou zijn aangenomen. Mijn stommiteit leek een meesterzet.  Een virtuele resolutie was geboren.

En die won. Met grote meerderheid werd de resolutie van het CDJA verworpen en een resolutie met het dictum van Zuid-Holland aanvaard.

Borrel na afloop

Het is best mogelijk dat de resolutie van het CDJA hoe dan ook zou zijn verworpen. De gemiddelde congresbezoeker is een redelijk mens en velen ervan zijn bestuurder. Die houden niet van extreme standpunten en houden er al helemaal niet van om voor het blok te worden gezet. Toch was het wel degelijk spannend geweest. De sympathie voor de inhoud van de resolutie was echt groot. Het heeft luid en duidelijk in ons verkiezingsprogramma staan. Anders dan op andere punten, was het onderhandelingsresultaat ver achter gebleven bij de verwachtingen. Moet er dan niet een signaal gegeven worden?

Jawel, maar dus niet dat van het CDJA: terugonderhandelen. Wat ik hoop – en wat het CDA betreft: verwacht – is dat de komende regeringsperiode gebruikt wordt om de status quo te doorbreken en met een echt vernieuwend stelsel van studiefinanciering te komen. Op dit moment zijn het ‘stand-alone systemen’ die meer na- dan voordelen hebben. Dat kan beter.

Nogmaals, het is leuk om zo te kunnen vertellen hoe ‘slim’ we het als Zuid-Holland hebben gespeeld. Maar heeft het CDJA echt zo hard verloren? Deels wel, ja. Vooral intern en dat zal ze voorlopig nog wel even dwarszitten. Een matiging van toon is aan te raden. Aan de andere kant kunnen ze naar de buitenwereld toe laten zien dat ze hun rug recht hebben gehouden en dat is ook wat waard. Daarnaast: ‘What does not break you, makes you stronger’. Voor de jongeren van het CDA komen in alle opzichten nog wel nieuwe kansen. Ook zin in de spanning van zo’n congres? Wordt lid, doe mee.

congres november 2017

Peter Noordhoek

Met veel dank aan het team zoals dat in Nijmegen aanwezig was: Robert Bosch, Relus Breeuwsma, Bart van Horck, Arjan Kraijo, Anne Hensen Cees Moerman, Martijn van Nijnanten, Ton van der Stoep en Peter Viallé. Daarnaast dank aan iedereen die bij de brainstorm en de bijzondere ALV aanwezig was. Tot de volgende keer!


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek