Maandelijks archief: oktober 2017

Kwaliteit in het nieuwe regeerakkoord: ‘Doe mij maar alles’

Kwaliteit – wat een woord voor alles. Vanaf het begin van de jaren negentig voerde ik na elk regeerakkoord een analyse uit van de manier waarop het kabinet aan ‘kwaliteit’ denkt te gaan werken. In die jaren stond het woord ‘kwaliteit’ regelmatig in de titel en ik mocht dat graag kritisch maar positief ontleden, doorgaans voor de Staatscourant. Het was echt een thema, waarbij min of meer bewust beleid werd gemaakt, met instrumenten, modellen alles. Liep ernstig uit de hand*, maar er zat wel een gedachte achter het gebruik van het woord. Dat is nu wel anders, maar ook deze week verscheen een regeerakkoord waarin het woord een kleine 50 keer voorkomt – gemiddeld bijna 1 keer per pagina. Dus ja, ook dit verdient een analyse.

Let op: dit is een analyse op conceptueel niveau. Het zegt vooral iets over de kansen op een goede uitvoering van de beleidsvoornemens en zegt minder over de onderliggende keuzes en hoe terecht die zijn. Uiteindelijk zeggen uitvoeringskansen natuurlijk ook iets over de kwaliteit van de insteek, maar ik maak hier geen politieke keuzes.

Kwaliteit gedefinieerd

Mijn wenselijke definitie van kwaliteit is deze: ‘kwaliteit is de consensus zoals die ontstaat nadat impliciete definities van kwaliteit expliciet zijn gemaakt’**. Lees het rustig nog een keer. Ik weet dat in werkelijkheid het proces van het expliciet maken van kwaliteitsdefinities een recept voor ruzie en uitstelgedrag is. Tot consensus komen is moeilijk; als je iets expliciet moet maken, worden ook de verschillen duidelijk. Het eerste waar ik daarom op let is hoe het woord ‘kwaliteit’ benaderd wordt: concreet of algemeen. Het tweede waar ik op let is het paradigma van waaruit geschreven wordt. De ene vorm van kwaliteitszorg is de andere niet. De benamingen verschillen nog weleens onder deskundigen, maar zelf maak ik een onderscheid tussen 4 paradigma’s of denkscholen: empirisch (denken dat alles meetbaar te maken is: wat?), referentieel (denken dat alles in normen of modellen te vatten is: hoe?), reflectief (denken dat het om anders denken gaat: waarom?) en emergent (denken dat het ontstaat uit botsende belangen: huh?) danwel surgent (bewust aansturen op een definitie: ha!). Dit zijn ruwe omschrijvingen, maar ik leg ze verder uit waar dat relevant is. Laat in ieder geval duidelijk zijn dat vooral de referentiële en reflectieve invalshoeken al snel op gespannen voet staan in de beleving.

Eerst zoom ik echt op het woord kwaliteit in, daarna maak ik het minder letterlijk. Concreet startend: waar wordt het woord kwaliteit mee verbonden?

Gebruik per sector

In de inleidingen het akkoord wordt trots gezegd dat we als Nederland hoog op kwaliteit scoren, bijvoorbeeld als het gaat om de ‘kwaliteit van ons onderwijs en onderzoek’ (p. 1). Dit is puur referentieel; verwijzend naar scoringslijstjes op internationale rankings. Prima om trots te zijn op je kwaliteit, overigens.

Over de sectoren die er voorheen het meest ‘aan deden’, Veiligheid en Justitie en BZK, wordt nu veel minder over kwaliteit gesproken. Bij de inleiding wordt nog over ‘investeringen in de justitiële keten gesproken: ‘er komen middelen voor menskracht en kwaliteit’ (p. 3). En, dat ik dat nog mag beleven, wordt de vraag gesteld ‘hoe op kwaliteit gecontroleerde wiet gedecriminaliseerd aan de coffeeshops toegeleverd kan worden’. Wow; laat ik dat een referentiële vraag noemen (verwijzend naar welke empirische norm? How high can you go?), voortkomend uit een emergente vraag: veel partijen zouden het er liever niet over hebben, maar het kwaliteitsprobleem doet zich indringend voor.

Verder wordt gezwegen. Hebben ze de kwaliteit nu voor elkaar of durven ze er niet meer over te beginnen? Laat ik ze krediet geven; ze hebben zoveel pogingen gedaan om langs empirische of referentiële weg (toepassing modellen) op niveau te komen en dat is zo opzichtig mislukt, dat ze nu er niets over melden. Of lag het niet aan de modellen, maar bijvoorbeeld aan de politieke aansturing?

Dan deze, in het kader van onderwijs: ‘Leerlingen, ouders en leraren willen dat onderwijsmiddelen optimaal bijdragen aan de kwaliteit van onderwijs’. (p. 12) Dat leidt tot een vraag aan de Onderwijsraad en de Algemene Rekenkamer om scherper te formuleren hoe dat kan en tegelijk excessen te vermijden. Dus weer referentieel: norm ontwikkeling. Inclusief wat wantrouwen: ‘Om er bovendien voor te zorgen dat extra geld gebruikt wordt waarvoor het bedoeld is, houdt het kabinet het primair- en voortgezet onderwijs aan bestuurlijke afspraken’. De norm moet gehandhaafd worden. Datzelfde geldt ook voor de ‘kwaliteitsafspraken’ in het MBO en de kwaliteit van het techniekonderwijs. Interessanter wordt het als het lerarenregister langs komt. Het lerarenregister is een vorm van certificering, ook weer referentieel. Om dat tot een succes te maken ‘moet het straks van, voor en door de docent zijn’. Even later: ‘Lesontwikkeling, intervisie en evaluatie van lessen krijgen ook erkenning in het lerarenregister. Dat draagt bij aan de kwaliteit van onderwijs.’ Met andere woorden, de lasten van de strenge certificering moeten gecompenseerd worden door maatregelen die dichter bij de menskant van de docent staan. Hier wordt een referentiële insteek gecompenseerd door een reflectieve. Zou het genoeg zijn?

Ook in de paragraaf over het hoger onderwijs zie je diezelfde spanning terug tussen het referentiële en reflectieve: wat aan de ene hand aan vrijheid wordt gegeven (vrij onderzoek, zelf doelstellingen en indicatoren opstellen), wordt met de andere hand weer dichtgetimmerd via kwaliteitsafspraken. De waarschijnlijke uitkomst zal waarschijnlijk ‘emergent’ zijn als de partijen elkaar in evenwicht houdt en ‘surgent’ als een slimmerik doorbraken weet te bereiken.

Heel apart vind ik de discussie over de kwaliteit in de verpleeghuiszorg. De inzet is bijna puur reflectief: ‘De inzet op kwaliteitsverbetering vraagt ook om een andere manier van werken en organiseren: kleinschalig, vraaggericht, innovatief, met minder regels en meer vertrouwen in de zorgprofessionals.’ De stichting Beroepseer kan trots zijn. Maar deze passage wordt direct gevolgd door deze: ‘Dit moet daadwerkelijk leiden tot een aantoonbare verbetering van de kwaliteit. Bestuurders worden daarop beoordeeld.’ Referentieel dus, empirisch ingestoken. En dat kan nu net niet als je echt reflectief denkt, want dat verzet zich tegen ‘de illusie van meetbaarheid’ en alle bureaucratie die daarbij hoort. Noch hier, noch in andere paragrafen over andere onderwerpen, staat hoe met de spanning moet worden omgegaan. En dat klemt al helemaal als dan opeens het ‘kwaliteitskader verpleeghuiszorg, inclusief transitie-, uitvoerings- en implementatiekosten’ langs komt voor ruim 2 miljard en voortkomend uit niets anders dan een juridische verplichting nadat men er in het parlementaire debat niet uitkwam om te benoemen wat die kwaliteit zou moeten zijn. Ik snap alles, maar professioneel vind ik dat hier een grens is overschreden. Hier is geen sprake van een kwaliteitskader, want alles wat die kwaliteit bepaalt is impliciet gebleven, het is zelfs niet emergent en alleen als Van Rijn een heel slim spel heeft gespeeld surgent (wat niet uitgesloten kan worden). Hoe dan ook zou het beter zijn als men het omgedoopt tot iets als ‘financieel kader verpleeghuiszorg’.

Zo is het niet overal. Het akkoord is prima te pruimen als het simpel referentieel blijft redeneren over kwaliteit. Je kan van alles vinden over de uitspraken over bijvoorbeeld de kwaliteit van de woningen en de gebouwde omgeving, de vele uitspraken over lucht- en waterkwaliteit en zelfs de kwaliteit van de inburgeringscursussen en cultuurinstellingen, maar de uitspraken lenen zich over het algemeen wel voor nadere toetsing. Met andere woorden; de uitspraken blijven binnen het eigen referentiekader. Al blijft het oppassen. Over de waterkwaliteit wordt bijvoorbeeld gezegd: dat men ‘tegen minimale maatschappelijke kosten aan nitraatrichtlijn’ wil voldoen. Wat zijn dan die minimale maatschappelijke kosten? Wat zeg je hier eigenlijk? Close reading is dus verplicht, elke keer als het woord ‘kwaliteit’ langskomt. De Volkskrant beschrijft hoe tijdens de formatie ‘om elke komma werd gestreden’. Los van het feit dat er op bijna Noordhoekiaanse wijze spellingsmissers worden gemaakt (het kan de beste overkomen), heb ik juist vaak het gevoel dat het woord kwaliteit maskeert waar de onderhandelingspartners er niet uitkwamen – en dat is best wel vaak. Ik heb makkelijk praten, maar als ik bij zo’n discussie zou zitten, zou ik regelmatig van paradigma wisselen. Ze hebben elk hun eigen waarde: wat weten we eigenlijk? Hoe zou de norm moeten luiden? Kunnen we echt geen ruimte geven? Kunnen we het niet gewoon laten gebeuren, of kunnen we toch doorpakken? Dan heb je in ieder geval alles gedaan om te schudden aan de boom van impliciete definities achter dat vermaledijde woord ‘kwaliteit’.

Om het overzicht af te ronden, moet ik toch ook zeggen dat er soms een aardig extra accent wordt toegevoegd aan dat woord ‘kwaliteit’. Professioneel vind ik het interessant dat bijvoorbeeld in het kader van stalbranden (is dat niet een wat klein punt voor een regeerakkoord?) er over ‘ketenkwaliteitsystemen’ wordt gesproken. Dat is in ieder geval een moderne benadering, één die weerspiegelt dat heel veel kwaliteitsvraagstukken een keten- of netwerkkarakter hebben. Het meest nieuwsgierig word ik echter naar de operatie ‘Inzicht in Kwaliteit’ die bedoeld is om de kennis over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het begrotingsbeleid te vergroten. Dat doet toch wat twijfelen over de kwaliteit van het huidige begrotingsbeleid, maar gelukkig hadden we dit keer de beschikking over Eric Wiebes, Pieter Omtzigt, Wouter Koolmees en Carola Faber. Tegen hun kennis kan geen studie op.

Alles door de bril van het woord ‘kwaliteit’ bekijken levert wel een blikvernauwing op. Veel van de genoemde zaken hebben, zo zou je kunnen zeggen, een inherente kwaliteit. Als er bijvoorbeeld ergens een budget wordt uitgetrokken voor ‘preventie en ondersteuning bij ongewenste zwangerschappen’ dan kan je zeggen dat dit op zichzelf al staat voor de wens om goed beleid te voeren. Wat mooi. Maar in technische zin zou je ook weer kunnen zeggen dat het veel te gedetailleerd is voor een akkoord als dit. Hoe zinvol is het om te proberen de uitgaven hiervoor vier jaar vooruit te plannen?

En zo heeft alles z’n voor- en nadeel. Het is in ieder geval goed om te beseffen dat dit de uitkomst is van een maandenlang onderhandelingsproces tussen vier partijen die het op vele punten fundamenteel oneens met elkaar waren. Elk mocht af en toe iets winnen, niemand mocht alles winnen. En dan ligt er opeens een tekst.

Analyse over het geheel

Dit akkoord is alleen empirisch in de zin dat er een nauwkeurig financieel kader onder ligt. Hoe dat precies verbonden is met de vele items en inspanningen die onder het woord ‘kwaliteit’ worden gevangen blijft onduidelijk. In iets van 5 van de 50 is die verbinding te maken. De overgrote meerderheid van wat is afgesproken, al dan niet met het woord ‘kwaliteit’ erbij, is referentieel van aard; ergens hoort er een (nadere) norm of afspraak bij. Met de ruimte die daar nog in zit, zal nog menig Kamerdebat worden gevuld. Waar het echt nu al botst is bij de kwaliteitstermen waar een referentieel paradigma (er is een norm te maken) tegenover een reflectieve komt te staan (dat hangt van de persoon en situatie af, vergt maatwerk). Dan weet je dat er a) nog verder onderhandeld moet worden en b) hier doof-blinden met elkaar moeten onderhandelen.

Al met al is het verleidelijk om het hele regeerakkoord als een ‘emergent’ kwaliteitsverhaal te beschouwen dit is wat boven komt drijven als je vier partijen zolang bij elkaar in een hok zet. Toch doet dit het akkoord tekort. Door het verhaal heen worden onverwachte keuzes gemaakt, bijvoorbeeld ten aanzien van duurzaamheid, het eigen woningbezit en de wietteelt. Dat past eerder bij een ‘surgent’ beeld dan een ‘emergent’ beeld. Dat zijn naar verwachting ook de dingen die goede wil hebben gekweekt onderling. We zullen zien of deze lijm tussen de onderhandelingspartners van dusdanige kwaliteit is dat het 4 jaar houdt, want dat is de reguliere kabinetsperiode (herkent de lezer inmiddels de verschillende paradigma’s in deze laatste zin?)

Peter Noordhoek

* In de negentiger jaren werd te instrumenteel over de invoering van kwaliteitszorg gedacht, mede omdat we dachten het bedrijfsleven wel even als model te kunnen gebruiken. Met de gedachte achter ‘New Public management’ (NPM) was en is niet zoveel mis, maar het is wel erg knullig uitgevoerd. Ik heb er aan meegedaan, maar er ook voor gewaarschuwd, o.a. in een artikel van Raymond Saner en ondergetekende ‘Beyond Public Management. Answering the Claims of both Politics and Society.’ In Public Organization Review, 2008. In 2011 zijn we verder gegaan in de uitwerking, maar dat is in het Deens verschenen en aangezien ik dat zelf niet kan lezen, durf ik er ook niet voor in te staan.

** Deze definitie is van ondergetekende, eerder op LinkedIn en andere sites gepubliceerd onder de titel ‘De politiek van de kwaliteit’. De benadering maakt deel uit van mijn promotieonderzoek. Het schema en de vier gebruikte termen zijn mede geïnspireerd op een door Huub Vinkenburg gestarte discussie over ‘scholen van kwaliteit’. Vooral Teun Hardjono heeft deze handschoen opgepakt. Binnenkort verschijnt van hem een boek over dit thema (‘Denken over kwaliteit. Vier paradigma’s) en waar mogelijk probeer ik hem te volgen. Dat lukt alleen niet goed bij het ‘emergente’ paradigma, waar ik ‘urgent’ naast heb gezet.

May en de letterplakker

De afgelopen dagen moest ik zo denken aan de letterplakker. Zou die ontslagen zijn? Och, arme. Maar ja, lijm smelt als er veel warmte bij komt en al die spots daar bij Theresa May op het toneel in Manchester …

May in Manchester

Heeft u het gezien? Theresa May hield haar grote speech, voor duizenden mensen op het jaarlijkse partijcongres en live op TV. Ze wilde het hebben of haar droom voor het land waar ze premier van is, maar iedereen zag de speech na afloop als een nachtmerrie. Er kwam een ‘prankster’ (plager) het toneel op die haar een soort ontslagbrief aanbood, ze kwam minutenlang niet uit haar woorden door een dikke, dikke kikker in de keel en tegen het einde van haar speech vielen een aantal letters van de slogan ‘Building a country that works for everyone’ op de wand achter haar naar de vloer, te beginnen met de letter F. Wat ze uitsprak werd totaal weggeduwd door wat we konden zien. En daarom moet ik aan die letterplakker denken. En voel ik erg mee met May, maar ook met de mensen om haar heen. Want ik heb het ook al eens meegemaakt.

Ik neem de lezer mee terug naar 2010. Wouter Bos had de stekker uit het derde kabinet Balkenende getrokken. Jan Peter wilde eigenlijk stoppen, maar kon niet weigeren toen het bestuur hem toch vroeg om weer lijsttrekker te zijn. Zelf was ik formeel al gestopt als campagneleider voor Zuid-Holland, maar kon niet stoppen omdat mijn vervanger al een paar weken na zijn benoeming gestopt was. Het was bewonderingswaardig hoe Jan Peter zich door de campagne heen sloeg, maar alles wat mis kon gaan, ging ook mis. Tot en met de slotmanifestatie.

Balkenende in Naaldwijk

Weer was het ons als Zuid-Holland gelukt om de slotmanifestatie te krijgen. Het werd Naaldwijk in het Westland. Het middagprogramma deden we als provinciale afdeling nog, de avond was in handen van het partijbureau, met ondersteuning van onze eigen mensen. Ik ging er al vroeg naar toe. Vrij ontspannen heb ik nog met de landelijk voorzitter de campagne doorgesproken en vooruitgekeken naar de avond. Daarna heb ik me in het publiek begeven en plezier gemaakt met de andere leden; samen tegen de rest van de wereld.
Toen het plenaire programma begon, ging ik rechts voorin de zaal zitten. Linksvoor was de hoofdentree naar de zaal. Daar gingen de prominenten het toneel op en stond ook de pers en de zaalregisseur. Vlak voor het einde van het korte programma kwam Jan Peter op. Hij begon op zijn bekende manier te spreken. Met humor, wat woorden van herkenning voor de zaal en daarna het langslopen van de politieke actualiteit.

Terwijl hij sprak, dacht ik iets te zien wat niet klopte. Maar wat? Ik keek nog eens en toen zag ik het. Op het spreekgestoelte waar Jan Peter achter stond te spreken was een bord met het CDA-logo geplakt. Mochten er Tv-opnames worden gemaakt, dan zou direct de link van Jan Peter met zijn partij zichtbaar zijn. Een simpel element van beeldregie. Dat bord was linksboven aan het verzakken. Het hing twee centimeter scheef. Dit ging niet goed, besefte ik opeens. Ik keek om me heen en merkte dat ik niet de enige was die het zag. Een golf van onrust sloeg door de eerste rijen. Ik keek helemaal naar links, waar de zaalregisseur stond. Die was inmiddels ook gewaarschuwd, maar ze kon er kennelijk niet goed bij. Ze zwaaide onze richting op. Mijn richting? Nee, hier heb ik geen zin in! Ik heb geen dienst! Maar terwijl dat door mijn hoofd ging, stond ik al op. Ik wist dat het aan mij was, zeker omdat het bord steeds verder opzij begon te hellen en iedereen in de zaal, behalve Jan Peter, dat ook door had. Er ging nog één andere gedachte door mijn hoofd terwijl ik mijn rol ging vervullen: laat er geen TV zijn, laat er geen TV zijn (dit was net voor de tijd van mobiele telefoons met camera’s).
Snel ging ik het korte trapje op, deed een paar stappen richting het katheder en ging door mijn knieën om het bord op te vangen. Ik was zo strak op tijd dat ik het bord los voelde laten op het moment dat ik mijn handen er omheen sloot. Als in een film. Dat was het moment dat ook Jan Peter door had dat er iets mis was. Hij stopte met praten, zag mij gehurkt voor hem zitten met mijn handen om het bord en zei: “Dit, dames en heren, is nu Peter Noordhoek.” Ik weet tot op de dag van vandaag niet meer wat hij nog meer zei, maar er rolde genoeg gelach door de zaal. Ik sloot me af voor alles behalve dat stomme bord. Het was vastgezet met tweezijdig tape en dat tape was, waarschijnlijk door de warmte van de spotlights, gaan loslaten. Uit alle macht duwde ik het bord weer op de plaats terug. Het leek te houden, maar uit voorzorg bleef ik er even bij. En ja hoor, het begon al weer te schuiven. Ik keek op naar Jan Peter en hij begreep het meteen. Samen hebben we toen het bord, elk aan een kant, beetgepakt en rustig op het toneel gelegd. Jan Peter ging weer vol elan verder met zijn verhaal. Ik daalde het trapje af, terug naar mijn plaats, ontvangen met wat omhooggestoken duimen. Maar toch.

Foto’s: Dirk Hol

Een journalist kon de verleiding niet weerstaan op te schrijven dat het bord naar beneden viel. Precies datgene wat nu net niet gebeurd was. Kenmerkend. Maar eigenlijk hebben we mazzel gehad. Er waren alleen maar foto’s en geen Tv-opnames en de paar aanwezige journalisten en fotografen maakten er verder geen gebruik van. Het was einde campagne. Gelukkig, het was einde campagne.

Wankele evenwichten

In Manchester, tijdens de party conference speech van Theresa May, gebeurde iets wat ik herkende. De leden stonden op iedereen ging met applaus de leider steunen. Dat was deels uit gene en meelij, maar voor het grootste deel omdat je op zo’n moment oprecht niet wil dat jouw leider kapot gaat aan zoiets stoms. Meestal is die leider dan op zijn of haar manier ook op haar best, of in ieder geval het meest menselijk. Theresa May maakte in Manchester meerdere grapjes (toen ze een hoestbonbon van de minister van Financiën kreeg zei ze dat je normaal niets gratis van hem kreeg) en was zeker niet de robot die ze soms kan zijn. Dat gold ook voor Jan Peter in Naaldwijk en nog op een ander moment, toen er opeens de verkeerde videoband werd opgestart bij een congres. Ik herinner mij nog een andere campagnebijeenkomst. Dat was op de Keukenhof, in Lisse. Terwijl minister Donner aan het speechen was, kwamen er opeens touwen naar beneden, waarlangs mensen van Greenpeace naar beneden gleden en halverwege bleven hangen. Donner bleef er onverstoorbaar bij en na een paar momenten zei hij koeltjes: “Kijk, dit zijn nu hangjongeren”. Geweldig. Direct was de angel er uit (dat was niet lang na de moord op Fortuyn. De idioten. Ik zie nog de woede en het schaamrood op de wangen van de bewakers).

Dus op de keper beschouwd hoeft een vervelend moment nog geen teken van zwakte te zijn. Misschien wel het tegenovergestelde. Toch, zoiets komt nooit uit. Een teken van kracht kan het niet echt worden. Ik mocht aanwezig zijn toen David Cameron zijn eerste speech gaf op een partijcongres in Blackpool. Hij sprak een uur lang. Foutloos en zonder van papier op te lezen of een teleprompter te gebruiken. Dat was kracht. Dat was overtuigend. Theresa May wordt enkel nog overeind gehouden door de interne strijd binnen de conservatieve partij en de wens om nu vooral niet naar de kiezer te gaan. Dat is een wel erg wankel evenwicht. Maar wie weet.

Komende week zullen we de presentatie meemaken van het coalitieakkoord en ietsje later van de nieuwe kabinetsploeg. Ook dit gezelschap hangt alleen maar aan elkaar omdat geen van de partijen zelfstandig overeind blijft in het parlement. Het lijkt er bepaald niet op, maar ook dat hoeft nog niet te betekenen dat het kabinet geen jaren blijft zitten. Hoe heeft het vorige kabinet het anders zo lang uit kunnen houden? Ook dat waren tegengestelde partijen die alleen samen overeind konden blijven. En die hun regeringsperiode begonnen met de afbeelding van een brug waarop geen brugdek was gemaakt. De journalisten wisten er wel raad mee. En toch hebben ze het volgehouden. Maar we zullen het meemaken.

Voor Theresa May is de situatie nog altijd niet hopeloos. De betrokkenen weten dat er binnen de conservatieve partij sprake is van meer dan een scheiding der geesten. De kans op een scheuring van de partij is echt groot. Dan kan je het zelfs hebben dat een premier een ontslagbrief aanneemt, niet meer kan praten door de hoest en de letters van haar boodschap van de muur af smelten. Je weet dat je zelf de letterplakker bent als je haar nu niet overeind houdt.

 

Peter Noordhoek

 

Bovenstaand verslag van de bijeenkomst in Naaldwijk is geschreven in 2012.

Over referendum, democratie en wat nog werkt

Het referendum maakt deze week weer veel los. Soms lijken ze te werken, maar op andere momenten lijken ze een democratische manier om de democratie te ondergraven. In Nederland is het enthousiasme niet voor niets aan het verdwijnen. Toch moeten we blijven nadenken over het alternatief. Deze blog eindigt met een naif alternatief. Precies wat we nodig hebben.

Het is deze week goed gegaan met het referendum – het referendum van de Koerden bedoel ik. Afgelopen maandag geen grote meldingen van geweld, geen interventie door Irak of Turkije. Het was rustig op social media. Het is ze gegund. Ik denk geen moment dat het een lief volk is, maar ze durven te vechten waar anderen dat niet doen (lees: ze doen het vuile werk voor ons) en met dat referendum laten ze zien niet de weg van de dictatuur op te gaan.

In Spanje kunnen ze er van leren, want daar gaat het absoluut niet goed. Puur juridisch heeft de regering in Madrid gelijk om het referendum te verbieden, maar voor het overige is de reactie een voorbeeld van hoe je zoiets niet doem. Sinds Cameron geen regeringsleider harder een doodlopende straat op volle snelheid een doodlopende straat ingereden dan Rajoy. In mijn ogen regeringsleiders die niet de slechtsten zijn, maar op een gegeven moment de kracht missen om uit hun eigen redenering te stappen.

We hebben natuurlijk zelf ook onze neus gestoten met het referendum. Het referendum rond het associatieverdrag van de EU met Oekraïne is er een schoolvoorbeeld van. De ervaring is zo slecht bevallen, dat niet alleen veel partijen, inclusief initiatiefnemer D66, maar ook heel veel kiezers er weinig tot niets meer in zien. Dit is wat De Hond vandaag als peiling liet zien:

Die negatieve houding tegenover het (correctief) referendum is dus logisch. In eigen land zien we hoe – gesteund door data manipulatoren, Russische vals nieuws verspreiders en een ronduit naïeve politiek, iets tot stand komt dat tegen het Nederlands belang is. We hebben met Groot-Brittannië gezien hoe een land zich per referendum verscheurt, isoleert en verarmt. We hebben in Turkije gezien hoe een referendum wordt gebruikt om een dictatuur te vestigen. En zo zal het doorgaan. Tel je dat allemaal op, dan lijkt voor verkeerde mensen het referendum het slimste middel om ‘via democratie de democratie te schaden’.

En toch zijn we er daarmee niet, want impliciet stellen we de representatieve (partij)democratie daarmee gelijk aan democratie en dat is wel wat te simpel. Deze week sprak Tjeenk Willink deze woorden: “Kijk naar de effecten van je beleid .. Want als je de burgers verliest, dan houdt de democratie op te bestaan.” Een dame tweette dat ze het met tranen in de ogen gelezen had. En al denk ik dat geen regering nog opgewassen is tegen de complexiteit van de uitvoering, ik snap de wanhoop van die dame wel en vind het terecht dat Tjeenk Willink dit zo stelt. En als we geen referendum kunnen houden, hoe laten onze vertegenwoordigers in de moderne democratie dan wel weten dat ze snappen wat er leeft? (het epistel van ex-volksvertegenwoordiger IJbeltje maakte wat dat betreft ook niet vrolijk).

Er zijn een paar routes. De eerste twee lijken het meest aantrekkelijk, maar zullen in de praktijk niet opgaan. De derde bestaat al, is haalbaar, maar vraagt er wel om een knop om te zetten.

1              de juiste voorwaarde voor een referendum formuleren.

Het probleem met het huidige referendum is dat het op de verkeerde manier concurrentie creëert tussen de kiezer die de volksvertegenwoordiger kiest en de kiezer die in een referendum een keuze maakt. De referendumkiezer zet als het ware de regeringskiezer tussentijds opzij. Dat zou eigenlijk alleen mogen als de opkomst ten minste gelijk is. Dat is dan ook wat we als eis zouden mogen stellen aan elk referendum: de opkomst moet gelijk of hoger zijn als de opkomst bij de laatste landelijke verkiezingen wil deze geldig zijn, want alleen in die situatie kan terecht worden gesproken van voortschrijdend inzicht.

Dit is in feite de lijn die ik met mijn delegatie geaccordeerd hebben gekregen via een resolutie op het CDA congres. Gaat dit het ook in de praktijk worden. Nou nee, want te veel mensen zullen redeneren dat hiermee de lat te hoog wordt gelegd. Dat mag zo zijn, maar in democratisch opzicht klopt de redenering.

2              Over op het Zwitsers systeem

Een dezer dagen wordt het record gebroken van de langste formatie. Ik mailde dit aan een vriend in Zwitserland en hij mailde mij vrolijk terug dat in Zwitserland de regering er al zit sinds 1958! De regeringsposten rouleren en dat is het. En hoe passen de referenda erbij die jullie om de haverklap houden, zo vroeg ik. Ach, zo mailde hij, er zitten soms rare uitschieters tussen, maar ondertussen zit er een balans in die niet slecht uitpakt.

Nu geloof ik dat graag, maar ik zie ons alleen de Zwitserse kant opgaan als we de tijd zouden hebben om er mee om te leren gaan – en ik denk dat we een dergelijke stabiliteit van onze regering nooit zouden accepteren. Jaloers kunnen we er op zijn, maar overnemen zit er niet in.

3              Ons partijsysteem beter benutten

Als er ergens aan inspraak wordt gedaan, wordt geëxperimenteerd, zeker ook digitaal en alles mogelijk lijkt wat je maar kunt bedenken, dan is het binnen onze eigen Nederlandse partijen. Niet binnen alle fracties, laat ik dat in deze week van IJbeltje Berckmoes’ open boekje er direct bij zeggen, maar wel in veel partijen. Er wordt heel veel gedaan om de ledendemocratie mogelijk te maken. Resoluties en amenderingen zijn er altijd geweest, maar die ‘ouderwetse’ manieren van ledendemocratie worden aangevuld door lijsttrekkersverkiezingen met stemmen van binnen en buiten de partij, versies van de G1000 (een brainstorm met 1000 leden) en vele vormen van digitale inspraak, met maximale inzet van sociale media. Het is eigenlijk voorbeeldig. Tegelijk is het wel waar dat de ledenaantallen afnemen en dat steeds minder mensen hier aan mee doen. Dit is permanente democratie op een manier die het woord echt recht doet (en cynische journalisten, wanneer hebben jullie voor het laatst iets beters bedacht?).

Het zal wel naïef zijn, maar ik geloof bovenal in de derde optie. Wordt lid, wordt actief, waardeer de partijdemocratie. Kies niet voor de weg van de minste weerstand door direct de zoveelste nieuwe partij op te richten, maar bewijs de kracht van je ideeën binnen bestaande partijen. Uiteindelijk is dat de logische en meest vruchtbare route.

En hoe moet het nu met Spanje? De enige manier lijkt deze te zijn: om als de wiedeweerga een nieuw referendum uit te schrijven, maar dan voor geheel Spanje. Dat wordt dan de keuze tussen ‘Wilt u dat Spanje een eenheid blijft?’ en ‘Wilt u dat delen van Spanje zich kunnen afscheiden?’ Je kan zeggen dat het voor de mensen in Catalonië niet uitmaakt als de meerderheid zich voor de eerste optie uitspreekt, maar ik denk dat het heel wat lastiger is om tegen de uitspraak van de bevolking van een heel land in te gaan dan tegen een impopulaire regering. Bovendien is er dan ook duidelijkheid voor de andere regio’s. Gaat het mis met de stemming dan weten we ook voor heel Europa wat we snel moeten gaan doen: regionaliseren onder een Europese paraplu.

Zo, genoeg overhoop gehaald, ik wens iedereen weer een goede week,

Peter Noordhoek


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek