Maandelijks archief: augustus 2017

Lijstafwegingen. Hoe overleef ik de kandidaatstelling?

Elke kandidaatstelling is spannend. Hoe zal het dit keer gaan? In maart 2018 zijn de verkiezingen voor onze gemeenteraden. Al die raadszetels moeten gevuld worden, liefst door mensen die dat werk uit volle overtuiging gaan doen. Het beeld is nu, we schrijven eind augustus 2017, diffuus. Er zijn partijen die niet weten waar ze de kandidaten vandaan moeten halen en partijen die veel meer kandidaten dan plaatsen hebben. De nodige partijen hebben hun lijsttrekker al geselecteerd, maar lang niet overal en bijna nergens is duidelijk wie de rest van de lijst gaan vullen. Voor die laatste groep schrijf ik deze tekst. Voor degenen die nog twijfelen of ze wel willen en voor degenen die wel willen maar niet weten of ze kunnen. Voor de Nederlandse democratie hoop ik zeer dat heel mensen zich kandidaat willen stellen, ongeacht partij, maar voor henzelf hoop ik dat ze goed weten waar ze aan beginnen. Mogelijk dat ik ze hiermee wat kan helpen.

Foto: Evan Atwood

Een moment in het politieke seizoen

Politiek bedrijven is seizoensarbeid, zeker op gemeenteniveau. Zelf heb ik mij nooit op een verkiesbare plaats laten zetten, maar als trainer en campagneleider weet ik hoe het werkt in de 4-jaarscyclus van de raadsverkiezingen. De kans is groot dat ik in het late voorjaar van 2018 mag helpen bij de vorming van de nieuwe teams, dat het daarna rustig wordt totdat na een jaar of twee, drie ‘de blaadjes gaan vallen’ en een reeks raads- en collegeleden al dan niet met ruzie vertrekt omdat ze het niet trekken of het raadswerk tegenvalt, waarna rond of halverwege het laatste raadsjaar het bloed weer gaat stromen en ieder zich individueel of als fractie klaar gaat maken voor afscheid of nieuwe verkiezingen. Wij zitten nu ongeveer aan het einde van de laatste fase. De sleutelpersonen van klassieke partijen met een grotere fractie zijn ongeveer een jaar voor de verkiezingen bij elkaar gekomen om de zaken door te spreken. Tegen de zomer zijn de mensen die met programma en campagne aan de gang moeten gaan uitgezocht en aan het werk gezet. Met de samenstelling wordt doorgaans tot na de zomer gewacht, maar duidelijk is dat in de maanden en oktober en november de knopen zo door moeten zijn gehakt dat er een programma, campagneplan en .. een lijst ligt met misschien wel jouw naam er op. Over die lijst wil ik het vooral hebben, maar niet dan nadat ik ook even over de jaarwisseling heen heb gekeken: dan vindt de campagne plaats. Aan het einde ervan volgt een lange, lege dag en ergens in de late avond hebben de meeste kandidaten dan zekerheid over de vraag of ze wel of niet gekozen zijn (technisch gesproken kan het bij onduidelijkheid over de voorkeurstemmen nog langer duren).

Kijk nu naar de kandidaatstelling

In het kijken naar het proces van kandidaatsstelling kijken de meeste mensen vooral naar de verkiezingsavond en wat daar na al het wachten uit komt. Dat is begrijpelijk. Net zoals het ook begrijpelijk is dat dit een avond vol emotie is, waarbij er aan het einde van een avond bijna per definitie meer teleurgesteld dan blije mensen zijn. Die teleurstelling kan zo groot zijn dat die avond al afstand van de politiek wordt genomen. Wat zonde. Gelukkig wordt het beeld vooral bepaald door de winnaars van de avond. We hebben het over doorgaans stil verdriet.

Het is een verdriet dat ik serieus neem. Ik hoop altijd dat het meevalt, vooral als iemand keihard heeft gewerkt voor elke stem, ondanks dat mijn verstand zegt dat er uiteindelijk maar een beperkt aantal zetels te verdelen valt. Mijn punt is echter dat de kans op een teleurstelling op de uitslagenavond in de praktijk minder groot is dan bij de fase die er in oktober, november aan vooraf gaat, bij de interne kandidaatstelling voor een lijst en dat het beheersen van die kandidaatstelling cruciaal kan zijn voor hoe het met de partij afloopt. Het feit dat de herinneringen aan de kandidaatstelling uiteindelijk verdrongen zal worden door de uitslagenavond doet daar niets aan af.

Verschil verklaard

Dat verschil is logisch te verklaren. De gang van zaken op een verkiezingsavond is doorgaans strak en heel voorspelbaar. Technisch gaat deze zelden fout. De tellingen en de vaststelling van de uitslag wordt uitgevoerd door vertrouwde derden, je kan er niets meer aan doen. Boos zijn op de boodschapper heeft geen zin.

Bij de interne kandidaatstelling is de kans op fouten aanmerkelijk groter en daarna moet je weer met elkaar door. Het proces duurt doorgans langer en is minder transparant. Mensen die je vaak dagelijks tegenkomt gaan opeens geheimzinnig naar elkaar doen en over ‘petten’ spreken. Degenen die nieuw zijn of van buiten de dagelijkse politiek komen, zullen onzeker zijn over hun kansen om hoog op de lijst staan ten opzichte van degenen die al in de raad of daar omheen zitten, ze kunnen het niet goed overzien. Het kan nog erger zijn voor degene die al actief zijn in raad, college of daaromheen. Mogelijk moe of uitgekeken op elkaar, niet zelden uiteengevallen in kleinere groepjes van mensen die het goed met elkaar kunnen vinden, wordt je elkaars concurrenten voor een plek. Politiek moet je uitkijken; soms zitten naar het gevoel de leuke collega’s eerder bij de andere partijen dan in je eigen fractie. En kunnen we eigenlijk wel op de afdelingsvoorzitter vertrouwen bij de selectie? Zit ie niet in de zak van de wethouder? Etcetera.

Meer dan intern gedoe

Het zijn de drama’s die politiek voor de buitenstaander fascinerend of minachtend kunnen maken (dat laatste ten onrechte!) en voor degenen die er in zitten spannend en frustrerend. Tot op zekere hoogte hoort het er gewoon bij, maar niet alles laat zich met zo’n dooddoener wegschuiven. De directe gevolgen zijn namelijk minstens zo concreet als bij de verkiezingsavond. Laat ik het vanuit de rol als campagneleider duidelijk proberen te maken. Oktober en november zijn eigenlijk de maanden dat je permanente campagne op haar hoogtepunt moet zijn. Het gaat dan nog niet om de concrete stem, maar om je zichtbaarheid. Je wilt je resultaten laten zien en ook laten zien dat het verwijt dat je ‘alleen vlak voor de verkiezingen campagne voert’ niet terecht is. Ga je waarschijnlijk met een nieuwe lijsttrekker de campagne in, dan zijn dit de maanden waarin je prachtig aan de bekendheid kan bouwen. Maar nee, je kan het eigenlijk wel vergeten. Iedereen is met zichzelf bezig, behalve die paar die al zeker zijn van hun toekomst. Is de kandidatenlijst eenmaal vastgesteld zijn er doorgaans meer mensen teleurgesteld dan blij. Niet zelden gaat het dan juist om de (nieuwe) mensen die vol hoop en verwachting naar een mooie plek op de lijst keken en vol enthousiasme al aan het werk waren gegaan. Zij hebben dan een koude douche gekregen en hebben echt tijd nodig om weer bij de groep te komen. Ervaring leert, dat deze periode van teleurstelling makkelijk tot de kerst kan duren. In plaats van op volle sterkte richting de verkiezingen op te stomen, levert het interne gedoe je een team op dat is gereduceerd tot degenen die er wel op een redelijke manier doorheen kwamen.

Koude herfst voor warme winter

Waarom schrijf ik dit? Is het niet beter een lekker positieve oproep te doen voor het raadslidmaatschap? Nou, dat laatste moet ook gebeuren en steun ik van harte, maar om het het als kandidaat en als partij langer vol te houden helpt als er een realistisch beeld is van de kans op een koude herfst voor de warme winter. En ik geloof ook dat er van alles aan te doen valt voordat je je in het onvermijdelijke van een uitslag schikt. De sleutel zit deels in de wijze waarop een bestuur de kandidaatstelling doet, maar uiteindelijk nog het meeste in de verwachtingen van de kandidaat.

Richting bestuur

Richting het bestuur is het misschien te laat om nog signalen af te geven. Zij zijn al volop bezig, of ander hun commissie wel. Er zijn twee punten waar met name de afdelingsvoorzitter op moet letten. Het eerste zit in de vraag ‘ben ik zelf niet teveel onderdeel van de groep geworden? Ben ik nog zuiver?’. Het tweede is: forceer niet. Op een gegeven moment blijven de lastige gevallen over: de niet-perfecte kandidaat waar je geen alternatief voor ziet of de keuze tussen een deskundige kandidaat versus een echte volksvertegenwoordiger. Mijn beeld: er is altijd een keuze, een oplossing, maar zorg ervoor dat je die goed kunt uitleggen, ook naar jezelf toe.

Richting kandidaat

Voor de kandidaat is het verstandig zich voorafgaand goed te oriënteren op de verschillende stappen van de procedure, ook door degene die het al eerder heeft meegemaakt. Plan er omheen, neem je partner mee in die planning, maar maak je er ook niet helemaal van afhankelijk. Elke kandidaatstelling is een soort spel met jezelf. Eerst komt de vraag: wil ik wel of wil ik niet. Daarna komt het ‘willen ze me wel of willen ze me niet’. Die cyclus moet je minstens twee keer door. Eerst rond de kandidaatstelling, dan rond de verkiezingen. De neiging is echter groot dat je zo bezig bent met de vraag naar de verkiezingen zelf, dat je verkeerd omgaat met die van de kandidaatstelling.  De realiteit is dat dit onderdeel van de procedure minder voorspelbaar is dan de verkiezingen zelf. Stem daar de verwachtingen op af. Mijn formule komt neer op het in het hier en nu zitten van het proces, daar niet teveel van maken en wanneer het maar kan te genieten van wat je nu weer meemaakt, en inhoudelijk goed weten waar je met de gemeente naar toe zou willen. Vooral dat laatste is een kwestie van ‘meer dan nu’.

Geef acht

In acht punten op een rij gezet:

  1. Ken jezelf. De kandidaatstelling vindt in een veel kleinere kring plaats dan de eigenlijke verkiezingen. Er wordt doorheen geprikt als je je anders voordoet dan jezelf. Anderzijds: onderschat je eigenlijk mogelijkheden niet en neem niet aan dat anderen wel weten wat je bedoelt. Grijp elke gelegenheid aan om te communiceren.
  2. In het verlengde hiervan: maak het degenen die de beslissing over de lijst moeten nemen niet onnodig moeilijk. Ook voor hen is dit een lastige puzzel.
  3. Ga er maar vanuit dat veel van de afwegingen die in het definitieve lijstvoorstel gaan, minder met jou als persoon te maken dan met afwegingen die over een evenwichtige lijst gaan, wat dat ook is.
  4. Als je jezelf afvraagt of je wel geschikt bent voor het raadswerk, is het antwoord simpel: dat ben je ook niet. Het duurt echt een tijd voor je het raadswerk onder de knie hebt. Maar dat hoeft niet erg te zijn. Maar het is een prachtig avontuur waarvan de overgrote meerderheid na afloop zegt dat het hun leven heeft verrijkt.
  5. Te lang blijven zitten doet echt schade aan de partij. Jij kan het zeker nog een periode goed doen voor de partij, maar het kan meerdere raadsperioden duren voordat de noodzakelijke verjonging is geslaagd;
  6. Inhoud zal je redden. Dat wat jouw drijfveer is en waarom je het doet, moet zoveel mogelijk buiten jezelf liggen, want dat betekent ook dat je het mee kan nemen als je niet op de lijst komt of uit de raad gaat verdwijnen.
  7. Ga so wie so niet in de raad voor erkenning. Je weet best hoe er in de samenleving over politici wordt gedacht. Dat is helemaal fout, maar wel een gegeven. Ga voor jouw idealen en de inhoud er achter en verlies je niet in het spel, maar blijf er naar kijken als een van de meest bijzondere schouwtonelen uit je carriere;
  8. Je mag verwachten dat een partij serieus omgaat met jouw wensen en ambities. Andersom mag de partij van jou verwachten dat je blijft bijdragen ook als daar niet in kan worden voorzien zoals gehoopt. Concreet: ga na de slechte boodschap vol aan de bak om je partij een zo goed mogelijk resultaat te laten behalen. Je zal zien dat je er dan altijd wel een goed gevoel aan over houdt.

Zo kan ik nog wel even doorgaan, maar de grote lijn zal duidelijk zijn. Geniet nu, maar werk voor later, want er is meer dan nu.

Peter Noordhoek

Peter Noordhoek is overtuigd lid van het CDA, maar het gaat hem ook over wat een partij overstijgt en mensen in het politieke midden bindt. Daarom uit hij zich over ‘meer dan nu’. Teksten en video’s over ‘Meer d≥n Nu’ treft de lezer vanaf nu aan op de facebookpagina met dezelfde naam.

Standbeelden en verontschuldigingen

Voor wie worden er morgen standbeelden opgericht? Voor welke daden die we nu begaan zal een volgende generatie verontschuldigingen aanbieden? Dat Johan Cruijff en andere sporthelden worden vereeuwigd, ja dat is ‘logisch, toch?’, maar of Trump er ooit een zal krijgen? De politieman die 4 van de 5 terroristen in Barcelona neerschoot? Een held. Ik denk toch dat hij liever anoniem blijft. En zullen we ooit verontschuldigingen aanbieden voor het feit dat we niet of pas veel te laat naar Syrië zijn gegaan? Ik heb er een hard hoofd in. Toch moeten we op de meest onverwachte moment over dat soort vragen nadenken.

Bron: NRC Fokke & Sukke

De beeldenstormen van nu

Weet u nog? Toen in Afghanistan eeuwenoude wanden met beelden werden opgeblazen door de Taliban? Weet u nog dat Palmyra, een schitterende oude stad in Syrië, door IS letterlijk met bulldozers werd platgewalst? In zeker zin was dit net zo erg als de onthoofdingen zoals die massaal plaatsvonden: mensen, een volk werd hun geschiedenis afgenomen uit naam van een puriteins geloof. Deze week werden in de dagen na Charlottesville, soms diep in de nacht, vele standbeelden van Zuidelijke helden uit de Amerikaanse burgeroorlog weggehaald in opdracht van de burgemeester, uit angst voor ongeregeldheden. Even provocerend: hoe anders is dit dan wat de Taliban en IS deden? Je kunt zeggen dat de burgemeester democratisch gelegitimeerd is en de zorg om de openbare orde hebben, maar het lijkt er dan toch op dat je voor de juiste redenen de verkeerde dingen doet.

Telkens zijn er door de eeuwen heen mensen bij elkaar gekomen die iets of iemand belangrijk vonden, geld bij elkaar brachten, een kunstenaar iets lieten maken en dan een onthulling organiseerden. Bij die onthulling werden dan woorden gesproken. Ik ken maar één voorbeeld van een speech die we niet vergeten zijn bij de onthulling: die van Lincoln bij de onthulling van een beeld voor de gevallenen van Gettysburg (‘van het volk, voor het volk, door het volk’). Toch zullen bij al die vergeten speeches pogingen zijn gedaan het beeld te schetsen in haar historische, symbolische of kunstzinnige betekenis. Echter, al op het moment dat de aanwezigen weglopen van het nieuwe beeld gaan geschiedenis en geheugen met al die woorden aan de haal. Wat blijft is een beeld waarop we projecteren wat we willen – en dat is goed. Ook al ‘viert’ een beeld iets gruwelijks uit het verleden, zonder dat beeld zouden we het gesprek over het gruwelijke niet hebben. Zelfs Trump in al zijn domme onbehouwenheid had dat door: ‘Where does it end?’. Boeken kunnen verdwijnen, woorden zijn er al te veel. We hebben de beelden nodig als diepe, tastbare ankers voor ons verleden. En stel dat we nu achteraf zeggen dat degene voor wie een standbeeld werd opgericht toch echt helemaal fout was, dan nog hebben we het recht niet om – of überhaupt de mogelijkheid – met een beeldenstorm van argumenten van vandaag de woorden van toen weg te wissen. Is het eigenlijk niet heel goed dat we zoveel ‘foute’ beelden hebben waar we ons druk over kunnen maken?

Er zijn veel meer woorden dan standbeelden en daarom moeten we zuiniger zijn op standbeelden, juist omdat we ze met woorden zowel kunnen belichten vanuit de tijd van toen, vanuit de tijd dat ze gemaakt werden en de tijd van nu. 

Voorwaarden voor verontschuldigingen

Maar ook met woorden moet je soms zorgvuldig omspringen. Afgelopen week bracht Nederlandse Indië terug in de herinnering. Mijn vader zat in een Jappenkamp en werd daarna door een Javaanse vorst onder hoede genomen als een soort protegé. Na repatriëring naar Nederland deed mijn vader de middelbare school. Bij de viering van het examen kwam er een telegram ‘uit Indië’. In plaats van de verwachte felicitaties kwam het bericht dat de radja was onthoofd. Waarmee ik maar wil zeggen dat er ook een burgeroorlog en een machtsstrijd gaande was. Een strijd die in zekere zin nu nog gaande is en een veelvoud aan slachtoffers heeft geëist van de politionele acties. Waarmee niet gezegd is dat de politionele acties goed waren, wel dat eventuele verontschuldigingen terechtkomen in iets wat nog geen voltooid verleden tijd is en landen in een culturele context die weleens heel anders kan vallen dan wij denken.

Ik ben niet tegen excuses maken; een catharsis is in principe goed en maakt ruimte ‘om weer door te gaan’. Het vraagt wel om enige timing en om een goed gevoel voor wat een verontschuldiging echt teweeg zal brengen. Wat de timing betreft: als protestant vind ik het echt verschrikkelijk wat de beeldenstorm in katholieke kerken heeft aangericht, maar denk ik niet dat excuses nu nog relevant zijn. We doen het echter al snel vanuit de normen en beelden van nu en dat maakt het voor mij in het geval van Nederlands-Indië/Indonesië complexer dan bijvoorbeeld slavernij. Indonesië is nog niet in het reine met zichzelf. Veel van de moordenaars van toen leven nog en zijn niet berecht. Ga ik die mee verontschuldigen? Dat levert een verkeerd soort catharsis op. En er is nog iets.

Mijn vader was een grootmoedig man. Toen keizer Hirohito naar Nederland kwam en het land te klein was van verontwaardiging, vergaf mijn vader hem. Hij zei iets als “Hij was ook maar slachtoffer van zijn tijd”. Ik vraag mij af of hij nu voor excuses zou zijn. Waarschijnlijk zou hij ze niet echt vinden. Onze generatie heeft niets gedaan en zijn generatie was aan het overleven. Een paar patiënten van hem (hij was huisarts) hadden van hun diensttijd in Indië trauma’s overgehouden en hen zou hij zeker niet nog meer schuld hebben willen bezorgen. Nee, ik denk dat hij het Onze Vader aan zou halen: “Vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren”.

Wie zich verontschuldigt hoopt altijd op vergeving, maar mag dat per definitie niet verwachten, laat staan afdwingen. Wel mag je verwachten dat er nog een ander is om de verontschuldigingen te horen, want dat houdt de belofte in van een gesprek. Zou dat met Indonesië echt gevoerd kunnen worden? Dan komen we wellicht aan verontschuldiging toe.

Peter Noordhoek

Certificeringsnaïviteit

Mogen beleidsmakers en toezichthouders er op vertrouwen dat ondernemers en consumenten certificaten en keurmerken op waarde schatten? Het fibronilschandaal als voorbeeld.

Bloedluis is vreselijk, voor zowel kip als boer. De gevolgen kunnen dramatisch zijn en echt goede middelen er tegen leken er tot voor kort er niet te zijn. Als er dan opeens een beter middel beschikbaar blijkt te zijn, is de opluchting – en de vraag – groot. Helaas.

Inmiddels is de ramp groot, zijn de eerste bedrijven failliet en zijn leveranciers gearresteerd. Veel kritiek gaat richting de NVWA. Anders dan anderen, ga ik in deze blog niet de pijlen op deze inspectie richten. De situatie is nog niet duidelijk en ik kijk naar de inspectie als een organisatie die al zwaar in de kramp zit. Kritiek zal een op korte termijn alleen een grotere kramp opleveren en niet een hogere voedselveiligheid. Het is ook wat te makkelijk – en er komt een nieuw kabinet aan. Graag wil ik wat dieper steken door een onderliggende vraag te stellen naar wat we eigenlijk van elkaar mogen verwachten als het om kwaliteit en toezicht gaat. Wat had in redelijkheid verwacht mogen worden van de boeren die het aanbod kregen van een middel dat veel beter zou helpen tegen de gevreesde luis? Hadden ze op het al dan niet aanwezig zijn van een certificaat moeten letten? Hadden ze zo genoeg zekerheid over de deugdelijkheid van het middel? Als een journalist van het NRC aan het oud-Kamerlid en oud-pluimveehouder Gert-Jan Oplaat een stelling op dit punt voorlegt geeft hij dit antwoord:

Q: “Iets wat te mooi klinkt om waar te zijn, is dat vaak ook.”

A: “Zeker, maar voor zover de boeren wisten, was het betrokken reinigingsbedrijf gecertificeerd. Moet de boer vervolgens dat certificaat weer gaan controleren?”

Deze zin wordt direct gevolgd door een verzuchting: een boer is een ondernemer, geen ambtenaar die hele dag bezig is met regels. Het is een sentiment dat deze auteur herkent, zowel van zijn opdrachtgevers als bij hemzelf. Maar dan toch. Wie de publicaties van de laatste dagen volgt, ziet ruwweg drie soort reacties van de pluimveehouders op het nieuwe middel (dus in de tijd dat de affaire nog niet was losgebarsten):

  • degenen die het inderdaad te mooi vonden om waar te zijn. In het AD van 12 augustus wordt daarvan slechts één voorbeeld gegeven. Deze boer vraagt niet om het certificaat te zien, maar stelt een kritische vraag aan de leverancier, waar geen inhoudelijk antwoord op volgt: “dat is het geheim van de smid”. Dat doet alarmbellen bij hem afgaan. Hij concludeert: “Ze wilden niet vertellen wat er in hun bestrijdingsmiddelen zat, daarom wilde ik het niet in mijn stal hebben.” Deze boer is zo scherp dat hij zichzelf toch ook verwijten maakt. Hij vindt zich zelfs nalatig omdat hij zijn twijfel breder had moeten delen.
  • een groep die ook niet vraagt om een certificaat of om papieren te zien, maar op indirecte wijze lijkt te toetsen. In het NRC van 12 augustus wordt bijvoorbeeld een boer geciteerd: “Ze hadden mooie apparatuur, ze deden hun werk goed.” De leveranciers maakten de indruk dat ze wisten wat ze deden. Ook lijkt een rol te spelen dat deze leveranciers jongens uit hetzelfde dorp waren, die ook dezelfde school hadden gevolgd. Iemand zegt daarbij: “”Je hebt maar een handjevol bestrijders in dit wereldje en zij stonden als goed bekend.” Een enkel die vroeg wat het spul was, kreeg te horen dat het om een ‘natuurmiddel’ gingen. Na afloop van de behandeling hing er in de stallen inderdaad de ‘natuurlijke’ geur van menthol en eucalyptus. Allemaal ‘zachte’ signalen die bevestigend werkten.
  • en dan is er nog een gezichtloze groep – mogelijk deels dezelfde groep – die uit wanhoop over de bloedluis kennelijk bereid was om alles te proberen. Als ergens in 2005 wordt beweerd dat Cola helpt, vliegen de flessen weg bij de Aldi. Daar kan je om lachen, maar het geeft aan hoe urgent boeren op zoek waren naar een beter werkend middel.

In alle voorzichtigheid, omdat het beeld nog niet compleet is, kan dus geconstateerd worden dat bij geen van de drie groepen een certificaat concreet een rol heeft gespeeld. Hoe ziet een certificaat er uit? In dit geval gaat het waarschijnlijk vooral om een etiket op de vaten in de sproeiwagen. Het NRC laat er een foto van zien. Op het etiket van het middel Dega 16 wordt gewaarschuwd voor schade bij inademing of oogirritatie. De werkzame bestanddelen worden niet beschreven. In technische zin is het de vraag of dit etiket als een vorm van kwaliteitsgarantie met de status van certificaat kan gelden, maar het punt is dat het bij niemand opkwam om naar een echt certificaat te vragen. Mooie spullen, goed gedrag, vertrouwdheid en pure opluchting over een nieuw middel waren veel krachtiger factoren.

Hoe dom is dat? Erg dom, want nu gaat er een andere juridische werkelijkheid toeslaan en daarin zijn certificaten of het ontbreken ervan wel degelijk van doorslag. Zeker als het om het ‘primair proces’ van de boer gaat, mag er eigenlijk geen sprake van certificeringsnaïviteit zijn. Tegelijk; hoeveel mag je van mensen verwachten? Er is een overvloed aan de certificaten en keurmerken. Je hebt als ondernemer inderdaad de tijd niet om die allemaal langs te lopen. Naar mijzelf kijkend, is de enige keer dat ik dit jaar echt op een certificaat heb gecontroleerd de situatie geweest waarin de schilder met een brander het dak van mijn schuur opging om de bitumen te vervangen. Dan wil je geen risico nemen en is het ook een kwestie van verzekerd zijn of niet. Maar op andere momenten? Ik heb wel iets anders te doen dan alles te checken. En die efficiencysprong van dat spul dan? Die Fipronil, of hoe heet het ook wel weer? Te mooi om waar te zijn? Hoe had ik moeten weten dat dat niet kan? Mijn computer wordt toch ook elk jaar sneller? We kunnen toch zoveel tegenwoordig?

Kortom, de kwestie ligt in ‘het echte leven’ genuanceerder dan je zou denken. Daarom is de ergernis over de toezichthouder wel voorstelbaar. Erg terecht om die tot zondebok te maken is het daarmee nog niet, zeker zolang de NVWA conform haar taak gewoon de wet heeft toegepast.

Ondertussen neem ik aan dat ook de NVWA niet blij zal zijn met de zoveelste vertrouwensbreuk tussen toezichthouder en onder toezicht gestelden. De meldingsbereidheid zal er waarschijnlijk niet door toenemen. Hoe daar mee om te gaan? Wat moet de NVWA doen? Je kan tenslotte niet op één persoon met voldoende gezond verstand je hele toezichtbeleid baseren en de rest afrekenen. Dat is geen risicobeleid, dat is niet proportioneel. Bij mij is deze vraag opgekomen: hoe kan het toch dar er zovelen zo onnadenkend achter elkaar aan zijn gaan lopen en hoe kan dat worden voorkomen?

Het begint op school

Het begint denk ik met een simpel gebrek aan logische vragen stellen en een gebrek aan ‘meetcultuur’. Waar komt die effectiviteitssprong vandaan? Klopt dat wel? Wie heeft wat gemeten? Het lijkt mij dat vragen als deze, inclusief wat elementaire statistiek, zaken zouden moeten zijn die er al op de school ingestampt moeten zijn. Is het lesprogramma wel goed? Staat omgaan met certificering wel op het lesprogramma?

Naar wie ga je toe met vragen?

De boer die de juiste vragen stelde maakt zich het verwijt dat hij te weinig heeft gewaarschuwd, maar zou het niet andersom moeten zijn? Waarom ga je niet te buur bij iemand die zou kunnen zeggen of zo’n middel deugt of niet? Hoe zijn de collegiale verhoudingen eigenlijk? Maar ook: welke rol kan bijvoorbeeld LTO hierbij spelen? Er kwam een tweet voorbij van iemand die de schuld bij het verdwijnen van het productschap legde. Zo simpel zal het niet zijn, maar het kan wel helpen als er een ‘eigen’ club helpt bij beslissingen over zaken die je zelf niet overziet.

Waarom niet wel vertrouwen op certificaten?

Anders dan wel gedacht wordt, komen certificaten en keurmerken niet uit de lucht vallen om ondernemers te plagen. Doorgaans zijn de onderliggende normen in nauw gesprek met de sector ontstaan en vastgesteld. Het zou helpen als dat nog meer zou gebeuren en transparanter dan nu. Als je als ondernemer een keer de formulering van een norm in het kader van een certificaat hebt meegemaakt, ben je misschien helemaal niet tevreden over het resultaat, maar je naïviteit ben je wel kwijt. Ook voor certificaten geldt dat de potentiële gebruiker en niet de bedenker ervan de ‘eigenaar’ moet worden.

Waarom niet meer transparantie vooraf over de normen?

Ook laboratoria en deskundigen moeten tijdig hun hun normen inzichtelijk maken. Als ik nu hoor hoe indringend de problematiek van de bloedluis is, dan kan ik het verbod op Fibronil onvoldoende rijmen met de kennelijk vrij ruime tolerantiegrenzen van de mens. Evenmin is voldoende duidelijk waarom hond en kat beschermd kunnen worden en kippen niet. Er zal vast een verhaal achter zitten, maar dat zou niet via krantenkolommen verteld moeten worden.

Enzovoort. Certificeringsnaïviteit is een logische houding in een situatie waarin de juiste vragen niet worden gesteld, maar net zoals in de rest van het leven is naïviteit geen excuus als het er op aan komt. De pluimveesector zal haar kritisch vermogen moeten opschroeven om onnodige fouten (‘unforced errors’) te voorkomen. Ondertussen doen beleidsmakers en toezichthouders er verstandig aan een realistisch beeld te hebben van de mate waarin certificaten daadwerkelijk onderzocht en gehanteerd worden. Nu is er sprake van forse overschatting en dat ondergraaft weer het draagvlak. Dit alles helpt de getroffen boeren nu niet. Dit is voor de toekomst – en voor al die andere sectoren waarin certificeringsnaïviteit heerst.

Peter Noordhoek


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek