Maandelijks archief: januari 2017

Hoe zou hij opgroeien? De ijzeren consequentie van een inaugurele rede

Hoe zou hij opgroeien? Achter pantserglas, achter beveiligers, achter protestborden? Achter zo’n vader? Je voelt de boeken en films al geschreven worden, vooral als hij later ooit de drang zou voelen zich kandidaat te stellen voor het presidentschap na zijn vaders teloorgang.

Oh, geen twijfel; de Trumps zijn nu net zo’n dynastie geworden als de Kennedy’s en de Clintons. ‘Bigger than life’, heet dat dan en in dit geval lijkt dat te kloppen. Een extreem onwaarschijnlijk verhaal dat toch realiteit wordt. Wie wil er niet in vluchten, in zo’n verhaal? En wat een klassieke paradox: het volk komt in opstand tegen de elite van een republiek en kroont prompt haar eigen koning. Het doet denken aan de vroegere relatie tussen de burgers en de Oranjes in de Republiek der Verenigde Nederlanden: trouwe bondgenoten tegen een elite van Raadspensionarissen en Statenlieden. De gebroeders De Witt konden er, gelyncht, gefileerd en hangend aan hun enkels, over meepraten. De toenmalige Oranjes bleken taaier dan gedacht.

Met ook hier een kroonprins als extra garantie voor de continuïteit. Vergeet de vrouwen, hoe mooi ook, we zijn hier in macholand. Opvolging alleen langs de mannelijke lijn. Wen er maar aan, Barron Trump. Of verwacht je al niet anders meer?

IJzig consequent

Het was een druilerig, rillerig schouwspel In Washington DC. Alsof alles voor en na de speech afgedekt bleef onder de koude plastic regenponcho’s. Alsof er alleen ruimte was voor gedempte beleefdheden en het incidentele enthousiasme van een juichkreet op de Mall. Alleen in de speech zat leven, grimmig leven. Iedereen die de speech kenmerkt als ‘weer een campagnespeech’ moet zijn hoofd uit het eigen struisvogelgat halen. Met zo’n woord maak je klein wat niet klein is. Ja, hij wil verkopen, maar daarom is het nog geen verkooppraatje. Trump spreekt uit wat zijn publiek wil kopen. Het laatste wat hij zal doen is zeggen dat ze dat niet mogen kopen. Nee, hij neemt op zijn manier zijn klanten doodserieus en in volle ernst vertelt hij ze wat ze willen kopen. ‘Dat kan’, zegt hij, ‘hier is het’. Opnieuw laat hij zien hoe ijzig consequent hij is in ‘the making of the deal’. De werkelijkheid zal zich daar naar voegen, niet andersom. Zijn leven lang is hij gewend slechte publiciteit voor hem te doen werken, wetend dat de media ook van hem afhankelijk zijn voor nieuws. Dat blijft hij nu doen, alleen op een veel grotere schaal.

Haalbaar

Een indrukwekkende schaal. Vergelijk je deze inaugurele rede met die van zijn voorgangers, inclusief de redes van Kennedy en Reagan, die hij tevoren schijnt te hebben bestudeerd, dan is deze rede veruit het meest concreet en actiegericht en ook nog eens, als je er in gelooft, het meest haalbaar. Aantoonbaar haalbaar, want hij heeft met zijn opmerkelijke campagne al veel bereikt:

  • ‘De vergeten mannen en vrouwen in ons land zullen niet langer vergeten worden.’ Check: gebeurt.
  • ‘Denk altijd eerst aan Amerika’, zo zegt hij. Check: haalbaar
  • ‘Zeg handelsverdragen op’. Check: haalbaar
  • ‘We zullen onze grenzen terugbrengen’. Check: haalbaar: zijn er al
  • ‘We zullen nieuwe wegen, bruggen e.d. bouwen. Check: haalbaar
  • ‘We hanteren twee simpele regels: ‘buy American, hire American’. Check: haalbaar.

Je kan er lacherig over doen (de petjes ‘Make America Great Again’ worden in Taiwan gemaakt), maar het is vele male concreter dan het ‘Yes I can’ gevoel dat Obama communiceerde. Trump laat er ook geen misverstand over bestaan dat hij direct begint:

“We will no longer accept politicians who are all talk and no action, constantly complaining but never doing anything about it. The time for empty talk is over. Now arrives the hour of action.” Je denkt dit al eerder gehoord te hebben en het als lege woorden te beschouwen. Ik ben geneigd het serieus te nemen en dan is het indrukwekkend.

Revolutie

Wie niet met liberale of Europese ogen luistert, weet dat Trump woorden aan een Amerika geeft dat echt bestaat en waar men vol instemming geluisterd zal hebben: hij zegt opnieuw wat ze denken. Dat iedereen dat even heel erg beseft voordat we de komende maanden en wellicht jaren met Trump ingaan. Het heeft de potentie van een scheiding der geesten die minstens zo groot is als in de jaren zestig en zeventig, met dien verstande dat we het nu niet hebben over een ‘silent majority’ maar over een ‘loud minority’. Een luide minderheid die om revolutie vraagt. Geen morele revolutie, maar een banenrevolutie, want zo simpel – en knap – is het door Trump platgeslagen.

Tegelijk is er die ongelofelijke andere kant: we hebben het hier in essentie over een eenmansactie. Gisteren trad geen politicus aan die echt een politiek blok vertegenwoordigt. Uit mijn bezoek aan de republikeinen in Washington DC in juli dit jaar herinner ik mij hoe sterk de paar Trump vertegenwoordigers die wij konden spreken verschilden van de ‘gewone’ republikeinen die we zagen. Denk aan het verschil tussen een CDA en VVD politici enerzijds en PVV politici anderzijds, maar dan nog een stuk sterker. Vooralsnog denk ik dat de afstand tussen Trump en zijn achterban te groot is om effectief te kunnen regeren. Net als bij Reagan zouden president en achterban alsnog tot een steviger band kunnen komen, maar Trump is geen Reagan. En tegen die tijd is de grotere schade al gedaan. Om het soort rillingen van te krijgen dat een ijsdag in Nederland nooit veroorzaakt. En over de oorzaak van die rilling wil ik het tot slot hebben, hoe abstract ook verwoord.

Gemeinschaft und Gesellschaft

Hierboven had ik het over de Oranjes en de moord op de gebroeders De Witt. Recent onderzoek geeft het vermoeden dat de rol van de stadhouder nog duisterder was dan al vermoed. Heel effectief gebruikte ze ‘het gespuis’ als middel om de rug te breken van lastige instellingen als de Staten van Holland. Het was revolutie tegen de eigen staat.
Hoe anders is dat nu. Onze Koning en Koningin zijn de echte dragers van de Staat der Nederlanden. Formeel, maar minstens zozeer informeel. Dat laatste blijkt elke Koningsdag weer. Of nog beter; bij het uitspreken van de kerstboodschap. Ook al heeft de koning geen macht meer, of juist daarom, rekenen we eigenlijk elk jaar weer op die mooie boodschap van verbinding. Het persoonlijke en het institutionele valt samen.

Of op z’n Duits gezegd: Gemeinschaft en Gesellschaft vallen samen. Via een denker als David Brooks ben ik weer eens op deze twee begrippen gewezen. Gemeinschaft richt zich op het creëren van een gemeenschap die vooral bestaat uit persoonlijke relaties die op organische wijze tot stand komen op basis van een emotionele verwantschap. Relaties komen intuïtief tot stand op basis van loyaliteit aan een groep, religie of natie. We hebben geleerd dat dit heel goed kan werken, maar op een zeker moment moeten er dingen worden georganiseer en gelegitimeerd. Dit is de wereld van de Gesellschaft, waarin alles al snel onpersoonlijker wordt en regels bewust op een abstract en onpersoonlijke manier worden geformuleerd.

De Gemeinschaft man

Trump is bij uitstek de gemeinschaft man. Gevoel en intuïtie spelen een grote rol. Hij runde zijn campagne, en nu wellicht het Witte Huis, als een familiebedrijf, als een echte clan, met bovenal loyale mensen om hem heen. Het onderscheid tussen privé en publiek lijkt voor hem niet te bestaan.

Op zich zeg ik: van mij mag ie. Misschien zijn we ook wel veel te ver doorgeslagen in het formaliseren van onze samenleving en doorgeslagen als gesellschaft. Als ik op bezoek ben bij een accountantskantoor en daar horen dat alle maaltijden boven de 25 euro eigen verboden zijn en elk informeel overleg met een klant gemeden moet worden, dan kan me dat werkelijk woedend maken. Alsof we door het onmogelijk maken van menselijk contact een betere wereld creëren: sterilisatie als doorgeslagen antwoord op het gevaar van decadentie. Maar wat Trump nu doet is weer het andere uiterste: hij wil de gesellschaft vernietigen om zijn gemeinschaft te kunnen vestigen. Zo voel ik dat. Zoals onze vorsten dat door de eeuwen heen zijn gaan begrijpen: het ene kan niet zonder het andere, net zo min als je op de ene dag de inauguratie van de gemeenschaft kunt hebben en op de andere de demonstratie van de gesellschaft. Wie dan naar het publiek gaat kijken, doet dat al snel als een bleek jongetje achter een pantserruit.

Peter Noordhoek

22-01-2017

Amenderingsmomenten. Verslag van de bespreking van een verkiezingsprogramma

Het zit er op. Het laatste CDA-partijcongres voor de verkiezingen is geweest. De lijsttrekker is op campagne gestuurd, samen met al zijn kandidaten en wij hebben elkaar nog even een hart onder de riem gestoken voordat we de sprint inzetten richting 15 maart. Net als vele anderen, vertrokken we met een auto vol campagnemateriaal voor mijn afdeling.

Ondertussen kan ik eigenlijk zeggen dat mijn klus er op zit. Als delegatieleider van Zuid-Holland is met de afronding van het verkiezingsprogramma mijn rol uitgespeeld. Nu ben ik al zo’n vijf jaar geen campagneleider meer, maar dat voelt nog altijd vreemd, zo vlak voor een verkiezing. Gelukkig kan ik met ons hele Zuid-Hollandse team op een geslaagde bijdrage aan dat programma. Hier haal ik voor degenen er een paar elementen uit voor iedereen die dit interessant vindt en ook als een stukje uitleg voor al degenen die in de hectiek van zo’n partijcongres niet alles hebben meegekregen. Aan het slot wil ik graag nog wat schrijven richting de mensen die het met mij hebben meegemaakt. LinkedIn is zo vriendelijk om mij te vertellen dat ik vandaag al 35 jaar lid ben van het CDA en het vertellen van dit verhaal herinnert mij er aan dat ik er nog steeds middenin zit.

Doel: een beter verkiezingsprogramma

Dan begin ik natuurlijk met de inhoud. Zoals ik ons (en mijzelf) af en toe heb voorgehouden, is het geen wedstrijd. Het doel van het amenderen is een beter verkiezingsprogramma en niet het binnenhalen van de meeste amendementen, hoe leuk ook. Het amenderen is wel een test van het programma. De leden mogen, moeten zich uitspreken, in de geest van het bekende spreekwoord ‘wat gij liefhebt, zeult gij kastijden’. Nou, dat is op veel punten gebeurd, waarvan een beperkt aantal tot de buitenwereld zijn doorgedrongen. Zoals het Financieel Dagblad het opsomde: een verhoging van het defensiebudget, het overeind houden van de OV-Jaarkaart en het verhogen van de kiesdrempel tot 3 zetels. In alle drie de punten is Zuid-Holland leidend geweest en het is natuurlijk leuk om het daarover te hebben. Toch begin ik met een punt dat de publiciteit uiteindelijk (en gelukkig) niet heeft gehaald, maar wel het meest spannend was: een amendement gericht op het afzwakken – anders: ‘realistischer maken – van het coffeeshopbeleid.

Sluiten koffieshops

In het conceptverkiezingsprogramma (VKP) staat dat ‘het uiteindelijk doel het sluiten van alle koffieshops is’. Een drietal amendementen was het eens met de stevige strekking van de concepttekst van het hele artikel, maar met name deze zin was ze een stap te ver. Sommigen vreesden voor averechtse effecten, anderen vonden het gewoon niet realistisch. In de ochtend ontstond in de deelsessie waar dit amendement aan de orde kwam een boeiend, bij tijden gepassioneerd, maar ook eenzijdig debat. Aan de ene kant verdrongen de leden in de zaal, inclusief de indieners van de amendementen, zich voor de microfoon en aan de andere kant bevond zich heel lang alleen de voorzitter van de VPK-commissie, zich aan de andere kant, die dapper het officiële standpunt neerzette. Alleen op het laatste moment werd hij kundig geholpen door Harry van der Molen, een goed kandidaat-Kamerlid, onthoud die naam, die er ook zijn ervaringen als wethouder van Leeuwarden tegenover elkaar kon zetten. Toen het op stemmen aankwam, gebeurde het onverwachte: een meerderheid stemde tegen. Volgens de spelregels was de uitslag dusdanig dat het punt plenair in de middag terug zou komen, voor alle 2000 deelnemers aan het congres. Een golf van opwinding ging door de wandelgangen van het congres. Het zou toch niet?

Plenaire omkering

Nee, zo zou het niet gaan. In het plenaire deel werden de amendementen alsnog ruim verworpen, met een bijna omgekeerde verhouding. Je kon de teleurstelling van de aanwezige journalisten bijna proeven. Hoe kon dat zo keren? Deels kwam dat men wakker was geworden en alle kanonnen in stelling bracht om de noodzaak van een stevig signaal over de koffieshops te onderstrepen. Het was wat laat, maar het was mooi theater. Toch denk ik dat wat echt doorslaggevend was, de andere en bredere samenstelling van de plenaire zaal was. Je hoorde het direct aan wie applaus kreeg en wie niet. Sybrand had meer dan genoeg bondgenoten in de zaal om zijn standpunt te laten overwinnen.

Als Zuid-Holland hebben we dit debat met volle aandacht gevolgd, maar we hebben ons bewust niet laten horen. Ook wij waren in de voorbereiding van mening dat het sluiten van koffieshops niet het meest realistische deel van de tekst was en voelde mee met de bestuurders die in andere richting dachten, maar er is ook een politieke realiteit en die vraagt om een helder geluid, het soort heldere geluid dat de tekst, met onze lijsttrekker voorop, geeft.

Bij andere teksten was het juist andersom en hebben we ons Zuid-Holland sterk gemaakt om meer helderheid te krijgen. Op geen enkel punt is dat beter gelukt, en met meer consequenties, dan op het punt van de defensiebegroting. Maar eerst hadden we nog een andere strijd te leveren.

De master meester

Snel gingen we door naar twee amendementen die vanuit ons perspectief belangrijk waren en waar we de eerste zelf van hadden ingediend: het gefinancierd houden van de masterfase en het beschikbaar houden van de OV-kaart. In Anne Hansen hadden we een jonge en gepassioneerde woordvoerder. Ik wist dat ze indruk zou maken als eerste woordvoeder namens de indienende provincie, Zuid-Holland. Maar opnieuw mocht verwacht worden dat in reactie op het financiële aambeeld gehamerd zou worden door het bestuur. Daar konden we mooi Anton Versluis overheen laten gaan. Op basis van eigen berekening noemde hij als eerste een concreet bedrag – ‘minder dan 400.000’ en bracht dat terug tot 3 F16s of de kosten van twee geraamde sluizen in de Maas. Dat kwam echt door. Vervolgens kreeg het CDJA echter slappe knieën. In plaats van dat ze de inschatting maakten dat ze beiden in konden halen, kwamen ze met een soort compromisverhaal waarbij ze de masterfase inruilden voor de OV-kaart. Wie heeft die jongens slappe thee laten drinken? Het was een horzel zonder prik. Daarna ging de strijd voor mijn gevoel gelijk op. De woordvoering vanuit het bestuur was niet zo sterk, maar ik kreeg het idee dat we er wat alleen voor stonden. Anne eindigde in ieder geval met een prachtig pleidooi op het principe zoals dat volgens ons op het spel stond.

Toen was het tijd om te stemmen: de masterfase verloor het nipt, met 55 tegen 52%. De OV-kaart werd wel binnengehaald, met 56 tegen. Per saldo was in ieder geval Anne tevreden. Ze had meer binnengehaald dan ze ooit voor mogelijk had gehad. Prima. Door naar defensie.

Defensie: een enkel woord

Het ging in de kern slechts om een enkel woord: gaan we “richting” het Europees gemiddelde aan defensie uitgaven of gaan we gewoon naar dat Europese gemiddelde toe? Een coalitie van een Zuid-Hollandse werkgroep defensie, commissie Buitenland en vertegenwoordigers van afdelingen hebben – net zoals gebeurde bij andere thema’s in oktober al een amendement ingediend waarin het woord “richting” werd geschrapt voor een duidelijkere tekst. Op onze ALV in november is dat overgenomen. In december gaf de programmacommissie een zgn. ‘preadvies’ af, dat we het bij “richting” moesten houden, want meer was financieel niet moeilijk. Een preadvies als dit, er waren er meer van die strekking, is lastig omdat het al snel heel schimmig wordt. Een conceptverkiezingsprogramma kent nog geen financiële paragraaf. Die komt er pas later bij, op tijd voor de doorberekeningen van het CPB, maar niet eerder. Dus wat is nu precies het bezwaar? We hebben als delegatie vooraf goed doorgesproken wat onze reactie zou moeten zijn en een uitstekende woordvoerder benoemd, maar dan zie je dat planning niet alles is; pal voor het congres moest de woordvoerder verstek laten gaan. In de deelsessies is dat door de andere delegatieleden fantastisch opgepakt en werd een dusdanige meerderheid behaald dat het amendement als aangenomen mocht worden beschouwd. Over de app zag ik vele vrolijke emoticons langskomen. In de lunchpauze kwam de verrassing: het bestuur zou het amendement plenair opnieuw inbrengen. Mag dat? Ja, dat mogen ze.

Een breed front

Mede gewaarschuwd door de gang van zaken bij de amendementen over de coffeeshops, was het nu zaak voor ons om een breed front van woordvoerders en medestanders bij microfoon 2, pal voor ons, op te stellen. Dat ging goed. We anticipeerden sterk op de bezwaren die vanuit de tegenstanders zouden kunnen komen (gebrek aan absorptievermogen van Defensie, voorkeur voor geleidelijkheid, etc.) en legden zelf het accent op de aard van de dreiging en de onmogelijkheid om geleidelijk op het gewenste niveau te komen (‘we zitten nu per hoofd van de bevolking op het niveau van Albanië’). Het werkte, maar het partijbestuur kwam steeds terug met varianten op hetzelfde financiële argument. Ik voelde het wat van ons weggaan en dat was reden om mijn enige interventie van die middag te doen: om stemming te vragen. In combinatie met een gepassioneerd pleidooi van Co van der Aa, admiraal b.d. en oud-voorzitter van Den Haag, was dat genoeg. Met 51,6% binnen!

Stil binnengehaald

Dat hadden we toch maar mooi binnengehaald. En bijna sluipend hadden we die middag nog meer binnengehaald. Ik stond al helemaal klaar om bij het eerste amendement dat plenair terug zou komen het woord zou voeren, toen Rutger Ploum, de altijd rustige en scherpe voorzitter, zei dat ons amendement alsnog was overgenomen door het bestuur. Mooi. En ook op het allerlaatst kwam er een amendement langs waarin wij pal tegenover een andere provinciale afdeling stond en waarvan wij hadden gezegd dat we deze wel wilden intrekken in ruil voor een intentie om het serieus te gaan oplossen. De andere afdeling wilde haar amendement doorzetten, maar werd uiteindelijk ruim verslagen. Je moet wel weten wanneer je op moet houden.

Het echte werk was toen al ruim achter de rug. Het is leuk om te vertellen over de grote slagen in het middaggedeelte, maar veruit het meest is in de ochtend binnengehaald. Het verhogen van de kiesdrempel van 2 naar 3 zetels komt ook uit de koker van Zuid-Holland. We kwamen daarmee mooi in het midden uit. Daarnaast ben ik trots op andere amendementen. Door het wederzijds steunen van andere provincies hebben we ook nog extra amendementen binnen weten te halen.

Niet binnengehaald

Natuurlijk hebben we ook veel dingen niet binnengehaald, maar ook dat kan een mooi randje hebben. In de voorbereiding van onze Zuid-Hollandse inbreng van het verkiezingsprogramma heb ik mijzelf bewust beperkt tot het doorgeleiden van amendementen van de verschillende afdelingen en ben ik niet zelf gaan schrijven. Op één uitzondering na. In het amendement heb ik gepleit voor het gaan houden van voorverkiezingen voor onze Europese kandidaat als president van de Europese Commissie, zeg maar de opvolger van Juncker. Al onze kandidaten kiezen we binnen het CDA op basis van het beginsel van ‘one man one vote’. Allemaal, behalve deze hoogste Europese functie. Daar wilde ik graag een uitspraak over doen. Het werd alleen in een andere deelsessie besproken dan waar ik als vertegenwoordiger van Zuid-Holland moest zijn. Gelukkig leek het rustig en kon ik naar ik dacht wel naar even naar de andere zaal glippen om het amendement te verdedigen. Juist op het moment dat ik via de app het signaal kreeg dat ik snel moest komen, barste in mijn zaal de bom rondom het koffieshopbeleid en moest ik beslissen in mijn zaal te blijven. Balen. Gelukkig heeft Marja kwast de honneurs voor mij opgenomen en ik moet zeggen dat het amendement van 33% van de stemmen verder is gekomen dan ik dacht. Hier gaan jullie meer van horen.

Dank na het bereiken van het doel

Het is ‘all-in the game’. Het doel was een beter verkiezingsprogramma. Ik denk dat dit gehaald is. Ik denk dat er tegelijk nog iets anders is gebeurd: het is nu ons verkiezingsprogramma, van alle leden. Afgelopen week sprak ik met een medewerker van een Britse minister en vertelde hem waar ik mee bezig was. Hij begreep er eerst niets van – zoiets schrijft toch gewoon iemand op? – maar toen vond hij het wel mooi. Dus zelfs in de oudste democratie van de wereld kunnen ze er nog wat van leren. De grootste complimenten gaan naar de schrijvers van het verkiezingsprogramma toe. Naast voorzitter Wopke Hoekstra zijn er nog vele die hun bijdrage hebben geleverd. Zelf heb ik een prettig aanspreekpunt in het partijbureau gehad in de persoon van Karin Hoentjens. Er zijn vele collega’s binnen Zuid-Holland die met wie het heel goed samenwerken was, waaronder ik ook nadrukkelijk Peter Pennekamp noem, de voorzitter van Zuid-Holland. We hebben heel veel samen gedaan en hij heeft waar mogelijk ruimte gegeven. Er is een harde kern van mensen geweest die hebben ingesproken, anderen hebben ondersteund. Elders heb ik ze al uitgebreid bedankt, maar ik ga ze niet meer allemaal noemen. Het was GROOTS.

Slotwoord

Zo – nu bent u van mij en deze tekst verlost. Ik wilde de lezer toch even meenemen in wat mooi maar best pittig proces is. Er wordt in de buitenwereld soms gedaan of het schrijven van zo’n ‘onleesbaar’ programma het werk is van een ‘elite’ die ‘los staat van de werkelijkheid’ en alles een beetje achter de schermen bekokstoofd. Het enige dat ik daar aan kan doen, is het op mijn manier opschrijven van wat er feitelijk gebeurd. Bedenk: dit is allemaal vrijwilligerswerk. Er worden fouten gemaakt en soms gaat het allemaal veel te snel, maar het is zo de moeite waard voor een levende en levendige democratie op Nederlandse schaal.

 

Peter Noordhoek   

Over peer review & peer review: artikelen en audits

Ook als je, zoals deze auteur, een voorstander bent van intercollegiale toetsing, oftewel ‘peer review’, dan nog is het zaak alert te blijven op nadelen ervan. Recent is er het nodige te doen over de toetsing van wetenschappelijke artikelen via peer review. Een echt alternatief lijkt er niet te zijn, maar de kritiek is serieus. Moet die kritische lijn ook worden doorgetrokken naar audits gebaseerd op peer review?

Peer review: artikelen

Recent schreef het NRC haar hele wetenschapsbijlage vol met de problemen die er zijn met de beoordeling van wetenschappelijk werk op basis van peer review. De concrete aanleiding waren problemen met een artikel in het gezaghebbende blad Nature over demografische ontwikkelingen. Wie de ontwikkelingen een beetje volgt, is niet verbaasd. De publicatiedruk is hoog en elk artikel moet door meerdere ‘peers’ beoordeeld worden. Maar wie heeft daar de tijd voor (weinigen, reden waarom junior onderzoekers als reviewer optreden), hoe verhoudt het review werk zich tot het normale werk (slecht) en is de vijver van deskundigen niet te klein met alle microspecialisaties die zich in het wetenschappelijk domein ontwikkeld hebben (ja)? Ook blijkt dat reviewers te weinig tijd aan het nalopen van het statistisch bronmateriaal. Er zijn dus nogal wat structurele redenen waarom peer review in de problemen komt. Ook in de ethische sfeer zijn er verleidingen. Als de conclusies van een onderzoek goed passen in de eigen visie, is de verleiding voor een reviewer groot om het artikel goed te keuren. Om diezelfde reden is voor een uitgever de verleiding groot om met een artikel te komen dat een persbericht waard is, ook al kan het weten dat de onderbouwing zwak is. Het feit dat het businessmodel van uitgevers voor een belangrijk deel draait op dit – gratis – systeem van peer review lijkt mij daarbij een probleem op zich.

Dus: structurele problemen, ethische problemen. Nog meer? Zeker. Als niet-wetenschapper kan ik dat wellicht wat makkelijker benoemen dan degenen die er hun brood in verdienen, maar ik denk dat de culturele verschillen niet onderschat moeten worden. Het is al lang bekend dat landen die Engels als voertaal hebben een echt voordeel hebben, maar het gaat dieper. Dit voorjaar liep ik daartegen op toen ik gevraagd werd onder meer twee teksten te reviewen die waren geschreven door auteurs met een duidelijk Aziatische achtergrond. In de teksten werd in mijn ogen te omzichtig of te vleiend omgesprongen met personen of instanties van wie de activiteiten werden beschreven. Ik heb mij niet ingehouden met mijn kritiek, maar op dat moment voelde ik mij wel de botte Hollander die door culturele conventies heen banjerde om een punt te maken. Op zo’n moment is het een nadeel dat de review anoniem gebeurd. Had ik tegenover de auteurs gezeten, was mijn optreden meer coachend geweest. Waarmee nog een punt wordt gemaakt: peer review is bijna per definitie indirecte feedback en dat altijd op inhoudsniveau en niet op relatieniveau.

De vraag is niet zozeer of peer review problematisch is – dat is het – of dat het neveneffecten heeft die slecht uitpakken voor zuivere wetenschap – dat is het ook. De relevante vraag is deze: wat is het alternatief? Eigenlijk is de menukaart voor wetenschappelijke erkenning nogal karig. Het voetnotentellen is nog het meest bekende en tegelijk meest afschrikwekkende voorbeeld ervan. Een checkcriterium als afsluitklep bovenop een intercollegiale toetsing. Als buitenstaander vind ik dat de omgekeerde wereld; een verticale pervertering van een in de kern horizontaal systeem. Vanuit een deel van de wetenschappelijke gemeenschap wordt gepleit voor een openbare toetsing van artikelen – dus met naam en toenaam. Het zal niet verbazend dat dit nog niet geaccepteerd wordt.

Het zit dus wat vast met het systeem van publicatie op basis van peer review en een echt alternatief is er niet. Maar er is een andere kant en dat punt wordt gelukkig juist gemaakt door de jongere garde. Een aantal leden van de ‘Young Academy Groningen’ reageren Gronings nuchter op de ophef. Ze zien ook dat het probleem dat de kwaliteit van peer review onder druk staat, maar stellen dat het “over het algemeen goed functioneert – en deel uitmaakt van de wetenschappelijke methode waarin vondsten en stellingen steeds weer worden weerlegd door nieuwe inzichten.” Het systeem corrigeert dus zichzelf. Niet het systeem is fout, maar de mensen binnen dat systeem maken fouten.

Op basis van incidenten zeggen dat het systeem niet deugt is niet juist, maar het lijkt ook te makkelijk om het falen van een systeem te reduceren tot een reeks menselijke fouten. Scherp gesteld: het systeem peer review van artikelen heeft haar bestaan te danken aan het feit dat niemand voldoende deskundigheid gezag wordt toegedicht om te zeggen wat vanuit wetenschappelijk opzicht deugt of niet. Prima, maar dat is geen systeem dat je half kunt spelen. Dat gebeurt nu wel door alleen al met te kleine pools van auditoren te werken. Het gebeurt zeker door het systeem te koppelen aan een primitief systeem citatentelling. Zeker met dat laatste wordt kwantiteit boven kwaliteit geplaatst. Voor peer review is dat hetzelfde als het paard achter de wagen spannen.

Peer review: audits

Peer review in de vorm van intercollegiale toetsing via audits lijkt op het eerste gezicht vergelijkbaar, maar is dat toch niet. Waar we het over hebben zijn toetsingen van organisatie(eenheden) als object van toetsing, dus niet de producten ervan, in de vorm van artikelen of anderszins. Automatisch betekent het dat sociale verbanden, mensen dus, mede het onderwerp van dergelijke toetsingen. We hebben het ook over integrale toetsingen op beroeps- of brancheniveau, dus niet op het niveau van de financiën of andere deelaspecten van de bedrijfsvoering. Daarbij zijn het dus vakgenoten die op bezoek gaan bij vakgenoten. In toenemende mate worden deze audit eerder vormgegeven met een coachende dan met een controlerende doelstelling. In de praktijk zitten beide aspecten er in. De auditoren worden gerekruteerd uit een pool van auditoren en ook hier is het niet de bedoeling dat de collega’s elkaar te goed kennen of een gedeeld of juist tegengesteld belang hebben in commerciële zin. Objectiviteit wordt zeker nagestreefd en aan de vergelijkbaarheid wordt gewerkt, ondanks dat er vaak met meetbaarheidsproblemen wordt geworsteld.

Tot zover wat overeenkomsten. De verschillen zijn groter. Weet men in de wetenschappelijke wereld geen alternatief voor peer review te bedenken, in de wereld van beroeps- en brancheverenigingen is het andersom. Daar wordt het werk gedaan door externe toezichthouders. Deskundigen van publieke of private huizen handhaven daar de norm en regelingen. Beoordeling door vakgenoten wordt zowel extern als intern wantrouwend bekeken: het is al snel ‘de slager die het eigen vlees keurt’ of ‘de concurrent die op bezoek komt.’ Toch lijkt er een toekomst voor peer review te zijn. Het lijkt een aanvaardbaar alternatief te bieden voor de bureaucratie van certificerende audits en sommige branches hopen zelfs dat het een alternatief kan zijn voor toetsing door inspecties en andere publieke toezichthouders. Tegelijk valt te zien dat er nog geen standaard aanpak voor peer review via audits is zoals bij de peer review van artikelen, net zoals er geen uitgever is die vanuit een verdienmodel belang heeft bij de toepassing en verspreiding ervan. Het is dus nog veel kwetsbaarder dan de wetenschappelijke variant. Erger nog; te zien valt dat vormen van intercollegiale toetsing die in opzet echt van vakgenoot tot vakgenoot speelden, waarbij de ruimte kregen om tot een breed oordeel te komen, langzaam maar zeker onder controle worden gebracht via regelingen en checklists. Nergens is dat duidelijker dan bij de visitaties van het hoger en wetenschappelijk onderwijs.

Het is in diezelfde visitaties dat het lijkt alsof men tot inkeer komt. De bureaucratie mag weer verdwijnen. Leden van een visitatiecommissie krijgen weer wat meer ruimte voor een eigen oordeel. Het kan ook bijna niet anders. Keer op keer blijkt dat controlerende audits de ware toestand bij een bedrijf of organisatie niet op tafel krijgen. Mits goed uitgevoerd, heeft geen audit een hogere meerwaarde dan een van gelijkwaardige vakgenoten waarbij de waarheid achter de waarheid op tafel mag komen omdat auditor en audittee elkaar serieus weten te nemen op inhoud en professionaliteit. In een complexer wordende samenleving, is dat het enige wat de werkelijkheid nog een beetje bij kan houden.

Beide inschattend

Peer review via artikelen en via audits delen met elkaar de aanname dat er geen gezag of deskundigheid valt te vinden dat groter is dan dat van de directe collega’s, van degene met wie kennis en professionaliteit op ten minste gelijk niveau kan worden gedeeld. Binnen de wetenschappelijke wereld hebben in beginsel alle partijen er baat bij – conceptueel en praktisch – om die peer review zo efficiënt en eerlijk mogelijk te laten verlopen. In zekere zin gaat peer review nu aan haar eigen succes ten onder, omdat het ook wordt toegepast in situaties dat de randvoorwaarden eigenlijk niet aanwezig te zijn om alles objectief en eerlijk te laten verlopen. Door factoren als de versplintering van kennisdomeinen en commercialisering zal de kwaliteit van peer review ongetwijfeld verder onder druk komen te staan. Het veld doet er dus goed aan echte alternatieven of ‘2e keus’ modellen te gaan invoeren.

In de wereld van beroepen en branches kunnen nog vele kansen voor echte peer review gepakt worden. De huidige vormen van toezicht en private certificering zijn geen antwoord op de fragmentatie en horizontalisering die nu aan de orde van de dag is. Peer review op basis van audits kan dan de Heineken onder de toezichtvormen zijn, die ‘de plekken raakt die anderen niet kunnen raken’. Ook voor deze vormen van audits gelden randvoorwaarden die in de gaten gehouden moeten worden. Zo lijkt het er steeds meer op dat er een soort ‘span of audits’ is die zegt dat de doelgroep minimaal een 500 eenheden moet omvatten en niet meer dan enkele duizenden. Daaronder valt het niet neutraal te houden, daarboven bezwijkt het onder haar eigen gewicht en middelmaat. Maar goed, dat zijn dingen die nog verder ontdekt moeten worden. Ondertussen is het wel nuttig als beide vormen van audits elkaars goede en zwakke kanten beoordelen.

 

Peter Noordhoek


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek