Maandelijks archief: november 2016

Buma schrijft een boek

Foto: Gerhard Taatgen

Foto: Gerhard Taatgen

Wie heeft het antwoord op de ‘clash of civilizations’?

‘En, heb je het al gelezen?’ In de afgelopen dagen ben ik door ongekend enthousiaste mensen om Sybrand Buma heen gevraagd of ik zijn boek al gelezen heb. Onder die druk ben ik bezweken en heb het ergens in het vliegtuig tussen Vilnius en Warschau uitgelezen. Conclusie: het is op z’n minst de moeite waard om er een blog over te schrijven, hij heeft (zelf!) echt iets te melden. Wel heb ik er behoefte aan het in een breder verband te plaatsen. Want niet alleen Buma heeft een boek geschreven en daarnaast zijn er deze dagen ontwikkelingen geweest die ook om een reactie vragen. Buma schrijft dit boek in de context van de verkiezingen in maart a.s. Ik lees het dus ook als een soort sollicitatiebrief, waarbij ik weet dat meerder lijsttrekkers zo’n brief hebben geschreven en dat de twee die dat niet hebben gedaan wel van zich hebben laten horen. Hoe lees ik dan? (en pas op, ik neem de ruimte voor mijn antwoord)

Dreiging in het Oosten

Voor mij start mijn antwoord op die vraag als volgt. Dit weekend heb ik een bijeenkomst begeleid tussen meerdere democratische oppositiepartijen in Belarus (Wit-Rusland). De laatste verkiezingen hebben deze partijen ‘verloren’ van de dictator in Minsk. In het verleden steunde Nederland de democratische beweging daar, maar dat is alweer enige tijd geleden. Puur op basis van mijn ervaring ben ik in de rol van begeleider terecht gekomen, maar dan ontkom je er toch niet aan om op z’n minst te verklaren waarom de steun is gestopt. Ik heb ze niet gespaard. Kijk naar het Oekraïnereferendum en je weet dat er in Nederland geen draagvlak is voor bemoeienis. Tegelijk neem ik wel van de bijeenkomst mee dat daar, aan de rand van Europa, strijd is en strijd dreigt. Zo wordt er een soort wetmatigheid aangegeven, dat steeds zo’n 2-3 jaar nadat een Amerikaanse president aantreedt en zich met Rusland gaat bemoeien, Putin de territoriale grenzen van Rusland – die in zijn ideologie onbegrensd zijn – oprekt. De vraag is niet of dit gebeurt, de vraag is wanneer en in welk gebied dat gaat gebeuren.

Dreiging in eigen land

Hoe dan ook, het gevoel van dreiging is serieus. Dit betekent dat ik ook in Nederland zoek naar een leider die een crisis als deze aankan. Die strijdt in wat in mijn ogen ook een strijd om democratie en beschaving is. Jaarlijks doe ik wel een paar activiteiten als deze en de tijd is toch echt voorbij dat ik dan terugvlieg en denk ‘lekker in ons veilig Nederland, hier zijn we nog niet gek geworden.’ De zorgen zijn van een andere orde, maar ze zijn er wel degelijk. Deze week was er de leider van een eenmansfractie die voor de rechter stond en de wereld omdraaide: hij riep al bij voorbaat de rechterlijke macht ter verantwoording. Hij benoemde zichzelf ook tot enige echte vertegenwoordiger van het volk. Let wel, en niet per ongeluk: ‘het’ volk. Een uitspraak die in de kern minstens zozeer tegen de Grondwet ingaat als zijn uitspraak over Marokkanen. Ik wil maar zeggen: ook in Nederland valt een strijd te strijden om de democratie en de beschaving. Wie kan die strijd aan? Rutte?

Wie is Rutte morgen?

Samen met Wilders is Rutte zo’n beetje de enige lijsttrekker die niet met een boek komt. Nu hoeft dat niet erg te zijn, maar zelfs een scherpe schrijfster als Sheila Sitalsing slipt zijlings weg in haar pogingen hem te vatten. Het lukt gewoon niet. Mij lukt het ook niet. Eerst over ‘visie’ praten als een olifant die in de weg staat. Dan doen alsof hij als eerste het thema waarden en normen ontdekt, terwijl dat toch echt alles met het hebben van een visie te maken heeft. Vervolgens in een programma van de VPRO de pleuris uit laten breken en net zo makkelijk diezelfde maand nog excuses voor gebroken beloftes te maken. Nauwelijks bekomen weet hij een werkelijk mooie ‘preek van de leek’ te houden – een diepgaand parlementair debat hierover heb ik eigenlijk gemist – om nog geen maand later het e partijcongres te gebruiken voor een reeks persoonlijke aanvallen.

Ik ben oprecht geïnteresseerd in de persoon van mijn premier en zijn manier van denken. Ik geef niet op. Maar de wetenschap dat er morgen weer een andere Rutte klaar zal staan, maakt mismoedig. U zwalkt, mijnheer Rutte, zwalkt en zwabbert. Ik respecteer u als bestuurder, maar de strijd waarover ik hierboven spreek, die vertrouw ik u nog steeds niet toe.

De analyse van Femke Halsema

En dan nu Sybrand Buma? Die dat dan natuurlijk wel allemaal heeft? Dat zou te simpel zijn en noch hem, noch zijn schrijvende collega’s recht doen. Buma’s boek heeft meer te bieden dan de nadere kennismaking met een persoon. Het is in de eerste plaats een analyse van deze tijd. Misschien zouden we Rutte’s analyse kunnen volgen als wij zijn pianospel zouden kunnen beluisteren (en dat bedoel ik vrij letterlijk), maar dat is (nog) niet beschikbaar. De boeken van zijn collega’s wel. Helaas, ik zal niet op tijd voor deze blog aan het lezen ervan toekomen, al hoop ik later wel. Het toeval wil dat ik deze week getuige was van de ROB-lezing over ‘identiteitspolitiek’ van Femke Halsema. Zij is toch de Grande Dame van links-liberaal en rechtstatelijk Nederland en heeft bovendien in ‘Pluche’ een van de betere politieke autobiografieën van dit jaar afgeleverd. Zij maakt een analyse van deze tijd die ik later bijna letterlijk zou terugvinden aan het einde van het boek van Sybrand, al gaat hij er wezenlijk anders mee om.

De ‘rekolonisatie’ van de samenleving

Halsema gaat voor haar analyse (ik baseer mij op mijn aantekeningen, de geschreven tekst moet nog verschijnen) terug naar de jaren zestig en zeventig. Een periode die eindigt in het sleuteljaar 1983, het jaar waarin een grote herziening van de Grondwet verschijnt. Ze beschrijft hoe aan de ene kant in de naoorlogse jaren een generatie ongekende welvaart wist te verwerven en hoe tegelijk een andere generatie zich ontdeed van allerlei beknellingen. Een citaat van Hofland gebruikend: samen brachten de generaties de ‘dekolonisatie van de samenleving’ tot stand. Een ontwikkeling die zich zou vertalen in het verkrijgen van toegang tot allerlei ‘rechten’. Een ontdekking van verworven rechten die zouden worden vastgelegd in een totaal omgegooide Grondwet. Niet langer zou die beginnen met een omschrijving van het Koninkrijk der Nederlanden, maar met een nieuw artikel 1: ‘We zijn allemaal gelijk voor de wet’ – het anti-discriminatiebeginsel. Daarmee wordt gelijkheid in haar ogen het grootste cultuurgoed en een belofte dat iedereen, ongeacht uit welke groep die afkomstig is, van een dubbeltje een kwartje kan worden.

Een belofte die onmiddellijk lijkt te worden gebroken. De crisis van de tachtiger jaren, met haar jeugdwerkeloosheid, doet ouders twijfelen of hun kinderen het wel beter zullen hebben dan zijzelf. De crisis van 2008 doet nog iets ergers; achteruitgang, meer dan vooruitgang, wordt het perspectief. Het gaat niet langer over de vervolmaking, via emancipatie, van de groep, maar om de strijd tussen de groepen. In haar ogen leidt het tot een soort ‘rekolonisatie’. Daarbij valt op dat nu pas in Nederland het woord ‘identiteitspolitiek’ opkomt. Het is geen goed teken. Identiteitspolitiek gedijt voor haar bij schaarste en wordt als snel iets dat je tussen jezelf en anderen plaatst. Het geloof in vooruitgang is weg. In plaats daarvan wordt slachtofferschap beleden en uitsluiting geëist. Je hoort de teleurstelling van Halsema in haar stem als ze beschrijft hoe het streven naar pluralisme is ontaard in populistische identiteitspolitiek of een Clintoniaans onmacht als ze tijdens de campagne spreekt over ‘deplorables’. De strijd voor meer rechten heeft vooral geleid tot versplintering, met een steeds heftiger wordende strijd van groep tegen groep, waarbij iedereen, tot en met de boze blanke mannen, zich tot gediscrimineerde minderheid heeft verklaard.

Het lege liberale antwoord

Hoe kom je dan van de analyse naar de remedie? In haar antwoord citeert de links-liberale Halsema de rechts-liberale Henk Jan Schoo. Deze heeft gezegd dat “identiteit geen merk is, maar een werkhypothese’. We hebben immers een meervoudige identiteit. Waarom zou je jezelf willen reduceren tot de kernmerken van één doelgroep? In mijn eigen woorden: waarom zouden er anders zoveel vrouwen op Trump hebben gestemd?

In deze benadering is identiteit dus de uitkomst van een voortdurend gesprek. Tsja. Dat klopt, maar als remedie heeft het ook de lamheid die aan de oude invulling van het begrip multiculturalisme kleeft: blijf in gesprek, dan komt alles goed. Helaas, sommige dingen komen niet goed, sommige gesprekken komen nooit op gang. Elke botsing tussen bevolkingsgroepen kent een kant met een cultuurdimensie die, hoe ook gedefinieerd, zich bijna niet oplossen laat. Als de ene definitie van een groep de ander uitsluit, komt het ‘bespreekbaar maken van verschillen’ als snel neer op het vergroten van die verschillen. Er is meer voor nodig, inclusief een stukje stevige ordehandhaving, zeker in een stadium dat botsingen al daadwerkelijk aan de orde zijn. Op de schaal van Oost-Europa of het Midden-Oosten mogen we rustig zeggen dat de strijd tussen groepen een heuse strijd om de beschaving is geworden en ook in Nederland hebben we al te veel groepen die niet meer met elkaar spreken, waar de strijd om de beschaving broeit. Maar hoe voer je die strijd? Langzaam, stevig en van onderop, zo lijkt het antwoord van Sybrand Buma te zijn.

De basis van Buma

Of je het er mee eens bent of niet, het is de verdienste van het boek van Buma dat hij verder komt dan de analyse van Halsema en een antwoord geeft dat ook na schudden overeind blijft. Dat doet hij vooral op twee manieren: allereerst door minder het accent op rechten dan op plichten te leggen en in de tweede plaats door te laten zien hoe ‘groeps’identiteit verbonden dient te worden met waarden en normen en bijbehorende symbolen. Hij stapt dus niet in de valkuil van groepsidentiteit als een doel op zich, hoezeer hij ook conservatiever is in zijn waardering voor land en gemeenschap. Eerst de basis op orde, dan de groep er op bouwen, zo hoort het te gaan.

Hoe hij dat voor zich ziet laat hij zien aan de hand van zijn persoonlijke geschiedenis, geplaatst in de context van een analyse die veel verder terug gaat dan de jaren ‘60 en ’70 en een breed palet van thema’s en denkbeelden raakt. Het is niet fair richting Halsema, want een boek kan verder gaan dan een rede, maar ik denk dat het goed is dat tegenover deze en een grote hoeveelheid andere links- en rechts-liberale analyses er nu een christendemocratische analyse is verschenen die diep in het hout snijdt.

Van rechten naar plichten

Waar Halsema begint met de Grondwet van 1983, eindigt Buma er mee. Hij ziet de grondwet meer als de afsluiting van een periode: “Alsof de samenleving die de grondwet moest scheppen al over haar hoogtepunt heen was, nog voor hij goed en wel op papier was gezet.” Vervolgens ziet hij dat bij toenemende spanningen, zoals met de opkomst van Fortuyn, de grondwet, “Eerder een handvat voor onrust dan voor rust is geworden. Groepen gingen concurrerende vrijheidsrechten inroepen om hun positie ten opzichte van de ander te versterken”. Buma ziet de identiteitspolitiek dus al veel eerder ontsporen dan Halsema. Daarbij gaat het niet in het minst om het inroepen van artikel 7, de vrijheid van meningsuiting, tegen artikel 1, het verbod op discriminatie. Zie Wilders nu.

Wat Buma daartegenover stelt is de gedachte dat tegenover rechten plichten staan, net zozeer als tegenover vrijheid de verantwoordelijkheid staat. Interessant is dan dat hij een poging van de Zwitserse theoloog Hans Küng aanhaalt, waarin deze tracht een ‘universele verklaring voor de verantwoordelijkheden en plichten van de mens’ te verwoorden. Artikel 1 vraagt dan van iedereen om ongeacht welk onderscheid dan ook, ‘alle mensen op menselijke wijze te behandelen’. De vrijheid van meningsuiting wordt dan de plicht om waarachtig (‘truthfully’) te handelen en te spreken.

Hoe dan ook, voor Buma is een samenleving alleen gebouwd op rechten te mooi om waar te zijn.

Bouwen op een basis

Zelf gaat Buma dus veel verder terug dan de jaren zestig. Deels doet hij dat op basis van zijn persoonlijke geschiedenis. Hij wil zo invoelbaar maken waar zijn denkbeelden vandaan komen en daar slaagt hij prima in. De delen waarin hij zijn familiegeschiedenis beschrijft weerspiegelen goed de Buma die hij ook in de ontmoeting kan zijn: levendig, scherp op het detail en juist als je het niet verwacht komt hij met wat humor of een treffende observatie binnen. Wat hij daarbuiten schrijft is al snel rechtlijnig als een Friese polderweg op een frisse dag. Je hoopt op een boom die interessant uit het lood staat. Dat neemt niet weg dat ook dat loont om op door te lezen. Puur vanwege de inhoud.

Die inhoud bestaat uit een zorgvuldig opgebouwd betoog waarin hij laat zien hoe de christendemocratie minstens zozeer als het liberalisme gebouwd heeft aan een democratie waarin we vrij kunnen zijn en gelijke kansen hebben. Het kent wel een ander startpunt dan de markt of de overheid. Dat start bij het gezin en daar komt zijn eigen lange familiegeschiedenis nadrukkelijk bij kijken. De auteur van deze blog komt zelf uit een bevoorrechte familie en ook mij is duidelijk gemaakt “dat Mozes met tien geboden naar beneden kwam en niet met tien rechten”, maar het voelt toch ongemakkelijk om zijn familiegeschiedenis als een soort standaard voor de christendemocratie te nemen. Dat hij integer is in zijn onderstreping van familie en gezin, zal geen lezer ontgaan. Belangrijk is dat hij ook duidelijk maakt dat hij de modernere vormen van samenleven voor hem ook onder het gezinsbegrip vallen en dat hij niet voorbijgaat aan de eenzamen in deze samenleving. Zijn boodschap blijft dat er geen echte vervanging is voor het gezin als basis voor de overdracht van waarden en normen en dat zeker de overheid al snel averechtse effecten bereikt als ze die rol toch wil overnemen.

Bouwen op geloof

Voortbouwend op die basis maakt hij twee stappen die zijn redenering verder versterken. De eerste heeft met het geloof te maken. In zijn eigen verhaal daarover blijft hij ver van elke vorm van dogmatisme. Juist door de nuchtere toon, weet hij zowel aannemelijk te maken dat het geloof voor hem een inspiratiebron is als dat hij niet het geloof tot een soort lakmoesproef zal maken voor de vraag of iemand een goed mens is of politicus is. Dat is zeker goed om te weten, maar dan toch weer is het belangrijker dat hij laat zien welke meerwaarde het geloof in een God heeft in het bij elkaar houden van een samenleving: als iedereen gelijk is voor God, kan je nooit claimen dat de ene groep van mensen inherent beter is dan de andere. Juist het gelijkheidsbeginsel is in politiek-theoretische zin nergens hechter verankerd dan juist binnen de christendemocratie – zegt deze niet-gelovige auteur van deze blog.

Bouwen door emancipatie

Het krijgt ook een vervolg in zijn betoog, als hij laat zien hoe de groepen waaruit de christendemocratische familie zijn samengesteld in belangrijke mate zijn voortgekomen uit een soort continue emancipatiebeweging. Wat in zestiger en zeventiger jaren van de 20e eeuw is gestart, heeft krachtige voorgangers gekend, al gebeurde dat in een tijd waarin de standenmaatschappij nog volop bestond – niet in het minst voorgestaan door de stroming waar de familie van Buma – rond die tijd ‘van Haersma Buma – zo duidelijk deel van is geweest, die van de Christen-Historische Unie. Op een onnavolgbare manier, in tegenstelling en samenwerking, is er toch iets tussen de verschillende liberale en christendemocratische groeperingen tot stand gekomen waardoor er een soort werkbaar evenwicht ontstaan waarop parlementaire en democratische gebruiken konden groeien.

Zo bouwt Buma door: de rol van het gezin en familie in het bouwen van een samenleving, de rol van het geloof in het overbruggen van tegenstellingen, de waardering voor emancipatie als een manier om een plaats in die samenleving te krijgen; het zijn de basiselementen in dit verhaal. Later in het boek zal hij dat vertalen in een scherpe visie op het buitenland. Dat laten we hier voor wat het is. In het totaal krijgt deze auteur, ook door de kennismaking met de persoon Sybrand Buma, het gevoel dat de lezer hier te maken heeft met een hele consistente en stevige lijn. Daar kan je op bouwen.

Eenzijdig conservatief

Tegelijk is er op dit punt gekomen ook een behoorlijk fundamentele kritiek mogelijk op zijn boek, ook en juist vanuit christendemocratische zin. Buma zegt ergens over een groot voorbeeld voor hem, Groen van Prinsterer, “Dat deze conservatief was, maar niet reactionair.” Over Groen van Prinsterer wil ik dat nog wel aannemen, maar bij Buma heb ik al lezend serieuze twijfels gekregen. Als je alle oplossingen naar het verleden laat wijzen, laat je de verdenking van reactionair wel op je. Ik denk dat Buma dat uiteindelijk niet is, maar dan moet hij dat overtuigender laten zien. Ik houd het op (te) eenzijdig conservatief.

Het boek van Buma kijkt dus wel heel sterk terug naar het verleden. In een boek dat naar eigen zeggen op zoek is naar de oorzaak van de ontwikkelingen in de huidige samenleving, is dat op zich niet vreemd. Een boek vol beleidsvoorstellen moet je op dit moment ook niet willen: daar is het verkiezingsprogramma voor. Regelmatig laat Buma merken zeer goed op de hoogte te zijn van de wat er nu, anno 2016, speelt, maar niets daarvan stelt hij ten voorbeeld voor het handelen van morgen. De enkele keren dat hij zich over de toekomst uitspreekt is dat vooral over de internationale dreigingen, inclusief het risico van cyberoorlog. Waar buiten het verleden de hoop vandaan moet komen, welke creatieve oplossingen hij ziet, valt niet uit zijn verhaal te halen. Alsof het teruggaan naar dat verleden en het opgraven ervan genoeg is om tot een vernieuwing van de samenleving te komen. Lees de door Buma bewonderde Burke er maar op na. De Sybrand Buma die ik een beetje ken zal zo simpel ook niet denken, maar het is wel sterk de insteek van dit boek. Daardoor ontstaat ook het beeld van ‘vroeger was alles beter dan nu’ en wordt alles wat we in het nu zien extra dreigend.

De voorruit is groter dan de achteruitkijkspiegel

Deze week was ik op een begrafenis en over de overledene, een ondernemer in hart en nieren, werd gezegd dat hij altijd zei dat ‘de voorruit groter is dan de achteruitkijkspiegel’. Wat waar is. Het boek biedt een werkelijk uitstekende achteruitkijkspiegel. In die achteruitkijkspiegel zien we de ineenstorting van de welvaartsstaat scherp beschreven. We zien dat de auto’s van het liberalisme stil staan door respectievelijk gebrek aan brandstof en groots motorfalen. En jouw blik in de achteruitkijkspiegel laat zien dat juist in het christendemocratisch gedachtengoed nog een grote vitaliteit schuilt. Maar wij mensen leven vooruit, niet achteruit. En in die voorruit zien we nu een beschavingsstrijd, een clash of civilizations. Liever jij als onze aanvoerder, dan een ander, zeg ik maar even ongevraagd namens anderen. Maar wat gaan we doen? Hoe kunnen we je helpen? Wat is onze eigen rol?

Een advies

Mijn advies naar Sybrand Buma toe is deze; blijf je inzichten communiceren. Ze zijn waardevol, ze zijn waar je voor staat. Toch ook: stop met het verder achteruit kijken en verdiepen van je visie en ga die al zeker niet verder verharden met meer dreigende vooruitzichten. Het verhaal over plichten is goud, maar breng dat zoals Küng dat deed, als creatief alternatief voor het bestaande verhaal en als iets dat niet kan worden weggezet als een Jurassic Park experiment. Jij zit in de cockpit van de samenleving. Kijk nu door de voorruit en vertel wat je ziet. Zoek dan extra naar wat hoop, slagkracht en perspectief biedt, juist omdat dit toch echt moeilijker voor je lijkt dan de scherpe analyse van het menselijk tekort. Dit is makkelijke kritiek. Je bent, net zoals wij allemaal, op een bepaalde manier gebakken. Dat is ook je kracht en in je boek laat je jezelf zien als een mooi mens. Maar wees dan wel zo wijs om je te omringen met mensen die meer de neiging hebben het andere te omarmen. Op de nieuwe lijst zie ik een man met een uitstraling van Brabantse gemoedelijkheid, een jonge radiomaakster, een mede-Fries die naar vernieuwing heeft gezocht in de vorm van de Big Society. Mensen als zij kunnen je wellicht aanvullen als de conservatief in jou de voorruit maar mistig vindt.

Gelukkig het land

Gelukkig het land waar lijsttrekkers boeken schrijven. En van die schrijversgroep heeft Sybrand Buma een prachtig exemplaar geschreven. Reden voor cynisme geeft dat in ieder geval niet. Waar het cynisme in de titel van het boek van Buma op slaat (met in hele kleine letters een ondertitel met iets over een nieuwe moraal), heeft denk ik te maken met de afkeer die veel mensen van de politiek heten te hebben, inclusief de daarbij horende beeldcultuur en hijgerigheid. Door er zijn verhaal tegenover te stellen heeft hij kennelijk de hoop dat dit cynisme minder wordt. Een beetje pesterig heb ik mijn blog de Telegraaf-achtige titel ‘Buma schrijft een boek’ gegeven. Weggezet wordt je toch, politicus. Verspil daar je tijd niet aan. Het leidt eerder van je verhaal af dan dat het toevoegt. Kom snel verder door met je hele verhaal.

Peter Noordhoek

 

Wat literatuur

Sybrand Buma, Tegen het cynisme. Voor een nieuwe moraal in de politiek. Prometheus, Amsterdam, 2016.
Femke Halsema. ROB-lezing, Den haag, 24 november 2016.
Samuel Huntington, the Clash of Civilizations and the Remaking of World Order, Simon & Schuster, New York, 1996.
Sheila Sitalsing, Mark. Portret van een premier. Prometheus, Amsterdam, 2016.

Kletsbekwaamheid. Over de rekbare grenzen van wilsonbekwaam zijn

Wanneer ben ik wilsbekwaam? En wanneer wilsonbekwaam? In ons land hebben we het onderscheid in wel of niet wilsonbekwaam in theorie vrij scherp geregeld. Je bent het of je bent het niet. De aanname is dat de rechter dat bepaalt. Dat kan gebeuren bij ouderen, bij psychiatrische patiënten en bij mensen met een verstandelijke beperking is bijna per definitie wilsonbekwaam. Hele categorieën mensen kunnen zo als ‘wilsonbekwaam’ worden neergezet. Alleen: daar gaat de rechter helemaal niet over (wel over ‘handelingsbekwaamheid: als iemand wel of niet mag beslissen). Wilsonbekwaamheid speelt bij de vraag of iemand wel of niet de eigen keuzes overziet: ‘in staat is tot een redelijke waardering van de eigen belangen ter zake’. Wilsbekwaamheid is dus altijd ‘ter zake’: afhankelijk van de situatie op dat moment. Iedereen heeft recht op zijn of haar eigen keuzes, ook als dat de ‘verkeerde’ zijn in de ogen van een ander. Het punt is dat we onze samenleving zo hebben georganiseerd dat hele categorieën mensen gewend zijn dat die keuze wordt overgenomen door anderen: verwanten en allerlei begeleiders die vanuit hun professionaliteit in staat zijn voor jou de keuze te overzien en dat dan ook doen – vaker dan strikt nodig is. Daar gaat deze blog over, geïnspireerd door iemand die er echt verstand van heeft, maar wel voor mijn eigen verantwoording. Dat is in elk geval mijn keuze. Maar overzie ik die keuze wel? Ik wil een blog over wilsbekwaamheid schrijven, maar overzie ik die keuze wel? Ach, ik klets me wel door deze blog heen. Ben ik heel bekwaam in.

Nu is iedereen – soms – wilsonbekwaam

Twee ontwikkelingen zijn van invloed.
De eerste is, zoals dat zo neutraal heet, de ‘toegenomen complexiteit van de samenleving’. Dus als je helemaal op tilt slaat, wanhopig wordt en met je hoofd op de tafel bonkt als je weer eens met een formulier wordt geconfronteerd waar je niets van begrijpt en het weggooit in de (digitale) prullenbak, dan vertoon je duidelijk het gedrag van een wilsonbekwame. De keuze is in formele zin dan wellicht nog mijn keuze, maar de ‘redelijke waardering’ is ver te zoeken. En aan het formulier ligt het niet.
Gegeven die complexiteit, realiseren we ons steeds beter dat wilsonbekwaamheid op vele momenten op de loer ligt. Er komen nieuwe categorieën wilsonbekwamen bij: ouderen, al dan niet met Alzheimer, de digibeten. En de slimsten van ons realiseren zich dat we allemaal wel eens momenten van wilsonbekwaamheid kennen; dat verlammend gevoel van onvermogen om te kiezen terwijl we de consequenties van die keuze niet overzien. De vraag is hoe we daar mee omgaan. Al kletsend, als mijn voorbeeld een indicatie is. We worden steeds slimmer in het verhullen van ons onvermogen om te snappen en beslissen. Het ligt aan de systemen, aan de politiek, niet aan ons. Ondertussen doen we het elkaar wel aan en leggen de lat voor wilsbekwaamheid hoger en hoger.
Vroeger werd de vraag naar wilsonbekwaamheid nauwelijks gesteld. Alleen mensen die bewusteloos zijn of tot de genoemde categorieën behoorden, waren daar van uitgesloten. Nu zeggen we, heel sneaky eigenlijk, is die persoon wel in staat om verstandige keuzes te maken? Samen met dat bijvoeglijk naamwoord is de groep wilsonbekwamen oneindig groot gemaakt. Van Trumpstemmers tot grachtengordelintellectuelen: wij behoren er allemaal toe. En al kletsend maskeren we dat. Totdat.

Wat te doen met de wil van de wilsonbekwamen?

De tweede ontwikkeling is spiegelbeeldig. Deze richt zich op de vraag: je wordt als wilsonbekwaam beschouwd, en dan? Bijvoorbeeld in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking – maar ook bijvoorbeeld in de ouderenzorg – is er de neiging om te redeneren ‘je bent wilsonbekwaam, dus kan je niets. Wij zullen wel voor je beslissen, wij zorgen er wel voor dat je je geen zorgen hoeft te maken.’ De bedoeling achter deze bijzondere manier van ‘ontzorgen’ is niet verkeerd, integendeel. Het kan echter wel verkeerd uitpakken. Mensen die op sommige momenten terzake wilsonbekwaam zijn, worden zo bejegend dat ze helemaal niets meer kunnen. Echte keuzes worden hen systematisch ontnomen. Dat schendt in feite hun rechten, hoe goed ook bedoeld. De missie moet dan zijn om mensen te helpen om zich zoveel mogelijk wilsbekwaam te tonen. Concreet betekent dit ook dat er fouten mogen worden gemaakt. Fouten maken? Ja maar, wij zijn toch juist op aarde om jou daarvoor te behoeden?

Het probleem met ontzorgen

Het is niet altijd dat als je vragen rond een ingewikkeld thema hebt, je alleen maar hoeft te wachten tot je vrouw klaar is met het schrijven van haar boek. I’m a lucky man – en een trotse man. Afgelopen maand heeft Loes het boek ‘Wie beslist?’ gepubliceerd, met als ondertitel ‘Ondersteunen van wilsbekwaamheid in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperklng’*. Het is het eerste boek in z’n soort over wilsbekwaamheid (en haar vijfde boek over zorg voor deze groep). De lijnen die ik hiervoor schets zijn daarin terug te vinden, met een zwaar accent op de tweede lijn: hoe kunnen we ervoor zorgen dat mensen met een verstandelijke beperking niet als het ware steeds terug geduwd worden in hun wilsonbekwaamheid, maar daar waar ze zelf kunnen beslissen, dat ook inderdaad doen? Het boek beperkt zichzelf door de tekst (en een video met voorbeeldsituaties) te richten op de begeleiders van de mensen met een verstandelijke beperkingen. Die beperking is er niet voor niets: bij de begeleiders moet de eerste winst worden behaald. Minder dan de gemiddelde ouder, maar nog altijd meer dan gewenst, zijn zij geneigd keuzes over te nemen als dat eigenlijk niet nodig is. Maar waar ligt dan de grens? Doen alsof de beperkingen er niet zijn, is ook geen optie. Die zijn er wel degelijk. Het hele onderwerp wilsbekwaamheid barst van de dillemma’s. Eigenlijk is het een onmogelijke opdracht voor de hulpverleners om voor een cliënt vast te stellen of deze op dat moment wilsbekwaam is of niet. Als het je professionele opdracht is om voor zorg en veiligheid te zorgen, dan zal toch de neiging groot zijn om van wilsonbekwaamheid uit te gaan en over te nemen. Maar als je gelooft dat keuzevrijheid niet alleen een recht is voor de cliënt, maar dat daar die cliënt ook beter van gaat functioneren, dan is er wel een andere houding nodig.

Uiteindelijk gaat het om, lelijk woord, een procesbenadering, waarbij de begeleider per situatie moet inschatten welke ondersteuning de cliënt nog nodig heeft –  en dan steeds net wat meer ruimte geeft dan nu gebruikelijk is. Loes voorziet in een handig stappenschema. Belangrijker is dat ze scherp laat zien wie waar nu eigenlijk voor verantwoordelijk voor is als het om wils(on)bekwaamheid gaat.

Voorbij de dagelijkse beslissingen

Anders dan mijn vrouw die terecht de beperking (en een grote leesvriendelijke letter) zoekt bij een groot thema, zit ik zo in elkaar dat ik de volle breedte van een thema wil verkennen. Zij richt zich vooral op de dagelijkse beslissingen: wanneer kan ik naar bed gaan? Mag ik mijn deur op slot doen? Mag ik een rommel van mijn kamer maken?, mag ik zelf bepalen waar ik op vakantie ga?

Ik start bij vragen naar beleid en budget.
Natuurlijk vind ik wat ze doet geweldig, maar hoe belangrijk is het nu eigenlijk dat mensen met een verstandelijke beperking meer zeggenschap krijgen of hun eigen wil meer mogen volgen? Ik ken grote woorden als ‘menswaardig’, ik ken het VN-verdrag, maar waarom zoveel inspanning voor soms zo frustrerend weinig resultaat? Het heeft me best tijd gekost om dat te pakken, temeer daar het er vaak op lijkt dat begeleiders en ouders wel heel hardnekkig terugvallen in oud gedrag. Ondertussen zien we dat pogingen tot zelfstandig wonen in de wijk maar al te vaak mislukken en de Josti-band tenenkrommend blijft als je er niet politiek-correct naar kijkt. Toch?

Moderne zorg

Mijn diepere overtuiging is dat meer zeggenschap en meer uitgaan van de eigen wil, uiteindelijk de enige weg is naar moderne zorg. Geen Europees land stopt meer ouderen of mensen met een (verstandelijke) beperking in instellingen dan Nederland. Dat doen we best goed, maar het komt wel neer op een dure manier van het wegstoppen van hele categorieën van mensen. Het streven moet blijven om letterlijk en figuurlijk te normaliseren. Op dit moment wordt veel van de modernisering van de zorg verwacht van slimme apps en andere digitale dingen. Mijn ervaring is dat voor elk ding dat digitalisering oplost, een nieuw probleem ontstaat. De langzame weg van leren zeggen wat je wilt, beslissen wat je kan en leren wat je moet leren is volgens mij de beste. We zijn allen wilsbekwaam binnen onze beperkingen en nooit op elk moment.

Kiezen voor keuzes maken

Tot slot terug naar het eerste thema, dat van de complexiteit van de samenleving en onze eigen wilsonbekwaamheid als we daar mee worden geconfronteerd. Ook daarvoor geldt dat we allen wilsbekwaam zijn binnen onze beperkingen. Het meest schrijnend vind ik in de jeugdzorg het moment dat een jongere met problemen – en dat zijn er erg veel – 18 jaar wordt en opeens geen zorg meer krijgt omdat hij of zij dan wordt geacht volwassen te zijn. Veel ex-jongeren zullen dan pas echt gaan ontsporen.

Natuurlijk moet er ergens een moment zijn dat mensen hun eigen verantwoordelijkheid gaan voelen. Zeker – en hoe eerder hoe beter. Maar wettelijke ficties geven fricties als er niemand meer in beeld is om de persoon echt te leren om de gevolgen van zijn of haar eigen beslissingen te dragen.

En zo is het met tal van onderwerpen. Hoe kunnen we verwachten dat migranten integreren, hooligans echte voetballiefhebbers worden en kiezers snappen waarop ze kiezen willen, als ze niet geconfronteerd worden met de gevolgen van hun eigen keuzes en leren als wilsbekwamen te handelen? Hoe dat precies moet is een puzzel en natuurlijk situatiebepaald. Het gaat hoe dan ook om de juiste balans tussen eigen verantwoordelijkheid, tussen bemoeizorg en bemoeizucht. Eén ding weet ik wel; een absolute scheiding tussen wilsbekwamen en wilsonbekwamen is noch rechtsgeldig noch houdbaar. Laat het het debat beginnen.

 

Peter Noordhoek

* ‘Wie beslist? Ondersteunen van wilsbekwaamheid in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. Loes den Dulk, Conferent Uitgeverij, 2016. Naast het boek is een video en een Hulpboek beschikbaar. Zie ook www.raadopmaat.org.

Dit gaat niet over Trump

Mijn blog is te laat. Dat komt omdat ik mij door tientallen concepten van amendementen heen heb gewerkt op het verkiezingsprogramma van mijn partij. Als ‘delegatieleider’ voor Zuid-Holland mag ik de klus trekken om de inbreng van alle lokale afdelingen en gremia in een van het partijbureau gekregen matrix te verwerken. In mijn provincie hebben we het dan over zo’n 60 afdelingen en een achttal gremia zoals die van de jongeren, ouderen, vrouwen, buitenlandspecialisten en anderen. Uiteindelijk zijn er zo’n 120 van deze amendementen ingediend en de nieuwe regels zijn zo dat er maximaal 50 door mogen. De reden daarvoor is gelegen in het laatste verkiezingsprogramma. Toen kwam er uiteindelijk een vloedgolf van zo’n 1200 amendementen van lokale en provinciale amendementen op het programma – en toen die vloedgolf was weggetrokken lag er een tekort van een paar honderd miljoen euro’s op de vloer. Dat was dus iets teveel betrokkenheid van de leden in de ogen van het bestuur. Dit keer moet het programma kort en compact blijven en fungeert de provincie als sluis, met vanuit de delegatie een klein team om het allemaal bij elkaar te brengen. De deadlines zijn krap. Komende zaterdag is de algemene ledenvergadering van de provincie en hebben we een ruime ochtend om alle wereldproblemen in iets meer dan een tweetlengte op te lossen. Het komt er dan op neer dat je een paar keer nog na middernacht in een Excel matrix aan het knutselen bent. En dan komen er van die gedachten op.

Waar de lobby stopt

Onlangs schreef de beste analist van Den Haag, Tom-Jan Meeus, zijn wekelijkse bijdrage aan de zaterdagkrant van het NRC vol met een verhaal over de wijze hoe er gelobbyd wordt om de verkiezingsprogramma’s van de landelijke partijen te beïnvloeden. Je krijgt een beeld van enorme operaties waar talloze professionals heel strategisch mee bezig zijn. Dat is wat mij betreft niet diskwalificerend; het laat gewoon zien hoe belangrijk verkiezingsprogramma’s zijn in het hele beleidstraject. En ook geen nieuws voor mij, want die parade is wel vaker aan mij voorbijgetrokken. Dan toch valt het mij nu op hoezeer die operaties kennelijk stilvallen als het programma eenmaal is gepresenteerd. Dus als de persconferentie is geweest, als de samenvatting in de krant is gepubliceerd. “Natuurlijk, het moet nog wel naar de leden toe”, wordt er door de partij bijgezegd, maar welke journalist of lobbyist neemt dat nog serieus? Het programma is er. De rest is aan de amateurs in een vaag soort partijdemocratie. Het is dus klaar.

Kernen van waarheid

Tsja, daar zit wel een kern van waarheid in. Iedereen die sceptisch is over partijdemocratie heeft argumenten genoeg. Ik weet dat ik nu met een heel klein groepje doe wat vroeger een enorm overlegcircus was. Alles is heel breekbaar. Je ziet gemotiveerde, maar niet altijd handige mensen teksten maken waarvan je weet dat ze het niet gaan redden. Of er komt iets dat ontzettend slim is, maar het bestek van het programma te buiten gaat. Helaas lijkt er niemand meer te zijn om ze op afdelingsniveau te helpen, want iedereen heeft het druk en doet het er allemaal maar bij en naast. Partijdemocratie is altijd wel een kwestie van bevlogen individuen geweest, maar de brede betrokkenheid van voorheen worden wel gemist – al werken we er nu hard aan.

Tegelijk zit er ook een ironische kant aan. Want hier zitten allemaal mensen aan een verkiezingsprogramma te werken die lid zijn van een politieke partij. Dat zijn er voor mijn partij nog maar zo’n 50.000, maar we zijn nog wel steeds de grootste partij. En het is bekend dat die leden door zowel de buiten- als de binnenwereld wordt gezien als ‘de elite’, de verzameling rijke plucheplakkers die nu eens door zou moeten krijgen dat ze moeten oprotten. Wat ik zelf doe met al mijn redactiewerk is al helemaal fout; dat kan alleen maar gericht zijn op manipulatie, een groot spel over de hoofden van de mensen heen. Tsja, misschien zit daar ook wel een kern van waarheid in. Een holle kern.

Ondertussen is het best een leuke hobby. Alles komt langs, je mag je overal mee bemoeien en je mag samenwerken met leuke en interessante mensen. Nog even doorwerken.

Hoe de lobby doorgaat

Het is overigens ook niet waar dat het lobbyen helemaal stopt na publicatie van het conceptprogramma. De teksten zijn direct te herkennen als ze worden ingestoken door partijen van buiten de partij. Te lang en te algemene woorden, ondanks dat ze de tekst op maat van de partij zeggen te maken. Maar het gebeurt meestal redelijk open, dus geen probleem. Anders is het al met de interne lobby van landelijke partijorganen richting de provincie. Je weet dat die overal dezelfde teksten insteken. Gelijk hebben ze. Het punt is; het aantal amendementen is beperkt en ons nevendoel is ook het stimuleren van het debat binnen de eigen provincie. Dan moeten we dus meer dan alleen een postbus zijn. De gremia die ik spreek pakken de boodschap op. Een speciale Facebookpagina moet helpen bij het debat. Het is nog wennen, maar de amendementen zijn in voldoende mate binnengestroomd – en op tijd. En dan toch kan je nog verrast worden door een lobby.

De fractie als lobbyist

Op het partijcongres is de sfeer goed. De lijst wordt vastgesteld, de deelsessies zijn levendig. Er worden steeds meer groene campagnejassen gesignaleerd: de campagne komt eraan. Het volgende congres is al in januari, dus dan zitten we er vol in. Pas dan worden de amendementen echt behandeld, wordt er gestemd. Er kan nog veel gebeuren tussen dit congres en het volgende. En dat blijkt al op het congres zelf.

Misschien is de krachtigste lobbygroep binnen een normale partij wel de zittende fractie. Het programma is volgens de boekjes het moment dat de partij aan het stuur staat, maar de werkelijkheid is nergens zo simpel, ook niet voor deze partij. Ergens in het plenaire deel – grote, lange hal vol mensen – krijgt Mona Keizer het woord. Ze vertelt hoe ze een verzorgingshuis heeft bezocht en hoe ze van daaruit kennismaakte met een heel bewogen vertegenwoordiger uit de verwantenraad en een journalist die het verhaal heeft opgeschreven. Het volgende moment komt een bebaarde Hugo Borst in volle vaart het lange gangpad van de hal afstuiteren, langzamer gevolg door een kordate dame. Ah, hoor je het in de hoofden klikken: Hugo Borst, verpleeghuizen, misstanden, manifest, wat aan doen. Yes.

Boter bij de vis

Hugo Borst begint met een belediging naar onze kant toe: ze zijn ook bij de PVV langs gegaan en we moeten niet denken dat we beter zijn dan hen, zoiets. We laten ons niet beledigen. Integendeel. We zijn er klaar voor. Op het moment dat hij zegt: we mogen de zwakkeren niet in de steek laten, golft het applaus door de hal. Wat hij beeldend vertelt over de verpleeghuiszorg met haar wantoestanden, raakt zowel de overtuiging als de persoonlijke ervaring van heel velen in de hal. Met een mengeling van blije verbazing en calculatie kijkt Borst de hal in. Zo makkelijk dacht hij kennelijk niet dat het zou gaan (ik herken zijn blik van Sywert van Lienden, die in 2012 nergens een warmer onthaal kreeg dan op het congres van het CDA met zijn beweging, om vervolgens de hierboven beschreven golf van amendementen nog hoger te maken). Hoe dan ook, hij en zijn kompaan maken het verhaal goed af, om te besluiten met de constatering dat geen politiek programma dichter ligt bij wat ze willen dan het CDA, behalve dan op twee punten. Het eerste punt is dat het manifest vraagt om onderzoek naar de zorg die er nodig is en dat daar dan de budgetten op moeten worden aangepast. Het tweede punt is dat er een minimumnorm moet gelden van minstens 2 medewerkers op elke 8 mensen met een zorgvraag. Zover gekomen, mag Borst c.s. al van een geslaagde en effectieve lobby spreken. Maar het wordt nog mooier voor ze. De partijvoorzitter wil boter bij de vis. Ze zegt dat “voordat ze met allerlei deadlines enzo te maken krijgt” ze gelijk maar actie wil. De voorzitter van het CDJA, Julius Terpstra, tevens kandidaat, komt het toneel op en kondigt, als jongere solidair met de ouderen, aan dat hij de twee punten als amendementen zal presenteren op het komende congres. Applaus, applaus.

Gemengde gevoelens

Een zeer effectieve lobby. Het geeft vooral gemengde gevoelens. Mijn moeder is iets meer dan een maand geleden overleden. Wat we met haar in de laatste anderhalve jaar van haar leven hebben meegemaakt zit nog diep in mijn botten. Bij mijn schoonouders was het ook drama. Ik zou het verhaal op het podium zo kunnen houden. De genoemde norm is niet onrealistisch. De norm zou eigenlijk nog moeten worden aangescherpt met kwalitatieve eisen voor het personeel, want dat is waar het niet zelden ook op mis gaat. Veel van de bureaucratie waar over geklaagd wordt is immers vooral een reactie op misstanden door onbekwaam personeel*. Doen! En toch. Wat is mijn verantwoordelijkheid hier? Ik heb geen illusies. Zo rijk als we als land ook zijn, in de combinatie van vergrijzing en arbeidstekorten moeten we er van uitgaan dat alles eerder minder dan meer wordt, zeker de zorg. Mijn vrouw en ik mogen niet verwachten zoveel zorg te krijgen als mijn moeder, mijn zoon waarschijnlijk nog minder. Wat voor verwachtingen gaan we hier dan scheppen? En hebben we ook niet grootse voornemens met de pensioenen, de eigen bijdrage en defensie? Het verlangen om goed te doen is voelbaar in de hal en dat maakt mij ook wel trots op onze cluppie, het voelt oprecht, maar ik applaudisseer niet mee bij het vertrek van beiden. Daarvoor denk ik te hard na.

Consequent gedrag

Het hoort bij het lot van een serieuze politieke partij om met dit soort dilemma’s geconfronteerd te worden. Soms kan je het ook naar je toe trekken. Door het congres heen loopt de discussie over het Oekraïnereferendum. Natuurlijk hebben de buitenlanddeskundigen gelijk als ze zeggen dat het ergerlijk dom is om niet te ratificeren. Buma had wel wat langzamer tot tien mogen tellen voordat hij in het gat van het ‘nee is nee’ is gestapt. Maar hij heeft op zijn manier ook gelijk. Met het buitenlands beleid komt het wel goed (wie herinnert zich het Polenmeldpunt nog?), maar de relatie tussen politiek en burger is uiterst kwetsbaar en vraagt om heel consequent gedrag. Bovendien; waarom zouden we het probleem van Rutte tot het onze maken? Er blijven genoeg dilemma’s over.

Deze blog ging niet over Trump

Ben ik nu de te koele, berekenende professional die alleen maar met het spel bezig is? Ik dacht het niet. Net als de meeste partijleden ben ik hier met licht slaapgebrek omdat we naast ons werk teveel klussen tegelijk proberen te doen om die rare partij van ons verder te brengen. En daarvoor puzzelen we ook met amendementen. Het is misschien niet authentiek, het is wel echt. Met Trump heeft het in ieder geval niets te maken. Of misschien is dit wel de enige manier om de Trumps van ons deel van de wereld van ons af te houden. Maar deze blog ging niet over Trump.

Peter Noordhoek

In diverse blogs en artikelen heb ik hierover geschreven: ‘Over het levenstestament en de vraag van mijn moeder’, over PGB’s en ZIN indicaties, over de rol van de Inspectie en nog een over de opstand tegen de indicatoren van deze inspectie.


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek