Maandelijks archief: oktober 2016

Ketenprivacy. U heeft vergeetrecht, maar niet als het om de Algemene Verordening Gegevensbescherming gaat.

/var/www/clients/client0/web53/web/wp content/uploads/schermafbeelding 2016 10 30 om 9.37.13 pm

De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) verandert meer dan u denkt. Er komt nieuwe helderheid; iets dat beter past bij deze tijd. Met die aanpassing aan deze tijd, komt echter ook nieuwe complexiteit mee. Met deze blog probeer ik daar mijn vinger achter te krijgen en laat ik de lezer meedenken.

Rechtstreekse werking

De nieuwe privacywet – hier ook wel de AVG genoemd – gaat op 25 mei 2018 in en gaat dan voor de hele Europese Unie werken. Het is een Verordening (let op de hoofdletter), wat zoveel betekent dat het rechtstreekse werking heeft in alle lidstaten en bestaande nationale regelgeving – in Nederland de Wet Bescherming Persoonsgegevens, de WBP – zou vervangen. Ik schrijf ‘zou’, omdat tegelijk wordt gezegd dat het huidige Nederlandse privacyregime ‘beleidsneutraal’ wordt vervangen. Dat roept de vraag op of er nu wel of niet iets gaat veranderen. Mijn indruk: meer dan we vermoeden en ook meer dan de opstellers voorzien. Vandaar ook de introductie van de term ‘ketenprivacy’ in de titel. Maar dat is voor verderop.

Verenigingswerk

Afgelopen week was er een bijeenkomst van wat binnenkort de Nederlandse Vereniging voor Wetgeving gaat heten (een naamsverandering ten opzichte van de huidige ‘vereniging voor wetgeving en wetgevingsbeleid, nodig vanwege het feit dat ook dit vakgebied internationaliseert). De vereniging had de ambtelijke kok uitgenodigd die, in mijn woorden, vanuit Nederland als onderhandelaar heeft geholpen de soep te maken, de ambtenaar die als uitvoeringsspecialist de soep moet gaan uitserveren en een expert om de soep te proeven. Een leuke formule. Op dit punt van mijn blog gekomen doet zich een probleem voor: zeker gegeven het onderwerp van de bijeenkomst, mag ik de betrokken personen nu bij naam noemen of niet? Ik heb geen tijd om het te vragen en doe het dus niet, maar complimenten en dank voor de inspiratie. De foto boven de tekst is van mijzelf en waar het po slaat mag u zelf bedenken. Scheelt ook weer mogelijke centen en gedonder over de rechten.

Veel aandacht

Het eerste wat over de soep moet worden gezegd, is over de basis ervan. Die berust niet bij de Europese Unie. We hebben het over een pan die door het Europese Hof van Justitie is opgezet en als het ware nu wordt overgezet naar het fornuis van de EU. Dat is belangrijk, want het Hof heeft in een reeks van uitgesproken dat het recht op privacy niet kan het worden gezien als één belang naast anderen, maar moet worden gezien als zwaarder dan andere belangen. Je kan het niet zomaar terzijde zetten vanuit een willekeurige afweging: het gaat voor. Dat recht op privacy wordt door de verordening en door de wijze waarop deze onder meer in het EU-verdrag (met name art. 7, 8 en 16) is verankerd, nog eens versterkt. Dat geldt wat mij betreft ook door de wijze waarop de tekst van de Verordening is bediscussieerd op zowel nationaal als Europees niveau. De betrokkenheid van ambtenaren en parlementariërs is onmiskenbaar intensief geweest, met bijvoorbeeld meer dan 6000 amendementen vanuit het Europees Parlement; hier geen sprake van enig democratisch of juridisch tekort. Althans; niet over de inhoud ervan. Over het toezicht op de verordening valt wel het nodige op te merken, maar ook dat is voor later (ja, vrij lange blog, maar ik dit is toch wel ‘need to know’).

Vergeetrecht

Zoals gezegd moet het voorwerk voor de nieuwe verordening bij het Hoof worden gezocht. Een Hof dat privacy zwaarder laat wegen dan andere belangen. In een aantal uitspraken is dat bevestigt en de gevolgen zijn in beginsel niet mals. Eén van de uitspraken is bijvoorbeeld dat zoekresultaten (queries) op verzoek van de betrokkene verwijderd moeten worden: het recht om vergeten te mogen worden. En: dit ‘vergeetrecht’ geldt ook voor publieke documenten en ‘geautomatiseerde beslissystemen (algoritmes e.d.).

Een uitgangspunt dat in oktober 2015 extra actueel is geworden door het zgn. ‘Safe Harbour’ arrest, waarin uitgesproken werd dat de Europese Unie niet zomaar data beschikbaar mag stellen aan ‘derde landen’ die geen bescherming van persoonsgegeven hebben op vergelijkbaar niveau – en in dit concrete geval hebben we het over de Verenigde Staten. Met andere woorden; in de permanente spanning die er is tussen privacy en veiligheid kiest het Hof, en nu de AVG, voor privacy. Alleen bij expliciete uitzondering kan daar van af worden geweken.

Dit vergeetrecht is ook de basis voor de AVG. Een recht wordt aangevuld met een ‘recht op verzet’: als er bezwaar wordt gemaakt tegen het gebruik van gegevens moet dat worden gehonoreerd. Beperking op dat recht kan alleen via expliciete inhoudelijke eisen.

Alle telefoons op zwart?

Zoals vaker, is de beperking van het recht spannender dan het recht zelf. Zowel binnen de private als de publieke sector moeten beperkingen op het uitgangspunt van gegevens bescherming expliciet worden vastgelegd. Bij elke naam. Keer op keer. De uiterste consequentie hiervan is, zoals iemand zei, dat dan alle telefoons op zwart gaan. Zeker de social media apps zijn meer dan gevoelig op dit punt, want het is maar de vraag of het instemmen met de algemene voorwaarden van bijvoorbeeld Facebook opgevat kan worden als een alles dekkende expliciete instemming. Aan de ene kant is de verplichting tot expliciete vastlegging niet absoluut – er is sprake van een zogenaamde ‘risk based approach’. Aan de andere kant is de bescherming van persoonlijke gegevens in de afgelopen periode alleen maar strakker geworden, getuige ook de afspraken van het Hof.

Daarbij is veel nog onduidelijk over de houding van de ‘European Data Protection Board’. Tot nu toe was dat een vorm van samenwerking tussen de verschillende agentschappen op het gebied van gegevensbescherming. Met het ingaan van de ANG krijgt het een niet vrijblijvende vorm, inclusief een mandaat voor echt forse sancties – tot 4% van de wereldwijde omzet x-1. Hoe dat echter gaat werken, weet nog niemand.

Uitzondering

Er is overigens so wie so een uitzondering op deze expliciete vastlegging van de instemming: de nationale veiligheid en defensie (art. 72 AVR). Die uitzondering is wezenlijk voor het werkelijk effect van de AVG en toch wordt deze hier verder terzijde gezet, hoe makkelijk ook langs deze weg de persoonsbescherming kan worden omzeild (en tot mijn spijt moet ik zeggen dat dit ook voor het conceptverkiezingsprogramma van mijn eigen partij geldt).

Lastig

Bij de nieuwe AVG zijn tal van vragen te stellen. Die hebben zowel te maken met de democratische grondslag (het wordt nu echt Europees, ook het toezichtregime) als wanneer het om de implementatie gaat. De politiek heeft zich van oudsher weinig aangetrokken van privacy kwesties. Het wordt vooral als ‘lastig’ gedefinieerd. De manier van omgang ermee is in de praktijk vooral technisch en gericht op het produceren van schriftelijke bewijs, via kopietjes en documenten. Precies dit is het punt waar ik het in de praktijk op mis zie gaan en daar wil ik mij nu op richten.

Privacy heeft met omgangsvormen te maken: hoe zorgvuldig zijn we naar elkaar toe? Wordt er geen misbruik gemaakt, wordt mijn identiteit niet gestolen?, etc. Die zorgvuldigheid geldt in verhoogde mate bij een onbalans in de machtsverhoudingen, in bijvoorbeeld het verkeer met overheden, banken en andere grote bedrijven en instellingen. Daar gaat het makkelijk mis.

Kennen we elkaar nog?

Maar ondertussen is er nog een andere dimensie, die nog meer aangeeft dat een alerte houding richting gegevensbescherming meer omvat en belangrijker is dan alleen een zorgvuldigheidseis. Het draait om de vraag: kennen we elkaar nog? Zonder zekerheid van identiteit, zonder een integere gegevensstructuur, kunnen we onmogelijk het soort digitale ‘communities’ bouwen waar we het in de toekomst in grote mate van zullen moeten hebben.

In een krant werd afgelopen weekend een artikel gepubliceerd met de vraag: ‘Wat als je baas een algoritme is?’ Het ging over Uber en het feit dat een algoritme bepaalt welke ritjes je als chauffeur wel of niet maakt. Die vraag voelt ongemakkelijk, maar je weet toch aardig waar je aan toe bent. Nog veel ongemakkelijker vind ik het idee dat mijn identiteit waarschijnlijk in miljoenvoud over het internet verspreid is en op allerlei manieren gebruikt kan worden zonder zeggenschap van mijn kant. Als ik mijn naam terug zou willen halen, dan moet ik mij waarschijnlijk door laag na laag van bestanden heen boren; mijn privacyketen ontmantelen. Onbegonnen werk. Ondertussen heb ik geen klagen en niks te verbergen. Het gaat dus goed zolang het goed gaat. Maar oh wee, als dat niet meer zo is. Gaat de overheid, gaat de Verordening mij dan helpen?

Wegadministreren

Wat ik in mijn auditpraktijk in de zakelijke en juridische dienstverlening observeer doet me twijfelen. We hebben het probleem van de gegevensbescherming weggeadministreerd. Geef als dienstverlener iemand een formulier, iets van een privacyverklaring, zorg ervoor dat je kan bewijzen dat de ander dat inderdaad heeft ontvangen en klaar ben je. Een vinkje laten zetten op een website, geregeld. Hierin gaat het dezelfde kant op als wat al is gebeurd rond de ‘melding van ongebruikelijke transacties’. De huidige Wwft zorgt ervoor dat jaarlijks miljoenen identiteitsbewijzen worden verzameld en in dossiers worden weggeborgen, vooral door administratieve krachten. Ik zie hoe van bank tot makelaar tot notaris tot ambtenaar overal hetzelfde identiteitsbewijs opnieuw wordt gekopieerd en onvindbaar wordt verstopt. Een schaduw van de echte privacyketen. Zoals ik onlangs mocht ervaren bij het afwikkelen van de nalatenschap van mijn moeder, brak die keten al bij de eerste schakel. De scanner deed het niet. Ja maar, u heeft mijn ID al in tienvoud, mijn handtekening in duizendvoud. Daar kunnen wij niet bij, mijnheer.

Werk aan de winkel

Reken dus eens door wat dat allemaal kost. De combinatie van Wwft en WBP is in mijn ogen een van de meer succesvolle werkgelegenheidsprojecten van het Rijk geworden. Ondertussen ben ik niet onder de indruk van het maatschappelijk rendement van al die inspanning. Het aantal boetes en veroordelingen van beide wetten is na de eerste schokgolf een stuk kleiner geworden. Meer dan enkele tientallen veroordelingen per jaar valt er niet te scoren, waarbij het vooral blijft bij de constatering van administratieve tekortkomingen. Hoe goed ook het doel, dat kan niet genoeg zijn in verhouding tot de maatschappelijke kosten – waarbij in mijn ogen het echte probleem dus niet wordt geraakt.

Werk aan de winkel dus. We moeten komen tot andere, slimmere vormen van gegevensbescherming. Mogelijk kan blockchain daar een rol in spelen, al heb ik in mijn blog van eerder deze maand op de complicaties gewezen. Meer nog denk ik dat we naar andere vormen van communicatie moeten komen, ondersteund door slimme vormen van ‘datamining’. Expliciete instemming is een mooi principe, maar ik zou meer zijn voor vormen van directe transparantie, zodat een persoon op elk gewenst moment de eigen privacyketen zichtbaar kan krijgen om dan desgewenst actie te nemen. Wat mij betreft mag het dan net zo zeer gaan om een herinnerrecht als een vergeetrecht.

Peter Noordhoek

Terug na Trump?

Velen van ons voelen zich ‘bezoedeld’ door de kandidatuur van Trump. Hij staat voor het slechtste in de politiek. Er is onbegrip over hoe het zo ver heeft kunnen komen en tegelijk zorg dat het ook bij ons aan het gebeuren is: de blanke boze man in opstand tegen de politiek-correcte elite. Voor hen die nog in de ontkenningsfase zijn: de beschaving komt niet direct terug na kandidaat Trump.

Olifant in de porseleinkast

Maar die man, die Trump gaat toch niet winnen? Waarschijnlijk niet, nee. Toch zal hij ook na de verkiezingen als de spreekwoordelijke Republikeinse olifant in de politieke porseleinkast staan, een bewijs van hoever je met onfatsoen kan komen. In deze blog bespreek ik de vraag in hoeverre we nog ‘terug na Trump’ kunnen gaan, terug naar een minder in woede ontstoken debat. Ik denk dat dit kan, maar de kansen zijn klein. Trump is een verschijnsel dat zich vaker in de Amerikaanse geschiedenis heeft voorgedaan en is in zekere zin niets meer of minder dan de donkere schaduw van de ‘high minded presidency’ van Barack Obama. Het zou zich dus op korte termijn kunnen oplossen. Het kan echter ook nog jaren of meer dan een decennium duren. Daarom is het wel goed Trump als onderdeel te zien van een beschavingsoorlog die gevoerd moet worden. En nergens wordt die oorlog heftiger gevoerd dan binnen de Republikeinse partij zelf. Het is in ieder geval net zo interessant om bij de toekomst van die partij stil te staan dan bij die van de democratische – en niet alleen omdat die laatste als winnaar uit de strijd zal komen.

De democraten als winnende verliezer

Mijn analyse is dat de Democratische partij uit deze verkiezingen tevoorschijn gaat komen als winnende verliezer, of verliezende winnaar, bepaald zelf maar.

Het start bij Hillary. Zij wordt wat Johnson was ten opzichte van Kennedy; tactisch beter, effectiever in de relatie met congres en senaat dan de voorganger, maar communicatief een loser.
Maar het probleem gaat dieper. Wie, zoals ik, real time mee kon kijken met het democratische congres, zal het geval van irritatie herkennen: wanneer zien we nou eens een ‘gewone’ kiezer? Het was één grote parade van speciale doelgroepen, bij elkaar gehouden door het bijzonder retorische talent van de Obama’s. Het was geen echte grote emancipatiebeweging, zoals in de jaren zestig, zelfs niet als het om de positie van de vrouw ging. Het waren allemaal verschillende emancipatiestrijdjes, vechtend om de aandacht. Zonder verbindend thema of verbindende persoon gaat dat uit elkaar spatjes. De migratiekaart ligt aan de andere kant, ‘global warming’ is nog geen kiezerstrekker. Nee, ik zou niet graag de democratische kandidaat willen zijn tegen een meer competente republikeinse kandidaat. En ik zou nog niet zo zeker zijn van ‘de ondergang van de republikeinse partij’. Tijd om daar naar te gaan kijken.

Een herkenbare blik

Het zijn de hete dagen van juli, de plaats een club aan Pennsylvania Avenue, Op een steenworp afstand van het Witte Huis. Daar komt een delegatie bij elkaar van politici en academici uit Europa en Amerika. De sfeer is prettig en gespannen tegelijk, want die avond maken we kennis met een delegatie uit het Trump kamp om over internationale politiek te praten. Het waren drie heren met het soort arrogantie dat ze van Trump lijken te hebben afgekeken. ‘Smug’, zeggen de Amerikanen dan (en fysiek lelijk zoals populistische mannen doorgaans zijn, dacht ik erbij, maar dat mag ik natuurlijk niet hardop schrijven). Maar wat me van de avond vooral bij staat, is de blik in de ogen van een paar Republikeinse vrienden die opeens geacht worden Trump te steunen, terwijl hij voor alles staat wat ze verachten. Ik herkende die blik. Het deed mij aan Arnhem denken, toen we ons als CDA verscheurden over regeringsdeelname met de PVV. Dit kwam zo mogelijk nog dichterbij.

Groepswerk

Het CDA is nog niet terug van weggeweest, al is het wel op de goede weg. De partij is mede slachtoffer van de versnippering van het politieke centrum. Degenen die rond Arnhem de partij verlaten hebben, bevinden zich nu bij partijen als Groen Links en de Christen Unie en worden niet zoals in de VS gedwongen om het onderling uit te knokken. De breuklijnen in de republikeinse partij zijn zowel scherp als diep. Meer dan bij de democratische partij komt het neer op een tweedeling: aan de ene kant de ‘angry white male’, gevoed door zowel een libertaire als een zwaar christelijk-conservatieve stroming, tot voor kort samenkomend in de Tea Party beweging, nu waarschijnlijk omgedoopt tot Trumpism. Aan de andere kant een veel minder scherp gedefinieerde, maar uiteindelijk grotere groep van mensen uit de conservatieve middenklasse. Deze groep zal in mijn ogen snel seculariseren en open staan voor kandidaten die de zorg voor migratie weten te koppelen aan een meer modern vooruitgangsgeloof. Het is mijn stelling, dat bij de juiste kandidaat voor de tweede groep de republikeinse partij er snel weer zal staan – mogelijk al bij de volgende verkiezing.

Een zware dreiging

Maar met de ogen van die verslagen republikeinse vrienden in mijn achterhoofd, denk ik dat een tactisch-technische analyse niet genoeg is. Terug gaan naar de tijd voor Trump is voorlopig geen optie. Dat heeft deels te maken met mijn overtuiging dat de media verslaafd zijn geraakt aan het mediaspektakel dat een kandidaat als Trump met zich meebrengt. Zit die er de volgende keer niet tussen, dat gaan ze die wel vinden – of Trump zijn volgende kans gunnen.

Voor een ander deel heeft het te maken met mijn vrees dat het presidentschap van Hillary Clinton gekenmerkt zal worden door extreem veel geweld – ook in dat opzicht vergelijkbaar met de periode Johnson. Dat zal zeker raciaal van achtergrond zijn, maar ik vrees ook voor radicalisering van de Bernie Sanders aanhangers, plus – en daar ben ik niet de enige in – het vermoeden dat Clinton op ideologische gronden minder avers is van een oorlog overzee dan Obama is gebleken te zijn. Wat zal dan de reactie van de ‘zwijgende meerderheid’ zijn. Een nieuwe Nixon?

Waardengedreven politiek

Geschiedenis herhaalt zichzelf, maar nooit op dezelfde manier. De zwijgende minderheid van nu is in ieder geval heel wat beter geïnformeerd dan in de tijd van Nixon. Ergens moeten lessen geleerd zijn. Waar ik op hoop is dat die lessen ergens in en rond een nieuw republikeinse establishment worden geleerd. De sleutel voor mij is de vraag hoe groot de kans is dat een ‘waardengedreven’ politiek kans maakt; een soort christen-democratische beweging dus (en net zo seculier). Elke gecertificeerde cynicus zal zeggen: geen. Ik weet het nog zo net niet. De grap is ook dat overal waar we populisten omhoog zien komen, er tegelijk ook een politieke correctie te zien valt. Het mooiste bewijs is daarvan dat we binnenkort naast Merkel ook Clinton en May als premier mogen verwelkomen. Voor de macht betekent dat zekermeer dan de opkomst van de überhaantjes als Trump, Farage en Wilders en zelfs meer dan de opkomst van een Putin en Erdogan.

Het punt is wel dat die hoop zich lastig laat onderbouwen langs tactisch-electorale lijnen, al was het maar omdat op het moment van schrijven nog niet duidelijk is met hoeveel Trump verliest (let wel: er was een moment dat ik dacht dat hij zou winnen. Niet meer). Ik denk dat we daarvoor goed moeten begrijpen in wat voor soort technologische revolutie we nu terechtkomen. Dat en een goed gevoel voor ideologie, filosofie en religie komen nu van pas. Laat dat even mooi uitkomen.

De tegenstelling met Trump

Hieronder een schema waarvan ik de achtergrond nog even voor me hou. Voor mij is het – uitvergroot – de tegenstelling tussen het Trumpiaanse blok in de republikeinse partij en het deel waarvan ik vermoed dat ze alles willen behalve een herhaling van Trump. Omdat ze in achtergrond fors kunnen verschllen, moeten ze elkaar op een soort waardenagenda weten te vinden. Een agenda die vermoedelijk samenvalt met wat al aan de gang is door technologische ontwikkelingen waarin instituten een voor een instorten. De democraten hebben die structuren hard nodig om hun emancipatieagenda mee te realiseren, de republikeinen hoeven daar minder last van te hebben. Wellicht lijkt wat dan resteert het nodige op het ‘compassionate conservatism’ van Bush of zelfs op de agenda die de republikeinen voor zichzelf hadden afgesproken na de nederlaag van Romney in 2012, maar ik denk dat de noodzaak nu duidelijker is en de tijd weer wat verder. Dit schema geeft in alle ruwheid de tegenstelling weer tussen de ‘nieuwe republikeinen’ en de Trumpianen:

/var/www/clients/client0/web53/web/wp content/uploads/schema turner

Het schema is niet van mij. Het is van de antropoloog Turner. Ik heb hem weer gevonden via een andere antropoloog, Krijn van der Jagt. Hij heeft in een recent boek een interessante duiding geven van de Bijbel als een beschavingsstrijd. Het schema verwijst naar het onderscheid tussen de visie van de historische figuur Jezus en de leer van de Farizeeërs. Jezus was ‘ideologisch’ opvallend genoeg aan geen groep meer verwant dan de Farizeeërs, maar op vitale punten week hij af en kwam uit op een koers van radicaal altruïsme. Bijzonder en interessant, maar ook zonder deze achtergrond is het schema van Turner volgens mij bruikbaar in het krijgen van een gevoel voor wat er na Trump gaat gebeuren. Terug kan niet.

Peter Noordhoek

Krijn van der Jagt, 2016. De weg omhoog. Een antropologische lezing van de Bijbel. Amsterdam: Athenaeum – Polak & Van Gennep.

V.W. Turner, 1969 – The Ritual Process: Structure and Anti-Structure. London: Routhledge and Kegan Paul.

Opstand tegen de inspectie. De IGZ en de worsteling met een uitvraag.

/var/www/clients/client0/web53/web/wp content/uploads/schermafbeelding 2016 10 16 om 8.40.58 pm

Onlangs kwam in het nieuws dat de verpleeghuizen niet langer mee wilden werken met het invullen van de vragen voor de Inspectie voor de Gezondheidszorg, de IGZ. Het kwam tot deze ‘opschorting van de IGZ-uitvraag’ omdat de inspectie onvoldoende recht doet aan de geboden kwaliteit. Het was de zoveelste clash sinds de IGZ eerder dit jaar uitkomsten van inspecties van verpleeghuizen was gaan publiceren. De wijze waarop dat was gegaan en tot ‘naming and shaming’ had geleid, was als zeer onzorgvuldig ervaren. Na de laatste clash over de norm wilden de verpleeghuizen , vertegenwoordigd door brancheorganisatie ActiZ, afgelopen week dus niet langer meewerken aan het leveren van de benodigde informatie voor de zgn. ‘risico- en basisveiligheidsindicatoren’ aan de inspectie. Sinds 12 oktober leveren de verpleeghuizen hun informatie wel weer aan, maar de kou is nog niet uit de lucht.

Verstrikt in de normen

Deze ‘opstand tegen de inspectie’ – tussen haakjes geplaatst omdat partijen het zelf niet zo zullen willen noemen – is om meerdere redenen een belangrijke ontwikkeling en dat niet alleen voor de zorg. In een eerdere blog heb ik een analyse gemaakt van de huidige norm. Inhoudelijk vond ik dat de norm best knap was geformuleerd, gegeven de complexiteit van de te leveren zorg. Tegelijk vond ik dat de pretentie er achter – een uitspraak doen over ‘de’ kwaliteit van de geleverde zorg, inclusief ‘naming and shaming’ – zo niet kon worden waargemaakt. Nou ja, ik was nog iets scherper. Bovenal vond en vind ik het belangrijk om nu eens niet naar ‘de’ norm te kijken als een soort objectiveerbaar gegeven, maar als een uitkomst van uitwisselingen van professionele meningen in een krachtenveld en daar niet te krampachtig over te doen. Inspecteur-generaal Ronnie van Diemen van de IGZ voelt dat kennelijk zelf ook zo, als zij tijdens een conferentie zegt: “Het zou heel mooi zijn als we de vrijheid zouden voelen om te zeggen: normen zijn belangrijk, maar je kunt het ook uitleggen als je het anders doet.” En: “Voel de vrijheid om vanuit het professionele verstand ook te handelen in de praktijk.” De normen van de IGZ zijn dus niet in cement gegoten. Een fijn ontspannen geluid, maar hoe kan een conflict over een aantal normen dan zo escaleren dat leden van ActiZ de kont tegen de krib gooien, de patiëntenverenigingen gaan dreigen, de inspectie met bestuursdwang dreigt en opeens de net aangestelde nieuwe directeur van ActiZ, Jan de Vries, per direct de brancheorganisatie verlaat. Zoals de Britten het zeggen: ‘It doesn’t add up’.

Voorbeelden

Laten we eens nader op het laatste conflict ingaan. Dit zou zich uiteindelijk toespitsen op twee specifieke punten uit de vragenlijst. In beide gevallen zou de vraagstelling niet eenduidig zijn en ontbreekt het aan de mogelijkheid om context aan de gevraagde informatie te koppelen. Hoe kan de betekenis van de informatie dan worden ingeschat? Het eerste punt betrof het toedienen van psychofarmaca. In mijn woorden: moet het toedienen van een slaapmiddel dat alle Nederlanders van tijd tot tijd bij de drogist halen nu per se op dezelfde lijst worden gezet dat van zware gedragsbeïnvloedende middelen? Interessante vraag, maar hier richt ik mij op het tweede punt: hoe moeten vrijheidsbeperkende maatregelen worden toegepast? In de vragenlijst zou het neerzetten van een ‘verklikker’ die de beweging van een patiënt meldt, net zo zwaar tellen als bijvoorbeeld een fixeermaatregel waardoor bed of stoel niet verlaten kan worden. Vanuit de bedoeling van de wet – de BOPZ – is dat terecht; vrijheidsbeperking is vrijheidsbeperking, daarin wordt op zich terecht geen onderscheid gemaakt. Maar vanuit de optiek van patiënt, medewerker en instelling kan dat wel degelijk verschil maken. Zelf ken ik een dementerende persoon die om het leven is gekomen doordat hij verstrikt raakte in een zgn. Zweedse band. Als bij hem een verklikker was gebruikt, was het heel anders gelopen. Ik ken ook iemand bij wie een verklikker was geplaatst, maar die veel meer behoefte had aan een laag-laag bed tegen het vallen. Ik wil maar zeggen: melding van elke vorm van beperking is terecht. In het overleg van de sector met IGZ en staatssecretaris zoals dat na het opzeggen van de medewerking aan de uitvraag is gehouden, is onder meer gesproken over de mogelijkheid om voortaan in de uitvraag een onderscheid te maken tussen bewegingssensoren en ‘echte’ dwangmaatregelen. Ik weet niet of dat helpt. Weer een onderscheid erbij. Logischer zou ik het vinden als er de mogelijkheid komt om per verpleeghuis de context aan toe kan worden gevoegd van een (afwijkende) maatregel. De vraag is hoe die aanvullende informatie wordt gebruikt, maar dan kan het niet anders of je gaat het stadium van de checklijsten verlaten en over het algemeen lijkt dat alleen maar winst te zijn. Mogelijk dat we daarna met z’n allen kunnen ontspannen en de normen daadwerkelijk uit het beton gaan halen.

escaleren of simuleren

Zover is het nog niet. Het lijkt er op dat redelijke mensen hard aan het werk zijn om een rationeel compromis te bedenken, maar onderhuids zit er waarschijnlijk nog heel veel ergernis en argwaan. Mijn vrees is dat het na een conflict als dit nog maar twee kanten op kan gaan: richting escalatie of richting simulatie. In het eerste geval verhard de ruzie rond de normen zich, in het tweede geval wordt men steeds slimmer in schijnmetingen en andere vormen van window dressing. Het is in ieder geval iets wat ik buiten de zorg in genoeg sectoren zie. Dit terwijl de situatie vraagt om meer zelfcontrole via (horizontale) peer-to-peer inzet, wordt de rol van een (verticale) inspectie veel te veelomvattend en worden (politieke) verwachtingen onrealistisch hoog. Alle partijen moeten in deze fase op hun tellen passen. Ik loop ze langs, mede om zo ook te laten zien dat het niet alleen een kwestie is van ‘de’ IGZ en ‘de’ ActiZ dat er anders geopereerd moet worden. Ik start wel bij ActiZ, maar dan vooral bij haar leden.

De branche en haar leden

Zeldzaam is de sector waarin de leden het niet helemaal gehad hebben met hun bestuur als het aankomt op toezicht en governance. Zeg maar een kwart wil alleen maar de kont tegen de krib gooien uit pure ergernis over ‘het gemak waarmee het bestuur het laat gebeuren dat al die bureaucratie over hen uit wordt gestort’. Aan de andere kant is er ook een kwart die vindt dat ‘de rotte appels in de club’ nu eindelijk moeten worden aangepakt en zich afvraagt waarom het bestuur zelf niet strakker handhaaft. De rest er tussenin probeert zich ‘bezig te houden met nuttiger zaken’ en geeft het bestuur wat ruimte voor actie, wat nog niet wil zeggen dat het bestuur een mandaat heeft voor welk nieuw systeem dan ook, zeker niet als de voorzitter van buiten komt. Onder die omstandigheden met een sterk eigen governancemodel komen, vergt hogeschoolwerk van elk bestuur. Makkelijker is het om de inspectie een almachtige boemanrol te geven. In het geval van ActiZ is er naar mijn indruk (ik sta echt op afstand) hard gewerkt aan een eigen kwaliteitskader en manier om dat te toetsen. Ik mag hopen dat de leden serieus werk gaan maken van wat de eigen branche heeft ontwikkeld.

De patiënten en hun vertegenwoordigers

De patiënt is de lieveling van iedereen. Voor de patiënt zijn we bezig – en dat is voor de meesten in de sector geen cliché. Dan is het wel jammer dat veel patiënten en hun vertegenwoordigers zo verdraaid conservatief denken. Ik vrees dat dit meer is dan een generaliserende opmerking. Als het om toezicht en kwaliteit gaat, zie je een constante voorliefde voor strak en gesloten overheidstoezicht. Dat is niet onlogisch vanuit het krachtenveld en de rol van veel patiëntenorganisaties daarin. En natuurlijk zijn er ook meer dan genoeg incidenten om wantrouwen in de zorgaanbieders te rechtvaardigen. verstandig is het echter niet. Gesloten en strak wettelijke vormen van toezicht werken wel – maar op de langere duur vooral averechts. Juist patiëntenvertegenwoordigers zouden moeten begrijpen dat de kwaliteit van verrichtingen het hoogste is als degenen die deze verrichtingen doen zich er ook direct verantwoordelijk voor voelen, er eigenaar van zijn.

De inspectie en hun politieke baas

Bij de meeste inspecties, zo ook de IGZ, werken hoog opgeleide mensen, doorgaans met veel gevoel voor het eigen werkveld. Ze weten vaak echt het beste wat er speelt. In toenemende mate maken ze daarbij gebruik van inzichten uit het risico- en systeemdenken en krijgen sociaal-psychologische aspecten aandacht. Dat is fantastisch en tegelijk schuilen er twee grote gevaren in. De eerste is dat ze andere vormen van toezicht dan de hunnen uiteindelijk gewoon niet goed en degelijk genoeg vinden. De tweede is dat ze een soort straaljagerpiloten op een lijnbus worden en de marges van hun mandaat gaan zoeken terwijl ze hun vragenlijst aflopen. Hoe dan ook; mijn beeld is dat de meeste inspecties zich inmiddels erg breed hebben gemaakt (of van de politiek hebben moeten maken) en dat ze niet meer uit de voeten kunnen met hun eigen wettelijke kader. Het zou mijn voorkeur hebben dat de inspectie zich weer op haar kerntaak van wetshandhaving gaat terugtrekken (alleen de wet dus en niet ook nog eens toezicht houdt op alle beroepsregels) en het aan de sector laat haar eigen fouten te gaan maken en herstellen. Regelrisico’s managen, daar gaat het dan om. Lukt dat niet, dan zou ik ook de stap naar voren maken en als inspectie het bijvoorbeeld aan te durven om echt context- en persoonsgebonden uitspraken te gaan doen. Een werkelijk integraal werkende inspectie hebben we al heel lang niet meer gezien.

‘De’ politiek

Wat viel er weer veel te lachen afgelopen week. Staatssecretaris Wiebes was ernstig in verlegenheid gebracht door een uit de hand gelopen vertrekregeling bij de Belastingdienst. De verontwaardiging daarover luwde pas toen hij verklaarde dat de Belastingdienst niet meer op afstand stond, maar direct in het departement zou worden getrokken. Daadkracht! Nu is de grap, dat geen uitvoerende dienst, werkelijk geen enkele, letterlijk zo dicht al bij het departement staat dat DG Belasting nooit verder dan een gang verwijderd is geweest van de staatssecretaris. Maar over de Belastingdienst zeiden we vroeger: ‘nergens is het meer donker dan aan de voet van de vuurtoren’. En zo is het maar net; andere, echt op afstand geplaatste uitvoerende diensten (de verfoeide ZBO’s) hebben hun verantwoording altijd beter op orde gehad. Wiebes had niets kunnen doen dat zinvoller was, dan het op afstand plaatsen van de Belastingdienst, maar het omgekeerde moest gebeuren.

Welnu, als de kwaliteitsdiscussie van de verpleeghuiszorg Chefsache wordt voor IG en Staatssecretaris, dan hebben beiden een fors probleem. Zeggen dat de sector het zelf op moet lossen, werkt dan waarschijnlijk weinig overtuigend. En toch moet dat. Mag ik de Stas adviseren om een reeks pilots in het leven te roepen om te zien wat de beste benadering is? Laat vooral veel activiteit zien, zeker van de kant van ActiZ. En laat de patiëntenvertegenwoordigers aan deskundigheid winnen. Maar zorg er in ieder geval voor dat de bal niet permanent bij u en de IGZ komt te liggen. Het is veel te makk

Blockchain, wij en de staat

/var/www/clients/client0/web53/web/wp content/uploads/schermafbeelding 2016 10 03 om 15.01.32

In mijn blog-chain vandaag iets over ‘blockchain’. Tijdens de dag van de Ambtenaar 2.0 mocht ik een werksessie verzorgen over dit thema. Hoe leg je iets uit zodat je het zelf ook meer begrijpt? Hoe doe je dat zo dat je tegelijk laat zien welke stevige keuzes onder het thema zitten, zeker vanuit een publiek perspectief?

Een afwijkende afspraak

Ik heb iedereen gevraagd hun horloge of telefoon 15 minuten terug te zetten. Immers, wat doe je als je gevraagd wordt om een sessie over ‘blockchain’ te houden en je hebt maar 45 minuten de tijd – dan kom je toch tijd tekort? Dan vraag je om wat extra tijd. Ja toch? Niemand maakte aanstalten. Ik vroeg of er soms iemand van de Tijdpolitie bij zat, maar dat was niet zo. Ik vroeg of ze een wet kenden die hen verbood de klok terug te zetten. Het antwoord was nee, maar nog kwam niermand in beweging.

Interessant. Er hoeft geen overheid aan te pas te komen om de groep gedisciplineerd binnen het systeem van tijdmeting te houden zoals we dat kennen. Tijd zelf is een natuurkundig fenomeen, maar de wijze waarop we die noteren en er mee omgaan is veranderbaar. Toch? Toch niet.

Een autonoom grootboeksysteem, zoiets

In meerdere opzichten raak je hiermee aan een wezenskenmerk van ‘blockchain’. Er is geen centraal gezag nodig of intermediair (‘trusted third party’) er is geen toezicht of handhaving nodig. Een klok is niet veel meer dan een opeenvolgende onveranderbare lijst van tijden, waarvan het eigendom berust bij iedereen en niemand (‘distributed ledger’), maar het werkt en het werkt wereldwijd. Mijn poging om even een klein minisysteempje op te zetten, faalt.

Nu moet je altijd oppassen met metaforen, maar blockchain heeft dus veel te maken met de hierboven genoemde kenmerken. In de vorm van een definitie: bij blockchain is er sprake van een autonoom grootboeksysteem, leidend tot ‘bewijs van eigenaarschap’, waarbij software-algoritmes transacties betrouwbaar en anoniem vastleggen.

Eigenaarschap

Het sleutelwoord is hier ‘eigenaarschap’. Dat eigenaarschap kan van alles zijn. We kennen het als het eigenaarschap van een bitcoin, maar in principe kan het alles zijn dat zich digitaal laat. Via algoritmes kan je dit bewijs van eigenaarschap uit de software filteren (‘minen’) en dan heb je een bewijs dat in de principe betrouwbaarder is dan een bewijs van eigenaarschap van bijvoorbeeld een identiteitsbewijs van een overheid of een testament van een notaris. Voelt u hem? Iemand heeft gezegd: “Wat internet was voor informatie, gaat blockchain doen voor transacties”. Als iemand die de eerste computer nog het kantoor binnen heeft gedragen, word ik niet zo snel heet of koud van een weer een aangekondigde ‘transitie’, maar toch: denk maar eens terug aan uw eigen bureau voor- en nadat het internet doorbrak: dat moet heel wat (woorden)boeken, tijdschriften en andere bronnen schelen. Doet u nu nog maar eens hetzelfde voor de transacties die u en uw (overheids)organisatie doen. De impact is in potentie groot, erg groot.

“Wat internet was voor informatie, gaat blockchain doen voor transacties”

Nuchter blijven

En toch blijft het zaak om nuchter te blijven, zeker als we werken voor de publieke zaak. Wat moet nu precies het advies zijn als we bijvoorbeeld worden gevraagd om de vraag te beantwoorden of we op bitcoins over moeten gaan, of we moeten gaan stemmen via blockchain, aan een pilot mee willen doen, of überhaupt moeten verklaren of blockchain een goede zaak is. Blockchain een goede zaak, zullen veel ambtenaren kunnen zeggen, ik kan het niet eens aan mijzelf uitleggen. Toch moet het. Dat kan met metaforen als hierboven, een video als hieronder, of via de paradoxen die hierna volgen.

Paradox 1: je kan geen fraude plegen met bitcoin / fraudeurs zijn dol op bitcoin

Bitcoin en blockchain worden nogal eens in één adem genoemd en dat is jammer. In feit is de ‘coin’, de munt – de bitcoin – maar één van de vele dingen die aan een ‘bit’ kunnen worden opgehangen zoals die ergens in de lijsten van een blockchain voorkomt. Inmiddels neemt het gebruik van bitcoins langzaam maar zeker toe, ook binnen overheden. In Zwitserland (!) is er een gemeente die betaling in bitcoins mogelijk maakt. Waarschijnlijk volgen er meer. Op zich is dat volstrekt veilig en fraudebestendig. Er is ooit in het nieuws wel een geval van bitcoinfraude gemeld, maar dat betrof de wijze waarop een soort bitcoinmarkt was georganiseerd, niet de blockchain zelf. Het minisysteempje werkte niet, het grotere geheel wel.

Maar er is inderdaad een andere kant. Er is geen ‘bank die als ‘trusted third party’ de betalingen bijhoudt, er is geen nationale bank die de betrouwbaarheid test. Nu heeft dat toezicht de laatste crisis ook niet kunnen voorkomen, maar toch. En het is logisch dat met de blockchain er nog veel meer ontslagen kunnen vallen dan bij de ING onlangs.

Zeg het maar. Gaat u als overheid over op bitcoins?

Paradox 2: voor een kiezer is niets veiliger dan stemmen via blockchain / niets is voor een overheid onzekerder dan stemmen via blockchain

De techniek voor stemmen via blockchain is al goed uitgedacht. Het is probleemloos om thuis al te stemmen en voor de deadline je stem nog een paar keer te wijzigen; de stem blijft toch altijd naspeurbaar aan jouw persoon gekoppeld. Maar wat moet de overheid maken van een systeem dat zich onzichtbaar voltrekt en niet te beïnvloeden valt? Het is niet waarschijnlijk dat potlodenland-Nederland er snel toe overgaat, laat staan het land van de gemiddelde dictator.

Paradox 3: Blockchain is ideaal voor digibeten / Digibeten snappen niets van blockchain

Een wereld zonder moeizame controles, zonder instanties of inspecties. Geen 10 keer een vergelijkbaar formulier invullen en steeds weer een nieuwe fout maken – alles duidelijk, herleidbaar, vindbaar, onveranderbaar. Fantastisch, zeker als je nerveus wordt van elke computer of instantie.

Tegelijk klinkt het wel eng, dat blockchain. En laten we wel zijn, ook veel hoger opgeleiden zijn eigenlijk digibeten. Eng om met iets mee te gaan dat ik zelf niet begrijpen. Misschien maar eerst een pilotje. Oh, kan dat niet bij blockchain? Moet het eigenlijk wereldwijd/ Dan maar liever helemaal niet.

Paradox 4: Blockchain leidt tot een betere en rechtvaardige samenleving / Blockchain ontmantelt overheid en rechtsstaat

Iets om over ne te denken en misschien wel de kern van de discussie over blockchain. Als een economie voor de helft of meer afhankelijk is van beleid en geld dat door de handen van de overheid gaat, dan kan blockchain niet om de overheid heen worden georganiseerd. Maar wat als het overstag gaat en blockchain breed wordt toegepast? Kijken we dan niet tegen een heel andere samenleving aan? Zijn we daar al aan toe?

Peter Noordhoek

=======

Meer informatie:

Het aantal activiteiten binnen de overheid rond blockchain neemt snel toe. Een uitleg van het fenomeen en een overzicht van de stand per september 2016 valt te lezen in de whitepaper Blockchain van Bas Kapteijn e.a., te downloaden via ICTU.

Deze tekst is mede gebaseerd op de Dag van de Overheid 2.0 2016. De sheets van de auteur en van de andere spreker over het thema, Paul Bessems, zijn te downloaden op de site van het initiatief.
=======

Vond u als lezer dit een informatieve blog? Of ten minste een blog die u aan het denken zet? Hoe dan ook, ik vond het weer erg leuk om met een groep over het thema aan de slag te gaan en wil dat best nog vaker in ander gezelschap herhalen. Deskundig in technologische zin ben ik niet, maar ik kan u wel minstens twee stappen verder helpen in de uitleg aan uw collega’s. Mail maar: dpn@northedge.nl

Kiezers in de kruipruimte. Een 2-takt duiding van de komende Kamerverkiezingen

/var/www/clients/client0/web53/web/wp content/uploads/schermafbeelding 2016 10 02 om 18.13.24

Sinds de zomer regent het al analyses en voorspellingen voor de komende Tweede Kamerverkiezingen. Leuk, zegt de campagneman in mij. Belachelijk, zegt de belastingbetaler in mij. Riskant, zegt de analist in mij. Die laatste heeft in ieder geval gelijk. Voor het eerst in lange tijd worden de Kamerverkiezingen in maart gehouden in plaats van ergens in de zomer. Dan moeten we ook de les van raads- en provinciale verkiezingen gaan toepassen: de situatie na de Kerst is altijd wezenlijk anders dan voor de Kerst. Deze verdeling in twee tijdvakken komt nog niet zo naar voren in de analyses tot nu toe, net zoals er andere tweedelingen zijn die ik onvoldoende terug hoor in de media. Laat ik daarom een poging doen een 2-takt duiding te geven, met vooral veel aandacht voor de rol van de TV-debatten. Tot slot geef ik mijn beeld van de ‘casus CDA’. Dat doe ik uiteraard omdat ik bij die partij hoor, maar ook omdat deze partij opvallend afwezig is in veel analyses.

Tweestrijd

Een illustratie van de afwezigheid van het CDA en Sybrand Buma kwam vandaag, zondag 2 oktober, in de vorm van een peiling van de Hond waarin was gevraagd hoe 4 verschillende tegenstanders het tegen Rutte zouden doen. Langs kwamen: Wilders, Samsom, Asscher, Klaver. De laatste drie vertegenwoordigen partijen die in de peilingen op respectievelijk de 5e en 7e plaats staan. Buma (en Pechtold) als tegenstander in de tweestrijd – doorgaans op de 3e plaats – vormt kennelijk geen serieuze tweestrijd. Dit is niet zonder praktische (bij)betekenis. Er zijn te veel partijen voor een goed TV-debat. Zeker een omroep als RTL zal geïnteresseerd zijn in het eenvoudige drama van een letterlijke tweestrijd. Dat gaat ergens over; het wel of niet aanwezig zijn in een debat kan een partij zo een paar zetels verschil schelen. De logica van de tweestrijd is echter nogal dwingend. Of toch niet?

Het is namelijk de vraag in hoeverre de kiezers op een tweestrijd zitten te wachten. In 2012 was dat zonder meer het geval. Het begin daarvan kan direct bij het eerste televisiedebat en Samsom‘s goede optreden daarin worden gelegd. Of Asscher en Klaver een vergelijkbaar verassingseffect zouden kunnen bewerkstelligen, waag ik te betwijfelen en zelfs bij de media verwacht ik een zekere Wilders-moeheid. De spelers zijn te bekend. In zekere zin is er ook teveel gebeurd de laatste vier jaar. Daarom is het waarschijnlijk dat zelfs Rutte gedwongen wordt tot een in essentie verdedigende positie, net als bij de laatste Algemene Politieke beschouwingen. Hij komt zichzelf anders te snel tegen. Eigenlijk, als ik mijzelf zo eens teruglees, worden het waarschijnlijk nogal voorspelbare debatten, met een beperkt effect op de kiezer. Een tweestrijd lost het gebrek aan drama op zich niet op. Maar er speelt meer.

Debat over debatten

In deze fase, zeker als het om de debatten gaat, ligt de macht in Nederland bij de omroepen, c.q. de programmamakers. Zoals Rutte zou kunnen zeggen: ‘Laten we daar niet te ingewikkeld over doen.’ Toch vermoed ik dat de programmamakers het dit keer snel fout kunnen doen met hun keuze voor een debat met slechts 2 of 4 lijsttrekkers. Dat is gewoon niet de weerspiegeling van de voorkeur van kiezer of kijker en doet al snel geforceerd aan. De kiezer zal waarschijnlijk tot op het laatst bezig zijn de eigen definitieve voorkeur vast te stellen en wil dus het aanbod zien. De programmamakers doen er verstandig aan daar rekening mee te houden. Nog scherper: een simpele links- rechts tegenstelling valt dit keer nauwelijks te maken. Er is een echt midden ontstaan met daarbinnen D66 en CDA als tegenpolen. De nadere keuzes zijn binnen links en binnen rechts. Kruisverkeer van kiezers is er nauwelijks tussen de twee flanken. Was ik programmamaker, dan zou ik een debat per politieke flank doen en een de winnaar mag zich meten met respectievelijk D66 of CDA.

Overigens ben ik – met mate – benieuwd wat de twee- (of drie-)strijd binnen de PvdA van Samsom en Asscher zal doen in media en peilingen. Het is toch wel een aardig voorgerecht (nou ja, meer een amuse). Ik vrees voor Samsom, die ik best hoog heb zitten, dat hij alleen bij de eigen achterban populair is. Mocht hij al winnen, dan verwacht ik een slechte uitslag en is Asscher ook nog eens 2e keus geworden. Aboutaleb? Spaar je. Spaar Rotterdam. Doe het niet.

Tweede keus

Over 2e keus gesproken; dit is waarschijnlijk het echte thema van elke serieuze analyse in dit stadium van de verkiezingen. Er is één enkele torenhoge favoriet: de huidige premier Rutte. Zijn positie laat zich waarschijnlijk het beste vergelijken met die van Lubbers in zijn hoogtijdagen. Toch zal een meerderheid van de kiezers maar een matig beeld hebben van zijn betrouwbaarheid en een ronduit slecht beeld hebben van de betrouwbaarheid van zijn partij, de VVD. Zelfs voor geheide liberaal-conservatieven zal er reden genoeg zijn om niet automatisch op Rutte en zijn partij te stemmen en de kruipruimte te zoeken onder de voor de hand liggende partijen door. Maar wat valt er te zeggen over de alternatieven?

Peilproblemen

Ondanks toch wel grote verschillen in de diverse peilingen, viel de eerste keus van veel kiezers goed af te leiden uit de peilingen tot aan augustus. De PVV is dan meer ‘top of mind’ dan de VVD. Op links en rechts zijn de flanken aan het versplinteren. Daar kunnen nog verrassingen inzitten (ik denk dat die vooral van DENK kan komen) en een partij als 50+ zal weer leeg zal lopen, maar hoe dan ook: het is een soep van 2e en 3e keus partijen die richting de verkiezingen steeds hoger tegen de wanden aan zal klotsen. Om te bepalen wat dit ‘gevecht om de 2e keus’ gaat doen, helpen de peilingen maar weinig. De enkele keer dat in de afgelopen jaren de tweede keus werd gepeild, zat er weinig in dat vermocht te verrassen en de marges in de peilingen leken mij nogal groot. Ook het nauwgezet volgen van de media helpt maar weinig; daarvoor zijn ze iets teveel bezig om het haantjesgevecht in de Haagse kaasstolp. Anders gezegd; ze zijn beter in het volgen van de persoon van de politicus dan die van de kiezer en daar zit echt een verschil tussen. Op dit punt ben ik echt benieuwd wat de verschillende partijen gaan doen als het gaat om hun Facebook-campagnes. Daaruit zou moeten blijken waar zij denken dat hun kernpubliek zich bevindt.

De ‘casus’ CDA

Een interessante ‘casus’ is dan het CDA. Al heel lang stabiel op een 3e of 4e plek, afhankelijk van de peiling, voel je dat aan het einde van de rit de uitslag fors kan afwijken van wat nu de 1e voorkeuren weergeeft. De bandbreedte lijkt ergens tussen de 15 en 25 zetels te zitten, maar het kan nog gekker worden. Het CDA, Sybrand Buma voorop, weet zelf regelmatig de media te halen, maar omdat de partij door de smaakmakers hoogstens terloops genoemd wordt in de ‘horse race’, lijkt het er niet op dat de partij serieus meedoet voor de top, laat staan dat het de kans heeft de grootste te worden. Toch lijken er weinig partijen te zijn waar de kruipruimtes makkelijker naar toe leiden. Op een reeks van thema’s – gezin natuurlijk, maar ook waarden en normen, gemeenschapsdenken, zelfsturing, de coöperatieve gedachte en zo langzamerhand ook veiligheid en justitie en defensie – mag het zich de (oorspronkelijke) eigenaar noemen. Vanaf de premier tot 50+: er is heel wat gekopieerd en overgenomen. Maar daarin lijkt dan ook direct het gevaar te schuilen; dat kopiëren is wel erg goed gelukt, zo hier en daar. Daarbij komt dat het CDA wel stevig en consistent oppositie heeft gevoerd, maar dat dit wel ten koste lijkt te zijn gegaan van de ‘gunfactor’ van collega-politici en journalisten. De VVD heeft duidelijk de conclusie getrokken dat deze partij het meest te vrezen heeft van het CDA en daarom geen enkele ruimte krijgt: na elke aanval van Buma wacht Rutte op zijn kans om Van der Staaij een compliment te geven. Kortom; het CDA heeft een mooi trackrecord opgebouwd als oppositiepartij, maar moet het niet van de beeldvorming in Den Haag hebben.

Waar het CDA het dan van moet hebben zijn de dingen die voor de partij heel klassiek zijn: breedte, boodschap en betrokkenheid. Wat het al heeft is breedte van een regionaal en lokaal verankerde partij en een boodschap die gelet op het kopieergedrag heel erg van nu is. Waar het om zal draaien is hoe het richting de Kamerverkiezingen kan laten zien dat achter de soms stevige taal van Sybrand Buma en de enorme drive van bijvoorbeeld een Pieter Omtzigt, de partij bekend is van de betrokkenheid die het al jaren toont bij het wel en wee van buurt en wijk. Dat lijkt erg in strijd met het idee dat de persoon van de lijsttrekker allesbepalend is voor het succes van een partij, maar volgens mij bevindt de kruipruimte van de kiezer zich niet onder Den Haag.

Peter Noordhoek

Het was voor mij tegelijk ontspanning en afleiding om deze blog te schrijven na een zware week. Nogmaals dank aan iedereen die gereageerd heeft op het bericht over het overlijden van mijn moeder.

Vindt u deze analyse de moeite waard? En denkt u dat het leuk is om deze in geactualiseerde en gesproken vorm te laten uitspreken op uw verkiezingsbijeenkomst, bel of mail mij dan. Ik maak het de moeite waard.


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek