Maandelijks archief: juni 2016

Spreker voor de Doden

In korte tijd heb ik vier keer afscheid moeten nemen van iemand. Elke keer was dat een goed afscheid, een afscheid vol liefde. De vorm waarop was sterk verschillend: een klassieke katholieke mis, een traditionele gereformeerde dienst, een creatieve theaterceremonie en een seculiere crematie in kleine kring. Maar elk had iets eigens, iets dat het warm in mijn herinnering maakt en van de andere aanwezigen. Bij de katholieke eucharistieviering voelde deze protestantse jongen de kracht van het ritueel, bij de protestantse kerk blijft mij opvallend genoeg het kerkzaaltje na afloop het meeste bij. Daar konden we eindeloos over beschikken en in de uitloop ervan werd in de kleine familiekring een verhaal over de overledene gehouden dat echt de mens liet zien. Van de theatervoorstelling valt zoveel te herinneren, maar wat was het bijzonder om een van de sprekers naar de kist te zien lopen, waarna hij ons voorging in een staande ovatie voor de overledene, de theatermaker. Bij de crematie viel mij de intieme setting op, met z’n allen in de kring gezeten rond de kist van de overledene. Het nodigde uit ware woorden te zeggen.

Woorden

En om die woorden gaat het. Die blijven het meeste bij. Geen Facebook kan daar tegenop. Verhalen waarin net-wel of net-niet brekend wordt verteld over de gedeelde tijd met de overledene, het korte saluut, de waardering voor de komst, de moeite van het afscheid. Soms kan ook de muziek opeens raken, of het stomme bidprentje. Het kan een glimlach geven als een kind om de kist kruipt en indrukwekkend zijn als een kist door een haag van mensen wordt gedragen of als een kind even de kist aanraakt, maar uiteindelijk zijn het toch de woorden die voor mij het meest bijblijven. Ik kan me groots vergissen, maar je komt toch vooral voor de overledene en die wil je in de geest nog één keer ontmoeten. De uitzondering is voor mij de gang naar een begrafenis om een naast familielid van de overledene te ondersteunen waarbij je die zelf niet of nauwelijks kent, maar ook dan komt de beleving er voor mij vooral als je ergens in dat afscheid ook de overledene ontmoet.

Teveel op maat

Begrafenissen, crematies, of hoe ze ook heten: ze zijn vermoeiend. Het reizen, het zitten, de emoties, het staan; van alles teveel. Onvermijdelijk dwalen de gedachten dan weleens af. Ik had dat sterk op weg naar huis van de laatste crematie, onder de indruk van de verschillen in de ceremonies. Opgegroeid in een traditie van kerkdiensten verbaasde ik mij over de verschillen, maar ook over het feit dat ze een ding met elkaar gemeen hadden: het gebrek aan een echte rol voor een voorganger of bewaker van het ritueel. Geen misverstand: niets ging mis. Integendeel. Er werd geen fout gemaakt. Wel moest ik glimlachen om de aardige mevrouw van de begrafenisonderneming die op knappe manier liet gebeuren dat zijn oud-collega theatermakers dhun mooiste voorstelling voor hun oude makker maakten.

Het was eigenlijk wel symbolisch: priesters, dominees, ceremoniemeesters, begrafenisondernemers en hostessen die zich allemaal helemaal richten op een zo mooi mogelijk afscheid van de overledene. Helemaal gericht op de wensen van de familie; op maat. Alle lof – maar ergens is ook een keerzijde.

Voorgangers, preken en gebruiken

Als alles op maat is, is niets gelijk. Als de familie alles aangeeft, kan de leiding alleen maar volgen. Als de overtuiging van de overledene de ceremonie bepaalt, kunnen kerken en andere instituten zich daar alleen maar omheen buigen. ‘Hoera!’, hoor ik velen denken – en dat begrijp ik prima. Tegelijk denk ik aan de tallozen die geen grote overtuiging hebben of de overledene eigenlijk niet goed kenden of door hun rouw niets kunnen uiten. Sommigen, ongeacht achtergrond, stijgen bij een overlijden boven zichzelf uit, anderen storten juist in. Alles gebeurt – dus er is ook veel leegte. Hoe maak je daar een ceremonie op maat van?

Zelf denk ik dat we in het verleden meer dan we zelf beseften omhoog zijn gehouden door voorgangers, preken en gebruiken. Ze legden letterlijk en figuurlijk een fundament onder het verdriet. Ze gaven kader aan al die donkere gedachten, de boosheid en onmacht die ook bij een afscheid horen, ook al willen we dat op zo’n moment niet weten of erkennen. Op hun best kunnen ze ons er aan herinneren dat het leven doorgaat en de moeite waard is, ook al wordt het niet de hemel of de zaligheid waarover gepreekt wordt. Er is perspectief. Op het moment van afscheid hebben we recht op alles wat ons overeind kan houden, ook de oude vormen. En dan denk ik verder dan koffie en cake.

Over de lat

Alleen die oude vormen zijn er niet meer, of niet meer zo vanzelfsprekend. Moeten de ceremoniemeesters mooie woorden gaan spreken, poëzie gaan citeren, zoals ik nu wel zie gebeuren? Het blijft iets houden dat dichtbij ongemak komt. Praten is iets anders dan spreken en weer iets anders dan preken. Wat de familie zegt kan nog zo echt onbeholpen zijn, het is per definitie echt. Dat is een hele hoge lat om door een ‘professional’ te kunnen raken, laat staan er overheen gaan.

Al denkend, dus niet zeker wetend, gaan mijn gedachten richting iemand die samen met de begeleider ook een ceremonie kan richten met de juiste woorden. Steeds, steeds vaker moet ik daarbij denken aan iemand die ik in een boek heb ontmoet.

Spreker voor de doden

Orson Scott Card schrijft in 1983 het boek ‘Enders’ Game’. Het is onlangs verfilmd. Veel minder bekend is zijn daaropvolgende boek uit 1986: ‘Speaker for the Dead’ – ‘Spreker voor de Doden’. Daarin wordt beschreven hoe Andrew Wiggin, onbewust en ongewild schuldig aan de vernietiging van een planeet – een game blijkt geen game te zijn, maar echt – daarna van wereld naar wereld gaat zwerven. Hij heeft een gave, een bijzonder talent: hij ziet het ontzielde lichaam van iemand en heeft dan het vermogen uit te spreken wat het verhaal van die persoon is geweest. Feitelijk, zonder interpretaties of kwalificaties. Met de dingen die mensen goed vinden en die mensen slecht vinden. Met niet alleen de laatste dagen, het vechten om lucht, maar ook de eerste dagen, het spel als kind met een takje en een veer. Verteld zoals het was en geloofd door iedereen die het hem hoorde vertellen, ook al was men er niet bij toen het gebeurde: de Spreker voor de Doden.

Ook ongemakkelijk zaken worden door hem verteld. In zijn vertellen provoceert hij, spiegelt hij, vertelt hij ongemakkelijke waarheden, haalt vuil geworden sluiers weg, ook en juist voor de ogen van de nabestaanden. Liefde wordt hard, wordt haat. Hij laat zien hoe de misverstanden van het hart tot verdeeldheid leiden en hoe iedereen die luistert daar een eigen rol in speelt. En al sprekend maakt hij niet alleen het beeld van de overledene heel en compleet, maar heelt ook degenen die deel van dat verhaal zijn geweest, de nabestaanden. Nou ja; de schrijver, Orson Scott Card, gebruikt de Spreker voor de Doden dus heel effectief om een dramatisch verhaal te brengen.

Anker voor de nabestaanden

Dat is dus niet de Spreker voor de Doden waar ik aan denk. Hij verricht geen wonderen, is geen detective die laat zien hoe slim hij is. Hij – natuurlijk: zij – kan wel degene zijn die aan het begin van een ceremonie het beeld van een leven op hoofdlijnen schetst en daarmee de verhalen van de andere sprekers verankert en extra betekenis geeft. Geen zorg dat je eigen verhaal geen recht doet of niet compleet is: de Spreker brengt zijn indruk van het geheel.

Hij is een Spreker voor de Doden – meervoud. Het is een kunst en kunde om een goede Spreker te zijn en dat vraagt ervaring. Met die ervaring kan dan ook het rustige of bewogen gezag komen dat zo iemand in toon, gestalte en inhoud uitstraalt. Een enkel symbool kan wellicht die rol bevestigen. Dat kan ook het symbool van toga of priestersboord zijn: dominees en priesters zouden wel eens hele goede Sprekers voor de Doden kunnen zijn. Maar dat is het wat mij betreft. Het is ook weer aan de nabestaanden om een voorkeur voor een Spreker uit te spreken, maar het feit dat zo iemand er is, kan dus al een anker geven als alles verder draait om de overledene en diens nabestaanden.

Zou ik een Spreker voor de Doden op mijn eigen begrafenis willen hebben? Ah, daar heb je me. Wat zou die spreker over mij zeggen? Een beetje eng is het wel. Maar de Spreker spreekt ook geen oordeel uit en laat mij alleen maar zien in het geheel van mijn leven. En de andere kant is: waarom zou ik daar om moeten geven? Ik ben er niet meer. Maar woorden kunnen troosten en de juist gekozen woorden kunnen dat het best. Misschien moet ik die keuze maar niet naar mijzelf toetrekken. Laat gewoonte dat maar voor mij doen.

Peter Noordhoek

Let us Bremain calm – but alert

/var/www/clients/client0/web53/web/wp content/uploads/schermafbeelding 2016 06 19 om 20.49.00

Ogilvy, 2016

Binnen de Europese Volkspartij gaven wij elkaar allemaal het advies dat we ons stil moesten houden richting Groot-Brittannië over het EU-referendum. Elk advies over weggaan of blijven in de Europese unie zou wel eens averechts kunnen werken. Met dat advies was ik het eens tot ongeveer 2 weken geleden. Toen sloop er een toon in het debat waardoor duidelijk werd dat 1) het referendum over veel meer gaat dan alleen een vertrek van de UK uit de EU en 2) wij als Nederland en Europa ook tot over onze oren in de gevolgen ervan terecht komen, wat ook de uitslag zal zijn. Dat heb je het recht en ook de plicht om je te uiten.

Met de moord op Jo Cox heeft alles nog een extra dimensie gekregen. Sommigen reageren opgelucht dat dit wel zal leiden tot het in de EU blijven van de Britten. Ik mag het hopen, maar laat niemand het sentiment onderschatten waar de wens tot afscheiding uit voort komt en ik vrees dat de effecten ervan zich hoe dan ook nog doen voelen, zeker als ook de moord op Cox uit het nieuws is verdwenen, zoals onvermijdelijk gaat gebeuren. In deze video doe ik dat richting mijn Britse vrienden op een toon die hopelijk eerder redelijk dan boos is.

Mijn stelling is dat elk land speciaal is, zeker ook het Britse. Wat ons echter bindt is het ‘normale’; het stap voor stap werken aan ons leven, van dag tot dag. Dat moeten we koesteren, ook als het om Europa gaat. Ik stel hoe goed de Britten dat doen door een parallel te trekken naar het erk dat Jo Cox aan het doen was tot ze werd vermoord. Ze was een ‘surgery’ aan het houden in haar kieskring. Nee, een surgery heeft in deze context niets medisch; het betekent niet meer of minder dan een spreekuur voor iedereen die met iets zit en daarover met zijn of ‘haar’ parlementariër’ wil spreken. Een prachtig systeem.

Liever dan het over Jo Cox te hebben, trek ik een parallel naar een eigen ervaring met Greg Clark MP. Deze parlementariër is nu minister. Toen ik hem – en zijn assistent Peter Franklin – leerde kennen was hij een soort beleidsmedewerker op het partijbureau, net als zijn leeftijdgenoot David Cameron. Niet lang daarna werd hij parlementariër voor Tunbridge Wells, in Kent. In 2007 ging ik met hem mee op campagne, pal nadat ik zelf een aantal campagnes had gedaan. Het was fascinerend om de verschillen te zien. Wat mij vooral opviel bij het ‘canvassen’, was hoezeer Greg gewend was om de lokale mensen te ontmoeten. Als er werd opengedaan hoefde hij zich niet voor te stellen, de mensen kenden hem al. het gesprek werd min of meer voortgezet waar het de keer daarvoor was gebleven, met veel aandacht voor de lokale en ‘kleine’ dingen van het leven. Hoewel van nature zeker niet flamboyant – ook als minister wordt hij door de media als een grijze muis beschouwd – was hij heel vertrouwd en benaderbaar voor iedereen en werd daarom (bijna) keer op keer met ruime steun gekozen. Wat hij nog steeds doet, en Jo Cox op die bewuste donderdag deed, is voor mij de essentie van een ‘gewone’ politiek die veel belangrijker is dan al het grote en geweldige waar de media doorgaans vol van staan. De meeste Britten weten dit ook en wat ik in mijn woorden probeerde te leggen is dat Europa uiteindelijk ook niet anders werkt of kan werken. Beetje bij beetje moeten we het opbouwen.

Wat het gaat worden woensdag? Tot een twee weken geleden luidde de analyse dat het ‘remain’ kamp het maximaal zou winnen. Ik hoopte het. Een Britse collega en dataexpert Gareth Ham, nu werkzaam als hoofd Analytics & Data van Ogilvy, stuurde mij echter een prachtige analyse toe van het social media verkeer rondom het referendum. Uit die analyse kon je halen dat de Brexit-voorstanders steeds dominanter werden op het internet (de illustratie bovenin geeft het twitterverkeer weer na het eerste Brexit-debat). Bijgaande visualisaties laten verschillende groepen voor- en tegenstanders zien, waarbij het vooral om de knooppunten (‘codes’) gaat. nadere analyse laat zien dat deze knooppunten in belangrijke mate beheerst worden door voorstanders van Brexit. Het is bekend dat social media (vooral twitter) niet erg representatief is voor de gehele bevolking, maar het belang kan ook moeilijk verwaarloosd worden.
Wat dan volgt is dat de belangrijkste tabloids, de Britse schandaalbladen, voor Brexit kiezen. Onderschat dit nooit in de Britse verhoudingen. De grootste eigenaar van deze bladen, Rupert Murdoch, gaat het puur om de macht: tot Downing Street 10 heeft hij altijd toegang, tot Brussel niet. In de combinatie van social media en de schreeuwbladen heb je dus een soort tangbeweging richting hoog- en laagopgeleiden. Voeg daar dan het gif van de migratiediscussie aan toe, en geen wonder dat de peilingen in de loop van vorige week richting Brexit gingen. in de tijd dat ik veel contacten met de Conservatieven had, ben ik regelmatig aan de rauwe emotie blootgesteld geweest van de vijanden van de EU. Dat heeft indruk gemaakt. In die zin denk ik dat de peilingen het echte sentiment nog niet eens diep genoeg peilen.

De moord op Jo Cox zal deze trend ongetwijfeld gaan ombuigen, maar hoe ver precies? Mijn zorg is dat ook als het ‘remain’ kamp wint, de schade groot zal zijn. primair binnen groot-brittanniue zelf en dan vooral binnen de Conservatieve Partij. Cameron kan hoogsten een ‘hollow victory’, een lege winst claimen. Ook Europa moet op de korte termijn flinke schade verwachten. Als egeltjes zullen de landen weer moeten leren vrijen. Mocht premier Merkel in Duitsland in de problemen komen, dan kan ze van Groot-Brittannië (en Nederland) weinig effectieve steun verwachten. Op de langere termijn is een remain waarschijnlijk wel gunstig, maar hoe lang gaat dat duren? We zullen het zien. nu eerst woensdag afwachten en dan heel alert blijven.

Peter Noordhoek

When I Rule the Code

Schermafbeelding 2016-06-12 om 17.42.25

These days we are talking a lot about the effects of robotization on the labor market and the effect of drones on aviation safety. Interesting, but both are little more than a sideshow of something else that is happening underneath our eyes. What if we no longer need the people who write the codes, the algorithms? Will I rule the code? Or will the code rule me?

Skipping the code?
Until recently, I thought I had survived the digital revolution quite well and probably profited from it. Not like my little brother though, who is not like me from the IBM typewriter generation, but from the first generation writing code for an Antari. He now is a ‘software architect’ of apps for the ski slopes of New Zealand and the US. If anyone is a winner of the digital revolution, he is. But now there are signs I might come back into in the game and change roles with him – that is, if the present digital transformation does not make us all redundant first.

What I am getting at, is the likelihood that before long you do not actually have to be able to write code or know your algorithms, but can guide or ‘train’ them to do what you want with them. Let me try to give an ‘innocent’ example. If right now you want to make a trip from, say, your place in the US to southern France, but do not really know where to go or what to do, you have the choice to either ask a lot of questions on google and visit a host of websites or apps, including airbnb, or go to a real life human being at a travel agency to plan the trip for you (but who is probably never been there herself and has to resort to google and websites herself). In the near future, you can just say to your mobile device: ‘Plan a trip to southern France’. It still might come up short on the sort activities you want (though a visit to a rock festival may be part of it if you have done so before), but basically asking the question sets something in motion that is equivalent to the development of ten apps and twenty websites now. If the software does not get it, you do not rewrite the code, you coach it towards a better understanding by telling it for instance about your first summer love. After all; when was a holiday more memorable. No? Well, maybe you should not go back to any time before your honeymoon holiday.

Maybe I’m amazed
The specialists are calling this code creating code a part of the ‘deep learning’ that is now taking place. It is also connected to a grand term like ‘Artificial Intelligence’ (AI), but these are grand words that do more to hide than reveal what is now taking place.

First just a little bit more about what is happening now. Not because I pretend to be the expert, but because by writing it down – and you reading this – something can be learned that we need to be aware of, in the line of the Paul McCartney song: Maybe I’m amazed.
We used to think that we could get closer to the working of the brain by literally hardwiring a computer the way the brain works. We never got close. It takes up so much energy that you end up with a meltdown. Until recently we thought we could come closer to the brain by letting thousands upon thousands of people writing line after line of code. We would stash up the lines of codes until it covered everything. Some people warned about building a tower of Babel. They asked what the standard language should be, and then they wondered who would have final authority over the algorithms. Is ‘Open Source’ an alternative? Again it turns out that it does not work that way.

Shooting the gorilla’s
This amazing thing is what is happening: code is already learning how to write code; algorithms are leading to other algorithms. When engineers from Google try to find out how their search queries actually work, they ‘dive into a sea of mathematical formulas’. Most of them never are written by the human hand, they are ‘made’ by other formulas. They are the result of combinations of combinations. Though they might not yet be called ‘thinking’, the sum of it all goes way beyond our time and capacity to read it all, and in fact beyond our human comprehension. It is a new reality, a commodity, ours to use or abuse.

This was most clearly proved in an incident not long ago, when Google suddenly discovered that some ‘black people’ were tagged as ‘gorillas’. Immediately it tried to undo the damage, but the only thing they could think of was to eliminate any possibility to tag anything as ‘gorilla’. There were just too many unknowns in the code to solve a problem without creating more problems.

The awareness of awkwardness
This awkwardness is more revealing than the initial mistake. As long as we can go along with the algorithms, it all seems fine. We are doing nothing but strengthening our own preferences. It is when you interfere with this, that human awkwardness reveals itself. This is also the case with Facebook when it more or less got caught preselecting content for its news function. Very embarrassing for Mr. Zuckerberg’s quest for legitimacy, but in this case he might have been trying to do the right thing. In my blog I stated that you could not really blame Facebook for what, as a business, it was created to do, but that this is nog good enough when it comes to protecting public values. You need people and their democratic checks and balances for that.
But where does this leave me and my public values, when it feels like much of the coded world is already growing beyond human reach? How to tame what we created without making things worse in this interconnected world of code? How to tease it into something that fits our limitations and sensibilities, how to cajole it into some form of acceptable behavior, however defined? How to teach it? How to teach it to deal with our human weaknesses?

The questions all have the same answer: we can’t. We cannot expect to be better than what we create.

Where to go from here?
Now hold on. Before we land up in some kind of Monster of Frankenstein discussion, where are we, really? Just the other day I tried to get the Siri-application in my iPhone to search for a phone number on a website. I got hopping mad at the the stupid ‘girl’ and tried to teach ‘it’ by shouting abuse. It tactfully remained silent before repeated its question. I think most devices and applications will remain numb at our efforts to goad them with anything else then written code and exact ‘if A than B’ instructions. As in former transformations, we move through a world at different speeds, the old along side the new, the opportunities in sidestep with the risks. And when I have no true answers to the big things happening now, what better thing to do than challenging my awkwardness myself? How to go, as Wired intriguingly states, ‘to go from commanding my code to parenting it’?

So let me go back then to what triggered this blog: my own ability to transcend my ignorance of coding when I read that soon I might skip the coding and go for telling the software what to do. What will I do with that luxury?

Finding the trainer in me
First answer: I will challenge myself to think. To think of what I really want my software to do. Preventing myself from being distracted, is probably the key to that.

True contemplation might lead me to conclude I don’t need anything from my software, but knowing my creativity, I will probably think of something. So the next question might be: for whom am I doing this? Just for myself, or also for others. Do I give my instruction just to myself, or also for others? Is this for business or for pleasure?

You know what? I think I want to approach this whole question of training my software like the trainer that I am. I will think of what I want to transfer: knowledge, skills, insights. I will think of how I want to transfer it all: with words of course (probably too many), but also with images, storylines, questions. And I will want to make sure that what I want to convey, also comes across as such: I want to be able to check what has been learned.

Ruling the Code
Now I don’t know about you dear reader (glad you are still with me), but I think that in the coming months I am going to think about things to tell my software, while trying to prevent the need of a second honeymoon. From writing this blog, I have already deduced that it is going to take some wisdom on my part. The quality of my thinking has to be reflected in my training of the software. As always with training, you have to take your subject as seriously as you take yourself. I can only rule the code, when I rule myself.

Peter Noordhoek

A bit of literature:

The End of Code. Soon we won’t program computers. We’ll train them, Jason Tanz. Wired, June 2016.

Inside OpenAI, Elon Musk’s wild plan to set Artificial Intelligence free. Cade Metz, Wired, April 27, 2016. http://www.wired.com/2016/04/openai-elon-musk-sam-altman-plan-to-set-artificial-intelligence-free/

New Vision for Education: Fostering Social and Emotional Learning through Technology, World Economic Forum, 2016. http://www3.weforum.org/docs/WEF_New_Vision_for_Education.pdf

The End of Reflection, Teddy Wayne. New York Times. June 11, 2016 http://www.nytimes.com/2016/06/12/fashion/internet-technology-phones-introspection.html

When digital becomes human. Klantrelaties in transformatie. Steven van Bellegem. Lannoo BV, Belgium, 2014.

Rebound. Of hoe je een dorp door de tijd trekt

Opening sportpark De Trekdam

Opening sportpark De Trekdam

Onlangs werd ik uitgenodigd voor een basketbaltoernooi van vereniging ‘Rebound’ in ’s-Gravendeel, een dorp op het eiland De Hoeksche Waard, waar ik getogen ben. Dit ter gelegenheid van het afscheid van Cok Eckhart. Na 40 jaar lidmaatschap stopte hij ermee. De club wilde graag dat ik samen met de andere medeoprichters van toen er ook bij zou zijn en meedoen. Voor Cock, graag. Fantastische vent. Het vooruitzicht van een toernooi deed me aarzelen, na zeker 20 jaar geen bal meer in de ring te hebben gegooid. En dan was er nog die herinnering van de openingswedstrijd van de nieuwe club. Het is tijd dat ik mijn wreedste herinnering deel. Na deze blog heb ik geen geheim meer.

Mijn vrienden waren erbij. Vlak voor aanvang hielden ze me bezig met hun grappen en grollen. Een fluit klonk. Ik maakte me met moeite los uit hun greep en stormde de vloer op, richting de mêlee onder de basket. Uit die groep kreeg ik bal toegeworpen. Ik plukte de bal uit de lucht en zocht gelijk de ruimte. Daar! Met de bal vloeiend stuiterend onder mijn hand, snelde ik naar de basket en maakte, hoog springend, een perfect lay-up. De bal cirkelde langs de binnenkant van de ring en viel door het net.

Stilte. Een moment van verbijsterde blikken. Een volgend moment waarin het besef zich klein door mijn hersens lekte. Vrienden die links en rechts van hun bank af rollen. Ik had gescoord … in de basket van mijn eigen team.

Tsja. De uitnodiging voor het toernooi markeert dus het moment dat ik 40 jaar geleden heel knap een 2-punter tegen mijn eigen team haalde. Voor basketbal heel bijzonder. Mijn lieve, goede vrienden uit de middelbareschooltijd herinneren me er al 40 jaar aan, maar voor de rest voor de wereld heb ik het maar stil gehouden. Wellicht is het tijd om me er overheen te zetten. Er zijn redenen genoeg. Het doet mij zelfs aan het wonder van zo’n dorp als ’s-Gravendeel denken. En waarom er überhaupt een jubileum te vieren valt. Oftewel: hoe je een dorp door de tijd heen trekt. Want niets gaat vanzelf, en zelfs dat niet.

Ik was 18 toen ik hielp om Rebound op te richten en gelukkig was er o.a. Cock Eckhart om te helpen. Ervaring had ik al: op m’n 16e hielp ik om aan de Binnenmaas een windsurfvereniging op te richten, maar dit was toch anders. Er was een sporthal in het dorp gekomen. Naast voorspelbare sporten als zaalvoetbal en tennis, was er ook een volleybalclub gekomen, maar ik miste wat: basketbal. In die tijd zat ik op school in Oud-Beijerland en dat was een echte basketbalschool, met in de eigen club BOB alumni als Kees Akerboom. We hadden de eerste Amerikaanse pro in huis. Dat moest er ook in ons dorp komen. Een beetje overmoedig, maar wat zou het. Het werd in ieder geval de start van Rebound. Maar daar wil het eigenlijk niet over hebben. Ik wil het over die sporthal hebben. En over het dorp. En hoe het uit de 50-er jaren naar de 70-er jaren sprong en hoe erg de manier waarop dat gebeurde inspiratie zou kunnen bieden voor nu, want hier hebben we het over een maatschappelijk initiatief voordat iemand op het idee kwam het zo te noemen. Een in z’n soort waanzinnig succesvol initiatief.
Dit stukje Lekker Lang Lezen schrijf ik op basis van mijn eigen jeugdherinneringen. Die kunnen niet alleen fout zijn, maar ook nogal gebrekkig als het om de namen gaat van alle mensen die er een rol in speelden. Excuses aan hen, maar kom toch maar mee in dit verhaal, een verhaal dat ruwweg 15 jaar voor de oprichting van Rebound start. Toen de zestiger jaren aanbraken, maar de vijftiger jaren nog heersten.

= o =

Een man kwam op bezoek bij de dokter. De man, een belangrijker ondernemer in het dorp, verkeerde in algehele staat van ‘malaise’. Moe, lusteloos, ziek, neerslachtig. Nu zouden we zeggen dat de man een burn-out had, maar toen kende nog niemand die term. Of en wat de dokter, mijn vader, hem iets van medicijnen voorschreef, is mij niet bekend. In ieder geval heeft de man mij later verteld dat mijn vader hem een dosis gezond verstand heeft voorgeschreven: ‘Wat jij moet gaan doen, is meer bewegen.’ De man had echter geen zin in de enige twee sporten die het dorp echt te bieden had: voetbal voor de arbeiders of korfbal voor de christenen, wellicht omdat hij als ondernemer in het dorp nogal zichtbaar was en de keuze niet eenvoudig was.

Uit dat spreekkamerbezoek is de oprichting van de tennisclub ’s-Gravendeel voortgekomen. Mijn vader was thuis een stille en ik was toen pas een jaar of 5 oud, maar ik denk dat hij wel aangetrokken werd door die nieuwe, moderne sport van heldere lijnen, oranje klei en witte kledij. Hij ging een groep mensen om zich heen verzamelen die ook wel de sprong naar het nieuwe wilden maken. Daaronder de vrolijke slungelachtige boer Reinier van de Berg, die tussen het boerenwerk door nieuwe machines ontwierp en Dick Barth, diezelfde gedrongen ondernemer die op het spreekuur kwam, en onderdeel van een familie die zich door aan het ontwikkelen was van een traditionele vlasfamilie naar een machinebedrijf voor de landbouw. Moderniseerders dus. Ietsjes later zou daar onder meer de nieuwe directeur van de openbare school bij komen, Mees Boer. De rebellenclub kreeg vorm.

Tegelijk stond het hele dorp nog met beide benen in de verzuilde jaren vijftig. De vlasindustrie had ervoor gezorgd dat ’s-Gravendeel een dorp was met een echte arbeiderspopulatie en de PvdA als grootste partij en een forse openbare school. Tegelijk was het een door en door christelijk dorp, met een grote hervormd kerk in het midden van het dorp, aan het einde van de kreek, maar ook met daarnaast nog de afgesplitste kerken, voorop de gereformeerde en christelijk-gereformeerde kerk. Heel trots was men op de eigen ‘Christelijk-nationale school’. Wij schoolkinderen moesten dan ook niets hebben van de ‘openbare klapsigaren’.

Beide traditionele volksdelen hadden hun leiders, waaronder enkele hele goede wethouders, maar twee koppen sprongen er in gereformeerde hardheid bovenuit: die van burgemeester Verplanke en van dominee Arntzen. Beide hadden persoonlijkheden die groter dan het dorp waren. Verplanke zou uiteindelijk de Vereniging Nederlandse Gemeenten gaan leiden, Arntzen een eigen kerkgemeenschap. Beide mannen waren niet makkelijk, maar hadden wel visie.

Naast de burgemeester en de dominee moest natuurlijk nog een derde notabele staan: de dokter. Er was al een dokter in het dorp, dokter De Haas. Toch lijkt mij dat de hoop werd gevestigd op de jonge nieuwe gereformeerde dokter die in ’59 met zijn vrouw ging wonen in het doktershuis, aan de andere kant van de kreek, het hoge andere middelpunt van het dorp: in ’53 was dat de plek waar de dorpsgemeenschap haar toevlucht zocht.

Doktershuis aan het Havenplein

Dat leek ook goed te gaan. Binnen korte tijd zat de dokter op in het voor hem gereserveerde deel van de kerkbank vooraan in de gereformeerde kerk, zat hij in het schoolbestuur van de Christelijke school en in een reeks andere functies. Toch waren er al snel tekenen dat hij er minder dan traditioneel inzat. Zo liet hij al snel het bordje ‘gereserveerd’ van de voorste naar de achterste bank verplaatsen, onder het moment dat hij snel de kerk uit moest kunnen gaan bij een ongeval en liet hij zich zelden zien in de korfbalvereniging. Het spreekuur waarin de tennisclub werd geboren zou alles op de spits drijven.

Waar draaide het om? De zondagsrust. Terwijl ik druk bezig was om als 7-jarig jongetje met mijn kleurpotloden de zelfgemaakte tekeningen voor de nieuwe tennisbaan onleesbaar te maken, werd een strijd gevoerd over de komst van de tennisbaan. Daar was een vergunning voor nodig en dus een raadsbesluit. En hoe kon men er nu zeker van zijn dat de tennisclub niet op zondag zou worden gebruikt? Verzekeringen dat er respectvol met de zondagsrust om zou gaan werden niet echt geloofd. Dat werd pas anders met mijn vader in de rol van voorzitter. Niemand kon zeggen dat hij niet door en door gereformeerd was. Dat werd ook anders doordat dominee Arntzen (een fantastisch iemand buiten zijn geloof trouwens, ik heb fietsen van hem geleerd) tegen die tijd al vol in zijn kerkstrijd buiten het dorp terecht kwam en vooral doordat de burgemeester een nuttige neutrale bondgenoot ontdekte in de dokter in zijn dagelijkse strijd om het socialistische en het kerkse deel van zijn raad te verzoenen in het opkomend tij van de zestiger jaren.

Oprichting tennisclub

Zo kwam de tennisclub er. Het werd een groot succes. Al snel kwam er behoefte aan extra banen. En tegelijk kwamen er andere wensen bij: nieuwe velden voor de voetbal, een zwembad waarbij de dode kikkers niet langs de bak lagen en – heel belangrijk – toch ook wel de behoefte bij de korfbalclub om niet langer tussen de koeienvlaaien door te hoeven spelen op een iets aangepast weiland. Er moet iets gebeuren. De jeugd van ’s-Gravendeel moest worden beziggehouden. Anders zouden ze maar rare dingen gaan doen in die ‘sozen’ van ze. Dat haar werd ook steeds langer.

Maar de verhoudingen binnen de raad waren alleen maar vaster komen te liggen. De polarisatie was enorm. Het is in die tijd dat burgemeester en dokter elkaar opnieuw wisten te vinden. In 1965 werd de Sportstichting ’s-Gravendeel opgericht. Dat gebeurde met betrokkenheid van de gemeente, maar in de kern was het een particulier, of wat we nu zouden noemen; een maatschappelijk initiatief en om die reden getrokken door mijn vader, de dokter, als voorzitter en met Mees Boer, de schooldirecteur, als secretaris. Na een zeer spannend raadstraject werd de kwestie zondagsrust geneutraliseerd en kon de stichting van start.

Werk aan sportpark De trekdam

 

 

 

 

 

 
Een paar jaar later konden de nieuwe velden op de “Trekdam’ worden geopend. De burgemeester en de dokter trokken samen op, beide strak in het pak. Het lijkt er eerlijk gezegd op dat de echtgenote van de burgemeester (links) en die van de dokter (rechts) een afspraak hebben gemaakt over de jurkjes en witte handschoenen. Die bril van mijn moeder is natuurlijk wel te gek.

Dr. Verplanke en Dr. Noordhoek

Dr. Verplanke en Dr. Noordhoek

Mw. Verplanke en Mw. Noordhoek

Mw. Verplanke en Mw. Noordhoek

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tien jaar na deze opening kon ook een nieuwe sporthal door de stichting worden geopend. Maar wat gaan we in die hal dan doen? Iets later verscheen er een kleine annonce in de krant met de vraag wie er zin had in basketbal. Dat werd Rebound. De eerste wedstrijd werd gelukkig gespeeld voordat overal foto’s van werden genomen.

= o =

Het is een simpel verhaal. Iemand bedenkt een reden om een tennisclub te willen. Andere iemanden volgen. Iemand bedenkt een manier om de problemen in de raad te overwinnen. Andere iemanden volgen. Iemand bedenkt dat het nodig is een sportpark te hebben. Iemanden volgen. En een sporthal. Iemanden volgen.

Het lijkt zo logisch, maar het is niet vanzelfsprekend. Ergens in al die stappen, en goeddeels onbewust, is het dorp zich gaan aanpassen aan de nieuwe tijd. Dat zijn allemaal ideeën en beslissingen geweest waar iemand en nog iemand en nog iemand zich sterk voor heeft gemaakt. Het is niet ‘de’ geschiedenis die zich hier afspeelt – het zijn mensen die naar voren stappen, om wat voor motief dan ook. Op die manier is er als het ware over breuklijnen in de tijd heengestapt. In andere dorpen en plaatsen is dat niet gebeurd, of veel later.

Vooruitgang is ook een keuze, wil ik maar zeggen. En het interessante is dat hier de vorm is gekozen van een maatschappelijk initiatief, een stichting. Later zou deze stichting naar mijn indruk nogal verzakelijken en soms niet meer vormen dan een soort gemeentelijk uitvoeringsorgaan, maar zelfs in die tijd was de stichting bij machte meer aandacht voor de noodzaak van onderhoud te vragen dan klassieke ambtenaren hadden gekund.

Zou dat nu nog zo kunnen? Waarom niet. Er is wel iets verdwenen. De vanzelfsprekendheid waarmee ‘de notabelen van het dorp’ de kar trokken is er niet meer. Mijn vader en zijn vier broers kwamen zonder vader en volstrekt berooid terug uit Nederlands-Indië, maar vanaf het moment dat hij en zijn vrouw vanaf hun bovenverdieping in de gemeente Dordt, met mij en mijn broertje op de arm, het doktershuis introkken, was mijn vader de dokter en stonden voor iedereen – ook voor mijn moeder en ons kinderen – de spelregels vast. Dat is niet meer zo. Dat is goed en dan zie je ook dat met mensen als Cock Eckhart de ontwikkeling van het dorp gewoon doorgaat. En daarna ook. Tenminste, dat hoop ik.

Die zondag van het basketbaltoernooi voor Cok Eckhart, op weg naar de sporthal op de Trekdam, nam ik een omweg via de Zuid Voorstraat langs ons oude huis. Direct daarna nam ik de afslag rechtsaf, richting de Rijkestraat. Opeens bevond ik mij midden in de drukte van de uitgaande Gereformeerde kerk. Onze, mijn oude kerk. Het publiek dat de kerk uitkwam was zo mogelijk nog keuriger en hoofdbedekter dan in onze tijd. Iets verderop kwam ik ook terecht tussen de wandelende kerkgangers van de christelijk-gereformeerde kerk. Toen draaide ik de Strijense dijk op, ging linksaf, rechtsaf en kwam op het parkeerterrein van de sporthal. Korte broeken, T-shirts alom. Anders dan vroeger nu ook volop tatoeages. Een andere wereld, maximaal honderd meter van elkaar vandaan.

Alles is veranderd, niets is veranderd. De twee werelden liggen mogelijk nog verder uiteen dan in de vijftiger jaren van de vorige eeuw. Wie helpt ze overbruggen?

Peter Noordhoek


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek