Maandelijks archief: mei 2016

Waar is het midden? Hier is het midden!

/var/www/clients/client0/web53/web/wp content/uploads/schermafbeelding 2016 05 28 om 13.21.24

/var/www/clients/client0/web53/web/wp content/uploads/schermafbeelding 2016 05 28 om 13.21.24

We jagen van incident naar incident, van rel naar rel. Schelden wordt normaal. Bleke pubers kruipen vanachter hun computer de media in, trots op hun haat. Als vanzelfsprekend krijgen ze een platform. Harde volwassenen houden vast aan hun anonieme gelijk; ze weten beter hoe fout ze zijn. Op hun manier veroveren zij ook hun platform, want voor elk standpunt valt vroeg of laat wel een woordvoerder of politicus te vinden. Maar elk mens die door een opvoeding heen is gegaan, denkt: help, wat gebeurt hier? Kunnen we de vrijheid nog wel aan? De kracht van democratie, dat iedereen ongeacht afkomst of achtergrond zich kan uiten, verkeert in haar zwakte. Vrijheid van meningsuiting wordt vrijheid van feiten en het kwetsen van mensen het ultieme bewijs van die vrijheid. Elke reactie, elke publicatie lijkt dat in te wrijven.

Een land scheurt aan haar rand, maar de gevaarlijke gaten vallen doorgaans in het midden. Als wij in reactie op het vrijheidsmisbruik ook de randen op gaan zoeken door terug te schelden en ingrijpen te eisen, doen we precies waar de haters op hopen en zijn er te weinig mensen in het midden die de vrijheid gebruiken waar voor die is bedoeld: om te ontdekken, te bouwen, te leren.
Toch is het niet hopeloos. Voor elke nieuwe hater is er iemand die ontdekt dat ook terughoudendheid een verdienste kan zijn en dat uitgesteld oordeel een beter oordeel kan zijn. De antirevolutie is al begonnen, het antipopulisme krijgt steun. We bouwen het midden weer op vanuit het midden. We denken in termen van wat ik noem ‘meer dan nu’. We mogen genieten van nu, maar we hebben er ook overheen te kijken naar morgen, zeker in het publieke debat.

Afgelopen week sprak onze minister-president op zijn partijcongres over ‘waarden en normen’. Ik ga daar niet cynisch over doen – heel goed dat we een premier hebben die daarover wil spreken. Ik betwijfel echter of veel mensen, inclusief veel van zijn partijgenoten, denken dat het diep genoeg steekt. Het wordt volgens mij pas wat als anderen de ware aard van het midden herontdekken of gaan betreden. Ook als het moeilijk wordt en visie en daadkracht vergt. Dit is in ieder geval in woord en beeld, en in al mijn onbeholpenheid, mijn geluid.

Peter Noordhoek

DNB: vader of moeder van de banken

/var/www/clients/client0/web53/web/wp content/uploads/trends stockmarket

Deze week is door DNB en AFM een onafhankelijke commissie aan het werk gezet om de zgn. ‘bestuurderstoets’ te evalueren, nadat daar eerder door nogal wat bestuurders kritisch over is gesproken. Een kleine voorspelling: de commissie zal zeggen dat de bestuurderstoets een goede zaak is, maar dat er beter op de randvoorwaarden moet worden gelet en komt daartoe met aanbevelingen die neerkomen op extra procesgaranties en verantwoordingsstappen. Toch is het werk van deze commissie bijzonder relevant voor iedereen die nadenkt over de vraag hoe het verder moet met vooral de bankensector.

Huiver voor beoordeling

Komend van buiten de bankensector, begrijp ik de commotie over de bestuurderstoets niet helemaal. In het kader van vele, vele zelfevaluaties en audits ben ik niet anders gewend dan dat de leidinggevende of bestuurder meegenomen wordt in het oordeel over de hele organisatie. Dat betekent dus ook een gesprek met de leidinggevende of bestuurder. Of die gesprekken nu allemaal gedaan zijn volgens wetenschappelijk verantwoorde gedragspsychologische eisen? Nou nee. Het is wel zo dat je er natuurlijk op let dat degenen die met de leidinggevende gaan spreken van ‘voldoende zwaarte’ zijn, maar wat dat is heb ik ook nooit kunnen objectiveren. Uiteindelijk is het oordeel over de leidinggevende voor mij meer kunst dan kunde – of zou dat moeten zijn. In ieder geval voel ik mij meer thuis bij de term ‘intersubjectief’ dan bij ‘objectief’.

Als sector zou ik dus blij zijn met een ontwikkeling waarbij de beoordeling van nieuwe bestuurders ook langs andere dan formele criteria verloopt. Toch is er forse kritiek gekomen, van een veronderstelde lage niveau van de beoordelaars tot en met de meer fundamentele kritiek dat de bestuurderstoets neer zou komen op een kans voor de DNB om via de ‘open normen’ in zo’n beoordelingsgesprek te bereiken wat via de wet niet kan. Misbruik zou op de loer liggen; machtsmisbruik. Hoe de rol van de DNB is, wordt later bekeken (AFM komt niet expliciet aan bod). Hier wordt begonnen met de vraag waar nu eigenlijk de weerstand tegen beoordelingsgesprekken vandaan kan komen.

Een kwestie van ego?

Kan het zijn dat de (kandidaten voor) de leidinggevende van banken minder dan andere sectoren gewend zijn aan een oordeel van anderen? Twijfelachtig, maar hoe dan ook lijkt het beoordelen van leidinggevenden door anderen an sich mij geen waarschijnlijke bron van weerstand. Natuurlijk, het gebeurt dat leidinggevenden hun ego niet in bedwang kunnen houden in aanwezigheid van een beoordelaar, net zoals het kan gebeuren dat zo’n beoordelaar vergeet te luisteren en te veel met het eigen verhaal bezig is. Maar kom op zeg, op het niveau waar we hier over praten boezemt zo’n gesprek toch niet in ze hoge mate angst of afkeer?

Of zou het dan toch zo zijn dat de beoordelaars, zoals gesuggereerd, inderdaad te jong zijn om te beoordelen? Een leiderschapsexpert zal ik mij niet noemen, maar volgens mij kennen mensen op het niveau waar we hierover spreken een uitgesproken paradoxaal karakter. Een hoog ego staat naast een verfijnd afgestelde antenne, botheid naast het vermogen tot inspireren, etc. Het zijn het soort paradoxen waar klassieke HRM-instrumenten van gaan kortsluiten. Als ik mijzelf als CEO of topbestuurder een beetje zou kennen, zou ik terecht wantrouwend zijn als mensen mij zonder de juiste levenservaring en wel met standaard vragenlijsten tegemoet treden. Wat ik er echter van begrijp, is dat DNB en AFM wel degelijk hierover hebben nagedacht en met meer subtiele methoden hun beoordelingen doen. Toch valt op voorhand de bestuurders enige argwaan niet kwalijk te nemen. Gaat dat anders worden door de commissie. Dacht het niet. En terecht.

Een kwestie van macht?

Logischer is het dat we hier eerder tegen een machtsvraag aanlopen dan tegen kwetsbare ego’s. Ik herinner mij een gesprek met een Duitser die er tot mijn verbazing mee akkoord ging dat zijn organisatie bijna cent voor cent gecontroleerd werd. Dat lijkt me vreselijk, zo liet ik mij ontvallen. Hij zat er niet mee. Zijn voorkeur ging echt uit naar pennenlikkers. Het alternatief van intelligente controleurs die ‘mee gingen denken’ met zijn organisatie schrok hem veel meer af. Het laatste wat je wilt, zo stelde hij, is dat een auditor op jouw stoel gaat zitten. Ik leefde met hem mee, maar slechts kort. Van desinformatie komt nieuwe desinformatie en daar hebben we het hier wel over. Moedig kwetsbaar zijn levert op de langere termijn meer op.

Vader en moeder

Maar zouden de moderne bankbestuurders dat niet snappen? Daar zou je eigenlijk wel van uit mogen gaan. Is het dan een kwestie van wantrouwen tegen DNB en AFM? Eerder voorzichtig vertrouwen dan wantrouwen in de kleine wereld van de financiële topinstituten, zo lijkt me, maar reden tot zorg lijkt er wel te zijn. In een (te) simpel beeld neergezet, was de DNB tot voor kort een soort vaderfiguur die met al dan niet opgetrokken wenkbrauw zijn werk doet. Die benadering is nu totaal in diskrediet gebracht, maar die vaderrol heeft heel lang goed gewerkt. Daar lijkt een onbewezen moederrol voor in de plaats te komen, waarbij niets aan moeders ogen ontsnapt. De aanpak lijk wat zachter, maar is strakker en veel meer aanwezig. De vraag wordt dan: kan ze ook loslaten?

De goede analyse?

Bij mij blijft de vraag recht overeind of de juiste lessen zijn geleerd uit de crisis. Politiek lijkt de hele oorzaak van de crisis platgeslagen tot een gebrek aan strenge regelgeving en bijbehorend toezicht. Was het maar zo simpel. Veranderende economieën en technologieën, de rol van algoritmes, het elkaar niet meer kennen of juist te goed kennen; daar schuilen de lessen in. Regels voor buffers en de governance van instellingen lopen daar per definitie achter aan en voor je het weet knijp je het soort ondernemerschap af wat elke sector ook nodig heeft. Elke bestuurder die ook maar een beetje vooruitdenkt, weet dat flexibiliteit weleens het hoogste goed zou kunnen zijn voor het overleven van de eigen instelling. Maar is dat ook de insteek waarmee de toezichthouder naar de competenties van de bestuurder kijkt? De vraag stellen is hem toch ook wel beantwoorden.

Context is King

Hierboven begon ik met het beschrijven van mijn ervaring als auditor. Het gesprek met de leidinggevende was een onvermijdelijk onderdeel van elke audit. Dit gebeurde in het kader van onderzoeken in het kader van Baldridge award, EFQM en INK. Dat zijn benaderingen die er gekomen zijn op instigatie van een aantal CEO’s uit de grote bedrijven. Die hadden in de tachtiger jaren het inzicht dat je geen echt beeld kan krijgen van de strategische positie van een bedrijf zonder ook de persoon van de leidinggevende in ogenschouw te nemen. Ik denk dat dit inzicht een hele positieve bijdrage heeft gegeven aan de groei in de jaren daarna.

Ergens is iets misgegaan en doorgeslagen. Het is nu de toezichthouder die naar de leidinggevende kijkt. De sleutelvraag wordt dan of de toezichthouder in staat is om, al kijkend naar de positie van de bestuurder, de hele context van het bedrijf waarin deze actief moet worden mee te nemen. Is dat belangrijker dan de inschatting of de bestuurder binnen de wet zal blijven? Ik zie de tegenstelling niet zo, maar als het er op aan komt wel.

De sector eerst

Het knelt wel. Daarom tot slot deze opmerking, of beter gezegd, deze vraag: waarom doet de sector deze beoordeling niet zelf? Elders weten sectoren en beroepsverenigingen de weg naar peer review immers wel te vinden.

Het antwoord op de vraag is wel te vinden. Concurrentieoverwegingen maken het lastig om vormen van intercollegiale toetsing te vinden die niet direct raken aan concurrentiegevoelige informatie. Mijn ervaring is dat je zeker meer dan 500 redelijk ver op afstand staande collega’s moet hebben om tot zo’n toetsing over te gaan. Nederland is daarvoor nu te klein, met slechts een handvol aan volwassen banken.

Maar daar schuilt dan tegelijk ook een stuk van het antwoord in. Peer review op internationaal niveau zou nu al mogelijk zijn. Veranderingen in de omvang en structuur van banken bieden ook mogelijkheden. En misschien zijn er naast intercollegiale methoden ook nog wel andere vormen van onderlinge toetsing.

Horizontale toetsing is in principe altijd te verkiezen boven verticale toetsing. Laat de broertjes en zusjes elkaar maar een eind opvoeden – voorlopig onder het waakzaam oog van moeders.

Peter Noordhoek

 

Facing Facebook and democracy. Or why we the people should own the algo

/var/www/clients/client0/web53/web/wp content/uploads/schermafbeelding 2016 05 15 om 20.42.52

Source: Facebook, December 2010

 

 

 

 

 

This week Facebook was in the news because Conservative media felt they were excluded from FB. It would be a case of liberal bias by the social media giant. Immediately Marc Zuckerberg and others from FB started denying. No way, they said.
I tend to believe them. First and foremost, Facebook is a commercial venture. How would it benefit them to antagonize a large group like the conservatives in the USA? We are talking millions of people here. So, no intentional exclusion here, only a question of how this could happen in a technical sense. Even so, it is interesting to analyze what happened here; because elements of it can and will have repercussions for the way we have our democratic dialogue.

First the matter at hand. FB is ‘of course’ directing paid content to your Time Line, and ‘of course’ blocking unpaid content to reach a user. In 2014 they also ventured into spreading content from news sites and other publications, the so called ‘trending topics’. Though Facebook speaks of their ‘passive involvement’, they are not only using algorithms but also human editors to select and spread content. Now, former contractors told a publication “that they were instructed to select articles from media sites such as the New York Times, Time and variety and downplay right-leaning news sites, conservative topics or news about Republican Party leaders.” (Gizomodo, as cited by LA Times, May 10, 2016)

Again, I don’t think so. From a commercial point of view this makes no sense. I do think there might play another issue here: the low quality of many right wing media outlets, including the abusive way in which many conservatives express themselves. I have some conservative traits myself, but what is it that makes so many proud of being a foul-mouthed moron? Conspiracy thinkers, idea stinkers, internet stalkers; more often than not you can find them in right wing circles. Abusive language is part of the deal, it proves they are, well what? Any algorithm that takes abuse seriously is bound to find them out (I am worried about this blog, now). These are not the kind of communicators that convince, more the kind that turn you off.

Is this fair? No, but pretty logical. The fact that FB (and the likes) blocks the slightest hint of a nipple or a curse, while condoning the most gruesome forms of violence, is merely the refection of our own hypocrisy. It is hard to blame FB for that. They are merciless when it comes to their commercial interest, like they showed when they brutally forced their users to the Messenger channel (I still hate them for that), but will never antagonize their users without commercial need.

Unfortunately, this does not mean there is no problem. At two levels there is a very serious problem.

The first one involves the next steps Facebook are going to take. In a way they will start behaving like any other public institutions that feels it has been caught acting outside its proper bounds. It will grow more careful. It will start regulating itself more strongly (or in this case: start algorithmicking itself more). In itself this is not a problem, to the contrary. But as a company like Facebook (or Microsoft, or Apple, or Google, or LinkedIn) has no counterforce in this respect, it will end up doing so too much. In effect, this will mean things like limiting freedom of speech and expression. As the nature of social media like Facebook is to create a lot of groups of ‘like’ minded people, this will add even more to a tendency to stimulate ‘in-group’ thinking and limit diversity.

The second problem has to do with the position of Facebook and other big social media enterprises and their part in the regular democratic discourse.
In the Netherlands we have just had a terrible example of a referendum. The question was wrong, the process was manipulated, the issue was not the real issue. Nevertheless, many people thought the referendum was a fine way of kicking ‘the powers that be’ in the shins. After all, ‘”representative government is failing us”, as one of the leaders of parliament keeps on telling us. Many, many people agree with that sentiment and are searching for alternatives. Now where do you go to when you want more direct forms of democracy? To the social media. The idea is that there you are free to express yourself and can reach everyone and anyone.

Really? In reply to the accusation aimed at Facebook, Senator John Thune (Rep.) said in a letter: “Any attempt by a neutral and inclusive social media platform to censor or manipulate political discussion is an abuse of trust and inconsistent with the values of an open Internet.” Well now, is it truly ‘censorship’ when commercial motives make the likes of Facebook delete content? Especially when readers don’t seem to want that info based on their reading habits? Because that is what we are talking about.

The thing is, in the end commercial social media are no valid alternative for democratic institutions that are under the control of the public. It will make both the public and the likes of Facebook very unhappy if we were to try so anyhow.
We need public alternatives under public scrutiny, with rules or algorithms as formulated as outcome of a democratic process. It will never be perfect, but it will be better then where we are going now. Does this mean we need to have European of American ‘public (social) media’? Well perhaps. We certainly should start thinking about the alternatives. Meanwhile we still have the much maligned terrible representative democracy as an alternative.

Peter Noordhoek

Literature:

By getting into the news business, Facebook opened itself up to a new controversy. Los Angeles Times, May 10, 2016.

Direct Media is Dead. Long live Censored, Suppressed, and Curated Media! Vincent Harris. Blog: https://medium.com/@vincentrharris/direct-media-is-dead-long-live-censored-suppressed-and-curated-media-ba0225bd39e4#.9h72ul1gv

Stop met de depolitisering van de partijfinanciering

Wij geven minder aan onze politieke partijen uit dan aan wat dan ook en verwachten er ondertussen alles van of geven het van alles de schuld. De betrokken politici doen de vertegenwoordigende democratie geen dienst door de discussie over partijfinanciering uit de weg te gaan, zeker zolang een beetje voetbalspits meer kost dan wat we voor onze partijen over hebben. Het is tijd voor een nieuwe inhoudelijke vergelijking om te bepalen wat we voor een partij moeten bijdragen.

Komkommertijdthema
Deze dagen ging het weer even over de financiering van de politieke partijen in Nederland. De traditionele partijen, waaronder het CDA, verliezen gestaag leden. Omdat de subsidie van de partijen in sterke mate is gekoppeld aan het aantal leden, zorgt dat voor grote schokken in de beschikbare budgetten, terwijl huurcontracten e.d. nog op de situatie in het verleden zijn gebaseerd. Een oplossing zou het verhogen van het vaste subsidiebedrag kunnen zijn. Gelijk wordt de discussie de kop ingedrukt met wat verontwaardigde stemmen.

Het is geen nieuwe discussie. Zoals Bart van Meijl, de nuchtere penningmester van het CDA, terecht zei: het is typisch een komkommertijdthema. De reactie op elk artikel is dan ook voorspelbaar: een reeks tweets en berichten waarin reaguurders weer “graaiers!” kunnen roepen en er digitaal “voor dat zooitje geen cent!” kan worden geschreeuwd. De net iets meer genuanceerden zeggen dat de partijen dan maar meer sponsoring moeten zoeken. Binnen de regels, uiteraard.

Waar is de tegenstem?
Te weinig klinkt een tegenstem, komkommertijd of niet. Iedereen wordt meegezogen in het beeld de crisis in de democratie. Daar lijkt het wel wat op. Kijk alleen maar naar de presidentsverkiezing in de VS, waar de ‘Grand Old Party’ als een vaatdoek over de heg hangt, gekaapt en gebruikt door Trump. Overal in Europa hebben we te maken met een versplinterde politiek, waarin oppositievoeren wordt beloond en verantwoordelijkheid nemen gehoond. Ook hier in Nederland is het raak, met een virtueel grootste partij die slechts één lid kent.

Iedere tijd is de ergste tijd
Tsja. Zolang de democratie er is, verkeerd deze in een crisis. Is het nu erger dan in de jaren zestig? Of rond Fortuyn? Kom nou. In rationele termen speelt er nu vooral de nasleep van een crisis in combinatie met een digitale revolutie. Dat is op zich wel serieus te nemen en daardoor reageren we naar het lijkt heftiger op verschijnselen dan in vergelijkbare tijden. Ja, dat geldt ook voor de vluchtelingencrisis. Maar wat is oorzaak en wat het gevolg?

Maar goed. Als iets als een crisis wordt beleefd, dan doen we er wijs aan het ook als een crisis te behandelen. Dan komt vervolgens wel de vraag aan de orde wat de oplossing moet zijn. En dan weten de critici vooral wat we niet willen, niet wat we wel willen. Het wondermiddel van het referendum smaakt naar levertraan en kwakzalverij. Elke kans om op een Zwitserland-achtige wijze referenda te gaan uitvoeren is de grond in geboord. En voor al diegenen die in social media een alternatief zien voor de parlementaire democratie: alle social mediakanalen zijn in de handen van niet-Europese grootmachten als Google en Facebook die volstrekt controleren wat u wel of niet mag publiceren, daar commercieel gebruik van maken en alleen aan aandeelhouders een beetje verantwoording afleggen. Natuurlijk; social media bieden een prachtig manier om snel en ‘gelijkwaardig’ te communiceren, maar laten we niet doen alsof het een alternatief is voor parlementaire democratie.

Gebrekkige alternatieven
Meer sponsoring en ‘eigen inkomsten verwerving’ als oplossing dan? Geen twijfel, zeker op Europees niveau zal het die kant opgaan. Maar veel bedrijven staan echt niet te springen om om in politieke partijen te investeren, net zomin als ze een investering in een krantenbedrijf nog een goed idee vinden. Wat mij gelijk bij de enige partij brengt die er wel degelijk wat in ziet: de media. De wijze waarop de media Trump in de VS en Fortuyn en Wilders hier niet met rust kunnen laten, werkt ook hierin door: het vooruitzicht op boeiende kopij, alle fraai verwoorde redactionele zuchten over deze personen ten spijt.

Democratie is hard werk
Er is één argument in de hele discussie over de meerwaarde dat te weinig wordt gehoord. Wat is het onderscheidend kenmerk van een politieke partij? Dat het kan organiseren. Sorry, maar democratie is hard werk. Niets gaat vanzelf – en zeker democratie niet. Oh, hoe onderschatten we dat.

Anders dan elk alternatief dat tot nu toe opkomt in de discussie over democratie, zou een politieke partij op basis van een langere termijnblik (noem het ideologie) mensen en ideeën op zo’n manier kunnen organiseren dat we geholpen worden bij de keuze in het stemhokje. Meer nog dan de fracties verdienen partijorganisaties steun. De partij organiseert de basis en kan bij een goed functionerende interne democratie voor tegenwicht zorgen tegen bijvoorbeeld vertegenwoordigers die te lang op het pluche zitten. Niets of niemand anders kan dat zo goed. Dat zou je kunnen koesteren. Want zo doorgaan is dodelijk. Aan de ene kant vinden we dat elke cent die naar een partij gaat graaiersgeld is. Aan de andere kant zijn we met z’n allen woedend omdat er niet geluisterd wordt en dat ‘de politiek’ niet werkt. Het is toch echt één van twee. Niets komt voor niets.

Vergelijking in geld
Laten we eens naar de budgettaire ruimte kijken. In een prima artikel zet Gijs Schumacher het nog eens goed op een rij. PvdA, VVD en CDA kregen in 2014 respectievelijk 10, 8 en 5 miljoen, samen 23 miljoen euro. In vergelijkend perspecteif is dat ver beneden Duitsland en dat is weer helemaal niets in vergelijking met de verkiezingsuitgaven voor een enkele staat in de verenigde Staten. De partijen brengen in Nederland een heel fatsoenlijk percentage (ca. 50%) bij elkaar in termen van ledenbijdragen (en dat nog zonder de bijdragen in tijd van de leden-vrijwilligers in geld om te zetten. Hier lijkt het plafond wel zo’n beetje in bereikt, maar het is geen slechte prestatie. Sponsorgelden zijn, zoals gemeld, relatief beperkt en er is eigenlijk ook wel consensus dat dit beter zo kan blijven.

Bewust worden hier de kosten van de volksvertegenwoordigers hier niet bij opgeteld, die om goede redenen 100% door het rijk worden gefinancierd. Om die reden mogen fracties hun budgetten ook niet gebruiken voor partijpolitieke uitgaven. Via accountantscontroles wordt daar ook scherp op gelet, zoals ik vanuit ervaring in zowel het landelijke als het Europese kan bevestigen.

Wat is redelijk? Wat is de inhoudelijke basis daarvoor?
Maar hoe bepaal je dan wat een redelijke bijdrage is? Eigenlijk is de laatste jaren niet veel meer gedaan dan de trend volgen, en soms zelfs dat niet. Een inhoudelijke basis voor de bijdrage wordt niet gegeven. Niemand die dat kennelijk durft. Toch valt daar wel iets op te bedenken. Dan moeten we terug naar het denken in termen van machtsbalans. Een politieke partij is slechts een van vele maatschappelijke factoren. Uiteindelijk zou je willen dat al die partijen zich op de redelijke wijze tot elkaar verhouden. En dat in termen van bevoegdhedenheden natuuurlijk, maar dat kan je tot op zekere hoogte ook uitdrukken in geld.

Een ongemakkelijke vergelijking
Dat is ongemakkelijk en dan zie je dat Schumacher zich beperkt tot het maken van een vergelijking tussn de 23 miljoen euro die de drie partijen per jaar krijgen en de prijs van een goede spits in het voetbal. Leuk en relativerend, maar waarom niet een stap verder gaan? Waarom niet de vergelijking (ook op basis van 2014) maken met andere ‘spelers’ zoals een bank, een automatiseringsbedrijf of – hoe durf je – een krantenredactie. Waar komt dat dan op uit?

Ik ben er aan begonnen en weer mee gestopt. Alleen al de uitkeringen aan de leden en oud-leden van de Raad van Bestuur van de betreffende bank kunnen de kosten van een politieke partij dekken. De kosten van een hoofdkantoor, mogelijk geschikt voor vergelijking, worden niet opgeschreven of vallen weg in de miljarden personeelskosten. Het budget voor de partijen valt meer dan weg tegen de kosten van een enkele reorganisatie van de Belastingdienst. Alleen bij de media komt het een beetje in de buurt: het totale bedrag van overheidssubsidies voor de 3 partijen is gelijk aan de uitgekeerde salarisisen van 1 media uitgever.

Elk vergelijking is ‘niet fair’ en ‘kijkt niet naar de aard van het bedrijf’. Absoluut waar en we moeten ook niet terecht komen ‘in de politiek van de jaloezie’. Maar de bedragen schuren wel, geven een heel ongemakkelijk gevoel. En de machtsvraag mag wel degelijk worden gesteld. Hoe kan je in redelijk verwachten dat onze democratie in leven wordt gehouden door instituten die nog geen fooi zijn op de balans van bijna al haar maatschappelijke tegenstrevers?

Stop met de depolitisering van de partijfinanciering
Columnist Ilja Pfeiffer legt de zwakheden van een democratie bloot: ‘Als de meerderheid van het volk wil dat het land naar de klote gaat, dan is daar niets tegen te doen. De democratie kan misbruikt worden en dat is een democratisch gegeven.’ Oh ja? En dat zonder strijd? Zo simpel gaat dat niet.

Het niet op realistische basis financieren van politieke partijen is in het grote schema der dingen een klein punt. Het doet op zich niets af aan het grotere probleem van angst en onzekerheid en kennelijk falende elites. Maar het maakt zo langzamerhand wel onderdeel uit van onze neiging lastige vragen weg te organiseren in vage formules. Het zou goed zijn als besluiten over de kosten van de (partij)democratie niet zouden berusten bij de politiek zelf, maar het is nu eenmaal wel het geval. Daarom is de eerste neiging om de kwestie van de partijfinanciering te depolitiseren. Maar die tijd heeft al te lang geduurd en wijst richting misbruik van democratie. Misschien is het wel zo dat de gemiddelde burger minder aan de vertegenwoordigende democratie wilt uitgeven dan aan zijn of haar festival bezoek, verzekeraar of media-abbonnement? Maar misschien ook niet. Hoe serieus nemen we de burger als we de burger laten wegkomen met het sluipend faillissement van de partijdemocratie zonder ze daar een stem en verantwoordelijkheid in te geven? Dan ga je toch minstens de strijd aan?

Peter Noordhoek

Geschreven zonder last of ruggespraak.

Karakter. Foppe, Bevrijdingsdag en wij

/var/www/clients/client0/web53/web/wp content/uploads/schermafbeelding 2016 05 01 om 14.44.30

 

1 op de 10 van de Nederlandse jongeren krijgt jeugdzorg, 1 op de 6 in Groningen.
1 op de 8 jongens en 1 op de 11 meisjes krijgt jeugdzorg.

Zo brengen de media de cijfers van het CBS op 29 april. Weet u het nog? Wat een aantallen. Is er zoveel met onze kinderen, vooral onze jongens, mis? Ja, dat mag je rustig stellen. Is er iets met onze jeugdzorg mis? Ja, mag je ook wel stellen. Maar meer nog dan een grote hulpindustrie hebben we mensen met karakter nodig.

Foppe
Het nieuwsbericht kwam op de radio bij mij langs en ik was het eerlijk gezegd al snel vergeten. Vergeten is iets dat je doet als je er zelf te weinig aan kunt doen. Of dat denkt. Of vindt dat je geen onderdeel wilt zijn van iets dat onbeheersbaar en onbetaalbaar is geworden. Toch kwamen de cijfers weer in mijn hoofd terug toen ik dit weekend een interview las met Foppe de Haan, die op z’n 72e SC Heerenveen opnieuw moest redden. Hij stopt weer. Hij heeft alle reden om tevreden te zijn over zijn prestatie, toch is te helder te horen dat hij het ook niet meer kan opbrengen om door te gaan. Dat heeft zeker met leeftijd te maken, maar ook met zijn wanhoop over de huidige generatie van spelers.

“Bij veel van deze spelers moet je drempels slechten voordat je ze bij de kloten hebt. Dat lukt je bijna niet, want ze hebben allemaal een harnas om, dan doen ze het klepje dicht. Je moet eerst klepje openkrijgen en dan het harnas uit zien te krijgen. Dan pas worden ze beter.”

Het harnas bestaat uit mobiele telefoons, zaakwaarnemers en het permanente signaal ‘je bent goed’. Dat laatste terwijl ze in zijn ogen nog niets kunnen, nog te weinig hebben meegemaakt.
Hij heeft recht van spreken. In hetzelfde interview (NRC, 30-4-2016) vertelt hij hoe hij opgroeide als zoon van een vader die als ongeschoolde handwerksman weinig ambitie toonde en een moeder die op haar 9e met depressieve klachten werd opgenomen. Zoon van moeder die ‘gek’ was. Zelf haalde hij op de lagere schoolcijfers die goed genoeg waren voor de HBS, maar daarvoor ontbrak het geld. Hij ging naar de ULO, werd sportinstructeur, leraar, coach en de rest is, zoals dat heet, geschiedenis. Voetbalgeschiedenis. Eerst en vooral die van Heerenveen. In datzelfde interview zegt hij:

“Ik ben soms te loyaal geweest naar aan SC Heerenveen. Misschien had ik, op het hoogtepunt in 2000 bijvoorbeeld, iets heel anders moeten doen. Het is zondag mijn laatste thuiswedstrijd, ze zullen wat bedenken. In 2004 had ik al een fantastisch afscheid. Ik heb nu tegen de voorzitter gezegd: je geeft me een hand, dan is het klaar.”

Foppe (niemand noemt hem ‘de heer De Haan’), dit zie je verkeerd. Wat jou onderscheidend maakt, tot een echt karakter maakt, is het feit dat je loyaal aan je club bent geweest. Misschien voor jezelf te lang, maar voor ons, op zoek naar voorbeelden, is dat precies wat jou zo anders maakt dan de uiteindelijk gezichtsloze coach of voetballer die de ene club verruild voor de andere, daarmee die clubs zelf gezichtloos makend. Bij jou gaat het uiteindelijk niet om het CV, om het bereiken van de ‘top’ club. Bij jou gaat het om de volharding en het trouw blijven aan jezelf en aan degenen die je je woord hebt gegeven.

Bevrijdingsdag anders
Ik heb een voor mijn ego gevaarlijke week gehad. Een reeks van doorbraken op Europees vlak, deed mijn vrouw me vragen naar de toestand van mijn sokken; die moesten wel erg slijten van het naast de schoenen lopen. Ik heb gezegd dat ze zich geen zorgen hoeft te maken: ze houdt mijn voeten zo stevig genoeg op de grond dat ze geen kans op slijten krijgen. Toch had ze dit keer niet zoveel zorgen hoeven hebben. Ik was helemaal gegrepen door een boek dat ik op Schiphol had gekocht: David Brooks’ ‘The Road to Character’ (Penguin, 2015). Brooks is mijn favoriete columnist van de New York Times (en de enige Republikein daar op de reactie, dan moet je extra goed zijn om te mogen blijven).

Schermafbeelding 2016-05-01 om 14.47.22

Brooks begint zijn boek over ‘de weg naar karakter’ met een terugblik naar 15 augustus 1945 (na de val van Japan). Bevrijdingsdag. Zijn radiostation herhaalt de uitzending zoals die dag in ’45 de ether in ging. Wat opvalt, is hoe ingetogen de uitzending was. Ja, er is gefeest die dag. Enorm zelfs. De foto van Alfred Eisenstadt vat het prachtig samen. Wat tegelijk van de uitzending opvalt, is hoe ingetogen die is; hoe het idee van bevrijding als het ware nog moet doordringen terwijl het besef van verlies er nog is. Intuïtief voel je; dit is een waardige uitzending, dit is echt, dit doet recht.
Als Trump schreeuwt: “We must make America great again!”, dan heeft hij gelijk, maar zou hij dit moet horen om te beseffen wat ‘greatness’ dan is. In 1945 werd er het karakter van een generatie in zichtbaar. In ieder geval is de tegenstelling groot met de manier waarop we anno nu iedereen die net een bal kan trappen of een microfoon kan beethouden met lof en likes overstelpen.

 

Adam I en Adam II
Het is niet helemaal eerlijk zo’n radio-uitzending te vergelijken met de bevrijdingsfeesten van nu, maar het zet wel aan het denken. Je krijgt het idee dat er een ander mensbeeld, een andere traditie achter zit. Brooks vertaalt het zelf naar twee mensbeelden: Adam I en Adam II.

  • Adam I is degene die gericht aan zijn of haar CV werkt. Plannen, checken, bijsturen; alles wat voor de carrière nodig is wordt gedaan.
  • Adam II doet dat niet. Hij of zij zoekt persoonlijke verdieping, een leven volgens een scherpe ethiek, waarbij het oordeel van anderen er niet veel toe doet, maar waarvan anderen zeggen dat het leven zich kenmerkt door bescheidenheid, een niet op henzelf gericht zijn.

Brooks onderbouwt zijn benadering bewust niet met een ‘7 manieren om een Adam II te worden’ benadering. Dat is typisch iets voor de Adam I. Alles wat hij kan doen, zo schrijft hij, is een aantal levens beschrijven van mensen die hij als Adam II ziet. Daar zitten bekende en minder bekende mensen onder. Augustinus, de essayschrijver Montaigne en president Eisenhower komen langs, maar de moeder van president Eisenhower en zijn collega George Marshall krijgen vergelijkbare aandacht. De diversiteit is groot: man en vrouw, gelovig en niet-gelovig, belangrijk en niet belangrijk. Wat ze met elkaar gemeen hebben, is dat ergens n hun leven (ver na de CITO-toets, zullen we maar zeggen) er een moment in hun leven is dat ze een andere koers doet varen, dat ze iets in zichzelf overwinnen. Geen midlife crisis die de vaart haalt uit een veelbelovende carrière, maar een crisis die leidt tot een nieuwe bestemming en een verdieping van talent. Een overgang van de ‘kleine ik’ (small me) naar Grote Ik (Big Me), die paradoxaal genoeg samenvalt met een sterk wegcijferen van datzelfde ik.

/var/www/clients/client0/web53/web/wp content/uploads/schermafbeelding 2016 05 01 om 14.57.31
Kritiek
Ik ben niet helemaal weg van de benadering van Brooks. Hij maakt via zijn voorbeelden duidelijk dat we het maar over een kleine groep mensen hebben die zich kenmerken als een Adam II figuur. Zijn portretten laten overwegend ook mensen zien met weinig levensvreugde of creativiteit. En hoewel een aantal voorbeeldfiguren niet (meer) gelovig zijn, schrijft hij een verhaal dat wel erg leunt op een Christelijke deugdenleer. Brooks lijkt zijn boek te gebruiken als een herontdekking van de Christelijke ascese en combineert daarin de zwaarste elementen van de protestantse en katholieke leer. Begrippen als ‘zonde’ en ‘lust’ worden opnieuw geladen en ik ben er niet van overtuigd dat we die op zijn manier nodig hebben om te begrijpen dat we onvolkomen wezens zijn en discipline nodig hebben.

Essenties
Liever ga ik dan mee met (door mij iets aangepaste) uitspraken als:

  • het leven draait in essentie om het drama van onze morele keuzes, niet om wat we weten te beleven of benutten;
  • we weten minder dan we denken te doen en verbeelden ons dat geestelijke en morele noden langs de weg van status en gewin kunnen worden vervuld;
  • hoewel we op veel punten falen, hebben we ook wonderbaarlijke talenten. We zijn in onszelf verdeeld, maar juist daarom hebben we het vermogen om met onszelf het gevecht aan te gaan;
  • bescheidenheid is de sleuteldeugd. Het herinnert je er aan dat je niet het centrum van de wereld bent, maar leeft voor iets groters;
  • het doel van de worsteling met de eigen zwaktes is niet het winnen; dat is niet mogelijk. Het gaat er om dat je wijzer wordt in het worstelen;
  • karakter wordt geboren gedurende de worsteling met jezelf. Karakter is het geheel van houdingen, wensen en gewoontes zoals je die langzaam eigen maakt. Het is het resultaat van duizenden kleine daden van zelfbeheersing, delen, dienen, vriendschap en bewust genieten;
  • en dat bereik je nooit in je eentje. Iedereen heeft hulp nodig en een doel voorbij jezelf. Maar besef dit: naast ons worstelen anderen net zo. Die grens tussen ons is overbrugbaar en daar kan hulp vandaan komen.

Ik hou het bij zeven – met een knipoog naar de zelfhulp boeken van Adam I – maar er zijn er natuurlijk meer en ze zijn allemaal makkelijk opgeschreven dan toegepast. Ze zijn, zoals gesteld, wellicht ook zwaarder dan wellicht nodig is voor Brooks of mijzelf., maar ik vind het niet erg dat we in dit tijdsgewricht weer teruggrijpen naar de dingen die niet vanzelfsprekend of vanzelf gaan. Wat mensen als Brooks en ook Foppe de Haan duidelijk maken, is dat er een maatschappelijke opgave ligt. Kennelijk leende eerdere tijden zich makkelijker voor de disciplinering richting Adam II dan de huidige en loont het om de goede kanten van de ‘stille generatie’ waar Foppe toe behoort nog eens goed te beschouwen. Wat houdt die stilte nog meer in dan de stilte na een oorlog of een gebroken gezin?

Wij
Deze blog begon ik met wat cijfers over het aantal jeugdigen dat de aandacht van Jeugdzorg moet hebben, inclusief een cynische sneer over deze hulpindustrie. Ik vermoed dat we ons binnen en buiten de jeugdzorg regelmatig hulpeloos voelen over de kennelijk enorme opgave. Elk van deze jongeren is waarschijnlijk niet voor niets onder de aandacht van jeugdzorg gekomen. Tegelijk is het zo wezenlijk dat we beseffen dat alleen ‘hulp’ geen antwoord op het probleem is. Het start bij elk individu zelf. Of het nu om de onverantwoordelijke jeugdige zelf gaat, de wanhopige ouder of de machteloze hulpverlener; we hebben allemaal onze eigen opgave die niet kan worden overgenomen door een ander. Maar er is hulp. Tenminste, als we nog voldoende Foppe de Haan’s voortbrengen die ons uit het harnas willen halen. Daar hoeven we niet bij voorbaat pessimistisch te zijn, maar het zou wel helpen als we iets beter nadenken over ‘De weg naar karakter’.

Peter Noordhoek


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek