Maandelijks archief: april 2016

Hoogcontinuïteit. De economie anders bekeken

/var/www/clients/client0/web53/web/wp content/uploads/schermafbeelding 2016 04 24 om 6.10.19 pm

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

It’s the economy, stupid! Jawel, maar hoe schat je de stand van de economie echt goed in? Doorgaans vind ik dat een te complexe vraag om in een blog te behandelen, maar een vliegreis naar de andere kant van Europa was lang genoeg om mijn kijk op de economie te beschrijven. Voor wat het waard is dus. Ga vooral een echte econoom of beleggingsdeskundige raadplegen als je persoonlijk advies wilt hebben. Dit schrijf ik omdat niets vanzelfsprekend is – zeker de economie niet.

Zin in huppelen?
De tijden dat we tegen elkaar zeggen ‘het gaat goed met de economie!’ zijn zeldzaam en liggen doorgaans ver van elkaar af. Zelfs in de tijden dat het echt goed ging – 2e helft 90’er jaren, de jaren 2004-7 – zou je niet zeggen dat het goed ging met de economie als je de nieuwsberichten van die tijd volgde. Officieel zitten wij nu ook in een omhoogklimmende conjunctuur. Loopt u ook huppelend over straat?

Niet dus. Dat is best jammer.

Wat we ons moeten realiseren, is dat er ontzettend veel mensen en partijen zijn die leven van de schommelingen in de conjunctuur. Van journalisten tot beleggingsspecialisten, van agrariërs tot politici; allen hebben direct of indirect de gewoonte of een belang om conjunctuurschommelingen te vergroten. Daar kan ik prima inkomen, en we hebben er bijna allemaal wel een handje van, maar soms is het goed om te beseffen hoe groot de mate van continuïteit is en wat voor dingen we daar mee kunnen doen. Want mensen, wij leven in een tijd van hoogcontinuïteit als het om onze economie gaat, met tal van zaken die hoop geven of in ieder geval de kans om in iets nuttigs te investeren.

Om dat aannemelijk te maken (bewijzen is zelden mogelijk als het om de economie gaat), kijk ik naar een aantal elementen die de continuïteit bepalen. Nee, niet direct naar inflatie. Inflatie is uiteindelijk een afgeleid verschijnsel en de hoogte ervan wordt nogal vertekend door de invloed van centrale banken. Het begint bij energie en grondstoffen en gaat dan door naar maakindustrie, de diensteneconomie en uiteindelijk het gedrag van consumenten. Dat laatste is het meest onvoorspelbaar en het sterkste beïnvloed door het soort beeldvorming waardoor we niet of te laat denken dat het economisch goed gaat.

Energie
De directe aanleiding voor dit artikel werd geboren uit een analyse van de energiemarkt door Hartmann en Sam in Harvard Business Review*. De prijs van olie is laag. Ook nu deze weer wat hoger wordt, is deze naar verhouding nog altijd laag ten opzichte van nog maar twee jaar geleden (wat is het geheugen toch slecht). Het valt niet te snappen als je alleen maar naar de trend kijkt met in het achterhoofd het oude OPEC-verhaal, waarbij slechts een beperkt aantal landen en leveranciers aan de knoppen draaien, vooral Saoedi-Arabië. Ook al hebben op de korte termijn Rusland en vooral Iran belang bij het verkopen van veel olie, dan nog zou je zeggen dat ze gevoelig moeten zijn voor het argument dat minder olie een hogere prijs kan opleveren. Waarom gaan ze dan niet mee met de oude groep van olieproducerende landen? Bekijk je het een laag dieper, vanuit het idee van ‘peak oil’, de eindigheid van de voorraad fossiele brandstof in de wereld, dan snap je het ook niet. De schaarste neemt toch alleen maar toe? Alternatieve energie dekt toch nog maar een paar zielige procenten van de totale behoefte? Met andere woorden; het zou logisch zijn vanuit zowel opportunistische als structurele oorzaken dat de prijs zich weer snel omhoog gaat klimmen.

De belangrijkste reden waarom dat toch niet gaat gebeuren is het potentieel van schalieolie. Op het moment dat de prijs voor olie weer een stuk hoger gaat worden dan, zeg, 50 dollar per vat, wordt het direct weer aantrekkelijker om olie uit schalie te gaan winnen. Dat is strategisch ook in het voordeel van landen die graag van hun olieafhankelijkheid af willen, met name de Verenigde Staten. Iets minder belangrijk, maar ook een factor, is het gegeven dat de bronnen voor energie uit wind en, water en zon langzaam maar zeker richting marktconform gaan. Met andere woorden; de alternatieven zijn er, of komen er aan. Het potentieel ervan houdt de prijzen nu al fundamenteel lager dan anders het geval zou zijn. Of, zoals Hartmann en Sam stellen, de prijs voorlopig rond die 50 dollar zal blijven, valt te bezien. De auteurs stellen dat lage olieprijzen tot hoge risico’s leiden voor landen met teveel afhankelijkheid van olieinkomsten. Wellicht. Zelf heb ik er juist uitgehaald dat er op het niveau van van de wereldeconomie juist sprake is van nieuw en relatief stabiel evenwicht. Zie het als mijn Cruijffiaanse variant op: “je gaat het pas zien als je het doorhebt.” Het concrete risico voor een kleinere groep mag niet het zicht wegnemen op de stabiliteit voor de grotere groep.

(Voor degenen die aandelen in Shell hebben: het gaat dus echt om de vraag in hoeverre en hoe snel ze in staat zijn een effectieve mix van energiebronnen te exploiteren.)

Grondstoffen
Per saldo zie je dat de prijs van grondstoffen eenzelfde dynamiek als die van olie vertoont. Daarbinnen kunnen grote verschillen optreden.

Schaarste speelt natuurlijk een grote rol. Als China en de andere BRIC-landen een terugval hebben, dan zijn de gevolgen overal merkbaar. Maar een echte 1 op 1 relatie tussen grondstoffenschaarste en conjunctuur is er niet, of het moet bij goud zijn, waarbij emotionele argumenten minstens zo zwaar wegen als schaarste.

Ook voor grondstoffen geldt dat het argument van schaarste wordt ondergraven door de ontdekking van steeds weer nieuwe alternatieven voor oude moleculaire verbindingen. Daarnaast zie je dat een door de crisis veroorzaakte consolidatieslag nog steeds gaande is en dat dit prijzen lager houdt dan de schaarste van een grondstof op het eerste oog rechtvaardigt. Een mooi voorbeeld daarvan is chocola. De vraag groeit al jaren sneller dan het aanbod (Guilty as charged, your Honour) en de markt is in handen van slechts een klein aantal spelers. Kopen, zo zou je zeggen. De marktpartijen zijn echter zo met elkaar bezig dat er (nog) geen sprake is van een oligopolistische misbruik van prijsmacht. Per saldo is de markt voor chocola niet zo hoog als mag worden verwacht, net zoals zelfs in het geval van staal de val niet zo laag is als je eigenlijk zou mogen verwachten.

Maken
In de crisis hebben we, zeker als je Nederland of Groot-Brittannië bent, herontdekt dat je niet zonder maakindustrie kan. Heel klassiek hebben we gezien hoe vooral de landen met een stevige maakindustrie – Duitsland, de VS – veel beter door de economische cyclus heen lijken te komen dan de landen die vooral een diensteneconomie hebben, zoals de onze. Of dat macro-economisch op de langere duur zo blijft is de vraag, maar ‘cultureel-economisch’ vind ik dat erg boeiend. We hebben de makers herontdekt op hetzelfde moment dat we door de bankierscrisis hebben ontdekt hoe fundamenteel leeg veel van de rest van de economie is. Door de heftigheid van de val van Lehman Brothers is dat een les die (iets) langer blijft hangen dan normaal. Het dempt de kans dat we hersenloos weer het heil van de diensteneconomie verwachten. De opkomst van de ‘share’-economie en de wildgroei aan start-ups is daar ook een uiting van. Gelukkig, we zien nieuwe oplossingen voor schaarste. Een hele generatie kraakt de hersenen over de vraag hoe nieuwe producten en bedrijfsmodellen eruit moeten zien. Ja, er worden luchtbellen geblazen, maar het is ook wel prettig om te zien hoe rood het hoofd van velen is die deze bellen aan blazen zijn. Er zit echt inspanningen en vernieuwing onder.

Diensten
Dat werkt dus door naar de diensteneconomie. Naarmate de dienstverlenende sector – van grootbank tot zzp’er en van advocaat tot arts – zich (verder) herstelt, zullen er heel veel oude lessen opnieuw geleerd zijn. Pure winst. Tegelijk krijgen we een economie die veel meer diversiteit kent dan voorheen. De grote fabriekengolf die vanuit West-Europa via India naar China rolde golft nu terug. Wellicht dat de Chinezen hun nieuwe spullen over ons heen zullen rollen als in de tachtiger jaren de Japanners deden, maar waarschijnlijker is dat er een golf van 3D printertjes aan vooraf gaat die stuk voor stuk niet goed genoeg zijn, maar samen wel laten zien dat we hier (en overal) iets, veel iets, maken kunnen. Dat zorgt voor stabiliteit en continuïteit.

Consument
Ten minste, als je een beetje in de buurt van de ‘echte’ economie weet te blijven. Hoe dichter bij de consument, hoe meer het beeld van continuïteit niet meer lijkt te kloppen. Bij miljoenen mensen is er wel degelijk sprake van winst door het beschikbaar komen van nieuwe banen, die op hun beurt weer gecreëerd worden door nieuwe producten en diensten. De lage inflatie is mede het gevolg van steeds lagere prijzen voor diezelfde producten en diensten. Wat een voordeel. Bij hen komt de winst van de globalisering en de internetrevolutie concreet op tafel. Maar hoe wordt het ervaren? De tevredenheid over de dag van vandaag kan onder druk komen te staan als tegelijk de zorgen over de toekomst groot blijven, zeker voor mensen die aan hun pensioen of aan de studiekosten van hun kinderen denken.

En dit betreft dus de groep die wel degelijk profiteert. Daarnaast is er een grote groep aan wie de nieuwe welvaart voorbij gaat. Juist belangrijke middengroepen die voorheen voor politieke meerderheden zorgden, voelen zich in de steek gelaten. De digitale revolutie vernietigt in ieder geval in de beeldvorming meer winkels, bedrijven en banen dan erbij komen. Robotisering komt er aan en dreigt voor nog meer werkeloosheid te zorgen. Voor hen geen toename in welvaart en zeker geen gevoel van stabiliteit. En al zeggen de cijfers keihard dat er minder gewapende conflicten in de wereld zijn dan ooit, en kan zelfs bewezen worden dat (Amerikaanse) politici overwegend – een realistische 87% – hun belofte nakomen; niemand die het wil geloven. Zij die geld hebben, vertrouwen dat geld niet. Zij die geen geld hebben, vertrouwen hun medemens niet. Samen levert dat een ernstige dreiging op. Niet de vluchtelingencrisis is het dominante politieke thema. De economie van het wantrouwen, daar draait het om.

Geld
Dat brengt ons tot slot bij de geldmeesters. Tenslotte: geld is geen geld zonder vertrouwen.

Het interessante is dat de VS en Europa zeker in de eerste jaren verschillend hebben gereageerd op de crisis. In de VS bestaat er links en rechts een vrij grote consensus dat een ruimer monetair beleid in combinatie met overheidsuitgaven al snel een stimulerend effect zal hebben. Het is een feit dat de Amerikaanse economie veel eerder uit het slop kwam dan de Europese.
De Europese keuze voor ‘austerity’, voor overheidsbezuinigingen in combinatie met krappe financiering, wordt in de VS dus nog steeds niet goed begrepen. Via het ruime beleid van de ECB onder leiding van Draghi, zou je kunnen zeggen dat eindelijk het Amerikaanse voorbeeld is gevolgd, maar de resultaten zijn allesbehalve indrukwekkend. Degenen die pleiten voor ‘austerity’ lijken hun gelijk te halen en stellen dat stimulering niet in de plaats van hervorming kan komen.

De werkelijkheid is dat beide benaderingen niet overtuigend wetenschappelijk bewezen zijn. Het aantal contextvariabelen is eenvoudig te groot om in de standaardmodellen te kunnen worden geplaatst. Er is in de afgelopen decennia een nieuwe Europese economie ontstaan en we doorgronden die nog te weinig om er zomaar Amerikaanse recepten op los te kunnen laten. Dat betekent nog niet dat we zonder monetaire stimulans kunnen. Mijn zorg is dat we in reactie op de crisis veel succesvoller zijn geweest in het bouwen van nieuwe toezichtconstructies (een psychologisch neveneffect van het austeritydenken), dan we zijn geworden in het verder integreren van de markt. De voor- en nadelen van de geldstromen komen dus ongelijk neer en zorgen weer eerder voor een economische patstelling dan voor de gewenste groei. In alle nuchterheid; het Japanscenario van stagnatie en soms deflatie is al enkele jaren een parallelle werkelijkheid voor Europa. Ook dat is – helaas – een vorm van continuïteit.

Heb ik grafieken die mijn bewering van (hoog)continuïteit kunnen staven? Ik ad er wel een aantal op het oog, totdat ik mij realiseerde dat ik deze alleen maar zou kunnen gebruiken zonder vele anderen die niet in dat plaatje passen te negeren. Dat is ook niet erg wetenschappelijk. Toch hou ik vast aan mijn meta-standpunt en meen ik dat veel plaatjes over prijzen en (beurs)koersen het resultaat zijn van grote hoeveelheden geld op weg naar een beetje rendement. Er is meer ruis dan toon. Die toon, het wordt in volle subjectiviteit gesteld, een iets oplopende maar per saldo continue toon.

Het wonder van fietsen
In de extremen van consumentenvertrouwen en de manier waarop we ons geld beheersen gaat het mis. Er is op dit punt sprake van balans, maar wel een negatieve balans. Nemen we daar wat afstand van, dan kan tegelijk gesteld worden dat er sprake is van een positieve balans als het gaat om de ‘reële’ economie; van oude energie tot nieuwe diensten. De twee vormen van balans houden elkaar in evenwicht en produceren samen de hoogcontinuiteit. De metafoor die hierbij van pas komt is die van de fiets. We vinden het gewoon om te fietsen, maar wat is het eigenlijk merkwaardig dat we op twee smalle bandjes door het leven peddelen en nog overeind blijven ook. Meestal gaat het goed, maar komen we te vallen, dan vallen we ook hard. Kijken we niet goed uit, schatten we de situatie niet goed in, dan is het zo gebeurd. Met hoog stuur en navenant zadel fietsen wij nu door de wereldeconomie. De enige manier om overeind te blijven is om door te fietsen. Laten we de handen aan het stuur houden en vooral goed naar voren kijken.

Bouwen op continuïteit
Wat kan een hoog continue economie in de praktijk betekenen? Veel, als we het goed doen. Bij een sterk wisselende conjunctuur valt het moeilijk plannen, bij een continue economie wel. Bij uitstek zijn dit de perioden om nieuwe werkwijzen en vormen voor regio’s, steden en instituties uit te proberen en op te bouwen. Continuïteit kan bovenal voor rust zorgen, ook de rust om te bouwen. Na de correcties op de fouten van voor de crisis – het voorkomen van nieuwe Lehman Brothers – is het nu zaak om de fragmentatie van de crisis weer te boven te komen. Zoals iemand het zei: als iedereen buiten de box denkt, wordt de box steeds zwakker. Die trend moeten we gaan keren. De tijd van de startups hoort goeddeels voorbij te zijn. Nu gaat het om de snelle groeiers, al snel moet het gaan om de stabiele blijvers. Overheid en uitvoerende diensten moeten leren hun dienstverlening weer op peil te brengen en helpen met het verspreiden van de welvaart. Bovenal moet de civil society weer versterkt worden; geen burgerparticipatie als alternatief voor bezuinigingen, maar als doel op zich, want we weten allang dat geen overheid de gevolgen van demografie en digitalisering alleen kan opvangen of voor het soort relaties gaan zorgen waardoor vertrouwen weer kan groeien.

Hoe lang hebben we daarvoor de tijd? Hoe lang duurt deze periode van hoogcontinuïteit? Poeh, als ik dat toch eens wist. Mijn schatting is dat we in Europe rond 2012 in deze periode van hoogcontinuïteit terecht zijn gekomen. Zonder te grote schokken in de vorm van een Chinese of Europese implosie, schat ik in dat we nog tot het einde van dit decennium hebben. Daarna wordt het hoogconjunctuur (het meest waarschijnlijk) of de lange weg naar beneden. Natuurlijk hou ik het op het eerste. Fietsen kunnen we toch allemaal?

Peter Noordhoek

* Bernard Hartmann and Saji Sam – What Low Oil Prices Really Mean. HBR, March, 28, 2016.

Tussen gelijk hebben en gelijk worden

/var/www/clients/client0/web53/web/wp content/uploads/schermafbeelding 2016 04 17 om 21.18.25

 

“Alarmfase 4”, zoals iemand schreef. Onderzoek liet afgelopen week zien hoe leraren er mede aan bijdragen dat kinderen van lager opgeleide ouders zelf ook naar een lagere opleiding gaan en dat kinderen van hoogopgeleiden juist overmatig vaak naar het hoger onderwijs gaan. We zijn niet gelijk, en dat wordt nog eens bevestigd juist op het moment dat breed wordt geconstateerd dat te grote ongelijkheid de wortel van het kwaad zoals dat ons nu economisch en politiek parten speelt. DAT KAN NIET!

Selecteren aan de mand
Mijn indruk is dat de analyse wel kan kloppen dat leraren de ongelijkheid in de hand helpen, maar dat we te snel naar de voor de hand liggende oplossing grijpen in de vorm van een herintroductie van de CITO toets. Het is weer tijd voor MEER D>N NU; het idee dat we voorbij de krantenkoppen van vandaag proberen te kijken naar wat wijs is. Dat wil niet zeggen dat je NU niet moet genieten, maar daar hebben we andere vormen voor. Filmpjes van poezen bijvoorbeeld. Mijn zoon heeft een nest met 5 poesjes (nou ja, van één van zijn katten dus) en ten minste één daarvan gaat onze richting op. Dat is NU een groot probleem en over wat er gebeurt als het beetje of de beestjes bij ons zijn gekomen valt heel veel te zeggen, maar dat gaan we niet in pedagogisch-didactosche termen uitdrukken (krachttermen worden bij gelegenheid niet uitgesloten).

keuze kitten
Voor ons mensen is dat wat anders. Als we klein zijn zitten er geen reuzen om ons mandje om te op basis van de manier waarop we lief wankelend door het mandje gaan te beslissen over onze toekomst. Het idee is dat we zelf onze toekomst maken, geholpen door onze leraren, gegidst door liefhebbende ouders. Het onderzoek leert ons opnieuw hoe subjectief dat idee in de praktijk vorm wordt gegeven: de (kinderen van de) rijken worden rijker, de arme armer. Opzet hoeft niet in het spel te zijn – ‘het is zoals het werkt’.

Dat hier alarm over wordt geslagen is niet onterecht. Onderwijs is de echte sleutel voor een meer gelijkwaardige samenleving, niet inkomenspolitiek. Zo is het ontzettend jammer dat de Piketty zijn rol als onderzoeker in zijn boek losliet voor een ondoordacht en averechts werkend belastingplan. Daardoor lezen we nu allemaal voorbij aan eerdere hoofdstukken waarin inkomsten uit arbeid bovenal wordt gedefinieerd als de uitkomst van een ‘race tussen onderwijs en technologie’ (hfsdt. 9) en rol van instituten zoals scholen en borginstellingen wordt onderkend. Zo valt overtuigend te lezen hoe de gelijkheid vooral toenam nadat na WOII de onderwijsinspanningen enorm toenamen en er in de breedte een infrastructuur kwam om die inspanningen naar alle hoeken van de samenleving te brengen. Hoe dat kon gebeuren is veel indrukwekkender en productiever dan de ‘politiek van jaloezie’ los te laten op het belastinggebouw – iets wat in theoretische zin eigenlijk het paard achter de wagen spannen is en iets wat in praktische zin vooral ten koste gaat van de (lage) middengroepen en niet van de rijken. Onderwijs, investeren in de volgende generatie, is, naast zorg, veruit de best renderende investering op de langere termijn.

Voorbij CITO
Maar het vraagt wel in alle opzichten blik voorbij de dichtstbijzijnde horizon. Afgelopen week werd er in ieder geval niet verder gekeken dan CITO toetsen. Ik kreeg er een ongemakkelijk gevoel bij. Je voelde de lobby van de onderwijssociologen om hun mooie ‘tool’ weer uit de kast te mogen trekken; het zou objectiever werken. Nog geen 2 jaar geleden is officieel geconcludeerd dat deze vorm van toetsen achterhaald is geraakt. Er moet meer ruimte komen voor het oordeel van de leraar. Zie wat er volgens de data van komt: nog meer ongelijkheid.
Wie durft het gevecht aan met de onderwijssociologen? Wie durft er te zeggen dat hij of zij voor meer ongelijkheid is, de gesel van deze tijd? Ik niet. Ik vind hun timing niet erg chic, maar een goede lobby kan ik altijd wel waarderen. De vraag is we ze er mee weg moeten laten komen. Ze kunnen gelijk hebben, maar onze samenleving wordt er uiteindelijk niet gelijker van. De lange weg biedt meer perspectief.

Het is een open deur, maar die verdient het op dit moment verder te worden opengezet dan de stand van semi-dichtheid waar die nu op staat: elke toetsing is niet meer of minder dan een momentopname. Ja, een CITO-toets is waarschijnlijk objectiever – op het moment dat deze wordt afgenomen. En het zou ook nog kunnen dat het daarmee op dat moment een betere basis is dan het oordeel van de docent.

Wat we echter in de gaten moeten houden, is dat tegen elkaar aan het zeggen zijn dat we meer op de professionaliteit van onze docenten moeten vertrouwen in het ondersteunen en begeleiden van onze kinderen. Het onderzoek is daarvoor een bittere contra-indicatie, maar het geeft nu nog vooral aan dat we onze docenten tot grotere mate van professionaliteit moeten aansporen. Ze weer op de kruk van de (CITO) toetsen laten leunen kan altijd nog; eerst moeten we de docenten hun vak laten herontdekken. Tot dat vak behoort zonder meer dat je talenten uit ‘zwakkere’ milieus toch weet te identificeren en op weg helpt. Daar talent voor ontwikkelen, helpt zoveel meer dan het herintroduceren van testen. Geen mooiere beloning voor een docent dan iemand boven zichzelf en zijn milieu ut te laten groeien. Toch?

Geen recht van spreken
Ik heb geen recht van spreken. Mijn vader ging als 16-jarig straatarm en recht vanuit het Lappenkamp toch naar de HBS en grossierde in 10-nen voor al zijn vakken. Daarna had hij de studie voor het uitkiezen en haalde overal de hoogste cijfers. Wat moet zijn oudste zoon een teleurstelling zijn geweest. Hij heeft het mij nooit laten weten wat een teleurstelling ik was, maar de omgeving dacht daar anders over. Ik was toch wel slim genoeg voor het gymnasium? In plaats daarvan werd het Atheneum, bijna van school gehaald, HAVO en toen ‘eigenlijk nauwelijks goed genoeg voor de MAVO’. Gelukkig greep de rector van de scholengemeenschap toen in en zorgde ervoor dat ik de weg naar boven hervond. Ik zal hem – en mijn ouders – eeuwig dankbaar zijn, maar eigenlijk had ik dat niet verdiend. De relatie tussen mijn hoog opgeleide ouders en de schoolleiding deed op een cruciaal moment het werk, niet deze verdwaalde jongen.

Hoe anders is dat niet bij de meesten. Te vaak zie ik om mij heen de resultaten van een onderwijspraktijk waarbij docenten allang blij zijn als ze een klas onder controle hebben en zich concentreren op de besten of de slechtsten. De grote middengroep – waaronder bijvoorbeeld mijn vrouw – wordt eigenlijk verwaarloosd. Later kan dan nog blijken dat iemand – zoals mijn vrouw – bijzondere kwaliteiten heeft die toch nog naar boven komen. Wat een massale verspilling. Met alle begrip voor de moeilijkheidsgraad van het lerarenbestaan, dat zou anders en beter moeten. Waarom zien we zo weinig dat leraren bij elkaar in de klas komen om elkaar te ondersteunen of te beoordelen? Waarom zien we zoveel groepen docenten die vreselijk eenzijdig zijn samengesteld, ook wat gender betreft? Waarom zien we dus geen effectieve programma’s die er op gericht zijn de talenten uit de lager opgeleide groepen toch tot ontwikkeling te brengen?

Geen herintroductie
De herintroductie van de CITO toets nu zou een alibi zijn om weer door te gaan op de oude manier. Zonder CITO toets zal de situatie nog wel een langere tijd ongelijke resultaten produceren, maar het is echt aan de docent om samen met de ouders – en uiteraard geholpen door een effectieve overheid – de werkwijze op school te veranderen, met een verkleining van de golf uiteindelijk als meetbaar resultaat.

En, weet u het al? Welk van de poesjes wordt het? Om het aantal bezoekers van mijn povere blog toch nog maar wat op te krikken (Linkedin: ‘Add an image that will get your readers attention’), gooi ik er nog maar een foto van een toekomstige poezenmoeder met een logische kandidaat in. We zinnen nog op een test.

/var/www/clients/client0/web53/web/wp content/uploads/img 2708

Peter Noordhoek

 

 

 

Gekrulde carrières

Sommige mensen richten alles op die ene ‘carrière’. Anderen laten die carrière in de steek of richten zich ook op iets anders. Dit is een blog over mensen die naast hun carrière iets doen of gedaan hebben dat als het ware een krul aan die carrière toevoegt. In dit geval voortgedreven door iets dat van oudsher met alles te maken heeft, behalve met carrières: de poëzie. Twee (voormalig) stadsdichters lieten dit weekend zien hoe je dat doet.

/var/www/clients/client0/web53/web/wp content/uploads/schermafbeelding 2015 12 29 om 22.19.48

De trots van een voorzitter

Voorzitter zijn van een een miniclubje als de Stichting Stadsdichtersverkiezing Gouda is een dienende functie. Samen met de andere leden regel je wat en eens in de twee jaar heb je na een heuse verkiezing een stadsdichter. Een mooie, overzichtelijke klus. Toch zijn er die momenten dat je echt trots kan zijn op wat dat klusje losmaakt. Dat moment had ik dit weekend twee keer.

Een voorstelling die de voorstelling te boven gaat

De eerste keer was in theater “De garenspinnerij” in Gouda. Daar nam Ruud Broekhuizen afscheid als stadsdichter. Poëzie is moeilijk. Het schrikt velen eerder af dan dat het aantrekt. Toen Loes mij op weg naar het theater vroeg waar mijn kaartjes waren, zei ik dat die niet had en dat ze waarschijnlijk ook niet nodig waren. ‘Oen’, zei ze, ‘het theater is vol’. Dat was zeker het geval. Gelukkig was er op ons gerekend en we schoven aan in een volle, volle zaal. Verbazend. Verbazend mooi.

Wat Ruud had gedaan was rond de gedichten uit zijn stadsdichtersperiode een voorstelling bouwen, met ondersteuning van muzikanten, dansers en anderen die hij in de loop van zijn twee dichtersjaren had ontmoet. Het resultaat was mooi, ontroerend, soms zwaar, maar altijd de moeite waard (en eigenlijk alles in zich had wat de recensenten van ‘Sky’ die week zo misten: vol lijn, karakter en echtheid).

Frenk

Even een voorbeeld dat letterlijk en figuurlijk dichtbij kwam. Vlak voor de kerst van 2014 kwam het bericht dat schuin tegenover ons een man was overleden. Op basis van de datum van de poststukken die onopgemaakt achter zijn deur lagen en de restanten van zijn maaltijd in de koelkast werd geschat dat hij al een jaar dood was. Dat komt binnen. In reactie hebben wij die dagen onze straat afgebeld, iedereen uitgenodigd voor een borrel en het uitwisselen van adresgegevens. Toch, het bericht beefde lang na. Ruud schreef er dit gedicht over (film Hermen Buurman):

En zo ging het van gedicht tot gedicht. Schitterend. Helemaal vreemd dat Ruud zo’n creatieve en professionele draai aan zijn stadsdichterschap geeft is het niet; in het dagelijks leven werkt hij als programmamaker en redacteur voor KRO-NCRV. Toch lijkt het mij zelfs in die werkomgeving niet vanzelfsprekend om je op het dichtwerk te storten. Wat een mooie krul dan op je carrière om zo’n programma te maken rondom iets wat de meeste van ons stil achter een computerscherm doen. Dank voor de avond. En om toch meteen maar de lat wat hoger te leggen: ga eens aan de gang met dat idee van mij om een mooi Tv-programma rondom poëzie te maken. Gelet op de duizenden en duizenden die in Nederland regelmatig iets proberen te dichten, lijkt mij de kans op een goed bekeken programma groter dan ooit. Ik wil maar zeggen; oenen als ik zijn er meer. Het kan wel! Zet die extra krul maar eens op deze mooie krul. We hebben gezien dat je het kan.

Wat groeit harder dan een tuin?

Het tweede moment van trots op een oud-stadsdichter kwam na dit bericht op social media van Jan Graafland. Jan heb ik leren kennen toen hij stadsdichter werd en tevens lid van het dichtgenootschap Gheraert Leeu. We moesten aan elkaar wennen. Ik een CDA’er die niet zelden in het pak naar het dichtgenootschap kwam. Hij voor mij de tuinier die groener dan groen uitstraalde. De waardering voor elkaars gedichten was echter groot genoeg en aangezien gedichten de hebbelijkheid hebben om uiterlijkheden te slopen, sta je vanzelf meer open voor elkaars achtergrond. In zijn geval was dat van tuinmeester (‘tuinmeester’ omdat dit beter past dan ‘tuinman’) bij Waleda, letterlijk werkend aan de ‘grond’stoffen voor antroposofische geneesmiddelen. Althans, dat was en is hij nu. Na een tijdje ontdekte ik dat hij een achtergrond als accountant heeft en een ware ‘hi-po’ was in dat vakgebied. Ergens is toen een Voltaire moment gekomen – ‘il faut cultiver notre jardin’, we moeten elk onze eigen tuin bewerken. Zo deed Jan. Maar als je lang genoeg leeft, en stadsdichter wordt, dan groei je verder. Deze aankondiging deed hij dit weekend voor een tentoonstelling waarin hij foto’s inbracht:

===

L.S.

Soms grijpt een mens voor houvast terug op zijn verleden. Sinds ik tuinman ben maakte ik geen foto’s meer. Foto’s zijn immers slechts bevroren momenten, doods. Een tuin echter, ontwikkelt zich altijd door, leeft. Ik achtte tuinieren hoger dan fotograferen, ging tientallen jaren in tuinen ondergedoken. Tot ik aan het schrijven sloeg, Gouda mij vroeg als stadsdichter.

Nu lezer, heb ik het punt bereikt te moeten onderkennen dat planten niet praten, minder medemenselijk zijn dan de mensen. Wat ik wil zeggen is, in mij heeft zich in de loop der jaren een ernstige heimwee ontwikkeld naar het mensenpark.

En op de dag van de aanslagen in Parijs, toen ik vluchtte in de koffer met oud, dierbaar fotowerk, zag ik vrijwel alleen maar… mensen
Wat ik met u wil delen; een paar beelden van het oude ambacht der dakpanmakers, pubers in het openluchtzwembad, het voor de dag komen van een meisje, het verval van een vader, bunker.

===

Is dat niet mooi? Van accountant naar tuinman naar dichter en fotograaf. Van cijfers naar grond naar woorden en beelden. Wat maak je dan mooie krullen aan je leven.

Trots

Ik ben best trots dat soort mensen te kennen. En er zijn er meer. Naast deze twee stadsdichters heeft de andere stadsdichters, van Inez Meter tot Klara Smeets, bijzondere kanten van zichzelf laten zien. De nieuwe stadsdichter, Hanneke Leroux, is ‘doordeweeks’ verpleegkundige in het Groene Hart Ziekenhuis. Over krullen gesproken. Inspireert het? Ach, misschien heb ik wel meer krullen dan ‘carrière’, maar het kijken en denken houdt nooit op. Interessanter vind ik hoe de lezer hierop reageert. Gaat u het toneel op in een voorstelling met uw kunst, gaat u ontdekken wat er harder groeit dan een tuin?

 

Peter Noordhoek

NB Ruud Broekhuizen heeft een prachtige afscheidsbundel van de gemeente Gouda gekregen, getiteld. De tweede adem. Aanschaffen.
De volgende stadsdichtersverkiezing is begin 2018.

Voorbij het referendum: andere verdragen, andere houding, andere referenda

/var/www/clients/client0/web53/web/wp content/uploads/schermafbeelding 2016 04 03 om 14.14.05

Ja, nog een artikel over het referendum van 6 april. Het is niet anders. Wat wel anders is, is dat hier antwoorden worden gezocht op de vraag wat er moet gebeuren voorbij dit referendum. Dit mag niet nog een keer gebeuren.

Tegen tijdgeest en tijdgenoten

In mijn jonge jaren ging ik tegen de tijdgeest en mijn tijdgenoten in. Iedereen om mij heen was pacifistisch en daarmee tegen de plaatsing van kruisraketten, maar ik vond het om geopolitieke redenen heel verstandig om het wel te doen. Het moment waarop Lubbers door demonstranten de rug toe werd gekeerd in de Houtrusthallen, gaf mij daarvoor een extra zet: als emotie tot disrespect leidt, wantrouw dan de emotie. Tegelijk wilde ik helemaal geen houwdegen zijn. Voor mij waren en zijn handelscontacten, trainingen en uitwisselingen het beste middel om echte veranderingen te bewerkstellingen. Meestal begint dat bij de laag onder de machthebbers, daarna eronder. En zo wordt de mat onder de benen van de machthebbers weggehaald. Soft power wins! – mits vergezeld van een reële kracht erachter.

Het is me vreemd te moede dat nu juist de soft power van het Associatieverdrag wordt aangevallen. Handelsverdragen werden in de tijd van de confrontatie met de USSR gezien als ‘verborgen verleiders’, een geweldloze manier om good will te kweken. Na de val van de muur kregen ze een hoog technocratisch karakter, maar nu mogen en moeten we ze weer in dat licht gaan zien. Dan heeft Moskou alleen al door het feit van dit referendum over een associatieverdrag een enorme slag gewonnen. Wee degenen die dit hebben gedaan ‘om de kijkcijfers omhoog te halen’ laat zich raden. Vroeger werd je voor minder veroordeeld.

De eerste reflex is dus om boos te worden. De manipulatie door de initiatiefnemers, de gemakzucht van de nee-zeggers, de brede onverschilligheid – het steekt en smeekt om een boze reactie. Tegelijk moet ik ook mijn eigen veronderstellingen tegen het licht houden, wil ik begrijpen wat er echt aan het gebeuren is en er de juiste reactie tegenover te stellen. Dat wordt dus kijken voorbij het referendum

Andere verdragen

Mijn eerste idee is dan dat het sluiten van klassieke associatieverdragen haar beste tijd heeft gehad, in ieder geval met landen binnen de Russische invloedssfeer. Van een technisch en alles omvattende detailakkoord, zullen we terug moeten gaan naar deelakkoorden met een beperktere scope. Economische en juridische verweving van een land met Europa creëren blijft belangrijk, maar politieke en culturele voorwaarden zullen een grotere rol gaan spelen. We zullen Rusland moeten verslaan in haar eigen spel.

Op Europees niveau zijn we er so wie so aan toe om op andere manieren verbanden te leggen met staten buiten EU-verband. Waar nadrukkelijker en meer symbolisch dan nu een hulpaanbod uit spreekt en tegelijk duidelijk is dat het niet om een voorportaal gaat van lidmaatschap van de EU. Paradoxaal genoeg is daar waarschijnlijk voor nodig dat we helder dan tot nu toe gaan vaststellen waar de grenzen van Europa lopen. Geografie moet daar de basis voor zijn (en dus de Balkan omvatten), maar waarbij alle staten uit het logisch verband kunnen vallen als ze niet aan een ondergrens voldoen. Oekraïne valt niet alleen buiten het logisch geografisch verband, maar zakt ook door de bodem van eisen. Met Scheffer ben ik het eens dat er een moratorium op de buitengrenzen van de EU moet komen: Turkije en Oekraïne zullen altijd de aard van een bufferstaat blijven tonen. Kissinger parafraserend, vind ik dat politiek-militaire neutraliteit het hoogst haalbare is. Dat is alleen geen reden om ze niet in alle andere opzichten te steunen en helpen, juist via de logica van handel en uitwisseling.

Andere houding

Een tweede idee – of beter geschreven: gevoel – is dat terwijl oude koude oorlog reflexen zich herstellen, de gemiddelde burger er fundamenteel anders op reageert. Iedereen voelde zich toen bedreigd door atoomwapens. Er werd weliswaar heel verschillend op gereageerd, maar niemand kon de dreiging voor lang reageren. Anno nu leven we met nog bijna net zoveel kernwapens als tijdens de Koude Oorlog, maar het gevoel is anders, het gevaar lijkt weg. Alsof we ons onze lethargie, gemakzucht en nee-zeggerij deze tijd wel kunnen veroorloven. Alsof we denken dat we onze teleurstelling over de werking van onze democratie kunnen verwerken door op lamme wijze sterke mensen als Putin te gaan vrezen of vereren zonder daar een prijs voor hoeven te betalen. Dat moet dus anders.

Nu kan ik evenmin een knop in het hoofd van al die mensen omgooien als die mensen dat in mijn hoofd kunnen doen – gelukkig maar. Maar na een referendum als dit moeten we wel snappen dat we strijdbaarder moeten zijn in het verdedigen van onze waarden in het publieke debat en het stellen van grenzen in hoe we ons ut laten dagen. Dus:

  • breder spreken over de beïnvloedingsoorlog die er nu speelt tussen Rusland en Europa. Justitie en veiligheidsdiensten meer prioriteit laten geven aan het opsporen en aanklagen van ‘agenten’ in dat spel. Duidelijk maken wat er aan het gebeuren is
  • de discussie over de toekomst van de EU meer in termen van veiligheid en bescherming voeren en minder in de context van economie en regelgeving
  • meer besef krijgen van wat we dreigen te verliezen als we ons niet weerbaarder tonen tegen de verleiding van politiek machismo, of die nu uit Rusland, de VS of ons eigen land komt.

Referendum: een historische mislukking

Dan het referendum zelf. Wat ook de uitkomst wordt, het mag nu al gelden als een historische mislukking. Iets waar we ons richting andere landen in Europa en zeker richting Oekraïne voor moeten schamen (zelf kon ik het artikel in de Economist over wat we hier aan het doen waren alleen maar met schaamrood lezen).

Mijn geloof in referenda als vervanging of aanvulling voor de parlementaire democratie is altijd laag geweest, maar dat betekent niet dat ik blij ben nu een van de meest voor de hand liggende alternatieven zo in diskrediet wordt gebracht. Toch, het wordt nu echt een kwestie van huilen en opnieuw beginnen. Een paar elementen:

  • hardere randvoorwaarden bij acceptatie van een referendumvraag. Dat minder aan de initiatiefnemers overlaten en harder referenties checken. We zijn met open ogen in de val getrapt van een aantal aandachtzoekers, dat kan niet nog eens gebeuren;
  • terug naar het raadgevend karakter van referenda. Dat geldt ook voor mijn eigen partij; niet verklaren dat we automatisch de uitslag volgen als het CDA niet wil dat referenda bindend zijn;
  • de puinhoop van de financiering van vage actiegroepen de volgende keer vermijden. Het gemak waarmee dat is gebeurd, staat in schrille tegenstelling tot de strakheid waarmee de Tweede Kamerverkiezingen worden gefinancierd;
  • gemeenten hadden gelijk om maar een beperkt aantal stemlokalen open te stellen, maar zo wordt het natuurlijk nooit wat. Je doet iets goed of je doet het niet. Het voorstel is dus om geen referendum meer organiseren zonder sluitende (blockchain) oplossing voor het op afstand kunnen kiezen. Dit laatste ook als opmaat voor ‘normale verkiezingen’, want het gebrek aan opkomst is een echt probleem, en niet alleen voor referenda.

De tijger bij de staart

En zo kan ik nog wel even doorgaan met het aandragen van oplossingen. Daarbij mag het duidelijk zijn dat we met een referendum als dit een hele gemene tijger bij de staart beet hebben. Voorzichtigheid is geboden – maar passiviteit is funest. Voorbij dit referendum zijn er in ieder geval twee overtuigingen in mij gegroeid. De eerste is dat het tijd is om strijdlust te laten zien: nooit meer wil ik mij zo via een referendum laten sollen. De tweede is de overtuiging dat we ook niet op dezelfde weg door kunnen gaan, of het nu om associatieverdragen gaat of over de vormgeving van referenda. Nee, we gaan niet over tot de orde van de dag na 6 april.

Peter Noordhoek


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek