Maandelijks archief: maart 2016

Een politieke audit in Brussel

Het beste antwoord op aanslagen als van 22 maart is dat te doen wat de terroristen verafschuwen, zoals het werken aan Europa. Ik was die dag in Brussel om een ‘politieke audit;’ uit te voeren van een belangrijk instituut. Hier dicht en vertel ik daarover.

Bent u ‘het gedoe’ rond de aanslagen in Brussel al zat? Ik snap het. Er zit iets in dat hysterisch en te makkelijk is. De ‘blunders’ van de politie en veiligheidsdiensten, de rituele van de rouw, het misbruik van die rouw, het is te voorspelbaar geworden. Maar toch, het was best wel iets, die aanslagen, ook al merkte ik dat zelf vooral aan de reacties zoals die van buiten Brussel kwamen en later die dag via de media.

Wat is nu het goede antwoord? Volgens mij niet: te veel bezig zijn met wat jij en ik niet kunnen beïnvloeden, zoals de hoofden van de terroristen of de werkdruk van de politie en veiligheidsdiensten. Volgens mij wel: dat doen wat de terroristen verafschuwen, zoals het werken aan Europa. Die dag en de dag ervoor was ik samen met een collega het Martens Centre for European Studies aan het auditeren. Ongeacht wat daar uit gaat komen, waren een boeiende dagen vol intensief onderzoek en even intensieve gesprekken. Ik realiseer mij dat ik nooit over dit deel van mijn activiteiten heb geschreven en dat maak ik hiermee enigszins goed. helaas heb ik er weer een lange tekst van gemaakt. Zoals wel vaker als het om Europa gaat is het best complex en dat pak je nu eenmaal niet in een paar woorden of een makkelijk beeld. Wel denk ik persoonlijk dat het heel boeiend is om de vraag te stellen waarom dit soort audits er niet veel meer zijn, maar ja … Hoe dan ook wil ik met iets beginnen dat kort is en vooral bedoeld voor degenen die de kern van mijn beleving willen meevoelen. Het gaat in de vorm van dit gedicht:

/var/www/clients/client0/web53/web/wp content/uploads/22 maart 2016

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een politieke audit

Er gaan golven van governance- en toezichtdiscussies over de wereld en veel hiervan vindt haar aanleiding in een politiek besluit. Dagelijks worden er duizenden audits gehouden met in het achterhoofd mogelijke politieke risico’s. Toch ben ik voor zover ik weet de enige ‘politieke auditor’ van Nederland en is er in heel Europa maar één andere ‘political auditor’: mijn Griekse collega. Graag wil ik vertellen over wat in ons geval de functie inhoudt, waarom het eigenlijk vreemd is dat deze functie niet breder bestaat en wat die functie zou kunnen inhouden.

Martens Centre
De functie van ‘political auditor’ is ingesteld bij de oprichting van het toenmalige ‘Centre for European Studies’ in Brussel, waarbij het CDA indertijd een van de initiatiefnemers voor de oprichting was. Sinds 2014 staat het bekend als het ‘Martens Centre’. Het is aan de ene kant een aan de Europese Volkspartij (EVP) verbonden Brusselse thinktank met veel eigen onderzoek en publicaties. Aan de andere kant is het een platform van de aan de EVP verbonden wetenschappelijke onderzoeksinstituten op het niveau van de lidstaten, waaronder het Wetenschappelijk Instituut van het CDA (WI). Op dit moment gaat het om 30 aangesloten instituten – ‘member foundations’ uit 22, plus nog een 10-tal andere strategische partners met wie samen research en verwante activiteiten wordt ondernomen.

De EVP (in het Engels: EPP, de afkorting die hier verder gebruikt wordt) is een bont geheel van centrumrechtse partijen en vormt het grootste collectief binnen het Europees Parlement. Zowel het bestuur als de wetenschappelijke adviesraad van het Martens Centre kent een uitgesproken zware samenstelling. Toen ik voor het eerst de site bezocht en de namen langs liep was ik beslist onder de indruk. De huidige voorzitter is de Sloveen Mikulas Dzurinda, een kleine, slimme marathonloper die als oud-premier na de communistische omwenteling er enorm aan heeft gewerkt van zijn land een land te maken naar Europees model te maken, iets waar zijn opvolgers meer moeite mee hebben.

Niet het eerste het beste instituut
Zeker sinds de laatste Europese verkiezingen, met de EPP weer de grootste partij en met het steeds belangrijker worden van Brussel als zodanig, is de status van het Martens Centre groot en groeiend. In een ranking van thinktanks staat het nu binnen de top 10 van ‘politieke’ thinktanks. De groei is snel gegaan. Gelukkig – en hiermee kom ik bij het thema van deze tekst – is er vanaf het begin veel aandacht geweest voor de governance van het Centrum. Omdat het centrum medeverantwoordelijk is voor de cofinanciering van onderzoeksprojecten van de instituten van de lidstaten (de zogenaamde ‘common projects’), realiseerden de oprichters zich dat de verdeling van de gelden een complexe klus is en baat zou hebben bij een tegelijk degelijk en transparant proces van verantwoording.

Meer dan een kascommissie
Wie de Nederlandse politiek en het verenigingsrecht een beetje kent, weet dat er dan zoiets als een ‘kascommissie’ moet zijn. In de meeste Europese landen is dat echter geen vanzelfsprekend fenomeen. Uit die discussie is de functie van ‘political auditor’ voortgekomen. Wie dat wil, kan nu zeggen: “Oh, dit gaat dus over de kascommissie van het cluppie. Zeg dat dan.” Ja, klopt – en daar is op zich niets mis mee. En toch is het interessant om de functie los van het fenomeen kascommissie te beschouwen en is mijn ervaring ook dat de rapportage van de political auditors anders wordt aangehoord dan die van een kascommissie in Nederland.

Controleculturen
Europa kent meerdere controleculturen, zeker ook als het om de toetsing van financiële informatie gaat. De internationale afspraken over accountantscontrole (IFRS) staan daar als een soort ijzeren wachter naast. De eerste political auditors gingen te werk op basis van de zeer grondige Noord-Europese wijze. Letterlijk elk bonnetje werd door de twee dames gecontroleerd en gecheckt tegen de onderliggende documenten. Niets ontsnapte aan de aandacht. Geen twijfel over; dit is heel goed geweest voor de startfase van het Centre. Het heeft mede voor een cultuur van relatieve zuinigheid geleid die er tot op de dag van vandaag nog inzit. Na enkele jaren hun werk te hebben gedaan gaven beide echter te kennen te willen stoppen.

Wat maakt een politieke audit tot een politieke audit?
Als één van hun opvolgers ben ik benaderd door een bestuurslid van het Martens Centre omdat hij mij kende als o.a. lid van de Stichtingsraad van het Nederlandse WI en omdat ik een achtergrond in audits heb. Kennelijk de juiste combinatie. Toen ik mijn Griekse collega Prof. Pantelis Sklias, actief voor het Karamanlis Instituut, voor het eerst sprak, waren we het er direct over eens dat we de aanpak opnieuw moesten overdenken. Wat maakt een politieke audit tot een politieke audit? Van de zijde van het Martens Centre kregen we de ruimte om onze eigen benadering te kiezen. Op basis hiervan is nu driemaal een audit uitgevoerd en een rapport gepresenteerd aan het bestuur. In dit artikel gaat het niet om de uitkomsten van de audits, al mag het duidelijk zijn dat over het geheel genomen het Centre onze toets per saldo steeds heeft doorstaan. De interesse gaat in deze tekst vooral uit naar vragen als: ‘hoe kan een politieke instelling het beste worden geaudit?’ en ‘hoe verhoudt een politieke audit zich tot een reguliere financial audit?’ De eerste vraag is de vraag naar de inrichting en die wordt hier iets breder opgevat dan wat we voor het Centre hebben gedaan. De tweede vraag raakt de meerwaarde van de audit ten opzichte van al bestaande vormen van toetsing.

De inrichting van een politieke audit
Er zijn in beginsel twee manieren om naar het object van een politieke audit te kijken. De eerste is er een waarbij een politiek orgaan centraal staat in een politieke audit. Dat is hier in directe zin aan de orde. De tweede is er een waarbij een niet-politiek orgaan wordt geaudit vanuit politiek perspectief. Over dit laatste gaat deze tekst niet, maar het is wel zo dat verschillende dimensies van een politieke audit heel relevant kunnen zijn voor organen daarbuiten. Let daar op, ook als deze tekst zich beperkt tot een politiek orgaan.

Europese controlelagen
Laten we deze paragraaf starten met de opmerking dat de klassieke politieke vereniging zoals Nederland die kent, niet zonder meer als model kan worden genomen voor politieke partijen elders en dat de partijvorming op Europees niveau toch weer andere trekken kent dan op nationaal niveau. Hoe een democratisch orgaan moet worden ingericht, daar kan heel verschillend over worden gedacht. Leidend zijn hier de eisen zoals die door het Europees parlement zijn vastgesteld voor transparantie en verantwoording. Zoals ik die heb leren kennen zijn ze gedetailleerd (zoals te verwachten valt), maar ook erg op transparantie gericht (minder verwacht); zeker in juridische zin, maar ook als het op de praktijk aankomt. Er zijn meerdere controlelagen. Het Europees Parlement controleert, de Belgische overheid controleert, de partij controleert. Daarnaast wordt er op projectbasis ook nog eens aan de kant van de nationale geassocieerde partijen gecontroleerd. Intern zijn er ook de nodige controles. Daarbij moet er ook nog eens rekening te worden gehouden met bijvoorbeeld een streng verbod op kruissubsidiëring van politieke campagnes door het Europees Parlement. Al met al meen ik dat we als Nederland weinig recht van spreken hebben als het gaat om de strengheid waarmee naar de partijfinanciën wordt gekeken. Als politieke auditors hebben wij daar een eigen rol in. Streng (de limiet waarboven meerdere offertes wordt gevraagd ligt op 5.000 euro), maar ook met oog voor de typische dynamiek van een thinktank annex platform als het centrum.

Doelstelling en opdracht
In het geval van het Martens Centre gaat het om een researchinstituut met een politieke missie – en dus niet om een politieke partij als zodanig. De doelstelling is vierledig:

  • Het centrumrechtse gedachtegoed verder ontwikkelen
  • Bijdragen aan de formulering van Europees en nationaal beleid
  • Als een kader fungeren voor nationale politieke stichtingen en wetenschappers
  • Het stimuleren van het politieke debat over Europa

Voor deze politieke audit geldt dat we deze doelstellingen wel in ons achterhoofd hebben, maar dat we primair de opdracht hebben om een audit uit te voeren op het financiële reilen en zeilen van het centrum. Op basis daarvan toetsen we door op andere dimensies, zoals de wijze waarop de research is ingericht, de projectorganisatie fungeert en de communicatieafdeling haar werk doet. We doen dat heel klassiek door een ruime steekproef van facturen en documenten tot ons te nemen, maar door ook door gesprekken met de medewerkers van het Centrum. Deze zijn afkomstig uit alle hoeken van de Europese Unie. Als je met hen spreekt, realiseer je je dat het Centrum een vrij unieke doorkijk heeft op de Europese ontwikkelingen. Als altijd leren auditors minstens zoveel als de audities.

Context van uitgaven
De financiële kaders zijn dus leidend, maar we krijgen, dan wel nemen de vrijheid om naar ambities, planning en impact van de verschillende activiteiten te kijken. De grootste uitdaging is wellicht nog om binnen de twee dagen die we beschikbaar hebben, een goed gevoel te krijgen voor de context van de uitgaven. Een bijeenkomst die bijvoorbeeld in Spanje rond een thema wordt georganiseerd kan financieel heel anders uitvallen in Zweden terwijl de opzet precies dezelfde is. Daarbij kan het niet alleen gaan om prijsverschillen, maar ook om de status van een bijeenkomst of wie deze bezoekt. Daarom zijn deelnemerslijsten bijna net zo belangrijk als facturen en is het heel belangrijk dat er vanuit het centrum een heel goed contact is met de partner in het betrokken land. Je weet dat de accountants in Brussel vooral naar de rechtmatigheid kijken – is er volgens de spelregels gedeclareerd – en wij moeten ons minstens zozeer een beeld van de doelmatigheid zien te verkrijgen. Bij iedereen uit het auditvak die deze laatste regel leest, zullen er dan vragen opkomen – en die beantwoorden wij zo goed mogelijk vanuit onze opdracht.

Voor bestuur en organisatie
Als auditors zijn wij afgevaardigd vanuit he algemeen bestuur (de ‘general assembly’) en presenteren onze bevindingen ook aan dat bestuur. De ervaring leert dat er veel belangstelling is voor onze rapportages, mede omdat onze rapportages veel inhoudelijker zijn dan die van de accountants. Minstens zo belangrijk: we merken dat onze aanbevelingen heel serieus worden genomen door het centrum. Het is natuurlijk altijd een wisselwerking, maar op basis van de jaarlijkse terugkoppeling op onze bevindingen hebben we het idee dat onze meerwaarde voor het centrum juist zit in wat we het centrum voorbij het financiële aan bevindingen en aanbevelingen meegeven.

Samenvattend
Dus, even samenvattend: de rol van de political auditor is een met de Nederlandse kascommissie vergelijkbare functie, die door de bijzondere aard van dit Europese instituut annex platform een bijzondere en complexe aard heeft. Net als een accountantscontrole start het werk bij de financiële functie, maar het kijkt krachtiger naar de aard het instituut en de Europese context waarin gewerkt wordt. Daarin heeft het meerwaarde voor het bestuur, instelling en aangesloten leden.

Vreemd dat het er nog niet is
In hoeverre is dit fenomeen van ‘political auditor’ nu iets dat in een andere context ook zou kunnen werken? Tsja. Eigenlijk is het andersom: wat is het ontzettend raar dat ik de enige Nederlandse ‘politieke auditor’ ben. Ondernemingen en (semi-publieke) instellingen staan bloot aan vele risico’s en de crisis heeft laten zien dat veel financiële risico’s niet goed zijn afgedekt, ook niet door degenen die daarvoor zouden moeten waken, zoals Raden van Commissarissen, accountants en externe toezichthouders. Interne governance codes en externe regelgeving lijken soms meer nieuwe problemen op te roepen dan dat ze helpen bij het opsporen van oude risico’s. Uiteindelijk landt het probleem dan bij krant en parlement. Zou het dan niet erg handig zijn om een audit uit te voeren op juist die zaken die vanuit de financiën een politiek risico op kunnen leveren? Dan hebben we het dus over een gerichte recht- en doelmatigheidstest dus, die gaat ‘waar geen auditor durft gaan’. Ik weet dat er wel degelijk het nodige wordt gedaan in de sfeer van accountsnormen en gedragstoetsen bij de aanstelling van CEO’s. Erg overtuigen doet dat echter niet. Als ik van mijn accountant een vragenlijstje krijgen met vragen in de sfeer van ‘voorziet u nog risico’s voor het komende jaar?’. Dan ben ik niet enkel geïrriteerd over het feit dat de accountant (en fiscus) op mijn stoel gaat zitten, zo gesteld levert het ook niets op. Als ik wist waar mijn risico’s echt lagen, zou ik er wel wat aan doen. Nee, wat er nodig is, is een auditfunctie die integraal kijkt en vanuit kennis en ervaring weet waar het soort risico’s schuilen waar de ondernemer en directeur (en diens traditionele toezichthouders) blind voor zijn. Een ‘political auditor’ vult dan de bestaande leegte.

Toch naar een political audit
Natuurlijk snap ik wel waarom dat nog niet zo is. Tot nu toe is politiek iets wat juist op afstand wordt gehouden. Een politiek risico als een politiek risico benoemen, lijkt vragen om moeilijkheden. Heeft u wat te verbergen dan? Lijkt? Los van het gegeven dat het erop lijkt dat we anno nu wat vrijer zijn in het benoemen van de dingen bij hun naam, denk ik dat we goed moeten letten op de aard van de term ‘politiek’. In de context van een audit heeft dat vooral met een vorm van verantwoording te maken die verder gaat dan die richting de reguliere share- en stakeholders. Je zou het daarom ook een vorm van ‘maatschappelijke audit’ kunnen noemen, ware het dan niet dat je wat deze auteur betreft dan weer te dicht tegen de ‘politiek correcte’ sfeer van ‘maatschappelijk verantwoord ondernemen’ terecht komt en de daarbij horende (ISO) normen. Al langer ben ik voor een meer robuuste vorm van verantwoorden die de dingen bij de naam noemt en leidinggevenden en hun toezichthouders scherper in de eigen spiegel laat kijken.

Hoe dan ook, het zou een goede zaak zijn als er een discussie op gang kon komen over de aard en wenselijkheid van een ‘political audit’. Het is mij in vele opzichten een genoegen een voorloper in de auditrol te mogen zijn.

Peter Noordhoek

 

Over de waarde van een maatschappelijk initiatief

Schermafbeelding 2016-03-20 om 15.15.50

 

 

 

 

 

Wat als een maatschappelijk initiatief heel waardevol lijkt, maar als het in bestuurlijke zin twijfelachtig is? Hoe moet je dat politiek of anderszins waarderen? Een nieuw handboek geeft daar richting in – al zullen zowel initiatiefnemers als bestuurders er regelmatig een lastige afweging bij houden.

Van Koudasfalt naar Goudasfalt
Recent is net tegenover mijn stad, aan de andere kant van de rivier, een interessant stuk grond vrijgekomen. Gouda, mijn stad, kijkt vanaf de Binnenstad al eeuwen uit op de groene Krimpenerwaard, met de IJssel er tussen in. Andersom kan je eigenlijk niet kijken. Er loopt een weg over een dijk waar je beter niet kunt stoppen als je heel wilt blijven. Toch is het eigenlijk een ideale plek om je eigen ‘Zicht op Gouda’ te schilderen: het historische profiel van de stad is nauwelijks verstoord door moderne lelijkbouw. Kerktorens en molens bepalen nog altijd de skyline van ‘de mooiste binnenstad van Nederland’.

Sinds kort kan dat veranderen. Een voormalige asfaltcentrale – ‘Koudasfalt’ – is leeg komen te staan. Het terrein is in mijn ogen scheel van lelijkheid, maar industriële archeologen zullen er vast dol op zijn. Het is ook een onmogelijk terrein, mede doordat je koud wordt van de hoeveelheid asfalt die er te vinden valt.

Toch is er een groep burgers gekomen die er wat in zagen. Doe een stevige hoeveelheid grond over het geheel en ga het terrein benutten voor culturele en recreatieve doelen, zo is de redenering. Vol creativiteit en daadkracht zijn ze aan ‘Goudasfalt’ begonnen. De groep werd een grotere groep, werd een heus maatschappelijk initiatief. De kern werd gevormd door mensen met een professionele achtergrond en vol ervaring met vergelijkbare projecten – en prima lijnen met het stadsbestuur. Om een langer en ingewikkelder verhaal kort te maken, ze zijn met een Facebookpagina, een plan, een actie en een voorstel gekomen en kort geleden heeft de gemeenteraad na een spannende vergadering ‘ja’ gezegd tegen een garantstelling voor de aankoop en verdere ontwikkeling van het terrein. Komende zondag verzamelen zoveel mogelijk mensen zich om het terrein te gaan schoonvegen. Ik zal er als het even kan ook zijn, want veel van die mensen ken ik als hele prima burgers waar je altijd een beroep op kunt doen als er iets moet gebeuren dat de stad ten goede komt.

Bestuurlijke positie
Het CDA heeft tegengestemd in de raad. In zorgvuldige bewoordingen en met heel veel respect voor de initiatiefnemers, wordt gesteld dat de plannen niet goed doordacht zijn. De pijlen richten zich niet primair op de initiatiefnemers, maar op het College. Er worden garantstellingen afgegeven voor iets waarvan de consequenties (vervuilde grond, kracht van het bedrijfsplan) niet voldoende doordacht zijn. Gegeven de slechte financiële situatie van de gemeente, hoe kan er dan zomaar worden overgegaan tot een project waarvan de breedte en diepte niet kan worden overzien? De CDA fractie – in de oppositie, maar dit voelt zeker niet als een oppositie om de oppositie – is niet over één nacht ijs gegaan en gegeven hun professionele achtergrond en ervaring steken ze in hun analyse waarschijnlijk dieper dan de groep initiatienemers.

Puzzel
Een klassieke puzzel, zo voelt het. Ideologisch gezien hebben de twee opponenten veel met elkaar gemeen: een ideologie van zelfredzaamheid, echte betrokkenheid en een hoge mate van professionaliteit. Ideologisch en praktisch zou dit op één lijn moeten zitten. En toch gebeurt het niet.

Op zo’n moment moet je wellicht doen wat eigenlijk nooit iemand doet als ie het idee heeft een maatschappelijk initiatief te nemen: een boek ut de kast trekken. De analyse maken. Dat heeft deze recensent toch gedaan en het viel niet mee om door de ernstige sociologische taal heen iets te vinden dat verder gaat dan aangescherpt gezond verstand voorzien van kleurrijke foto’s, bij voorkeur van het multiculturele en gender vriendelijke soort en waarschijnlijk betaald vanuit publiek geld. Ik heb er niets tegen, er zijn slechtere doelen om geld aan uit te geven, maar het grijpt voor mij zelden diep genoeg.

Hoe dan ook, in mijn zoektocht naar steviger kost ben ik uitgekomen bij een recente publicatie van Albert Jan Kruiter, Harry Kruiter en Eelke Blokker getiteld: ‘Hoe waardeer je een maatschappelijk initiatief? Handboek voor publieke ondernemers.’ Ook dit waarderingskader is met publiek geld gefinancierd, in dit geval door BZK. Tegelijk kiest het boek duidelijk voor de positie van de burgers: het moet hen helpen op een overtuigende manier, met een ‘waardenpropositie’ naar de gemeente te stappen.

Meervoudige waardenbetekenis
De hoofdtitel is natuurlijk direct interessant. Ik zou wel eens een enquête willen houden onder de lezers van dit blad hoe ze het woord ‘waardeer’ in de eerste flits hebben gelezen. Laat me raden, waarschijnlijk in de sfeer van ‘waardenbepaling’ of ‘verkoopprijs’. Dat is eerlijk gezegd wat deze ondernemer overkwam. Fout natuurlijk. Het woord ‘waardeer’ moet dubbel worden gelezen: als schatten/wegen aan de ene hand en als waard(en) anderszins. De analyse die de auteurs maken is dat elke geslaagde maatschappelijk initiatief het resultaat is van een creatieve botsing tussen waarden.

Een nieuwe fase
Waarden definiëren ze daarin vooral in publieke zin. Ze beschrijven hoe maatschappelijk initiatief, al dan niet onder de benaming ‘participatiesamenleving’ hoog wordt gewaardeerd, maar in de praktijk al snel sneuveld op de botsing tussen lokale initiatieven en een verzorgingsstaat die centraal is georganiseerd en waarbij iedereen dezelfde toegang tot voorzieningen moet hebben. “Lokaal willen burgers juist het verschil maken. Ze willen hun directe leven groener, zuiniger, socialer, beter of mooier maken. Maar dat verschil is voor overheden moeilijk te waarderen. Althans, in de letterlijke zin van het woord.” Vandaar gaan de auteurs naar de stelling dat, wil de overheid zich serieus terugtrekken, er sprake moet zijn van een nieuwe fase, met een hernieuwde waardering voor maatschappelijk initiatief.

Kernwaarden
Het Handboek staat gelukkig vol met praktijkvoorbeelden die niet tot alleen maar tot het type kookboek behoren. Ook hier ontkomen we niet aan een ‘model’, maar die is origineler dan doorgaans het geval is. Om daar maar bij te starten: de auteurs formuleren een aantal driehoeken. De belangrijkste kanten ervan worden gevormd door de kernwaarden:

  • Kernwaarden markt: rendement (efficiency, effectiviteit, doelmatigheid)
  • Kernwaarde overheid: legitimiteit (rechtsstaat, grondwet, rechtmatigheid)
  • Kernwaarde samenleving: betrokkenheid (solidariteit, engagement, eigenaarschap)

Met deze abstracte kernwaarden gaan ze aan de gang om zowel de samenhang als de spanningen te beschrijven die deze in de praktijk opleveren. Bij een ideaaltypisch maatschappelijk initiatief zijn de drie kernwaarden in balans.

Schermafbeelding 2016-03-20 om 15.48.54

Kritiek
Er valt over een stevig boek als dit veel meer te vertellen, dat is de charme ervan. Het gebrek aan ruimte noopt echter tot een snelle terugkeer naar de casus. Voor ik dat doe, de verplichte punten van kritiek, zonder welke een recensie als soep zonder zout zou zijn.

De makkelijkste kritiek is deze: het te hoog over. Als ik serieus een maatschappelijk initiatief zou nemen, zou ik het misschien even scannen, maar dan toch al snel overstappen naar iemand die van cijfers en projectplannen afweet. Dit handboek is vooral geschikt en nodig voor degenen die professioneel moeten reflecteren op hoe ze verder willen met het initiatief in gemeenten.

Daarnaast is er nog altijd een te zeer op de overheid gecentreerde insteek en ‘waar je mee omgaat wordt je mee besmet’. Het idioom van de overheid is leidend en het lijkt mij dat dit nu juist is wat in een nieuwe fase moet worden doorbroken. De vraag dringt zich op: wie waardeert het initiatief uiteindelijk? Dat is dan toch eerder de overheid dan de samenleving zelf.

In de beschrijving van de kernwaarde maken ze te weinig duidelijk hoezeer de kernwaarden die met markt en overheid verbonden zijn uiteindelijk weer voortgekomen zijn uit de samenleving. Daar berust het ‘eigenaarschap’.

waardenpyramide Kriuter

Bezemschoon
Terug naar de casus. Op zich heb ik geen kritiek op de eigen fractie, integendeel. Ze doet wat een oppositiepartij hoort te doen: kritisch naar voorstellen van het College kijken en van daaruit een afweging maken, ook met het oog op de langere termijn. Chapeau. Alleen de positie waarin ze daarmee komen is zowel politiek als ideologisch ongemakkelijk: we zijn als CDA toch voor maatschappelijk initiatief? Jazeker, maar rolvastheid is ook wat waard. Het echte probleem is hier ook niet primair het maatschappelijk initiatief. Het hier besproken boek is bestemd voor deze initiatiefnemers, maar de werkelijkheid is dat dit, hoe professioneel ook, op een snel rijdende trein zitten waarvan iedereen als de dood is dat deze stoom verliest. Er is echt een grens aan de hoeveelheid tijd en energie die je aan hen mag vragen om zelf huiswerk te doen. Ook zij moeten rolvast blijven en hun momentum vasthouden. Het is hier het College van Gouda dat de extra weging moet doen, binnen haar overheidskernwaarde. Aan de orde is bovenal een legitimeringsvraag: vertrouwen wij deze partij van Goudasfalt voldoende om hen onze publieke middelen toe te vertrouwen. Het CDA vindt dat het College onvoldoende aan die kernwaarde heeft voldaan, de andere partijen in de raad steunen het College: het plan gaat door. Zo blijft iedereen in de rol – totdat … De echte opgave zal zijn om regelvrije zones, buffers, werkende bedrijfsmodellen en vooral: risicoacceptatie te vinden in en voor de samenleving zelf.

Ik hoop dat ze een sterke kop koffie voor me hebben en een goede bezem als ik mij op het terrein meld van wat nu nog Koudasfalt heet. Aan de slag.

(Deze blog schreef ik half februari en daarna ging ik naar het terrein toe. Althans, dat wilde ik. Wat ze voor me hadden was vuilniszakken, een wat rommelig dijktalud en eigenlijk meer hulp dan er nodig was. Inmiddels zie ik tot mijn genoegen dat er wel geveegd is.)

Peter Noordhoek

Harrry Kruiter, Albert Jan Kruiter en Eelke Blokker – Wolters Kluwer, 2014, ook als e-book. Tevens te downloaden als pdf bij www.publiekewaarden.nl. Ook de illustraties in de tekst komen uit het boek.

De tekst van deze blog is in maart 2016 als recensie verschenen in het blad ‘Bestuursforum’ van de Bestuurdersvereniging van het CDA.

Trump, Clinton en het buitenlands beleid van de VS

Schermafbeelding 2016-03-13 om 22.38.32

 

 

 

 

Een blog die loopt van een concert voor reservisten naar een les van professor Obama en vervolgens naar een vergelijking tussen de twee presidentskandidaten Trump en Clinton als het gaat om het buitenlandbeleid van de VS en de mogelijke gevolgen voor Europa. De les: stop nu eens met ‘Penny wise and Pound foolish’.

Naar het Korpsconcert
Afgelopen zaterdag waren wij als gasten van de Korpscommandant aanwezig bij het ‘Korpsconcert’ van de Nationale reserve. In de Flint in Amersfoort was er een concert van het eigen orkest van het Korps. Het concert wordt één keer per jaar georganiseerd en is een enerzijds een bedankje aan al degenen die zich beschikbaar houden als reservist, die daarvoor oefenen en soms daadwerkelijk op missie gaan. Aan de andere kant was dit gewoon een van de weinige momenten dat het hele korps bij elkaar is, want normaal zijn ze actief in dagelijkse functies die niets met het korps te maken hoeven hebben. Dit was dus een avond vol binding, ook omdat de avond in het teken van de uitzending als militair stond: ook reservisten kunnen worden uitgezonden. Dat grimmig besef was een van de dingen die aan de avond een gekarteld randje gaf.

Schermafbeelding 2016-03-13 om 22.42.31Dienst
Voor mij was het een trip down memory lane om zo omringd zijn door uniformen. Herinneringen aan mijn diensttijd als onderofficier in Amsterdam en Seedorf, Duitsland, met de Koude Oorlog overal om je heen, kwamen weer helemaal terug. Tegen het einde van mijn diensttijd heb ik wel degelijk overwogen om reservist te worden, maar al binnen twee maanden na mijn afzwaaien werd ik weer opgeroepen voor een megaoefening van een paar weken en toen had ik even mijn bekomst. Toch jammer; je wordt er nooit slechter van. Opnieuw bedacht ik mij dat we er goed aan zouden doen om opnieuw mannen (en vrouwen!) te gaan oproepen voor dienst. Militaire of maatschappelijke dienstplicht, man of vrouw, maakt niet uit. Ik kom zelden mensen tegen die daar tegen zijn, maar hoor bij doorvragen in defensiekringen wel dit bezwaar: het kost te veel.

Bezuiniging
Tsja, dat brengt mij bij nog een tweede gekarteld randje aan de avond: de bezuinigingen op het reservisten. Er is kennelijk een probleem met het overwerk elders binnen defensie. De extra miljoenen die dit jaar bij de begroting zouden komen, blijken niet eens genoeg om de stijgende personeelskosten te kunnen opvangen. Op zoek naar het ene gat om het andere mee te stoppen, komen we nu kennelijk bij het aantal blazers uit voor een feestje. Het gaf wat gedoe, maar als gasten hebben we er eerlijk gezegd geen seconde minder om genoten. In mijn achterhoofd speelde echter wel een anekdote en via die anekdote wil ik naar mijn eigenlijke onderwerp: Trump, Clinton en de buitenlandse politiek van de VS. Moeten we het daar nu al over hebben? Ja, nu al.

De prijs voor een speciale relatie
Nog niet zo lang geleden waarschuwde Obama dat Groot-Brittannië niet langer een ‘speciale relatie’, ‘a special relationship’ mocht claimen als de Britten niet ten minste 2% van hun Bruto Binnenlands Product (BBP/GDP) aan defensie zou besteden. Wat deed Cameron? In korte tijd liet hij inderdaad het budget weer tot 2% stijgen. Die relatie was hem wat waard.

De uitgaven in Nederland zijn circa 1,1% (CBS, 2014) en schommelen een beetje met de loonkosten. De VS geeft het meeste uit: 4,3% (CIPRI, 2009).

Doet dit er toe? Ja, meer dan het lange tijd gedaan heeft, mede door, zoals dat heet, ’de terugkeer van de geopolitiek’. De positie van Europa, inclusief haar veiligheid, is in de praktijk altijd een afgeleide geweest van de bereidheid van de Verenigde Staten om de garant te staan voor de veiligheid van Europa. Met het verplaatsen van de brandhaarden in de wereld naar landen die maar weinigen op de kaart kunnen vinden, was dat percentage ook niet zo spannend. Met de terugkeer van Rusland als agressor op het wereldtoneel, is die situatie weer wezenlijk veranderd. De bereidheid om te investeren in eigen veiligheid zal weer zichtbaar moeten worden. Heel concreet. En dan is het verontrustend om te kijken naar de kwaliteiten van de twee belangrijkste kandidaten in de presidentiële verkiezingen van 2016.

Trump en Clinton en onze Nederlandse bias
Het heeft er alle schijn van dat die kandidaten Donald Trump voor de republikeinen en Hillary Clinton voor de democraten zal zijn. Ik hou het ook graag spannend, maar mijn ervaring is dat als iemand eenmaal zoveel ‘delegates’ heeft verzameld als deze twee kandidaten, dan worden ze het gewoon. Dan kunnen we vervolgens geen grotere fout maken dan naar die twee te blijven kijken met onze bevooroordeelde Nederlandse ogen. In die ogen is alles wat Trump doet een ramp en is alles wat Clinton doet onvermijdelijk goed.
Daarbij hebben we ook nog eens de neiging te redeneren alsof wij zelf Amerikanen zijn, in plaats van Europeanen met een eigen belang en een eigen reden om vrij koel te kijken naar welke kandidaat het ook wordt.

Vier vormen van buitenlands beleid
Dat wil ik hier doen aan de hand van professor Obama. Voordat hij president werd, was hij o.a. een tijd hoogleraar staatsrecht in Washington DC. In een lang portret in The Atlantic door vertrouweling Jeffrey Goldberg, komt de hoogleraar om de hoek kijken als hij een typering geeft van de vier manieren waarop Amerikaanse presidenten naar de buitenlandse politiek kijken. Hij zet vier banderingen in een schema: de isolationistische, de realistische, moreel interventionisme (‘liberal interventionism’) en internationalistisch.

Isolationisme
Het isolationisme is altijd een sterke trend geweest (‘Monroe doctrine’), maar Obama zegt terecht dat deze niet houdbaar is in een wereld die steeds kleiner wordt met de communicatiemiddelen van nu. Welnu, hier hebben we gelijk de eerste reden om blij te zijn met Trump. Anders dan veel republikeinse kandidaten, waaronder Cruz, is Trump niet isolationistisch; hij zoekt de tegenstander liever op.

Schermafbeelding 2016-03-13 om 22.35.08

Realisme 
Is Trump dan een realist? In ieder geval niet in de ogen van het republikeinse establishment. Niet zo lang geleden is er een initiatief geweest van 75 republikeinse buitenland-deskundigen – vooral neo-conservatieven – die een felle brief hebben geschreven tegen de persoon Trump. Ik vond dat niet erg indrukwekkend omdat ze eigenlijk geen enkele poging deden hem te duiden in termen van internationaal beleid. Grappig genoeg beschouwt Obama zich als een realist, daarbij heel bewust ook zeggend dat hij het voorbeeld van de eerste Bush en zijn adviseur Brent Scowcroft volgt. Hij doet dat deels omdat hij de beperkingen van het Witte Huis heeft leren kennen en deels vanuit zijn analytisch ingestelde temperament. Interessant. Dat laatste past in ieder geval veel minder bij Trump dan het past bij Rubio of Jeb Bush. En toch, en toch.

Moreel interventionisme
Ook interessant is het ‘liberal interventionalism’ (ook wel Wilsonianism genoemd, zeker door iemand als Kissinger). Het gaat hier om het uit idealistische motieven interveniëren in het buitenland. Daar hoeven niet per se Amerikanen bij betrokken te zijn, als het menselijk drama maar groot genoeg is.

Het is op dit punt dat we denk ik de natuurlijke houding van Hillary Clinton moeten zoeken en bij de mensen om haar heen. Wellicht is ze nu voorzichtig geworden door Benghasi en de mislukte ingreep in Libië, maar wie de denkgeschiedenis van Hillary afpelt, ziet iemand die toch sterk om idealistische redenen geneigd is om in actie te komen, om pas daarna een soort pragmatische toets te doen. Zoals vice-president Biden het schijnt te hebben gezegd:

“She just wants to be Golda Meir”.

Deze sterke Israëlisch premier is inderdaad een mooi rolmodel, maar het is ook een voorbeeld dat tot een te romantisch beeld kan leiden van de gevolgen van ingrijpen door de Amerikaanse wereldmacht.

Internationalisme
Tot slot heb je nog de internationalisten, degenen die via de opbouw van internationale instituten en het maken van diplomatieke afspraken en handhaven van mensenrechten geloven in een betere wereld, ook voor Amerika. Ook dit zal Hillary Clinton omarmen, maar volgens mij op een wat routineuze manier, omdat het erbij hoort. Op het eerste gezicht heeft Trump weinig met deze lijn, maar pas op; voor Trump wordt het heel belangrijk dat hij levert als het gaat om de concurrentiekracht van Amerikaanse bedrijven. Voor hem zouden de gremia van de internationalisering weleens prachtige tonelen kunnen opleveren voor zijn ‘deal making’ met de groten der aarde.

Trump, Reagan en Europa
Elke keer als ik de naam Trump opschrijf denk ik ‘het zal toch niet waar zijn’ om mij vervolgens te herinneren dat het met Ronald Reagan niet anders was. De komst van een tweederangsacteur verbonden aan een obscuur rechtse partij vonden we in Nederland een gedachte waar we maar niet aan konden wennen. Achteraf realiseren we ons dat deze man op een paar cruciale momenten precies de goede deal wist te maken met de russen. Je zou toch hopen dat het met Trump ook zou kunnen gaan. Ik weet het niet. Ik weet wel dat we vanuit Europa goed naar onze eigen positie moeten kijken en dan bedenken dat voor de realist Obama weinig reden is om zich uitgebreid te bemoeien met Europa en het Midden-Oosten. Zijn prioriteit ligt allereerst bij China, of zelfs bij iets als de veranderingen in het klimaat. Die strijd moet gewonnen worden. Europa en MO zijn vooral bronnen van mogelijk verlies. Hij zegt het zo:

“ISIS is not an existential threat tot he United States. Climate change is a potential existential threat tot he world if we don’t do something about it.”

Laat dat eens tot je doordringen. In Europa zitten we met een vluchtelingencrisis die verergert lijkt te worden door een enorme droogte. Het is op dit laatste dat hij aansluit – en niet bijvoorbeeld op de opkomst van dictators als Putin en Erdogan.

Obama heeft waarschijnlijk gelijk, maar dan voel je je als Europa toch niet echt zeker van militaire steun door de Amerikanen. Zou dat bij Trump en Clinton anders zijn? Gelukkig komen ze beiden uit New York en dan ligt Europa toch wat dichterbij dan als je bijvoorbeeld uit Californië komt, maar helemaal geruststellen doet het niet. Van Clinton hoeven we weinig meer te verwachten dan pappen en nathouden. Van Trump mag je meer verwachten en dat zowel in de negatieve als positieve zin. Negatief, in de zin dat hij weinig respect zal hebben voor de watjes die de meeste Europese regeringsleiders in zijn omgeving zullen blijken te zijn. Positief in de zin dat hij best wel eens degenen zou kunnen zijn die Putin een les durft te leren. Spannend zal het altijd worden.

Verwacht het onverwachte
En zo kom ik bij mijn punt. Ook al heeft Obama in directe zin weinig voor Europa betekent, we wisten wat we aan hem hadden en hij deed wat hij namens Amerika moest doen. Van Clinton hebben we eerder minder dan meer te verwachten. Van Trump hebben we het onvoorspelbare te verwachten. verwacht het onverwachte. En daar zitten we als Europa met onze behoefte aan stabiliteit niet op te wachten. Wij hebben onze handen al vol aan onze verdeeldheid, onze neiging steeds weer het wiel uit te vinden en met onze magere 1 a 2% uitgaven. Niet dat je de kwaliteit van een leger af kan lezen uit zo’n percentage, maar erg indrukwekkend is het toch niet. We zullen het dus echt over een andere boeg moeten gooien en moeten stoppen met dit ‘penny wise, pound foolish’ beleid. Symbolen doen er dan toe en de terugkeer naar de 2% is dan zo’n symbool. Trump snapt het, Clinton respecteert het, Putin kan het niet volgen.

Hoe dan ook; laat de band maar weer gaan spelen.

Peter Noordhoek

Als PGB geen ZIN meer heeft

In december heb ik een blog geschreven over het levenstestament. De aanleiding was gelegen in een aantal praktische zaken die de opvang van mijn moeder raakten bij de opname in een GGZ-instelling. Praktisch, maar daarom niet minder emotioneel. Moeder en kind wisselen van rol en dat is in alle opzichten confronterend. Dank voor de vele mooie reacties die ik op de blog mocht ontvangen. In deze blog wordt een volgende fase beschreven: die van de PGB-aanvraag. In dat proces kom ik een formulier tegen … nou ja, leest u maar.

Diep adem
Het heeft voor ons veel te lang geduurd, maar inmiddels is de situatie verbeterd. Na aanvankelijk optimisme, bleek het maar niet mogelijk om een goede opvangplek voor mijn moeder te vinden. Mijn moeder behoort tot de gelukkigen die zich een vorm van particuliere opvang kunnen veroorloven en daar hebben we voor haar toe besloten. Elk mens neemt zichzelf mee en wat is Alzheimer toch een ellendige hersenziekte, maar het lijkt er echt op dat ze in een veel betere situatie terecht is gekomen.
Ook zonder dure toeters en bellen gaat het om grote bedragen, bovenal door één factor: personeel. Er gaat dan een nieuwe wereld voor je open, ook financieel. Het blijkt zelfs mogelijk om een PGB te ontvangen. Er kan best een maatschappelijk debat worden gevoerd over de vraag hoe reëel dat is, en dat zal er ongetwijfeld ook komen, met voor mijn moeder wellicht een lastige afweging als gevolg, maar voor het moment kunnen we alleen maar blij met die PGB zijn. Totdat ik begrijp dat het naast de zorg voor mijn moeder, ook aan mij is de aanvraag te gaan doen. Ik haal diep adem.

Lof en kritiek
En zo kom ik van een strijd om de algemene volmacht, opeens terecht in de opgave om een PGB-aanvraag door de bureaucratie heen te leiden. Wie had dat gedacht? Mede door alle maatschappelijk ophef – eerder heb ik er deze blog over geschreven, niet etend dat ik zei zelf mee te maken zou krijgen – voelde ik mij ruim gewaarschuwd. Zo had ik mij vast voorgenomen niets te doen zonder advies van deskundigen of contact met de borgverzekeraar. Gelukkig maar, want zonder die begeleiding was het zeker fout gegaan, maar tot nu toe kan ik zeggen dat alles de goede kant uit lijkt te gaan. Van mijn kant wil ik in ieder geval elk beeld weghalen dat er aan de andere kant van het loket alleen maar barse onwil heerst. Onveranderlijk heb ik met betrokken mensen gesproken die hun best deden om te voorkomen dat ik van het kastje naar de muur hoefde te gaan. Hulde. Met een klacht van mijn kant is voortreffelijk omgegaan. Tegelijk blijft het een bezoeking. Ik ben hoog opgeleid en geen vreemdeling in het land van se-mi-overheidsinstanties, maar dan nog heb ik mij op verschillende momenten verward en onzeker gevoeld. Hoe moet dat dan met andere gaan? Geen wonder dat er een heuse hulpindustrie is ontstaan rond het PGB.

Ik gun ieder zijn of haar werk, maar eigenlijk zou toch het uitgangspunt moeten zijn dat iemand die een PGB aanvraagt dat goeddeels zelf voor de rekening kan nemen? Omdat ik niet wil vervallen in abstract klagen, wil ik hier één ding bij de kop nemen waar ik op een sleutelmoment in het aanvraagtraject echt tegenaan ben gelopen. Het gaat niet om een groot beleidsvraagstuk, maar om een formulier van 2 A4. Dat is alles.

PGB in min of meer zinvolle vormen
Zonder dat ik het doorhad, bleek dat mijn moeder gedurende de gehele tijd dat ze in een GGZ-instelling was opgenomen al een PGB te genieten. Ik was mij er niet van bewust, heb er niet voor hoeven tekenen. Het gaat dan ook om een PGB in de vorm van ZIN: Zorg In Natura. je hebt er geen omkijken naar. Bij het ontslag van mijn moeder naar een (particuliere) zorginstelling blijkt het dus nodig een omzetting te krijgen van ZIN naar een regulier PGB, met uitkering aan de ‘budgethouder’. Op de site van de zorgverzekeraar (CZ in ons geval) kon ik daarvoor een formulier downloaden. Dat moest door de ‘budgethouder’ worden ingevuld en worden toegestuurd’.
Eerste domme vraag: Wie is hier de ‘budgethouder’? Al meer dan vier jaar beheer ik de financiën voor mijn moeder, maar ik vermoede dat ze dat hier niet bedoelden. Helaas hielp de site mij ook niet. Nergens waren definities te vinden. Nauwelijks begonnen voelde ik mij al verdwaald. Met stijgende verbazing heb ik mij door het formulier heen gewerkt. Alles in mij ging steigeren. Al vanaf 21982 hou ik mij met publieke dienstverlening bezig en een van de allereerste dingen aar we ons mee bezig hielden, was de vormgeving van een formulier: de leesbaarheid, helderheid en eenduidigheid. Of het nu digitaal gaat of niet: die basis moet op orde zijn.

Dat was het dit keer duidelijk niet. Later zou ik nog met formulieren te maken krijgen die bedoeld waren voor de eigenlijke aanvraag PGB en die waren al heel wat beter vorm gegeven (en digitaal). Wellicht dat ik met een formulier te maken heb gekregen dat niet veel wordt gebruikt en/of al lang vervangen had moeten worden. Al analyserend werd mij tegelijk ook wel duidelijk dat dit formulier ooit ontworpen is voor de jeugdzorg en nauwelijks is aangepast op een nieuwe situatie met veel meer varianten. Het bleek onder meer dat het formulier wel bekend was met ‘ouders’, maar niet met ‘kinderen’. Het formulier werkt met ‘wettelijk vertegenwoordigers’ en kent niet het fenomeen van de algemeen gevolmachtigd of (wat een jargon) de ‘gewaarborgde hulp’ die nu in de wereld van PGB’s opgang doet. Hoe dan ook, ik vond het zowel frustreren en interessant om het formulier punt voor punt van commentaar te voorzien, in de hoop dat de zorgverkeraar er iets van leert.

Persoonsvolgend?
Oh ja. Deze week zijn er voorstellen gedaan om de huidige situatie rondom PGB en ZIN te veranderen. Als ik het goed begrijp moet het budget veel meer de keuzes van de persoon gaan volgen en minder de keuzes van de borgverzekeraar. In de praktijk zou dit een keuze gaan betekenen voor meer zorg in natura. Als principe ben ik daar natuurlijk niet op tegen, net zoals ik in principe ook eigenlijk nooit tegen de vorige wijzigingen in het borgstelsel ben geweest. Maar wie door zijn oogharen heen naar een formulier als dit kijkt, ziet duidelijk hoe vorige reorganisaties (binnen de jeugdzorg, richting de gemeente) administratief nog lang niet zijn verwerkt. Met juridisch en administratief houtje-touwtje werk van vermoedelijk goed bedoelende medewerkers wordt de situatie dan alleen maar erger gemaakt. Mij lijkt het toch logisch eerst de fouten stevig uit het oude systeem te gaan halen en vervolgens die uitgebreid te gaan testen. Totdat dit is gebeurd is het not done om de onderliggende wetgeving weer veranderd gaat worden.

Het formulier

In de afbeeldingen ziet de lezer het formulier met alle punten. Het begint droog, maar naar mate ik vorder sluipt de emotie er naar ik vrees wel in. Hier helemaal onderaan treft u per punt een toelichting aan (alleen voor de die hards). Voorafgaand daaraan krijgt u van mij de samenvattende bevindingen zoals ik die aan de borgverzekeraar heb doen toekomen.

Geachte zorgverzekeraar,

U wil veel te veel binnen één formulier. Zorg voor een voorselectie of stroomschema op de site.
Het formulier is ingericht vanuit de eisen van de wet, niet die van de gebruiker. Randvoorwaarden (en indekwensen) zijn bepalender voor het formulier dan gebruiksgemak. Die benadering wordt duurbetaald.
U gebruikt te veel jargon die niet wordt uitgelegd in formulier of site. De uitleg maakt het vaak erger.
Papieren formulieren en enveloppen moeten er zijn, maar dan wel in een goed samenspel met uw site en met een digitaal alternatief voorhanden. Hoe dan ook: zorg voor voldoende invulruimte!
Juridisch gaat het formulier voorbij aan de rol van ouderen en gemachtigden in het kader van de (notarieel vastgelegde) algemene volmacht. Botst hier wetgeving op elkaar? De aanvrager mag daar niet het slachtoffer van worden.
Ik schrik van de regelmaat waarmee het noodzakelijk is om telefonisch hulp te vragen. Met alle waardering voor de inzet, want die is er, is deze hulp niet altijd adequaat en moet zeer duur zijn in vergelijking met het even beter opzetten van een formulier.
Erkende vertegenwoordigers dienen op z’n minst afschrift te ontvangen van uw correspondentie. Daarbij gaat u de vraag wat professionele hulpverlener kunnen betekenen ten onrechte uit de weg.
Het ontwerpen van een formulier is een vak. Mijn vak is het niet en ik vermoed dat de echte vakman nog wel meer dingen zal vinden die niet kloppen. Van u mag verwacht worden dat u mensen die het vak verstaan inhuurt om een beter formulier te ontwerpen.

Daarbij is het uitgangspunt heel belangrijk en dat betekent dat u niet gaat redeneren vanuit de wet en uw behoeften, maar vanuit de logica van de aanvrager. Laat nooit gevaarlijke amateurs zoals juristen toe bij het eerste ontwerp. Organiseer een ‘customer journey’ en betrek daar de cliënt bij. Nou ja, allemaal dingen die al zijn uitgevonden en waarvan het hoog tijd wordt dat u ze toe gaat passen. Anders denk ik weer aan u als ik naar mijn moeder ga en knijp dan mijn vingers heel vast in het stuur.

Peter Noordhoek

Opmerkingen bij formulier CZ Zorgkantoren ‘Omzetting van zorg in natura (zin) naar een persoonsgebonden budget, ook in relatie tot website CZ Zorgkantoren’ (zie kopie met nummers)

  1. Van algemene aard: ‘Zorgkantoor’ is een te generieke naam: levert verwarring op bij het gebruik van Google zoektermen als gezocht wordt naar de juiste instantie om aanvraag te doen.
  2. ‘Plaats’: mijn moeder is/was bij GGZ-instelling in (plaats), maar woont officieel in (plaats) en gaat daar hopelijk ook naar terug, hoewel naar een ander adres (van haar huisappartement naar appartement zorghuis). Hoe moet ik als klant weten wat jullie regio-indeling is? Site en Google zijn er niet duidelijk over.
  3. Fijn dat er een emailadres op het formulier staat. Op de site kon ik dat emailadres in eerste instantie niet vinden. Mijn beeld is dat de lay-out van het formulier niet past bij de verdere uitstraling van de site en opbouw andere PGB-formulieren (verouderd?)
  4. Gelukkig had CIZ mij al uitgelegd dat mijn moeder bij de GGZ ‘zorg in natura’ geniet, anders was de benaming mij als buitenstaander niet duidelijk geweest. Voor afkortingen hoofdletters gebruiken?
  5. ‘Budgethouder’. Rare term. Ik beheer al drie jaar het ‘budget’ van mijn moeder en ben algemeen gevolmachtigde, maar vermoed dat jullie dat niet bedoelen. Voor de zekerheid probeer ik de definitie van ‘budgethouder’ op jullie site te achterhalen, maar nergens is een definitie of omschrijving. Voor diezelfde zekerheid bel ik jullie, ontvang vervolgens de bevestiging dat met de term mijn moeder wordt bedoeld, en kom dan pas echt in de problemen.
  6. Er is te weinig ruimte om te schrijven, zeker als ik uit pragmatisch overwegingen en om niets te missen, zowel de gegevens van mijn moeder als die van mijzelf in het formulier wil zetten.
  7. (7a en 7b) Mijn moeder zit in een GGZ-instelling in (plaats) en kan inmiddels niet meer lezen of schrijven. Haar handtekening is een bibberende schaduw van wat het was, maar net als u hecht ik eraan dat ze tekent en naar vermogen weet wat er gebeurt.
    De praktische kant hiervan is dat ik de post wil ontvangen, want haar huis staat al maanden leeg, uit (plaats) gaat ze weg en op haar nieuwe adres is nog niets. Als gevolmachtigde wil ik dus mijn adres opgeven. Hierover nadrukkelijk bellend, krijg ik de verzekering dat alle post naar de wettelijk vertegenwoordiger wordt gestuurd. Niet dus. Te laat rij ik om van (plaats) naar (plaats) en vis ik jullie ellendige post uit haar oude brievenbus. Daarom: het minste wat je doet in termen van ontwerp, is de adresgegevens van de wettelijk vertegenwoordiger van de start van het formulier verhuizen naar het begin, zodat jullie eventuele verschillen kunnen constateren, en bij afwijkend adres daar op z’n minst een afschrift aan sturen. Gewoon gezond verstand.
  8. (8a, 8b en 8c) Dit zijn uw vaktermen. Op uw site helpt u mij niet met het hanteren ervan en het CIZ-besluit geeft er net niet voldoende uitsluitsel over. Ik bel dus en krijg hulp, maar dat moet toch helderder kunnen. Maak het uzelf ook makkelijker door gelijk de ‘ZZP-zwaarte’ in te laten vullen, zoals aangegeven door CIS. Wat ik niet doe, is naar het erboven genoemde webadres te gaan (8c). Ik snap dat u geïnteresseerd ben in uitsluitingen, maar ik wil gewoon een juiste keuze maken. Een sneaky manier om druk te zetten, is dat adres wel.
  9. Datum: wat moet ik hiermee en hoe verhoudt zich dit tot de datum op de volgende pagina? Als vertegenwoordiger/budgethouder moet ik gokken: gaat het om datum dat mijn moeder ziek genoeg werd, om de datum van afgifte CIZ, de datum dat ik de PGB aanvraag of de datum dat ze het nodig heeft? Met het oog op mijn onzekerheid over de aanvraag, is mijn belang duidelijk: hoe eerder de datum, hoe beter. Om de vraag te kunnen beantwoorden of mijn moeder zich de nieuwe zorg kan permitteren had ik al twee maanden eerder uitsluitsel van u moeten kunnen krijgen.
  10. Reden omzetting: ook weer lastig te beantwoorden. Als familie willen we mijn moeder geen dag, geen uur langer in de GGZ-instelling dan nodig, maar een alternatief is er niet (daar werken we via deze aanvraag aan) en ze heeft niet voor niets een rechterlijke machtiging staan. Geen ontslag dus. De nieuwe zorgverlener kan ons nog geen advies geven. Gelukkig zijn zowel de GGZ-instelling als CIS heel duidelijk naar ons geweest, dus ik kom er wel uit.
  11. Wie is de ‘zorgverlener’? In de praktijk is dat vooral mijn zus, waarbij ik de zakelijke kant doe. Ik veronderstel echter dat u de particuliere zorginstelling bedoeld waar we mijn moeder in principe graag naartoe laten gaan (als dat met behulp van PGB uitkomt, anders moeten we terugvallen op de zorginstelling die via CIZ verantwoordelijk is gemaakt). Uw website biedt wederom geen definitie waar we wat aan hebben. Ik vul op de gok, maar naar waarheid in dat dit de particuliere zorginstelling is, maar heb zorg dat u of de wetgever reageert als de bekende boer ‘wat ik niet ken, da’ lus ik nie’’ en zo weer via nader onderzoek vertraging op ga lopen.
  12. CIZ/BJZ heeft de leveringsvorm verkeerd aangegeven’: tsja, een voor mij gelukkig duister criterium, maar het zegt wel wat dat u deze zin op het formulier opneemt. In dit stadium begin ik te vermoeden dat u ook weleens een rol zou kunnen hebben in het verkeerd aangegeven. Wie wijst naar een ander …
  13. ‘anders’: toen ik er in eerste instantie niet zeker wist wat voor antwoord u verlangde, was ik geneigd onder ‘anders’ kort de situatie van mijn moeder op te schrijven, zodat u op basis van uw expertise zou kunnen inschatten wat werkelijk moest worden ingevuld. In tweede instantie keek ik wel uit. Dat wat ‘anders’ is, is waarschijnlijk ingewikkeld voor u en levert dus vertraging op. Misschien moet u het omdraaien. Eerst in twee zinnen de situatie (bijvoorbeeld zoals beschreven door CIZ) en daarna de formele keuze.
  14. Nu wordt het pas echt een puinhoop. Een koploze paragraaf (of sluit het aan bij de kop van de voorgaande pagina?) en daaronder … wat bezielt u? Wat is de samenhang of meerwaarde met wat ervoor staat?
  15. ‘u bent verplicht uw zorgverlener(s) op de hoogte te stellen’. Dat snap ik en is ook logisch, maar het staat er erg dreigend. Moet u dan een bevestiging of afschrift hebben? Nee toch?
  16. Ik dacht de eerste zin te snappen, maar daarna sloeg de verwarring verder toe. Heb het nog 5 keer gelezen, maar heb daarna toch maar gebeld. Dat had ik nooit moeten doen, want het leverde direct de gevreesde vertraging op. Uiteindelijk en op advies van uw medewerker heb ik namelijk de datum ingevuld waarop mijn moeder ver zou gaan naar de zorginstelling waar de PGB voor nodig is. Wat ik wilde invullen: de datum waarop ik duidelijkheid nodig heb. ‘Zorg in nature minimaal 6 weken tevoren te beëindigen’? Op het moment van invullen waren er al minder dan 6 weken over. En waar moest ik mijn moeder laten? Op straat? Zelden een paragraaf gezien die zo effectief meer problemen veroorzaakt dan het oplost.
  17. Die functiezaken heb ik toch net hiervoor ingevuld? Wat wilt u?
  18. Ah, kennelijk gaat her hier om het kunnen invullen van meerdere locaties. Dat snap ik weer, maar op ons is het niet van toepassing. En hoe klein wilt u dat ik schrijf dat het er nog op past? Daar moet naar ik aanneem een adres bij, maar daar is weer geen ruimte voor op het formulier.
  19. ‘Wenst u met uw zorgzwaartepakket (ZZP) op de wachtlijst van de 1ste voorkeuraanbieder te blijven staan?’. Daar vraagt u mij wat. Als u snel beslist, is dat niet nodig, maar daar heb ik niet zo’n vertrouwen in. De reden om naar de nieuwe instelling te gaan, is omdat de eerste (NB uitgeschreven is mooier) aanbieder a) niet kan leveren en b) de keer dat ze bijna kon leveren mijn moeder in een situatie had gebracht die zeker geen vooruitgang t.o.v. de GGZ-instelling had betekend. Moeten we daarop terug willen vallen? Aan de andere kant; er is grote druk van de GGZ-instelling om snel ruimte voor nieuwe cliënten te maken, wat we ook begrijpen.
    Op zich begrijpelijk, maar doordat er geen witruimte is tussen de vraag over de wachtlijst en het terug betalen van dubbel ontvangen zorg roept de koppeling tussen beide nieuwe vragen op. Kan dat dan gebeuren?
  20. Nu komt de ondertekening. Maar wacht even; ik heb nog steeds geen zekerheid over de post en wie nu eigenlijk moet tekenen. De laatste keer dat begeleiders van de GGZ-instelling haar (zonder mij te waarschuwen) een formulier ter tekening onder de neus duwden, raakte ze in paniek. Gelukkig wilde ze eerst met mij spreken. Heel zorgvuldig lezen nu. De ruimte is weer priegelig, trouwens.
  21. Kijk, daar hebben we het volgend probleem. De ondertekende is de budgethouder (zie 5) of de ‘wettelijk vertegenwoordiger’. Ah, nu kan ik als oudste zoon en algemeen gevolmachtigde tekenen? Nou nee: er wordt over ouders, bewindvoerder, curator of voogd gesproken. Dat ben ik dus niet (kennelijk is een formulier uit de jeugdzorg als model genomen, terwijl het voor ons over de zorg van onze moeder gaat). Gelukkig helpt de telefonische hulplijn hier wel: als ik een afschrift van de notariële akte meestuur word ik gelijkgesteld met de wettelijk vertegenwoordiger. Dat heb ik dus gedaan. Ondertussen zijn de rapen in juridische zin wel gaar: waarom heb ik als kind geen gelijke rechten als een ouder die zich niet hoeft te legitimeren? Een algemeen gevolmachtigde heeft dezelfde wettelijke status als een bewindvoerder, e.d.. Heeft het zorgkantoor wel door dat voor de status van gevolmachtigde er nu duizenden ‘levenstestamenten’ aankomen? Als u dat fenomeen niet wilt vertrouwen, zeg dat dan, maar regel het.
  22. Hier dus de gegevens van de wettelijk vertegenwoordiger (en gevolmachtigde). Dit had ik keurig ingevuld, maar de post werd dus naar de budgethouder gestuurd. Motivatie: dat moet van de wet. De wet verbiedt dus niet om een afschrift te sturen! Zet dat er dan bij en wek mondeling geen valse verwachting! Weer weinig ruimte voor adresgegevens. Het is verstandig om ook de mogelijkheid te geven het zakelijk adres op te geven. Dit formulier lijkt van voor de uitvinding van de email en (afgeschermde) mailbox te zijn.
  23. Opnieuw wordt zichtbaar dat het hier eigenlijk om een formulier uit de jeugdzorg gaat. Ondertussen heeft u gelukkig al de beschikking van het CIZ. Toch: gelet op alle andere onduidelijkheden, stuur ik voor de zekerheid nogmaals een kopie van de CIZ- beschikking toe. U archiveert het maar.
  24. U vraagt om controleren, tekenen en opsturen. Geloof me, dat heb ik gedaan. Ik maak in mijn haast een aparte reis (plaats)-(plaats) v.v. om mijn moeder te laten tekenen en verlies een halve werkdag door files. Formeel is dat tekenen volgens mij niet eens nodig, maar ik neem geen enkel risico. Opsturen? Waar naartoe? Oh, het emailadres boven het formulier. Zet dat er dan bij.
  25. In het vervolgtraject van de aanvraag van het PGB voor mijn moeder krijg ik veel hulp van een gespecialiseerde medewerker van de instelling waar mijn moeder gaat verblijven. Een last gaat van mijn schouders, ook omdat ik aan alles merk dat ze weet waar ze het over heeft en het mij niet makkelijker voorstelt dan het is. Helaas kan ik haar niet machtigen om de contacten met CZ voor mij te doen, schriftelijk of via de telefoon. Het is dus ook niet mogelijk om er via het formulier voor te zorgen dat zij afschriften van onze correspondentie ontvangt. Dit loopt dus mijlen achter bij wat de zo verfoeide belastingdienst gewend is te doen.
  26. Het is mij bekend dat de oorzaak hiervan een groot aantal malafide vertegenwoordigers van cliënten is (reden waarom notarissen ook extra alert zijn gemaakt in hun ‘Belehrung’ van het levenstestament). Dat voorkom je echter niet door een formulier slecht in te richten. Professionals, zoals die waar wij nu mee werken, hebben naar beide zijde toe meerwaarde. De (h)erkenningsvraag van een professional is nuttig en legitiem, maar dient langs andere weg te worden opgelost (branchelidmaatschap, ervaring, PE-punten en de sanctie van uitzetting bij falen wat mij betreft).

Tot zover – en dat lijkt me meer dan ver genoeg.

Peter Noordhoek


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek