Maandelijks archief: december 2015

Het levenstestament en de vraag van mijn moeder

Schermafbeelding 2015-12-23 om 12.13.02

Er is een nieuw fenomeen: het levenstestament. Alhoewel, nieuw? Het gaat in feite om een al bestaande ‘algemene volmacht’ die in een nieuwe jas is gestoken. Toch heeft die nieuwe jas effect gehad: er is een sterke vraag ontstaan. Dat is vooruitgang. Voor iedereen die naar de laatste levensfase toegaat, en hun kinderen, is het beter om heldere afspraken te maken voordat men voor lastige beslissingen komt te staan over de zorg en andere zorgen. Een testament is nuttig, maar vooral richting de erfgenamen. Voor de persoon zelf is een volmacht wel zo praktisch. Maar hoe ziet die praktijk er uit?

Een telefoontje
Het is hoe dan ook zaak goed over een levenstestament na te denken. Binnen de beroepsgroep van het notariaat (en de media) is er de nodige aandacht voor de vraag of mensen niet worden gemanipuleerd bij het afsluiten van een levenstestament. Dat vraagt in ieder geval van de zijde van de notaris een hele zorgvuldige werkwijze, inclusief een vaststelling van de wilsbekwaamheid. Hoe belangrijk ook, daar gaat het hier niet over. Dit is geschreven vanuit het perspectief van mensen die allemaal op hun eigen manier en te goeder trouw hun best doen om afspraken te maken ‘voor als het echt niet meer gaat’ – en waarbij het toch mis kan gaan.

De begeleider belde mij op en gaf meteen de hoorn aan mijn moeder door. ‘Ha jongen. Ik weet niet wat ik doen moet. Ze willen dat ik teken, maar ik begrijp het niet. Wat moet ik doen?’ ’Dag ma, goed dat je het vraagt. Dit is waar we het eerder over hebben gehad. Je kan tekenen.’ ‘Fijn jongen, dan is het goed. Dag jongen’.

Ze had al eens eerder getekend, voor hetzelfde. Dat was ze vergeten. De begeleiders van de afdeling hadden helaas ook wat vergeten. In het administratieve traject voor de indicatiestelling hadden ze een fout gemaakt waardoor deze opnieuw moest worden ingediend. Mijn moeder zou daardoor weken langer op de afdeling moeten blijven. Slordig. Bij de eerste aanvraag heben ze mijn moeder al laten tekenen. Mijn moeder was er zenuwachtig over en vertelde dat aan mijn vrouw. Zij besprak het weer met mij. ‘Waarom hebben zij mij als gevolmachtigde niet laten tekenen?’

Pijn
Mijn moeder had, zeker na het overlijden van mijn vader, moeite met het ouder worden – wie niet? – en vertoonde de eerste verschijnselen van Alzheimer. Een week na haar verjaardag verslechterde haar situatie opeens radicaal. Ze veranderde op onherkenbare wijze in haar gedrag. Wat zachtaardig was, werd agressief, wat terughoudend was, werd assertief. Er ontstond een heftige crisissituatie, maar onderzoek leverde niets op. Toen het helemaal onhoudbaar werd, is ze op basis van een rechterlijke machtiging gedwongen opgenomen in een, zoals dat heet, ‘bij haar hulpvraag passende zorginstelling’. Dat doet pijn, zeker als zij zelf die instelling als alles behalve passend ziet.

Elke dag, soms meerdere keren per dag, doet mijn moeder alle kleding en spullen uit haar kast in een paar tassen: ‘Zodat we direct weg kunnen gaan uit dit hotel’. Later, teleurgesteld dat ze die dag niet kan vertrekken, pakt ze die tassen weer uit, of probeert dat.

In die dagen van machteloosheid is er geen troost in het feit dat jezelf als kind geen verantwoordelijkheid hebt hoeven dragen voor de opname. Weliswaar doet de rechter dat voor je, maar dat maakt het er niet makkelijker op. Wat wel een beetje helpt, is de wetenschap dat je samen met je moeder en met broers en zus, een jaar eerder een levenstestament hebt opgesteld waarin we zoveel mogelijk hebben geregeld. Alles wat je nu nog hoeft te doen, zo denk je, is uitvoeren wat daarin staat. Of niet?

Een nieuw fenomeen: levenstestament
De concrete aanleiding voor het opstellen van het levenstestament was de verkoop van ons ouderlijk huis. We waren net te laat, met als gevolg dat het huis door de crisis jaren te koop stond. Dat gaf wel alle tijd om na te denken over de vraag wat te doen bij verkoop. Als oudste zoon deed ik al zowel de verkoop als de financiële administratie. Dat was overzienbaar, maar ik voelde de verantwoordelijkheid wel. Met mijn moeder, broers en zus was en is de relatie prima, maar ik weet dat er weinig is dat een relatie meer onder druk kan zetten dan een nalatenschap. Ik wilde daarom bij het vrijkomen van het vermogen uit het pand de zaken direct goed regelen. Maar hoe? In 2013 werd ik uitgenodigd om een congres van het notariaat bij te wonen. Dat congres stond, heel goed, in het teken van het levenstestament. Het aardige was dat er die dag bijna net zoveel medici op het toneel stonden als juristen. Hoe schat je de wilsbekwaamheid in? Hoe voorkom je misbruik? Het congres vond ik vooral een keerpunt voor het notariaat zelf, een soort nieuw begin. Door de prima verhoudingen binnen de eigen familie betrok ik het niet op onszelf. Dat veranderde dat jaar niet zozeer door de verkoop van het huis of de wat verslechterde geestelijke gesteldheid van mijn moeder, alswel door het feit dat ze zelf ook begreep dat er wat aan het veranderen was. Dat gaf de openheid voor een gesprek. In het verlengde van zo’n gesprek kwam ik op het idee van het levenstestament. Dat is dus belangrijk; niet de situatie is bepalend, maar de kans op een goed gesprek – en het pakken van die kans voor een open en rustig gesprek.

Goede stappen
Daarmee zit je nog niet bij de notaris. Het blijft een gevoelig thema en de ene dag keek mijn moeder er net iets anders tegen aan dan het andere. Eerlijk gezegd maakte ik mij best wat zorgen over de vraag of mijn moeder wel vast zou houden aan haar voornemen als ze alleen bij een haar onbekende notaris zou komen te zitten. Vanwege de kans op beinvloeding mag er dus geen familie bij het gesprek aanwezig zijn. Daar was ik het mee eens, maar toch.
Ik had me geen zorgen hoeven maken. Ze heeft haar wensen goed kenbaar gemaakt en daarna was het aan de notaris om het uit te werken en met een tekstvoorstel te komen, in ons geval voor zowel de algemene volmacht, c.q. levenstestament als voor een nieuw ‘gewoon’ testament. Dat laatste had ik voorgesteld, omdat ik na een definitieve verkoop van het pand genoeg kijk op het vermogen van mijn moeder zouden krijgen om bijna alle elementen van de nalatenschap in beeld te hebben. Hoewel het raar voelt als je moeder nog in leven is, is het dan verstandig om de dingen aan de voorkant al goed te regelen. Zowel mijn moeder als mijn zus en twee broers vertrouwden het mij toe om de teksten van de notaris te becommentariëren en alles te regelen, maar of ze daarom vroegen of niet; ik hield ze van elke stap op de hoogte.

De stappen die voor ons niet alleen zakelijk maar ook emotioneel de belangrijkste waren, waren deze:

  • duidelijk kiezen voor één gevolmachtige voor het levenstestament en een executeur voor het ‘gewone’ testament (in casu mijn persoon) en toch ook uitspreken dat mijn moeder zo lang en wanneer ze maar kon betalingen kon blijven doen en (mee) kon ondertekenen. Formeel is het zo dat op het moment dat mijn moeder altijd gemachtigd blijft, maar dat ik haar handtekening zodra ik getekend heb terzijde kan stellen als ik dat als gemachtigde zou willen. Dat kan echter niet de bedoeling zijn. De basis van het stuk is vertrouwen en respectvol met mijn moeder omgaan.
  • we wilden dat het levenstestament niet alleen over de materiële zaken zou gaan, maar ook om de zorgvraag. We wilden rekening houden met een praktijk waarin mijn zus het dichtste bij mijn moeder woont en haar ook het meeste zag en sprak. Zeker als er sprake zou zijn van spoed, is het dan logisch als zij de eerste beslissing neemt. Dat bleek nog een lastige discussie te zijn, die we feitelijk hebben opgelost door haar een ondervolmacht te geven en doordat ook nog een keer aan te geven voor een situatie waarin ik door een rechter niet alleen tot gevolmachtigde, maar ook tot mentor zou worden benoemd. Voor wie dit te ingewikkeld vindt: spreek er goed over met de notaris, maar laat die zich dan goed bewust zijn van de specifieke zorgsituatie.

Daarnaast deed de notaris nog iets dat vooral zakelijk van belang zou helpen:

  • handelingen die het pand van mijn moeder raakten werden specifiek benoemd, inclusief het adres van het betrokken pand.

Dus zo dachten we het goed geregeld te hebben. Achteraf vraag ik mij dus af of ik niet nog meer ten aanzien van de zorg had moeten vastleggen. Mijn moeder was er op dat moment niet aan toe om iets over haar levenseinde op te schrijven, maar dat hadden we slechts te respecteren en achteraf heeft het geen zin om daar spijt over te hebben. Maar toch.

Overdracht
Afgelopen zomer, pal na haar verjaardagsfeest waarin ze nog volop heeft genoten, ging het dus toch groot en rauw mis – en dat was ook net op het moment dat het leek dat het pand verkocht kon worden.
Mijn volmacht heb ik niet gebruikt bij de eerste stap in de verkoop van het pand, het tekenen van de voorlopige koopakte. Die had ze zelf getekend, in lijn met het idee dat ze nog zoveel mogelijk zelf zou doen, maar kon ze dan nu nog wel de overdrachtsakte tekenen? In die eerste week nadat het mis ging, overlegde ik met de notaris die de akte had opgesteld. Als ze wat zou herstellen, zouden we dan misschien samen tekenen? Alles om haar het gevoel te geven dat ze nog zelfstandig door kon gaan. Dat moet je niet willen, zo zei de notaris. Het moet helder zijn wie tekent. Hier kan je geen risico mee nemen.

Na de opname en rechterlijke machtiging was er eigenlijk geen discussie meer; ik zou op basis van de machtiging de overdracht tekenen. Het werd nog spannend genoeg; de koper was onderdeel van een ‘treintje’ aan panden dat verkocht moest worden om ons pand te kunnen kopen. Keer op keer dreigde de financiering niet rond komen. Terwijl de crisis met mijn moeder zich verder aftekende, moest ik tot viermaal formeel uitstel verlenen. Uiteindelijk kwam het groene licht toch. De dag voor de overdracht ging ik weer bij haar langs. Ze leek echt herstellende. Ik kon er met haar over spreken. Ze was blij voor mij dat het gelukt was. Na de eerste, zo heftige dagen, leek ze een stuk helderder, al was het te laat voor mede tekenen. Positief gestemd ging ik de volgende ochtend naar de overdracht, gebruikte mijn volmacht en tekende. Na al die jaren, verkocht! Daarna kocht ik bij de bakker taart voor haar en de mensen op haar afdeling en reed richting de instelling waar ze opgenomen was. Daar gekomen was geen enkel gesprek mogelijk. Ze was ver weg, onbereikbaar voor iedereen.
Een lange tijd later verliet ik de kamer en nam de taart weer met me mee.

Op de rand
Een dag later ging mijn vrouw op bezoek. Thuisgekomen vertelde ze opgelucht over het herstel van mijn moeder. Het ging in ieder geval een stuk beter. We waren er nog over in gesprek toen de telefoon ging. Mijn moeder was opeens verslechterd en werd in een ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. Een half uur na de terugkeer van mijn vrouw was ik op weg naar het ziekenhuis.

Die dagen waren fysiek de ernstigste voor mijn moeder. De artsen hadden een dr. House-achtige puzzel aan de vraag wat nu eigenlijk de oorzaak was. Pas na enkele dagen opname kwam de meest waarschijnlijke oorzaak naar boven: een delier als gevolg van een ‘simpele’ blaasontsteking. Het is een oorzaak die relatief eenvoudig te bestrijden is en langzaam kwam mijn moeder fysiek weer terug, al was ze geestelijk duidelijk verder aangeslagen. Midden in die hectiek van de opname kwam de rechter langs om te beslissen over de verlenging van de rechterlijke machtiging. Gelukkig was ik toen ook net aanwezig. Ik denk met respect en waardering terug aan de wijze waarop de rechter heel zorgvuldig te werk ging om vast te stellen wat er waarschijnlijk aan de hand was. Hij besloot tot verlenging, maar had daarbij heel duidelijk het belang van mijn moeder voor ogen. Daarbij maakte hij duidelijk dat de machtiging een tijdelijk karakter zou hebben, afhankelijk van het herstel van mijn moeder.

Geen terugkeer
Dat herstel was er, zeker in fysieke zin. Tegelijk was de Alzheimer nu onmiskenbaar aanwezig. We hebben het over een hersenziekte die in vele soorten en verschijningen opduikt, met in het geval van mijn moeder een grote mate van verwardheid en desorientatie van tijd en plaats, maar onderliggend wel degelijk ook een besef van wat haar overkomt. Ja, dat is een ellendige combinatie.
De situatie werd uiteindelijk zo ingeschat dat een terugkeer naar haar appartement en het oude bestaan daar feitelijk niet meer mogelijk is. In ieder geval moest ze vanuit het ziekenhuis weer terug naar de instelling. Besloten werd tot de aanvraag van een indicatie voor een verblijf in een verzorgingsinstelling die bij haar en haar rechterlijke machtiging past. Die machtiging moet door de instelling worden ingediend namens de client bij het CIZ. Een aanvraag die normaal zes weken duurt.

De gemachtigde is niet in beeld
Die aanvraag ging de deur uit met de handtekening van mijn moeder. We kwamen daar achter omdat ze er over vertelde, bezorgd of ze het goede hadden gedaan. Zouden we het ook gehoord hebben als we niet dagelijks op bezoek kwamen? Een paar weken later hadden we nog niets gehoord over de indicatie, maar maakten ons wel zorgen dat onze moeder nog langer in de instelling moest blijven. Echt, de medewerkers hebben hart voor hun werk en als ik ze bezig zie ben ik best trots op het niveau van zorg in ons land. Ik wil maar zeggen; er gebeurt veel meer goed dan slecht. Dat betekent echter niet dat je niet scherp moet zijn.

En toen kwam dat telefoontje met die vraag van mijn moeder. Opnieuw werd haar door een begeleider een machtiging ter tekening voorgelegd. Ze raakte erdoor van streek en weigerde te tekenen. De volgende dag probeerde men het opnieuw en toen vroeg ze of ze mij kon bellen. Daar zorgden ze gelukkig voor en zo hoorde ik dat ze opnieuw voor indicatiestelling een machtiging moest tekenen. Hoe kan dat?, zo vroeg ik. Wat is er dan eerder misgegaan. En vooral: waarom hebben jullie mij niet gebeld, zoals afgesproken? Ik ben de gemachtigde. Toen kwam de aap uit de mouw. Er was iets mis gegaan met de vorige aanvraag. Gewoon, een administratieve fout. Het gevolg was echter wel dat de indicatiestelling met weken vertraagd leek te worden.

Om een langer verhaal korter te maken; door een interventie van mijn zijde bij CIZ is de indicatiestelling daarna bijna direct verstrekt. Iedereen wilde meewerken, maar de hik in het administratieve proces leek onoverkomenlijk. Zo zonde. Er is natuurlijk wel een pittig gesprek gevoerd met verschillende personen in en rond de instelling. Wat daarbij opviel was dat de medewerkers vaak net niet op de hoogte waren van de status van de volmacht. Bent u dan mentor? Nee, maar het komt feitelijk wel op hetzelfde neer. Enzovoort. Ze vragen er ook niet naar. Het feit dat je een zoon of dochter bent, geeft kennelijk voor hen al voldoende aan dat je zeggenschap hebt. Is dat zo?

Vier lessen
Er zijn een vier lessen die ik uit dit alles mee wil geven.

1. Doen
Een levenstestament annex algemene volmacht is een goed idee. Doen. Ik moet er niet aan denken dat ik de verkoop van het pand had moeten regelen zonder dat ik die volmacht had. Dat bracht zoveel rust. Ik weet nu ook dat ik rustig het moment tegemoet kan zien dat ik het ‘gewone’ testament moet uitvoeren. De grootste slagen zijn geslagen en we zijn er als kinderen allemaal bij geweest. Dat gezegd hebbend, weet ik inmiddels ook weer dat paper geduldig is en de praktijk weerbarstig. Geen document kan het moment vervangen dat je de keel schraapt en benoemt waar je mee rond loopt.

2. Zoek een notaris die van zorg weet
Ik ben ook blij dat ik tijdig een notaris heb ingeschakelden zijn advies heb gehad. Bij de HEMA bestel je worsten, geen levenstestament. Wel zeg ik erbij dat het notariaat volgens mij nog ontdekkenmoet waar haar bijdrage kan liggen. Van oudsher zijn notarissen juristen, privaatrechtelijke juristen. Dat betekent dat ze de materiële en vermogensrechtelijke kant prima in kunnen schatten. Voor de kant van het verhaal dat met zorg te maken heeft, zijn ze huiverig. Dat zijn ze niet in het minst omdat ze alert moeten zijn op een mogelijk gebrek aan wilsbekwaamheid. Ze leren dat ze in dat geval een mesich deskundige in moeten schakelen. Dat zijn ze ook omdat ze geen of weinig kennis hebben van wetgeving op het terrein van de zorg. U mag er nog wel op vertrouwen dat uw notaris het verschil uit kan leggen tussen een algemene volmacht en een mentorschap, maar verwacht niet automatisch dat ze weet hebben van wetten als de WGBO of BOPZ, of dat ze weten hoe een indicatiestelling verloopt of wat het voor het vermogen betekent om een PGB aan te vragen. Toch zou het goed zijn als het notariaat die kant op gaat denken, ook niet voor het notariaat zelf.

3. De zorginstelling moet professioneler met volmachten omgaan
Het is de zorginstelling die zich het meeste achter de oren mag krabben. Dat is eigenlijk raar: in de zorg wordt al jaar en dag met volmachten gewerkt. In de werkelijkheid is een volmacht iets voor een familiegesprek en een aantekening in een dossier, niet voor een dagelijkse praktijk. Daarbij gaat het niet alleen over zware zaken als een indicatiestelling, maar ook over medicijntoediening en kleinere zaken als kleding en inrichting van de kamer. Het is dat we in het afgelopen half jaar er in geslaagd zijn bijna elke dag op bezoek te gaan (dank, dank aan iedereen) dat we op de hoogte bleven van wat er gebeurde, maar dat was bijna altijd nadat het al gebeurd was. Voortdurend hebben we achter de ontwikkelingen aan gelopen. Dat ligt niet aan het gebrek aan dossiervorming. Er wordt wat afgeschreven. Wel aan de juiste houding, startend met het daadwerkelijk lezen van wat de collega’s hebben opgeschreven. De vele medewerkers in de zorg moeten niet alleen begrijpen dat dit getuigt van gebrek aan professionaliteit, maar zich ook realiseren dat er een steeds groter wordende groep van kinderen en verwanten is die op basis van de nieuw afgesloten levenstestamenten verwachten dat ze tijdig betrokken worden bij alle besluiten.

4. Wij kinderen moeten verstandig met onze nieuw rol omgaan
Tot slot dan toch ook iets naar onszelf, als kinderen. Want ik begrijp de zorgverleners ergens wel. Zij zijn bovenal gericht op de patiënten die onder hun zorg vallen. Die kennen ze, met al hun problemen en hebbelijkheden. Op hen is het werk gericht. Familie bestaat vooral onberekenbare buitenstaanders. Anders dan notarissen, maar ook begeleiders zullen op hun manier op hun hoede zijn voor de bemoeienis van familie, met of zonder volmacht.
Als een ouder veel zorg nodig heeft en de geestelijke vermogens afnemen, dan neemt het kind als het ware de rol van de ouder over en andersom. Dat is heikel, dat is moeilijk. Er zullen veel kinderen zijn die dan gaan doorslaan in hun zorg. Ze stellen zich te eisend op en houden vader of moeder klein, ook als dat niet nodig is. In de afgelopen maanden heb ik ook gezocht naar het evenwicht tussen te weinig of te veel bemoeien. De zorginstelling hoort op de vingers getikt te worden als ze zonder instemming hun gang gaan, maar uiteindelijk weten zij meer van zorgverlener af dan wij kinderen, al was het maar omdat ze niet zo direct betrokken zijn. Balans houden, hopen en vertrouwen, dat is ook de rol van ons als kinderen.

Rolwisseling
Op een dag vrij kort na de eerste crisis ging ik naar Amsterdam voor de opening van een nieuw advocatenkantoor van een vriend. Het weer was prachtig. Zon stroomde over de mooie nieuwe gebouwen aan het IJ, een cruiseschip lag majestueus te zijn aan de kade. Ik was te vroeg en leende van de mevrouw die mij bediende aan het terrasje waar ik ging zitten een pen en een stukje papier. De woorden volgden snel. Eerst de beelden en toen ik bijna klaar was ook nog iets van de betekenis. Zo zit ik nu eenmaal in elkaar. Terwijl ik dat opschreef besefte ik dat ouder en kind wel van rol kunnen wisselen, maar dan toch net zo aan elkaar verbonden blijven als altijd.

De ogen staan scherp
gericht naar achter
In een hoofd waar
hersenspinnen met messen
gewapend de wereld
uitbenen
Alles is vijand

Sleutels verdwijnen, passen
niet meer op de dichte
deuren in haar hoofd
Geen deurkruk is aanraakbaar
Geen intentie wordt
geloofd

De moeder kantelt met een klap
naar het kind. Het kind wil
maar kan niet wegkijken

De zoon trilt en
begint te begrijpen wat een
moeder van een kind
mag verwachten

PN ‘15

Peter Noordhoek

Een blog als deze schrijft zich niet vanzelf. In ieder geval heb ik willen voorkomen dat ik zaken zou opschrijven die feitelijk of juridisch niet juist zijn. Gelukkig behoort het tot het werk van mijn eigen vrouw om goed op de hoogte te zijn en heb ik haar mee laten lezen. Het is niet het enige waarin ze geweldig is. Elke fout blijft uiteraard mijn fout.

Naschrift:

Inmiddels bezig met de aanvraag van een PGB voor mijn moeder. In feite heeft zij die al van het moment van opname, maar nu komt (hopelijk) het moment dat ze de instelling kan verlaten. De eerste stap is hier de omzetting van een ‘PGB in natura’ naar een PGB in geld. het is bij uitstek het moment waarop ik mij als gevolmachtigde moet bewijzen. Maar wacht even; het blijkt dat alleen de budgethouder of de ‘wettelijk gevolmachtigde krachtens rechterlijk besluit’ die aanvraag kan doen. Door het meesturen van een afschrift van de notariële akte en door het voor de zekerheid mee laten tekenen door mijn moeder, lijkt dat in ons geval oplosbaar, ook al voelt het als een schijnoplossing. Toch is het opvallend dat een notaris op dit punt dus niet dezelfde status heeft als een rechter.

 

Aan de andere kant van de Rabobank

Schermafbeelding 2015-12-13 om 16.29.57Deze maand maak ik, zoals elke maand, zo niet elke dag, gebruik van de diensten van de Rabobank. Tot genoegen. Eerder werd ik gebeld door een medewerker met de vraag of ik een gesprek wilde over de levensverzekering. Omdat ik inmiddels een gespecialiseerd tussenpersoon heb, zei ik van niet. Dat accepteerde hij met moeite, maar waarschuwde vervolgens wel dat ik een brief zou krijgen waarin bevestigd werd dat ik afzag van het gesprek. Ik hield me in en accepteerde het indekverhaal. Voor het overige is de Rabobank dagelijks dezelfde prima ‘Rabo’ als altijd. En toch weer niet.

Nederlaag
Deze week hebben de leden ingestemd met de omvorming van de decentrale coöperatieve structuur naar één centrale bank met coöperatieve trekken (of ik dit goed opschrijf, is de vraag. Omdat de website rabobank.com geen hulp biedt, hou ik het hier voor het moment bij). De leden hadden geen werkelijke keuze. In hun plaats had ik waarschijnlijk tot hetzelfde besloten. Maar hoe je het ook wendt of keert; het besluit is de bezegeling van een nederlaag. Het is te wijten aan de Libor-affaire en ander falen van de oude bankleiding, het is het gevolg van overreactie en kortzichtigheid van politici en toezichthouders, maar eerlijk is eerlijk; het is ook het gevolg van het falen van de lokale banken en ons eigen opportunistische klantgedrag. Een nederlaag dus – en het einde van iets dat uitzonderlijk goed was. Het vertrek van heel veel medewerkers hoort hierbij. Zij zullen de nederlaag het meeste voelen. Je kan er allerlei mooie dingen over opschrijven, maar het blijft ellende.

Tegelijk hoeft een nederlaag niet het einde van alles zijn. Het kan zelfs nodig zijn voor een nieuw begin. Hoe gaat dat er nu uitzien? Mij baserend op de website van Rabobank.com bekijk ik hoe de bank dat nieuwe begin ziet. Waar ligt de toekomst? Is er een pot goud aan de andere kant van de Raboregenboog? Een drietal reacties.

Voedselbank
Het is een inkopper, maar toch: heel goed dat de Rabobank (opnieuw) kiest voor een agrarisch profiel. Ook als niet-agrariër vind ik dat ‘banking for food’ concept helder. Jammer dat de term ‘voedselbank’ al vergeven is, maar doet ze het goed, dan is de Rabo de echte voedselbank. Mocht men mij er t.z.t uit willen knikkeren omdat ik niet in het voedsel minnende profiel pas, dan zal ik balen, maar er wel met respect over spreken. Zonder die dwang zal het weleens niet zo snel gaan gebeuren, want wie wil er niet bankieren bij een bank die weet wat het wil? – Nou ja, ik weet wel een reden, maar daar kom ik zo op.

Coöpereren waartoe?
Dan een twijfelpunt. Een coöperatie is uiteindelijk maar vorm, een middel voor een doel. De coöperatieve vorm is in de afgelopen decennia gereduceerd tot middel voor sponsoring en subsidiëring. Niemand hoeft mij uit te leggen hoe goed en uniek deze rol van de coöperatieve kant van de Rabobank is – maar er hoort wel een ‘maar’ bij. Tot deze week was er geen directe verbinding van de coöperatieve gedachte met het meer klantgericht maken van de bank. Het huidige logo zegt alles: een enkele persoon, richtingloos op een schild geheven.
Het zou geweldig zijn als dit nu anders zou worden. Dat zou ook niet onlogisch zijn. Zoals ik in mijn blog van vorig jaar schetste (een ontzettend goed gelezen blog, maar juist op dit punt kreeg ik geen reacties) geloof ik in nieuwe flexibele bankvormen van kleine collectieven. Inmiddels denk ik dat met een geslaagde introductie van blockchaintechnologie kleine coöperatieven nog meer bancaire toekomst hebben. De Rabobank lijkt daar in haar nieuwe verhaal op aan te sluiten door het veel te hebben over virtuele netwerken en ‘het verder virtualiseren van haar dienstverlening’. De laatste trendrapportages over nieuwe winkelvormen hebben ze duidelijk gelezen. Maar juist op dit punt had ik verwacht dat de bank op een onderscheidende manier een verbinding zou leggen met (nieuwe vormen van) coöperatief en collectief denken. De bank kan weer in het hart een coöperatie worden. Dat gebeurt echter niet. Het is op de website letterlijk en figuurlijk een ander punt. Een gemist punt? We zullen het er op houden dat het nog komt.

Klatergoud
Dan, tot slot, mijn reden om te vrezen dat aan het einde van de Raboregenboog de pot met goud van een soort reclameklatergoud gemaakt zal zijn. Dat ligt aan het taalgebruik van de bank. Wat een intrieste bank- en managerstaal, waarbij de term ‘excellente klantbeleving’ het hoogste jeukgehalte heeft. Welke marketeers, juristen en Commissarissen zijn over deze tekst heen gegaan? Welnu, ze horen bij een inmiddels bekende groep blunderaars: om kleinere fouten te vermijden maken ze een verwoestend grote. Je hebt maar één kans voor een nieuwe indruk en deze is behoorlijk verknald. Wat je als bank zegt over jezelf – waar je vandaan komt en waar je naartoe wilt gaan – zeg je in de taal van je nieuwe bank en die kan maar beter heel authentiek klinken. Nu leidt de tekst van de website van een hoopvol begin naar het laagste putje:

“Omdat de Rabobank beperkte mogelijkheden heeft om eigen vermogen aan te trekken is ook een structurele verbetering nodig van het financiële resultaat van 2,1 miljard euro. Dit gaan we deels realiseren door inkomstenverhogingen, deels door kostenbesparingen en efficiencyverbetering. Ook door beter te differentiëren in risico en prijs zullen we ons rendement verbeteren. Helaas betekent dit dat we ook de komende jaren niet ontkomen aan verdere personeelsreductie.”

Kromme, kromme tenen. Het verlies aan banen is onderdeel van de nederlaag van de oude bank. Erg, maar niet onverklaarbaar. Maar door het, gezwachteld in consultancywoorden, aan het einde als een soort PS te berde te brengen, haalt de bank de geloofwaardigheid van het voorgaande onderuit. In het Financieel Dagblad heeft ‘Maaiveld’ (paywall) het beter neergesabeld dan ik ooit zou kunnen. Met zoveel best goede dingen te melden, wordt zo met mondwatertaal er alles aan gedaan om te laten zien dat de Rabobank een gewone bank is geworden. Van het soort waar iedereen afscheid van aan het nemen is.

Merkt de lezer dat ik hier hetzelfde doe als de bank op haar website? Het slechtste bewaar ik voor het laatst. Wat blijft er nog hangen – ‘the negative stands out’ – van wat ik daarvoor aan positieve dingen of mogelijke kansen schreef? Toch meen ik dat ook. Door niet echt authentiek om te gaan met wat er is gebeurd, roept de Rabobank het over zich af. Maar zo ingewikkeld is het niet.

Erkennen en doorvertellen
Ik ben een veteraan van ‘Arnhem’. Voor een miljoen kijkers trok het CDA zichzelf, spreekminuut na spreekminuut, uit elkaar na de nederlaag van 2010. Dat sloeg wellicht door naar de andere kant. Maar Arnhem was het onontkoombare gevolg van te veel jaren dat de leden het bestuur blind volgden in hun afdekken van kabinet en fractie. Daarom zal ik nooit spijt hebben van Arnhem. Het was een nederlaag, maar hier waren we allemaal bij.

Ik weet dat de leden van de Rabobank uitgebreid hebben mogen discussiëren over het besluit tot omvorming van de bank. De Noord-Koreaans uitslag van de stemming erover was juridisch nodig, maar doet geen recht aan de kwaliteit van de meningsvorming. Tegelijk is daarmee slechts een klein deel van alle rekeninghouders en anderen bereikt. Waar is de erkenning van de nederlaag? Waar het moreel geladen oordeel over de nieuwe koers en wat daarop gaat volgen?
Ongetwijfeld is er al een reclamebureau in de arm genomen om een hartverwarmend filmpje te maken over ‘de nieuwe bank’, maar spaar me. Ga eerst eens met elkaar de nieuwe taal leren van een bank die in de voedselketen haar nieuwe toekomst zoekt en in de lokale gemeenschap de kern weet te raken. Die kleine lokale coöperaties steunt of financiert en zelf weer weet waar het brengen en halen van een coöperatie over gaat. Dus niet aarzelt meer dan een bank te zijn. Graag herhaal ik met Maaiveld – inclusief de moreel geladen termen – de slogan waarmee de ‘Boerenapostel’ Gerlacus van den Elsen de ratio voor het bestaan van de Rabobank onder woorden bracht:

‘Den woeker te weren, den landman in zijn nood bij te staan, maar ook de spaarzaamheid, naastenliefde, arbeidzaamheid en matigheid bevorderen’.

Dat is andere taal. Aan de andere kant van de Rabobank kan de bank zichzelf terugvinden.

On the future of diplomacy and associations

Schermafbeelding 2015-12-06 om 20.11.43

Recent histories of global enterprises all point to one historic predecessor: the Dutch ‘VOC’. It is seen as the first truly international operating trading company. The image* shows the VOC trading with Japan, that secretive nation recognizing the VOC as its only trading party. Its multiple stakeholders profiting from its diverse trading activities, its employees coming home rich from their adventures oversea; it is a great success story. A former Dutch prima minister even talked about a ‘VOC’ mentality’.

In this day and age MNE’s – Multi National Enterprises – seem to be the new VOC’s and true powerhouses of this world. Both richer and nimbler than nations, they can be an awesome force for good. NME’s like Unilever achieve on their own more goals in terms of sustainability than most Western nations do. An NME like Microsoft gets a whole new profile by the activities of the Bill and Linda Gates Foundation. Even so, NME’s are seldom trusted. A host of NGO’s like Greenpeace and Oxfam treat most NME’s as if they are criminal organizations, using the legal system of nations to reduce their role. In other words: the reputation of NME’s is always in question. So it is no wonder that a new discipline is coming up called ‘business diplomacy’.

The ‘V’ of VOC
Definitions abound, but here I start by following my friend Raymond Saner in his basic definition of business diplomacy as the diplomacy aimed at nations and NGO’s. Traditional diplomacy is done by nations and aimed at nations. A clear distinction, is it not? Never answer a rhetorical question. No, it is not. Let’s go back to the beginning of this paragraph, to the VOC. The first global enterprise? The ‘V’, it’s first letter, stands for the Dutch word of ‘vereniging’, and this again stands for ‘association’. The first multinational was actually an association of Dutch cities, working like what we would now call a co-operative. So before the company, we had the association. I remembered this when I was invited to write a paper for the first conference ever on Business Diplomacy’ on the 4th of December 2015, organized by Huub Ruël of Windesheim and with support of Clingendael. Attached you find this paper in its full length and with its full title: ‘Business diplomacy, associations and a multi-actor approach’. If all goes well, it will be published summer 2016.
One way streets
Some blogs are read a lot, others are not. This will probably not be one of my more widely read blogs. The conference on Business Diplomacy was interesting but not very well attended. Diplomacy itself is not hot. It represents an old fashioned way of dealing with each other. Never mind the old fashioned way of ambassadors presenting themselves to the king of queen of a country. The whole idea of ‘furthering mutual long term relations’ seems quaint and out of date, harking back to the day and age when diplomats were weeks of traveling away from their homeland. As everywhere, short term considerations outweigh long term ones. Communication is instant, so is the fight for attention and impact. Public affairs, lobbying has transplanted diplomacy as the mode of operation for most actors, even nations. They are all instant means to further the interest of a party in a multi-actor world.

They are all one way streets heading for a dead end.

Strength and weaknesses
While many are harking for the good old days of nations and its old borders, nations are in fact in deep trouble. Globalization, and the reaction to it, create countries in which the populations – though used to the wealth trade brings – are scared of the change it brings. At the same time there is more ever a need to look outward, people and their politicians start to look inward. The reputation of nations gets damaged in the process.
Businesses have it relatively easier, but like NGO’s and other parties, they will get caught up in the diverging currents nations face. Along the way reputations gets damaged.
This is more than any communication department or public affairs consultant can manage. It requires a strategic positioning – and a status – that they cannot provide. Perhaps a new breed of diplomats can. If so, they need a special set of skills and a new position. They will no longer be bound to the old function of the ‘public diplomat’, but can also be a ‘business diplomat’, a ‘sector diplomat’ or NGO-representative. In the end, as I argue, in my paper, they will just be ‘diplomats’.

Agenda
There is another, more normative dimension to this. As I discovered during the conference, most forcefully put forward by Lycia Yiu, there is a specific mission waiting for (business) diplomats to shoulder. This is the challenge she puts forward, just before flying of to Paris:

“Major corporations and private philanthropic organisations are expected to play a crucial role in ensuring resource mobilisation and implementation of the Sustainable Development Agenda (SDG) and related goals. In total, 17 goals and 169 targets, collectively known as the Sustainable Development Goals (SDGs), have been agreed by the Open Working Group (OWP) under the auspice of the United Nations Commission on Economic and Social Affairs (ECOSOC) on the 2ndAugust 2015.
The negotiated text will be adopted at the Summit by the Ministers of UN member states in September this year in New York. The significance of this historical event is not only the universality of the SDGs, but also the central role to be played by the partnerships between state and non-state actors to enable successful implementation. International businesses are expected to play a catalyst role in bringing about economic growth, social development and conservation of the environment.”

New diplomats
Of course first responsibility belongs to CEO’s and Heads of State to further this agenda, but the real work has to be done in the background. Here the new diplomats should find their vocation.
What goes for huge developments like the SDG, also goes for smaller goals, or for older goals, like the 40 years old OECD Responsible Business Guidelines. For years now, statistics showed the world getting safer, with less and less armed conflict. It ensured we all had a big opportunity to do business. It seems like we are entering an era with rising and more violent conflicts. The way Putin acts remind us too much of the days of the Cold War. The Middle East spreads its unrest like it has not done in decades. Meanwhile the challenge of climate change gets more real by the year. It is time for all actors, in business, government and elsewhere, to (re)acquire the competences we need to deal with that. It is time to get back the diplomat.

Peter Noordhoek

* Two nations flourish through a business association
Plaque after a print of Joan Nieuhof (ca. 1670-90). He accompanied a diplomatic mission to the Chinese court. It was more a trade mission actually, paid for by the VOC, the Dutch East India Company, in fact not a company as such, but more an association of cities doing trade from Holland.

Noordhoek, Peter (2015), Business Diplomacy, Associations, and a Multy-Actor perspective. Academia, accessed on 03.12.2015
Lichia Yiu (2015), Business Diplomacy in the context of partnerships for sustainable development. Paper.
Huub J.M. Ruel, Business Diplomacy: A Definition and Operationalisation, Academia, accessed on 30.07.2015
Saner, R., Yiu, L. &Sondergaard, M. 2000. Business Diplomacy Management: A Core Competency for Global Companies. Academy of Management Executive, vol. 14 (1): 80-92


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek