Maandelijks archief: oktober 2015

Tussen intern en extern toezicht: sectorkansen

Onlangs heeft de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) een publicatie doen verschijnen met in potentie nieuwe kansen voor de rol van sector-, branche- en beroepsorganisaties in hun relatie tot het toezicht. Het sluit mooi aan bij andere ontwikkelingen en inzichten. Dan moet er echter wel wat gebeuren.

Van incident naar preventie

De kern van de WRR-publicatie is deze: externe toezichthouders (inspecties, marktautoriteiten) moeten op instellingsniveau hun werk doen en daarin afstand houden tot de interne toezichthouders (Raad van Toezicht). Op sectorniveau kan de toenadering worden gezocht, vooral als het gaat om ‘wederzijds leerprocessen’: informatiewisseling en kennisuitwisseling over elkaars werkwijze. Dit alles zolang er geen sprake is van directe misstanden. De notitie, primair geschreven door WRR-onderzoeker Meike Bokhorst, staat in het teken van de overgang ‘van incident naar preventie’. Wederzijds leren is daarvoor de sleutel, maar dan wel op organisatie overstijgend niveau.

Hieronder staat in een schema de beoogde beweging weergegeven:

Schermafbeelding 2015-10-25 om 20.06.16

Vertrouwen

Deze benadering is ontwikkeld in een specifieke context, die van de semipublieke instellingen als zorg, onderwijs en wonen waarin raden van toezicht actief zijn. De aanleiding is gelegen in het feit dat van de zijde van diverse ministeries, met name OCW (en op zich weer ingegeven vanuit EZ en het Ministerie van financiën) voor een constructie leek te gaan kiezen waarbij Raden van Toezicht (de interne toezichthouder dus) signalen aan de externe toezichthouder zouden moeten gaan geven als daar aanleiding toe is. In feite werd daarmee van raden van toezicht verlangd dat ze als verlengde arm van het extern toezicht zouden gaan fungeren. Hoewel in praktische zin niet onvoorstelbaar, is zoiets in termen van governance een gedrocht. Niet voor niets werd er daarom van de zijde van bijvoorbeeld de Raad van State ernstige kritiek op geuit. Vanuit rolzuiverheid geredeneerd zouden Raden van toezicht zich moeten beperken tot het kritisch volgen en voeden van de Raad van Bestuur. Daar moet hun informatiebehoefte ook op zijn afgestemd. Dat werkt niet. Nu al is de klacht van bestuursleden in bijvoorbeeld de woningcorporatiesector dat leden van de raad van toezicht teveel aan het meesturen zijn om maar niet aansprakelijk te zijn voor mogelijke misstanden. Dat kan niet de bedoeling zijn. Door de lessen uit het interne toezicht op sectorniveau naast die van de externe toezichthouder zou – in theorie! – voor komen worden dat te vroeg of te vaak wordt ingegrepen. Het klinkt wellicht teveel als een vertrouwensbenadering, maar gegeven het feit dat er in de meeste sectoren nog altijd veel meer goed dan fout gaat, is dat geen onredelijk uitgangspunt.

Belastingvoordeel

Het aardige is dat de notitie van de WRR goed past bij de strekking van het rapport ‘Upgrade Horizontaal Toezicht – HT 2.0’ zoals dat is opgesteld door de Vereniging van Accountants en Belastingadviseurs (VLB) en de Belastingdienst samen. Zij pleiten ervoor dat de ‘tegenstelling tussen toezichtvormen van horizontaal toezicht (HT) en verticaal toezicht (VT) worden vergroot, onder een gelijktijdig vergroten van o.a. de ‘geloofwaardigheid en betrouwbaar het van HT’. Dat zou ook consequenties moeten hebben: ‘HT-ondernemers’ zouden meer service moeten krijgen dan de ‘niet-HT ondernemer’ en er zou zoiets moeten komen als een ‘HT-certificaat’. Deze aanbevelingen zelf zijn een voorbeeld van sectoroverleg en pleiten dus voor een beperking van de relatie op organisatieniveau.

Verdere doorwerking?

Het is oppassen met zowel de begrippen als de context waarin die begrippen worden gehanteerd. Intern en extern toezicht is in het governance model van de semipublieke sector iets heel anders dan binnen het gesloten systeem van horizontaal en verticaal toezicht voor de belastingaangifte. In het eerste geval staat de toezichthouder als het ware buiten het systeem en intervenieert er naar gelang de situatie in, in het tweede geval is de belastingdienst het systeem en geeft ruimte voor het betrokken bedrijf om zich als betrouwbaar te bewijzen. De VLB mag meedenken, en er wordt goed geluisterd, maar de VLB is hoogstens op een enkel aspect iets van een sectorvertegenwoordiger. Van gelijkwaardige partners valt niet te spreken.

Maar wellicht is dat nergens helemaal het geval. Er zijn vanuit het toezichtperspectief meerdere sectoren waarin opnieuw nagedacht zou mogen worden over de verhouding tussen intern/horizontaal en extern/verticaal toezicht. Dat start bij pure marktpartijen, inclusief de vele bedrijven die via keurmerken of ISO-certificering trachten aan te tonen dat ze deugen. Het eindigt bij de professionele beroepsorganisaties van advocaten en medici. Bij hen kan de publieke taak dimensie zeker zo sterk zijn als de ondernemerskant. Daartussenin bevinden zich dus de semipublieke organisaties, maar ook bijvoorbeeld de zelfstandige bestuursorganen en de ‘goede doelen’ organisaties.

Voor elk van deze segmenten valt meer rolvastheid op organisatieniveau en meer samenspel op sectorniveau te overwegen. De vraag is: zijn de sectororganisaties in al die segmenten en hun toezichthouders wel ‘volwassen’ genoeg om daar een succes van te maken?

Hout en steen

In eerdere blogs over hout (certificering) en steen (toezichthouders, inclusief inspecties) ben ik over beiden niet mild geweest. Bedrijven en hun certificeerders gaan monomaan verder met hun papieren kwaliteitssystemen en stapelen ondertussen schandaal op schandaal. Aan acties en instrumenten ontbreekt het niet, maar hoe vaak zie je nu dat een branche of beroepsorganisatie echt de spreekwoordelijke rotte appels uit de mand weet te halen? De werkelijkheid is dat vele sectororganisaties zich midden in grote transities bevinden en uit elkaar worden getrokken door allerlei krachten; grote, kleine leden en free riders, digitalisering en globalisering, disruptie en publikisering. Alles tegelijk. In het lobbyen worden naar buiten toe worden ze steeds beter, maar zijn ze in staat om hun leden bij de les te houden?

Inspecties gedragen zich ondertussen misplaatst arrogant, terwijl ze lang niet altijd het inzicht tonen dat hun werk vereist. Discussies over onafhankelijkheid worden wel gevoerd, maar niet afgemaakt. Nog onlangs werden door het kabinet ‘Aanwijzingen voor de inspecties’ gepubliceerd die duidelijk maakten dat als het erop aankomt, de politiek altijd nog sturend kan optreden. Hoe zich dat verhoudt tot bijvoorbeeld de eisen van Brussel laat zich raden. Wellicht nog belangrijker dan de discussie over de onafhankelijkheid is de discussie over effectiviteit. Het lijkt dat ‘systeemtoezicht’ al weer uit is en ‘gedragstoezicht’ de nieuwe toverformule wordt. Zou het? Nee, ook het toezicht is allerminst in rustig vaarwater.

Dans voor twee

Het wordt dus heel interessant als toezichthouders en sectororganisaties gaan praten over de relatie tussen intern en extern toezicht. Wat ik oprecht hoop is dat beiden elkaar op een verstandige manier gaan opvoeden en dat de echte lessen boven tafel gaan komen. Het is niet zo moeilijk om een pijltje in een schema te trekken, maar uiteindelijk gaat het ook om belang en macht.

De grote winst van notities als die van de WRR is dat ze duidelijk maken dat intern en extern toezicht aanvullend op elkaar werken, maar niet van dezelfde orde zijn. En dat is maar goed ook. Je kan noch van de enkele ondernemer noch van individuele toezichthouder verwachten dat hij of zij in staat is alle aspecten het toezicht op zijn of haar bedrijf te overzien. Dat moet minstens op sectorniveau gebeuren. Nederlandse branche- en beroepsverenigingen staan echter voor een enorme opgave om zich aan te passen aan de nieuwe tijd. Er zijn ook nog sectoren die nauwelijks georganiseerd zijn (één van de meest opvallende sectoren is die van de uitvoerende overheid. Hoog tijd dat die zich echt gaat organiseren!). Mijn hoop is dat een goede dialoog tussen sector en toezichthouder ook dwingt om duidelijk te maken waarvoor en voor wie men staat. De winst voor sectororganisaties zou dan moeten zijn, dat bij een slim en krachtig intern toezicht de externe toezichtlast werkelijk minder kan worden. De winst voor externe toezichthouder kan zijn dat ze overtuigender kan spreken over het effect van haar toezicht, direct en indirect.

De randvoorwaarde is van alle tijden: voor een echte dans heb je min of meer gelijke partners nodig. Lengte, geslacht en leeftijd hoeft niet uit te maken, de juiste passen op het goede moment zijn wel belangrijk. Er was een fase in mijn leven, noem het de punkfase, dat ik headbangen wel wat vond hebben. Deze dans raad ik toch af. Maar voor de rest: maak er wat van!

 

Peter Noordhoek

 

Meike Bokhorst (2015). Van incident naar preventie. Beperking en versterking van de relatie tussen intern en extern toezicht. WRR, oktober 2015. http://www.wrr.nl/fileadmin/nl/publicaties/PDF-WRR-Policy_Briefs/2015-10-14_WRR_Policy_Brief_-_Van_incident_naar_preventie.pdf

VLB Nieuws – VLB en Belastingdienst: zeven voorstellen tot verbetering horizontaal toezicht. Nieuws 19 oktober 2015. https://www.accountant.nl/nieuws/2015/10/vlb-en-belastingdienst-zeven-voorstellen-tot-verbetering-horizontaal-toezicht

Het Binnenhof: klein Europa aan de Hofvijver

Schermafbeelding 2015-10-17 om 15.12.32

Onlangs maakte ik samen met een Duitser een rondje rond de Hofvijver. Ik wees hem het Torentje. ‘Wat. Zo klein?’ ‘Ja, zo klein’, zei ik trots, want wij Hollanders vinden klein best fijn.
Dat was voordat ik het boek ‘Binnenhof’ van Diederik Smit las. Niet dat hij het zo beschrijft, maar al bij het lezen van het eerste hoofdstuk snapte ik opeens hoe wij onszelf als Nederland tekort hebben gedaan en dat opnieuw dreigen te doen in Europees verband. Ik wil de gebouwen op mijn manier laten spreken en zeg het vooral als ik het niet goed zie. Wij zijn Klein Europa aan de Hofvijver.

De afgelopen week is het 200 jarig bestaan van de Staten-Generaal gevierd in de Ridderzaal. De gasten maakten er een mooie plechtigheid van. De gasten? Ja, de Staten-Generaal hebben ten tijde van de Republiek ooit gastvrijheid aangeboden gekregen door de Staten van Holland, de formele gezaghebber in het duingebied dicht bij de zee. Ook de andere Staten hadden hun gebouwen in en rond het kleine gebied, maar alleen de Ridderzaal werd geschikt gevonden om de gezamenlijke Staten te laten vergaderen, als de gasten ten minste genoegen wilden nemen met de nogal primitieve Middeleeuwse faciliteiten (en op tijd plaats wilden maken voor de markt en de loterij). De Kamerbeheerder woonde in het torentje iets verderop, aan de rand van een massa kleine en grotere uitbouwen en bijgebouwen. Veel geld voor modernisering was er nooit geweest. Iets erbij zetten was makkelijker. De Staten-Generaal vond het best, het belang van de leden lag immers bij de eigen Staten.

Wie er anders over dacht waren opeenvolgende stadhouders. Die gingen er langzaam maar zeker andere gedachten op nahouden, wellicht gestimuleerd door de vele ambassadeurs die op de belangrijke Republiek afkwamen en die de Hofstad, zeker in vergelijking met het rijke Amsterdam, maar een armoedige bedoening vonden. Na eeuwen werd het weer eens tijd voor een echt Hof. Een boomgaard werd opgeofferd voor een stadhouderlijk paleisje en een toren. Deze ‘Mauritstoren’ verhief zich hoog aan de uiterste zuidzijde van de Hofvijver. Even leek er iets van grandeur te komen op het Binnenhof, maar de stadhouder maakte zich te groot en in het tweede stadhouderloze tijdperk werd er voor gezorgd dat de daken van de gebouwen rond de Mauritstoren werden opgehoogd, zodat de toren tot op de dag van vandaag niet wezenlijk boven de andere gebouwen uitstijgt.

Vorst en hofhouding hebben het Binnenhof inmiddels al lang verlaten en zijn uitgeweken. Niet naar Amsterdam, zoals Napoleon Bonaparte nog wilde, maar naar de lommerrijke rand van de Hofstad. Hoger dan de Mauritstoren heeft het Koninklijk Huis nooit meer gebouwd. Symbolische genoeg is de mediatoren nu het hoogste gebouw aan het Binnenhof en torenen vooral de ministeries ruim uit boven het Binnenhof.
De uitbreiding van de Tweede Kamer, nu ruim 20 jaar geleden door architect Pi de Bruin, is veel typerender voor de bouwstijl van het Binnenhof. Het ligt als een te grote hond in een te kleine mand gekromd tussen de andere gebouwen in.

Wie op vakantie gaat in hoofdsteden buiten Nederland, weet hoe anders daar de regeringsgebouwen vorm hebben gekregen. Hoe groter het land, hoe imposanter de gebouwen. Ondanks plannen daartoe, is het Binnenhof in het verleden nooit zo drastisch verbouwd dat het haar karakter heeft verloren. Ook nu er plannen zijn voor een verhuizing van enkele jaren naar een andere plek, heeft niemand het over een verbouwing, laat staan herinrichting van het Binnenhof. Anders dan bij vorige generaties, komt niemand ook maar op het idee om te zeggen: ‘Tijd dat de boel naar de hoofdstad, naar Amsterdam, gaat verhuizen’. Ben je gek. Het gaat om ‘achterstallig onderhoud’. Niets meer, niets minder.

Zelf deel ik, zoals gezegd, die rare trots op dat verzamelgebouw aan de Hofvijver. De kleinschaligheid past goed bij ons zelfbeeld: aardig, bescheiden, normaal. Als die Duitser zegt ‘wat klein’, denk ik ‘beter dan dat protserige gebouw in Berlijn’. Niet dan?
Maar om het toch maar even te benoemen: het klopt niet dat media en ministerie uittorenen boven ons nationale meningscentrum. Net zoals als het niet klopt dat we als economische grootmacht net doen alsof we niets voorstellen. Vroeg of laat wordt dat een voorbeeld van verkeerde kneuterigheid bij de Kneuterdijk. Dan kan het bijvoorbeeld gebeuren dat tot aan de jaren tachtig het Binnenhof een parkeerplaats was voor iedereen die maar een gaatje kon vinden. Gerommel in de ruimte, waar eigenlijk nog steeds geen einde aan is gekomen.
En dan denk ik opnieuw aan dat verschijnsel waarbij de vroege Staten-Generaal alleen maar een beetje te gast mochten zijn bij de verzameling gebouwen van de Staten, die van Holland voorop. Genoeg mensen in die tijd snapten dat het niet klopte. Er werd te veel geïmproviseerd, er werd niet gebouwd op de maat van de status. Alleen lukte het niet om daar verandering in te brengen: niemand of niets was sterk genoeg om de patstelling te doorbreken en er echt iets van te maken. Vanuit historisch perspectief was het slechts een kwestie van tijd voordat de neerval zou inzetten. Ook voor naties geldt: ‘it’s up or out’. Het werd zeker twee eeuwen lang out.

Bij mij komt de parallel met de Europese Unie boven. Als Staten houden we elkaar gevangen. We weten best dat een andere schaal nodig is, maar niemand is in staat voorbij het eigen belang te handelen. En dus bouwen we bijgebouw na bijgebouw op de beperkte ruimte die er nog over is: de schaal wordt kleiner, niet groter. Ooit komt er een tijd dat dit charmant en fotogeniek overkomt, maar tegen die tijd zijn er heel veel kansen voor iets mooiers gemist.

We staan voor groot onderhoud. Meer is niet nodig; iedereen zegt dat het zo goed is. Mijn gevoel zegt dat ook. Maar mijn verstand zegt: dit is een moment voor herontwerp. De Staten-Generaal zijn al verhuisd. Niet naar Amsterdam – dat heeft haar kans gehad – maar naar Brussel. Dat betekent niet dat de Nederlanden zonder democratisch schouwtoneel kunnen. Integendeel. Maar hoe moet dat er uit zien? later, zal gezegd worden, later kunnen we er over na gaan denken. Als er meer duidelijkheid is over onze plaats in Europa. Maar komt die duidelijkheid er ooit? Wanneer was het Binnenhof ooit echt af? Natuurlijk kunnen we deze beslissing voor ons uitschuiven, maar bedenk dan dat de huidige bewoners van het Binnenhof leven en werken in de uitgestelde beslissingen van het verleden.

Binnenhof

Zie ons Binnenhof
Wie ziet een Hof?
Veel binnen is er wel:
te vermoeden achter
aaneengemetselde gebouwen
schurkende daken
en ramen met
en zonder wenkbrauwen

Kleine torens als opgetrokken
tanden in de tijd
Overal gebouwen
als bijgedachten
neergelegd langs een vijver
verzameld
rond een plein
vol wisselende pretenties
van Natiestaat tot
parkeerterrein

Grandeur kreeg nooit veel kans
claims van steden en staten
hielden alles klein
Den Haag mocht er zijn
al mocht het geheel er
nooit groter dan de delen zijn

Peter Noordhoek

Diederik Smit – Het belang van het Binnenhof. Twee eeuwen Haagse politiek, huisvesting en herinnering. Prometheus, Bert Bakker. Amsterdam, 2015.

Syrische vluchtelingen

“Dat er zoveel Syrische vluchtelingen zouden komen, kon niemand vermoeden”, zegt premier Rutte vandaag in de Tweede Kamer. In absolute aantallen heeft hij gelijk. Het was echter zeer voorspelbaar dat het vroeg of laat wel zou gebeuren, net zoals er al lang iets had kunnen zijn gedaan om de situatie niet zo uit de hand te laten lopen.

Dit is een resolutie zoals die door mij namens het CDA Zuid-Holland is verdedigd op het CDA congres in Alkmaar op 3 november 2014, een jaar geleden dus. Een resolutie waarvan de voorbereiding al hartje zomer van dat jaar begon. Sybrand Buma was er toen al intensief mee bezig en nam deze resolutie over. Wat nou, niet kunnen voorspellen? Premier Rutte, u wilde het gewoon niet weten.

Schermafbeelding 2015-10-14 om 20.31.29

Doordat niet tijdig op Europees niveau is ingegrepen, is het nu nodig extra maatregelen te nemen. We werken aan het vervolg.

Brein en blog

Ik ga het deze blog over mijn brein hebben. Jawel. Iedereen die wil vluchten kan nu nog klikken. Eerst laat ik de lezer, gewoon als voorbeeld, meelezen in wat mijn afweging is geweest bij het maken van deze keuze, dwaas of niet. Daarna ga ik de diepte in, mede geïnspireerd door wat nieuwe wetenschappelijke inzichten en de autobiografie van Oliver Sacks. Wat rest is wat verwondering over het zwermgedrag van mijn brein.

Schermafbeelding 2015-10-11 om 20.27.20

Waar ga ik over schrijven?

Doorgaans maak ik op vrijdag mijn afweging over het onderwerp van mijn blog. Gedurende het weekend laat ik dat bezinken, mede geholpen door boeken, kranten en sport. Zondagmiddag ga ik schrijven, zondagavond publiceer ik.
Deze keer had ik vrijdag veel te veel onderwerpen in mijn hoofd. Deze onderwerpen tolden het meest door mijn hoofd:

  • Zondag 11 oktober is de precieze dag dat het CDA 35 jaar bestaat. Ik heb alle jaren van heel dichtbij meegemaakt. Anekdotes te over.
  • De nieuwe ISO 9000 normen werken op allerlei manieren door naar andere normen en de nieuwe auditpraktijk. Ik vrees dat het goede de vijand van het betere gaat worden. Interessant voor de kwaliteitsdeskundigen in mijn gezelschap.
  • Een nieuw boek over de gebouwen van het Binnenhof beschrijft hoe de verschillende Staten in de Republiek elkaar zo in een houtgreep hielden dat het resultaat een hutspot van gebouwen zonder allure werd en dat het de Staten-Generaal niet werd gegund daar iets aan te doen. Kort daarna zette de neergang in. Doet me ergens aan denken …
  • Het kabinet heeft Aanwijzingen voor de inspecties gepubliceerd die onder andere hun onafhankelijkheid raken. Een toverformule moet de huidige praktijk in stand houden. Is dit wijs?
  • Op 7 november is het CDA-congres en als delegatieleider zit ik midden in het proces van het opstellen van resoluties, ook op het terrein van de vluchtelingencrisis. Kan ik de lezer mee laten denken?

Moment voor moment

Bij elk van deze keuzemogelijkheden kan ik rationele argumenten bedenken waarom ik er wel of niet over ga schrijven. Ik ben mij er bewust van dat gevoelsargumenten daar ook een rol bij spelen. En toch is er een moment vandaag dat al die overwegingen in een flits als het ware ondergeschikt worden gemaakt aan een soort regisseur in mijn hoofd en die zegt: ‘nee, daar ga jij, Peter Noordhoek, het niet over hebben. Jij weet het zelf niet, maar je wilt het over je brein hebben. Dat kan je prima motiveren – tenslotte heb je niet voor niets het boek van Oliver Sacks uitgelezen en je hebt het er afgelopen zaterdag nog over gehad met de deelnemers aan de ‘dertigers carrièredag’ – maar iets dieper in jou wil dit gewoon. Zeur niet, schrijf’. En dat zegt mijn brein tegen mij zo’n 6 seconden voordat ik dat besef. Een moment dus voor het moment.

Eén ding is zeker: er gebeurt ontzettend veel in mijn brein, net als in dat van de lezer. In mijn beschrijving van de onderwerpkeuze raak ik waarschijnlijk nog niet aan een procent van alle factoren die daarbij een rol spelen (inclusief de belangrijke factor van wat ik nog aan ‘echt’ (schrijf)werk heb liggen). Deze week is het ‘Blue Brain Project’ opnieuw naar buiten gekomen met een film en publicatie voor een breed publiek. In een supercomputer is een simulatie gemaakt van een deel van de hersenen van een rat. ‘Nou en?’, zegt u. ‘Nou heel veel’, zeg ik daar op terug. Dit is een enorme stap op weg naar echte kunstmatige intelligentie (AI) en hoe dan ook, heel, heel veel informatie: het gaat om de resultaten van 20 jaar metingen naar rattenhersens waardoor het nu mogelijk is om ruwweg 30.000 neuronen met elkaar te verbinden via zo’n 40 miljoen synapsen tot een 3D model van de neocortex. Alstublieft.

Breingeschiedenis

Toen ik dit langs zag komen, moest ik direct denken aan wat ik het vorige weekend had gelezen in ‘On the move’ het tweede en laatste deel van de herinneringen van Oliver Sacks. Het boek is boeiend, maar lang niet zo gestructureerd, zo af, als de ‘Oom Tungsten, het eerste deel en veel van zijn eerdere boeken. Lezend hoe hij met zijn andere publicaties omgaat, betwijfel ik of een 40-jarige Sacks met deze laatste publicatie had ingestemd. Maar dat alles doet niet ter zake als hij aan het einde van het boek zijn ‘intellectuele geschiedenis’ beschrijft van de ontwikkelingen in de neurologie: het inzicht in de werking van onze hersenen en zenuwstelsel.

Toen hij begon wist men eigenlijk niets. Opsluiten, elektroshocks en praten, dat was het zo’n beetje. Een ruw zicht op de opbouw van de hersenen was er wel, al was het maar doordat artsen steeds beter werden in het afsnijden (‘slicen’) van stukjes hersenen en die onder de microscoop te leggen. Daarna begon men de werking van psychofarmaca te onderkennen. Sacks eigen belangrijkste ontdekking – nadat hij zichzelf tot proefkonijn van allerlei drugs had gemaakt – was het effect van ‘L-dopa’ (aan opium variant) op patiënten die door een infectie in een coma-achtige slaap waren geraakt. In ‘Awakenings’ (zie de film) worden mensen die dat overkwam in de twintiger jaren, zo wakker in de jaren zestig. Later maakt de komst van MRI’s het mogelijk om te zien hoe de hersenactiviteit toe- of afneemt bij een bepaalde stimulans. Dat bracht ontzettend veel nieuwe inzichten, maar tot in de jaren negentig werd naar hersens gekeken als een soort verzameling van functies: daar zetelt het zicht, daar het gehoor, de smaak. En doorgaand: daar de angst, daar de liefde en daar het heldere verstand. In die tijd was ik zelf – niet meer gelovend in de oude zin – aan het wachten op het moment dat religie dood zou worden verklaard omdat men precies de plek in de hersenen zou aanwijzen waar het Godsgeloof zou zetelen. Dat is een onzinbewijs, maar even zo goed bereide ik mij al wel voor op de impact van het nieuws.

Praktijk en theorie

Bij kanker- en ander medisch onderzoek is de werkelijkheid van het menselijk lichaam altijd weer ingewikkelder gebleken dan gedacht. Dat is ook de reden dat er wel veel kleine doorbraken zijn gekomen, maar dat de vele beloofde doorbraken – krantenkop: ‘Longkanker genezen!’ – er niet zijn gekomen. Geen orgaan is ingewikkelder dan de hersenen.
Oliver Sacks wist dat vanuit zijn praktijk. Door zijn boek heen voel je dat hij zich ondergewaardeerd heeft gevoeld door zijn collega’s. Hij wist maar vrij zelden de standaard statistische artikelen te schrijven die bij de wetenschap zouden horen. De paar keer dat hij zich aan empirisch onderzoek waagde, eigenlijk redelijk desastreus: ‘Ga jij je maar met patiënten bezig houden’. En dat deed hij. Dankzij zijn empatisch vermogen openden patiënten zich voor hem, dankzij zijn observatievermogen zag hij wat de werkelijke aard van de neurose was en dankzij zijn verhalend vermogen (’de man die zijn vrouw verwarde met zijn hoed’) wist hij dat ook over te brengen. ‘Ik ben geen theoreticus’, zegt hij ergens, maar hij wist wel alles zo op te schrijven dat de stap van praktijk naar theorie gefundeerd gemaakt kon worden. Veel van zijn gewone collega’s zullen hem als ‘te populair’ hebben weggezet, maar een collega en genie als Edelman was zeer in zijn gevalsbeschrijvingen geïnteresseerd want daarmee kon hij zijn theorie verdiepen. Edelman maakte eind jaren tachtig een doorbraak door de hersenen als ’plastisch’ te beschrijven. Hersenfuncties (gedachten, gedragsimpulsen) bewegen zich in zekere zin door de hersenen heen. Dat gebeurt heel snel op het niveau van de gedachten. Onderdeel daarvan is het opmerkelijke fenomeen dat ons brein al zo’n 6 seconde voordat we iets besluiten al lijken te besluiten. Dat gebeurt heel langzaam maar gestaag op het niveau van functiegebieden. Het bewijs daarvoor komt als bijvoorbeeld beschadigingen aan de hersenen door een ongeval er toe leiden dat een ander gebied die functies overneemt.
Dan kom je weer bij Sacks uit als hij beschrijft hoe mensen die hun evenwichtsgevoel of muzikaal gehoor verliezen dat toch weten te compenseren. Of hij heeft het over de autist die in vele opzichten sociaal tekortkomt, maar wel briljant kan rekenen en tekenen. Hij schrijft het in ieder geval zo op dat hij niet zozeer antwoorden geeft, als wel je eigen brein stimuleert tot het stellen van vragen.

Het brein als een zwerm vogels

Oliver Sacks is dood. Wat, zo vraag ik mij af, zou hij gedacht hebben van de reconstructie van de hersenfunctie van de rat? Maar nog belangrijker: wat zou hij gedacht hebben van het artikel in Nature Communications (geciteerd in Kurzweil News) waarvan de titel luidt: ‘How the brain’s wiring leads to cognitive control?’ en waarvan de ondertitel luidt: ‘The human brain resembles a flock of birds’. Het brein als een zwerm vogels?

Ik sloeg stijl achterover toen ik het las. Opeens kwam iets waar ik sinds 2011 over schrijf en presenteer (afgelopen zaterdag nog bij de dertigersdag) bij me op wel heel onverwachte manier. Maar ik denk dat die ondertitel klopt. Bijna.

Eerst even iets over die analogie met een vlucht vogels en het moment in januari 2011. Die avond keek ik naar het journaal. Opnieuw waren duizenden mensen naar het Tahrirplein in de Egyptische hoofdstad gegaan. Het was het begin van de Arabische lente. Journalisten vertelden er iets bij dat mij aan het denken zette: het lukte de voorstanders van het regime van Mubarak niet om de leiders van de opstand te vinden. Het leek allemaal spontaan en vooral via social media te gaan. De militairen wisten niet wie ze moesten arresteren. Hoe werkt dat dan concreet?, zo vroeg ik mij af. Op dat moment hoorde ik een zoevend geluid boven ons huis en ging ik het balkon op. Toen zag ik een grote zwerm spreeuwen boven mijn hoofd cirkelen: een ‘murmeratie’. Indrukwekkend en laag. Het volgende moment wist ik waarom: ze doken massaal de boom in achter ons huis.

Schermafbeelding 2015-10-11 om 21.02.24

Leiderloze wetten

Wat ik bedacht was dit: zo’n vlucht spreeuwen is leiderloos. Spreeuwen hebben duidelijk nog nooit een boek over democratie of leiderschapstheorie gelezen. Ze doen maar wat – en toch functioneert het. Alle gekheid op een stokje, gelukkig zat in mijn achterhoofd iets wat ik kort daarvoor had geleerd: de belangrijkste drie wetten waar een spreeuwenvlucht aan voldoet:

  1. elke vogel bepaalt de afstand tot de andere vogel: je kijkt naar de vogels die je kan zien vliegen, niet naar het grotere geheel
  2. je vliegt naar het midden van de scherm, daar is het veilig
  3. al moet je wel voorkomen dat je botst, dan moet je weer weg bewegen – een zwenking is geboren

Dat is alles – en tegelijk zo ongelofelijke bron van zwenkende verwondering.

De gebeurtenissen op het Tahrirplein lieten mij zien dat er momenten zijn dat mensen zich volgens diezelfde wetten gedragen. Ze bellen hun vrienden. Dat zijn alleen de mensen die ze kennen, maar dat is genoeg en gaan vervolgens in golven richting het centrum. Waar de analogie vervolgens fout gaat is in de vraag waar de massa naar toe moet gaan nadat ze eenmaal elkaar hebben opgezocht op dat plein. Dan is er waarschijnlijk weer iemand of iets nodig om richting te geven: leiders, regisseurs. Gebeurt dat niet dan loopt het mis. Dus ja, iets van leiderschap is nodig, maar onderschatten we niet, zo was en is mijn gedachte, hoeveel menselijk gedrag er is dat zich eerder laat verklaren vanuit de wetten van een spreeuwenvlucht dan vanuit de ‘wetten van de leiderschap’, welke dat ook zijn.

Zwermende pakketten

En dan nu deze publicatie van het Blue Brain Project. Zoals wel vaker het geval is, dekt de titel allerminst de gehele lading. De manier waarop ik het hier probeer samen te vatten, doet ook nog geen recht aan het artikel en het achterliggende onderzoek, maar dit is wat ik er uit haal: gedachten zijn pakketten neurologisch impulsen. Neurologische impulsen die vooral op elkaar reageren. De pakketten (feitelijk: golven van activeringen van neuronen en de synapsen ertussen) bewegen zich als een zwerm door een hersengebied: teveel afstand en ze zoeken elkaar weer op, te weinig en ze verspreiden zich.

Waar het artikel vervolgens ook duidelijk in is (en waarin het verder gaat dan de ondertitel) is dat er een soort verankering is van die pakketten en dat deze verankering als een soort regisseur fungeert. Deze verankering houdt als het ware het overzicht en bevindt zich eerder aan de buitenkant van de hersenen (de neocortex om maar iets voor de hand liggends te noemen) dan binnenin de hersenen. Zo krijgen besluiten vorm. Oliver Sacks zou er verrukt over zijn.

Brein en blog

Maar hoe werkt dat nu concreet? Wat kan ik met dat inzicht? Wat gebeurt er dan in mijn brein? Ik denk terug aan het begin van deze blog. De keuze was uit meerdere onderwerpen. Elk een eigen pakketje vurende neuronen, zullen we maar zeggen, vogels in mijn vlucht. Allemaal boeiend, maar waarom nu net deze blog over mijn brein?

Wat ik mij denk ik niet voldoende bewust ben geweest, is de mate waarin ik de laatste tijd bezig ben geweest met ‘breinthema’s’. Het boek van Sacks uiteraard en het schrijven over hem in een blog naar aanleiding van zijn dood. Maar meer nog zal het feit dat twee mensen in mijn directe omgeving met hele zware psychologische problemen worstelen daarop van invloed zijn. Natuurlijk ben ik ook met de andere thema’s bezig. Mijn vak, de politiek: ook dat zijn zwermen met veel vogels. Toch wisten mijn hersens, of beter gezegd de verborgen regisseur in mijn brein, beter wat ik wilde dan ikzelf. Zes seconden voordat ik besloot over mijn brein te schrijven had mijn brein dat al besloten.

Peter Noordhoek

 

Bronnen:

George Ball. Critical Mass. Picador, 1998.

Daniel C. Dennett. Consciousness explained. 1991

Gerald Edelman. Bright air, brilliant fire. On the matter of the mind. Penguin Books, 1992.

Shi Gu, Fabio Pasqualetti, Mathew Claslak, Qawi K. Telesford, Alfred B. Yu, Ari E. Kahn, John D. Medaglia, Jean M. Vettel, Michael B. Miller, Scott T. Grafton and Danielle S. Basset. Controlability of structural brain networks. Nature communications 6, Article number: 8414. Open Access. Ook samengevat op Kurzweil Net. http://www.nature.com/ncomms/2015/151001/ncomms9414/full/ncomms9414.html

Oliver Sacks. On the Move. Picador, 2015.

Oliver Sacks. An Anthropologist on Mars. Borzoi Book,1995.

Hoe is het met de status van jouw beroep?

Stel

Stel, je beschikt over alle geschreven informatie in jouw wereld. Iedereen komt naar je toe. Jij bepaalt wie welke informatie krijgt en hoe lang. Soms geef je de informatie om niet, maar vaak wordt er voor betaald. De informatie wordt op zo’n manier bewaard dat voor iedereen duidelijk is: dit is belangrijk. Vorsten fêteren je en investeren in jou, je kennis en je gebouw. Gewone mensen buigen hun hoofd als ze de informatie van jou in hun handen krijgen.
Hoeveel meer status kan je krijgen? Jij moet heel erg belangrijk zijn. Of niet?

Je is een zij. Ze draagt een bril, heeft het haar in een knotje en werkt voor een mager loon of gratis. Zij is de bibliothecaresse. Status? Geen.

– o – o – o –

Stel, je bent een slaaf. Je loopt in ketens en krijgt stokslagen. Nooit kom je vrij. Je bent niet je hele leven slaaf geweest. Ooit was je het kind van ouders die rijk genoeg waren om je te laten leren lezen en schrijven. Die status ben je nu kwijt. Voor je eigenaar is het wel handig. Regelmatig wordt je geroepen om een nota te maken, een aantekening, van een transactie. Daarna ga je weer terug naar je andere werk of je slavenverblijf.
Hoe laag kan je zinken? Je bent een voetveeg. Jij bent niets. Of niet?

Je is een hij. Draagt een bril, heeft het haar kort en is strak in het pak, met een dikke pen op zak. Hij is akten, hij is geld. Hij is notaris. Status? Hoog.

Status is status?

Status is status, zo leek het. Heb je een bepaalde status in de maatschappij dan verlies je die niet zomaar. De status is net zo permanent als de gebouwen waarin de statushouders wonen en werken. Ze zijn met elkaar door status verbonden. De notaris is een notabele in een notariswoning, de bibliothecaresse een medewerkster in een soort dorpsgebouw. In de steden kan de bibliothecaresse een bibliothecaris worden. Dan wordt het gebouw ook groter en mooier. Logisch toch?

Dus niet – en nooit niet. Status is geen vast gegeven. Kijk je over de eeuwen terug dan zie je opvallende verschuivingen in status. Met het vak van bibliothecaris ging het mis toen die persoon boeken alleen nog maar ging beheren en niets meer met de inhoud deed. Toen gingen sommige lezers er met de status vandoor.
Met het notariaat ging het goed toen de notulenmaker de vertrouweling werd van vorst en kerkvorst en via die relatie zelf geld kon gaan verdienen. Kijk je naar de ontwikkeling in de laatste jaren, dan lijkt alles wat status had inmiddels afgefakkeld door media en maatschappij en zijn het alleen de ‘BN-ers’ die nu nog status hebben – in ieder geval voor één uitzending van Showbizznieuws lang.

Statusslijt

Elk beroep met status laat slijt zien. Deze week was er opnieuw een aanval op de status van het ministersambt. Het was heel subtiel. Minister Ard van der Steur, nog maar een half jaar in functie, had veel te verantwoorden toen hij ten onrechte ontkende dat zijn ministerie een rol had gespeeld bij het laten nemen van een foto van Volkert van der G. voor de Telegraaf. Op een gegeven moment zei hij in het debat waarin hij zich moest verantwoorden, dat hij niet naar de uitzending van Brandpunt had gekeken omdat hij te druk was met het wegwerken van ‘twee loodgieterstassen met stukken’. De Tweede Kamer stond op z’n achterste benen. Daar zat iets in van: hoe kan je die loodgieterstassen nu serieuzer nemen dan een uitzending over Folkert van der G.?
In een tijd dat ministers geen rokkostuum en steek meer dragen, is eigenlijk het enige waar de minister zich nog door onderscheidt juist die tassen, plus mogelijk het feit dat de chauffeur die tassen draagt. Daar houdt de symboliek en het gemak op: loodgieterstassen zijn werk, hard werk. Elk document uit die tassen kan nieuwe krantenkoppen ontlokken. Al met al lijkt het gedrag van de Tweede Kamer toch wel wat op die van een ouder die zijn kind verwijt huiswerk te maken in plaats van TV te kijken, omdat deze anders niet mee kan praten op het schoolplein. Ondertussen is er hoe dan ook sprake van een situatie waarin ‘het ambt in haar aanzien wordt geschaad’.

Statuswinst

Als de status van een beroep daalt, heeft het beroep zelf ook een probleem. Maar voor elk beroep dat naar beneden gaat, gaan anderen weer omhoog. Toch?

Wat dacht u van de internetondernemers die van hun start-up een succes maken? Zij – Marc Zuckerberg van Facebook voorop – hebben ongetwijfeld een hoge status. Wie de foto’s zag van degenen die in het Witte Huis bij het staatsdiner met de Chinese president mochten aanzitten, zag bovenal IT-ondernemers aanschuiven. Maar is daarmee een nieuw beroep met hoge status geboren? Even terug naar de start van deze blog:

“Stel, je beschikt over alle geschreven informatie in jouw wereld. Iedereen komt naar je toe. Jij bepaalt wie welke informatie krijgt en hoe lang. Soms geef je de informatie om niet, maar vaak wordt er voor betaald. De informatie wordt op zo’n manier bewaard dat iedereen duidelijk is: dit is belangrijk. Vorsten fêteren je en investeren in jou, je kennis en je gebouw.”

Het is waar, degenen die bij het diner in het Witte Huis mochten aanzitten hadden prachtige kleren aan, maar de dag ernaar keren ze terug naar het uniform van baard, baseballpetje en T-shirt met maffe tekst. Is dat zoveel meer onderscheidend dan de dame met bril en knotje (en voordat iemand dit verkeerd begrijpt: hier worden bewust stereotypen gebruikt. Dames met brillen en knotjes zijn gewoon mooi. Bij mannen met baarden hangt de waardering vooral van de mafheid van de tekst af, al kunnen sommige vrouwen er ook wat van). De voorspelling is deze: de groep van nu succesvolle IT-ondernemers zal er niet in slagen van hun werk een vak of beroep te maken met bijbehorende herkenbare hoge status.

Statusverhogers

De lezer voelt het al aankomen: wie is nu de slaaf en gaat later wel een hoge status verwerven? We zouden er een quiz van kunnen maken, maar als hier een voorspelling mag worden gedaan, dan is het deze: de robot. In boek en film wordt de robot elke keer verbeeld als een – al dan niet opstandige – gedienstige bediende. Al in de jaren dertig kwam Asimov met zijn ‘drie wetten van de robotica’ om te voorkomen dat de robot mensen kwaad zou kunnen doen, maar ik denk dat daar een misvatting onder ligt: de misvatting dat wij de robotten er onder willen houden. Eerder zal het zo zijn dat we ze tegelijk zo nuttig en zo betrouwbaar vinden dat we ze een hogere positie gaan gunnen. Dat is namelijk het mechanisme geweest waardoor een beroep altijd een hogere status verkreeg: het werd gegund; of door het hoge gezag of door de burgers en doorgaans door beiden. Status wordt dan een nuttig onderdeel van een herkenbare orde, inclusief de daarbij horende kleding, symbolen en rituelen. Naar vermoed kan worden, zullen robots nog lang als robot herkenbaar zijn. Het zou anders te eng zijn. Op de onvermijdelijke acceptatie volgt een hoge status: meer wetend dan wijzelf, betrouwbaar dan andere mensen. Beroep: robot. Een mooi pak is niet nodig. Blinkende lampjes wel.

Peter Noordhoek

NB 1 Het leuke van een blog is dat je lekker kort door de bocht kan gaan. Uiteraard is het zowel voor wat betreft de bibliothecaris als de notaris een weg van vallen en opstaan geweest en doe je zo geen recht aan de volledige werkelijkheid. Met het oog op een onderzoek heeft deze auteur de geschiedenis van zowel het bibliotheekwezen als dat van het notariaat uitgebreid onderzocht. Als niet-afkomstig uit beiden is dat een boeiende ontdekkingstocht gebleken.

NB 2 Een paar uur nadat ik deze blog schreef, trof ik in de krant een korte bespreking aan van het boek ‘Zeg, kent jij de mosselman? Waarom geen enkel beroep blijft bestaan.’ van Sam de Kegel. Het boek handelt over de vraag hoe beroepen verdwijnen en verschijnen. Ik moet het boek nog aanschaffen en lezen, maar beveel het bij deze aan.


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek