Maandelijks archief: april 2015

Over de meerwaarde van persoonscertificering

In deze blog wordt verteld over de wijze waarop de beroepsvereniging van kwaliteitsfunctionarissen zich aan het vernieuwen is langs de weg van persoonscertificering. Tegelijk is het een betoog over de voor- en nadelen van persoonscertificering als zodanig en waarom het juist in dit tijdgewricht actueel is voor elke beroepsgroep en –vereniging.
Deze blog heb ik geschreven op de terugvlucht van een weekendje Rome. Geïnspireerd neem ik de vrijheid de lezer te storen met wat foto’s.IMG_1273

Van tegen naar voor

Ik was er tegen. Persoonscertificering. Gewoon intuïtief. Ik was gevraagd om aan een debat deel te nemen van de toen net opgerichte Nederlandse vereniging voor opleidingsfunctionarissen (NVO, Nu: NFTO). Het mij opgegeven onderwerp was dus persoonscertificering en gelukkig werd ik gevraagd om de tegenstem te vertegenwoordigen. Dat vond ik makkelijk. Niet weer een certificeringsvorm erbij, met alle bureaucratie erbij. Koester nu eindelijk eens de professionele vrijheid. Niet doen! Ik won het debat met naar ik meen een driekwart meerderheid.
Nu ben ik hard bezig om als lid van een werkgroep van het Nederlandse Netwerk Kwaliteit (NNK) persoonscertificering in te voeren. Als lid van de nieuwe examencommissie moet ik zelfs de inhoud van het examen vaststellen en op de correcte uitvoering ervan toezien. Ik kan het niet verhelen; van tegenstander ben ik voorstander geworden en werk ernaar.

Ironie

Dat is niet zonder reden. Dat debat vond plaats begin jaren negentig. Sindsdien is de wereld veranderd. Perfecte oplossingen zijn er niet, maar mits goed uitgevoerd kan persoonscertificering een nuttige aanpassing zijn op een scheefgegroeide praktijk. Ik zal mij nader verklaren langs drie lijnen, maar niet nadat er eerst 2015-04-19 12.07.18meer informatie komt over de wijze waarop zo’n stelsel werkt – en niet dan nadat ik de lezer eerst even iets van de ironie laat proeven dat het hier juist om de certificering van kwaliteitsfunctionarissen gaat. U weet wel: die merkwaardige groep functionarissen die u vragen processen te schrijven, normen toe te passen en in systemen te denken. Kortom; de dingen goed te doen. Juist die groep is zelf totaal ongereguleerd en niet in staat de goede dingen te doen. Misschien denkt de lezer wel: houden zo. Toch is dan wel het minste wat van de groep zelf gevraagd mag worden dat ze in de spiegel kijkt en zich te onderwerpen aan dezelfde maatstaf die ze anderen impliciet opleggen.

Over wie hebben we het?

Er zijn een kleine 500 professionals lid van het NNK. Daarnaast zijn er nog enkele honderden personen verbonden aan verschillende regionale kwaliteitskringen en zijn er nog meer min of meer georganiseerde groepen. Zelf ben ik letterlijk vanaf het eerste uur verbonden geweest aan het INK, het Instituut Nederlandse Kwaliteit en ben ik bijvoorbeeld voorzitter van een ‘gilde ‘kwaliteit publieke sector’ dat de denkkracht op dit punt wil vergroten. Toch blijft dit een relatief kleine georganiseerde groep ten opzichte van de – naar ruwe schatting – 15.000 personen die zich van operationeel tot strategisch niveau met (proces)kwaliteit bezig houden.
De kern van deze groep is klein, kent elkaar goed en is al aardig grijs aan het worden: ze zijn de kampioenen van de kwaliteitsgolf van de negentiger jaren. Een van de redenen om dit te doen is omdat verjonging hard nodig is. Gelukkig vertellen opleiders ons dat die verjonging er al wat aankomt, deels als onderdeel van een herwaardering van de kwaliteitsfunctie. Dat is een bus waar we hard in willen blazen.

Hoe werkt het?

Wat we nu als werkgroep doen richt zich op de groep die zich beroepshalve bezighouden met de inrichting en integratie van de verschillende kwaliteitsfuncties in een organisatie. Later komen daar functies bij, ook de meer operationele. Wij gaan de certificering doen op basis van de normen van de EOQ, de European Quality Organisation2015-04-18 17.47.52. Persoonscertificering betekent dus automatisch een erkenning op Europees niveau, geen onbetekenend punt. Deze keuze houdt wel in dat we ons houden aan de strakke, aan de ISO-normen gerelateerde aanpak die zij van ons vragen. Dat schuurt, want in Nederland kijken we uitgesproken kritisch tegen deze aanpak aan, waarover later meer. Toch merk ik dat deze aanpak er mede voor zorgt dat we op een maximaal objectiveerbare en zorgvuldige manier onze aanpak ontwikkelen. We maken daarbij mede gebruik van de kennis die onze collega specialisten in examinering hebben. Elke stap is doordacht en laat zich controleren.

Examinering en daarna

De basis wordt daarbij gevormd door een examenaanpak met meerdere elementen. Er is een examen met een theoretisch deel en een aan de praktijk ontleende groepsopdracht. Het theoretisch deel omvat vragen over de belangrijkste aspecten van het vak, inclusief enige statistische kennis. Wat precies de ‘body of knowledge’ is waar op getoetst moet worden, was een heikel punt. Dat heeft pas na heftige discussies tot consensus geleid en tot een onderliggende literatuurlijst waar zowel examenkandidaten als opleiders hun voordeel mee moeten kunnen doen.
Naast dit theoretisch examen is sprake van een groepsopdracht waarin deelnemers bijvoorbeeld moeten laten zien dat zij kunnen samenwerken (projectvaardigheden) en kunnen presenteren (we verwachten dat een goede kwaliteitsfunctionaris ook een goede opleider is). Bijzonder en aanvullend op de EOQ-aanpak is dat de opdracht een dilemma kent met ethische aspecten. Kandidaten moeten het dilemma kunnen onderkennen en er mee omgaan.
Na het examen worden de geslaagden geacht om met hun vak aan de slag te blijven via een actieve vorm van permanente educatie. Wie mijn andere blogs kent, weet dat hier stevig over is gesproken.

Tijdgeest

Laat ik de beschrijving van de aanpak hier even laten voor wat ze is en terug gaan naar de vraag van de meerwaarde van persoonscertificering. Waarom nu wel?
De eerste reden heeft te maken met de tijdgeest. Een tijdgeest waarin er veel minder grote bedrijven en instellingen zijn die op een grootschalige wijze aan kwaliteit werken en er des te meer kleine en nog kleinere samenwerkingsverbanden zijn. Ook voor deze samenwerkingsverbanden is aandacht voor kwaliteit essentieel, maar het laat zich niet meer op de klassieke wijze organiseren, zeker daar waar organisaties zelf niet of niet goed zijn gecertificeerd. Persoonscertificering is dan de aangewezen vorm waarin professionalisering plaatsvindt. Omdat we internationaliseren, is het vanwege de kansen op de arbeidsmarkt ook logisch dat dit een certificering op Europees niveau is, mee te nemen naar waar het werk ook is.

Rauwe realiteit

De tweede reden heeft te maken met de rauwe realiteit van het kwaliteitswerk van nu. Een realiteit die wordt bepaald door de razendsnelle uitwisseling van informatie, van wankele normen en een grote kwetsbaarheid voor incidenten. Als werkgroep zijn wij niet alleen bezig met de ontwikkeling van een goede examenaanpak. We verkennen ook de groepen waar het relevant voor kan zijn.
Zo kijken we nadrukkelijk naar de kwaliteitsfunctie in de zorg en naar die in de voedselketen. Beide kennen incidenten. Oh jee, wat kennen zij een incidenten! In beide sectoren kijken overheid en toezichthouder daarbij kritisch naar de kwaliteitssystemen in de sector. Kunnen ze er wel op aan? Wat is het alternatief? Zonder te pretenderen dat we met ‘de’ oplossing komen, denken wij dat het een verbetering zou zijn als de kwaliteitsfunctionaris een meer eigenstandige positie zou krijgen. We verwachten dat certificering helpt om de functionaris in dilemma-achtige situaties – de norm wordt net niet gehaald, maar de organisatie verwacht van mij dat alles doorgaat – kiest voor de eisen van het vak. Daarom besteden we er aandacht aan in de examinering en spreken we er over met bedrijfsleven en politiek en met beleidmakers en toezichthouders.

Kiezen en wieden

De derde en laatste reden heeft met de ontwikkeling van het vak van de kwaliteitsfunctionaris te maken. Het is bijzonder boeiend om met een zaal vol deskundigen in kwaliteitszorg bij elkaar te zitten en dan tot overeenstemming proberen te komen over de vraag wat een kandidaat eigenlijk moet kennen en kunnen. Dat kan eigenlijk niet – en toch moet het. Het onvermijdelijke is wel een beetje gebeurd: datgene wat kenbaar en meetbaar is (rationeel ‘blauw’ is in de ogen van de kleurendenkers) krijgt dan de overhand boven degenen die voor meer verander- of ontwikkelachtige benaderingen zijn. De meeste vragen in het theoretisch deel zijn in ieder geval nogal blauw. De winst is dat we ons ervan bewust zijn dat we het hier niet bij kunnen laten en dat we het praktijkexamen hebben om naar de meer persoonlijke kwaliteiten te kunnen kijken.

In de beroepsgroep hebben we ons nu een aantal jaren gepermitteerd om ‘duizend bloemen te laten bloeien’. Wat we te weinig door hadden, was dat er in feite steeds minder bloemen gingen bloeien. Kiezen en wieden komt het vak ook ten goede.

Is het ook iets voor u?

Dit zijn voor mij nu de belangrijkste redenen om persoonscertificering een kans te geven, in ieder geval als het gaat om de kwaliteitsfunctionaris.
Is het ook iets voor andere beroepsgroepen? Laat ik het zo zeggen: het ontbreekt in Nederland niet aan registers. Registers vol met personen die een examen hebben afgelegd en aan hun permanente educatie werken. Dat is een goede zaak en in die zin zijn we als kwaliteitsfunctionarissen wat mosterd na de maaltijd aan het maken. Tegelijk proef ik dat al die registers een beetje een doel op zich zijn geworden. Het leuke van het traject waar ik nu samen met mijn collega’s in zit, is dat het de eeuwige vraag ‘waartoe zijn wij op aarde’ weer eens indringend op tafel legt, waarbij we zo proberen te doen dat we niet voorbijgaan aan de ruwe realiteit van vaak onmogelijke eisen aan de professional. Dat moet de moeite waard zijn, dat zal meerwaarde hebben. Kijk vooral even of u eerste iets anders kunt beëindigen voordat u aan het ‘nieuwe’ van persoonscertificering begint, maar het is het overwegen waard.

 

Peter Noordhoek

lid werkgroep persoonscertificering NNK

 

 

5 dingen om bij de Britse verkiezingen in de gaten te houden

De Britse verkiezingen krijgen niet de aandacht die ze verdienen. Maar ja, er zijn dan ook zoveel verkiezingen; in eigen land, overal. Vanavond is in de VS zelfs de lancering van Hillary Clinton als kandidate voor het presidentschap van de Verenigde Staten. Wat is er belangrijker? Toch vraag ik de gewaardeerde aandacht van de lezer voor een verkiezing waarvan de uitslag uiterst relevant voor Europa kan zijn. Ik beperk mij tot 5 punten.

Schermafbeelding 2015-04-12 om 20.10.40

1)        Een meerderheid voor de conservatieven hoeft nog niet te betekenen dat ze gaan regeren

Dit is het meest spectaculaire aspect van de verkiezingen. Als Labour en de SNP (Scottish National Party) een coalitie zouden smeden, dan kunnen de Conservatieven het schudden. De vraag is wat er dan met Cameron gaat gebeuren. Hij heeft de verkiezingen gewonnen – en toch verloren. Voorlopig houd ik het er op dat Cameron aan het hoofd van een nieuwe coalitie komt te staan – toch weer met de LibDems, die het in de peilingen slecht doen, maar op het niveau van hun kiesdistricten de schade beperkt kunnen houden. Dan mag Cameron wel even zijn handjes knijpen: ‘I’m still here’.

2)        De situatie lijkt verdacht veel op die in Nederland

Net als in Nederland is de politieke situatie hoogst instabiel, met voor Britse verhoudingen wel 7 partijen die op de een of andere wijze echte invloed kunnen hebben op het resultaat. Dat is ongekend. De peilbureaus beleven dan ook hoogtijdagen. Er is eigenlijk niemand meer die nog gelooft dat één van de partijen een absolute meerderheid zal halen. Hoe Nederlands. Tegelijk is er iets anders dat zeer Nederlands is, dat daar nog iets zou kunnen veranderen. Denk aan onze ervaring met de premierbonus, denk aan het fenomeen tweestrijd.

Schermafbeelding 2015-04-12 om 20.09.47De laatste verkiezingen voor de provinciale staten eindigden in een overwinning voor de VVD. De VVD? Eerder dan toch voor premier Rutte. Die sleepte het binnen. Dat zou met Cameron ook zo kunnen gaan. Lang was hij eigenlijk niet erg aanwezig, zeker niet in de debatten. Het lijkt er op dat zijn adviseurs hebben gezegd: laat de ander de fouten maken. Daar zit ook een stevig en bewust dedain in richting de premierskandidaat van Labour – en dat is niet voor de eerste keer.

Die adviseurs zijn door de peilingen aardig nerveus geworden en op het laatste moment is Cameron toch nog een offensief begonnen. Hoe dan ook, de vraag is altijd: ‘who represents my values best?’ en dan denk ik dat Cameron het toch wint van Labour. Maar de Conservatieven zijn wel heel nerveus van UKIP, ook al stelt UKIP in de peilingen niet al te veel voor en kan het zelfs zijn dat Farage zijn eigen zetel niet gaat winnen. Voor een belangrijk deel van de achterban van de Conservatieven geldt nu eenmaal dat Farage hun waarden het beste vertegenwoordigd. Zo dadelijk komt er een situatie waarbij de Conservatieven de kiezers mee hebben, maar hun achterban verliezen. Chaos – en Boris Johnson staat al klaart.

3)        Kritiek op Europa helpt de Conservatieven niet

Brexit is vele malen gevaarlijker dan Grexit, voor alle betrokkenen. Een boeiende denker, Jacques Lafitte, ooit ambtenaar van het ministerie van Financiën geweest voor zowel de Franse als de Duitse overheid, zei het op een spreekbeurt voor ons zo: “Hoe lang ga je door met een huwelijk dat niet meer werkt?” Vanuit het continent onderschatten we telkens weer hoe diep de weerstand tegen Europa zit bij de Britten. Schermafbeelding 2015-04-12 om 20.10.58Het is een politieke goudmijn die makkelijk af te tappen valt Toch, zal een mogelijk referendum veel invloed hebben op de uitslag van deze Britse verkiezingen? Niet echt. Als dat referendum er daadwerkelijk komt en wordt gehouden, zal het anders zijn. Maar voor nu zijn de belastingplannen, de zorg (NHS!) en de relatie ten opzichten van Schotland en Wales veel belangrijker – en heeft men er alle belang bij om Farage niet te voeden met een campagne die om Europa draait.

4)        Het is raar verdeeld

De conservatieven hebben het so wie so lastig, in ieder geval in kies-technische zin. De stemmen voor de Tories concentreren zich op een aantal districten en daar zijn ze dan ook ruim in de meerderheid. Labour is beter gespreid. Bij een first-past-the-post systeem als het Engelse heeft Labour daardoor de betere kansen. Maar ook labour heeft een probleem: in Schotland dreigen ze alles kwijt te raken. Hou er rekening mee dat zowel de Conservatieven als Labour precies weten om welke kiesdistricten het gaat en waar ze hun vertegenwoordiger nog kunnen laten winnen. Algemene peilingen zeggen niet zoveel; het gaat om die districten. Ik ga er daarbij vanuit dat de Liberals in die strijd vermorzeld zullen worden. Hetzelfde kan echter niet worden gezegd van SNP.

5)        De Admen bepalen nog altijd alles

Voor campagneliefhebbers lijkt de Britse verkiezing niet zo veel interessants op te leveren. In zekere zin zijn ze ons wiel aan het uitvinden. Debatten met meerdere partijen zijn nieuw voor ons, bijzonder voor hen. Het rumoer rondom Farage levert bepaalt geen betere TV op dan bij ons rond Wilders (waarbij ik die lager politiek hoger inschat op de manische ladder). Een weinig interessant campagne dus.

Dat valt nog te bezien. Ik kan iedereen het boek van Sam Delaney aanraden over ‘Mad men & Bad men’ (althans, als je het typische Engels machtig bent). In dat boeiende boek lees je hoe reclamejongens (‘de Adman’) de Britse campagnes altijd bepaald hebben en dat nog steeds doen. Saathi en Saatchi is van de Admen veruit het belangrijkste bureau, ook al werden ze van tijd tot tijd aan de dijk gezet door de conservatieven. Dat ze toch steeds terugkomen heeft met hun efficiency te maken: ze zijn gewoon, harder en helderder dan wie ook. Dus reken maar op mooie advertenties aan Conservatieve zijde. Toch, vlak ook Labour niet uit. Ze hebben het spel inmiddels wel door. Daarom sluit ik af met hun fraaie parodie op de meeste affectieve campagneposter ooit: ‘Labour isn’t working’.Schermafbeelding 2015-04-12 om 19.58.16

Schermafbeelding 2015-04-12 om 20.09.26

Peter Noordhoek

Permanente campagne

Recensie, gepubliceerd in Bestuursforum, 8 april 2015

De verkiezingen voor de provinciale staten en waterschappen liggen weer achter ons. Het goede resultaat smaakte zoet, zeker als je bedenkt hoe diep de nederlaag nog geen daarvoor was. De grote groene jassen kunnen weer in de kast, klaar. Toch? In het boek ‘Permanente campagne. Hoe politieke partijen en politici verkiezingen kunnen winnen’, van de hand van Frank van Dalen, Joost Smits , Aart Paardekooper e.a. wordt op basis van concrete voorbeelden getoond hoe een permanente campagne kan werken.

Schermafbeelding 2015-04-09 om 20.39.44

Dakpanstrategie
Waarom een boek over permanente campagne recenseren als we in een continue in hete campagnes lijken te zitten?
De lancering van het begrip ‘permanente campagne’ heb ik binnen onze partij meegemaakt tijdens een congres eind jaren tachtig. Dat was een zinvolle actie. Wellicht lui geworden door de eeuwige macht, dreigden we steeds te laat naar de kiezer te gaan.
In de oppositiejaren veranderde het karakter van de campagnes door het gevoel dat er een achterstand moest worden ingehaald. In de periode tot 2012 bleef de alertheid als het ware in het systeem zitten, mede door een flamboyante campagneleider als Jack de Vries. Campagnes waren niet langer het vuile werk dat je deed als de echt belangrijke dingen waren gedaan, het werd een heus vak. Ook ik mocht in deze jaren campagneleider zijn en in die periode sprak ik graag over een ‘dakpanstrategie’, waarbij elke campagne bijdroeg aan de voorbereiding van de volgende. Nou ja, er waren genoeg verkiezingen om dat onvermijdelijk te maken.
Gaan we nu weer terug naar de oude ‘permanente campagne’? Dat is best mogelijk, maar dan anders dan toen de term werd gelanceerd. We hebben lessen geleerd, zijn lessen aan het leren en hebben nog lessen te leren.

Les geleerd
Sinds de introductie van de permanente campagne hebben we geleerd dat een verkiezing geen losstaand incident is. Er zit een spanningsboog richting elke nieuwe verkiezing, met de ‘hete fase’ als niet meer dan de laatste fase in een reeks. Daarin schuilt iets paradoxaals. We weten dat kiezers steeds later hun keuze maken en tegelijk wordt het steeds belangrijker om voortdurend in beeld te blijven bij diezelfde kiezer. Opvallend genoeg heeft het boek niet zoveel te zeggen over deze opbouw.
Er zit overigens iets sterk cyclisch in de manier waarop partijen te werk gaan. Wat ooit werkte, hoeft dat nu niet meer te doen. Zo heeft de VVD terecht heel goed gescoord met haar leuzen in Telegraafletters. Prima en consistent gebracht, maar nu keert de aanpak zich als een boemerang tegen de partij. Ook het CDA heeft na te denken. Zo is het eigenlijk niet erg des CDA’s om steeds hoofden op posters te zetten. Dat is een achterhaald idee over personificering van campagnes – en levert slecht leesbare posters op. Gewoon weer terug naar heldere groene posters met alleen lijstnummer en naam van de partij erop, zo stel ik maar even. Wij zijn de partij van het wij. Maar zijn er juist niet stemmen te winnen met persoonlijke campagnes? Ja, maar moet dat via posters en andere ‘oude’ middelen?

Les aan het leren
Het boek ‘permanente educatie’ draagt bij aan iets wat steeds belangrijk wordt: de creativiteit van onze campagnes. Naar mate een partij als de onze meer met minder moet doen, komt het er op aan energie te halen uit de wijze waarop we het doen. Campagnes die net even anders zijn; die laten verwonderen, lachen of intrigeren zijn de beste manier om het vol te houden. Het plezier van het boek is dat het vol staat met voorbeelden van creatieve campagnes. Kijkend naar de voorbeelden, heeft het CDA geen gekke reputatie op dat gebied. Aart Paardekoper heeft een paar fraaie voorbeelden uit onze CDA-praktijk ingebracht, waaronder de twittercampagne rond Alphen a/d Rijn en acties van het CDA in Noordwijk, Voorschoten en Rotterdam.
De campagne rond Alphen laat o.a. zien hoe social media kunnen helpen om de inhoudelijke discussie te voeren. Het laat helaas ook zien dat politici stoppen met social media zodra de verkiezingen voorbij zijn. Valt dat de kiezer op? Jazeker.
Een slimme wijkaanpak, zoals Voorschoten laat zien, kan stemmen schelen. CDA Noordwijk laat op straat een hart zien en vraagt de kiezers wat ze op hun hart hebben. Een gimmick, maar zeker als onderdeel van een groter geheel effectief.

Les te leren
De belangrijkste reden om dit boek aan te schaffen is omdat het een praktisch verband weet te leggen tussen het voeren van campagne en het gebruik van (big) data. De auteurs zijn bekend van het feit dat ze voor de VVD en Leefbaar Rotterdam onderzoek hebben gedaan op wijkniveau. Ze claimen dat hun strategische data-analyse er voor zorgt dat de analyses op wijkniveau directe vertaald kunnen worden naar acties door kandidaten. Op die manier maken ze van een permanente partijcampagne een permanente persoonscampagne.

Dit is het meest vernieuwende element van dit boek en tegelijk het punt dat de meeste vragen oproept. Achter de aanpak ligt een lastige kosten-baten afweging. Om big data voldoende te kunnen benutten is een voorinvestering nodig die buiten het bereik lijkt te liggen van de meeste grote partijen, laat staan van de kleine. Eigenlijk is het gebruik van big data niet goed denkbaar zonder verdere professionalisering van de partijorganisatie. Dan zal je echter al snel zien dat de fair play onder druk komt te staan. In Nederland betalen we zo voor de hypocrisie die er heerst rondom de kosten van een moderne partijdemocratie. Mijn voorspelling is dat we rond 2019 een forse professionalisering van de campagnes op Europees niveau zullen zien en dat we dan hier schoorvoetend bij de tijd gaan komen.

Andere lessen
Bij het lezen van het boek ‘Permanente Campagnes’ merkte ik dat mijn gedachten voortdurend afdwaalden naar voorbeelden uit de eigen campagnepraktijk en naar wat ik ken uit Britse en Amerikaanse campagnes. De verschillen met die campagnes zijn groot en fundamenteel. In een recent boek van Delaney over ‘Mad men & Bad men’ wordt prachtig beschreven hoe het klassieke campagnewerk ten onder gaat als de reclamejongens de baas worden. Elke dag valt op de website Politico te lezen hoe Amerikaanse campagnes steeds meer data-gedreven worden. Maar zoals een Amerikaanse vriend schrijft: ook big data draait uiteindelijk om de interpretatie van die data. En dat zijn van die dingen waardoor campagnes permanent moeilijk en machtig boeiend blijven. Een boek als dat van Van Dalen cs levert een goede bijdrage, maar ondertussen laten we zien ook zonder het grote werk goede campagnes te kunnen draaien.

Literatuur

Permanente campagne. –  Frank van Dalen, Joost Smits, Aart Paardekooper e.d.. (nov. 2014) Een uitgave van de Stichting Politieke Academie.

Mad men & Bad men. What Happened when British politics met advertising. Sam Delaney (2015). Faber & Faber.

Why the best data in the world won’t win you an election. To extract the most value, camppagns will have to move beyond the idea of data s a solution. Justin Garguilo (July 27, 2014). Campaigns & Elections.

Het gat tussen governance en gedrag

Over waarom het mis ging bij ABN-Amro, het mis gaat bij de pgb’s en we het via codes en andere governance instrumenten niet op kunnen lossen. het gat tussen governance en gedrag laat zich alleen via  vullen als iemand de juiste woorden weet te vinden, weet aan te spreken. Alleen, dat is nog niet zo makkelijk.

Wat een verlies, wat een verliezers

Hoeveel zal het gekost hebben, die extra salarisverhoging van de 6 leden van de directie van ABN-Amro? Wat staat er tegenover die 6 ton? Een uitgestelde beursgang natuurlijk, maar ook weggelopen klanten en minder nieuwe klanten. Ik hou de schade op minstens 60 miljoen, vanwege het ronde getal, maar ook omdat ik de echte kosten nog hoger inschat, waaronder de executive search kosten van nogal wat functionarissen aan de top van de bank.
Ook aan de zijde van de overheid is de schade groot. Opnieuw is vertrouwen geschonden – want volgens alle standaard regels en codes is de loonsverhoging volgens afspraak verlopen. De governance werd recht gedaan, niet geschonden. Dus waar is op het mis gegaan? Op het gebrekkig aanspreken door de minister van de vertegenwoordigers van de bank. Het vermoeden komt op dat hij dit deed op dezelfde manier als waarop hij bij de eerste ontmoeting met de Griekse minister van Financiën wel een hand gaf, maar wegkeek van de ander.

Ingehouden

Dan nu iets heel anders. Veeeeel kleiner, iets op micro niveau. Dit is een ‘Ikje’ uit het NRC Handelsblad. Lees en huiver.

@NRC 4 april 2015

@NRC 4 april 2015

Ik weet niet hoe het de lezer vergaat, maar ik krijg wurgneigingen. Wie is hier autistisch? Die overheidsmedewerkers toch? Stomme systeemschoften. Ik zal ze even eens laten horen hoe DOM ze zijn.

Ik zal even niets. Als ik er bij had gezeten had ik mijzelf moeten dwingen rustig te blijven en hen vervolgens op een tactisch verstandige wijze op de consequenties van hun eigen gedrag moeten wijzen. Is er echt geen betere manier om de fout te herstellen? En als ze zich dan blijven verschuilen achter de regels, zou ik op de een of andere manier hun baas moeten zien aan te spreken, want ik kan mij werkelijk niet voorstellen dat dit de manier is waarop gewerkt moet worden. Resultaatverantwoordelijkheid is ook een mantra. Inhouden, mijnheer Noordhoek. Analyseren, redeneren en dan pas aanspreken. Scherp, maar fair.
Maar wat is dat moeilijk.

Code abstracties

Dan schrijf ik liever een notitie, of een code. Het spijt mij oprecht dat ik dit Rob Velders en Paul van Dijk aan moet doen, want dit hebben ze niet verdiend, maar ik heb kritiek op hun essay “Actoren en factoren” over de relatie tussen regeldruk en toezichtlasten (zie ww.toezichttafel.nl). Zij hebben deze notitie op verzoek van de regelwaakhond Actal geschreven en het staat vol behartigingswaardige zaken, maar op één punt vliegen ze voor mij uit de bocht. In het algemeen pleiten ze er namelijk voor dat toezichthouders oog moeten hebben voor de lasten die met regelgeving samengaan, maar ze komen niet met concrete voorbeelden van regels of toezichtactiviteiten die geschrapt kunnen worden. Wel komen ze met allerlei voorstellen voor nieuwe initiatieven, inclusief een ‘toezichtcode’. Niet alleen laten ze daarmee weer zien hoe deregulering in de praktijk steeds weer tot reregulering leidt, ook gebruiken ze een code, een voorbeeld van wat technisch ‘schaduwregelgeving’ wordt genoemd, om het licht van al bestaande regelgeving nog een beetje te laten schijnen. Of dat werkt? Mwah. We hebben al Aanwijzingen voor de Regelgeving waar de principes eigenlijk al in staan. Zelf verwijzen ze naar het Integraal Afwegingskader (IAK) waar het in meegenomen zou kunnen worden, voor zover nog nodig en het komt bovenop een grote stapel codes waarvan steeds de klacht wordt gehoord ‘dat ze te weinig worden toegepast.’ Hoe zou dat nu komen? Ook hier gaat het uiteindelijk niet om nieuwe codes, maar om een groter bewustzijn van het effect van regeldruk op het gedrag van de onder toezichtgestelden en daar goed op reageren. Aanspreken als je weet dat je zelf ook wordt aangesproken.
En om mijn collega’s nog wat verder uit de wind te zetten: in mijn rol voor het dereguleringsprogramma ‘Beter en concreter’ ben ik op een moment ook vastgelopen in een slecht getimede interventie en zag ik niet dat achter een conflict over botsende regels grote belangen schuil gingen. Er bleef weinig van mijn goede bedoelingen over.

We tuigen wat op

We tuigen wat op. Het stelsel van afspraken en interventies dat samen een institutioneel geheel vormt – de ‘governance’ – komt uit op een soort mesoniveau van waaruit we naar mensen en organisaties kijken. Het is zeer nuttig en we zijn er veel verder in dan we pakweg tien jaar geleden waren, maar we verwachten er teveel van in situaties als bij de ABN-Amro. De Nederlandse Bank, de DNB, heeft nu een programma om op basis van gesprekken ook gedragscomponenten aan de analyse toe te voegen. Dit weekend lieten enkele slachtoffers in het Financieel Dagblad weten dat ze zich nogal tekort gedaan voelden als het om de kwaliteit van die gesprekken gaat. De woordvoeder van de DNB kwam met tegenargumenten die hout sneden, maar wat vooral duidelijk werd, is hoe kwetsbaar deze gesprekken als selectie-instrument nog zijn. Het gat tussen governance en gedrag is nog niet gedicht.

Een hoge prijs

Op het microniveau van een gesprek als die rond een PGB is ook nog een wereld te winnen. Kenmerkend voor het gesprek is hier het machtsverschil tussen de overheidsmedewerkers en de moeder. Mag je van deze moeder verwachten dat ze weet hoe ze moet reageren? Ik denk het niet. Maar in spelsituaties en in de gesprekken met de leidinggevenden hadden de medewerkers zelf al lang moeten zijn aangesproken op hun foute gedrag. Kennelijk is dat nog niet gebeurd en nu mag je hopen dat derden dat voor de moeder gaan doen. De prijs die voor het falen van deze medewerkers wordt betaald is maatschappelijk naar mijn overtuiging groter dan die van het incident rond ABN-Amro.

Meta moeilijk

Dat geldt ten slotte ook op het metaniveau van het schrijven van beleidsnotities, regels en codes. Nog beter dan nu al het geval is zullen we de gedragskant mee moeten wegen in wat we opschrijven – of juist niet opschrijven. Te snel gaan regels en mooie concepten fungeren als een soort struikgewas waar we ons een weg door moeten banen voordat we kunnen doen wat we direct al hadden moeten doen: aan de orde stellen, aanspreken. Frederique Six zegt op het voorstel van Velders en van Dijk terecht: “A code is nothing, coding is everything”. Het proces, stupid. Dat geldt ook voor de gewenst gedrag: gedrag is niets, werken aan gedrag is alles.

Wat al deze voorbeelden en overwegingen op meso-, micro- en metaniveau hopelijk duidelijk hebben gemaakt is hoe groot het gat tussen governance en gedrag nog is. Elke keer leg ik het woord ’aanspreken’ neer om er als het ware dat gat mee te vullen. Echter, dat aanspreken is allesbehalve een wondermiddel. Het is gewoon verrekte moeilijk. Maar goed, het is een richting – en het verkennen waard.

 

Thema voor 1 dag

Samen met collega Klaas Tuitjer ben ik bezig met een grondige verkenning van het gat tussen governance en gedrag. Veel elementen hebben we daar al van, maar de test kan alleen komen in concrete situaties. Doet u mee? Laat u zich testen en inspireren? Op 8 juni organiseren we samen een ‘Thema voor 1 dag’ bijeenkomst. U bent van harte welkom. Voor meer informatie deze tekst of neem even contact met mij op (Sorry voor deze reclame).

 

Peter Noordhoek

www.northedge.nl


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek