Maandelijks archief: januari 2015

Criteria voor certificering: over hout en steen

Certificering verhoudt zich tot rijkstoezicht als hout ten opzichte van steen. Je kan er beiden in principe op bouwen, maar toch moet je goed beseffen dat het andere bouwmaterialen zijn. Op 14 januari jl. verscheen een brief van drie Rijksinspecties waarin ze nadere eisen formuleerden waaraan certificatiestelsels aan moeten voldoen. Om meerdere redenen is dit een belangrijke stap, al valt het op dat slechts drie inspecties zich hieraan committeren. Hoe dan ook; noch de conclusies, noch de conclusies die daar aan vooraf gaan zijn mild en vergen veel zelfonderzoek door de branches – plus een toch wat andere benadering door de rijkstoezichthouders.

Schermafbeelding 2015-01-25 om 21.37.54

Foto: Hugo van Ool

 

Wantrouwen

Er is al enige tijd sprake van een groeiend wantrouwen van inspecteurs als het gaat om de waarde van keurmerken en certificaten in de bedrijfsomgeving. Dit wantrouwen komt eerder van onderop, van de inspecteurs in het veld, dan van bovenaf. Zeker tijdens het laatste kabinet was het beleid juist gericht op het stimuleren van ‘zelfregulering’ als alternatief voor (rijks)toezicht. Bezuinigingsmotieven gingen hand in hand met het idee dat wantrouwen geen goede basis is voor ondernemerschap. Dat beleid is gekanteld. Politiek lijkt het alsof het enige goede toezicht rijkstoezicht is en geen bedrijf of instelling nog te vertrouwen is. In dat klimaat worden signalen vanuit de inspectie over falende bedrijven die wel met een certificaat zwaaien gehoord. Tegelijk krijgen de toezichthouders er geen budget bij en is er ook wel de overtuiging dat zonder medewerking van het bedrijfsleven toezicht houden moeilijk wordt. Wat dan?

Liefde van één kant

Dit najaar is er een bijeenkomst geweest waarin de inspecties en het bedrijfsleven een dialoog met elkaar aan wilden gaan. Althans, dat was de vurige wens van het bedrijfsleven. Zoals beschreven in mijn blog “” kwam de liefde toch wel sterk van één kant, die van het bedrijfsleven. De vertegenwoordigers van de inspectie toonden zich stug. Voor inhoudelijke wensen werd naar de wetgever en de beleidskant verwezen, zelf waren ze er toch vooral voor de handhaving van de wet. Wat valt er dan nog te bespreken? De ‘Signalering certificering en toezicht’ zoals die er nu ligt verklaart meer van de terughoudendheid. Het wordt rustig opgesomd, maar het is niet mis wat er aan kritiek over de betrokken branches wordt uitgestort. Deels weten we het al uit de media, maar hier stapelt het zich al te hoog op. Dan past het inderdaad niet om zoete broodjes te bakken. Dat is dit een moeilijk, maar noodzakelijk verhaal. Dat ik dan toch kritische opmerkingen heb is vooral bedoeld om te voorkomen dat de misvatting postvat dat met de criteria van de rijkstoezichthouders nu alles duidelijk is. Helaas. Inspecties die branches vertellen hoe ze hun kwaliteit vorm moeten geven is zoiets als steen laten vertellen hoe hout zich dient te gedragen. Dat kan er al snel weinig meer (be)drijven.

Varianten en tekortkomingen

In de brief van de drie inspecties worden drie varianten van certificering onderscheiden, in navolging van het kabinetsstandpunt van 2003. Het gaat om de ‘zelfreguleringsvariant’, de ‘toezichtondersteuningsvariant’ en de ‘toelatingsvariant’. In de eerste variant is er sprake van vrijwillige certificering als onderlinge stimulans om zich te onderscheiden op kwaliteit. In de tweede variant blijft certificering vrijwillig, maar de certificaten hebben een wettelijke status en de overheid verbindt gevolgen aan het hebben van een certificaat. In de derde variant is er sprake van een wettelijke regeling en het voldoen aan de norm maakt uit bij de bepaling of een bedrijf of professional toegang krijgt tot een markt. De inspecties geven zelf aan dat het onderscheid niet altijd te maken is en dat kan ik vanuit eigen praktijk alleen maar beamen, toch lijkt het in principe goed dat de inspecties deze indeling maken en er vooral bij de tweede en derde variant consequenties aan verbinden voor het toezicht. Ik kom er later op terug.

Vervolgens komt de notitie voor elk van de inspecties met een reeks ervaringen met certificering. Misschien is dit wel het meest interessante deel van de notitie, omdat het niet zo vaak gebeurt dat er oordelen over de effectiviteit van certificeringsstelsels worden gegeven en al helemaal niet vanuit toezichtperspectief. Het grootste deel van de certificeringssystemen laat forse tekortkomingen zien. De enige positieve uitzondering hierop wordt door de Inspectie SZW genoemd en betreft het zgn. OHSAS 18001-certificaat, dat een positief effect lijkt te hebben op de arbeidsomstandigheden, al is dat nog niet erg aantoonbaar. Voor deze vorm van certificering vindt de inspectie het logisch de afspraak voor minder toezicht voort te zetten. In alle andere gevallen, en al helemaal bij de NVWA, is het oordeel kritisch tot zeer kritisch.

Falen

Heel graag zou ik willen horen hoe de betrokken branches zelf tegen de tekortkomingen aankijken. Hoe de inspecteurs aankijken tegen de oorzaken van is nu wel bekend en verdient het om nog eens op een rij te zetten. Als oorzaken voor falen wordt gezien:

  • controles: controle van certificaathouder door certificerende instellingen is niet altijd van voldoende kwaliteit of voldoende inzichtelijk door de rijkstoezichthouder. Concreter: het ontbreken van voldoende zicht op de praktijk, het ontbreken van periodieke, kritische reality-checks of het ontbreken van onaangekondigde controles;
  • terughoudendheid: certificerende instellingen zijn vaak terughoudend in het nemen van maatregelen wanneer zij tekortkomingen constateren. Maatregelen of sancties worden niet opgelegd of zijn te laag. Bedrijven houden het certificaat ondanks herhaalde overtredingen;
  • de informatie-uitwisseling met rijkstoezichthouders schiet voortdurend tekort.

Als dit klopt, en het verhaal is overtuigend, dan is het tijd voor een keihard geluid richting het bedrijfsleven en de betrokken branches: dit moet stoppen, dit valt niet goed te praten. De meeste ondernemers koesteren een vijandbeeld van toezichthouders: bureaucratisch, niet meedenkend, detailzuchtig en soms gewoon ondeskundig. Maar als de toezichthouders gelijk hebben in hun oordeel over de certificeringsstelsel in het bedrijfsleven, dan hebben de vele goedwillende leden van brancheorganisaties vele jaren lang veel te veel betaald voor iets dat niet deed wat het moest doen.
Het is nog tot daar aan toe dat de rijksinspecties niet aan hun trekken komen, maar het feit dat bedrijfsleven dit heeft laten voortduren betekent gewoon een groot falen. Kennelijk is men er helemaal niet in geïnteresseerd om op kwaliteit de concurrentiestrijd met het buitenland te willen winnen of de eigen samenleving schoon te houden. Liever lobbyend de successen binnenhalen dan gewoon voldoen aan de eigen afspraken. De crisis is daarbij geen excuus; dat had juist reden moeten zijn er nog een stap bij te zetten. Daarbij: het is ook het faillissement van de certificeerde instellingen en de hele infrastructuur die daarvoor is opgetrokken. Kortom; de inspecties houden de branches een spiegel voor en ze kunnen daarin een groot fiasco zien.

Kan het wel werken?

Ik kan slechts één ding bedenken dat er tegenover mag worden gezet. Nog los van de aanwijzingen die er zijn dat er op malafide en frauduleuze wijze met certificaten wordt omgegaan, moeten branches zich ernstig de vraag stellen of de huidige wijze van certificeren wel kan werken. Op beheersing gerichte manieren van kwaliteitszorg – kenmerk: gesloten normen, starre standaardisatie – redden het niet in markten die een en al in beweging zijn. Die zullen altijd worden ontlopen en omzeild. NEN-ISO heeft nog een rol te spelen, vooral vanwege de internationale kant ervan, maar het is hoog tijd voor een ander soort interventies. Eigenlijk, op de keper beschouwd, zit het schandaal van de falende certificeringssystemen er vooral in dat branches er nog steeds mee doorgaan, terwijl waar de inspecties mee komen al lang bekend is of had moeten zijn bij de betrokken branches en dat waarschijnlijk ook is.

Criteria

En dat brengt mij weer bij de inspecties terug en hun criteria voor certificering, zie hieronder. Want hoe logisch het ook is dat ze pleiten voor ‘heldere en uitvoerbare normen’, voor ‘periodieke controles’, ‘traceerbaarheid’, ‘informatie-uitwisseling’ en wat al niet meer, in essentie dwingen ze de branches in een al achterhaald keurslijf en, heel gevaarlijk, een keurslijf dat niet van henzelf is. Mijn indruk is dat het middel uiteindelijk slechter is dan de kwaal. Zet het bedrijfsleven niet in de rol van semi-overheid. Noem het geen zelfregulering als certificeerders langs de bedoelde criteria controles gaan uitvoeren. Het is het outsourcen van overheidstoezicht, niets meer en niets minder. Eerder herhaalde ik de zelfregulerings-, toezichtondersteunings- en toelatingsvariant. De inspecties lieten een duidelijke voorkeur voor de laatste twee blijken. Beter is het om het om te draaien. Als de overheid belang heeft bij toezichtondersteuning en toelating: laat die overheid het dan ook organiseren en de eisen stellen (over de kosten moeten we het dan maar eens apart hebben). Wat aan de branches zelf is, wordt hier volstrekt ten onrechte de ‘zelfreguleringsvariant’ genoemd: datgene wat de branche vrijwillige doet om op een hoger niveau van presteren te komen. Een branche heeft niet de rol om te reguleren. Noem het dan dus ook niet zo. Een branche moet aan kwaliteit werken, branchebrede kwaliteit. Dat is hoog tijd, als het al niet te laat is. De overheid moet aan goed toezichtwerken. Laat de falende certificeerders er maar aan wennen dat ze de ambtenaar worden die ze al zijn, met bijpassend salaris. De brancheleden zelf moeten de brancheleden gaan toetsen op kwaliteit – en die weer gaan verbeteren.

Hout en steen

Het bovenstaande is wat kort door de bocht, maar we zijn echt toe aan andere verhoudingen. Dat kan ook. Ik ken sectoren – buiten waar deze inspecties actief zijn, het moet gezegd, waar prima wordt samengewerkt. De overheidstoezicht houdt haar wetshandhavende rol, de branche zorgt met haar peer review voor een echte stimulans om de bedrijfsvoering beter aan te pakken. Uiteindelijk is deze laatste – buigbaar houten – variant naar mijn overtuiging het meest effectief, maar het werkt ook alleen maar als iedereen weet dat er een steenharde toezichthouder op korte afstand bij staat. Hopelijk is dit bouwwerk van hout en steen sterk en flexibel genoeg voor wat er nu in de markten aan het gebeuren is. Zelf vermoed ik dat we nog heel wat innovatiever moeten worden in onze toezicht- en kwaliteitsmethoden. Never a dull moment.

Peter Noordhoek

 

BIJLAGE
Criteria als leidraad voor het maken van afspraken over aangepast toezicht op basis van certificaten door de drie rijkstoezichthouders Inspectie SZW, NVWA en ILT:

  1. Het certificaat dekt de relevante wettelijke regelgeving.
  2. De wettelijke regelgeving en de normen cq. schema’s voor het certificaat zijn helder en 
uitvoerbaar.
  3. De normen cq. schema’s zijn openbaar en gemakkelijk toegankelijk.
  4. De onafhankelijkheid van de certificerende instellingen is geborgd.
  5. Bij controles door CI’s is sprake van:
    1. voldoende kwaliteit en voldoende kritische controles;
    2. periodieke controles met voldoende frequentie, wanneer dit relevant is voor het 
doel van het certificaat;
    3. periodieke controles vinden zowel aangekondigd als onaangekondigd plaats;
    4. registratie en traceerbaarheid van het resultaat van controles;
    5. controle van producten/praktijk, naast controle van het kwaliteitsbeleid;
    6. risicogerichte controles.
  6. Rijkstoezichthouders hebben toegang tot relevante informatie.
  7. Rijkstoezichthouder, certificerende instelling en gecertificeerde moeten de informatie over 
het gecertificeerde bedrijf kunnen delen.
  8. Certificerende instellingen nemen passende maatregelen, conform de relevante normen, 
wanneer zij tekortkomingen constateren. Wanneer van toepassing wordt een certificaat 
ingetrokken.
  9. Tekortkomingen met majeure (veiligheids)risico’s worden gedeeld met de 
rijkstoezichthouders.

Ten aanzien van punt 7 en 9 wordt opgemerkt dat het nu niet altijd mogelijk is om gegevens uit te wisselen. Deze juridische bezwaren zouden moeten worden weggenomen.

Ik geloof, ik geloof niet, ik gelo …

Het is niets bijzonders, niet-geloven. We zijn dicht bij het moment dat de helft van de Nederlanders zichzelf zo laat kennen in de statistieken van het CBS. Maar dat niet-geloven is in ieder geval voor mijzelf niet vanzelfsprekend en dus wil ik er al langer over schrijven. Nu is het zover.
Ik draag ook wel wat met mij mee. Al meer dan dertig jaar ben ik voor het CDA actief – en niet zo’n beetje. Dat roept vragen op, ook bij mijzelf. Maar daar wil ik het nu eigenlijk niet over hebben. Dat is voor een volgende keer. Dit is mijn korte verhaal van mijn niet-geloven of niet-religieus zijn. Er schijnt een verschil tussen de termen zijn, maar in dit verhaal bepaal ik de termen zelf. Om het inderdaad kort – minder lang, sorry – te maken wil ik proberen het in mijn eigen poëzie te vertellen. Vanuit mijzelf, dus vanuit mijn jeugd en mijn jeugdpoëzie. Alleen het laatste gedicht is van (bijna) nu. Het is lang geen lichte kost en puur persoonlijk, maar misschien zijn vragen over geloven of niet geloven wel het beste te vertellen vanuit het gezichtspunt van een jongen die zichzelf wat probeert te vertellen.

Schermafbeelding 2015-01-18 om 21.38.18

Hier begin ik mee:

Ik ben een denker
Maar ik had nooit gedacht
Dat rede zich zo bij de staart houdt
dat het steeds weer sterker
de eigen grenzen ontkracht
en op ontkenning inzicht bouwt 

Ik denk, dus ik besta
Ik ontken mijn denken, dus ik versta

Hier begint het mee, het altijd maar denken. Niets voor vanzelfsprekend aannemen. Alles relativeren, kapot relativeren. Heel zwaar, heel jong. Het begon op mijn 6e en was eigenlijk al klaar met alles kapot denken toen ik 9 was. Ik dacht dat iedereen zo met denken bezig was en voelde me langzaam. Maar ik ben er tot mijn 16e mee bezig geweest aan mijzelf te vertellen wat ik nu eigenlijk bedacht had. Op een erg niet-relativerende manier. Ik hoorde dat alles goed of kwaad, God of duivel was, maar wist dat het niet zo was. Dat er grijs was. Dat het niet klopte.
En dat wist ik ook terwijl ik in de kerkbanken zat van de gereformeerd kerk in ’s-Gravendeel – en met mijn nagels de ingekerfde letters probeerde te volgen van een moeilijk woord op een bordje. Ik spelde het zo: G-E-R-E-S-E-R-V-E-E-R-D. Dat woord begreep ik lang niet goed. Het had met mijn vader te maken, de huisarts van het dorp. Wij waren de dokterskinderen. Samen met mijn vader en moeder zaten we vooraan in de kerk, bij het bordje. Mijn vader was als arts een notabele, maar hij vond dat maar niets. Na een jaar of wat vertelde hij de kerkenraad dat hij altijd snel weg moest kunnen zonder de dienst te storen. Voor de patiënten. Dat was de reden dat het bordje en wij van de op één na voorste rij naar de op één na achterste rij verdween. Maar ik voelde altijd ogen naar mij kijken.

 Wij zijn in het leven nog niet afgeleverd
of om ons heen wordt al strijd geleverd
om wat we zijn
of wat we worden moeten
om wat onze doelen zijn
en hoe wij ze bereiken moeten

Nooit alleen voor onszelf geboren
Altijd op transen van andermans toren

Wat een onterecht gedicht. Zeker mijn ouders waren niet streng of dogmatisch. Integendeel. Toen we een heel strenge dominee kregen, stelden zij ons huis open om daar eigen, en ruimdenkende diensten te laten houden. Vooral mijn vader had een perfecte balans tussen aan de ene kant zeggen dat de wereld zo mooi was dat je dat niet alleen met je verstand moest willen bevatten, en aan de andere kant zeggen dat de Mozes met 10 plichten de berg af was gekomen en niet met 10 rechten. Vooral dit laatste moest een puberzoon af en toe wel horen. Maar wat mijn ouders daarmee aan ruimte en vastheid gaven, gaf het dorp mij niet en gaf ik mijzelf niet. Let op bij het volgende (crypto)gedicht, waarvan de uitleg, voor zover nodig, in de voetnoot zit [1]. In elke strofe zit anagram of omkering verborgen.De perspectiefwisseling, waarbij ik mijzelf als dichter in de positie van de schandaal vermoedende burgerman stel, is misschien wel het meest pijnlijke aan dit gedicht. De puber die in opstand is en tegelijk voortdurend redeneert vanuit ‘wat zal men er van denken?’. Die jaloers is op de priester die al weet dat hij geen priester meer is (overigens ook bijzonder voor mij als protestantse jongen een priester als actor in dit gedicht te nemen).

Na afloop van zijn laatste mis benaderde ik de priester
en vroeg wat ik onder het begrip “genade” moest verstaan

Hij aarzelde, bedacht zich en zei toen bitter
dat hij gewoonlijk de G na de F in het alfabet zag staan

Ik was verbaasd, herstelde mij en vroeg wat hij bedoelde
toen hij zo smalend over “barmhartigheid” had gesproken

Hij keek mij aan, wist dat ik mij ongemakkelijk voelde
en zei dat hij zo het hart van een barmeisje had gebroken

Nu wantrouwend, met een sterk vermoeden van schandaal, vroeg ik hem
waar zijn gevoel voor “edelmoedigheid” was gebleven

En hij vertelde mij in een voor de kerk vernederend verhaal
dat al zijn pretentie bij de moed van die del was gaan verbleken

Inmiddels volkomen cynisch vroeg ik hem vervolgens snerend
wat de pseudopriester van het woordje “naastenliefde” vond

Mij berispend, zei hij toen triest maar ook belerend
dat naast liefde soms ook een gelofte tot een einde komt

Met grote verontwaardiging en harde verwijten
wilde ik hem nog over zijn “goddelijke” roeping spreken

Maar met teleurstelling en zonder dat ik het kon begrijpen
zei hij dat Diens Zoon het brood al voor Hem had willen breken

Bijtend, afgewezen en vaag vernederd
vroeg ik hem tenslotte nog wat hij in de mis bedoelde
toen hij het over “heiligheden” had

Maar hij keerde zich om en naast de dichte kerkdeur zei hij:
Hij ligt achter mij; in het verleden en niet in het heden
Hij faalde toen ik niet meer genoeg aan woorden had

Er is zoveel te denken, te lezen in die tijd. Tientallen boeken over oorlog, strijd. In naam van God[2]. Waarom wint wie dan? Horen – stil meeluisterend, eigenlijk, bij het grote mensengesprek – hoe de fijne overbuurman van zijn geloof gevallen is in het concentratiekamp. Horend dat mijn vader het geloof toch niet afwijst, ondanks het Jappenkamp. Hij kan niet aan het heelal denken zonder te menen dat het de mens te boven gaat. En dat dit ook iets betekent. Dat hij het niet eens is met Wim Kan dat de Japanse keizer Hirohito niet mag komen. Terwijl ik luister verplicht mijn vader mij tot empathie. Ik moet meedenken. Meehelpen de wereld beter te maken. Oorlog is noch een bewijs voor god, noch voor het ontbreken ervan. Maar wat kan hij dan nog betekenen? Mijn vader heeft het antwoord ook niet. Zegt wel dat als hij de omvang van het heelal tot zich laat doordringen, die groter is dan een mens kan omvatten. Hij ziet daar God in. Schermafbeelding 2015-01-18 om 18.21.49
Die jaren heb ik een kapper, Daan de Koff. Zijn ouders waren fout geweest, maar wij gingen toch naar hem toe, naar ik later hoorde om hem niet in een onterecht isolement te houden in dat lieve dorp van ons. Daan leerde mij alles over waterskiën, windsurfen en Science Fiction. Heinlein, Burrough, Le Guin. Hij had alle groten. Zondagavond zeven boeken halen, zondagavond zeven boeken terug, uitgelezen. SF leerde mij, ook in het denken over God, alles op te rekken en om te keren. Ver voorbij wat ik in de kerk en om me heen hoorde, liet ik alle mogelijkheden langsgaan. Een planeet als God? Check. Een bedelaar als God. Check. Een ‘spreker voor de doden’ als God. Check. ‘Iets’ als God? Check. Het ‘goede in de mens’ als God? Check. Het ‘slechte’? Double check. En verder. Niets mag uitgesloten worden. Het Katholicisme als alternatief? Griebes, dacht de jongen die soms nog in de Tachtigjarige Oorlog leefde, maar toch: ja. Check. Boeddhisme, Confucianisme? Check.
En ook: ‘geen geloof’. Che.. – uh, nee. Zoek door.

Ik had eindeloos door kunnen gaan met zoeken als ik niet ‘op moest voor catechisatie’. Samen met de dominee met andere jongeren de Bijbel verkennen als opmaat voor de geloofsbelijdenis. Dat dwong me tot een keuze. En als je geen ja kunt zeggen, moet je nee zeggen. Na afloop van de eerste keer stapte ik op de dominee af en zei dat ik geen ‘ja’ kon zeggen op de vraag of ik geloofde en stopte met de catechisatie. Drie maanden later ging ik de militaire dienst in en verliet het dorp, om nooit meer echt terug te keren.

Dat was dus dat. Vrij. Vrij van dorp, lot en God. Dacht ik. Deels was dat ook zo. Het instituut kerk, met haar bank met letters, kon ik achter me laten. De dominee ook. Maar heel simpel: ik wilde nog steeds geloven in een God. Ik kon het alleen niet, al was het maar omdat de Nederlandse samenleving je in de jaren zeventig keihard met de vraag over het bestaan van god confronteerde. Maar hoe dan verder? In dienst, in Seedorf, Duitsland, liep ik lange marsen door Duitse bossen en probeerde ik het onmogelijke met elkaar te verzoenen. In eindeloze ritten over Autobahnen zette ik voorbeeld tegenover voorbeeld, argument tegenover argument. En legde die voor aan een mogelijke God.

Eens heb ik het leven aangezien
en God gezegd dat het niet was aan te zien
Ik zei dat ik gedroomd had van een beter leven
en Hem kon vertellen hoe Hij dat vorm moest geven

Op Zijn verzoek ben ik toen tot God gekomen
en vertelde Hem over al mijn dromen
Maar Hij joeg die dromen de winden na
want Hij zei: Ik ben geen God als Ik besta

Ik kan jou nimmer geven
wat jij zelf niet kunt maken van het leven
Dat leven had jij altijd al
Het is waarom Ik met je samenval

Het is simpel gedicht en bedacht – een van mijn laatste gedichten op rijm – maar omvat voor mij wel de fundamentele paradox: ‘ik ben geen God als ik besta’ – en een uitweg. Dat betekent dus het ‘goede leven leiden’, in de zin van ‘het goede doen’. Meer en meer verschoof de zoektocht naar God naar de vraag: wat het is goede? Hoe doe je het goede? En daarin kom je toch bij redelijk elementaire dingen uit, dingen die velen voor mij al hebben ontdekt. Met één ding dat mij als het ware werd teruggegeven uit mijn jeugd: het begrip naastenliefde. Je kunnen verplaatsen in de ander. De empathie, vergevingsgezindheid van mijn vader in combinatie met het idee dat een samenleving alleen kan werken als we in staat zijn over onze eigen schaduw te springen. Ik weet nog steeds niet goed hoe ik dat in de praktijk waar moet maken natuurlijk, maar ook zonder het geloof in God zie ik dat begrip als kern van zowel beschaving als verlichting. Een Christelijke term dus. Maar ik was toch …? Maar waarom zou ik de boodschap willen verloochenen van iets of iemand die ik niet meer ken, maar wel zou willen kennen? Zonder geloof in God omarmde ik wel de centrale boodschap van de moderne godsdienst en voelde (en voel) me er prima bij. Dat heeft er ook toe geleid dat ik al heel kort na de oprichting als niet-gelovige lid van het CDA ben geworden. Het christelijk geloof is onmiskenbaar een inspiratiebron voor mij. Dat dit niet altijd zonder spanningen is geweest laat zich raden, maar daarover meer op een ander moment. Nu terugkijkend zeg ik dat die beslissing om lid te worden mij weer dichter bij de kerk heeft gebracht, in het bijzonder de katholieke kerk, zonder ooit te vergeten waar mijn grens ligt als het om geloof gaat. Geen partij kan en mag verplichten tot geloof, in welke vorm dan ook. Terwijl mijn maatschappelijke carrière zich ontvouwde – en mijn liefde mijn vond – werd een gevoel van evenwicht steeds sterker:

Omdat ik weet dat elk licht een schaduw werpt
En ook omdat de bron van elke schaduw licht is
word ik niet verblind door plotseling licht
noch verduisterd door vallende schaduw
En denk ik dat in alles wat ik verricht
de kern zit van verwondering en afschuw

 

Maar je blijft toch puzzelen. Ik wel. De grefo in mij, zeggen mijn vrienden. De wetenschapper in mij, zo zeg ik. De idealist in mij, waarschijnlijk. En dan moet het ook iets voorstellen. Iets is niets. Ik wil te graag weten. Al rond mijn twintigste, toen de MRI nog lang niet was uitgevonden, zei ik bijvoorbeeld tegen mijzelf dat we waarschijnlijk ooit in onze hersens een plek zouden ontdekken die een Godsgevoel zou geven op het moment dat je er op drukte. Inmiddels is het zover. Stimuleer een plekje in de hersenen en de godsdienstwaanzinnige komt naar boven, stimuleer een ander punt en een duivelse doodsangst wordt opgeroepen. Maar al op het moment dat ik bedacht, wist ik dat ook dit geen godsbewijs of het ontbreken ervan kon opleveren: God zou die plekken in ons immers hebben kunnen laten ontstaan. Waarschijnlijk leek het me echter niet, dus ik ben weer door gaan denken. Wat nu als ons godsbesef tegelijk met ons eerste besef is ontstaan? Het besef dat we bestaan, honger hebben, gevaar lopen, willen houden van? Wat als we bij dat besef eenvoudig teveel ‘sensorische input’ – teveel bliksems in bomen, Schermafbeelding 2015-01-18 om 22.19.55huilende wolken, hoge golven, boze natuur – krijgen om nog te kunnen functioneren? Dan zou godsbesef een soort zekering kunnen zijn die in ons hoofd doorslaat als het nodig is. Een biologische mechanisme dus om alles bij weg te kunnen plaatsen wat we niet begrijpen. En wat als we op die basis elkaar verhalen gaan vertellen om dat weer een plaats te geven? En zo verder? Totdat we met onze steeds betere verstandelijke vermogens voor onszelf de religies bouwen die we nodig hebben om ons letterlijk en figuurlijk te laten overwinnen? Dat zou niet vreemd zijn. En dan is het ook niet vreemd dat wij met onze steeds weer verder ontwikkelende hersenen die verhalen vervolgens weer gaan ontmantelen, opbouwen en weer ontmantelen, totdat er, zoals nu, weinig meer van over lijkt te zijn. Als religie de vorm is waarin we onze godsbeleving storten, dan bestaat die nog in misschien wel meer vormen dan ooit, maar lijkt deze intellectueel gesproken nu wel aan het einde van de rit. Geconfronteerd met het geweld van religieuze fanatici, van groepen moslims voorop, rillen we – en voelen ons niet zonder reden superieur. Gods is dood. Alleen zijn zwarte raven pikken als mitrailleurs nog aan de botten.

Twee dingen blijven hoe dan ook. Het eerste is de erfenis aan denkbeelden. De boodschap van naastenliefde; heb de ander lief zoals jijzelf, maar ook de zichtbare erfenis van culturen die op een andere manier minstens zo rijk zijn als de onze. Het tweede is het besef dat ons verstand het denken over religie wel kan beïnvloeden, maar niet kan stoppen. Het zit niet in ons, het is ons. Je kan de mens wel uit de religie halen, maar de religie niet uit de mens. Men als we daar op de goede manier mee omgaan is dat letterlijk en figuurlijk gezond voor ons.
Dat bewustzijn wordt bij mij, net als denk ik de meeste anderen, het scherpst bij de confrontatie met de dood, zeker die van een ouder. Mijn vader stierf aan longkanker. De ziekte en de kuur ontmantelen hem.

Fractals in de lichaamstaal:
prachtige verbindingen breken
in takken, clusters uiteen
Verspreiden zich in weefsel
een klier, een bot, een been
De lijnen van een leven
eten zich op en spuwen
gal en haren, boven ogen
die pijn doen van het knijpen
en kijken, moeten kijken
voorbij dat woord heen
de dood in en
begrijpen niet dat wat zich
delen kan zich ook ontleden kan
fractie bij versnellende fractie
verbreken kan
eindigen kan
eindigen zal
einde zal
einde

Je wilt boos zijn op God, maar gelooft niet meer in hem. Op wie mag je dan boos worden? Waar kan je je leed neerleggen? Hoe ga je later met je eigen dood om. Er is geen goed. Je staat er alleen voor. We staan er allemaal alleen voor – zo denk je, terwijl iedereen op elkaar leunt.

en toch wel dit: ik heb ontdekt dat je sterk moet zijn om niet gelovig te zijn. Dat het alleen kan als je ervoor kiest uit kracht. In de nasleep van zijn overlijden ontdekte ik dat ik niet heel sterk ben, maar wel kracht genoeg heb. Al mag ik van mijzelf blijven zoeken.

Op een dag, ik speelde toeristje
Op een berg, ik had lang gelopen
viel een schaduw schuin op mijn pad

Ik keek omhoog, met tegen de zon in geknepen ogen
en zag een kruis door geloken takken heen
Zonnevlekken, vermoeide benen en dito hoofd
vingen het beeld op zoals het moet zijn bedoeld:
een boodschap van Boven, een teken van God

Toen schudde ik mijn hoofd
en verklaarde mijn lot
uit zonnevlekken, vermoeide benen en dito hoofd

Met mijn hand boven mijn ogen keek ik het kruis weer aan
zag rauwe steen met groene randen
een vage Christus, gespreide armen, handen
en gaf mijn glimlach
aan wat steeds weer wordt gezien, geduid, geloofd

Dit is mijn verhaal en zo wordt een niet geloven nu licht gedragen.

 

Schermafbeelding 2015-01-18 om 22.20.25

 

Peter Noordhoek

De gedichten komen uit een vroege zelf-samengestelde bundel “Over de rand.” (1989), op het laatste na. Enkele gedichten zijn te vinden in ‘Kleur de klei’ (2010), dat op de website van Northedge (artikelen) te vinden is. Daar treft u ook de eerste illustratie aan.

[1] Genade: G na de F; barmhartigheid: hart van het barmeisje; edelmoedigheid: moed van die del; goddelijk: brood gebroken; heiligheden: hij ligt .. en niet in het heden.

[2] In het net verschenen boek van Karen Armstrong ‘In naam van God’ (Bezige Bij, 2015) geeft zij dezelfde interpretatie die ik heb over de rol van religie en strijd. De oorzaken voor strijd kunnen velen zijn en elk die daarin god aan de zijde claimt begaat een diep tragische vergissing. Daar staat tegenover dat de rol van met name Jezus en Boeddha juist belangrijke vragen zet bij het beeld dat strijden in naam van God ook zo door God gewenst zou zijn. We hebben een andere plicht. Het is slechts een interpretatie, maar het is wel de interpretatie die voor mij leidend is.

Na Charlie: kamers, ketens, kansen

Deze week beleefden we een heus ‘Europees moment’, ik zeg het de columnist van Trouw Goslinga graag na. Over nationale grenzen heen was er een echt moment van eenheid in de verwerping van wat in Parijs is gebeurd. Wat woensdag begon met koelbloedige moorden, eindigde zondag in een mars van meer dan een miljoen mensen. En er zijn nog miljoenen meer die de afgelopen dagen mee zijn gezogen in de emotie rond de moorden van de cartoonisten. We zijn niet allemaal Charlie, dat is onzin, maar we hebben ons met die leuze wel weerbaar getoond. Dit pikken we niet. Maar wat gaan we nu doen?

Maandag gaan we weer aan het werk, wordt alles weer ‘normaal’. En wat dan? Wat doen we met die weerbaarheid? Hier wil ik een poging doen om zo saai en taai als maar kan een antwoord op die vraag te formuleren. Dat is nodig. De emotie zoals die vanaf woensdag voelbaar werd, niet in het minst en zeer begrijpelijk doorgegeven langs de kant van de journalisten, moet in iets blijvends vertaald worden. Iets dat gewoon moet worden. Maar wat dan? Hoe dan? Door het winnen van een ‘oorlog’? Onmogelijk woord, maar triest genoeg resoneert het.

imagesIk moest aan 100 jaar en een paar maanden geleden denken. In augustus 1914 barste de emotie over een moord in Sarajevo los en talloze mannen melden zich voor de gewapende strijd in het leger. Het eindigde in een massaslachting waar we nu niets meer van begrijpen. Nu ging er geen enkel rekruteringsbureau open.

Op 9/11 vlogen vliegtuigen in de torens het World Trade Centre en de muren van het Pentagon. In een prachtig cartoon werd donderdag verbeeld hoe de aanval op Charlie Hebdo het 9/11-moment was voor de journalistiek. Na 9-11 werd er ook ten strijde getrokken. Tegen Afghanistan, Irak. Nu roept nog niemand om een aanval tegen IS of Jemen en zelfs niet om een verdere ingreep in Syrië, terwijl toch aantoonbaar de wortels van het IS-geweld liggen. Wie weet nog waar de vijand woont? Zoals Bernard Hammelburg overtuigend in het NRC schreef deze kerst: er zijn geen winbare oorlogen meer. Maar dat kan toch niet hetzelfde zijn als nergens meer voor vechten?

Ik denk niet dat Le Pen en Wilders het zo bedoelen, en zeker Hollande niet in zijn speeches, maar de werkelijkheid is dat het enige strijdperk dat we overhouden voor een oorlog tegen ‘de achterlijke vormen van Islam’ dit Europese continent zelf is. Het is een gedachte waar ik mijn hart niet omheen gevouwen krijg, maar dat wordt al snel geen oorlog, maar iets dat meer de trekken krijgt van een soort burgeroorlog, zeker als het allerlelijkst verbonden wordt met migratie-, oorlogs- en godsdienstvraagstukken. Laten we niet vergeten dat de moordenaars geboren en getogen Fransen zijn.

De analogie met oorloog maak je in de hitte van het moment – of als je en politiek punt wilt maken, maar zal maandag terecht weer verdwenen zijn. De spanningen in een open samenleving bestaat uit duizenden kleine momenten en niet uit een paar veldslagen. Al het goede dat ook in die momenten zit en zelden de media haalt is wat wel de veerkracht van een samenleving bepaalt en die veerkracht hoeft niet te worden onderschat. Dan nog is de situatie ernstig genoeg. Het enige algemene antwoord op deze dreiging van een niimages-1euw soort burgeroorlog, of het idee ervan, is iets dat gelegen moet zijn in de waarden van onze oude beschaving. Maar ik wil hier niet meedoen in de race wie de mooiste woorden kan vinden voor onze beste principes. Ik geniet nog na van de woorden van mensen als Aboutaleb en anderen, daar heeft u deze blog niet voor nodig. Veel liever dan over oorlog en brede principes, wil ik het juist hebben over de vraag hoe we weer kunnen normaliseren en institutionaliseren.

Daar zijn beslist middelen voor: de regels van het recht, beleid, instituten en samenwerking. Dat wat saai en taai is. Eigenlijk moet ik het dan hebben over wat er in de buitenwijkenwijken van Parijs en Reims moet gebeuren, maar dat kan ik niet en moet ik niet willen: dat is zaak voor de Fransen zelf. Het gaat hier om waar we vanuit Nederland wel bij kunnen: dat wat Europa kan doen. Mijn voorstellen, allen voortgekomen uit de vraag ‘waarom is dat er nog niet?’, vat ik graag samen onder de noemer van: kamers, ketens en kansen. Dit is wat ik graag zou zien om tot betere vormen van institutionaliseren van ons migratie- en integratievraagstuk te komen – op Europees en nationaal niveau.

Kamers

Het start bij de grenzen van Europa: bij de havens, luchthavens en grenssteden. Er is wel degelijk iets van een invasie gaande. In duizenden komen mensen richting het continent, soms in door de smokkelaars verlaten schepen. Het hoort bij ons dat we van die massa weer individuen maken. Sommigen daarvan komen terecht hier naar toe, velen kunnen beter teruggaan, anderen mogen zich niet op het continent vertonen. De beslissing hierover wordt nu in Nederland genomen door ‘Vreemdelingenkamers’ die dat in de praktijk te laat, niet goed onderbouwd en te ver van de grenzen doen. Veel logischer zou het zijn als er een ring van Europese Vreemdelingenkamers zou komen bij de havens aan het Zuidfront, bij de luchthavens die de hubs van Europa vormen en de modderige opvangkampen aan de grenzen in het uiterste oosten. Daar wordt de beoordeling gedaan, daar wordt ook bepaald wie naar welk land kan gaan. Op dit moment bezwijken de Zuid-Europese landen onder de last van het opvangen van vreemdelingen, laat staan dat ze de beoordeling nog goed doen. Sommige landen krijgen teveel, andere (Oost-Europa) te weinig vreemdelingen uit het Midden-Oosten of Noord-Afrika op te vangen. De afzonderlijke lidstaten kunnen nog steeds zeggenschap houden door een eigen check uit te voeren op degenen die binnenkomen. Correcties blijven mogelijk., beroep ook. Afschuiven en uitstellen krijgen echter minder kans. De kamers, samengesteld uit vertegenwoordigers van de lidstaten, doen bij de grenzen van land, lucht en water hun uitspraken.

Ketens

Na de uitspraak in de kamer begint het natuurlijk pas echt. Migratie en integratie kunnen alleen zinvol op Europees niveau bekeken worden, al blijven nationale grenzen wel degelijk onmisbaar in het toesnijden van de opvang naar iets dat houdbaar blijft. Dan hebben we het opbouwen van ketens van instellingen door Europa heen. Dat moet op ten minste drie niveaus gebeuren: op het niveau van veiligheid, migratieopvang en integratie.

  • veiligheid

Ik ben een Atlanticus, maar het is meer dan de hoogste tijd voor een Europese defensiemacht. Terwijl we in Parijs demonstreren voor een goede zaak, is er nog altijd een bevroren brand in de Oekraïne die dagelijks levens kost. Sancties zijn misschien de beste manier om er mee om te gaan, maar op geen enkele manier wordt daarmee het beeld van fundamentele zwakte weggenomen. De brandhaarden Syrië en Irak horen wel degelijk te worden aangepakt, maar het is ronduit gênant hoe machteloos we feitelijk zijn. Soft power werkt niet zonder de mogelijkheid van hard power. Dit werkt op allerlei manieren door naar andere vraagstukken, inclusief die van drugs- en mensensmokkel. Kom op met die Europese krijgsmacht.

  • migratie      

Zodra er meer duidelijkheid is over de vraag welke migranten waar naar toegaan, wordt het ook makkelijker om de opvang goed aan elkaar te schakelen. Dit blijft een opgave voor de lidstaten zelf, maar de afstemming zal beslist minder vrijblijvend moeten dan nu het geval is, inclusief straf en beloning voor het niet of juist goed benutten van de migratieketens.
Frontex is er om te helpen ‘bij het bewaken van de grenzen van het Schengen-verdrag’. Het is in mijn ogen een vrij machteloze speelbal van de lidstaten. Ik geloof niet dat de Australische aanpak van het rücksichtsloos terugsturen van boten in de kleine plas van de Middellandse Zee zou werken, maar dit is weer het andere uiterste. Schengen is net als de verdeling in euro en niet-eurolanden eerder een teken van zwakte dan van Europese kracht. Frontex en de nieuwe defensiemacht moet samengaan.

  • integratie

Hoewel nog meer en nationale kwestie dan het thema migratie, worden de randvoorwaarden voor een succesvol integratiebeleid in een land stevig bepaald door randvoorwaarden die alleen op Europees niveau kunnen worden beinvloed. Zonder een basisgevoel van veiligheid krijgt integratie in ieder geval weinig kans. Als ik denk aan de wijze waarop er – niet – werd samengewerkt in de kwestie rond het luchtruim van de MH17, dan vermoed ik dat het gebrek aan samenwerking rondom veiligheid en integratie nog groter is. Aanpakken dus.
Maar het mag niet zo zijn dat alles rond het thema van integratie gericht zou moeten zijn op veiligheid. Integendeel. De eigenlijke integratie opgave is positief gericht: op onderwijs en banen en dan zo dat de autochtone bevolking zich niet voelt achtergesteld ten opzichte van de nieuwe burgers. Vreemde ogen dwingen. Dus: samenwerken over de grenzen heen en elkaars inspanningen ook auditeren en vergelijken.

Kansen

Twee dagen voor de moorden in Parijs stond er in de new York Times een indrukwekkend artikel over het verval van Europa. In dat artikel werd een nadrukkelijke verbinding gelegd tussen het ‘geboortetekort’ in Europa, dat al daalt vanaf de jaren ’70, en het gebrek aan elan van het continent. Echt nieuw was het niet wat het artikel omvatte, maar opnieuw werd duidelijk gemaakt hoe we terug zakken en hoezeer we ons in de loop van de tijd afhankelijk hebben gemaakt van anderen. Van de VS uiteraard, maar ook van de Arabische olie en de Chinese economie. En elke keer als we naar onszelf kijken, kijken we weg. De Amerikaanse krant wijst daarbij nadrukkelijk op nog een andere afhankelijkheid: die van arbeidskrachten van buiten het continent. We kunnen echt niet zonder. De krant heeft gelijk. U en ik kunnen er niet op rekenen dat we ‘handen aan het bed hebben’ als we oud en gebrekig zijn zonder inbreng van allochtone werknemers. Het beste zou zijn als we de beste konden uitselecteren voor de vacatures die er nu aan gaan komen, maar zo werkt het niet. We hebben een grote en concrete opgave om nieuwe Nederlanders en nieuwe Europeanen tot studies en goede banen toe te laten. Nu jagen we er teveel weg en alleen degenen die geen andere keuze hebben, blijven. Kansen bieden is het sluitstuk van wat we in Europa moeten doen en het begin van wat we hier in Nederland kunnen oppakken.

Goed, dit is mijn voorstel. Mijn drieslag. Laat de echte specialisten nu maar zeggen hoe het werkelijk moet. Echter, noch in de verkiezingen voor het Europees Parlement, noch in de media heb ik de afgelopen jaren een samenhangende en aansprekende aanpak mogen lezen. De voorstellen die vandaag in Parijs worden besproken zijn voor mij nog teveel meer van hetzelfde. Ze pakken niets fundamenteels aan, maar kunnen wel de rechtstaat ondermijnen. Misschien hebben ze wel gelijk en is meer niet haalbaar, maar dan pak ik toch weer even de emotie van vandaag: ik ben Charlie, ik ben dapper, ik ben wakker en ik wil het anders.

 

Peter Noordhoek

Een verhaal over niets en Nieuwjaar

Aan het begin van oudejaarsavond keken we naar een film, Boyhood. Het gaat over niets. In ieder geval niets dat ik normaal als filmwaardig zou beschouwen. Een jongetje wordt een jongen, wordt een jongeman. Hij maakt mee wat vaker mee wordt gemaakt. Niets bijzonders. En toch fascineerde het. De herkenning, de gêne, zelfs de puistjes. Vreselijk, maar ook vreselijk mooi.Schermafbeelding 2015-01-03 om 23.29.16

Loes pakte haar kans. Normaal ben ik niet zo van dit soort films (denk: groots, rauw, knallend, snel). Maar ja, ik had de film zelf voorgesteld, recensentgevoelig als ik best wel ben. Ze was er blij mee. De vragen kwamen in ieder geval snel. ‘Herken jij jezelf als jongen?’ ‘Ging het bij jou ook zo?’
Ons 25-jarig huwelijksfeest ligt alweer ruim achter ons, maar dat betekent nog altijd dat we elkaar bijna de helft van ons leven niet gekend hebben. En al hebben we veel over ons voor-we-ons-kenden-leven verteld, het blijft voor haar toch wel moeilijk voorstelbaar hoe mijn moeder haar best moest doen om mij van mijn dorpse dialect te bevrijden en hoe ik later met ‘foute’ vrienden de polder onveilig maakte, net zoals ik het lastig blijf vinden om mij haar uitgesproken brave jeugd voor te stellen in wat voor mij altijd een verre grote stad was geweest.

En zo begonnen we ook maar te spreken over onze dingen van niets en we begonnen met het voor de hand liggende: Oud en Nieuw. Ook Loes was dan een jongetje. Dan hielp ze haar vader bij het maken van de oliebollen. Ze mocht de bolletjes deeg met de ene uit de andere lepel scheppen en voorzichtig in de olie schuiven. Deed ze dat niet snel genoeg en dreigden de eerste bollen al helemaal gaar te zijn voordat de laatste er inging, dan kreeg ze “Opschieten, jongetje” te horen. Dan was ze dus opeens een jongetje.
Het is een verhaal dat ze elk jaar vertelt, vol liefde. Toch is Loes verder in elk opzicht geen liefhebber van oud en nieuw. Ze heeft het over donker, koud en knallen. Ze heeft het over weemoed, het einde van iets, een jaar. Maar zelf denk ik dat het alles te maken had met het beroep van haar vader: brandweerman. Brandweerman zijn in Den Haag op oudejaarsavond … Zelf had ze niet dat beeld: brand was brand, dienst was dienst. Maar waarom zei ze dan dat ze die avond altijd hoopte op regen?

Mijn vader was huisarts. Als hij op oudejaarsavond dienst had dan ging de bel aan de voordeur. Wie in de buurt was, deed open. Als ik, slungelige tiener, boos op de wereld, etcetera, open deed en een schuldbewuste blik zag, dan hoefde ik de bebloede hand niet eens te zien. Ik wees mijn vinger en zei dat ze om moesten lopen naar de wachtkamer aan de zijkant. Vast met in mijn ogen de blik: sukkel. Ontoelaatbaar gedrag dus van een strontvervelende puber, ik weet het, maar achter de puberirritatie zat de teleurstelling dat mijn vader uit de avond weg moest. En ik hield wel van oud en nieuw. In al haar fasen. De stille rustige aanloop van de avond, niet zelden met een spel – zo vervelend, maar ik was er wel goed in. Het kijken naar Wim Kan terwijl de eerste gasten binnenkwamen, met oom Jan als kenner van de politiek. Hij was het altijd met Wim Kan eens. Natuurlijk. Ik niet. Dan het aftellen naar twaalf uur, een echt glas champagne. Klinken, het beste wensen, oude tantes kussen. Dan het vuurwerk. Ons huis lag midden in het dorp, aan de kreek. Het hele dorp begon na 12 uur om de kreek en ons huis heen te cirkelen (doen ze waarschijnlijk nog steeds). Je leerde om niet bang te zijn als je vuurwerk naar je voeten kreeg. Je leerde in je eigen groepje op andere groepjes ‘nozems’ af te stappen (en zag ondertussen de deur van de wachtkamer weer open gaan. Pa was bezig.) Het was mooi en bovenal spannend. En na een klein uurtje verliet ik het volle huis, pakte mijn fiets (later de brommer) en fietste, scheurde naar het dorp 5 kilometer verderop waar mijn vriend Hans het echte feest gaf en ik de plaatjes draaide. Rond 5, 6 uur lag je daarna in bed – en bedacht hoe fantastisch de feesten wel niet moesten zijn in de grote stad.

Loes kan me dan zo sceptisch aankijken als ik dit soort dingen vertel. Maar ze wilde toch dat ik vertelde …? Nou ja, laat maar. Het is waar, het is allemaal gebeurd – en meer. Maar net zoals in de film de regisseur uiteindelijk niet meer kon doen dan registreren en suggereren wat de jongen overkwam, zo is het nog steeds moeilijk om iets weer te geven wat er in dat hoofd van jongens zoals hij en ik omgaat en waarom ik nog steeds zeg dat ik oud en nieuw zo mooi vond, terwijl grote stukken me of totaal verveelden of me angst aanjoegen. De werkelijkheid is dat ik zo blij ben dat ik die leeftijd niet meer heb. Dat ik niet meer hoef.

Er is wel iets dat mij bezighoudt en waar ik, zoals ik nu ben, niet uitkom. Laat ik het uit proberen te leggen. Vuurwerk. Ik hoor het vreselijk te vinden. Vanwege de vader van Loes, vanwege mijn vader. Vanwege elke oudere en elke jongere die het vuur in de lucht prachtig vinden en het vuur tegen de schenen doodeng. Verbieden die handel, heel simpel. Toch kan ik me daar niet toe brengen. Ergens in die rottijd heb ik mezelf wel wat geleerd met vuurwerk. Ik snap heel goed dat mijn nu bijna geriatrische generatie uit de 60-er jaren er alles aan doet om een rustige dag te hebben zonder knallen en als vertegenwoordiger van de opvolgende generatie is de behoefte om zelf nog te knallen wel verdwenen, maar toch zegt iets me: laat het blijven gebeuren. Laat het knallen. Geef de nozems van nu de ruimte, juist met oud en nieuw. We worden ouder en wij die ouder worden laten ons leven bepalen door wat mis kan gaan en niet meer door welke avonturen we nog kunnen beleven. Waar halen we het recht vandaan om jongeren hun knallen te ontnemen? Ja maar, Noordhoek, is dat romantische idee jou ook maar één oog waard? Mijn verstand zegt: nee, natuurlijk niet. Mijn intuïtie zegt …
dat ik een heel leuk gesprek aan het verknallen ben. Zelden wenkbrauwen zo hoog gezien. Toch de verkeerde film gekozen.

Peter Noordhoek

Schermafbeelding 2014-12-21 om 18.17.18

Kerstkaart 2014 English Nrth


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek