Maandelijks archief: oktober 2014

Governance codes en de val van wat mis kan gaan

Dit keer een saaie, serieuze blog over de beperkingen van governance codes, geschreven vanuit mijn ervaring met het begeleiden van zelfevaluaties bij Raden van Toezicht in de (semi-) publieke sfeer. Ik lever niet allee kritiek, ik probeer ook aan te geven waar het bij die zelfevaluaties om zou moeten gaan. Wie smeuïge zaken verwacht, moet ik teleurstellen. Dit is taai, dit is inhoud.

Bijzondere bijeenkomsten

Om de zoveel tijd word ik uitgenodigd om de zelfevaluatie van een Raad van Toezicht te begeleiden. Dat zijn bijna altijd bijzondere bijeenkomsten. Bijeenkomsten die er ook toe doen, zelfs als alles in orde lijkt. Het gaat over het algemeen om betrokken en goed geïnformeerde leden die wat van hun benoeming willen maken. Zelfkritisch zijn ze doorgaans ook en zijn leergierig genoeg om het daarnaast prettig te vinden als een buitenstaander nog eens de spiegel voorhoudt. Een beetje scherper aan de wind zeilen kan nooit kwaad, zo is de houding. Van mijn kant doe ik mijn best om er als begeleider een goede bijeenkomst van te maken, ook qua voorbereiding. Dit keer heb ik mij nog eens goed verdiept in wat verschillende ‘governance codes’ zeggen. Tsja. Mijn conclusie: ze passen als het gips om een arm die van de dokter juist moet bewegen.

Codes

Er zijn vele codes, inclusief een aantal die min of meer op maat zijn gemaakt. De codes zijn geen theoretische epistels. Wie de afgelopen jaren de kranten heeft gelezen komt medicijnen tegen een eindeloze rij misstanden. Zelfverrijking, baantjes toeschuiverij, smoezelen, zeteltje plakken. Alles wat mis kan gaan, lijkt mis te zijn gegaan. Zet je de verschillende codes in de tijd, dan zie je hoe ze steeds scherper worden op wat er allemaal mis kan geen (al ben ik het woord ‘derivaten’ niet tegengekomen). Je ziet ook hoe er codes bijkomen en hoe codes op maat worden gemaakt (voor een lijstje, zie hieronder). Voor mijn opdrachtgever van deze week kon ik redelijk met de ‘Code Cultural Governance‘ uit de voeten. Ook had ik plezier van het model van Charistar voor de fondsenwervende sector. Met een stoplichtsysteempje kon ik daar snel een oordeel van de groep uithalen over de mate waarin zij zich ‘in control’ voelden over de verschillende aspecten. De meest interessante is toch het rapport van de Commissie Behoorlijk Bestuur (‘Commissie Halsema’), zowel omdat het een helder onderscheid maakt tussen organisatie- en individueel niveau, als omdat de tekst van het rapport goed duidelijk maakt dat je de elementen van zo’n code niet als een checklist moet gebruiken, maar als start van een gesprek. Al gaat het dan voor wat betreft mijn opdracht mis.

Het gesprek

De titel van het rapport van de Commissie Behoorlijk Bestuur luidt ‘Een lastig gesprek’. Dat kan het zeker zijn. Aanspreken op fouten is moeilijk, of de aanwijzingen nu hard of zacht zijn. Echter, ‘behoorlijk’ bestuur is nog geen ‘goed’ bestuur. Een goed gesprek, betekenisvol en vooruitkijkend, moet minstens zozeer het doel zijn.

Veel, zo niet alle codes, zijn een reactie op wat mis is gegaan. Begrijpelijk, maar naar mijn indruk gaat er nog steeds veel meer goed dan fout in Nederland en worden bovendien wel degelijk de lessen uit de crisis geleerd. Er moet nog steeds gecheckt worden op onbehoorlijke of niet-integer gedrag, maar de grotere opgave is nu gelegen in het goed inschatten van de transities waar maatschappij en organisaties in verwikkeld zijn. De meeste organisaties hebben harde maatregelen genomen en nieuwe mensen benoemd, maar daarmee zijn de opgaven waar men voor staat nog niet opgelost. Die opgave ligt vooral extern en niet intern. Vertrouwen bouwen wordt weer belangrijker dan wantrouwen inbouwen.

In control en in chargeBroolyn Bridge

Neem een zelfevaluatie van een Raad van Toezicht waarin niet op voorhand al problemen zijn gesignaleerd. De Raad van Toezicht geeft de begeleider geen specifieke opdracht mee, de bestuurder is per saldo heel tevreden met zijn of haar toezichthouder. Er is wel zorg over wat er op de organisatie afkomt. Moet je die zelfevaluatie dan toch om de elementen van een code latend raaien? De vraag stellen, is hem beantwoorden. Voor mij draait zo’n zelfevaluatie dan, met excuses voor het Engels, om deze twee vragen:

– zijn we in control?
– zijn we in charge?

In control: langs de code

De vraag naar het in control zijn laat zich vrij goed langs de lijnen van de standaard codes beantwoorden. Het gaat hier dus om de positie van de Raad van Toezicht zelf. Hopelijk is de bestuurder ook in control, maar daar gaat het niet om. Voor deze vraag gesteld, zal menig lid van de RvT zeggen dat dit moeilijk te beantwoorden is op basis van de frequentie van de vergaderingen en de kwaliteit van de informatie. Het is eigenlijk helemaal niet zo moeilijk om tijdens een zelfevaluatie de leden van RvT te laten twijfelen aan hun eigen positie. De meesten hebben heel goed door dat ze op dun ijs lopen als ze een oordeel over hun organisatie moeten leveren op basis van slechts een paar vergaderingen per jaar. De vraag is wat ze er aan willen doen, behalve heel veel vertrouwen geven aan voorzitter of bestuurder. Op dat soort momenten blijkt steeds weer hoe belangrijk het is dat er buiten de vergadering om gelegenheden zijn om met mensen in de organisatie te spreken. De vraag is: laat de bestuurder dat gebeuren? Het wil bijvoorbeeld in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking nogal eens zo zijn dat cliëntenraden alleen in aanwezigheid van de bestuurder met leden van een RvT kunnen spreken. Dat kan niet, maar gebeurt wel. Kortom; de vraag of de RvT in control is moet zeker gesteld worden en de code is daar een hulpmiddel bij. Mijn idee is dat een kleine discussie over de kwaliteit van de informatie die de leden hebben, al genoeg is om buiten de kaders van een code te gaan.

In charge

De vraag of men ‘in charge’ is, hoort de hele instelling of organisatie te raken waarop men toezicht houdt. Tenminste, dat is mijn mening als een zelfevaluatie niet wil ontaarden in navelstaren. De RvT is uiteindelijk ook onderdeel van het grotere geheel. Hoe de leden ervan naar hun opdracht kijken heeft alles te maken met hoe zij hun taak inhoudelijk benaderen. Als zij van oordeel kunnen zijn dat de bestuurder ‘in charge’ is, dan is de kans groot dat zij het ook zijn. De vraag die ik dan altijd in mijn achterhoofd heb, is deze: kwispelt de hond met de staart, of kwispelt de staart de hond? Zeker in een publieke omgeving is dat laatste al snel het geval. Vindt de RvT dat de organisatie meer de speelbal van ontwikkelingen is, dan dat het zelf aan de bal is, om er nog maar eens een metafoor in te gooien, dan hoort de zelfevaluatie een andere uitkomst te hebben dan als dat niet zo is.

Tussen in control en in charge

Uiteindelijk is de vraag naar de mate van in control of in charge zijn een inschattingsvraag. Het antwoord hangt af van de vraag naar het onderling vertrouwen. Het is de moeite waard om dan niet te volstaan met verklaringen dat men elkaar zo aardig vindt en ‘zo goed aanvult.’ Mijn ervaring is dat er in bijna elke Raad van Toezicht wel verschil van inzicht is over de vraag op hoeveel afstand men van de bestuurder af moet zitten. Sommigen zijn daar heel strikt in en willen de bestuurder ook absoluut niet bij de zelfevaluatie hebben. Anderen vinden dat ze ‘niet voor niets toezichthouder zijn geworden’ en willen een intensief visiegesprek met de bestuurder.Een bestuurder die er juist absoluut bij moet zijn.
Juist in het kader van een zelfevaluatie is het interessant om het over een verschil van inzicht als dit te hebben. Eigenlijk is de enige manier om hier uit te komen, een gesprek over de inhoud. Dus de persoon die over de visie wil meepraten krijgt van mij in eerste instantie gelijk. De kunst is echter om de RvT leden in hun eigen stoel te laten blijven zitten, door ze uit te dagen vanuit hun netwerk en specifieke competenties te denken. Dat is tenslotte waarop ze zijn geselecteerd. Dan krijg je waarschijnlijk ook de vraag op tafel of de samenstelling van de RT wel de best mogelijke is en blijf je weg van de stoel van de bestuurder.
In mijn ervaring zijn er na zo’n discussie weinig leden van een RvT te vinden die echt op de stoel van de bestuurder willen zitten. Degene die op afstand wil blijven krijgt dus in tweede instantie gelijk. Wat ze aan het einde van een zelfevaluatie allemaal willen, is het gevoel gedeeld te hebben dat ze elkaar en de organisatie voldoende begrijpen om mee te bewegen en zo nodig bij te kunnen sturen. Dat is al heel wat.

Een nieuw evenwicht

Deze nogal serieus uitgevallen blog is geschreven in reactie op het doornemen van een aantal governance codes. Ik begrijp de intentie achter die codes, maar ik zie ze steeds minder als een goede basis voor de zelfevaluatie van een raad van toezicht, ook al staat in veel van die codes dat die zelfevaluatie er moet zijn. De codes zijn teveel gericht op wat mis kan gaan. Mis in de relatie met de bestuurder, mis in de onderlinge verhoudingen, mis als het gaat om beloningen, etc. Het is mijn persoonlijke veronderstelling dat daarmee buiten verhouding de aandacht op het intern functioneren van RvT en organisatie is komen te liggen, terwijl de situatie schreeuwt om aandacht voor wat er nieuw op de organisatie afkomt. Ik pleit voor een nieuw evenwicht. Het gaat er niet alleen om of de RvT in control is en er geen gekke dingen gebeuren. Het gaat er minstens zozeer om of de organisatie voldoende in charge is van haar eigen lot en of de RvT daar vanuit haar competenties een bijdrage aan levert.

  Peter Noordhoek

www.northedge.nl

Een selectie van codes in de (semi) publieke sector:

Algemeen:

Commissie Behoorlijk Bestuur (‘Commissie Halsema’), 2013, ‘Een lastig gesprek’

Commissie Frijns, 2009, ‘De Nederlandse corporate governance code’

Onderwijs:

Vo-Raad, 2011, ‘Code goed onderwijs bestuur’

Wonen:

VTW en Aedes, 2011, ‘Governancecode Woningcorporaties 2011’

Zorg:

Brancheorganisaties Zorg, 2010, ‘Zorgbrede Governancecode 2010’

Openbaar bestuur:

Ministerie van BZK, 2009, ‘Nederlandse code voor goed openbaar bestuur’

Cultuur:

Stichting Kunst & Zaken, 2006, ‘Code cultural governance: pas toe of leg uit’

Over Mona Lisa en andere onscherpe dingen

IMG_0628

Parijs is perfect. Tegen de tijd dat we vrijdagochtend aankomen op het Gare du Nord zijn de zware regenwolken verdwenen, om pas weer te verschijnen als we eind zondagmiddag vertrekken. Daar tussenin 25 graden en een Parijs dat tussen de herfstbladeren een zomerse kant in zichzelf herontdekt en met losse elegantie laat zien. Perfect, het hele weekend: perfect. En juist de onwaarschijnlijke kant ervan maakte dat we het dubbel beseften.
Ook de scherpe rand ervan: Loes en ik waren uitgenodigd om in Parijs bij vrienden op bezoek te komen. Vlak voor ons vertrek wilden wij hen telefonisch onze preciese tijd van aankomst doorgeven. De partner van onze gastheer vertelde ons beheerst maar gehaast dat onze gids en gastheer na een controle bezoek aan ziekenhuis daar moest blijven voor een spoedopname. Alle zorgen voor hen beiden komen dan samen met cliché’s over kwetsbaarheid naar boven, maar iets doen konden we niet. De realiteit is dan ook dat we ons weekend al geboekt hadden. Dan ga je en is alles perfect, maar staan we programmaloos bij de uitgang van Gare du Nord.

De default-positie voor het bezoeken van een cliché-stad als Parijs is het herbezoeken van de plaatsen die je al eerder hebt gezien. Dat is precies waar we schaamteloos toe besluiten. Opera, Champs Élysées, Montmartre, Quartier Latin, Père Lachaise – alles hebben we herbezocht, als een paartje dat zichzelf trakteert op al het lekkers uit de tijd dat je met een kever om de Arc de Triomphe scheurde. Al lopend is wel te zien dat de stad aan het veranderen is; de Afrikanisering, Aziatisering en al die dingen waardoor je denkt dat de Fransen geen eigendom van hun eigen stad meer hebben, maar ons maakt dat niet uit. De stad als smeltkroes werkt elektriserend. Tot aan een bezoek aan misschien wel het grootste Parijs cliché van allemaal: het Louvre en het bezoek aan de Mona Lisa.IMG_0634

We laten ons door de mensenmassa meenemen richting de grand colonnade waar eindeloze rijen schilderijen hangen. Het is teveel om goed op te nemen, maar tegelijk werkt het wel. Langs twee kanten. Kleurvlekken worden schilderijen, worden kroningen, worden bloed, slachtpartijen en hofmakerijen; de momentopname van ons wrede Europese verhaal. En ondertussen is het mensenkijken; uit alle landen, uit alle generaties. Velen in verfrommeld toeristenuniform, maar meer dan een paar mensen die een eigenzinnige kledingkeuze maken. De Japanners zijn het meest extreem inn hun keuzes, geen volk lijkt zich meer bevrijd te hebben van het uniform, maar ook de Chinezen zijn minder vormeloos dan vroeger. Prima.

Waar is de Mona Lisa? Daar is de Mona Lisa: achter een mensenmassa in een grote zijzaal van de colonnade. Het is te druk om direct door te lopen naar La Giaconda. We cirkelen om de massa heen tot we ter hoogte van het schilderij zijn. Ik werp er schuin een blik op en verlies prompt de belangstelling ervoor. ja, ik zie het schilderij, maar ik zie vooral de glasplaat waarachter de dame verscholen is en een houten barrière er pal onder die alles op afstand moet houden. Ik weet direct dat ik op deze manier geen contact kan maken met dit schilderij, met de glimlach. Meer word ik gefascineerd door een grote ring van mensen voor me. Velen van hen houden met twee handen hun camera omhoog, alsof ze aan het bidden zijn. Ze kijken strak vooruit, nemen een foto, zeggen niets, nemen nog een foto, staren, staren en smelten terug in de masse mensen achter hen. Fascinerend. Ik staar, breng mijn armen op bidhoogte, neem een foto van hen, nog een en nog een en staar. Niemand kijkt naar mij, niemand neemt een foto van mij. Na nog een foto smelt ik op mijn beurt weg uit de massa, zoek mijn vrouw en samen verlaten de zaal.

Betere lenzen dan nu hebben we nooit gehad, maar het is moeilijker dan ooit om afstanden te overbruggen. Meer lenzen dan nu hebben we nooit gehad, maar maar het is moeilijker dan ooit om nog iets te zien. We bidden met camera’s voor onze beroemdheden en fotograferen ons door het glas heen dat hen van ons scheidt, denkend dat we in pixels iets van hen kunnen vangen.

Grimmig geworden ga ik stil naast mijn vrouw door de rest van museum. Het is mooi, het is zielloos. In de giga grote ruimte onder de pyramide van Pi zie ik de mensenmassa’s krioelen en denk: dit is de overbevolking. Ik ga de trap op naar buiten, krijg de zon vol in het gezicht, voel de onwaarschijnlijke warmte en denk: dit is half oktober, dit is de opwarming van de aarde.
Dan word ik door een por in mijn zij uit mijn gedachten gehaald, voel een arm om mij heen, zie kinderen spelen, geliefden lachen, voel me zelf ook weer vrolijk worden, in het moment gaan. Het Parijse moment. Perfect Parijs.

Hierboven en hieronder enkele van mijn fotomomenten van perfect Parijs.

Peter Noordhoek

IMG_0627

IMG_0633

Louvre 1

IMG_0645

 

IMG_0623

IMG_0664

IMG_0694

IMG_0693

IMG_0659

IMG_0682

IMG_0703

IMG_0706

Vastvechters: de PvdA als ongemakkelijke buur van het CDA

PvdA en CDA zijn ongemakkelijke buren. In het boek ‘De vechtpartij’ beschrijft Thijs Niemantsverdriet de manisch-depressieve trekken van de PvdA. In een recensie van het tijdschrift CDV van oktober 2014 is onderstaande recensie geplaatst waarin ik de parallel tussen beide partijen trek. Met een naschrift omdat de afbraak van de PvdA tot op de dag van vandaag door lijkt te gaan. In de ogen van deze tegenstander niet terecht.

‘De vechtpartij’ van NRC-journalist Thijs Niemantsverdriet is een interessant boek, ook voor wie niet van vechten houdt. De cyclus van op- en ondergang van de PvdA wordt treffend beschreven. Ergens schrijft de auteur dat de partij heel goed is in het schrijven van vernietigende evaluatierapporten. Rapporten die extra lang leven door de briljante titels. De titel van dit boek laat een vergelijkbare brille zien, maar dan geschreven door een journalist die duidelijk sympathiek tegenover deze partij staat en zich tegelijk verwondert afvraagt wat de partij zichzelf nu weer weet aan te doen.

Met zoveel politieke boeken die de markt opkomen, waarom zou iemand met een CDA-achtergrond nu uitgerekend dit boek willen lezen? Allereerst omdat het een boeiend verslag is van een rit in een politieke achtbaan: omhoog met Den Uyl, omlaag met Den Uyl, omhoog met Kok, omlaag met Melkert, omhoog met Bos, omlaag met Cohen, omhoog met Samsom, omlaag met …
Maar er is natuurlijk een andere reden. Wat moeten ‘we’ met een partij met zoveel manisch-depressieve trekken? Schermafbeelding 2014-10-12 om 20.58.09

Een persoonlijke noot. Ik ben een man van het midden. Dat is zo erg, dat als iedereen linkse dingen gaat zeggen, ik geneigd ben rechts te gaan praten. Als iedereen rechts praat, ga ik naar links hangen. Dat laatste was het geval zo aan het einde van Balkenende III, in 2006. De partijtop zat merkbaar op een andere koers dan het partijkader. Ik maakte me er genoeg zorgen over om het niet langer vanzelfsprekend te vinden dat een volgend kabinet weer met de VVD zou zijn. Ik voelde wel voor samenwerking met de PvdA. Wat volgde was de meest bittere verkiezingsstrijd ooit tussen CDA en PvdA, met aan het slot een uitslag het onvermijdelijk maakte om met de PvdA te gaan regeren. Dan vergaat je bij voorbaat alle lust. Toch joeg dat geen schrik aan. Bij mij niet en naar ik merkte bij vele partijgenoten niet.

Het werd een ramp. De samenwerking was bizar slecht. Laten we eerst naar onszelf kijken. Te snel kwamen de scorelijstjes tevoorschijn. Als zij ons dit aandoen, dan wij hen dat. De politieke top heeft de omslag moeizamer gemaakt dan de partij. Een grotere wisseling in het team dan nu het geval was had wellicht geholpen. Tegelijk is de wijze waarop de PvdA met haar coalitiepartner omging alle perken te buiten. Het boek wijst denk ik terecht op de ondergewaardeerde rol die Marriëte Hamer heeft gespeeld om de relaties nog een beetje normaal te houden, met Pieter van Geel en Liesbeth Spies aan CDA-zijde, maar even zo goed was het bar en boos. Toen de PvdA in de persoon van Wouter Bos naar aanleiding van Irak vervolgens zelf de stekker er uit trok, was de verhouding tussen de partijen dan ook echt helemaal stuk. Ik zal niet de enige zijn geweest die zich verraden voelden in de coalitievoorkeur. Dat dus niet nog een keer. De breuk heeft er waarschijnlijk toe bijgedragen dat het CDA vervolgens in het trauma van de coalitie met de PVV is gestapt. Er was geen echte keuze meer.

***

Het is een breuk die doorwerkt tot op de dag van vandaag. En toch en toch, dit is Nederland. Democratische partijen horen samen te werken. Het belang om te weten hoe een andere partij in elkaar steekt is en blijft groot. Bovendien is het nu extra spannend: op het moment van schrijven heeft de PvdA nog slechts een zetel of 10 a 13 in de peilingen. Kan een partij zoiets overleven? Wat zegt dat over de kansen van het CDA?
Het boek geeft daar eigenlijk geen antwoord op. Als journalistiek verslag is het boek geslaagd. De opsommingen van ontwikkelingen heeft meerwaarde en maakt het niet erg dat voor de veel-lezers onder ons het meeste al bekend is. De analyse is echter matig. De vraag waarom de PvdA zo’n vechtpartij is wordt niet echt gegeven. Wellicht is dit omdat de invalshoek op een aantal punten te eenzijdig is.
Zo vind ik het een bezwaar dat het verhaal wordt opgebouwd vanuit het perspectief van leiders waarvan de meeste zichzelf de opdracht hebben gegeven om zich te onttrekken aan de cultuur van de partij. Zeker Kok en Bos probeerden zich boven het gewoel te houden door zo min mogelijk met de partij te maken te hebben. Dan krijg je in de beleving ook minder de volle laag dan als je het verhaal meer had gericht op de donderjagende lagere goden: daar gebeurde het vuile werk.

Als de PvdA-cultuur bijzonder is, dan is dat altijd in vergelijking met andere partijen. Korte karakteriseringen van de cultuur van de andere partijen zou daarom een nuttige toevoeging zijn geweest. In vergelijking met de PvdA kent het CDA bijvoorbeeld nog meer diversiteit, zowel door haar geschiedenis als fusiepartij als door haar (regionale) verscheidenheid[i]. Paradoxaal genoeg heeft dat als gevolg dat verschillen minder snel worden uitgesproken. De cultuur is gelijkmatiger, met omgangsvormen die sneller als ‘beleefd’ worden ervaren. Of als afstandelijk, vormelijk. Niet voor niets heeft elke partijvoorzitter ‘het versterken van het debat’ hoog op de wensenlijst staan. Dat meer onderhuidse is goed omdat het de samenwerking makkelijker maakt, het is slecht in de zin dat veel (te) lang onuitgesproken kan blijven. Het gevolg voor het CDA: een soort aan/uit bestaan, waarbij relatief lange periodes van stabiliteit worden afgewisseld met een val in het ravijn. Minder spannend tussentijds, maar uiteindelijk bijna net zo pijnlijk. Ondertussen verstoort de vechthouding van de PvdA het CDA onevenredig. Soms is het onvermijdelijk dat je de bus moet delen met een notoire ruziemaker, maar liever nog doe je een blokje om.

Of is dit weer teveel psychologie van de koude grond? Het is namelijk een gegeven dat op lokaal niveau PvdA en CDA elkaar doorgaans wel degelijk weten te vinden. Zonder vechtpartijen. De combinatie heeft in de meeste coalities goed gewerkt, beter dan met de VVD. Dit maakt dat er altijd druk van PvdA-wethouders zal zijn geweest om wel met het CDA coalities te sluiten, in een wethouderspartij niet onbelangrijk. Dat werkt nog steeds zo. Na de raadsverkiezingen van maart 2014 trekken beide partiSchermafbeelding 2014-10-12 om 20.58.23jen nog altijd in 88 van de colleges samen op[ii]. Omdat de PvdA nog slechts in 116 van de 350 colleges zit (tegen 259 voor het CDA) is het totaal geen fractie van wat het was, maar je kan niet zeggen dat er op raadsniveau spanningen zijn tussen beide partijen.
De fractie in de Tweede Kamer staat daar anders in. De beste verklaring die ik kan vinden staat opvallend genoeg niet in het boek genoemd: de Nacht van Schmelzer. De wortels daarvoor gaan ver terug. Vooral tussen de ‘rooien’ en de ‘paapsen’ is er na WOII altijd spanning geweest, met het bisschoppelijk mandement als dieptepunt en bron voor plaatsvervangende schaamte; lees er de biografie van Drees maar op na. Maar zo was er altijd wel reden voor spanning. Daartegenover stond dat er altijd wel kampioenen te vinden waren die de samenwerking zochten. Het is in de Nacht van Schmelzer dat de spanning tot scheuring leidt, waarbij door spin van pers en PvdA de schuld ten onrechte bij fractievoorzitter Schmelzer komt te liggen[iii]. Het lijkt aan PvdA-zijde de bron voor een ‘doorgegeven (fractie) cultuur’. Daarna komt het niet meer echt goed. De scepsis aan PvdA-zijde over de samenwerking in CDA-verband werkt averechts en versnelt de oprichting. Het tijdperk van de onverenigbare humeuren van Den Uyl en Van Agt maakt de wonde dieper en de ‘we kunnen er niet onderuit’-kabinetten Lubbers III en Balkenende IV lijken richting een onwerkbare, vast-vechtende relatie te wijzen. En toch blijft de kans aanwezig dat er ooit weer een nieuw verstandshuwelijk wordt gesloten.

***

De PvdA-top heeft in de ogen van Niemantsverdriet sterk de neiging om regeren tot allesoverheersend doel te maken – en soms niet alleen de top, gelet op een peiling van De Hond waaruit zou blijken dat 91% van de gepeilde PvdA’ers er voor plet om de rit van het kabinet uit te zitten en niet voortijdig te breken[iv]. Het zijn machtsdenkers, geen gun-denkers. Er zijn genoeg geschiedschrijvingen die ervan getuigen dat de top van het CDA niet anders is – tot nu toe. Ik heb de hoop dat met de keuze van de huidige CDA-fractie om buiten de gedoogconstructie te blijven de basis wordt gelegd voor een meer autonome houding. Daarbij valt op dat de PvdA wel erg geneigd is om met de redenering mee te gaan waarin de keuze van de persoon alles kan worden opgelost. Niemantsverdiet noemt dit het ‘messias-complex’ van de PvdA en houdt die verslaving ook wel in stand door het hele verhaal op te hangen aan de topmannen. Binnen het CDA zal het niet snel dezelfde naam krijgen, maar ook deze partij ontkomt er niet altijd aan. De kans om er aan onderdoor te gaan is echter kleiner. De diversiteit van deze partij stabiliseert haar ook. Nog steeds moeten alle geledingen zich kunnen herkennen in hun leider. Wie in deze partij leiding wil geven zal veel meer met de biotoop van de partij verbonden moeten blijven.

De analyse van Niemantsverdriet richt zich vooral op de vraag of de PvdA een opkomende SP kan overleven. Elke keer als de PvdA een forse nederlaag lijdt is het de lager opgeleide onderlaag van de partij die wegloopt. Die laag is even in de oude partij terug gestapt in 2012, maar lijkt inmiddels al weer terug in haar nu natuurlijke basis: de SP. De vraag is al beantwoord: nee, de PvdA verliest die strijd. Maar er is meer aan de hand dan de directe concurrentie van de SP. Wat tot nu toe stabiel was is de PvdA als ‘doctorandussenpartij’. Sympathieker: de partij met veel progressieve denkkracht. Met de raadsverkiezingen zie je nu dat een belangrijk deel is overgestapt naar D66, een partij die in veel opzichten de derde weg vertegenwoordigd van Wouter Bos. D66 is een partij die meer flipflops gekend heeft dan de PvdA en ook haar Messias-complex kent, maar die met deze nieuwe inbreng wel eens zou kunnen stabiliseren als partij van de hoogopgeleiden. De PvdA wordt dan een soort romppartij zonder hoofd en benen. Niet erg aantrekkelijk voor de politieke leiders van de toekomst. Tegelijk: onderschat nooit de taaiheid van het bestaande.

***

Net als andere oude merken zijn partijnamen erg waardevast. De vraag is hoe ze opnieuw kunnen worden geladen. Als kiezers vertrekken en kader vergrijst, wat is er dan nog dat blijft? Dit raakt iets wat Niemansverdriet voor de PvdA wel heel goed beschrijft, maar niet echt duidt: de ideologische factor. Boeiend en nauwgezet beschrijft hij de wordingsgeschiedenis van Wim Koks speech waarin de partij haar ‘ideologische veren’ zou verliezen. Kennelijk is Bram Peper hier een goede bron voor geweest. Hij laat ook zien hoe deze speech in feite een niet-verwacht ‘succes’ was en na het doodlopen van de derde weg een blok aan het been van de partij werd. Pas in de aanloop van de verkiezingen van 2012 is echt afstand van deze speech genomen – om prompt geschakeld te worden aan de ideologische tegenpool, de VVD. De tijd is te kort geweest voor een nieuw verhaal.
De kern van een oude partij als de PvdA is een emancipatorische opdracht: ervoor vechten dat u en uw kinderen het beter krijgen. De grote vraag is waar nu voor gevochten moet worden. Voorafgaande aan het kaartspel met de VVD was Samsom c.s. wel degelijk bezig een nieuwe lading aan die boodschap te geven, met opvallend sterk christendemocratische trekken. Na de kaartruil is er weinig meer van gehoord. Nu komt er een nieuw element op het toneel in de vorm van het boek van Piketty[v]. Inkomensongelijkheid komt er weer prominent mee op de politieke agenda te staan. Welke socialistische partij kan dat negeren? Maar pas op. Piketty gaat bovenal over de spanning tussen vermogensgroei en inkomensgroei. Tegen wie moet er in Nederland concreet gevochten worden als het gaat om het bestrijden van de ongelijkheid in een land waar ongelijkheid anders is verdeeld dan in de meeste statistieken van Piketty? De ideologische veren zullen nog wel een paar keer bijgekleurd moet worden voordat de haan ze weer trots kan dragen.

Eén ding weet ik wel. Zolang de vechtpartij het strijden om principes verwart met het strijden op de man, wordt het niets. Leer iets van een andere gemankeerde partij, richt je op de boodschap en gun elkaar wat.

***

NASCHRIFT: op de dag dat deze blog wordt gepubliceerd is de PvdA weer volop negatief in het nieuws. Den Haag en Friesland laten een evaluatie verschijnen (opvallend genoeg moeten de titels van de evaluatie nog doordringen in de berichten), het programma Brandpunt publiceert de zoveelste enquete. Waar komt die op neer? De PvdA is verwijderd van de basis, de PvdA heeft beleid dat niet begrepen wordt, etc., etc. Nogmaals, de PvdA is mijn partij niet, maar het is niet de partij die hier fout zit, maar een achterban die niet ziet of wilt zien wat er gebeurd. je kan zeggen dat ze niet anders kunnen gegeven de coalitie. Je kan zeggen dat ze electoraal dom bezig zijn. Toch heb ik groot respect voor de wijze waarop de PvdA doorzet (al mag het best nog wat meer naar het midden 🙂 ).
Dit weekend las ik het laatste deel van de biografie van Drees[vi] uit. De auteurs Daalder en Gaemers staan uitgebreid stil bij het toch erg bijzondere gegeven dat Drees op 86-jarige leefttijd zijn lidmaatschap opzegt. Dat is voor de kranige man een hele grote stap geweest, waarbij hij met hoon overladen is – de PvdA vechtcultuur in haar meest misselijkmakende vorm. Drees zette die stap niet zomaar. Hij hanteerde vaste principes en handelde ernaar. Een waar Staatsman, met een hoofdletter. Ik ben er van overtuigd dat hij als nu nog zou leven, hij weer lid van de PvdA zou zijn.

NB Het oktobernummer van het tijdschrift CDV wordt van harte aanbevolen en niet alleen vanwege deze recensie. Het thema is ‘big data’ en wat daarover geschreven wordt is zeer behartigenswaardig. zie ook mijn blog uit augustus van dit jaar.

Peter Noordhoek

[i] Frank van den Heuvel en Peter Noordhoek – CDA moet kleur van de omgeving aannemen. Trouw, 19 maart 2014.

[ii] NRC, 30 mei 2014.

[iii] Voor een scherp beeld: 1) Regeren zonder rood. Het kabinet-De Quay 1959-1963. Parlementaire geschiedenis van Nederland na 1945. Deel 7. Onder redactie van J.W. Brouwer en J. Ramakers. Boom, Amsterdam, 2007 en 2) Rondom de Nacht van Schmelzer. De kabinetten-Marijnen, -Cals en –Zijlstra 1963 – 1967. Parlementaire geschiedenis van Nederland na 1945. Deel 8. Onder redactie van P. Van der Heiden en A. Van Kessel. Boom, Amsterdam, 2010.

[iv] Peil.nl. Peiling 8 juni 2014.

[v] Thomas Piketty – Le Capital au XXIe siècle, 2013.

[vi] Hans Daalder en Jelle Gaemers – Willem Drees 1886- 1988. De jaren 1948 – 1988. Premier en elder statesman. Uitgeverij Balans, 2014.

Toezicht, bedrijfsleven en een halve dialoog

Op donderdag 2 oktober jl. werd een bijeenkomst gehouden waarbij VNO-NCW, MKB-Nederland en LTO-Nederland  een ‘aanbod aan het kabinet’ deden voor ‘een gezamenlijk actieprogramma, gericht op een beter, slimmer en efficiënter toezicht’*. Op een vijftal terreinen wordt de diepte ingegaan en gekeken waar de relatie tussen publiek toezicht en private verantwoordelijkheid beter kan.
Dit is een belangrijk initiatief. Het aanbod van de werkgevers bevat veel goede voorbeelden en spelregels en de aanwezigheid op hoog niveau van de zijde van kabinet en toezichthouders gaf ook aan dat zij het serieus nemen. Waarom heb ik dan voorafgaand aan de bijeenkomst getwitterd dat de bijeenkomst geen doorbraak zou opleveren en hou ik dit na afloop helaas staande?

Werkgevers en toezichthouders begonnen goed aan de bijeenkomst. Het eerste wat Hans de Boer, voorzitter VNO-NCW zo’n beetje zei, was dat als er geen toezicht zou zijn, de werkgevers er om zouden vragen. Het eerste wat Jenny Thunissen namens het Inspectieberaad zei, was dat ze de eerste zullen zijn om te zeggen dat ze het beter kan. Geen verkeerde start, al begonnen beide direct daarna met een soort rollenspel.
De werkgeversman rolde zijn verhaal over toezicht direct door in een klassiek en weinig inspirerend pleidooi voor minder regelgeving. Ik ben zelf werkgever, maar ik mis de zelfreflectie bij de werkgevers dat heel veel regelgeving en falend toezicht het gevolg is van verkeerde keuzes en falend intern toezicht in werkgeversland. De verantwoordelijkheid wordt zodra het kan weer weggerold en dan begrijp ik de overheden heel goed die dat niet laten gebeuren, want zij worden er in de media en politiek op aangesproken.
De toezichtmevrouw begon even klassiek over rolzuiverheid. Zo kon er natuurlijk niet tegelijkertijd door de werkgevers met beleid en toezicht worden gesproken. Bovendien: de toezichthouder voert slechts uit. Bij problemen moet u bij de wetgever zijn. Ik chargeer een beetje, maar niet veel.

Tot wat voor patstelling een rollenspel als dit kan leiden, werd navrant duidelijk bij de discussie met de zaal. Een gejoel ging op toen Robert Mul zich namens de branche van de accountants voorstelde. Wouke van Scherrenburg, de dagvoorzitter, zei: “Nou, u bent moedig!”. Mul liet het rustig van zijn schouders afglijden en kwam met een voorbeeld uit de zorg. Daar moeten de accountants die de cijfers van de ziekenhuizen controleren in veel gevallen nu eigenlijk een goed keurende verklaring onthouden. Dat zullen ze ook doen, zo zei hij, maar de kern van het probleem is dat de zorg bij ziekenhuizen zo complex is geworden dat het de zorginstellingen nauwelijks te verwijten valt dat ze de cijfers niet meer op orde krijgen. Dan kan de accountant zich achter de normen van het vak terugtrekken, maar eigenlijk willen we vooral het signaal afgeven: mensen, de zorg wordt onbeheersbaar. Robert Mul kreeg de zaal daarmee stil. Hier gaat het dus om: omgaan met complexiteit en dat is een probleem voor alle partijen.

In het forum was het de vertegenwoordiger van de WRR, professor Arnoud Boot, die dit rollenspel tegelijk accentueerde en ontmaskerde: ‘zullen we afspraken het nooit meer over samenwerking te hebben? Zullen we dat woord nooit meer gebruiken?’ Het was vooral bedoeld als een kat richting de DNB, maar daarmee bevestigde hij nog eens de afstand die er zou moeten zijn tussen de toezichthouder en toezichtobject. Iemand gebruikte daarna het woord ‘dialoog’ en dat mocht kennelijk wel, want dat was daarna de standaardterm. Maar deze geslaagde worsteling met de semantiek verhulde alleen maar dat het actieplan waar we het die ochtend over zouden moeten hebben nogal naar de achtergrond verdween. Dit zijn de vertrekpunten voor goed toezicht zoals die ter discussie stonden en waar inhoudelijk zo weinig over is gezegd dat ik ze hier graag alsnog opsom:

  1. overheidstoezicht en private opties worden onvoldoende in samenhang gezien
  2. er is een kloof tussen ondernemerspraktijk en regelgeving en -toezicht
  3. het toezicht is te versnipperd
  4. bedrijven moesten steeds meer betalen voor toezicht
  5. verplichte certificering en privaat toezicht brengen risico’s met zich mee

Stuk voor stuk thema’s waarvan ik denk: eindelijk, we hebben het er over. De daaraan gekoppelde vuistregels voor maatschappelijke checks and balances’ zijn nuchter genoeg om logisch te zijn in de ogen van zowel bedrijfsleven als overheid. Uit ervaring weet ik echter dat het om hele complexe materie gaat. Dat is niet een kwestie van wat werkgroepjes en vergaderingen. Als je hier op armslengte induikt krijg je aan het einde niets anders dan ellebogenwerk.

Als je hier op armslengte induikt krijg je aan het einde niets anders dan ellebogenwerk

Mede gebaseerd op een ‘toezichtmatrix’ zoals ontwikkeld door enkele fellows van de NSOB** wordt nu dus op vijf terreinen – chemie, logistiek, financiële sector, horeca en uitzendwezen – de diepte ingegaan. De matrix van de NSOB is niet verkeerd. vergelijkbare matrixen zijn ook in mijn eigen boek*** te vinden, maar ik heb wel geleerd dat die matrixen weinig waard zijn zonder ook goed in beeld te brengen bij wie de urgentie leeft om echt wat te doen veranderen. Als je dan alles weegt, maakt ik mij zorgen over twee punten.

Ten eerste: zijn de ondernemers en hun branche echt in staat en bereid om werk te maken van het aanspreken van de eigen leden? In de afgelopen periode, en wat besmuikt ook afgelopen donderdag, hebben de nodige branches aangegeven dat ze daar eigenlijk niet voldoende toe in staat zijn. Enkele daarvan zijn geneigd de overheid te vragen het toezicht voor hun rekening te nemen, bijvoorbeeld via een wettelijk verplicht certificeringsstelsel. Dat gaat waarschijnlijk niet werken en wekt ook weinig vertrouwen. Een sterkere onafhankelijkheid van het intern toezicht dan nu het geval is kan dan helpen, maar het moet vooral slimmer, moderner en meer gericht zijn op het vinden van prikkels om de ondernemer überhaupt niet in de verleiding te brengen de grenzen van de regels te zoeken.

Ten tweede: de toezichthouders zijn op een gevaarlijke manier bezig zich terug te trekken in hun eigen wettelijke opdracht en eigen gelijk. Teveel toezichthouders doen net alsof er geen grijze zones meer zijn in het toepassen van de wet. Veel toezichthouders kijken neer op de wijze waarop bedrijven hun certificering of intern toezicht hebben geregeld en willen niet zien dat de eigen werkwijze wel degelijk verstarrend werkt op bedrijven en economie. De werkgevers komen zeker niet voor niets met dit initiatief, maar de toezichthouders doen niet veel meer dan het probleem terugleggen bij bedrijven of politiek. Je kan, zoals steeds meer het geval lijkt te zijn, de ISO-normatiek en zeker de ISO 9000 serie, wel afwijzen als ondeugdelijk en daar kan ik mij nog iets bij voorstellen ook, maar waar is de verantwoordelijkheid van de toezichthouders dan voor een alternatief?

De situatie doet me denken aan een second opinion die ik ooit mocht doen op de vraag of er een inspectie voor het volledige domein van Verkeer en Waterstaat moest komen. In de ‘OR’ van de toenmalige scheepvaartinspectie sprak ik met een oude zeebonk die ooit de overstap naar de inspectie had gemaakt (‘Ik wilde wat vaker op de wal zijn, jongen’). Die inspecteur liep over het schip, sprak met zijn oud-collega en over het algemeen was dat volgens hem genoeg om het schip de noodzakelijke maatregelen te laten nemen. Hij was heel kritisch over de ‘jonge honden die direct van school komen, maar niets van het vak snappen’. Toen hij de voorbeelden van onkunde opsomde, schrok ik wel even. Maar waarom denkt u dan dit gebeurt?, zo vroeg ik. En toen trok hij het boetekleed aan. Het kwam er op neer dat hij zei dat ze de kring te klein hielden. Nooit spraken ze met de mensen van beleid en de politiek was al helemaal ver weg. We zagen de ontwikkelingen niet goed of we zagen ze te laat, zei hij, maar de grootste fout was dat wat we niet doorgaven wat we wel zagen. We zagen het grotere plaatje nooit of wilden dat niet zien. Hij was dus ook voor de nieuwe inspectie.

Er is sinds die tijd veel geleerd in toezichtland. De zeebonk die nu als inspecteur aan de wal zou komen, zal heel wat bijleren en niet meer zo innig met z’n oude collega’s omgaan. Toch is zijn basisinstinct en zijn analyse van wat er mis ging in de communicatie juist.
ik krijg kramp van alle geforceerde pogingen om de schijn van objectiviteit op te houden terwijl alles alleen maar meer hybride wordt. Ik ben het niet met Boot eens dat het woord ‘samenwerken’ uit den boze is. Samenwerken is geboden willen we tot alternatieven voor het falen van nu komen. Welk alternatief? Mijn suggestie: volwassen met elkaar omgaan.

Peter Noordhoek

www.northedge.nl

* VNO-NCW, MKB Nederland, LTO Nederland – Actieplan aan tafel. Samen naar een beter, slimmer en efficiënter toezicht. Den Haag, oktober 2014.

** zie www.toezichtmatrix.nl

*** D.P. Noordhoek – Branchebrede kwaliteit. Beweging brengen in het kwaliteitsbeeld van branches, sectoren en beroepsorganisaties. VM Uitgevers, 2011.

 


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek