Maandelijks archief: augustus 2014

Piketty en de vernieuwing van onze instituten

“Als het gaat om het organiseren van collectieve besluiten zijn de markt en de stembus slechts twee extremen. Nieuwe vormen van participatie en governance moeten dringend ontwikkeld worden.” (Thomas Piketty. Capital in the Twenty-First Century, p.569)

Beeld van een boek

Amazon geeft in de kern niets om onze privacy. Dat is ergerlijk, maar levert soms ook een aardige statistiek op. Zo kan het bedrijf op basis van het gebruik van hun e-reader Kindle zien dat degenen die Thomas Piketty’s boek[i] over ‘Kapitaal in de 21e eeuw’ hebben gedownload gemiddeld niet verder komen dan bladzijde 33 van deze dikke pil van bijna 700 bladzijden. Laten we het er op houden dat voor veel mensen de zomervakantie te kort is geweest om langer te lezen in dit belangrijke boek. Ze blijven, net als de meeste geïnteresseerde lezers, voor hun mening vooral afhankelijk van de vele blogs en artikelen die over het boek zijn verschenen. Uit die teksten komt dit – bewust en onbewust versimpelde – beeld naar voren:

  • Piketty betrekt op basis van meerjarig onderzoek de stelling dat de groei van kapitaal sneller gaat dan de groei van inkomen uit arbeid (‘interest versus growth’);
  • Dat is lang niet zo geweest, maar nu zie je dat een kleine groep over veel vermogen beschikt en een veel grotere groep over steeds minder. Met andere woorden: er is sprake van toenemende inkomensongelijkheid. Iets duurder gezegd: de divergentie tussen de twee hoofdbronnen van geld neemt toe, de convergentie neemt af;
  • Piketty ontleent zijn inzichten uit het langdurig volgen van belastingstromen in een beperkt aantal landen, vooral de VS en Frankrijk;
  • Om iets aan de toenemende spanning te doen, komt hij ook met een fiscaal voorstel: een hogere belasting voor de hogere inkomsten;
  • PS Piketty is een prominent socialist.

Eerherstel voor politiek-economische studies

Ik weet niet wat het over de lengte van mijn vakantie zegt of hoe ik die doorbreng, maar ik ben een stuk verder gekomen dan bladzijde 33 en daar ben ik blij mee. De wijze waarop hij zijn argumentatie opbouwt doet er toe. In het gebruik van historische fiscale data maakt hij duidelijk voort te bouwen op eerder onderzoek en tegelijk een nieuwe grote stap te zetten in het onderzoek naar inkomensverschillen en de oorzaken ervan. Wat onder meer aanspreekt is dat hij stelt dat historisch onderzoek als dit een grotere plaats zou moeten krijgen binnen de economische wetenschap, een economische wetenschap die nu teveel vertrouwt op een theoretische, modelmatige manier van redeneren. Hij pleit nadrukkelijk voor een herstel van de ‘politiek-economische’ benadering.

Een andere bron van groei

Tegelijk is zijn bronmateriaal en de manier waarop hij er mee om is gegaan ook zijn grootste valkuil. Met belastingen als bron en een belasting als oplossing heeft Piketty de lezer en zichzelf afgeleid van observaties die uiteindelijk interessanter zijn. Dat geldt in het bijzonder voor de verbinding die hij legt tussen kennisverspreiding en institutionele vernieuwing.

Dat start bij de vraag wat er toe kan leiden dat de groei van het inkomen stijgt. Hij is daar eigenlijk heel eenduidig in: de verspreiding van kennis. Onderwijs dus en dan zo dat het kennisniveau zich zowel in de diepte als in de breedte door de samenleving verspreid. Emancipatie via kennisvermeerdering, in mijn eigen woorden. Het is een open deur, maar ik ben blij dat Piketty er doorheen gaat. De periode van convergentie zoals die na de Tweede Wereldoorlog mee hebben gemaakt en die we nu achter de rug lijken te hebben, is gepaard gegaan met een enorme stijging in het opleidingsniveau door alle segmenten van de samenleving heen.
Piketty verbindt de stijging van het onderwijsniveau met een aantal factoren. Het sleutelargument aan het einde van het inleidende deel van zijn boek (p. 79) is volgens mij dit:

“To sum up, historical experience suggests that the principal mechanism for convergence at the international as well as the domestic level is the diffusion of knowledge. In other words, the poor catch up with the rich to the extent that they achieve the same level of technological know-how, skill and education, not by becoming the property of the wealthy. The diffusion of knowledge is not like manna from heaven: it is often hastened by international openness and trade. … Above all, knowledge diffusion depends on a country’s ability to mobilize financing as well as institutions that encourage large-scale investment in education and training of the population while guaranteeing a stable legal framework that various economic actors can reliably count on.” (Piketty, p. 71)

Speculeren op vernieuwing

Piketty slaagt er helaas niet in om deze lijn van redenering op hetzelfde niveau te valideren als zijn andere stellingen. Op een gegeven moment verwijst hij naar beschikbare data over de correlatie tussen onderwijs en verdienvermogen. Hij stelt kort dat arbeidsmobiliteit en verdienvermogen lijken te correleren en dat in de afgelopen jaren deze mobiliteit zou zijn afgenomen, suggererend dat dit een onderbouwing is van zijn premisse van afnemend verdienvermogen (Piketty, p. 485). Het weerhoudt hem er niet van in zijn slothoofdstukken te speculeren dat er institutionele antwoorden zullen komen op de uitdaging om meer groei te krijgen die uitgaan van ‘gedecentraliseerde en participatieve vormen van organisaties’, samen met innovatieve overheidsvormen. In ieder geval zegt hij – in afwachting van de Nederlandse vertaling nog een keer in het Engels – het volgende:

“The very notion of public sector” is in any case reductive: the fact that a service is publicly financed does not mean that it is produced directly employed by the state or other public entities. In education and health, services are provided by many kind of organizations, including foundations and associations, which are in fact intermediate forms between the state and private enterprise. All told, education and health account for 20% of employment and GDP in the developed economies, which is more than all sectors of industry combined. This way of organizing production is durable and universal. (…) It is perfectly possible that such intermediary forms will become more common in the future.” (p. 483)

Belofte en beperkingen

Hoewel Piketty dit zeker niet als eerste schrijft, werd ik al lezend toch een beetje opgewonden, want vanuit mijn belangstelling voor de rol van branche- en beroepsverenigingen[ii] denk ik dat hij hier inderdaad wat te pakken heeft. De rol van het ‘vormend’ onderwijs is genoegzaam bekend. Daar moet ook vernieuwd worden, maar er mag m.i. meer verwacht worden van de vernieuwingen die er nu in moderne netwerkeconomie komen voor en door vakverbanden. Hoe mooi zou het niet zijn als we via Piketty een nieuwe impuls kunnen krijgen voor de discussie hoe we het beste de welvaartsgroei omhoog kunnen krijgen?

Piketty biedt uiteindelijk te weinig aangrijpingspunten. Naast de smalheid van zijn fiscale basis, schuilt dat ook in zijn keuze van de landen die hij voor zijn dataverzameling heeft gebruikt: bovenal de Verenigde Staten en Frankrijks, daarnaast Groot-Brittannië en Duitsland. Het is niet moeilijk om te constateren dat, op wellicht Duitsland na, de genoemde landen een behoorlijk sterke publiek – private dichotomie kennen. Er is in ieder geval geen sprake van de logische rol voor een maatschappelijk middenveld zoals wij die in Nederland kennen. Zouden we hier geen toegepast onderzoek kunnen doen, historisch of anderszins?

Onderzoek naar instituten elders

Nogmaals, nieuw is dit niet, maar deze institutionele invalshoek is wel onderbelicht gebleven in de reacties op zijn werk, althans tot deze augustusmaand. Letterlijk op het moment dat ik met een (Engelse) versie van deze tekst bezig ben, zie ik een artikel van Daron Acemoglu and James A. Robinson [iii] langskomen dat juist dit institutionele punt op indrukwekkende wijze oppakt.

De kern van de kritiek van beide hoogleraren is gericht op de in hun ogen steeds weer falende pretentie om vanuit universele wetten een samenleving te modelleren, iets waar Piketty zich ook schuldig aan maakt (en toch denk ik dat het goed is dat van tijd tot tijd te doen. Piketty relativeert zijn eigen bevindingen voldoende, PN). Acemoglu en Robinson stellen dat dergelijke modellen telkens falen omdat ze “de centrale rol van politieke en economische instituten steeds weer negeren in hun vormgevende rol als het gaat om de mogelijkheden voor technologische ontwikkelingen en de verdeling van hulpbronnen in de samenleving”. Piketty formuleert de trends van stijgend vermogen uit kapitaal en die uit arbeid teveel als tegengesteld in hun ogen. Uit hun samenvatting bij het begin van het artikel:

“ .. the focus on the share of top incomes gives a misleading characterization of the key determinants of societal inequality, but also that inequality dynamics are closely linked to institutional factors and their endogenous evolution, much more than the forces emphasized in Pikettyís book, such as the gap between the interest rate and the growth rate.”

Het wordt, zeker voor de door mij gewenste vergelijking, echt interessant als ze dat gaan toelichten aan de hand van een vergelijking tussen Zweden en Zuid-Afrika. Kort door de bocht: Zweden zou dan laten zien dat deze inderdaad naast elkaar kunnen bestaan, waarbij de institutionele factoren doorslaggevend zijn.

Nog niet klaar

Wat Acemoglu en Robinson doen gaat dus ver in de richting van het noodzakelijke onderzoek naar de rol van instituties zoals dat gedaan moet worden. In termen van methodologie ligt het straatlengtes voor op alles wat ik zelf kan doen of anderen naar aanleiding van Piketty heb zien doen. Toch was ik na afloop van (her)lezing enigszins teleurgesteld over hun bijdrage. Het was een nadrukkelijk macro-economisch onderzoek, gedaan op basis van beschikbaar macro-economische gegevens. In theorievorming en modelopbouw precies een voorbeeld van de wat ivoren toren achtig wijze van onderzoeken waar Piketty zich tegen afzet. Het levert in dit geval wel degelijk voortschrijdend inzicht op, maar dichter bij de vraag wat het effect van instituten en de vernieuwing ervan op het kennisniveau is komt het niet, vooral niet als het wil laten zien welke rol institutionele vernieuwing concreet vermag.

Onderzoeksvragen voor Nederland

Wellicht valt dat ook niet zo snel te verwachten. In de afgelopen drie jaar heb ik naarstig getracht empirisch zicht te krijgen op kwalitatieve en kwantitatieve informatie over het Nederlandse stelsel van branche- en beroepsverenigingen. Dat is me niet meegevallen. Het CBS houdt geen cijfers bij, Pyttersen’s Almanak is er mee gestopt, SER noch VNO-NCW houden data bij, onderzoeksbureaus beperken zich tot deelverzamelingen. Dat de verschuivingen in verenigingsland groot zijn laat zich raden, maar veel zekerheid daarover hebben we niet. Wat branches aan vakopleidingen (vocational training) is beperkt inzichtelijk, wat beroepsverenigingen doen wordt alleen per sector bijgehouden. Het beeld is bij deze laatste is er een van verouderde dagdeeltellingen (PE-punten). Natuurlijk ontbreekt het niet aan brancheonderzoeken. Geen bank kan zonder. Steeds zijn dan de bedrijven zelf het voorwerp van onderzoek en uitspraken, niet de wijze waarop verenigingen en koepels aan kennis bevordering doen – en naar welke nieuwe vormen ze aan het toegroeien zijn.

Een agenda en verder

Kortom, er is werk aan de winkel. Piketty heeft veel losgemaakt met zijn meest boude stellingen. Mede door zijn politieke achtergrond lijkt het er op dat hij op veel plaatsen al wordt weggezet als te ideologisch. Ik ben allesbehalve een socialist, maar ik denk dat zijn inzichten dat lot niet verdienen. Wel meen ik dat de meerwaarde van zijn onderzoek uiteindelijk meer in het opnieuw op de agenda zetten van kennisverspreiding hoort te zitten dan in een heropvoering van de discussie over inkomensongelijkheid.

Peter Noordhoek

 

www.northedge.nl

An English version of this text is available.

[i] Thomas Piketty – Capital in the Twenty-First Century. The Bellknap Press of Harvard University Press. Cambridge, Massachusetts, 2014, plus digital resources.

[ii] Peter Noordhoek – Branchebrede kwaliteit. Beweging brengen in het kwaliteitsbeeld van branches, sectoren en beroepsverenigingen. VM Uitgevers, Lelystad, 2011.

[iii] Daron Acemoglu and James A. Robinson – The Rise and Fall of General Laws of Capitalism. MIT / Harvard University, August 2014: http://economics.mit.edu/files/9834

Big data voor kleine gebruikers. Les 2 van ASAE, Nashville

Eerder schreef ik over de internationalisering van verenigingen. Hier gaat het over de impact van een nieuw fenomeen: big data. Big data lijkt nu vooral iets voor grote bedrijven en instellingen, maar eigenlijk zijn het vooral de kleine organisaties en verenigingen die er het meeste bij te winnen hebben. Als, als. Pas op: een wat langere blog.

Verdere professionalisering van verenigingen

In Nashville kwamen zo’n 6000 verenigingsbestuurders- en managers bij elkaar om het te hebben over het ‘vak’ van het leiden van verenigingen, alles in het kader van de American Society for Association Executives (ASAE). Zeker de Amerikanen zien verenigingsmanagement als een vak. De leidinggevenden van verenigingen zijn doorgaans gecertificeerd als CAO: Chief Association Executive. De complexiteit van het werk van verenigingen neemt dan ook toe. Tegelijk is te zien dat zich bij verenigingen overal vergelijkbare opgaven aandienen. Professionalisering is het gevolg. Of dat een goede ontwikkeling is, is voer voor een andere blog. Het is wel een feit dat die professionalisering snel gaat. Daarmee is een congres van die professionals ook interessant voor tal van leveranciers. In een vorige blog heb ik al iets gezegd over het belang ervan voor de hotel- en evenementensector. Relatief de grootste opkomst kwam dit jaar echter van de kant van de IT-bedrijven. De automatisering van het verenigings- en congreswerk gaat nu echt ver en kan steeds beter op maat worden gemaakt via apps en andere hulpmiddelen. En daarbij hebben alle leveranciers het over dit: big data.

Big data: alles wat niet hanteerbaar is

De verenigingsmanagers hebben het er zelf ook over, maar dan wat anders. Voorzichtiger. Een aantal sessies van deelnemers handelde ook over de vraag of het verhaal van big data wel klein te maken valt voor verenigingen die nog altijd relatief ‘small’ zijn qua aantal medewerkers en middelen.

In een van de betere sessies werd met enig cynisme deze definitie van big data geciteerd: ‘Het gaat om gegevens die te groot en te complex zijn om op conventionele manier te worden bnut Schermafbeelding 2014-08-18 om 09.42.44of opgeslagen’ (Gartner, 2011) Waarmee dus vooral wordt gezegd wat het niet is, plus: dat het niet op de gewone wijze hanteerbaar is. Vervolgens werd de doodsteek gegeven aan de discussie door een plaatje te laten zien van alle bronnen voor big data. Allemaal heel indrukwekkend en wat moet je dan vervolgens als simpele verenigingsmanager nog mee? 

Geen wonder dat bijna elke discussie over wat het is zich telkens weer versmald tot de functie die google heeft om advertenties op individuele maat te maken. U weet wel: het fenomeen dat je langs bijvoorbeeld een buitenlandse website komt en je aan de zijkant een oproep ziet voor een vakantiereis naar de zon van een Nederlandse reisorganisatie. Wissel die reisorganisatie in voor een oproep voor het congres van je club en je weet welke kant het op kan gaan. Het algoritme van Google zorgt voor de rest.

Toch is dit niet het aspect van big data waar we ons het meeste druk over zouden moeten maken: gewoon doen. Veel verenigingen beheersen dit kunstje al staan genoeg commerciële partijen klaar om te helpen. Het is in ieder geval een te kleine basis voor een big data discussie.

De goede volgorde

Wat moet het dan wel zijn? Wat ik mij uit de discussies is bijgebleven, is in ieder geval dit:

  • het is een strategie om dichter bij de leden en de klanten van die leden te komen;
  • het is een tactiek om zo dichter bij die leden te komen dat ze het gevoel krijgen dat ze individueel, op maat, worden bediend via het totaal van digitale kanalen;
  • het is een methode om uit grote hoeveelheid data datgene te halen wat voor die leden en hun klanten inhoudelijk relevant is; zeg maar de ‘methode-Google’.

Doorgaans start de discussie over big data bij dit laatste. Dat is niet onlogisch. De orde van grootte van de informatie zoals die ons nu ter beschikking staat is namelijk zoveel groter dan voorheen. Dat is dus het ‘nieuwe’. In de meeste gevallen is het toch beter om aan de strategische kant te beginnen. Doe je dat niet, dan ga je in de uitleg al snel naar een voorbeeld zoeken en kom je weer bij de algoritmes van Mr Google terecht. Dat helpt niet.

Strategisch zoeken naar wat je niet weet

Waarom het op strategisch niveau brengen? Om geen andere reden dan dat de vereniging dan gedwongen wordt na te denken over welke informatie ze wel of niet aan haar leden wil doorgeven. Dat is belangrijk omdat dat idee er lang niet altijd is en omdat de grote berg informatie die er wel is het zicht wegneemt op de informatie die je echt nodig hebt. informatie lang niet altijd beschikbaar is: wat weten de bestuursleden van een vereniging over de eigen leden? Hoe gaat het met hen? Hoe gaat het met hun bedrijfsmodel, de wijze waarop ze hun klanten bereiken, de dilemma’s die ze daarin hebben? Het aantal verenigingen niet de kost geven dat daar maar een heel schimmig beeld van heeft is groot. Dan is het een te snelle sprong om je alleen maar tot de al aanwezige data van het internet te beperken. Doe niet als die dronken man die zijn sleutels bij de lantarenpaal gaat zoeken omdat het daar ten minste licht is.

Hier zit een les in die goed beschreven is door John Sides en Lynn Vavrek in hun boek* over de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2012 – en bedenk: politiek partijen zijn ook verenigingen. Het campagneteam van Obama had in de aanloop de gelegenheid om bij hun social media acties verschillende vragen aan verschillende groepen voor te leggen. Zelf maakten ze een aantal aannames over wat de antwoorden zouden zijn. Al snel merkten ze dat ze er met hun gezond verstand benadering vaker naast zaten dan juist. Het maakte dat ze meer op de feitelijke data gingen sturen. Het campagneteam achter de tegenstander, Romney, geloofde de landelijke peilingen niet die zeiden dat Romney op achterstand stond. Hun eigen standaard peilingen gaven een ander beeld. Bovendien, iedereen was tijdens de bijeenkomsten door het land zo enthousiast, dat moest wel goed komen. De uitslagenavond liet een bloedbad voor Romney zien. De republikeinen waren niet nieuwsgierig genoeg geweest naar de onderliggende trends. Sides en Vavreck maken in hun boek het onderscheid tussen keuze (‘choice’) en kans (‘chance’). Het eerste heeft betrekking op de keuzes die je als partij kan maken om wel of niet je tegenstander aan te vallen, debatten wel of niet goed voor te bereiden e.d. Dit zijn typisch de dingen – de ‘game changers’ – waar het ook in de media en in de kroeg om gaat. Kansen hebben te maken met de meer fundamentele context variabelen waar je mee te maken hebt en waar je veel minder invloed op hebt. De economie was onder Obama voorzichtig omhoog aan het gaan. Dan heb je tegen een zittende president al bijna geen kans meer. Het team van Romney, maar ook de media en het bredere publiek, hebben dit onderschat. Het is eigenlijk nooit een spannende race geweest.

Voor verenigingen is de opgave in de kern niet anders. Wat kan je beïnvloeden en wat niet. Wat zijn de fundamentals en waar kan je nog ruimte vinden? Wil je bestuur die strategische discussie niet voeren – en dat gebeurt vaak genoeg – dan moet je als secretaris of directeur eigenlijk ook zeggen dat je niet meedoet aan alle ideetjes om met CRM-pakketten en social media aan de gang te gaan. Geen goede vragen = geen goede antwoorden. Begin dan ook niet aan een big data verhaal. Technologie is geen vluchtweg, geen ‘game changer’.

Tactisch opereren om het bestuur mee te nemen

De mogelijkheden om met behulp van big data heel dicht op de huid van je leden te kruipen zijn inmiddels ruim voor handen. Het wiel hoeft niet meer uit te worden gevonden, het draait al en de potentie is groot. Hieronder een aardige ‘periodieke tabel’ van een van de presentatoren tijdens ASAE via welke hij content hanteerbaar maakt. Laat u vooral informeren door de leveranciers over de mogelijkheden. Maar gesteld dat uw bestuur op zich de strategische discussie wel wilt voeren, welke tactiek hanteert u om uw bestuur zich niet dood te laten schrikken van alle informatie en techniek? Schermafbeelding 2014-08-18 om 09.33.51

Zoals vaker: draai het om. Begin niet bij de data, maar bij de gebruiker. Wat willen de leden weten en welke waarde hechten zij daar aan? Om met U2 te spreken: ‘We thought we had the answers. It was the questions we had wrong.’ En de iemand als Andy Crestodino zegt dan**:

‘The last mile of big data is where the value is created, opinions are formed, insights are made. By non-data scientists. Everyday.’

En hij komt dan uit bij ‘Small data’: het gaat om de eindgebruiker, wat zij nodig hebben en hoe zij in actie kunnen komen. De leden dus en hun klanten.

Dus: eerst het idee weg halen dat het om zaken gaat die buiten de beïnvloedingssfeer van het bestuur liggen, iets voor techneuten. Zet het bestuur, of beter nog; de leden zelf, aan het stuur. Op basis van wat zij zeggen – worden de technische eisen ook snel duidelijker, inclusief de vraag wat er dan allemaal ‘overhoop’ moet worden gehaald. Factoren zijn met name de volume, snelheid en variatie in en van de data. Maar dat komt allemaal pas aan bod als die eerste slag geslagen is: Wat hebben we nodig voor wie en waarom? Vanuit dat bewustzijn, de afweging maken en tot actie overgaan: de trechter doorlopen.Schermafbeelding 2014-08-18 om 09.38.05

Het kan helpen om het bestuur te confronteren met wat de vereniging op dit moment weet van de leden. Bij de meeste verenigingen is dat zo langzamerhand meer dan alleen een ledenlijst. Doorgaans wordt de deelname aan bijeenkomsten, opleidingen e.d. bijgehouden en zijn er al heel wat statistieken te halen uit het webgebruik. De praktijk laat zien dat u meer heeft dan u denkt en minder dan u nodig heeft. Presenteer en ‘kruis’ die informatie waar het kan. Confronteer het bestuur dan niet met de grote getallen, maar met de getallen met de meeste betekenis: welke diensten en bijeenkomsten iets los maken, welke niet, waar nog jongere leden op afkomen en waar niet, e.d.

Uitvoering op maat

Mocht u het bovenstaande niet in het Nederlands geloven, dan heb ik nog altijd dit citaat achter de hand:

“Small data connects people with timely, meaningful insights (derived from big data and / or ‘local’ sources), organized and often packaged – often visually – to be accessible, understandable, and actionable for everyday tasks (Digital Clarity Group)”.

Oftewel: het gaat om het in behapbare vorm betekenis geven aan te grote hoeveelheden informatie. Dat is natuurlijk een opgave van alle tijden. Net zoals het van alle tijden is dat er geen kant-en-klare, supermakkelijke oplossingen zijn. Eerst moet het huiswerk gedaan worden – ledenregistratie (CRM-databases) op orde brengen, de website bijhouden, leren hoe je met social media om moet gaan. Daarna volgt de echte stap naar buiten toe.

Die stap naar buiten toe is in de wereld van bid data een stap naar het op het individuele maat toesnijden van informatie. Veel verenigingen zijn fors gesegmenteerd in regio’s, specialisaties, mediavoorkeuren, e.d. Tijdens het ASAE congres werd het nodige getoond over hoe ver het op maat maken kan gaan. Het beste voorbeeld kwam echter uit eigen land. Noud Janssen, vm. voorzitter van LLTB en Daan Hoogendijk van CCI-IT Groep, hielden een presentatie*** waarin het draaide om het persoonlijk maken van zoveel mogelijk uitingen van de branchevereniging. De Amerikanen waren dol op het verhaal. Je hoeft de lessen dus niet van ver te halen.

Schermafbeelding 2014-08-18 om 13.33.29

Nawoord

Na mijn bezoek aan het congres ging ik nog een paar dagen naar Washington DC. Ik was o.a. van plan wat schrijfwerk te gaan doen en ga ik graag in een bibliotheek zitten. Als je dan de Library of Congres bezoekt, hoort het er ook bij dat je even de Jefferson-Library bezoekt. Kort na de oprichting van de bibliotheek zetten de Britten in 1812 het gebouw in brand en ging een groot deel van de collectie verloren. Jefferson verkocht toen een groot deel van zijn eigen collectie aan de staat, voor een nieuwe Library of Congres. Loop je door zijn boekenkasten, dan valt op hoe eclectisch, c.q. hoe breed zijn verzameling was. Hij verzamelde dus ook dingen die niet direct nuttig voor hem waren. Langs de planken dwalend dacht ik toen: Big Data is van alle tijden. Jefferson had ook meer informatie dan hij aankon, maar hij maakte er wel wat van: hij ontwierp een aardige vereniging in de vorm van de Verenigde Staten. Dat kan, zo is mijn overtuiging, nog steeds. iets kleiner denken is wel verstandig.

Peter Noordhoek

is geen leverancier of verkoper van datadinges. Ik ben een verkenner en vertel verhalen over wat is en er aan komt.

Northedge BV

 

Literatuur

* John Sides and Lynn Vavreck – The Gamble. Choice and Chance in the 2012 Presidential Election. Princeton University Press, 2013.
** Andy Crestodina, Principal and Strategic Director of Orbit Media, and Jeanne Sheehy, VP and CMO Bostrom:http://www.asaeannualmeeting.org/handouts.cfm
*** Noud Janssen en Daan Hoogendijk – Dare to be different. Handout ASAE Annual Meeting 2014: http://www.asaeannualmeeting.org/handouts.cfm

Washington, Ferguson en Schilderswijk

Ik ben een beetje dom geweest. Gebeurt vaker, ja, whatever. Na een paar dagen op een duur congres in Nashville, wilde ik mijn drie extra dagen in Washington DC goedkoper doorbrengen. Even weer met de voeten op aarde, niets mis mee. In plaats van de dure hotels van Washington struinde ik daarom Airbenb af op zoek naar een locatie die dicht bij het centrum was en toch betaalbaar. Na een afwijzing en het nodige zoeken vond ik die ook.

This is it

Het adres van de kamer gaf ik aan de chauffeur van de taxi die mij een uur na middernacht van Dulles Airport naar DC bracht. De chauffeur – een Pakistaan – en ik maakte een praatje, maar al snel ging hij doorvragen over mijn adres. Was dit toch wel echt het adres? Ik checkte en bevestigde. Inderdaad, in Southeast. Ik zag hem zijn stuur harder vastgrijpen, maar hij zweeg.
Een half uur later reden we door een wijk in DC met dichtgespijkerde of getraliede ramen, schimmige figuren en heel veel politieauto’s. Wilde ik doorrijden? Ja, doen. Na het nodige zoeken kwamen we in de buurt van de gezochte straat, maar we zagen geen huisnummers op de panden. ‘Hier moeten we zijn’, zei ik, bij een bruin bakstenen pand gekomen. ‘You go’, zei hij. Ik verliet de taxi en ging de trap op naar de rood verlichte voordeur. Niemand deed open. Op dat moment kwam een donkere man met capuchon met verende tred achter mij aan de trap op. Hij zei: ‘Yes, this is it.’
Snel ging ik naar de taxi terug voor mijn bagage. Ik rekende af, maar kwam een dollar tekort. ‘No matter’, zei hij, ‘You take the luggage out of the trunk.’ Dat heb ik gedaan. Weg taxi. IMG_0459

Suite 2

Ik moest bij Suite 2 zijn. Er werd niet open gedaan. De man zag ik niet meer, maar een vrouw met een maffe uitstraling, kennelijk de buurvrouw, vroeg me naar mijn naam en hielp me vervolgens door op de deur van Suite 2 te gaan bonken. Uiteindelijk werd er opengedaan door een vrolijk kijkende vrouw met natte dreadlocks en alleen een handdoek om. ‘Come in, come in!’ Zij ging me voor naar een grote slaapkamer die ik herkende van de foto op de Airbenb. Wat de foto niet had meegegeven was de doordringende geur van wierook. Vrolijk ging Michelle, want zo heette ze, mij van alles vertellen over het huis, tot we werden onderbroken door gebonk op de deur. Het was de buurvrouw: ‘Michelle, he’s a real cuty!’ en dat gezegd hebbend verdween ze weer. Michelle deed alsof er geen storing was geweest en legde mij uit hoe ik naar het centrum van de stad kon komen en gaf me een metrokaart, de sleutels en een toeristische brochure over de stad. Ik wilde maar één ding: slapen. Ik vroeg me af of het zou lukken. Michelle wenste me goede nacht.

Met de bus

Ik heb wisselend geslapen. Op een gegeven moment dacht ik echt dat er iemand in mijn kamer liep, maar dat waren de stappen van iemand in de woning boven me. Kennelijk een dun plafond. Ik draaide mij om.
De volgende ochtend kwam de zon door de ramen. Ik zocht de douche op en kleedde me aan. In net pak, want ik had een afspraak bij de Amerikaanse Orde van Advocaten, op een locatie vlak bij het Witte Huis. Maar hoe kwam ik daar? Krijg het heen en weer, dacht ik, ik ga dit meemaken. In pakkie net liep ik over straat, op zoek naar de bushalte. Helaas waren de instructies van Michelle niet helemaal duidelijk of was ik ze inmiddels IMG_0463vergeten, dus ik stapte maar op iemand af. En werd fantastisch geholpen. Op weg naar metrostation Anacostia maakte de bus een cirkelende beweging door de wijk, wat mij de gelegenheid te gaf de wijk te zien en naar gesprekken te luisteren. ‘Waarom was je niet op tijd thuis? Wil je dat het slecht met je afloopt?’, Hoor ik een moeder hoofdschuddend in de telefoon zeggen.

Wat is correct?

En wat je dan ziet en beseft is dat het om de woonwijk gaat waar alle gekleurden – negers? zwarten? wat is nog correct? – wonen die jou lange dagen lang bedienen en bewaken. Je ziet ‘ze’ een latte maken in de Starbucks, ruimtes bewaken in een museum, schoonmaken in een toilet, je spullen scannen bij een poortje. Hier komen ze dus vandaan. De meeste huizen zien er redelijk uit. Slecht onderhouden, maar wel met het nodige groen er omheen. Bij sommige wordt de tuin onderhouden alsof er een wedstrijd mee moet worden gewonnen. Scholen, kerken, gezondheidscentra, rondrijdend in de bus zie ik alles langskomen. En dat alles tussen de scheve krotten, opgebroken trottoirs en de hekken met vale honden daarachter. Graffiti zit op muren, zit getatoeëerd op de huid. Het is er gevaarlijk – een uur nadat ik op mijn adres was afgeleverd werden er twee politiemensen in de wijk gedood – maar de meeste mensen die er wonen proberen op z’n minst te overleven en op z’n best er wat van te maken. En dan kom je zonder problemen op het metrostation en kan je Washington DC in haar volle glorie gaan meemaken

Ferguson en SE

Waarom beschrijf ik dat zo? Omdat in de dagen dat ik in Washington DC was, de media tegelijk berichtten over een incident in een voorstad van New Orlean, Ferguson. Een jongen werd aangehouden en was een volgend moment dood, neergeschoten. De versies over het wat en waarom lopen nog steeds uiteen, maar in ieder geval is duidelijk dat het daarna enorm is gaan escaleren. Vooral de politie is gaan overreageren en kwam met een soort leger om de meest ongewapende demonstraten te bedwingen. Als ik achter de foto’s van de helmen, hoodies, knuppels en geweren in de media probeer te kijken, dan zie ik vooral blanke boerenjongens in politie-uniform tegenover zwarten mensen uit een volledig zwarte achterstandswijk staan. Zoals in SE, Washington Southeast, dus. Het zou er zo kunnen gebeuren. Op dit moment lijkt het er op dat er in Ferguson een proces van de-escalatie te zien valt, waarbij de beste rol gespeeld wordt door een zwarte politiechef die in zijn gewone uniform gewoon meeloopt met de demonstranten, maar het is allemaal erg broos. De consensus lijkt te worden – ook politiek – dat de politie te sterk heeft gereageerd.

Of dat genoeg zal blijken te zijn? Zelf denk ik dat er nog iets anders speelt: een langzaam afnemend perspectief voor de mensen in de zwarte wijken in combinatie met een toenemend zelfbewustzijn van diezelfde mensen. In Ferguson is de president ver weg, in Washington DC niet. Het is opvallend hoeveel werk 081214_ferguson-2er wordt gemaakt van het zwarte zelfbewustzijn. Overal zijn ‘black pride’ uitingen. De namen van Rosa Parks en Martin Luther King Jr. vind je overal terug. Er schijnt een zwarte Amerikaanse president te zijn. Op het moment dat er echt wat aan de hand is, kan het in SE net zo zwaar of erger uit de hand lopen als in Ferguson. De scheiding is te groot, het zelfbewustzijn te groot. Wat als Obama er niet meer zal zijn?

Schilderswijk

Terwijl ik in de VS de gebeurtenissen in Ferguson probeerde te volgen en de analogie met Southeast niet kon weerstaan, gebeurde er in Nederland ook nog iets lelijks. Ik heb het eigenlijk alleen via twitter en de site Nu.nl kunnen volgen, maar ik begrijp dat de gemoederen hoog opliepen. Het zal de afstand wel zijn, maar ik kon niet goed begrijpen wat er precies aan de hand was en hoe ernstig ik het moest nemen. Een demonstraties met IS elementen? Racisme, antizionisme, schending van de vrijheid van meningsuiting? Ik wil het zeker niet te licht opnemen, maar het lijkt me ook iets van een uit de hand gelopen zomerrel in vergelijking met wat er zich in Ferguson afspeelt. Nu zou het best kunnen zijn dat de demonstraties een teken zijn dat de Schilderswijk echt op ontploffen staat, maar dat gevoel krijg ik niet. Weer: ik ben net geland uit de VS en dan lijkt dit land in alle opzichten kleiner, maar is wat er is gebeurd een teken van structurele problemen of van een minderheid aPro_Patria_ISIS_polderjihad_Den_Haag_Schilderswijk_Hoefkade_hq_Nan idioten die teveel tijd en ruimte krijgen voor hun waanzin of is er sprake van echte segregatie in onze wijken? Gaan wij de kant op van Ferguson en SE? Het ziet er heftig uit, maar ik denk het niet. Nog niet.

Een groet

De rest van mijn verblijf in SE verliep zonder noemenswaardige problemen. Ik zorgde ervoor dat ik ’s-avonds niet te laat en per taxi terug kwam, maar voelde me verder per dag lekkerder in de wijk en in mijn kamer. Andere blanken heb ik al die dagen niet gezien, maar dat kan best toeval zijn. Michelle heb ik overigens ook niet meer gezien. Ze moest werken, werken, zei haar dochter. Op de ochtend dat ik met mijn koffer naar de bushalte liep heb ik maar een hartelijke groet in het gastenboek geschreven.

Peter Noordhoek

www.northedge.nl

Een volgende blog over het ASAE congres over verenigingen is al ver op streek en zal handelen over de mogelijke rol van Big Data. Les 2 komt er aan.

Internationaal gaan met verenigingen – Les 1 van ASAE, Nashville 2014

Een eerste verslag vanuit Nashville, Tennessee, waar het jaarcongres wordt bezocht van de ASAE, the American Centre for Association Leadership. Hier gaat het over de internationalisering van het verenigingswerk. Die gaat veel sneller dan we in Nederland denken.

Ik deel met veel mensen de neiging om eigen land te vergelijken met andere landen – en dan er toch van uit te gaan dat Ons Nederland het beste is. Vaak is dat ook zo, soms niet. Vervelend wordt het als je het idee hebt dat Nederland heel goed in iets zou moeten zijn, terwijl het dat in werkelijkheid niet of maar ten dele is.
Zo is het ook met ons bloeiend verenigingsleven. Wij zijn toch het land van het middenveld, van de bloeiende verenigingen en de vele vrijwilligers? Welnu … als dat al zo is, dan gaat die superioriteit wel ten koste van een scherpe blik op wat er in het buitenland gebeurt.

Big business

Op dit moment bezoek ik het jaarcongres van ASAE, de vereniging voor verenigingen (‘associations’) van de Verenigde Staten. Zo’n 6000 voorzitters, directeuren en kaderleden komen dan elkaar, volgens de voorzitter tezamen een branche vertegenwoordigend waarin in de VS zo’n 750.000 mensen een stevige taak uitvoeren.
In de VS wordt het daarmee gezien als iets wat in Nederland nog niet zo wordt gezien: Big Business. Een vitale Big Business. Het congres wordt in Nashville, Tennessee gehouden en daar heeft de stad hard voor moeten knokken in concurrentie met andere steden. Dan doet de stad niet voor niets: verenigingen organiseren congressen en Nashville mag verwachten dat zo’n 20% van de verenigingsleiders die op dit congres komen daar ook een volgend congres zullen houden. Voor Nashville vertaalt zich dat in een impuls van 500 miljoen dollar voor de komende 5 jaar. Dat is ook de reden waarom de aan het congres verbonden beurs voor ongeveer de helft bestaat uit vertegenwoordigingen van steden en landen die deze congres-business ook naar zich toe willen halen. Dit keer laten bijvoorbeeld Korea en Mexico zien dat ze daar heel veel voor willen investeren.

Het gaat hard

Natuurlijk gaat het congres over meer, maar het laat al wel direct zien dat het om Big Business gaat en ook om internationale business. Op een ander moment wil ik het over andere relevante branche- en verenigingszaken zaken hebben zoals ik die uit Nashville meeneem, hier neem ik dit als aanleiding om eens op een andere manier te kijken naar de internationale kant van verenigingen. Want het gaat hard. Op basis van wat ik gehoor en gelezen heb, geef ik hieronder vier varianten van internationalisering weer.

Van onderaf

Eerst de voor de hand liggende manier. Sterke verenigingen in het ene land verbinden zich dan met verenigingen in andere landen. Eerst worden er dingen samen gedaan, dan worden er zaken zoals congressen op internationaal niveau georganiseerd. Zo wordt draagvlak – een community – opgebouwd en dan kan het eindigen met een soort van federatie.

In de praktijk zijn hier weinig voorbeelden van te vinden. Ergens in het opbouwen van draagvlak gaat het fout en dan gaan de problemen in eigen land voor. Er zijn wel voorbeelden van, maar dan zal er bijna altijd sprake zijn van stevige druk van buiten. In Europe is het opkomende belang van Brussel zo’n factor.

How We Won the West

Internationalisering is in de VS iets anders dan in ons land. Internationalisering betekent dat je internationaal gaat doen wat je nationaal gaat doen. How the west was won. Daar zie je dat veel verenigingen een internationale tak hebben opgericht. Sommige opereren wereldwijd, met kantoren in verschillen hoofdsteden. Het gaat per continent. Als eerste was Canada aan de beurt, daarna Europa en later Zuid-Amerika, Azië en het Midden-Oosten. Nu is Afrika aan de beurt.

De grap is dat het nu ook andersom aan het gebeuren is. De Canadezen sluiten aan bij de certificeringseisen van de VS, maar zorgen door een benadering die professionals meer aanspreekt voor een concurrentievoordeel. Engelse verenigingen proberen hetzelfde. Azië komt er aan: in het voorjaar van 2015 organiseert Hong Kong bijvoorbeeld een met ASAE vergelijkbaar congres.

De mondiale vereniging

Er zijn beroepen die zo internationaal zijn dat de verenigingen dat vanzelf ook zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor de luchtvaart, maar ook wetenschap is bijna inherent internationaal. De internationalisering lijkt dan ook het makkelijkste te gaan bij verenigingen die aan dergelijke beroepen verbonden zijn. Helemaal waar is dat niet. Juist dan kan de wens om nationale werkwijzen te beschermen sterk zijn. Echt internationaal lijkt te gaan bij de verenigingen die verbonden zijn aan bedrijfstakken die gedomineerd worden door grote bedrijven die al internationaal werken. De olie-industrie is daar een mooi voorbeeld van. Nationale perspectieven zijn dan bijna de vijand, het verenigingsperspectief is echt mondiaal.

Het inkoopmodel

Het kan nog anders. Dubai is ook op het congres. Groots zelfs, vertegenwoordigd door een combinatie van de Kamer van koophandel, het evenementenbureau en nog een derde partij. Wat zij doen is licenties verlenen aan verenigingen die zij in staat achten de professionals in Dubai te organiseren in verenigingen. Dubai richt dus zelf geen verenigingen op. Ze kopen het als een dienst in. Origineel – en waarom zou het niet werken in het land dat geen eigen traditie van verenigen heeft?

En wij?

Wij denken niet alleen dat we internationaal georiënteerd zijn, we zijn het ook. De Nederlanders vormen hier in Nashville een van de grootste delegaties. Een workshopleider vroeg net: “Mag ik nu ook een vraag van iemand die geen Nederlander is?” Allemaal tot je dienst, maar is dat ook een bewijs dat onze verenigingen internationaal zijn georiënteerd, dat we de business zien? Bij veel verenigingen in Nederland bestaat nog het fenomeen van de internationaal secretaris, weggepromoveerd van een spannender functie en vaak genoeg op het internationale pad om voor de voeten van de leden en het bestuur weg te blijven. ‘Ja, het is belangrijk, maar nu even niet’, die houding. Het is een houding die aan het veranderen is. Brussel is daarin een belangrijke factor, maar de leden zelf verwachten ook meer, al was het maar omdat de buitenwereld Nederland steeds verder in kruipt. Wat nog ontbreekt is een gezonde ondernemende geest in verenigingsland om ook echt iets van de aanwezigheid in het buitenland te maken. We hebben in ons land alles in huis wat daarvoor nodig is. We moeten alleen even anders gaan aankijken tegen de strategische meerwaarde van verenigingen. Die is heel hoog. Dat rechtvaardigt investeringen. Investeringen in internationale activiteiten vergen een langere termijn denken dan bestuurders gewend zijn. Maar juist in moeilijke tijden zou langs die weg wel eens een deel van de oplossing gevonden kunnen worden.

Reisleed en verwennerij

Goed dat was het serieuze deel van deze blog. Nu is het tijd voor een indruk van de reis en de sfeer op reis. Ja, ik beken: het is een snoepreisje. Snoep even mee –en hoor hoe ik mijn tanden bijna breek op de heenreis.

Want die was ERG, voor de maatstaven van iemand die altijd door Europa reist. Overboekingen, tickets die wel en dan weer niet ingecheckt blijken, bagagesluizen die bagage weigeren – ach, het stelt niets voor in vergelijking met de Amerikaanse ervaringen. Ik ben altijd weer verbaast over een land dat zich zo laat voorstaan op haar eigen voortreffelijkheid zo’n enorme afgang over zichzelf organiseert door de wijze waarop de douane haar werk doet. Elke keer weer maak je een poging tot maximale inefficiency mee. Dit keer deed de luchthaven – Atlanta – helemaal mee. Daar ga ik: de borden gaven een gate aan waar bij aankomst een andere bestemming op stond. Later werd deze naar Nashville gewijzigd. We kregen onze tickets. Spannend, want in Amsterdam konden we daar geen zekerheid over krijgen, maar we kregen ze zo. Dachten we. Toen bleek dat het vliegtuig dat aan de gate stond, niet naar Nashville maar naar Chicago ging. Dus wij naar een andere gate. Daar bleken onze tickets opeens niet meer zeker te zijn. Vervolgens waren de piloten zoek, was de schoonmaakploeg al gestopt voor de dag en deed de ticketlezer het niet. Maar goed, na ruime vertragingen konden we naar Nashville vliegen. Daar gekomen was de bagage zoek. Een medewerker daar zei: “Ach, wacht nog even. Er komt nog een vlucht binnen over 20 minuten, daar kan de bagage ook in zitten”. Huh? Ok, wij wachten. Maar nee. Het was, het werd een lange nacht. De dag erna werd de bagage alsnog gebracht, natuurlijk op het moment dat ik net voor het eerst aan het slapen was. Thank you very much. Een enkel uur later begon het openingsfeest van het congres. Of toch niet, want de hemelen openden zich en twee uur lang regende het zo hard dat op onze telefoons het bericht verscheen dat we ons in een rampgebied bevonden. Het feestje was even uitgesteld.

Tot zover het toeristenleed. Dank dat ik het bij u kwijt kon. Nu de andere kant. Het was leuk. We sloegen ons er met grappen grollen doorheen. Het iets uitgestelde feest was groots, in alle opzichten. Eén grote verwennerij. Een gloednieuw en werkelijk prachtig conferentiecentrum vormde een indrukwekkend geheel, met de stad op de achtergrond. Na een paar uur lieten we het feest voor wat het was en gingen de binnenstad in. Straat na straat vol met cafés met country en western bands. Sfeervol op een manier zoals ik dat alleen van Dublin ken. Alles bewoog, danste, lalde, giechelde of toeterde vanuit de grote sleeën op de brede weg. Hello Nashville, here we are.

Maar al schrijvend merk ik het weer: goed nieuws is zoveel saaier dan slecht nieuws. Ik zal er mee stoppen. De inhoud staat nu voorop. Nou ja, bijna.

 

Peter Noordhoek

 

Nashville, Tennessee

MH17 en de toekomst van de luchtvaartsector

Het neerschieten van de MH17 betekent, naast heel veel meer, ook veel voor de manier waarop we naar de luchtvaartveiligheid kijken. Onderzoeken zijn nog aan het opstarten en zullen nog wel een tijd op afronding wachten. Ondertussen heeft al snel na de ramp Hugh Dunleavy van Malaysian Airlines zich uitgesproken om centraal en via een nieuw orgaan te gaan voorkomen dat opnieuw vluchten bedreigd kunnen worden boven onveilig gebied. Hier wordt betoogd dat geen oplossing voorbij kan gaan aan de collectieve verantwoordelijkheid van de luchtvaartsector, zeker zolang veiligheid en economie zo op gespannen voet staan als vandaag de dag. 

Het moet centraal?

Op 26 juli werd in de internationale pers, hier in Nederland in het NRC, door Hugh Dunleavy, commercieel directeur van Malaysian Airlines, een artikel gepubliceerd waarvan de hoofdlijn was dat het neerschieten van de MH17 lacunes aantoont in het vaststellen van luchtveiligheid. In Zijn boodschap: het moet centraal, waarbij een nieuw orgaan moet beslissen waar te vliegen.
Het is nog steeds lastig om te schrijven over meer dan de slachtoffers en de situatie in Oost-Oekraïne, maar toch verdient dit artikel meer inhoudelijke beschouwing dan tot nu toe het geval is geweest, zeker nu we in de fase gaan komen dat er overal onderzoeken lopen.

Nog altijd

Dunleavy stelde op 26 juli: “Nog altijd gaan honderden vluchten per dag over delen van de wereld die algemeen als onveilig worden gezien.” Dat is nogal een constatering. Het is dus goed dat hij met een concrete suggestie komt in de vorm van één orgaan dat als arbiter beslist waar gevlogen kan worden. En toch blijft na lezing het gevoel hangen dat hij te snel met de oplossing komt en in de analyse te snelle stappen neemt. Hoe terecht hij ook stelt dat de luchtvaartsector faalt, wat is nu beter: (opnieuw) een orgaan instellen dat het falen van de sector moet omzeilen of het falen van die sector zelf aanpakken? De vraag stellen is hem beantwoorden.
Niemand kan zeggen dat de luchtvaartveiligheid in de sector geen aandacht krijgt. Integendeel: het aantal partijen dat zich er mee bezig houdt, van brancheorganisaties tot en met een VN-organisatie als ICAO, is enorm en hoogwaardig. Gelet op die prioriteit is het toch merkwaardig dat luchtvaartmaatschappijen die zelf verantwoordelijk zijn voor beslissingen over hun luchtvaartroutes die beslissingen niet afstemmen. Net zoals het merkwaardig is dat er met ten minste drie internationale organisaties wordt afgestemd maar er kennelijk niets uit die afstemming voortkomt. Om het er nog maar niet over te hebben dat zowel luchtvaartinspecties als veiligheidsdiensten zich kennelijk niet geroepen voelden om zich over zoiets vitaal als de veiligheid van luchtruimtes druk te maken.

Verklaringen

Samenzweringen en schuldvragen daargelaten – gevreesd moet worden dat die er genoeg zullen komen – dienen zich dan verschillende verklaringen aan. De eerste: een te grote mate van complexiteit waardoor het overzicht wie waarvoor verantwoordelijk is verloren gaat. Dan is weer een orgaan erbij niet de aangewezen weg. Een tweede: teveel of de verkeerde afstemmingscircuits die niet tot overeenstemming leiden. Dan ligt een betere benutting van bestaande circuits voor de hand, inclusief een echt nemen van verantwoordelijkheid uiteraard. En dan dient zich een derde verklaring aan: een gebrek aan middelen of verkeerde prioriteiten bij de besteding van middelen. Alle drie verklaringen hebben waarde, maar dit laatste komt waarschijnlijk het dichtste bij de kern.

Veiligheid en economie

In de luchtvaart is het gebruikelijk luid en duidelijk de nadruk op het aspect veiligheid te leggen. Daarna volgt een tijd niets en dan valt veel stiller het woord economie. Vooraf en even heel stellig: het neerschieten van de MH17 is gedaan door mensen die een onvoorstelbare militaire en politieke incompetentie hebben laten zien. Bij hen en hun bazen moet de eerste verantwoordelijkheid worden gezocht. Al het andere is afgeleid, randvoorwaardelijk en iets voor de toekomst. Maar aan die toekomst komen we nu wel toe, zeker gelet op de constatering van Dunleavy dat het nog steeds dagelijkse praktijk is om over onveilig luchtruim heen te vliegen, hoe hoog over ook. Dat probleem is minstens zozeer een economisch probleem als een veiligheidsprobleem en het ene laat zich niet oplossen zonder het andere.

In het concrete van de beslissing om vluchten door te laten gaan boven het luchtruim van Oekraïne weten we dat er in ieder geval twee belangen hebben gespeeld: de wens van luchtvaartmaatschappijen om vliegtijd en daarmee kosten te besparen door over de kortste route te gaan en de wens van Oekraïne om hun luchtruim niet onnodig te sluiten. Ook aan dit laatste waren ongetwijfeld financiële overwegingen verbonden. Achteraf kunnen we daar heel verontwaardigd over zijn, maar we kunnen dit ook zien als logisch gelet op de economische fase waarin de luchtvaart zich bevindt.

Level playing field

De luchtvaart is geen ‘level playing field’, zeker nu niet. Aan de ene kant zijn er de prijsvechters. Die bieden tickets aan die eigenlijk niet meer kostendekkend kunnen zijn. Voor de winst moeten ze het hebben van de ‘extra’s’. Levert dat een business model op waardoor de maatschappij het geen probleem vindt te investeren in een stuk collectieve veiligheid? Natuurlijk niet. Na ons de zondvloed. Aan de andere kant zijn er de door nationale of superrijke spelers betaalde luchtvaartmaatschappijen die gewend zijn hun eigen regels te maken en problemen af te kopen. Daartussenin bevinden zich de klassieke luchtvaartmaatschappijen. In hun pogingen om zich te onderscheid in een markt zonder marges zullen ze weinig tijd, geld of belang hebben bij de eigen branche en de oude overlegcircuits. Als er al wordt deelgenomen, dan alleen om defensieve redenen. Het gevolg: een sector zonder collectief belang en een branche met nauwelijks zelfrespect. Bij elke vorm van complexiteit zal de branche proberen de (veiligheids)problematiek) proberen af te schuiven op de overheden. Dus: ‘publikiseren’ om privaat onvermogen te maskeren.

Een volwassen branche

Een volwassen branche wil haar eigen problemen oplossen. Niet alleen omdat overheden hun eigen logica en afwegingen kennen, maar ook omdat materiekennis dichtbij moet blijven. Het is niet onredelijk dat beslissingen over luchtvaartroutes bij de luchtvaartmaatschappijen horen en dat daar dus de integrale verantwoordelijkheid blijft berusten, inclusief de afweging tussen veiligheid en economie. Dat zou toch zo te organiseren moeten zijn dat de luchtvaart collectief daarvoor de kennis weet door te geven. Hoe kan ik als burger en passagier anders überhaupt vertrouwen in het collectief van mensen dat zich in en achter de cockpit van mijn vliegtuig bevindt? En nee, als burger en passagier laat ik mij niet aanpraten dat ik mijn tickets zo goedkoop wil dat de maatschappijen die collectieve inspanning niet meer kunnen leveren. Je kan me niet het ene moment als dure bagage behandelen en het andere moment als jullie beleidsbepaler.

Overheden

Voor overheden is er ondertussen wel degelijk een rol. In het concrete mag van inspecties en veiligheidsdiensten verwacht worden dat ze schoon schip maken en hun prioriteiten opnieuw bepalen. Tot nu toe is er een verhaal naar boven gekomen van verschuivingen in verantwoordelijkheid. MH17 is het soort ‘incident’ dat systeemfalen naar boven haalt. Daar zal iedereen, ook de prioriteiten bepalende politiek, zich voor moeten gaan verantwoorden en leidt hopelijk tot verbeteringen. Maar ook hierbij speelt het grotere verhaal van veiligheid en economie. ‘De vrijblijvendheid voorbij’, dat zou het motto moeten zijn. Als luchtvaartmaatschappij niet mee kunnen of willen doen in het collectief? Geen licentie. Punt. Moedwillig de markt verstoren zodat een race naar de bodem ontstaat? Idem. Punt.

Een beter collectief

Alles wel beschouwd is er natuurlijk iets waanzinnigs gebeurd. We hebben vliegtuigen laten vliegen boven een gebied waarvan we door gewoon TV en internet te volgen konden weten dat daar zich wapens bevonden die vliegtuigen konden raken en waarvan de status en deskundigheid van het personeel niet viel vast te stellen. Hoe bestaat het en hoe kan het? Nu we wakker zijn wordt het tijd maatregelen te nemen. Niet als ‘blame game’. Het zijn niet de slechtste luchtvaartmaatschappijen die door MH17 zijn getroffen. Integendeel. Dat zou als waarschuwing moeten gelden voor iedereen. En voor de duidelijkheid: het voorstel van Dunleavy om tot een centrale autoriteit te komen heeft ongetwijfeld merites. Het idee is dat het geen afschuiven van verantwoordelijkheid wordt en het collectief van luchtvaartmaatschappijen er beter door wordt.

 

Peter Noordhoek

Dit artikel is gebaseerd op algemene inzichten in de werking van branche- en sectororganisaties, gevoed door enkele opdrachten binnen de sector in het verleden. Op geen enkele wijze ben ik op dit moment betrokken bij opdrachten in de luchtvaartsector, wel mag ik regelmatig passagier zijn.

www.northedge.bv


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek