Maandelijks archief: februari 2014

Over de Dichter, de dichters en de stad. Voor Leo Vroman

Leo Vroman is niet meer. Hij was een letterlijk en figuurlijk toegankelijk dichter, die je toch elke keer weer kon verrassen met een scherpe observatie, een diepere laag.  En dat je dan eigenlijk elke keer weer verbaast bent over je eigen verbazing, omdat je uit zijn gedichten en interviews al wist dat je te maken had met een man – Gouwenaar, jood, wetenschapper, grappenmaker, geweldige echtgenoot en prikkenbeen – die zowel het slechtste als beste van de wereld heeft doorleefd. Die ervaring droeg hij echter met zo’n lichtheid en menselijkheid dat het je elke keer weer kon verrassen.

Iedereen citeert hem natuurlijk deze dagen en ik ben ook geneigd dat te doen, want oh, wat kom ik mooie dingen tegen, maar ik denk dat ik hem ook eer bewijs door iets uit eigen tas te halen:

Omdat ik weet dat elk licht een schaduw werpt
en ook omdat de bron van elke schaduw licht is
word ik niet verblind door plotseling licht
noch verduisterd door vallende schaduw
En denk ik dat in alles wat ik verricht
de kern zit van verwondering en afschuw

Leo Vroman droeg die kern bij zich als een knikker waarmee hij altijd het experiment aan wilde gaan en bovenal het spel met de taal. Ik hoop hem zo dus recht te doen, maar als dat niet zo is dan denk dat hij er ook de man naar was om te zeggen: “dan probeer je het toch nog eens ..”

Het bericht dat Leo Vroman was overleden kwam de dag nadat we een fantastische avond hebben gehad met alle kandidaten voor het stadsdichterschap van Gouda; De eerste auditieronde. In totaal 19 dichters hebben zich aangemeld naar aanleiding van de vraag ‘Ben jij de nieuwe stadsdichter van Gouda?’ en daarvan hebben er 14 auditie gedaan. Ik ben ontzettend geneigd om te gaan citeren, maar op 8 maart is de definitieve uitverkiezing en tot dan toe moet ik me als voorzitter van de stichting stadsdichter Gouda uiteraard neutraal opstellen. MAAR WAT WAS HET GOED!

En dan hoor je van zijn overlijden. Toen in 2007 er een nieuw coalitieakkoord voor Zuid-Holland lag, stelde ik voor om er een gedicht over Zuid-Holland aan toe te voegen. Anders dan van andere provincies – was dat er niet. Alleen Leo Vroman had er over geschreven. Direct zochten we contact met de dichter in Houston en bijna direct was het geregeld. ‘Natuurlijk’, was het bericht van de andere kant van de oceaan.

Naar mate ik in de afgelopen jaren meer in contact kwam met de stadsdichters van Gouda, merkte ik dat hij voor hen ook echt dichtbij was. Onze eerste stadsdichter Inez Meter was een tijdgenoot. Zeker met de laatste stadsdichter, Klara Smeets, was het contact dichtbij en heel ondersteunend. Er is dus een gat gevallen. We hebben de avond gisteren alsnog aan hem opgedragen en gaan nu kijken hoe we hem het beste eer kunnen doen in het verlengde van de uitverkiezing van de nieuwe stadsdichter.

– o –

Tot zover. Het was een vreemde week. Een stille week wat betreft het werk, een wilde week in de beleving. Vooral donderdag stond voor mij in het teken van de gebeurtenissen in Kiev. Ik mag regelmatig training geven aan jonge politieke talenten in oost- en centraal Europa. Van tijd tot tijd zijn daar ook talenten uit de Oekraïne bij. In mei 2013 heb ik bijvoorbeeld een groep vrouwen getraind in het gebruik van social media, waarvan een achttal uit de Oekraïne. Ik weet nog dat deze groep vrouwen in de loop van de dag via diezelfde social media op scherp kwamen te staan omdat er vrienden uit dezelfde partij waren gearresteerd. Hun misdrijf: ze keken naar een demonstratie tegen Yanukovych. Natuurlijk wilde ik weten hoe het met hun ging. Met enkele heb ik contact gekregen en ze waren volgens mij strijdbaar maar veilig genoeg. Helaas heb ik via een collega vernomen dat twee jongens van de betrokken partij het niet hebben overleefd, waarvan ik me er een van een eerdere bijeenkomst meen te herinneren. Heftig, heldhaftig, hels.

Er zit natuurlijk een bredere betekenis aan wat daar gebeurd. Dat is voor mij reden om te zeggen: de Europese verkiezingen horen ook over grenzen te gaan, in alle opzichten. Ik was van plan daar dit weekend een blog over te schrijven, maar de Dichter, de dichters en mijn stad zijn nu dichter in de buurt. Daarbij komt dat ik denk dat de echte Russische reactie pas na dit weekend en Sotchi gaat komen. Mijn analyse houden jullie tegoed. Laten we het ondertussen scherp in de gaten blijven houden. Dit gaat ook over ons.

Peter Noordhoek

Cliches in de sleet. Over hapjes bestuurskunde taal vol tegenstellingen

Ik vind het een fascinerend verschijnsel dat we onze samenleving alleen bestuurskundig goed kunnen duiden in een taal die vol onzekerheden en tegenstellingen staat. Zolang we daar eerlijk over zijn kan dat waardevol zijn. De arrogantie ligt echter altijd op de loer. Hoe volwassen kunnen we over onze samenleving spreken?

Kent u de Wisent, de Europese bizon? We hebben ze ook hier in Nederland. Toen de eerste Wisenten op het Kraansvlak, een duingebied bij Zandvoort, werden afgeleverd, gingen ze hun kist uit, liepen het zand op, strekten hun voorpoten alsof ze net als de paus de grond wilde kussen, en namen toen een hapje zand. De smaak moet bevallen zijn, want ze doen het daar fantastisch. Ik stel voor om hier ook wat aan zandhappen te gaan doen.

Bestuurskundigen zeggen het zo vaak tegen elkaar: ‘we leven in een tijd van verandering’. Dus: ‘Het openbaar bestuur moet anders.’ Want: ‘zo kan het niet langer’.
Een sceptisch mens zou kunnen denken: alleen de taal waarin we onze paniek verwoorden wijzigt zich, niet de paniek zelf.
Het volgende dat we dan tegen elkaar zeggen is: ‘Ja, maar er is wel degelijk wat aan de hand’. Ooit wel eens iemand ontmoet die dat betwijfelt? Wat we eigenlijk tegen elkaar zeggen is geen statement maar een vraag: ‘Weet jij welke kant het op zal gaan?’ En daar hebben we dan weer de woorden van nu voor: transitie, kanteling, digitalisering.

Veel van wat gezegd wordt is dus voorspelbaar; clichés in wording, clichés in de sleet. En toch is het belangrijk om een hap woordenzand te nemen en echt te proeven. Wat smaakt nog wel goed?

Dat zijn de korrels waarvan je eigenlijk niet weet wat je nu echt proeft. Dat wat je niet kunt plaatsen. Voor mij hoort daar iedereen bij die zegt: ‘Ik weet het niet meer’, want die begint het te begrijpen. Daar hoort zeker iedereen bij die zegt: ‘Het is niet of – of; het is en – en’. En ik word helemaal wakker als iemand zegt: ‘Er gebeuren tegelijk tegengestelde dingen en dat is nog leuk ook’. Kijk, dat smaakt, maar waarna eigenlijk?

Professor Roel in ’t Veld – als bestuurskundige durf ik te zeggen: onze Roel in ’t Veld – heeft in zijn laatste oratie zoiets lekkers gezegd. Afgelopen 7 februari deed hij zijn rede als nieuw hoogleraar sustainability and governance aan de Universiteit Tilburg. Op basis van de beschikbare tekst quote ik hem als volgt:

“Ontwikkeling nu en in de toekomst is gekenmerkt door gelijktijdige spanningsvolle aanwezigheid van tegengestelden die elkaar nodig hebben. Zoals centralisatie en decentralisatie, integratie en fragmentatie. Vanuit deze karakteristiek moet je naar de wereld en naar toekomsten kijken”

Tegengestelden die elkaar nodig hebben. Ik citeer het zonder cynisme. Hij heeft volgens mij groot gelijk. Maar ook bij hem denk ik: wat proef ik nu eigenlijk? Iemand anders heeft ooit gezegd: het teken van volwassenheid is het vermogen om twee tegengestelde gedachten in je hoofd te houden zonder gek te worden. Maar wat In ’t Veld zegt gaat verder: hij heeft het over meerdere tegengestelden. Hij heeft het over toekomsten, meervoud. Hoe volwassen moet je daarvoor zijn?

De vraag stellen is hem beantwoorden. Misschien ligt dat ook aan de bron van het communicatiedrama waar wij bestuurskundigen onderdeel van zijn. Wij hebben er geen moeite mee om voor Europa te zijn en er toch kritische opmerkingen over te maken. Wij draaien onze hand er niet voor om de decentralisaties nodig te vinden en toch het mislukken ervan te voorspellen. En als we dan gevraagd worden om concreet te worden, pikken we gewoon een element uit de tegenstelling en presenteren die als oplossing. Europa moet minder regelen. Er moet meer geld bij de taken. Zo spreek je er over als volwassenen onder elkaar, want die ander weet dat jij weet dat je meer weet. Enzovoort. Flexibel, onderhoudend, volwassen.

De tegenstelling in al deze tegenstellingen is daarmee die van volwassene versus kind. Degene die met deze tegenstellingen om kan gaan, zal al snel gezien worden als een arrogante volwassene tegenover de kennelijke kinderen die dat niet aankunnen. Europa als project van de elite. Decentralisatie als een conceptueel speeltje van Den Haag. En dan verbaasd zijn als veel burgers zich vervolgens als domme peuters behandeld voelen.

Wat is dan echte volwassenheid? Het inleveren van je eigen genuanceerde inzicht in al die tegenstellingen? Zeker niet. En er mag af en toe best wrijving zijn. Maar het zou toch raar zijn als dat zelfde paradoxale inlevingsvermogen in allerlei beleidsproblemen ook niet ingezet zou kunnen worden in de emotionele tegenstellingen tussen mensen.  Dus: knielend een hapje van de beleidstegenstelling nemen. Dan een hapje van de menselijke tegenstellingen. Langzaam proeven. Dan opstaan.

 

Peter Noordhoek

 

www.northedge.nl

On the Governance of Associations. A model for engagement

Summary

The concept of governance is most often observed at the level of individual corporations and institutions or discussed at a global level. Given the changes in the way people, especially professionals, organise themselves, it is better to look at governance at the level of associations. There are classic associations, known by their combination of tight entry and exit conditions, monitored on the basis of closed standards. We also have associations now that can be characterized as networks, with no formal entry or exit and with very open standards, if at all. Standard governance models do not fit the latter and increase the danger of preserving the status quo in a time of transformation.

From a socio-economic perspective, it is imperative that the two forms of association start interacting with each other, especially as mid-size companies and institutions are under threat. Engagement through this new way of forming associations is an answer. It does require a new way of looking at the concept of governance.

On governance

Governance comes in many shapes and guises. At the 20 year CSEND conference in Geneva, Switzerland, this author is taking part of a panel on governance. Not any kind of governance: global governance. The first two speakers describe in in detail how we try to keep the peace or reform our financial system on world scale. The third brings it home by describing the real politics of the Arab World. Nations, NGO’s and international unions fail in the sight of the challenges, in spite of our international law, our treaties and ‘understandings’. What global governance? But just talking about it makes us both hope and despair for it.

Then it is my turn. One thing I know: a global approach does not fit my way of talking about governance. It is too big. What to do?

I make it very, very small. I ask our conference leader: ‘Please, may I change the governance of this meeting? I want to make this happen by doing my lecture standing up.’ So far, all panelists are sitting behind a table. Our chairman agrees. Nobody reacts. Which made me think: so I can go from Global Governance to conference governance in a minute without even a single reaction or hint of a smile? What kind of concept is this governance? Obviously; very, very elastic.

Classic governance

On not too solid ground, let me look for a more classic form of governance. There certainly is one, usually called corporate governance (with its sister: government governance). The way management uses its authority, including the way it holds this authority in check, is at the heart of this classic (Worldbank) definition of governance. It started more or less in the US with the Sarbanes-Oxley legislation and then became the modern drive for the concept of governance.

In its wake, in my country, the Netherlands, we for instance have been debating the ways we can best develop checks and balances around management. On the one side stand those who go for the Anglo-Saxon ‘one-tier’ governance approach, where the executive and oversight are in one body and meet together. On the other side there are those who hold on to the ‘Rhineland’ ‘two-tier’ system, where the executive function and the oversight bodies are split. As always, governance debates like these are heavily influenced by government positions. But as interesting as this all may be, I cannot really think this corporate approach to governance gets to the point of what is going on these days.
For one, it is too much like an attempt to catch by structure what is in essence people’s business and organisation culture. Governance is about a balance of rights and obligations, ruled by formal and binding agreements. In the past this balance was usually held as much by advice and consultation by the non-executive members of a board, as by the actual checking of numbers.

In recent years this balance has all too often been upset by incidents in the media. Developments have gone far beyond what formal agreements can achieve. Ultimately governance arrangements can never prevent things like fraud and the misuse of power. It cannot even prevent excessive pay, looking at the charts of top payments in Wall Street and the City of London in the past few crisis years. The best it can do is to create a better climate for corporate responsibility.

Governance at the level of associations

But perhaps this judgement is too harsh. It could be that our media are full of reports on misdeeds and excess in some part because of the introduction of governance measures. The reports are a sign of a body fighting its bacteria. Nevertheless, it feels cold – when we think we should feel warmer. Is the classic approach to governance the right one?

Certainly the criticism can be made that we focus governance discussions too much on the single firm or institution. Governance is also too much captured in a government versus private enterprise frame. It is therefore interesting to look at literature that speaks of ‘multilevel governance’. So far this is mostly aimed at the European Union (Marck, Hooge & Black, 1993) and the financial sector (Baker, Hudson and Woodward, 2005).

As a next step, I propose we go from a multi-level to a multi-dimensional level, or more specific: to look at governance at the ‘associational level. ‘Association’ here standing for the way a sector, branch or profession tries to organise itself into a self-steering entity, where the whole is or should be more than the sum of its parts.

Where has the middle gone?

To see why, certainly from a West-European perspective, here are some developments with strategic consequences:

  • digitization and our global logistic system make it possible for professionals to have their own ultra small company and work everywhere. The downside is they often lack an effective support system in their ‘connected isolation’;
  • big companies – too big too fail, too large to know – survive the crisis and start even more than before to dominate their sector and countries they are based in. The systems to manage this become ever more refined, creating RYF-organisations: Robust Yet Fragile (Zolli, 2012);
  • effective business models for medium size companies and institutions are hard to find. That is dangerous, if only for the fact that most innovations take place in midsized companies. Underrepresented at the places where decisions are made, and burdened with relatively large tax burdens, they lack the surplus resources need for resilience;
  • semi-government sectors like health, education, security and welfare develop their own culture and dynamics.

To summarise in too short a statement: organizations become too bureaucratic, professionals get too lonely and the middle disappears. The challenge is then to look at governance from an inter-organizational and inter-professional perspective.

Look at the way big organisations and institutes connect before designing individual governance frameworks. Look at the way professionals do their work when professional associations appear to be stuck in the non-digital world. How to strengthen the middle? And how to do so with governance structures that strengthens their position in the global market? Or is that the wrong question?

Associations: what are we talking about?

In order to understand the dynamics of associations (again: sectors, branches, professional organisations), it may help to consider a specific example. However, there is a problem with selecting any example, as there are so many associations and so many forms of associating. This author works, or has worked for, branches (finance, construction industry), professional associations (notarial services, bar association, accountants, health care professionals) and many semi-government sectors (police, prison system, courts, municipalities, political parties). In the Netherlands we do not have an exact number, but based on a combination of available research my estimate is that there are about 3000 associations with their own staff, of which about 400 set the tone.

Those 400 seem to be doing well. Even in the present economic climate their number of members does not drop. It is still very normal for Dutch professionals to be a member of several associations. Dutch society is built on a consensus between government and social partners (employer and employee associations): the ‘polder’. Under this umbrella, associations have become powerful in their own right.
Still, when talking with their representatives, not one of them is certain of its future. Members are dissatisfied. Free riders are a true problem. It is hard to get qualified board members. Professionals do the management of associations with no actual background in the product or service of the association members. How representative are they truly?
After major incidents with members in almost every major classic association, the base of mutual trust and authority between members and their customers and between the association and the government has come under heavy strain. One of the results is that self-regulation by the members of an association is no longer truly trusted. More and more the government increases its oversight activities and raises the fines. In response, certification schemes and other ‘quality’ related efforts are underway to persuade an increasingly sceptic customer that the association and its members can still be trusted. Almost all of have some form of ‘Governance Code’ to ensure there are no more ‘rotten apples’.

Meanwhile, something else is going on.

Network associations

For those who know or are on a social network like Linkedin: a country like the Netherlands has about 72.000 ‘groups’ of professionals on this network alone. This figure rises by hundreds every week. This fast rise, flourishing and floundering of these associations is a certain indication that people, and especially professionals, connect themselves in fundamentally different ways. It is free of charge, free of social obligations and it seems to be free of ‘empty status posturing’. In short, ways to have a free ride in society.

The end of this development is not yet in sight, though it seems so far that association through social media does not really replace the function of classic associations. More transformations are definitely on their way. The real questions are not technological. They have to do with the way people increase their network and the value they attach to this. There is some research that suggests that people are not able to form more than about 150 meaningful relationships, with a hard core of about 15 (mostly family). So what is a person doing with 10.000 followers on Facebook? Probably it has to do with the potential network: the promise of more customers and moments of recognition.
It is in this potential that the question must be answered whether or not a classic association offers more or less chances of being effective than some form of digital connection.

The sociology of association

All the above leads to the need for a free appraisal of the way we organise ourselves by association, and how we use governance to do that. Fortunately, not everything is new. In a way we are just revisiting what is perhaps the oldest question of the social sciences: what defines a group? One of the first great thinkers on this question was Emile Durkheim. In his approach a group is defined by its boundaries: when is someone allowed entry to a group, when is that person forced to exit the group? Especially the process of entry is highly formalized and ritualized. It is a reason to speak of ‘attribution sociology’. The clothes members wear, the symbols they wield; everything indicates a membership. In the end, that is why a judge is fond of his black toga and a doctor puts on his white coat every day. In our less obviously symbolic days we seem to have replaced this with management symbols: certificates, performance indicators, codes. Exit is also formalized, and guarded by audit systems and other internal oversight systems.

It seems like there is a new definition of a group coming up. Membership cannot be described by any formal attribute, not even a membership card. What counts is the number of ‘followers’ or the size and nature of your business partners. By no coincidence this is called ‘network sociology’. The central difference with attribution sociology is that there are no formal exit and entry conditions.

In reality this distinction is not so easily made. There are more than enough classic associations that have entry conditions that are very impressive on paper, but in fact accept any member that pays the membership fee. The forced exit of members in the network sociology can be far more brutal (‘you ‘re spam, you ’re blocked’) than with associations in the attribution sociology (‘we need the fee’).

To get an insight in what is happening, it helps to create a matrix, but with an extra twist. On the vertical axis a distinction is made whether or not the association has formulated strong entree and exit conditions. It confronts attribution sociology with network sociology. To make it more meaningful, the horizontal axis makes a distinction between the use of closed or ‘hard’ standards to determine entrée or exit, and open or ‘soft’ standards. It can happen that an association uses hard criteria, but does not actually forces any member out when closed criteria are applied. In that case the association should be placed in the left side upper corner, etc.

You could say that in the lower left hand corner entry and exit is pre-dominantly done through the hard criteria of an association, in the upper left hand corner it is ultimately done by the market. In the upper right hand corner entry and exit is determined by the new business opportunities as they arise or the lack thereof. The lower right hand corner is founded or disbanded by those who belong to ‘a coalition of the willing’.

s1.two sociologies

Scheme 1. Two sociologies.

A move towards more open standards

The public libraries want to be recognized as such, if only because their funding can depend on it. So they created a certification scheme. After a successful audit a public library can get a plate to put on a wall near the entrance, effectively saying ‘we are part of the system of public libraries’. So far the Association of Dutch Libraries (VOB) has, with the consent of the Dutch Association of Municipalities (VNG) held two certification rounds. A third is under way, to be designed by a committee that consists half of representatives from the libraries and half of the municipalities, with this author as an independent expert. What is described here is a stylized version of events. The matrix is also useful in the light of the discussion on governance, if only because a cultural government code is part of the certification scheme.

The members are on the whole satisfied with the certification scheme. It should be noted that not a single public library actually failed the audit. Even so, for the third round an assignment was formulated that expressed a wish to modernise the approach. An approach was chosen that aimed for a far shorter standard. For the new round it was also decided that the process of auditing should be more aimed at the actual dilemma’s the leadership of the library faces.

A short standard does not have to mean an open standard. The formulation of specific minimum standards can always help as a reality check. However, in this case it proved to be very hard. For one thing, because of automation, the usual standard of minimum number of opening hours could no longer be applied: libraries can be open 24/7. And for another, the municipalities insist on making their own standards as to what the minimum standards should be. The collected libraries should not encroach on this freedom.

So for both positive and negative reasons, closed standards were to be left behind. On the other hand, the audit was to have more bite. An audit leading to an exit is not unlikely.

S2.from closed to open standards

Scheme 2. From closed to open standards.

Too open for comfort

However, as rational as this all sound, it has an impact on existing positions that could not be ignored. Even though an interview round had shown overwhelming approval for the new approach, in an official gathering of members, a number of the bigger libraries protested fiercely. They wanted to keep the standard as it was, or if it was to be changed, with stricter minimum standards. The effect was a sort of reality check for the committee. This is interesting for a number of reasons, part of them very old, part of them new:

  • closed standards have the advantage of clarity;
  • by their nature associations can not go much faster than the members that have most to gain by keeping the status quo;
  • in the field there is no real consensus as to the question what a public library stands for;
  • some libraries define the issue of standards in terms of a permanent conflict with te government, especially with the municipalities;
  • as the impact of digitization is not really clear for many, the impact the committee foresees on standards is not in the same way shared by the members.

And two other things come to the surface. Based on his PhD research into audit systems, a colleague said to this author, that there are examples of audit systems moving from open standards to closed standards, but not the other way around (Stevens, 2012).

The other thing that stuck out from the reasoning of one of the major opponents has directly to do with the subject of this article: governance. The certificate is used to show the governing board that as a director he has the organization under control. There is no need to turn the certification scheme into more than this. In other words, it is used to keep the board at bay, not to inform them.
At this moment of writing, the committee is continuing its work, taking into account all comments and developments. In the Dutch fashion, this is now a very open discussion. It will truly be interesting to see what the new certification scheme will be, but we will get there.

Meanwhile, there is this to consider. What if governance is used to actually keep the status quo as it is? What if governance is only there to regulate the system within an organization, within an association?

S3.reaction to move

 

 

 

 

 

 

 

 

Scheme 3. A reaction to the move towards more open standards

The future has not happened yet

The reality is that while the association of public libraries and many other associations are still using governance as a way of internal control, at the same time others are creating a new reality. Of course there is a shift from books to eBooks, but so far that is not really changing the role of public libraries. At least as interesting is for example a development whereby people are making the content of their own private libraries accessible through Internet, creating their own exchange of books. Other initiatives involve new techniques to get children to read and older people to keep on reading. In short, all the functions that a public library can fulfil, can now be done from home.

This is not to say that the function of the public library will disappear. The reverse might be true: the professionals of the public libraries are probably needed to give this development the momentum a society needs. And perhaps private networks will consolidate into associations that are running something like a public library. One thing seems sure: there will be more and not less variety in solutions. In this time of transformation a big jump looks more likely than an incremental improvement of the existing library system.

Engagement

So what then does this mean for the future of governance? If classic governance is too much focussed on the individual company or organisation, and global governance is too large in scope, than the level of association looks like the next logical level for a governance debate. But to what should this debate lead? More associations? But what if most of the present associations are more part of the problem than of the solution? What we see on the one hand is a clash between classic associations based on attribution sociology, with strong but mostly formal entry and exit criteria. On the other hand we see a largely unknown, and mostly digital, way of forming networks of persons with at least some shared goals. Classic associations need to transform to network associations and vice versa. What is now a clash, should lead to a cycle where old associations get renewed and new associations are formed.

As yet it is a cycle with a hole at its centre: those who are not a member and those who are unorganised, even in our network society. Also those people and businesses that would or should have belonged to the middle of society but are now part of those who are ‘connected in isolation’.

The active word here should not be ‘association’; it should be ‘engagement’. Engagement leads to association. The governance of engagement is then directed at the way engagement takes form and the conditions under which it takes form.

S4a.Cycle of associations S4b.more engagement

 

 

 

 

 

 

 

Scheme 4a. Cycle of associations

Scheme 4b. More engagement

From a flock of birds to …

There are examples where this is happening. An interesting example is the way the World Wildlife Fund, with millions of members, has transformed itself with the help of a very active virtual community. Many associations are looking with interest at the way in the US the Obama campaign organization has managed to engage people in a campaign that was almost as much about forming an active community as it was about politics.

But there are risks here. Yes, we can change, but into what? We see the success of network associations in the way the Arab Spring came about; we see its failure in its aftermath. A network association uses the rules of a leaderless flock of birds (Ball, 2004). The three basic rules are:

–       you always keep an eye on the birds in your line of sight;
–       you go to the middle of the flock;
–       you prevent yourself from crashing into other birds in the flock.

It is (almost) that simple. And simple is good in a complex world. But these rules do not show you where to go or why to go there. Classic associations do. They were instituted for a reason: for example to ensure health care at a high level (doctors), to have a strong and independent judiciary system (lawyers) and to have a low threshold to knowledge (libraries). These reasons always have deep roots, but they provide a society with stability and high codes of conduct. So if we combine simple rules with reasons that have deep roots, you get the contours of a new government of engagement.

 

Peter Noordhoek is director of Northedge BV, a consultancy and education firm in the Netherlands. He has consulted and written extensively on quality, audit and oversight issues at both the level of organizations and associations.

Thank you Raymond Saner and Lychia Yui for hosting the 20th anniversary meeting of CSEND, the Centre for Socio Economic Development. It was a truly inspiring event.

Some literature

A. Baker, D. Hudson, R. Woodward, ‘Governing Financial Globalization: International political economy and multi-level governance’, Routledge/Ripe, Abingdon, Oxon, 2005.
P. Ball, ‘Critical mass’. Arrow, 2004.
M. Battles, ‘Library. An unquiet history.’ Vintage, 2003.
A. Manguel, ‘The library at night.’ Knopf, Canada, 2006.
G. Marks, ‘Structural policy and Multi-level governance in the EC’ in: A. Cafruny and G. Rosenthal (ed.) ‘The State of the European Community: The Maastricht Debate and Beyond’. Boulder, 1993, pp. 391-411.
R. Stevens – Met open vizier. Auditing als stimulerende interventie. Dissertatie. Universiteit Tilburg, 2012.
A. Zolli, ‘Resilience.’ Headline, 2012.
R.J. in ’t Veld – Duurzaam openbaar bestuur vereist kanteling in Nederland. Inaugurele rede Universiteit Tilburg, 7 februari 2014.

 

Burgemeester in overgangstijd

Sybrand Buma en zijn voorstellen voor hervorming van de democratie

Mijn blog over de ‘Kleine Tikken Theorie’ heeft mijn download-record gebroken. Leuk, echt leuk, maar ook mild frustrerend omdat een uit de losse pols geschreven prognose voor een verkiezingsuitslag duidelijk meer doet dan mijn andersoortige teksten. Ik ‘troost’ mij met de gedacht dat Sybrand Buma dit weekend hetzelfde gebeurde met een reeks staatkundige voorstellen. Het gaat zoals het gaat, maar ik heb dus het gevoel dat er een balans moet worden hersteld. Wil ik echter al zijn voorstellen recht doen, dan wordt het wel weer een lange blog.

Verschillende volgorde, voorspelbare aandacht

Het meest vernieuwende element in wat Sybrand bracht is het voorstel voor ‘het recht op buurtinitiatief’ (een Nederlandse variant op het Britse ‘right to challenge’). Het voorstel past helemaal bij de situatie van nu, net zoals het naadloos past bij de ideologische oriëntatie van de partij. Het heeft nog geen noemenswaardige aandacht gekregen, al start hij er zijn interview in de Volkskrant mee. In mindere mate geldt hetzelfde voor het voorstel om over te gaan op een ‘Duitse’ combinatie van een districten- en lijstenstelsel. De technische en tactische kant ervan wordt opgepakt, de onderliggende paradigmawisseling (nog) niet. Waar de aandacht bovenal naar uitgaat is de wijziging in het standpunt ten aanzien van de gekozen burgemeester. Tussen de bedrijven door wordt enthousiast gereageerd op de gedachte om voortaan alleen nog maar permanent een zetel te gunnen aan iemand die er op eigen kracht van voorkeursstemmen in een raad, staten of Kamer is gekomen. Weg met de ‘volksvertegenwoordigers’ die op de slippen van een partij ergens binnenkomen en vervolgens blijven zitten als ze niet meer in die partij willen of mogen passen.

Bredere boeggolf

Toen de CDA-fractie er voor koos om niet mee te doen met de gedoogcoalitie, schreef ik dat ik het met het besluit eens was, maar dat ik de basis ervoor te smal, teveel een financieel-economisch verhaal vond voor zo’n stijlbreuk. Ik hoopte snel een ‘bredere boeggolf’ te zien. Mijn verwachtingen worden overtroffen. In de ‘7 principes’ valt een basis te zien en die wordt nogal ad hoc, maar in ieder geval vrij snel ingevuld. In de laatste twee weken alleen al is er een stevig MKB-verhaal vanuit de fractie gekomen, een pensioenvoorstel vanuit het WI dat zowel theoretisch als praktisch van hoog niveau is en dan nu een reeks staatskundige voorstellen. Chapeau. Het voelt heel anders aan dan de omslag die er in de oppositieperiode 1994-2001 werd gemaakt. Het is minder sluitend, meer ingegeven door politieke pragmatiek, maar de tijd gaat ook sneller dan in die oppositieperiode en de ploeg die het moet doen is kleiner.
De vraag is natuurlijk: is het genoeg, zal het houden? Ik ga hier de belangrijkste voorstellen van dit weekend langs en ja, ik zal de mediavolgorde volgen. Echter wel vanuit de gedachte dat wat de eerste impact heeft, lang niet altijd de meeste impact hoeft te hebben.

Gekozen burgemeester: meer dan een aarzeling

‘Na lange aarzeling’ (Volkskrant) is het CDA ‘om’. Aarzeling? Dat is mild uitgedrukt. De omslag rond de gekozen burgemeester raakt het hart van een in bestuurlijk opzicht conservatieve partij: moet je wat waardevol is gebleken inruilen voor iets dat minder goed werkt, maar wel beter bij de tijd past? Sybrand toont leiderschap door te verwoorden dat het oude beeld van de door de Kroon benoemde burgemeester niet meer bestaat en dat wat ervoor in de plaats is gekomen – vertrouwenscommissies vanuit de Raad – in deze tijd van transparantie en polarisatie niet kan werken. Ik weet niet of hij het beseft, maar de zoon van een Christen-Historische burgemeester treedt daarmee in de voetsporen van de fractievoorzitter van het CHU Mellama, als deze bij de Algemene Beschouwingen van 1969 zegt ‘dat we in een revolutionaire situatie leven’ en dat hij ‘de afbraak van de tegenwoordige structuren welbewust en weldoordacht onder ogen moet zien’.*

Sybrand zegt eigenlijk: laten we onder ogen zien dat de gekozen burgemeester er al is, maar dat deze niet gekozen wordt op een manier die past bij de samenleving van vandaag. Juist vanuit zijn conservatieve achtergrond mag hij dat zeggen.

Pacificeren als praktijk

Mijn eigen beeld wordt bepaald door mijn ervaringen een aantal jaren terug. Toen had ik van tijd tot tijd het voorrecht om met degene die binnen de fractie de portefeuille van burgemeestersbenoemingen had van gedachten te mogen wisselen. Vanuit mijn bestuurskundige achtergrond stond ik wantrouwend tegenover dat ‘achterkamertjes’ proces van benoeming, maar door die gesprekken ben ik het gaan zien voor wat het vooral was: een manier van pacificeren van het (te) persoonlijke in de politiek. De aard van de Nederlandse burgemeestersrol is die van een gezagsdrager die boven de partijen staat. De kwaliteiten die daarvoor nodig zijn groeien niet vanzelf en zeker niet in elke gemeente. Er moet dus over grenzen heen worden gezocht.
Dan is historisch gesproken de logische lijn de partijlijn. Wat ik er dan van mee heb gekregen is een heel erg in de praktijk gevormde, maar beslist professionele manier van kandidaat beoordeling. Parttime, naast zijn of haar Kamerwerk, is de portefeuillehouder bezig met het ontvangen van kandidaten en het luisteren naar meningen. Altijd wordt er naar duizendpoten gezocht, meestal worden kandidaten met minder poten gevonden. De beste daarvan worden naar voren geschoven. En al die tijd is het een proces dat zich binnen een gezelschap van gekozen mensen afspeelt, alleen op landelijk in plaats van lokaal niveau. Als altijd is het een systeem dat gemaakt en gebroken wordt door de kwaliteit van degenen die de keuzes maken, vooral de portefeuillehouder, maar dat zijn bepaald nooit de slechtste parlementariërs geweest.

Dat systeem is nu doorbroken. De vertrouwenscommissies werden leidend. In die zin wordt de burgemeester al gekozen.  En ondertussen klopt de oude werkwijze van partijen als het CDA niet meer. In plaats van dat de kandidaten vanzelf naar de portefeuillehouder kwamen, moest de portefeuillehouder nu als het ware naar de gemeente – alle ruim 400 gemeenten – toe, maar nu als ‘HRM-functionaris’, lobbyist en verkenner. Dat werkt niet. Partijen die centralistischer zijn georganiseerd dan het CDA – de VVD voorop, zie het NRC van vorige week – hebben van de nood een deugd gemaakt door hun scouting sterk te verbeteren.
Ondertussen is de situatie op lokaal niveau voor alle betrokkenen eerder moeilijker dan makkelijker geworden. Nooit zijn de verwachtingen van burgers over hun burgemeester hoger geweest. Nooit hebben ze minder te vertellen gehad. Nooit is het makkelijker fout gegaan.

Koormuziek

Ons politieke systeem is als een meerstemmig koor. Je hebt alleen maar plezier aan het stuk als de stiltes net zo gedoseerd zijn als de stemmen. Als alle stemmen tegelijk klinken hoor je zelfs je eigen stem niet meer. Bij genoeg geluid wordt de vraag om stiltes meer gehoord. Het oude systeem kan niet meer voor de stilte van een Kroonbenoeming zorgen en dat systeem krijgen we ook niet meer terug. Buma constateert het. Het systeem van de vertrouwenscommissie zorgt op teveel plaatsen voor eerder meer dan minder geluid. Buma wrijft onze neus er in. Er moet dus een ander soort stilte komen: die van het kiezersmandaat. Buma laat nog open of dit door de raad of door de bevolking moet worden gedaan, maar als hij ondertussen over de noodzaak van meer democratie spreekt, is volgens mij zijn voorkeur wel duidelijk.
Ik vrees dat zijn analyse klopt en dat ik mijn weemoed naar het oude systeem ter zijde moet stellen. Tegelijk zegt mijn intuïtie me dat we de stilte zo niet werkelijk terug gaan krijgen. Als dat gevoel gedeeld wordt, zullen de partijleden maar schoorvoetend meegaan.

Kiesstelsel: paradigma wisseling

Dan Buma’s voorstel om het kiesstelsel naar Duits model aan te passen. Het is niet de eerste keer dat dit voorstel wordt gedaan. Door het CDA zelfs nog in 2012, voor het verkiezingsprogramma van toen. Ik hoorde bij degenen die toen het woord hebben gevoerd tegen dit idee. Een idee wat het uiteindelijk ook niet zou halen. Ik vond het een ingewikkeld verhaal en je moet niet als je zwak staat terugkomen met een verhaal dat niet wordt begrepen. Wat ook een rol speelde was dat ik als vertegenwoordiger van het Groene Hart in Zuid-Holland (met een stuk Utrecht erbij ong. 1 miljoen inwoners) eerder in de klem zou komen te zitten bij dit voorstel dan er bij zou winnen. Want zo gaat het: dit is het soort voorstel waarbij partijmensen altijd eerst naar het eigen voor- of nadeel kijken. Mij is het ook niet vreemd.

En nu wordt het opnieuw gelanceerd. Ik heb nog steeds serieuze bedenkingen over de praktische werking, vandaag nog eens bevestigd door een scherpe analyse van Simon Otjes van het Documentatiecentrum Politieke partijen: http://stukroodvlees.nl/kiesstelsels/bumas-curieuze-kiesstelsel/

In 2012 zou het volgens hem op basis van Buma’s voorstel er op neergekomen zijn dat VVD en PvdA alle districtzetels zouden hebben gepakt, in 2002 zou het CDA nagenoeg alles hebben weggevaagd. Hem is niet duidelijk wat een ‘kleine partij’  als het CDA er bij te winnen heeft. Mij staat bij dat het precieze voorstel van een paar jaar geleden een genuanceerder beeld liet zien dan wat nu met een snelle statische doorvertaling wordt geschetst, dus het w achten is nog wel op het precieze voorstel.

Voorstel voor de randen van het land

Want er is reden om Buma’s voorstel serieuzer te nemen dan twee jaar geleden. Bij het voorstel over de burgemeesters gaat het vooral om het zetten van een stap in een richting die anderen al willen gaan. Hierbij gaat het om een stap die iedereen nog moet zetten, maar waarbij de bereidheid om die te zetten groter wordt. Aan de ene kant is er de klacht over de onbestuurbaarheid door versplintering en het veronderstelde gebrek aan kwaliteit van de vertegenwoordigers. Aan de andere kant is er de klacht dat mensen zich niet vertegenwoordigd weten door wie ze in Den Haag rond zien lopen. Dat geldt zeker voor de regio’s aan de randen van het land. Beide klachten kunnen gerelativeerd worden. In de jaren zestig waren er op een gegeven moment 14 partijen in de Tweede Kamer vertegenwoordigd (meest afsplitsingen van Ruzierechts: toen Boer Koekoek, nu de PVV). Erger dan nu dus. Maar dat was wel voor de tijd dat elke versnippering nog eens verder werd versnipperd in duizend tweets. En voordat een regio als Brabant hard op uitspreekt meer van Brussel te verwachten dan van Den Haag. En voordat de decentralisaties van het sociaal domein tot samenwerkingsverbanden van een half miljoen inwoners en meer gaan dwingen, waar geen schaalvergroting van gemeenten tegen op kan.

Buma heeft gelijk om toe te willen naar een systeem waar de politicus dichterbij is dan nu.
Dat heeft een tactische dimensie: de partij die komt met het beste verhaal om dat te bereiken mag de mantel van veranderaar aantrekken; een positie die op dit moment vacant is. D66 heeft die positie niet meer. PvdA en VVD wordt die positie voorlopig niet meer gegund, de andere partijen moeten te ver van de flanken komen of hebben hun smalle positie te verdedigen. Maar ik denk dat de strategische dimensie zwaarder weegt: als er geen antwoord komt op de vraag wat de democratische vorm van morgen wordt, zullen alle partijen af gaan glijden.

Baas in eigen buurt

Ondertussen is de verschuiving van politiek naar samenleving al aan de gang. Misschien is dat wel het grootste probleem voor een partij als het CDA: zien gebeuren wat je altijd hebt bepleit, maar voor de verkeerde redenen en zonder je er krediet voor krijgt of afstand van kan nemen. Zal het recht op buurtinitiatief dit dichter bij brengen? Waarschijnlijk niet zonder meer. Toch; als er voldoende andere voorwaarden naast worden gezet (betere benutting van coöperatievormen, fiscale voordelen voor het overnemen van overheidstaken, etc.) kan wat nu nog te incidenteel is wellicht structureel is. Ik ben er een groot voorstander van, maar ik denk ook dat we met z’n allen gruwelijk verslaafd zijn aan een optredende overheid. Het ‘right to challenge’ zal echt wat moeten voorstellen wil het een methadon behandeling mogelijk maken. We zullen het zien. Ondertussen doet Buma met een voorstel als dit een stap in de goede richting.

Terug naar nu

De raadsverkiezingen naderen. Vorige week schreef ik over mijn ‘Kleine Tikken theorie’. Die wordt nogal ruim geïnterpreteerd, zoals ik heb gemerkt. Ik bedoel er vooral mee dat in een situatie van behoorlijke stabiliteit in kiezersvoorkeuren – en dat lijkt ondanks alles nu het geval te zijn – kiezers bereid en in staat zijn om de kleine tikken te horen zoals die nu op lokaal niveau worden uitgedeeld en die ze anders niet zouden horen of negeren. Dat kan betekenen dat ze op het niet-landelijk niveau iets anders gaan stemmen dan ze anders zouden doen.

Wat Buma nu doet valt dus niet onder de ‘kleine tikken’. Hij deelt een paar grote klappen uit in een niet onverdienstelijke poging de nieuwscyclus te beheersen. Mijn aandacht blijft bij wat op lokaal niveau gebeurt: elk jasje dat wordt gesignaleerd, elk bord dat als een rokje om de lantaarnpaal gaat, elk verhaal over ‘maar ze hoorden me ook al toen er geen verkiezingen waren’. Het wordt spannend.

 

Peter Noordhoek


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek