Maandelijks archief: januari 2014

Een gedicht bij gedichtendag

Omdat het gedichtendag is:

 

Ze neemt haar rillingen mee
fietsend in de diepe avond
langs de lange Bloemendaalse weg
Ze voelt: griep. Hoopt van niet.
Bedenkt, vraagt zich af, of
guur de tegengestelde
versterking van onguur is
en rilt opnieuw

Het stoplicht halverwege
wordt een doel, iets om
snel
trappend
pompend
te halen
Het achter te laten
Dat lukt en
groen wordt net geen rood

Dan duwt de wind
weer vol in ’t gezicht
en haalt de kou
samen met flarden
van de kreten
van de jongens
eerder
langs de kant
haar in

Guur, onguur

PN ’14

Over raadsverkiezingen en de Kleine Tikken Theorie

De campagnes starten op, het rumoer neemt toe en de eerste peilingen voor de raadsverkiezingen zijn verschijnen. Eerder heb ik in mijn blog van 29 december 2013 een voorspelling gedaan voor de uitkomst van zowel de raads- als de Europese verkiezingen en tot mijn plezier is dat breed gelezen. Hier zal ik mij helemaal op de raadsverkiezingen concentreren. Nog steeds heb ik het idee dat de landelijke peilers en analisten ernaast zitten. Niet omdat ze zo fout peilen – ik ben blij met de bescheidenheid van De Hond, die het complex noemt – maar omdat ze de fout maken vanuit landelijke trends naar de raadsverkiezingen te extrapoleren. Ik probeer dat deels andersom te doen en kom dan op andere uitkomsten.

De consensus van nu

Eerst even de consensus van deze voorlaatste week van januari:

  • de opkomst zal laag zijn. Peiling De Hond van 26 januari jl.: wellicht minder dan 50%, was 54% in 2010
  • lokale partijen gaan het goed doen (De Hond: tot 25% beter, landelijk opgeteld)
  • VVD en PVDA gaan krijgen dubbel slaag: matig ten opzichte van 2010, enorm ten opzichte van de landelijke verkiezingen in 2012. Ook GL moet stevig inleveren
  • het CDA ook, vooral door de relatieve achterstand ten opzichte van de verkiezingen van 2010
  • gedoogpartners D66 en SP en CU/SGP worden landelijke opgeteld de winnaars
  • PVV doet slechts in 2 gemeenten mee, maar wordt daar met gemak de grootste
  • de andere kleine landelijke partijen pakken overal hun graantje mee, op Groen Links na

De Hond vertaalt het vandaag zo in zetels (Ipsos heeft nog geen raadsprognose):

Bron: Peil.nl 26-01-2014

Bron: Peil.nl 26-01-2014

Er lijkt alle reden om het hier mee eens te zijn. Tenslotte vertonen de peilingen al een jaar ongeveer hetzelfde beeld, ook al is het sentiment rond het kabinet gekanteld. Toch valt, op het punt van de opkomst na, op elk van deze punten het nodige af te dingen. En voor het eerste punt moet goed nagedacht worden over de vraag welk effect het zal hebben. Zelf zal ik deze verkiezingen benaderen van uit mijn ‘Kleine Tikken Theorie’. Deze gaat er vanuit dat in een situatie dat landelijke verhoudingen stabiliseren, c.q. elkaar in evenwicht houden, de ruimte relatief groter is voor lokale partijen en afdelingen van landelijke partijen om zich met goed ingestoken standpunten en campagne-uitingen te profileren.

Zou het echt?

Rekening houdend met de verwachte lage opkomst, zijn er toch wat punten die doen twijfelen aan de consensus. Zou het echt?

  • Gerekend mag worden met 4% of nog lagere opkomst dan in 2010: toch een fors grotere ruimte die per saldo ten gunste komt van de lokale en landelijke middenpartijen.
  • Vooral de PVV-kiezers blijven weg. De PVV gooit alles op de Europese verkiezingen. Wilders moet zijn eerste opvallende uitspraken over de gemeenten nog doen. Omdat de lokale hechting de afgelopen 4 jaar miniem is gebleven, betwijfel ik of de partij de grootste wordt in beide steden
  • Mijn schatting is dat het hoogtepunt van de groei van de lokale partijen achter de rug is en nu met een klein plusje op 21-22% zal uitkomen. Ja, lokale partijen profiteren van de personificatie van de politiek. Ja, er is veel afkeer van de landelijke politiek. Daar staat tegenover: nee, lokale partijen besturen evident niet beter dan lokale afdelingen van landelijke partijen en nee, want die lokale afdelingen zijn er steeds beter in geworden lokaal herkenbaar te opereren.
  • D66 profiteert van de landelijk positieve profiel, maar die impact zal beperkter zijn dan gedacht. Behalve in de grotere steden hebben ze nog niet de aanwezigheid waar het nu op aan zal komen. Pas over 4 jaar worden ze zo echt de brede dreiging voor zittende regeringspartijen – als ze dat zelf niet worden.
  • CU en SGP zitten in een wat vergelijkbare situatie, waarbij ze er verstandig aan doen om in de grotere steden een lijstverbinding met een grotere partij aan te gaan. De andere kleine partijen kunnen wellicht wat incidentele successen boeken.
  • PvdA en VVD zullen inderdaad een stevige stap achteruit moeten doen, maar door het opkomsteffect zal dat vooral voor de VVD nog meevallen. In elke plaats zijn nu mensen die, net als bij het CDA voorheen, met de partij verweven zijn door posities en carrièrekansen. Voor hen geldt: alle hands aan dek. Dan moet je gevestigde partijen nooit onderschatten. Dus: de PvdA blijft nipt de grootste in Amsterdam en de noordelijke provincies. De VVD behoudt veel van de rijkere randen van stad en land.
  • Groen Links mag, gelet op hun goede resultaten 4 jaar geleden, hopen dat ‘het meevalt ten opzichte van toen’. Ik vrees dat de strijd in de grote steden daar te heftig voor wordt, ook in GL-stad Utrecht.

Veel kleine tikken maken ..

Resteren bovenal SP en CDA. Het zijn de partijen die de afgelopen periode de meeste vrijheid hebben gehad om overal hun ‘kleine’ beleids- en promotietikken uit te delen. Een vrijheid die ze ook in hun campagnes het meeste hebben. Dit is zeker geen universele uitspraak. De SP heeft op lokaal niveau veel blauwe plekken opgelopen en ook het CDA kan worden geassocieerd met ongelukkige projecten en beslissingen. Maar ze hebben niet bijvoorbeeld de last waar de VVD bij de herindelingsverkiezingen in Alphen onder moest zuchten: een impopulair kabinet in combinatie met een wethouder die verantwoordelijk was voor een impopulair centrumproject. Beide partijen hebben de ruimte nu overal aanwezig te zijn en te profiteren van hun lokale kracht.
De signalen zijn er ook naar. Bij het CDA overzie ik dit het best en dan hoor je overal de juiste tikken: gespreide lijst? Tik. Alle wijken en kernen vertegenwoordigd? Tik. Veel nieuwe kandidaten? Tik. De juiste verkiezingsitems? Tik. Websites en social media onder de knie? Tik. Geen landelijke stoorzenders, wel toegewijde hulpzenders? Tik. Lokale politici met pit? Tik.
Zo heel veel tikken bij elkaar en je hebt een doorbraak, zeker als de traditionele ‘negatieve factoren ontbreken (kabinetsdeelname) en vooral: als het landelijke beeld gezet is en mensen zich vrij voelen om op lokaal niveau een andere keuze te maken. Dat laatste lijkt nu aan de hand te zijn. Tijd om – met een knipoog – de Kleine Tikken Theorie in werking te zien.

Wat precies te voorspellen, zonder al te wild te worden? Ik denk dat in het zuiden SP en CDA gaan strijden om de stemmen die niet naar de lokale partij gaan. In het niet verstedelijkte midden en oosten gaat het CDA echt verkiezingen winnen, evenals in veel niet-verstedelijkte plaatsen in het (zuid en noord) westen. De SP zie ik, behalve in het zuiden, nergens echt winnen, maar in veel (middel)grote steden zullen ze niet te negeren zijn rond de College-onderhandelingen. Het CDA zal in deze steden kleiner blijven dan SP, maar ze zullen niet in zetels terug gaan en eigenlijk nog onmisbaarder zijn voor de onderhandelingen.

Per saldo zal het CDA goede kansen maken om die onderhandelingen in het totaal van het landelijke opnieuw te winnen. Of je daar als partij echt blij mee moet zijn gelet op wat je dan voor ellende op het bord krijgt, is de vraag, maar zolang dat het doel is van verkiezingen heeft elke partij het recht en de plicht daarnaar te streven.

Prognoses

Mijn prognose voor de raadsverkiezingen, vertaald naar landelijke percentages:
VVD: 13 (-3); PvdA: 13 (-3); PVV: 1 (0); SP: 8 (+4); CDA: 14 (-1); D66: 11 (+3); GL: 3 (-4); CU / SGP: 9 (+1); overige landelijke partijen 3 (0%. Lokale partijen: 25 (+1).

Met andere woorden: niet radicaal afwijkend van de peiling van De Hond, maar dichter bij het traditionele landelijk beeld dan nu wordt verondersteld. veel partijen mogen zich winnaar noemen. Voor de ‘echte’ winnaar denk ik dat het aankomt op het tellen van de stemmen.

Tot slot de prognose voor de grootste partij in de grootste vier steden:
Amsterdam: PvdA; Rotterdam: Leefbaar; Utrecht: D66; en Den Haag: laat ik eens een journalist nadoen en een tikkie wild zijn: CDA. Wat zijn die daar goed aan het tikken.

 

Peter Noordhoek

Over de doorberekening van toezichtkosten. Een bar slecht idee

Het verticale toezicht is in de ogen van het Rijk te duur. Het horizontale interne sectorale toezicht is in mijn ogen te goedkoop en daardoor niet effectief. Doorberekening van toezichtkosten maakt de situatie erger en op termijn duurder.

Het gaat om de combinatie

Deze week is er op de ‘Toezichttafel’ (www.toezichttafel.nl) een discussie gestart over de doorberekening van de kosten van het financieel toezicht. Deze discussie over toezichtkosten past bij de ‘Toezichttafel’ omdat deze bedoeld is om de discussie over toezicht te brengen op een meer strategisch niveau te brengen.
Ferdinant Mertens heeft daar een lezenswaardige voorzet voor gegeven. Zo lezenswaardig, dat ik het niet kon helpen om te reageren. In deze blog doe ik dat nog eens, maar met meer helderheid over mijn eigen referentiekader. Die komt er op neer dat het beste toezicht stelsel een combinatie is van onafhankelijk ‘verticaal’ toezicht en een niet-vrijblijvend ‘horizontaal’ oordeel over de kwaliteit die bedrijven leveren. De term zelfregulering vermijd ik, want regulering is een misleidende term als het om horizontaal toezicht gaat.
Hier betoog ik dat de combinatie van beide het goedkoopste is, waarbij het verticale toezicht de kleine ‘keg’ is die het horizontale kwaliteitssysteem bij de les houdt. In slechte tijden is die keg groter dan in goede tijden, maar zonder balans komen beide onder druk.
 Als de slager niet zijn eigen vlees keurt, is het geen goede slager. Maar als er niet iemand op de uitkijk staat voor een niet goede slager, krijgt de goede slager toch een reputatie waardoor de klanten wegblijven.

Nog even een verklaring: ik heb geen belangen bij de financiële sector en deel de verontwaardiging die veel burgers voelen over de handelswijze van banken en verzekeraars. Ik deel ook de noodzaak van bezuinigingen. Maar voor mij zijn dat juist redenen om de doorberekening van toezichtkosten aan de sector een schoolvoorbeeld van averechts werkend beleid te vinden. En dat beleid komt nog uit het ministerie van Financiën ook. Weet de minister werkelijk waar hij aan begint?

Afstand naar twee kanten

Hieronder volgt eerst de principiële reden waarom doorberekening van toezichtkosten een slecht idee is. Daarna volgt een praktische reden die gelegen is in het verdringingseffect van de maatregel. Een effect waardoor de sector zichzelf minder goed zal disciplineren. Tot slot trek ik daar nog kort een les uit waardoor het ook macro een maatregel is van het type goedkoop is duurkoop.

Mertens heeft altijd gewaarschuwd tegen het dicht bij de minister positioneren van de toezichthouder. Ook ongewild is er altijd sprake van beïnvloeding. Rob Velders heeft het signaal opgepakt om in zijn nieuwsbrief bij te gaan houden hoeveel oproepen er per week zijn om het toezicht aan te scherpen. Een goed toezichthouder moet dat kunnen negeren en zijn plan volgen, een goed minister kan dat moeilijk.
Datzelfde geldt ook aan de onderkant van het toezichtgebouw. De financiële sector protesteert tegen het doorberekenen van kosten ‘omdat er geen rem op zit’. In directe zin is dat waar, in indirecte zin niet. Bedrijven en hun vertegenwoordigers hebben hun manieren om invloed uit te oefenen. Het is inmiddels weer 30 jaar geleden dat ik mijn studie ‘Deregulering als nieuw begrip’ heb uitgebracht. Die studie richtte zich op de gedragsaspecten van deregulering. Waarom zou een ambtenaar willen meewerken aan wat uiteindelijk zijn eigen positie en budget kan bedreigen*? Het bleek dat veel ambtenaren daar wel degelijk een belang bij zagen, maar ook dat veel bedrijven dat in de praktijk nu juist niet zagen. De werkelijkheid is dat het vooral het bedrijfsleven zelf is dat belang heeft bij regelgeving. Het doorberekenen van kosten aan dat bedrijfsleven is een enorme prikkel om zich met het toezichtbeleid te bemoeien.
Een werkelijk effectieve ‘verticale’ toezichthouder staat op afstand van zowel minister als toezichtobject.

De kostenkant van doorberekening

Dan het praktisch effect van het doorberekenen van de kosten van het toezicht. In een sector als notariaat en accountancy zou het al snel gaan om zo’n 3.-4.000 euro per beroepsbeoefenaar per jaar voor de kosten van het Bureau Financieel Toezicht (BFT). Dat is dus per notaris of accountant, voor een kantoor kan het oplopen. Doen bedragen als deze ertoe? Anno nu? Absoluut. Veel bedrijven in de sector staat het water echt tot aan de lippen. En als dat nu de enige extra kosten waren, maar nee. Dan komt altijd de vraag op tafel: waar kunnen we nog op bezuinigen? En dan dient de kandidaat zich al aan: het eigen interne toezicht. De kosten daarvoor zijn in de praktijk aanmerkelijk lager. Het verschilt, maar voor doorgaans ligt dat in de orde van 2-3000 euro – per kantoor en let op: per 3-4 jaar, afhankelijk van de doorlooptijd van het auditsysteem! Het tuchtrecht zal niet verdwijnen, maar ook dat zal in armslag beperkt worden.
Er is dus een zeer reële kans dat doorberekening van toezichtkosten tot óf forse financiële lasten verhoging leidt voor de sector óf tot de opheffing van het interne toezicht. Waarschijnlijk het laatste.

Is dat erg? Los van oneigenlijke argumenten die wel degelijk worden geuit – ‘het is een mooie manier om de sector te saneren’ – is het geen manier om met een stelsel om te gaan. De effectiviteitsvraag moet natuurlijk wel worden gesteld. Anno 2014 is er dan de neiging om het interne toezicht als totaal hopeloos af te schilderen en strak verticaal toezicht als enige optie, maar is dat wel zo? Mijn indruk is dat het repressief effect van verticaal toezicht wordt overschat en het preventief effect van horizontaal toezicht wordt onderschat. Sinds de crisis is het aantal ‘rotte appels’ dat door verticale toezichthouders wordt ontdekt zeker toegenomen, maar over grote aantallen hebben we het doorgaans niet en vaak is er sprake van erg late mosterd bij de maaltijd (zie recent KPMG). Het overgrote deel van de onder toezicht gestelden blijft keurig binnen de wet of wordt gewoon niet betrapt. Voor hen is de tucht van de markt een veel belangrijker gegeven.

Dure toezichthouders

Nog even voor de goede orde: het BFT is een van de goedkopere toezichthouders. Volgens een overzicht van het FD gaat het bij het AFM over 81 miljoen, bij de Nederlandse Bank om 127,6 miljoen. De koploper vinden we buiten de financiële sector. De NVWA heeft 290,7 miljoen te besteden. In verhouding is de zorg met 58,5 voor de Inspectie voor de gezondheidszorg en 32,9 voor de NZa dan opvallend zuinig – wellicht mede doordat deze sector, ondanks incidenten en tekortkomingen, haar zaken relatief goed op orde heeft. Dan kan het ook goedkoper – zonder doorbelasting.
Nu zal, naar ik mag aannemen, nooit alles van deze kosten naar het veld worden doorberekend, maar toch heb ik een donkerbruin vermoeden dat een interne toezichthouder aanmerkelijk goedkoper is. Voordat bijvoorbeeld de nationale politie werd ingericht was daar voor het interne auditsysteem en de innovatiefunctie zo’n 5 miljoen euro per jaar beschikbaar. Als ik daar in andere sectoren over vertelde konden ze alleen maar jaloers zuchten. Het is overigens ook daar inmiddels zo goed als wegbezuinigd.
Al met al is het mijn veronderstelling dat een sector die echt werk maakt van haar intern toezicht nog altijd vele malen goedkoper is dan het Rijkstoezicht. Terug naar de oude situatie – in 2000 was er bijvoorbeeld nog geen Bureau Financieel Toezicht, dat is pas goedkoop – moet ook niet. Maar zolang de verticale toezichthouder groter in omvang is dan de horizontale moet het systeem als ziek worden beschouwd.

Ingeboekte schade

Nu is er in de Nederlandse beleidswereld weinig dat dreigender klinkt dan de term ‘al ingeboekte bezuiniging’. Er zijn weinig principiële of praktische argumenten die daar doorheen kunnen breken. Dus hoe kan het kabinet wel haar zin krijgen zonder daar een stommiteit voor nodig te hebben?
Mijn pleidooi zou zijn om sectoren, inclusief de financiële, te dwingen een werkelijk volwassen en effectief toezicht op te zetten, inclusief de vangst van rotte appels. De hierboven genoemde bedragen voor het horizontale toezicht laten al zien dat dit toezicht verhoudingsgewijs niet zwaar kan worden genoemd. Dwing daar de sector wel toe. In het kader van de Omgevingswet wordt al gesproken over een vorm van metatoezicht op de interne inspanningen van branches. Ik sta daar wat wantrouwend tegenover – wordt het geen nieuwe vorm van stapeling? – maar als het er op aan komt verdient een kleine(re) maar scherpe verticale toezichthouder in combinatie met stevig intern toezicht de voorkeur. Ja, de sector zal kosten voor het toezicht moeten dragen, maar daar mag dan ook een groter preventief en repressief effect van worden verwacht dan nu het geval is. Ondertussen krijgt de minister van Financiën langs twee kanten zijn zin: lagere toezichtkosten aan Rijkszijde en minder dure incidenten aan sectorzijde. Dat is toch beter dan later in de krant te komen over de introductie van een maatregel waarvan iedereen op z’n klompen kan aanvoelen dat die niet klopt.

 

Peter Noordhoek

Auteur ‘Branchebrede kwaliteit’. VM uitgevers, 2011. Werkend aan dissertatie over het thema branchebrede kwaliteit.

 

* D.P. Noordhoek – Deregulering als nieuw begrip. Een vergelijkende studie Nederland en Verenigde Staten. Kluwer Post Scriptum prijsvraag, Deventer, 1985.

Het compromis is dood, leve het compromis

Thomas L. Friedman publiceerde zaterdag een blog over de ‘Second Machine Age’. Hij doet dat onder de titel ‘If I had a hammer’. Hier betoog ik dat hij meer aan compromis heeft.

De vergadering was productief, de sfeer was goed, er was niets aan de hand. Wat restte was een agendapunt waarop we wat van mening verschilden. Kan gebeuren. Eén van ons maakte aanstalten om een oplossing voorstellen. Maar hij vond het wel nodig eerst een aanloop te nemen via deze verontschuldiging: “Jongens, ik weet dat het polderen is, maar als we het nu zo doen ..” Het was een prima voorstel en zo besloten we.

Wat bij mij bleef hangen was dat hij meende zich te moeten verontschuldigen voor het aandragen van een compromis. Waar zijn we in hemelsnaam mee bezig als we ons daar al voor moeten verontschuldigen? En dat gevoel herinnerde ik mij toen ik vandaag in de New York Times het artikel las van Thomas L. Friedman. Friedman – auteur va o.a. The World is Flat – zal opnieuw furore maken met deze blog. Hij beschrijft – sterk leunend op een boek van Brynjolfsson and McAfee¹ – daarin de ‘Second Machine Age’ en hij start zijn verhandeling daarover met een anekdote over nota bene Jan Hein Donner, de schaker. Gevraagd hoe deze het op zou willen nemen tegen de toen gloednieuwe IBM schaakcomputer, geeft Donner dit antwoord: “Met een hamer”.

Friedman beschrijft vervolgens in zijn ‘If I had a Hammer’ (NYT, 11 Jan. 2014) hoe verleidelijk het is om met zo’n antwoord te komen als we ons tegenover de overmacht aan technologische innovaties gesteld voelen. We omarmen alles en willen tegelijk alles op armlengte houden. We zijn boos omdat we de nieuwe Google bril nog niet in Nederland kunnen kopen, maar iets in ons wil dat we bovenop dat ding op straat op gaan dansen. We moeten dus in opstand komen. In opstand tegen die alom aanwezige technologie, ons gedrag veranderen, minder materialistisch zijn.
Jawel, jawel. En dan dus niets meer.

Denk er nog maar eens goed over na. En terwijl u nadenkt, weet dan dat in het kader van Moore’s Law de rekenkracht van Donner’s nemesis niet meer dan een fractie is van wat ergens in weer smartphone verstopt zit en dat die smartphone van u in verbinding staat met meer computers dan u tellen kunt. En het is deze gecomputeriseerde computerkracht die in het kader van deze ‘Second Machine Age’ echt voor een verandering gaat zorgen. Het gaat er voor zorgen dat we echt veilig over de weg kunnen zonder ooit te verdwalen, dat klachten altijd vriendelijk worden afgedaan en we altijd precies weten wat onze financiële situatie is. Het gaat er ook voor zorgen dat velen van ons zich verslagen en ontslagen weten, net als Donner – maar anders dan Donner niet meer weten waar we met onze hamer naar toe moeten.
Als ik er dan over nadenkt wat hetgeen is waar die ‘combinatorial advances’ nog niet bijkomen, wat uniek is voor ons mensen, dan probeer ik het tegenovergestelde te bedenken van een man die manisch met een hamer op een computer slaat. En waar kom ik dan op uit? Wat is waarschijnlijk het meest tegengesteld? Het compromis.

Het compromis als een manier van voorstellen doen, geven en nemen, inschattingen maken en besluiten nemen – tijdelijke besluiten nemen. Heel menselijk – en alles waar we hier binnen onze Nederlandse cultuur op zijn gaan afgeven. Laat ik het eens op een rij zetten. Eerst geef ik drie redenen waarom het compromis slecht, passé is. Daarna drie om het compromis en daarmee de polder weer in ere te herstellen.

Het compromis is overbodig

Met de informatie die ons nu ter beschikking staat, hoeven we niet meer te raden naar de meest optimale oplossing: die is berekenbaar, googlebaar. Met de nieuwe technologie hoeven we niet meer met het gemiddeld rekening te houden. Na een paar klikken kunnen we het meest briljante, excellente ter wereld bestellen. Het is gewoon een kwestie van durven besluiten. Bovendien, ik heb gelijk. Dat hoort u en ziet u aan mijn lichaamstaal.

Het compromis zoeken kost teveel tijd

We kunnen niet blijven praten, daar zijn de problemen te groot voor. Het gaat om daadkracht. Bovendien doet iedereen toch waar die zelf zin in heeft. En hoor eens: wie betaalt, bepaald. Dat is wel zo zuiver.

Het compromis is een teken van zwakte

Als jij toegeeft, heb jij verloren. En dan kom je zeker niet op TV. Ik heb niemand anders meer nodig, kan prima voor mezelf zorgen. Waarom zou ik dan een compromis sluiten?

Daartegenover komt dan:

Compromis is het enige wat we hebben

Alles wat berekenbaar is, is berekenend. Zo bezien leent weinig zich nog voor het loven en bieden dat bij een compromis hoort. Maar is dat wel zo? Is er niet ontzettend veel dat letterlijk en figuurlijk onberekenbaar is? Laten we dat opzoeken, al is het enige wat ons nog rest: het menselijke zal ons redden.

Compromis is de nieuwe trefplaats

Technologie laat zich niet ontkennen, maar kan ook niet brengen wat het leven de moeite waard maakt: respect, plezier in het spel, de wrijving van het contact. Het schijnt dat gebrek aan sociaal contact een grotere killer is dan roken. Waar compromissen worden gesloten, wordt samen geleefd en hebben ook gewone, gemiddelde mensen een kans.

Het compromis is een teken van kracht

Bij een goed compromis lopen altijd winnaars weg. Als we de kunst van het compromissen sluiten hebben verleerd, dan is dat omdat we de kunst van het samenwerken hebben verleerd.

Als de kracht van computers nu wordt dat ze zo goed kunnen samenwerken, wat is dan het enige wat we daar tegenover kunnen stellen? De kunst van het samenwerken, van het compromis. Vooral op die punten wat computerberekeningen nog lang niet toelaten en wat te vinden is in dat onnavolgbare brein van ons. En als we de technologie niet als onze tegenstander zien, dan is het ook hetgeen ons in staat zal stellen het beste te halen uit wat de techniek ons te bieden heeft. Vermijdt het grote verlies, smeed een compromis.

 

Peter Noordhoek

 

www.northedhe.nl

 

¹ Erik Brynjolfsson and Andrew McAfee’s (2013), “The Second Machine Age”

Wanneer is eenzaamheid een keuze?

Een fijn iemand is overleden. Op de eerste dag van het nieuwe jaar. Jan Nederhoff was een ondernemer en Gouwenaar ‘uit één stuk’. 90 jaar. Heel lang goed gezond en volgens mij zijn hele leven goed bewust van waar hij stond en wat hij deed. Voor mij zo’n oudere die heel erg in het moment leeft en mild maar scherp uit zijn ogen keek kijken. Ik ken hem vanuit de Rotary. Toen wij onlangs ons 85-jubileum vierden kwamen we op het idee om een ‘glossy’ te maken over de club. Wie zet je dan op de voorkant? Wij hebben Jan op de voorkant gezet, tot zijn grote, gegeneerde maar blije verrassing. Het was me een groot genoegen om hem het eerste exemplaar van ‘De Jan’ te laten overhandigen.
Iemand als Jan heeft bijna als vanzelf een gemeenschap om hem heen. Wat heet: zo iemand helpt gemeenschappen te maken. Toch was ook hij de laatste jaren niet zonder eenzaamheid. De mensen vielen om hem weg. Daarom was de gang naar de wekelijkse lunch op de Oosthaven voor hem zo prettig. En wij hebben het gewaardeerd dat hij er was. ja, hij verhoogde de leeftijd van de club. Nou en. Veel van onze leden zijn de afgelopen weken bij hem langs geweest om even een praatje te maken en soms meer dan dat. Zo hoort dat. En nu gaan wij deze week met z’n allen afscheid nemen.

Iemand wiens naam ik niet ken is overleden. Net voor de Kerst. Ik weet niet of hij is begraven of gecremeerd. Hij woonde schuin tegenover ons, op de Westhaven, misschien 30 meter verderop. Jonger dan ikzelf. Hij lag al een jaar dood. ‘Geen record’, hoorde ik iemand zeggen. Ook niets bijzonders. In een stad. Het is dat het zo dichtbij is, maar anders zou je er toch niet bij stilstaan. Toch? Toch??
Ik weet nog steeds niet veel over de toedracht, maar ik hoorde dat hij zelf elk contact afwees. Iemand die dus koos voor de eenzaamheid. Maakt dat het anders? Voor mij wel. Iets in mij maakt dat ik die wens wel herken, maar hoe echt was die wens in zijn geval? Wie heeft dat getest? En tegelijk doet dat niets toe of af aan mijn gevoel van een leeg hart bij het horen van het bericht.
Het stelt niets voor, maar ik was blij toen mijn Loes met het idee kwam om samen bij mensen in de straat aan te bellen die we bij ’s nachts tijdens de jaarwisseling niet hadden gezien. Druppel, plaat, maar toch.

Hoever moet je eigen zoeken om eenzaamheid te vinden? Vaak hoef je niet verder te denken dan je eigen ouders, maar ook daarbuiten heerst er angstwekkend veel eenzaamheid. Voor wie er nauwelijks keuze is. Ik geloof niet zo in grote gebaren, maar het hoort wel degelijk bij wat we nu de ‘civil society’ te noemen om daar bij stil te staan. Zoals een arts het zei in een zaterdagkrant: eenzaamheid doodt meer mensen dan roken. Dat rechtvaardigt enig beleid. En vooral: het rechtvaardigt wat actie. Maar het start bij de realisatie van de eenzaamheid bij andere. Onderstaand gedicht uit 2004 heb ik nooit als kerstgedicht aan mijn relaties gestuurd, maar bij deze zeg ik dat deze net zozeer bij mijn kerstgedichten hoort als al die anderen:

 

Het is acht uur ’s-avonds
Ze is klaar voor de dienst
Haar jas heeft ze al
van de kapstok genomen
Nog een uur, plus
wellicht
nog een kwartier
wachten, dan kan ze wel gaan
Niet te laat, anders heeft ze geen zitplaats
Niet te vroeg, anders valt ze zo op

Om de tijd te doden
zet ze de televisie nog even aan
Journaal
Kerstavond
De vertrouwde stem
haar gast aan tafel
vertelt over een aanslag
over iemand die is overleden en
over de kerstinkopen, een record
Het weerbericht geeft regen

Na het Journaal
kijkt ze naar haar boom
vol mooie lichtjes
Licht, voor haar doen,
staat ze dan toch op
Wil niet langer wachten
Doet haar jas aan
Doet de knopen stevig dicht
Haar wollen wanten aan
en gaat al naar de deur toe

Dat is te snel
Ze doet haar wanten weer uit
Knoopt haar jas los
Legt die over de stoel heen
Nog even wachten toch.

 

Peter Noordhoek

 

 


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek