Maandelijks archief: november 2013

De blaas van Sinterklaas

Sinterklaas komt dit weekend in het land. De discussie over Piet moeten we afsluiten. Tot na de Kerstman, minimaal. Nu zijn de kinderen aan de beurt. Nee, ik ga niet rijmen. Maar kennen jullie dat verhaal van Sinterklaas die naar het toilet wil? Ik zal het vertellen. Ter stichting voor al die niet-kinderen in het land.

Sinterklaas klopt aan een deur. Het is ver na kinderbedtijd, maar hij ziet door het raam dat er nog mensen op zijn. Een man doet open. ‘Sinterklaas, wat doet u hier?’
‘Ja, het zit zo’, zegt de Sint. ‘Ik moet nogal nodig. Zou ik van uw toilet gebruik mogen maken?’
“Ja, dat kan wel’, zegt de man aan de deur, terwijl zijn vrouw met grote ogen achter hem in het halletje komt staan en een tienerdochter door het raam naar buiten kijkt. ‘Sinterklaas!’, gilt ze en sluit zich op een holletje aan bij haar ouders.
Op de verdieping erboven ziet Sint een kinderhand een gordijn bewegen.
‘Dank u.’ Sinterklaas heeft wel een verzoek – en een probleem. ‘Daar staat mijn schimmel met al die mooie pakjes. Iemand moet op hem passen.’
‘Oh, dat kan wel hoor’, zegt de man. En de vrouw achter hem knikt. De dochter achter haar beweegt het hoofd snel op en neer.
‘Maar ik heb wel een vraag’, zegt de Sint. ‘Gelooft u in mij?’

De man valt even stil, maar zegt dan snedig: ‘Wat dacht u dan, ze zijn allemaal naar Spanje geweest’
De moeder zegt: ‘Maar natuurlijk, Sinterklaas. En ik zal nooit aan uw spullen komen’
De dochter giechelt en zegt: ‘Ik vind uw paard zo hip!’
Dan kijkt Sint omhoog en roept: ‘En wat denk jij?’
Het raam schuift open, een bleek jongenshoofdje wordt zichtbaar.
‘Sinterklaas, mijn zus zegt dat u niet bestaat. En ik weet het niet meer ..’ snikt hij.

‘Dan laat ik jou het paard bewaken, want jij spreekt de waarheid. Kom maar naar beneden.’

Een fijn Sinterklaasfeest gewenst.

 

Peter Noordhoek

 

Heel vrij naar een Joods verhaal

Over de taal van toezicht

Deze week mochten Rob Velders en Meindert Brunia een interessant boekje presenteren op een bijeenkomst van de Inspectieraad. Het ging over het begrippenkader zoals dat in toezichtland van toepassing is. Schreef ik ‘toezichtland’? Foutje, moet natuurlijk ‘inspectieland’ zijn. Of niet? Ik weet het even niet zeker meer. Even nakijken, want daar is dus dit handzame boekje voor.

Het was een boeiende bijeenkomst waarop het boekje werd uitgereikt, overigens samen met nog een ander boek: Rob van Dorp en Jan Schipper presenteerden ‘De Interventie. Hoe los je hardnekkige nalevingsproblemen op?’ Ook interessant, maar Velders en Brunia hebben mijn eerste interesse. Ik heb de wording van het boekje van Velders en Brunia wat mogen volgen en daar komt een kritische reflectie uit voort die zich ook uitstrekt richting het recente WRR rapport over ‘Toezicht op publieke belangen’ van twee maanden eerder. Maar eerst wat specifieke observaties, die samen te vatten zijn onder de recensentenblurp: ‘Een onmisbaar en belangrijk boek!’.

Over toezicht

Blij ben ik met de definitie van het toezicht als zodanig. Er wordt gewoon aangesloten bij de bestaande drieslag zoals die voortkomt uit de verschillende Kaderstellende Visies op Toezicht, wat weer is overgenomen van de Algemene Rekenkamer. Continuïteit dus. Het gaat om drie-elementen: informatie verzamelen, beoordelen en eventueel interveniëren. Formeel vooral aan vast houden – al blijf ik stiekem hopen op een meer kernachtige omschrijving: weten, wegen, wagen. Vooral in dat laatste woord zit de geschiedenis van het toezicht besloten. Er moet bijna altijd een drempel over worden gegaan voordat tot interventie wordt overgegaan – en dan is de dosering lang niet altijd goed. Ten tijde van het maken van de definitie werd die drempel te weinig genomen, nu soms te snel. Wat waag je wanneer?Begrippenkader Rijksinspecties

Over stelsels

En vanaf die definitie blijft het wat mij betreft goed gaan. De begrippen worden lekker droog naast elkaar gelegd, maar met voldoende oog voor de verschillende dimensies van het toezicht. Al kriebelt er iets. Maar eerst dit.

Bij de definitie van ‘stelseltoezicht’ gekomen heb ik moeite deze omschrijving te verteren: ‘Stelseltoezicht is het toezicht op de naleving, de kwaliteit of de veiligheid die zich uitstrekt over het geheel waarvoor de inspectie verantwoordelijk is, of een onderdeel daarvan’. Mijn moeizame vertering ligt aan het feit dat het werkingsgebied van een inspectie gelijkgesteld wordt aan een stelsel: het is, zeg maar, inspectie-centrisch geformuleerd.
In eerste instantie komt het begrip voort uit de behoefte van inspecties om van enige afstand naar het eigen werkingsgebied te kijken. Begrijpelijk, maar in toenemende mate is stelseltoezicht iets geworden waarmee inspecties publieke uitspraken doen over dat stelsel. De invloed van dergelijke uitspraken moet niet worden onderschat: ze definiëren als het ware het stelsel. Dat lijkt me toch een beetje de omgekeerde wereld.
Neem bijvoorbeeld de Inspectie voor de gezondheidszorg. Uitspraken van de inspectie zullen ongetwijfeld steeds gericht zijn op het medisch handelen, maar dat strekt zich ondertussen al wel uit tot bijvoorbeeld het veiligheidsdomein (IND, gevangeniswezen!) en binnenkort – zie het besluit om mantelzorg door zorgverzekeraars te laten doen – tot behoorlijk diep in het domein van de gemeenten.

Over het onderwijsstelsel valt een vergelijkbaar verhaal te vertellen. Wie een beetje in het Europese onderwijsveld rondloopt, wie hoe relatief dominant de positie van de Nederlandse Onderwijsinspectie is in vergelijking met andere landen, ook door al haar stelseluitspraken. Mijn indruk is dat dit ons onderwijsveld relatief lui maakt in de borging van de eigen kwaliteit. Kortom, ik ben niet zo gelukkig met het inspectie-centrisme in de definitie. Alhoewel een glimlach opkomt bij de gedachte dat het stelsel van het Staatstoezicht op de Mijnen vooral gezocht moet worden op boorplatforms in de Noordzee.

Over systemen

In ieder geval wordt het begrip ‘systeemtoezicht’ beter beschreven, althans in de zin dat het (kwaliteits)systeem van de onder toezicht gestelde in de definitie centraal staat en niet primair wordt gedoeld op het systeem zoals de toezichthouder dit hanteert. Zou het kunnen dat de definitie van stelseltoezicht ouder is dan die van systeemtoezicht? Dus deze definitie en bijvoorbeeld die van ‘horizontaal toezicht’ starten goed, maar kunnen in hun omschrijving niet helemaal verhullen dat ze modernismen zijn. Passen ze wel bij de oorspronkelijke definitie van toezicht?

En zo is er meer op te merken, maar ik moet oppassen dat deze blog niet net zo spannend wordt als een bespreking van een telefoongids. Zijn die er nog? Ik ga dus snel richting dat punt van de samenhang, maar dit wil ik nog kwijt voordat ik daar naartoe ga (snelle lezers mogen dit dus overslaan).

Over gedrag

De gehele dimensie ‘gedragsbeïnvloeding’ laat zien dat het hele denken hierover nog op een erg laag, instrumenteel en juridisch pitje staat. Is het opleidingsniveau wellicht te laag van onze toezichthouders? Dat HRO niet als benadering word genoemd verbaast niets, maar dat er echt geen enkele benadering wordt omschreven die begint bij gedragspsychologische aannames, vind ik wel schokkend.

Over samenhang

Dan de samenhang, als het dat is. Waarom een begrippenkader? Op de bijeenkomst met de boekpresentatie worden de voor de hand liggende antwoorden gegeven: om beter te kunnen communiceren, om ‘allemaal’ dezelfde taal te spreken. Maar wie is hier ‘allemaal’? En zal het tot diezelfde taal leiden? Een van de aanwezigen op de bijeenkomst zei dat de helft van de 10 rijksinspecties zichzelf in het spraakgebruik als ‘toezichthouder’ noemde en de andere helft zich als ‘handhaver’ betiteld. Dat zou niet veranderen.

Opvallend. Ik ben dus maar in het boekje gaan snuffelen. Wat je dan ziet is dat ‘toezicht’ en ‘handhaven’ wel als aparte begrippen worden omschreven, maar dat ‘inspecteren’ kennelijk niet bestaat. Wel worden de ‘rijksinspecties’ beschreven als instituut. Zijn de rijksinspecties dan de ‘eigenaren’ van beide begrippen? Nou nee, want er zijn ook (markt)toezichthouders, ‘andere toezichthouders’ (handhavers?) en ‘private toezichthouders’. Waarmee het begrip bij deze lezers niet toeneemt, maar afneemt. Een gemist schemamomentje, zullen we maar zeggen. Handelingsbegrip en institutioneel begrip loopt wat mij betreft hier door elkaar en in het handelingsbegrip zit een gat: inspecteren.
En bedenk bij deze schijnbaar semantische discussie: de politiek heeft helemaal geen last van deze begripsverwarring. Wie de nieuwsbrief van Rob Velders volgt, weet dat voor Kamerleden geldt: een week niet om meer toezicht geroepen, is een week niet geleefd.

Over het vak

Wat mij brengt bij de uitgever van dit boekje, het Inspectieberaad. Soms heb je iets in de hand waarvan je niet weet of je de recensie wilt gebruiken als veer of als een scherpe pen. In dit geval beiden. De bijeenkomst waarop het boek werd gepresenteerd was goed. Je merkte enige trots bij het feit dat ze zo’n boekje toch maar even hebben laten maken. Je proefde ook de trots in het eigen vak, ondanks of juist dankzij alle bagger die er over toezichthouders wordt uitgestort. Dat is goed. Zo overleef je – en meer. Complimenten dus. Maar waarom alleen als Rijksinspectie zoiets publiceren als het begrippenkader zich volstrekt leent voor de markt- en andere toezichthouders? En waarom dit boek en het andere boek – die beiden in de kern om de professionaliteit gaan – niet laten uitvoeren door VIDE, de beroepsvereniging? Dit is voor iedereen in het vak. Laat dat niet ontzettend het eilanddenken in de toezichtwereld zien? Juist als je iets doet wat geplaatst kan worden in het kader van het door de WRR gevraagde reflectievermogen, is de wijze van publicatie een symbool dat telt.

Het zal uit pragmatisme zijn gebeurd. Want pragmatisme overheerst op dit moment. Dat was ook de geest van de discussies tijdens de avond. Discussies die mij toch niet het beeld gaven dat er nu hard aan een gezamenlijke taal gaat worden gewerkt. Het is bijna letterlijk zo gezegd: het denkwerk is nu wel gedaan, het komt verder op het doen aan. Nou? Is dat wel zo?

Over terughoudendheid

Het is dezelfde terughoudendheid die ook in de lucht hing bij de presentatie van het WRR-rapport ‘Toezien op publieke belangen’. Wie de totstandkoming enigszins heeft gevolgd weet dat het rapport de uitkomst is van een enorm traject. Het was chef sache. De WRR heeft er een enorme onderzoekscapaciteit aan geweid (al vind ik persoonlijk dat ze te makkelijk binnen de bekende kaders en personen hebben gezocht). Uiteindelijk ligt er dan een rapport waarin zo’n beetje de hele beleidsgeschiedenis aan de orde komt en dat uitmondt in de dringende aanbeveling om tot een herijking van de Rijksvisie op toezicht te komen. Anders komt de combinatie van taken en gelden niet bij elkaar en zal de toezichtparadox waarbij ons visie op toezicht afhankelijk wordt gemaakt van incidenten. En wat zegt minister Blok? Niets. Heel erg niets. En wat zegt het Inspectieberaad? Interessant. En ondertussen hoor je: zo’n exercitie als een nieuwe visie op het Rijkstoezicht moest er maar niet komen. Het komt op de uitvoering aan.

Ben ik nu heel erg een negatieve insteek aan het zoeken als ik denk dat noch het Boek van Velders en Brunia, noch dat van Van Dorp en Schippers meer dan een teen in de richting van die nieuwe visie zetten? Dacht het niet. Er is meer nodig, want:

  • stelsels zijn in beweging, het toezicht hijgt er achter aan;
  • markttoezichthouders, denk aan DNB, vrezen voor hun aansprakelijkheid
  • systeemtoezicht en horizontaal toezicht komen in de praktijk nauwelijks van de grond
  • de handhavers op de werkvloer luisteren nauwelijks naar hun gestudeerde bazen
  • en burgers, politiek en media blijven om meer falend toezicht roepen
  • enzovoort

Het was een goede bijeenkomst. De professionalisering werd gediend, maar het urgentiebesef voelde ik te weinig. De volgende keer de hele beroepsgroep erbij graag, de beroepsvereniging voorop.

Peter Noordhoek

www.northedge.nl

 

Literatuur:

Rob Velders en Meindert Brunia – Begrippenkader rijksinspecties. Inspectieraad, Den Haag, 2013. ISBN 978 94 622 8298 8.

Rob van Dorp en Jan Schipper – De Interventie. Hoe los je hardnekkige nalevingsproblemen op? Inspectieraad, Den Haag, 2013. ISBN 978 94 6228 204 9.

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid – Toezien op publieke belangen. Naar een verruimd perspectief op rijkstoezicht. Amsterdam University Press, Amsterdam, 2013. ISBN 978 90 8964 5951.

Over decentralisatie en de man die eerder werd opgehaald dan hij aankwam

Zo, het congres zit er weer op, het gewone leven gaat door. Felicitaties aan Esther de Lange met haar uitverkiezing tot lijsttrekker Europese verkiezingen. Als Zuid-Holland hebben we ons op dat congres goed geweerd, met o.a. een interventie op een resolutie over de polder. Nee, het CDA spreekt niet uit dat het geen vertrouwen heeft in de polder. We spreken wel uit dat er vernieuwing moet komen. Wat het CDA ook doet en wil; in mijn eigen onderzoekswerk probeer ik dat verder vorm te geven. En ondertussen zijn er de dingen die dagelijks voorbij komen en die toch om een wat andere blik vragen. Bijvoorbeeld in het geval van de man die eerder werd opgehaald dan hij aankwam.

Over de man die eerder werd opgehaald dan hij aankwam

Er werd aangebeld. “Ik kom Van Dijk ophalen”, klonk het donker uit de mond van de chauffeur, de straat blokkerend met zijn busje. “Ja, maar dat weet u, die is nog niet gearriveerd!” “Oh. Sorry, maar ik moet door.” “Maar kunt u niet even doorgeven ..?”

Anton van Dijk vertrok om 3 uur uit de polder bij Gorcum voor een vergadering van een cliëntenraad. De cliëntenraad wordt ondersteund door Stichting Raad op Maat en die is gevestigd in ons pand in Gouda. De vergadering begint om 4 uur die middag. Deze keer werd Anton echter niet direct naar Gouda gereden, maar omgereden via Rotterdam. Andries moest wachten, en wachten. Uiteindelijk was hij ruim na 6 uur in Gouda, een uur dus nadat hij werd ‘opgehaald’. Een nieuw busje moest worden besteld. Na opnieuw een uur wachten, werd hij daadwerkelijk opgehaald. Hij moest wel opnieuw betalen. De kilometers gingen van zijn tegoed af. Het was tenslotte een ‘no show’ geweest.

Het kan gebeuren. Anton kan bij Connexxion zijn geld en tegoed terugvragen en weer met een schone lei beginnen. Je kan klagen en dat laat Connexxion laat wellicht napluizen wat er mis is gegaan bij een van de 750 taxibedrijfjes die voor haar busjes besturen. Ze zullen hun best hebben gedaan. Het is een hele organisatie, met zowel aan de kant van de chauffeurs als aan de kant van de passagiers best moeilijk publiek. Knap als je dat een beetje voor elkaar krijgt. Ik ken genoeg collega-adviseurs die er in de loop van de jaren hun tanden op stuk hebben gebeten. Het werkt, behalve op de momenten dat het niet werkt. Als de chauffeur vergeet dat een passagier wel erg lang in het busje zit. Als die chauffeur vergeet dat zijn type passagier zich misschien niet zo snel laat horen als ‘normale’ passagiers zouden doen. Als de chauffeur denkt, ‘Ach, hij klaagt niet’. Als de volgende chauffeur denkt – oh nee, niet denkt. Tot Anton eindelijk wat zegt en de chauffeur denkt: ‘Vervelend, maar ik kan er niets mee’. Als hij toch maar iets doorgeeft aan de centrale en de centrale het vergeet. Of de centrale het doorgeeft aan de taxi die moet gaan halen, maar die chauffeur geen zin heeft in gedoe. Zijn ritje pakt. En als die chauffeur .. laat maar.

En zo komt Anton later aan dan het busje dat hem kwam halen.
De vergadering was al afgelopen. Hij heeft van ons een soep en een broodje kunnen krijgen. We hebben gecheckt of hij weet hoe hij Connexxion kan bellen om zijn geld en tegoed terug te krijgen. Hij lachte vriendelijk en zei dat hij het wist. Hij ging weer werken. Ik was een verdieping hoger aan het werk. Hoorde de deurbel gaan. Hoorde de stem van een chauffeur. Hoorde de deur van het busje. Anton was weer weg.

Mintzberg’s andere interpretatie van decentralisatie

Dat was de blog. De blog vertelt zichzelf. Zo gaat het. Oh, u wilt een conclusie? Hier is ie: EN HET MAG NOOIT MEER GEBEUREN! SCHANDALIG DIT!

Zo is dat. En dan niets meer. Toch? En kom me niet aan met ‘wees blij dat ze nog rijden, want door de bezuinigingen ..’ Onzin. Slechte dienstverlening is slechte dienstverlening. Toch? Het incident vertelt zichzelf.

Ik ga het over iets heel anders hebben. Denk ik. Zonet kwam het begrip ‘decentralisatie’ weer eens langs in een email. Dat gebeurt dit jaar dagelijks meerdere keren, maar dit keer liet ik het begrip niet zo door mij heen glijden als ik ‘normaal’ doe. Normaal heb ik de standaard definitie paraat en denk ik bij decentralisatie plat als een overdracht van verantwoordelijkheden en geld van centraal / landelijk naar decentraal / lokaal. Als getrainde cynicus denk ik er doorgaans direct achteraan dat het meer om  een overdracht van verantwoordelijkheden van geld gaat.

Nu stond ik er door een vondst in mijn archief bij stil en kwam het voorbeeld van de man die eerder werd opgehaald dan hij aankwam weer bij me op. Het voorbeeld laat namelijk zien dat de werkelijkheid hoekjes kent die de decentralisatie niet goed kan raken. Veel functies, waaronder zeker die van openbaar en speciaal vervoer, gaan over gemeentegrenzen heen en trekken zich van Thorbecke weinig aan. Of we er dan als samenleving wat aan hebben, hangt maar in beperkte mate af van zo’n decentralisatiebegrip en het bijbehorend beleid. Het draait om de uitvoering, stupid.

Maar wat moeten we dan nog met zo’n decentralisatiebegrip? Maar mee stoppen? Nou nee, maar misschien moeten we het minder als een woord van structuur en financiering beschouwen. Ik moet er bijvoorbeeld niet aan denken dat de gemeenten de opdrachtgever zouden gaan worden voor een intergemeentelijke vervoersopgave. Zou dat Connexxion beter werk laten leveren? Vergeet het. Zou dat de lokale taxibedrijven scherper maken? Goed idee. Eerst zien, dan geloven. Nee, voor een zinvolle manier van denken over decentralisatie kom ik er langs die lijn niet uit.

Ik ben mijn archief aan het saneren en digitaliseren. Elke week bekijk ik opnieuw wat weg kan en wat niet. Deze week vond ik iets dat voor mij erg oud is, maar dat ik niet weg wil gooien. Bijna mijn eerste klus, januari 1985. Ik mocht helpen bij het organiseren van een bijeenkomst met Henry Mintzberg. De kleine Canadees, bekend bij iedereen die wel eens een boek over organisaties ter hand heeft genomen, zou voor ons een lezing verzorgen. – voor zover ik weet was dit zijn eerste lezing in Nederland. In een statige zaal zaten zo’n 50 heren uit de hogere niveaus van het Nederlandse bedrijfsleven. Ze droegen allemaal dezelfde blauwe pakken en kleurloze dassen. Toch vertelden ze mij dat ze precies van elkaar wisten wie van Shell, Philips of Unilever kwam. ‘Hoe dan?’, vroeg ik naïef. ‘Dat zien we aan elkaars ondergoed’, zei iemand van Shell. Iemand van Unilever knikte. In hun wereld kwamen geen busjes, maar als ze er kwamen, kwamen ze op tijd.

Deze uniforme heren hoorden een verhaal aan dat hun wereld later op z’n kop zou zetten. Hun wereld van strakke harkjes zou aan het wankelen worden gebracht door de barbapappa’s van Mintzberg’s eivormige organisatieschetsen. Het waren geen domme heren, daar in die mooie kamer. Ze hoorden er de toekomst in wat hij zei.

Die toekomst ligt inmiddels achter ons, zo zou je denken.  Eerst hebben we geleerd bedrijven te decentraliseren, daarna hebben we ze tot netwerken omgevormd. Veel van wat ik Mintzberg die dag mocht horen zeggen ging over decentralisatie. Het is heel verleidelijk om hier te gaan citeren wat hij allemaal over ‘verticale’ en ‘horizontale’ decentralisatie heeft gezegd, maar hou me in. Ik ben namelijk vooral getroffen door een aantal vragen van Mintzberg. Is er wel sprake van decentralisatie:

  • als alles plaatsvindt op één centrale locatie, maar feitelijk de besluitvorming verspreid door de organisatie heen plaatsvindt?
  • als er sprake is van allerlei vestigingen, maar de beslissingen eigenlijk allemaal centraal genomen worden door één persoon?
  • als de besluitvorming is verspreid over een groot aantal individuen, maar deze besluiten in hoge mate beïnvloed worden door centraal besloten regels?
  • als de organisatie alle locaties strakke prestatie-indicatoren meegeeft, maar zo onbekwaam is dat de feitelijke besluiten lokaal plaatsvinden?

Het zijn vragen die bewust beogen verwarring te scheppen over de vraag wanneer iets centraal of decentraal worden georganiseerd. Hij besluit met de vraag of bureaucratieën überhaupt wel gecentraliseerd of gedecentraliseerd kunnen heten. Zijn antwoord laat zich raden.

Op de een of andere manier lijken we ze de vragen van Mintzberg het neerzetten van onze ‘decentralisaties van het sociaal domein’ te hebben overgeslagen. Hoeveel zin heeft het om het woord ‘decentralisatie’ in de mond te nemen zonder op één van deze vragen, bijvoorbeeld op de laatste in te gaan? Niet zo heel veel dus. Er wordt veel gehakt op alle ‘monitoring’ die het ministerie van SZW wil laten uitvoeren over wat gemeenten met de nieuwe bevoegdheden en gelden willen doen, maar in de kern hebben ze natuurlijk gelijk. Ga er maar vanuit: in veel gemeenten zullen stevige fouten worden gemaakt. En wie wordt er dan (mede) op aangesproken? De minister. Zo werkt het. Maar, misbaksels, noem het dan geen decentralisatie. De eenheid blijft namelijk het leidende principe.

Het is al veel te laat – bijna alle beslissingen over decentralisatie zijn al genomen onder het motto van de overdracht van verantwoordelijkheid en geld. Maar misschien helpt het als we gewoon zoveel als mogelijk ‘doorrollen’ naar de uitvoering. Dan nemen we wellicht ook wat makkelijker de gemeentegrens overstijgende uitvoering mee. Met alle techniek die we ter beschikking hebben, had Anton als ‘probleem’ al lang gesignaleerd kunnen zijn. Maar het is dus maar zeer ten dele een technisch probleem. De alertheid van de chauffeurs en de mensen van het call center doen er veel meer toe. De bereidheid van de ophalende chauffeur om de ‘fout’ van de wegbrengende collega adequaat te verhelpen, in plaats van de cliënt met de brokken te laten zitten, doet er veel meer toe. Dat zijn oude wijsheden natuurlijk, maar zou het niet helpen om die meer leidend te maken terwijl we met dat herplaatsen van taken bezig zijn. Het lijkt me een gedachte waar Mintzberg vrolijk van zou worden. En Anton ook.

Peter Noordhoek

 

www.northedge.nl

Noot: de opmerkingen over decentralisatie heeft Mintzberg bij meerdere gelegenheden en op meerdere manieren gedaan. De tekst van de hier beschreven lezing is niet digitaal beschikbaar. Een goede bron is: Henry Mintzberg – The Structuring of Organizations. A Synthesis of the Research. Prentice-Hall, Inc., Englewood Cliffs, N.J. 1979. Nog steeds verkrijgbaar.


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek