Maandelijks archief: september 2013

Over een overmaat aan complexiteit

De week van Prinsjesdag is achter de rug, de Miljoenennota is gepresenteerd. In de afgelopen dagen zijn er stapels beleid en bergen cijfers over ons heen gestort en is het proces van ‘politieke duiding’ volop gaande. Dat laatste is wel een heel mooi woord voor het fractievoorzittersdebat waar we van mochten ‘genieten’. Knap hoe iets zo irritants tegelijk zo saai kan zijn.
Dat neemt niet weg dat het, meer nog dan in voorgaande jaren, loont om echt tot in de details in te zoomen op wat de regering van plan is. Ik heb dus mijn best gedaan om zoveel mogelijk analyses van de miljoenennota mee te pakken. Het maakt rare dingen los in een mens.

Haags centrisme

Inhoudelijk is dat ronduit boeiend. Tegelijk voel ik me er meer dan ongemakkelijk bij. In twee opzichten.
Mijn eerste bezwaar geldt het toenemend Haags centrisme. Alles lijkt zich daar te verzamelen. Niet alleen, het midden, maar ook en juist de randen van de politiek. Daar in Den Haag wordt de koers van de economie bepaalt, zo heet het. Als dat waar is, lijkt me dat geen positieve ontwikkeling. Als het niet waar is en we gewoon dat land van smalle marges en kleine stappen blijven, dan besteden we op de verkeerde plek onze tijd.
Hoe dan ook, iets van mijn onrust heeft zich vertaald in een pittig artikel in het Financieel Dagblad over de komst van ONL, de nieuwe ondernemersvereniging van Hans Biesheuvel c.s. Nee, niet weer een belangenbehartiger erbij!, is mijn boodschap. Laten we ons weer richten op wat er buiten Den Haag (en Brussel!) gebeurt om ons fit voor de uitdagingen van nu te maken. Het gaat niet om het Haagse, stupid. Werken aan ondernemerschap? Prima, maar dat doe je in de markt.

Te strak gekoppeld

Mijn tweede bezwaar ligt op een ander niveau. Het heeft te maken met de mate waarin alles met alles te maken heeft. Alles is, in mijn bewust gekozen omschrijving, te ‘strak gekoppeld’. Draai je aan de ene knop, dan draait er direct een andere knop mee. Uiteindelijk heb je zoveel handen en voeten nodig om te draaien dat je in de knoop komt. Dat is meer dan alleen maar een lollige metafoor. Het geeft aan dat we aan de grenzen komen van wat we nog aankunnen zonder brokken te maken. En waarschijnlijk al over die grens heen zijn. Hebben we nauwelijks een sociaal akkoord gesloten, of iedereen voelt de noodzaak al weer om er zaken aan te veranderen. Niet eens omdat men het nu zo’n  slecht akkoord vindt, maar omdat er anders geen ruimte te maken valt voor verder hervormingen.
Was dat bij het Akkoord van Wassenaar dan anders? Toch wel. Toen werden er een aantal sleutelvariabelen rond de loonvorming bevroren, zodat andere zaken in beweging konden komen. Nu wordt – ook door een teveel aan andere akkoorden – alles vastgezet. Beter is het dan om bijvoorbeeld enkele variabelen vast te zetten – begrotingstekort en lonen dienen zich weer direct als kandidaten aan – en de rest een nieuw evenwicht te laten zoeken. Maar de maatregelen voor de dekkingsgraad van de pensioenen dan? En de reserves voor de banken en de omvang van de klasgrootte? Niet dus, of anders op zo’n manier uitgevoerd dat het gesprek daarover niet het hele radarwerk tot stilstand brengt, om maar iets uit de tijd van Kuyper te lenen.

Our self-inflicted complexity

Alles is nu tegelijk zo complex en verweven dat het verlamt. Roger Martin schrijft in Harvard Businnes Review (2013) daar ontnuchterend over: ‘Our self-inflicted complexity’. We slagen er niet in om apart te houden wat apart kan blijven en we doen onvoldoende ons best om verschillende disciplines op een zinvolle manier samen te brengen. Om dat even te beschrijven in de vorm van een mini-verslag van een van de avonden waarop de Miljoenennota werd besproken: eerst krijg je de macro-economische werkelijkheid van CPB voorgeschoteld. Vervolgens wordt daar vanuit het publiek op geschoten door variabelen ter discussie te stellen: wat als de hypotheekrente dit, wat als de conjunctuur dat? Als deze aanvallen wordt afgeslagen op basis van waarschijnlijkheidsargumenten, komt vervolgens het model en de onderliggende rekenregels onder vuur te staan. Als ook deze aanval eenvoudig wordt afgeslagen door te verwijzen naar de onzekerheidsmarges in de voorspellingen, komt uiteindelijk het zwaarste wapen op tafel: het verwijt dat de macro-economische beschrijving te weinig inspirerend is om mensen hun gedrag te doen veranderen. En dan geeft de macro-econoom het op en start een andersoortige discussie die even waar als richtingloos is.

Detailcomplexiteit

Er zijn verschillende soorten complexiteit. Je hebt de complexiteit die voortvloeit uit teveel gegevens: detailcomplexiteit. Het is dan je taak om door meet- en graafwerk uit te zoeken hoe het precies zit. Pieter Omtzigt gaf daar weer een indrukwekkend staaltje van weg door via de kleine letters uit te vogelen hoe de belastingdruk op inkomens feitelijk hoger wordt dan de samenvatting aangeeft. Voor de ministers en ambtenaren geldt dit als Pieter gaat rekenen: vluchten kan niet meer. Maar hoeveel Pieters hebben we nog meer in de Kamer? En in diezelfde overheid?

Dynamische complexiteit

Er is ook nog een andere vorm van complexiteit: dynamische complexiteit. Die laat zich gelden als oorzaak en gevolg niet zo helder met elkaar in verband kunnen worden gebracht. Die laat zich extra gelden als metingen niet werken of een schijnwerkelijkheid scheppen. In die zin is het hele ritueel van de macro-economische verkenningen een gotspe. Daarover deze week discussiërend , komen er van economenzijde twee antwoorden: 1) het is het beste wat we hebben en 2) economen zijn het weliswaar niet eens over de te nemen maatregelen, maar we zijn het meestal wel eens over de oorzaken. Tsja. Zonder dit in twijfel te trekken, denk ik toch dat we elkaar op deze manier voor de gek houden. Dan weet ik liever wat minder en vind ik het eerlijker om mijn subjectieve oordeel te vertrouwen dan op de mythe van beheersbare complexiteit.

Heeft u het einde van deze blog gehaald? Serieus: knap van u. Er zijn weinig dingen belangrijker dan complexiteit doorgronden en er is tegelijk weinig vervelender. Toch zal ik er af en toe op terugkomen, als u het niet erg vindt. Voorlopig ga ik zelf nu even verder – met de schijnbare eenvoud van een grote overwinning door Mutti Merkel in Duitsland. Veel plezier deze week.

Peter Noordhoek

www.northedge.nl

Het gaat niet om het Haagse, stupid!

Recent kondigde de voormalig voorzitter van MKB Nederland aan dat hij een nieuwe ondernemersorganisatie begint: ONL voor ondernemers. Dat was vlak nadat hij gemeld had dat hij zich weer met zijn eigen bedrijf ging bemoeien. Verwarrend. Er is veel om sceptisch over te zijn bij dit initiatief. Tegelijk zouden de alarmbellen in brancheland moeten afgaan. Ook andere dan nu al afgaan.

Twee gaten

Hans Biesheuvel springt met zijn initiatief in een gat. Dat is een compliment voor zijn ondernemerschap. Buiten brancheland is de overheersende reactie: goed dat het wereldje eens wordt opgeschud. De journalist Tom-Jan Meeuws laat in NRC het beste een tegengeluid horen: hij verwacht dat het gilde der lobbyisten uiteindelijk het meeste zal winnen bij de komst van ONL. Ik deel zijn mening – deels. In ieder geval vind ik dat Biesheuvel het soort ondernemerschap laat zien dat meer kapot maakt dan je lief is. Maar er iets dat in alle reacties uit het oog verloren wordt: een overmaat aan fascinatie met ‘Het Haagse’. Biesheuvel stapt niet alleen in een gat, hij laat een ander gat groter en groter worden.

Het gat waarin hij springt

Op 12 september jl. verscheen een onderzoek onder 173 directeuren van brancheorganisaties[i]. De directeuren waren tevreden. Het gaat best goed met de ledenaantallen, de tevredenheid is hoog. Overall: een stabiel beeld en een mooi cijfer: een 8. Ook voor de belangenbehartiging: een 8. De resultaten zijn zo mooi, dat de onderzoekers het niet kunnen laten de vraag te stellen of de directeuren wel voldoende besef van urgentie hebben. Terecht.

Een ander bureau heeft een klein jaar eerder een interessant onderzoek gepubliceerd[ii] over de mening van leden over hun vereniging. Ook daar wordt een 8 uitgedeeld. Voor de belangenbehartiging. Wordt echter gevraagd of de leden tevreden zijn over de prijs-/kwaliteitsverhouding, dus over hoeveel ze denken te krijgen voor hun contributiegeld, dan komt er een heel ander cijfer: 5,5 – 6,5. Dat is ontstellend laag, zeker als je weet dat in een beetje enquête er al snel een 7 wordt gescoord.

Het is dit verschil in waardering door de leden waar Biesheuvel met zijn initiatief op in springt. En de enquête onder directeuren lijkt aan te tonen dat dit gat in de waardering van de leden niet scherp genoeg is gezien.
De vraag of de leden wel of niet terecht vinden dat ze te weinig waar voor hun contributie krijgen, doet er in de kern niet toe. Biesheuvel maakt een latente ontevredenheid los en verbindt dat met een afkeer van al het Haagse. Waar hebben we dat meer gezien? De branche der bedopschudders doet het goed, dat van bedopmakers heeft het moeilijk door gebrek aan gekwalificeerd personeel.

Belangenbehartiging

Tijd dus om wat verder te kijken. Ik heb één keer met Hans Biesheuvel gebotst, maar dat weet hij zelf niet. Hij deed de openingswoorden tijdens het VM-congres van 2011 en als belangrijk man had hij de zaal al verlaten voordat ik mijn presentatie mocht doen. In het vraag en antwoordspel na afloop, zei ik dat ik het totaal niet eens was met de stelling van Biesheuvel in zijn speech dat ‘belangenbehartiging de core business van branches is’³. Volgens mij moet het gaan om de kwaliteit van de producten en diensten die door de leden van een branche aan de samenleving worden geleverd en dat moet een branchebreed verhaal zijn, dus gedeeld door alle leden. Een groot deel van de zaal viel Biesheuvel bij, maar ik meen het oprecht. Belangenbehartiging heeft een rol te spelen, maar het is randvoorwaardelijk en mag niet afleiden van waar het om gaat: de leden en hun klanten.

En ondertussen zijn we knettergek in de manier waarop we denken aan belangenbehartiging te moeten werken. Dat leden er gemiddeld een 8 voor geven, geeft vooral aan dat ze nauwelijks weten hoe belangenbehartiging werkt. Als alle branches hun beloften aan de leden over hun belangenbehartiging tegelijk waar zouden maken, zou ik, als ik Kamerlid was, nu een extra levensverzekering afsluiten, want ik zou doodgedrukt worden door de mannen met pakken. Gelukkig hebben we een redelijk geordend circuit, met VNO-NCW logisch in een leidende rol. Dat ze dat nogal bureaucratisch oppakken, weet ik nog uit mijn tijd dat ik voor De Baak werkte. Het gemiddelde departement was er niets bij. Dat er iets in de aanpak moet veranderen, zeggen we daarom al jaren tegen elkaar. Toch doet dat niets af van de waarheid dat Den Haag beter af is met minder belangenbehartigers in plaats van meer. Ik zeg het zeker niet alleen naar de Biesheuvels van deze wereld: HET GAAT NIET OM HET HAAGSE, STUPID.

Het gat dat Biesheuvel laat

Uiteindelijk gaat de aandacht voor Den Haag ten koste van de leden en de markten waar zij op moeten opereren. Die leden zijn vaak eenzaam, worstelen met de markt, stellen zich steeds meer als consument op en weten elkaar – ondanks of juist door alle digitale hulpmiddelen – steeds moeilijker te vinden. Branches hebben dan een sleutelrol. Ze leiden op, maken de norm bespreekbaar, vertolken het klantgeluid, stimuleren samenwerking en verminderen de vrijblijvendheid. Als het goed is.

Het is geen simpele opgave voor die branches om dat te organiseren. Zeker als je ziet hoe de kloof tussen een aantal goede georganiseerde grote bedrijven en het leger kleine ondernemers steeds groter wordt. Besturen worstelen met die spanning. En daar komt het hele overheidsgebeuren dan nog eens bij. Een enorme bron van afleiding. Wat ik te vaak zie, is dat de verleiding voor besturen groot is om alle aandacht aan de belangenbehartiging te geven. In plaats van de eigen leden te confronteren met het ongemak van slechte kwaliteit en gebrekkige samenwerking en opnieuw partners en vrienden te worden. Maar ja, soms is het makkelijker om te gaan met de vijanden die je kent, dan met de vrienden die je nog moet maken.

Het gat dat Biesheuvel laat voor wat het is, en eigenlijk steeds groter maakt, is het gebrek aan echte aandacht voor wat ondernemers uiteindelijk succesvol maakt: goede productkwaliteit door ambitieuze leden voor verwachtingsvolle klanten. Zolang Biesheuvel zich feitelijk alleen op het Haagse richt doet hij het in ieder geval in de ogen van deze ondernemer niet goed.

Peter Noordhoek

Peter Noordhoek is auteur van ‘Branchebrede kwaliteit. Beweging brengen in het kwaliteitsbeeld van branches, sectoren en beroepsverenigingen. VM Uitgevers. Lelystad, 2011.


[i] Branchemeter 2013, uitgevoerd door onderzoeksbureau Newcon, in opdracht van MKB Nederland, VNO NCW, Wissenraet van Speandonck en Berenschot.

[ii] AON Nederland – Persbericht 2 oktober 2012 ’Bedrijven twijfelen over nut branchevereniging. Financieel voordeel voor leden cruciaal.’

³ http://www.northedge.nl/blog/belangenbehartiging-is-geen-core-business-van-brancheverenigingen/

Knopen in een Zweedse band

Deze week begon de behandeling van de wet Zorg en Dwang. De wet bepaalt onder welke voorwaarden aan cliënten en patiënten – wie weet, ooit u – in de psychogeriatrie en gehandicaptenzorg vrijheidsbeperkende maatregelen kunnen worden opgelegd. Het is niet gelukt om de behandeling afgelopen week af te ronden. dat heeft niet zozeer met het doel te maken – ‘nee, tenzij’  is het uitgangspunt – als wel met de vraag hoe dat doel moet worden bereikt.  Dit wordt een redelijk lange blog over onmogelijke keuzes en maar al te echte consequenties.

Telefoon

Sommige telefoontjes vergeet je nooit. Zo’n telefoontje kwam een kleine twintig jaar geleden toen mijn secretaresse mij  uit een gesprek haalde en me doorverbond met mijn vrouw,  Loes. Loes vertelde mij dat haar vader overleden was. Hoe kan dat?, was het eerste dat door mijn hoofd ging en wat ik vervolgens uitsprak. Geestelijk ging het slecht met hem, maar hij leek juist wat op te knappen in het verpleeghuis. Hij is verstrikt geraakt in zijn Zweedse  band, vertelde ze me. Kennelijk geprobeerd zijn bed te verlaten.

Later blijkt dan dat het inzetten van zo’n band voor de medewerkers van het verpleeghuis  bijna routine is. Later blijkt dan ook dat de vader van Loes niet het eerste slachtoffer was maar zeker een van jaarlijks vijf a zes slachtoffers. Iets dat veiligheid moet bieden, blijkt levensgevaarlijk. Later blijkt ook dat de Inspectie daarvan op de hoogte is, maar zich tot niet veel meer in staat acht dan een registratie van het aantal ongevallen.
Loes vraagt een gesprek aan met de betrokken inspecteur. Het is een goed, maar machteloos gesprek. Als Loes vertelt dat ze in de zorg werkt en wel eens over de zorg publiceert, reageert de inspecteur nogal bijzonder. Ze vraagt of Loes alsjeblieft ook over haar eigen geval wil publiceren, want zelf kan ze helaas verder niets meer bereiken.

Fixeren als routine

Sindsdien is er inderdaad meer aandacht gekomen en is de inspectie zelf een stuk assertiever geworden. Toch, manieren om te ‘fixeren’ zijn er nog steeds. De grootste vooruitgang is gekomen door ontwikkeling in het materiaal en de manier van fixeren. Nu zijn er bijvoorbeeld een soort trappelzakken gekomen en zijn er ook andere alternatieven inzetbaar die de bewegingsvrijheid minder beperken. Tot een hard verbod van Zweedse banden is het nooit gekomen[1]. Zolang mensen een te ernstige verstandelijke beperking hebben of geestelijk anderszins te ver achteruit zijn gegaan, kan een vorm van fixeren als uiterste middel in het belang van zowel patiënt als medewerker zijn. Het mag alleen nooit routine worden, een al te makkelijke manier om de werkdruk te verminderen.

Vrijheids- en andere beperkingen

Zweedse banden en de alternatieven daarvoor, zijn slechts een klein, maar wel heel dramatisch deel van de problematiek zoals die samenhangt met vrijheidsbeperking in de zorg. Het gesprek over al die vormen is wel zeer regelmatig onderwerp van gesprek bij ons thuis. Loes is directeur van Stichting Raad op Maat. Een stichting die (pas op, trotse echtgenoot schrijft) zich bezighoudt met mensen met een – vooral verstandelijke – beperking en alles wat hun zeggenschap en rechten raakt. De Stichting doet veel voor de cliënten zelf en leidt ook coaches op en ondersteunt en traint cliëntvertrouwenspersonen. In de laatste jaren is er verschuiving gekomen van vragen op het terrein van zeggenschap en medezeggenschap naar vragen over de rechten van cliënten. Loes heeft er boeken over geschreven voor zowel de professional als de cliënt zelf en nu is er bijvoorbeeld een team van mensen met een verstandelijke beperking die hun lotgenoten kunnen helpen met vragen op dit terrein. Zijn dat dan advocaten met een verstandelijke beperking? Ongetwijfeld zijn die er ook :-), maar wat zij vooral doen is voorlichting geven over even simpele als fundamentele vragen gaat als ‘mag een begeleider mijn kamer zonder kloppen binnen komen?’ En ‘mag de begeleider bepalen waar ik mijn zakgeld aan uitgeef?’

Meer wilsbeschikkingsvragen

De grotere vragen zijn er ook. In feite valt een ontwikkeling te zien waarbij vragen over zelfbeschikking die voorheen in het domein van de zorg bleven, nu op steeds meer terreinen worden gesteld. Zo is het actueel voor notarissen om een inschatting van de wilsbekwaamheid te maken van een door te gretige zoon of dochter begeleide ouder. Is zij in staat te oordelen over haar ‘schenking met de warme hand’ of is er hier sprake van een dwangsituatie? Nu jeugd- en een deel van de langdurige zorg worden overgeheveld naar de gemeenten, speelt de vraag of gemeenten in staat zijn een goede inschatting te maken van de wilsbekwaamheid of de mate waarin vrijheidsbeperkingen geoorloofd zijn. Weten ze als opdrachtgever hoe instellingen daar mee omgaan?

Twitterwacht

Het is tegen deze achtergrond dat de wet Zorg en Dwang deze week is behandeld. Er is met smart naar uitgekeken. De wet zou al een jaar eerder behandeld zijn en om allerlei redenen is er steeds uitstel geweest. De vele klanten en cliënten van Raad op Maat krijgen nu steeds de dubbele boodschap van het belang van aandacht voor vrijheidsbeperking aan de ene kant en het bericht dat de wet er nog niet is aan de andere kant.

Omdat Loes niet de hele tijd aanwezig kon zijn en zij wel iedereen via twitter van de ontwikkelingen op de hoogte wilde houden – @raadopmaat – heb ik gedeeltelijk de honneurs waargenomen. Eerst wat observaties.

Compliment en wanhoop

Om met het positieve te beginnen: het is een goed debat geworden. Omdat ik geen journalisten heb gezien, geef ik dat nog maar eens extra nadruk: het was een goed debat. Op de PvdD na, waren alle partijen vertegenwoordigd op goed niveau. De politieke kleur was wel degelijk herkenbaar in de bijdragen, maar de inbreng was bovenal inhoudelijk en niet op de persoon gericht. Soms was het te technisch voor de niet ingevoerde toeschouwer, maar er waren ook genoeg momenten dat de echte problemen in menselijke woorden beschreven en benoemd werden. Na zo’n debat mag je best weer even trots zijn op de Nederlandse democratie.

En blijf je tegelijk wanhopen over wat er uit komt. Een van de meest aansprekende bijdragen kwam van Fleur Agema (PVV). Zowel in eerste als in tweed termijn schetste ze zeer scherp hoe de dilemma’s lagen in de problematiek van zorg en dwang. Hier geen Wilderiaanse oneliners, maar gewoon prima verwoorde voorbeelden van de spanning die er is tussen het ‘ruimte willen laten aan de professionals’ en een besef dat het maar al te snel mis kan gaan met die ruimte. De tegenstelling dus tussen vertrouwen en wantrouwen, met de vraag of regelgeving dat gat kan vullen. Ze eindigde haar inbreng in beide termijnen zonder een standpunt in te nemen, het aan staatssecretaris Van Rijn overlatend om de wet naar eigen inzicht af te ronden. Nu kan je dat al snel zien als een poging van de PVV om geen vuile handen te maken en die kant zit er ongetwijfeld aan, maar haar redenering was niet zonder verdienste. Zoals Van der Staaij (SGP) het vanuit zijn gebruikelijke uitkijkpunt aan het einde van de reeks parlementariërs in ongeveer deze woorden zei: als zelfs de PVV er niet uitkomt, terwijl we het over het doel van de wet wel eens zijn, werkt de wet dan wel?

Tussen zware en lichte gevallen

De kern van het probleem zit volgens mij niet in de evidente gevallen van de Jolanda Venema’s, die dagenlang aan een muur werd geketend, of de verstandelijk beperkte vrouw die door het lint gaat en in een mix van onmacht en ondeskundigheid zo wordt vastgehouden dat ze komt te overlijden. Dit, helaas, zijn de ‘makkelijke’ gevallen, te presenteren in combinatie met veel publicitaire verontwaardiging. Dat was en is ook al fout op basis van de huidige wet BOPZ. Het grotere probleem is dat er geen echte onderkant is in de discussie over zorg en dwang. De definitie van onvrijwillige zorg, c.q. vrijheidsbeperking is en blijft heel ruim. Als een instelling stelt dat een cliënt te zwaar is en dat deze geen koek meer mag eten en dit doorzet ook als de cliënt niet wil stoppen met koek eten, is dat een vrijheidsbeperking volgens de nieuwe wet. Toch ben ik geneigd om te zeggen dat dit geen vrijheidsbeperking is, of in ieder geval geen zware. Ik ben zeker geneigd om dit te zeggen als ik instellingsdirecteur ben en weet dat uit een discussie over het wel of niet koek mogen eten een procedure kan volgen met tweemaal hoor- en wederhoor en de verplichte inschakeling van een externe, alles genotuleerd uiteraard. Dan maar koekhappen.
Maar wat als het verbod op koek eten past in een groter patroon van de ontzegging van heel normale keuzes? Wat als er geen enkele vorm van privacy is op de afdeling? Waar trek je de grens tussen zware en lichte gevallen?

Hanteerbaar?

Het onderscheid tussen lichte en zware vormen van vrijheidsbeperking is moeilijk te maken. Praktijkdwang – ‘het moet wel hanteerbaar blijven’ kan voortdurend tegenover risico’s en rechten komen te staan, met de inspectie als boeman op de achtergrond.
Toch, het blijft ingewikkeld. Aan de ene kant is de noodzaak om het werkbaar te houden evident – er wordt gezegd dat medewerkers in de zorg nu al zo’n 40% van de tijd kwijt zijn aan bureauwerk. Als dat waar is, zijn we met z’n allen knettergek en hebben we onze besparing op de zorgkosten echt gevonden.
Aan de andere kant is het een illusie om te denken dat ‘sturen op de professional’ voldoende of simpel is. Niet iedereen ziet zichzelf als een professional. Daarbij lijkt het ook zo te zijn dat juist de overbetrokkenheid van veel medewerkers in de zorg bij hun patiënten en cliënten tot vrijheidsbeperking leidt. Bovendien, laten we eerlijk zijn: veel van waar de nieuwe wet om vraagt kost op de korte termijn geld. Geld dat ‘er niet is’. Dat als het mis gaat, de kosten nog veel hoger uitvallen, wordt dan genegeerd.

Bewustwordingswet

Er is gelukkig over nagedacht. De wet wil – en dat vind ik op zich prettig en vernieuwend – een ‘bewustwordingswet’ zijn. De registratieplicht is er op gericht te stimuleren tot een zoektocht naar het minst zware alternatief voor vrijheidsbeperking. Die zoektocht moet op papier worden vastgelegd. Dat klinkt goed. Maar hoe leg je zoiets in een wet vast? Hoe verhoudt het dwingende van wettelijke eisen en de schriftelijke vastlegging ervan zich met wat uiteindelijk een verandering in de houding en cultuur van leiding en medewerkers is. Kan je cultuurverandering per wet afdwingen?

Het is dit dilemma dat dwars door de parlementaire behandeling van de wet heen loopt. Zittend op de publieke tribune, kreeg ik bijna medelijden met de parlementariërs. Tegelijk bedacht ik: jullie laten je vangen in het paradigma van je eigen wetsarbeid. Wie zegt dat er geen alternatieven zijn voor registratie? Wie zegt dat professionele ruimte zonder professionele toetsing kan? Minder registratie-eisen en ruimere definities van vrijheidsbeperking, in ruil voor betere selectie-eisen, permanente scholing en andere auditmethoden brengen het doel dichter bij dan de bekende combinatie van opschrijven en inspecteren ooit kan. De zorg moet hoe dan ook ontsnappen uit de schijnzekerheid van het HKZ-keurslijf, waarom dan niet op dit terrein?

Knopen tellen

Wat nu waarschijnlijk zal gebeuren is dat de staatssecretaris gewoon zijn politieke knopen gaat tellen. Waar is een meerderheid voor en waar niet voor? De behoefte aan zekerheid – dus wettelijke verankering, protocollen en registraties – gaat het waarschijnlijk dan winnen. Welke politieke partij wil er verantwoordelijk zijn voor mogelijke misstanden?
Vervolgens zal het dan aan de werkvloer zijn om nieuwe grenzen te ontdekken en er al dan niet over heen te vallen. Lastig, ook al omdat de wet Zorg en Dwang niet de enige wet is die speelt op dit gebied. Ook de Jeugdwet en de wet verplichte GGZ regelen onvrijwillige zorg, maar dan steeds weer anders. Je zal maar cliënt zijn, zoals iemand tweette. Of: je zal maar medewerker zijn.

Telefoon

Nadenkend over het Kamerdebat, dacht ik terug aan dat moment waarop ik hoorde over het overlijden van mijn schoonvader. Wordt het met de nieuwe wet beter? Zullen er geen telefoontjes meer komen? Ik vrees van niet. De bitterheid is dat veel van de vrijheidsbeperking voortkomt uit betrokkenheid of andere nobele motieven, of uit een maar al te begrijpelijke wens om de werkdruk te verminderen of, geconfronteerd met iemand die helemaal door het lint gaat, de eigen veiligheid voorrang te geven. Het bewustzijn van alternatieven is dan heel belangrijk, staat terecht centraal als het om professionaliteit gaat, maar ‘verwijtbaarheid’ is een term die eigenlijk niet aan de orde zou moeten komen. Toch, dat telefoontje zal maar komen …

 

Peter Noordhoek

www.northedge.nl


[1] Wel is het argument van ‘val voorkomen’ als reden voor het fixeren geschrapt. Onderzoek wijst uit dat het middel erger is dan de kwaal. In die zin zou het ongeval van mijn schoonvader niet meer voor kunnen komen.

Rutte’s olifant

Maandagavond was de jaarlijkse H.J. Schoo-lezing van Elsevier in de Rode Hoed in Amsterdam, dit keer uitgesproken door premier Mark Rutte. Voor mij was het een soort vrije avond, geschikt om even de lucht van wilde beesten op te snuiven. Hierbij een paar observaties, plus een conclusie die ik liever niet had willen trekken. Vooraf: ik mag premier Rutte en ik denk dat hij te makkelijk in het frame wordt getrokken van een niet serieuze premier. Mijn behoefte om trots op mijn premier te kunnen zijn is sterk, van welke kleur deze ook is. Juist daardoor vind ik zijn misvatting van het fenomeen ‘visie’ zo spijtig.

Uit het hoofd

Als altijd ben ik onder de indruk van iemand die uit zijn hoofd speecht. Ik heb dat nog nooit iemand beter zien doen dan Cameron bij zijn eerste speech als leider van de conservatieven in Blackpool, maar maatje Rutte doet duidelijk zijn best in de buurt te komen. De structuur bouwt hij moeiteloos op, anekdotes volgen elkaar naadloos op, de cijfers zijn er als hij ze nodig heeft. Chapeau. Een mooie paradox van Paul Schnabel uit 1983 liet hij als een parachute zo zacht in de huidige tijd landen. Aan het einde van het eerste deel toonde dat hij wel degelijk beseft hoe zwaar veel mensen het hebben en hoe zwaar de angst voor het falen drukt. Dit is wat ik wil horen, zo dacht ik.
Ook ik doe wel eens lezingen uit het hoofd en dan weet je hoe moeilijk het is om dat schijnbaar spontaan goed te laten gaan. Als je dan ook nog ziet hoe vol de zaal zit en hoe verwachtingsvol pers en hotemetoten klaar zitten om alles wat ze horen te fileren, dan is het des te knapper. Zeker, ik fileer mee, maar jongens, wat is dat makkelijk in vergelijking met het daar staan.

De olifant en de blauwdruk

Ter zake. Direct bij het begin sprak Rutte relativerende woorden over het fenomeen visie:

“HJ Schoo benoemde de dingen zoals die zich aan hem voordeden. Heersende opinies zeiden hem niet zoveel. Laat ik daarom vandaag in die geest beginnen en allereerst de olifant die daar in de hoek staat een hand geven. U hebt hem vast ook zien staan. ‘VISIE, staat er in hoofdletters op. 
Ik kwam dat woord in de aanloop naar deze avond regelmatig tegen in allerlei verwachtingsvolle voorbeschouwingen. En ik zeg u meteen: ik geloof niet in alomvattende blauwdrukken waarmee maatschappelijke problemen in één klap op te lossen zouden zijn. Daar word ik als liberaal altijd een beetje wantrouwend van. Een land, een samenleving past niet in een mal.” Olifant op de buik

Als start voor het verhaal spreekt me dit aanvankelijk wel aan, al vond ik direct al dat hij dit ten onrechte alleen vanuit het liberalisme motiveerde. Hollandse nuchterheid kan al voldoende zijn. Per saldo is zo’n uitspraak volgens mij wel de echte Rutte: behoorlijk no-nonsense, meer nog wellicht dan Lubbers. Het maakt het eigenlijk alleen maar des te merkwaardiger dat hij in de landelijke verkiezingscampagne zo is gaan overbieden. Nou ja, hij heeft er vet voor betaald. Pas later in zijn verhaal zou ik terugdenken aan die olifant van Rutte. Stond die olifant in de hoek, of was die een last op zijn buik en zag hij daar niet overheen?

De olifant en de giraf

Na het indrukwekkende eerste deel – ‘uit het hoofd’, zoemde het rond – worden de verwachtingen toch weer hoger. Weliswaar is er nog niets langsgekomen dat echt nieuwswaardig is, maar je krijgt z’n gevoel dat zoiets wel gaat komen. Hmmm. In wat hij het tweede deel noemt, komt hij met ‘trends’. Ik ben benieuwd. Even is dat leuk, zeker als hij met de Voorstraat in Dordrecht komt, een lange winkelstraat (1,2 km) die tot voor kort het goed zou doen en waar nu heel veel panden leeg staan. Maar juist omdat ik als schooljongen heel wat in die straat ben geweest, weet ik maar al te goed hoeveel leegstand daar op die straat kan zijn, ook zonder crisis. Is dit het sterkste waar hij mee kan komen? En dan begint het bij mij te kriebelen.olifant_giraf Een premier als trendwatcher? Dan verruil je een olifant voor een giraffe. Als er niet echt een visie is, kom je wellicht daar op uit. Maar doe het dan goed. Je mede-VVD’er Adjiedj Bakas is zo’n meester. Er is wel een verschil. Adjiedj kan met de wildste uitspraken wegkomen doordat hij alles uitvergroot en zijn verhaal met een grote dosis humor brengt. Entertainment met een boodschap. Rutte mist dat – dit keer. Waarschijnlijk is hij er helemaal van doordrongen dat dit niet de tijd is om het lachebekje uit te hangen, maar daarmee ontzegt hij zich een belangrijk deel van zijn krachtbron. Het positieve, goedlachse van de premier is geen gimmick. Het is wat hem energie geeft. Nu valt wat hij te zeggen heeft nogal plat. Dan denk je zijn functie even weg en wat overblijft is een trendverhaal dat wel waar is, maar dat je overal op de hoek van de straat kunt krijgen en smakelijker ook.

Te krap om te verbinden

olifant_telefooncel

Bij mij werd de ban gebroken. Het aanstekelijke van het begin verdampte. Wat hoor ik nu eigenlijk? Wat is dit meer dan de beleidstaal die ik al op zoveel plekken hoor? Dit had zo uit de koker van een ambtenaar kunnen komen – het soort ambtenaar dat de speech van de minister uitspreekt als deze verhinderd is. Het maakte het uit het hoofd spreken wat mij betreft ook minder knap. Hij sprak over ‘dossiers’ die dagelijkse kost zijn voor een premier aan de vooravond van Prinsjesdag. Uit het hoofd spreken over je dagelijks werk is een veel minder grote opgave. Steek dan liever wat meer energie in de wijze waarop je het brengt. Waar blijven de kenmerkende uitspraken, de betere anekdotes, de bijblijvende citaten? Niets van dat alles. Terwijl hij wel, heel logisch, de crisis neemt als decor voor zijn verhaal. De empathie uit het begin van het verhaal werkt in ieder geval niet door.

Tenminste? Even veer ik op. Rutte spreekt over zijn ouders. Nadat zijn vader gerepatrieerd was uit Nederlands-Indië, liet hij samen met zijn vrouw zien dat je met doorzetten en door zelf aan te pakken ver kan komen. Een goed voorbeeld om aan je kinderen mee te geven. Dit deel smaakte naar meer, zeker ook omdat mijn vader ook uit Indië is gerepatrieerd en ik ook weet wat voor ongelofelijke prestatie hij daarna heeft geleverd om weer aangesloten te raken in dat andere, koude land. Helaas, het verhaal over zijn ouders werd als het ware gesandwitched tussen zinnen die op papier nog aardig lezen, maar op de toehoorder overkwamen als beleidstaal, inclusief bijbehorende vlakke toon. Daardoor had het geen fractie van de impact die het had kunnen hebben (zijn kernboodschap volgens hem: ‘dé manier om kwijt te raken wat we hebben, is vast te houden aan wat we hebben’ heb ik daardoor eerlijk gezegd helemaal gemis en pas de dag later meegekregen. Zonde). Voor mij hoeft niemand voor de geloofwaardigheid van een verhaal met een persoonlijke noot te komen, maar ik vond het bijna triest zoals hij dat nu verstopte in wat ik hoorde als een niet-visie.

Olifantenkoppen

Ondertussen gaf Rutte wel een paar boodschappen af: het is niet slecht zoals het is, maar het wordt wel anders. De basis moet op orde, en op die basis zullen nieuwe huizen worden gebouwd. Kennis kan alles, de overheid maar weinig. Ik zeg het in mijn woorden, maar zo kwam het over. Dat we daar niet eerder op zijn gekomen. Eigenlijk een erg flauwe boodschap om een beleidstaart mee te verkopen. In mijn achterhoofd heb ik de wijze woorden van de Belgische oud-pre

Olifanten2

mier Eijskens, die zei dat praten over verandering, over ‘change’, al te makkelijk is. ‘Yes we can’. Ja, dat wel. Maar verbeteren, zorgen voor ‘improvement’ vergt iets anders.
Dat vergt keuzes en elke keer als er een keuze wordt gemaakt, zullen de waarden achter die keuzen onvermijdelijk expliciet worden. En botsen, met de ene olifant tegenover de ander. Dan wordt het een hartig verhaal. Het verhaal van Rutte bleef wonderlijk keuzevrij.

Na het slotapplaus merkte ik dat ik honger had naar meer. Op de keper beschouwd vulde dit verhaal niet. Niet via de vorm, niet via de inhoud. En dat terwijl ik echt geloof dat met een beetje meer passie en poëzie de impact van zijn verhaal zoveel groter had kunnen zijn. Dat het anders had gekund, was ook merkbaar tijdens het beantwoorden van vragen na afloop. Dan zie je Rutte loskomen. Nog steeds blijft het een vrij vlak verhaal als je de persoon van de premier wegdenkt, maar de dynamiek wordt gelijk veel beter. Wie heeft de premier hoe geadviseerd in de aanloop naar deze lezing? Is hij voldoende uitgedaagd?

De premier en de olifant

In de nabespreking op de radio werd Rutte verdedigd – ik geloof dat het Joost Vullings was – met het argument dat hij natuurlijk geen gepeperde liberale uitspraken kon doen, ‘anders zou hij Samsom gelijk aan de telefoon hebben.’ Ik waag het te betwijfelen.  Ook Samsom heeft een premier nodig die ergens voor staat, want dan wordt het ook makkelijker voor hem om zijn verhaal er tegen aan te hangen. Bovendien: Jan Peter Balkenende liet regelmatig een zeer christen-democratisch geluid horen en ik heb zelden gemerkt dat dit de coalitiegenoten erg dwars zat.

Olifanten liftMaar los daarvan: ook zonder ideologische kleuring had het nog altijd meer kleur kunnen krijgen. Het is niet voor niets dat de verwachtingen van de media zo hoog waren. Ze begrijpen prima wat er onder de mensen leeft. En dan is het ook de rol van een premier, minstens zozeer als die van een vorst, om te verwoorden hoe we in onze tijd staan, zodat we daar richting aan kunnen ontlenen. De mensen hebben echt behoefte aan perspectief, of ten minste aan het gevoel van verbondenheid dat Ware Woorden kunnen geven. Rutte zei aan het begin dat het visie-element hem als een soort olifant in de weg stond. Ik denk toch dat hij wat langer had mogen nadenken over waar die olifant nu eigenlijk voor stond. Die olifant had misschien het woordje ‘visie’ op, maar dat is niet wat hem zwaar maakte. Dat was niet de last waar je bang van moet zijn en die op je buik drukt. Die olifant, dat zijn wij en onze behoefte aan een warm verhaal. Wij, de olifant, willen je best dragen, beste premier, maar geef richting.

Zo werd het toch nog een gemiste kans. Een bevestiging van mijn gevoel dat de huidige lichting bewindspersonen hard hun best doet, maar eigenlijk een maatje te licht is voor de tijden waar we nu in leven. Zorg er alsnog voor dat ik ongelijk krijg.

Peter Noordhoek

Dat wat verrast

Als iemand persoonlijke moed toont, verrast dat. Veiligheid zoeken is ‘normaler’. Als iemand daarvoor inspiratie buiten de dingen van alle dag zoekt, verrast dat ook. Verwondering leidt tot bewondering. Maar wat nu als je wordt verrast door iets dat onecht is, van plastic is, en daar toch echt door wordt geïnspireerd? Hoe rijm je dat? Is die verrassing ook welkom? Zomaar een reflectie.

Herman Kaiser vertelde het beeldender dan ik het hier op kan schrijven. Zojuist burgemeester van Arnhem geworden, beschreef hij iets uit zijn periode als burgemeester van Doetinchem. Over Heracles. Na goede tijden, volgde er een hele slechte tijd. Het bestuur kreeg de schuld. De voorzitter werd bedreigd. Dat was het moment dat Herman Kaiser in oprechte woede ontstak en de betrokken supporters – potig, ruig, bot – heel direct toesprak en ze duidelijk maakte dat ze dit niet konden maken. Ze luisterden. Hij kon dat doen omdat hij al eerder op ze afgestapt was en iets van zichzelf had laten zien dat echt genoeg was om bij hen respect af te dwingen.

Herman is een intellectueel, een bestuurder, iemand met een brilletje. Weliswaar draagt hij soms een ketting, maar hij heeft geen tattoos. Kennelijk kan hij ook zonder dat laatste indruk maken. Zolang je er maar met heel je hebben en houden staat. Er durft te staan. Heerlijk om van tijd tot tijd met mensen als hij om te mogen gaan. In 1994 heb ik samen met hem een aantal gesprekken georganiseerd om na de verkiezingsnederlaag van 1994 te voorkomen dat het zuiden en westen van het CDA te ver van elkaar vervreemd raakten. Toen liet hij zich kennen als iemand die geen compromissen nodig heeft om toch te kunnen verbinden. Juist niet. Ik herken het: stevige, maar oprechte meningen verbinden beter.

Herman Kaiser kwam met zijn voorbeeld in het kader van een discussie over persoonlijke moed. Hoe anders kan je een doorbraak maken in waar we nu als samenleving voor staan? De naam die er het meest bij genoemd werd was die van Francscus van Assisi. Die durfde echt een persoonlijke doorbraak te maken. Hij was de voorganger. Hoe zou zijn naamdrager, de nieuwe paus, het nu gaan doen? Aardig genoeg schoof de katholiek Kaiser ook de protestant Kuyper naar voren, met zijn ‘architectonische’ kritiek. Die had namelijk begrepen dat je niet alleen in het kleine een stap vooruit moet doen voor wat je vertegenwoordigt, maar ook in het grote. Hij maakte een doorbraak voor zijn ‘kleine luyden’. Het was duidelijk. Zo moeten we nu opnieuw grote stappen zetten.

Het was mooi om zo over het goede, moedige en grote te spreken. Alleen al door er over te spreken voelde ik mezelf ook wat steviger worden. En dat is dan natuurlijk het moment om tegen te gaan denken. Als je alles zo koppelt aan persoonlijke moed en integriteit, hoe mag je dan ooit verwachten een hele samenleving mee te krijgen? Er zijn grenzen aan voorbeeldwerking, alleen al doordat ik mensen als Herman nou ook niet elke dag tegen kom. Ook daarvoor kwam een aanleiding voorbij.

In een korte video sprak o.a. een directeur van EO, Arjan Lock, over zijn beleving bij de eerste The Passion. Het was in Gouda*. Hij was tijdens de live uitzending in het stadhuis op de Markt en zo tegen het einde van de uitzending begon het hem te dagen wat het spektakel voor hem in beweging bracht. Het was even heel veel meer dan een uitzending en een grote logistieke operatie. Hij werd heel persoonlijk geraakt.
Ook ik maakte The Passion mee. De kruistocht zou voor ons huis langskomen. Ik voelde er weinig bij. De binnenstad stond al een paar dagen op z’n kop. Toen ik een postpakket wilde wegbrengen, vertelde mijn tijdschriftenboer me met humor dat dit die dagen niet kon ‘want Jezus moest erdoor’. Maar het had ook wel iets spectaculairs. Dus zetten mijn vrouw en ik de TV aan en keken tegelijk door ons raam om te zien of de stoet met het kruis er al aan kwam. Op een gegeven moment was het zover. Een enorm plexiglas gevaarte kwam de gracht over. Buitengewoon lelijk en onecht. Maar er was meer te zien en te horen. We zaten op een deel van de route waar geen camera’s op stonden. Terwijl in de uitzending popzangers met een min of meer passende hittekst het lijdensevangelie zongen, zagen wij een stoet van mensen rondom het kruis kennelijk spontaan Paasliederen zingen. Heel ongeorganiseerd, maar het voelde wel echt aan. Wat gebeurt hier? We hebben de TV uitgezet en zijn er in verwondering achteraan gelopen, richting de markt. Ik heb er geen twijfel aan dat Lock’s gevoel oprecht was, want ik voelde het om mij heen ook gebeuren.

Dus: hoe kan uit zoiets kunstmatigs iets voortkomen dat oprecht, authentiek is? Geen voorbeeldgedrag, geen ‘architectonische kritiek’, maar plexiglas, geluidskabels en schijnwerpers?
Ik stelde dit als vraag in de bijeenkomst waar Herman Kaiser ook sprak, maar kreeg geen echt antwoord. Het is er ongetwijfeld wel. Persoonlijk denk ik dat de makers van het programma ook een sprong hebben gemaakt. Ze hebben durf getoond door het evangelieverhaal op deze heel andere manier te brengen. In ieder geval wisten de makers hun bedoelingen perfect over te brengen. Maar mijn vraag maakt natuurlijk direct iets anders los. Is dit de manier om veranderingen in de samenleving ‘te maken’? Of: te kopen? Is het onechte een acceptabele route om bij het echte uit te komen?

Ik zou toch zoveel mogelijk bij de eerlijke intenties willen blijven. Misschien wel omdat ik dat zelf nodig heb: de bevestiging dat oprechtheid werkt. Maar ook omdat ik weet dat in een grote, doorgerationaliseerde wereld het vermogen om prettig verrast te worden, gekoesterd moet worden. Ik ben iemand die zou willen geloven, maar het niet doet. De avond van The Passion heeft wat dat betreft niets veranderd. Wat niet betekent dat ik het geloof afwijs. Het menselijk tekort is overal. Wat mij in het geloof inspireert is juist het streven om boven dat tekort uit te stijgen. Dat streven heeft vorm gekregen in allerlei tradities, symbolen en culturen. Lang niet alles daarvan hoef ik over te nemen, zeker niet als het over de scheiding van kerk en staat heen gaat. In deze tijd is er echter eerder te weinig dan te veel aandacht voor deze bronnen van inspiratie. Een burgemeester die zich door een middeleeuwse monnik laat inspireren. Een omroepman die denkt dat het een goed idee is om een plexiglas kruis door een stad te sturen. Wonderlijk. Wonderlijk mooi. Ik weet niet hoe het werkt, maar geef het graag ruimte. Geef het graag de kans mij te inspireren.

 

Peter Noordhoek

Zie ook mijn blog van toen op deze website: http://www.northedge.nl/blog/passion-in-gouda/


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek