Maandelijks archief: april 2013

Over regelgeving en het einde van Koninginnedag

Een blog over duivelse dilemma’s rondom regelgeving. We willen allemaal veilig zijn, maar de prijs ervoor is te hoog. Vaak zien we dat niet meer, of hebben we last van een Cyclus van Angst en Verantwoording. Maar daar moeten we doorheen breken als we deze samenleving leefbaar willen houden. En bijvoorbeeld een mooie Oranjeboulevard willen hebben op Koninginne- en Koningsdag.

Gouda is een rustig stadje dat af en toe met de verkeerde dingen in het nieuws komt. De laatste aanleiding om weer in het nieuws te komen is een golf van inbraken. Politie en gemeente treden daar wel degelijk tegenop en verdienen een compliment, maar het gaat om een echt hardnekkig probleem en het slechte beeld dat het oplevert krijg je niet zomaar weg, ook al zijn we Meer dan kaas en krantenkoppen.

Oranjeboulevard

Wij Gouwenaars kennen ook andere, betere beelden. En in onze optiek is er naast de Kaarsjesavond geen beter beeld dan dat van de vrijmarkt in de binnenstad van Gouda op 30 april, Koninginnedag. Op het Raam en bij de oude binnenhaven komt dan heel Gouda op een vrolijke, gemoedelijke wijze bij elkaar: de Oranjeboulevard. Je voelt: dit is het feest van iedereen. Kostbaarder dan goud zou je, denken. Maar nee, de vrijmarkt was er dit jaar bijna niet meer geweest. Ik citeer de krant van Gouda – en daarna ga ik fileren en verbinden met het grotere thema van doorgeslagen regeldenken.

Tot drie weken geleden zag het er nog naar uit dat de Oranjeboulevard voor het eerst in twintig jaar niet door zou gaan. De regels waaraan het evenement moet voldoen, worden elk jaar strenger. Te streng voor de organisatie die uit alleen vrijwilligers bestaat. Sari Donk, van de Speelwinkel, is een van de initiatiefneemsters van de Oranjeboulevard. Zij zegt: “Elk jaar werden de regels aangescherpt. Wij konden lang meeveren, maar op een gegeven moment is het elastiekje uitgewerkt.” Door problemen bij andere festivals in Nederland zijn de regels strenger geworden. Zo moeten er overal verkeersregelaars aanwezig zijn. Sari; “Ik kan geen blik verkeersregelaars openbreken bij mijn vrijwilligers. En ik heb geen geld om ze in te huren.”

Andere zaken, zoals een evacuatieplan en een ‘gewondennest’ gingen ook boven de macht van de vrijwilligers. Het leek het einde van de Oranjeboulevard te worden. Gelukkig heeft de gemeente alsnog zelf verkeersregelaars en toezichthouders ingeschakeld. Opgelost. 30 april 2013 is de laatste Koninginnedag op deze datum. Natuurlijk moet het dan weer feest zijn. Tot slot weer de positieve stem van Sari:

“In al die twintig jaar is er gelukkig nooit iets gebeurd. De sfeer is altijd gemoedelijk en iedereen zit gebroederlijk bij elkaar. Op Koninginnedag kan altijd alles wat de rest van het jaar niet altijd kan.”

Afwegingen en het gebrek er aan

Ik start het fileren. Aannemend dat de Krant van Gouda accuraat rapporteert, wat is voor deze casus van belang?

  • De regelgeving is per jaar strakker geworden. ‘Incidenten’ hebben daar een rol in gespeeld
  • Kennelijk is het tot dit jaar gelukt aan de verstrakking van de regels te voldoen
  • De Oranjeboulevard is een voorbeeld van een maatschappelijk initiatief, getrokken door vrijwilligers
  • De gemeente is in actie gekomen, maar pas nadat sluiting dreigde en ‘het elastiekje was uitgewerkt’

Formeel gesproken heeft de gemeente geen steek laten vallen. Ze heeft de regelgeving – kennelijk opgelegd vanuit het rijk of doorgegeven vanuit een landelijk verband  – toegepast. Op een ander niveau mag je constateren dat er wel fout is gehandeld. Tegen kabinetsbeleid en bestuursakkoord in is de regeldruk verhoogd. Het kabinetsbeleid is gericht op het stimuleren van maatschappelijk initiatief en feitelijk wordt dat initiatief gesmoord. Vrijwilligerswerk wordt onvoldoende gewaardeerd. De gemeente neemt kennelijk niet zelf verantwoordelijkheid om de effecten van haar regelgeving op te lossen, maar moet eerst een noodkreet ontvangen. Tsja. Maar tegelijk hebben we het dan dus over nogal abstracte principes. Harde regels en krappe budgetten maken het logisch dat de fraaie uitgangspunten sneuvelen in het concrete geval. Toch? Want er is natuurlijk een andere kant.

Stel dat

Die regels zijn er niet voor niets’. Je hoort het iedereen zeggen. En zeker als het over maatregelen gaat die de veiligheid raken, volgt direct het ‘Stel dat ..’. Jawel, stel dat. Dan kunnen de gevolgen inderdaad ernstig zijn. Duizenden mensen verdringen zich door de straten van de binnenstad, waaronder veel ouderen en kleine kinderen. Dan zijn er genoeg vragen over veiligheid en de logistiek van de veiligheid te stellen. Wie wil daar verantwoordelijk voor zijn? Onzichtbaar voor de krantenlezer raakt dit vraagstuk van de Oranjeboulevard de bredere vraag of publieke evenementen nog wel door vrijwilligers mogen worden gevoerd. Moet het niet aan de professionals worden overgelaten? En het antwoord lijkt te zijn: ja, veiligheid is een zaak voor professionals. Concreet zou het er dan wel op neer komen dat geen enkel evenement nog de uitkomst van een maatschappelijk initiatief mag zijn, of beter gezegd: dat een maatschappelijk initiatief nog mag worden uitgevoerd door degenen die het evenement bedacht hebben. De Koninginnedag is hoe dan ook dit jaar afgelopen, maar kan er dan nog een koningsdag zijn? Kunt u wel naar Gouda komen, koning Willem-Alexander?

De cyclus van Angst en Verantwoording

Dat is hier gelukkig niet aan de orde. Geen bestuurder die het zover laat komen, mag ik aannemen. Maar toch, maar ‘stel dat ..’. Het lijkt me dat we – gemeenten, media, wij burgers – al snel terecht komen in wat ik maar even de Cyclus van Angst en Verantwoording noem. De CAV. Die komt op gang als de angst voor wat mis kan gaan gecombineerd raakt met de zorg dat bestuurders niet zijn ingedekt tegen verwijten van schuld. En geen misverstand: media leven van de schuldvraag en veel burgers zijn niet zo heel ver verwijderd van het inrichten van een schavot op het marktplein van Gouda. Op dit moment lijkt de CAV in Leiden te hebben geleid tot een soort Sun Tzu reactie: probeer met de massale inzet van manschappen en middelen te voorkomen dat het misgaat. Het zou de les zijn van Hoek van Holland, van Apeldoorn, van Project X en misschien wel van ‘de’ Marokkanenproblematiek van Gouda. Het naar huis sturen van alle scholieren in Leiden vanwege een bomdreiging lijkt er het laatste voorbeeld van te zijn. Het klinkt cynischer dan ik bedoel, maar als het niet helpt, kan de bestuurder in ieder geval laten zien dat deze zijn uiterste best heeft gedaan.

Als we de Cyclus van Angst en Verantwoording willen vermijden – want uiteindelijk is het niets anders dan een onvoorstelbaar kostbare illusie van veiligheid – dan zijn daar wel degelijk mogelijkheden voor. En dat op verschillende niveaus.  Laat ik het hier maar bij twee niveaus houden: het Goudse en het niveau van de regelgever.

Meer dan regeltoepassing

Om dus maar bij het Goudse voorbeeld te beginnen. Eerst de voor de hand liggende vragen gesteld: is er een specifieke dreigingsanalyse gemaakt? Is het proportionaliteitsbeginsel toegepast (evenredigheid doel en middel)? Zijn vooraf de betrokkenen gehoord op ‘zachte signalen’ die extra maatregelen nodig maken?
Het blijkt uit niets. Mijn vermoeden is dat er simpelweg sprake is geweest van een toepassing van bestaande regels en richtlijnen. Dit is het landelijke verhaal, dit is wat we in Gouda moeten toepassen. Heeft u bezwaren? Dan leggen we nog een keer uit dat het moet. Ja, sorry, ik heb het ook niet bedacht.
Een van de allergrootste problemen waar overheden mee te maken hebben, is de vanzelfsprekendheid van regels en procedures. Het zuigt de zuurstof uit het denken. Moderne inzichten rondom risicobeheersing laten zien dat procedures en regels er wel moeten zijn, maar al snel doelvernietigend werken. Ingewikkeld gezegd (ik sluit me aan bij Hollnagel): incidenten zijn niet te voorkomen door een systeem, ze zijn hoogstens het symptoom van een dieper falen van dat systeem. Als je niet oppast verstoppen en verplaatsen procedures de oorzaken van incidenten alleen maar, om naar boven te komen op het moment dat je dit het minste verwacht: het was immers geregeld.
Lees je de conclusies van de rapporten van bijvoorbeeld de rellen in Hoek van Holland en van project X, dan denk je: sneller overal meer capaciteit erbij. Lees je de reconstructies in detail, dan kom je tot andere conclusies: er had met minder mensen meer gedaan kunnen worden, men was niet alert genoeg, er was te weinig ruimte voor intuïtie, en .. er werd tevoren niet goed genoeg geluisterd. Men wist immers al het hoe moest ..
Kortere regelkringen, aangebracht door wakkere mensen die zelfstandig kunnen nadenken, werken oneindig veel beter dan grote regelkringen. Dus: voer het gesprek met de vrijwilligers van Gouda, zet ze in, bedenk scenario’s, oefen, sta open. Uiteindelijk werkt dat beter en het beloont maatschappelijk initiatief in plaats van het te bestraffen. Is regeltoepassing onvermijdelijk, maar waardeer je ook het maatschappelijk initiatief en de kwaliteit van de vrijwilligers, dan weet je dat de prijs voor toepassing van de regels bestaat uit het ondersteunen van de vrijwilligersorganisatie. Zo niet – geen Oranjeboulevard.

De Cyclus van Vertrouwen en Verantwoordelijkheid

Het is natuurlijk wel lastig om nee te zeggen tegen die realiteit van de regels. Zeker ambtenaren en bestuurders kunnen niet doen alsof ze er niet zijn. Tsja. Ik ben niet de enige die denkt dat het negeren van regels dagelijkse praktijk is. Zo niet, dan zou het hele radarwerk waarschijnlijk stil komen te staan als door een eindeloze stiptheidsactie. Er zit toch al snel een element van keuze in de vraag welke regels wel worden geïmplementeerd en welke niet. Toch is het niet mijn pleidooi om tot willekeur over te gaan. Liever zie ik dat het probleem van blind regelen bij de bron wordt aangepakt.

Die bron is bijna altijd landelijk van aard. Gaat het niet om regels die direct vanuit het rijk komen, dan gaat het wel over regels die de uitkomst zijn van overleg tussen diverse partners in landelijk verband, bijvoorbeeld in het kader van de VNG commissie(s). Het zijn deze regels die bij tientallen tegelijk worden uitgerold over de gemeenten. Ze wassen als een zeegolf over de zandkastelen van het maatschappelijk initiatief uit als dat zo uitkomt, niets anders dan weke hoopjes los zand achterlatend. Degenen die de regels opstellen merken dat niet. Ze zijn al weer met het volgende incident, de volgende regel bezig – zoals bijvoorbeeld een extra scholingseis voor de begeleiders van oudercrèches, een ander maatschappelijk initiatief naar aanleiding van het commissierapport na een ernstig incident in die sector. Wie doorbreekt dit?

Tijd voor een doorbraak

De lokale mensen zelf. Bestuurders, burgers en hun ambtenaren. Ik geloof erg in een beweging van onderop, ook als het om regelgeving gaat. Niemand wil incidenten bagatelliseren, maar hoe lang kunnen we nog doorgaan het incident, de uitzondering, tot regel te verklaren. We zullen op lokaal niveau aan elkaar moeten doorgeven wat nog werkt en wat aan het doorslaan is. Met die lessen zullen we naar de landelijke overleggen en de politiek moeten gaan. Het is tijd voor een doorbraak, een doorbraak van onderop. Het is tijd voor een antwoord op de cyclus van Angst en Verantwoording. Laten we er een Cyclus van Vertrouwen en Verantwoordelijkheid tegenover stellen.

Peter Noordhoek

www.northedge.nl

There is such a thing as a Polder

In 1987 deed Margeret Thatcher de uitspraak ‘There is no such thing as society’.

We’ve been through a period where too many people have been given to understand that if they have a problem, ít’s the governments job to cope with it. (..) And you know, there is no such thing as society. There is only individual man and women, there are families. And no government can do anything except through people, and people must look after themselves first. It’s our duty to look after ourselves and then, also, to look after our neighbours.

Lees je de volle uitspraak en de uitspraken erna, dan kan je het er eigenlijk niet zo mee oneens zijn. Anno nu heeft het zelfs een hoog open deur gehalte. Maar toen werd het beeld scherp gezet: een ongevoelige premier die een mensbeeld neerzette waarin alles draaide om de individuele inzet: ieder voor zich en God voor ons allen.
Het harde beeld bleef. Logisch, want het paste bij wat haar persoonlijkheid uitstraalde.
Enige tijd na haar vertrek begon haar eigen partij dat beeld ernstig te betreuren. Het harde imago keerde zich tegen de Conservatives. Na meerdere verkiezingsnederlagen, en een Tony Blair die namens New Labour in feite een thatcheriaans beleid voerde zonder de verbale hardheid, begon het een aantal sleutelfiguren in de partij te dagen: Iain Duncan Smith, Oliver Letwin en een jonge beleidsdirecteur op het partijbureau, David Cameron. Ze wilde af van dit imago van de ‘uncaring Tories’. En, heel opmerkelijk, ze publiceerden in 2002 een boek onder de titel: ‘There is such a thing as society.’ Probeer je dat eens voor te stellen in de Nederlandse verhoudingen: een partij die haar grootste naoorlogse voorganger zo te kijk zet. Maar het was gemeend. Dit boek is historisch gesproken de opmaat geworden voor de gedachte van de Big Society, wat aan de basis staat van het gedachtengoed van David Cameron en waar hij meer aan vasthoudt dan meestal wordt aangenomen.

Er valt meer over te zeggen – en dat doe ik ook, samen met Peter Franklin in een artikel dat ik voor een themanummer van Bestuurskunde (maart 2013) heb geschreven. Maar in deze week van het overlijden van Thatcher was er ook de geboorte van een nieuw sociaal akkoord. Ik kon het niet helpen beide gebeurtenissen met elkaar te verbinden – en om even een kabinetsterm te lenen: mijn brug is de samenwerking tussen de sociale partners. Wat wij ‘de polder’ noemen. Bestaat die weer? Is die weer terug van weggeweest?

Ja, dat kan je wel zeggen. En het beste bewijs daarvoor is niet te vinden in allerlei uitstel- en compromismaatregelen rond WW en ontslag, maar in een soort heruitvinding van de regiefunctie van de sociale partners, met name die rondom de WW. Vakbonden gaan een uitvoerende rol spelen in de arbeidsmarkt. Mijn beeld is dat deze maatregel voortkomt uit een brainstorm over de vraag hoe je in hemelsnaam nog een zinvolle rol houdt voor bonden die zich richting het verdwijnpunt begeven, maar het doet er in deze fase niet zo heel veel toe waar het idee vandaan komt. Er is onmiskenbaar sprake van een trendbreuk. Niet de overheid krijgt de taak, zelfs niet de decentrale overheid, maar een van de sociale partners. Een witte raaf stijgt op. Na jaren waarin de polder feitelijk werd uitgekleed, komt er nu een ander signaal. There is such a thing as the polder.

En ja, er is reden voor scepsis. Zelf mocht ik in de jaren negentig namens de Baak, het opleidingsinstituut van (toen nog alleen) VNO nogal wat trainingen doen voor de werkgeversgeleding van de arbeidsvoorziening. Dat functioneerde op zich goed. Het overleg had meerwaarde, al waren de kosten ervan wel hoog. Waar het echter misging was bij de gedachte dat de ondernemers en vakbonden zelf daadwerkelijk gingen helpen om de arbeidsmarkt beter te laten fungeren. Ze gingen bestuurdertje spelen, en dat was het. Terecht dat het werd opgedoekt. In mijn optiek kan de nieuwe constructie alleen werken als er ook echt gewerkt gaat worden aan die arbeidsmarkt. Als de vakbondshuizen nieuwe vormen van institutionalisering worden, een bron van baantjes, maar dan voor bondsleden, dan wordt het de dood in de pot.

Maar stel nu eens dat er van het verleden geleerd gaat worden. Stel nu eens dat er naast de overheid als uitvoerder, ook ruimte is voor maatschappelijke partijen als uitvoerder, is dat dan niet een hele mooie kans om echt aan een alternatief te werken voor overheidsingrijpen? In mijn blog van vorige week ben ik tekeer gegaan tegen de neiging om van zelfregulering een soort verlengde arm van de overheid te maken, met de overheid permanent op de achtergrond en klaar om in te grijpen als het toch serieus mocht worden. Zo gaat het dus niet werken. Dan geef ik dus het krediet aan de sociale partners, in het bijzonder aan die verdomde vakbonsbobo’s, dat ze in ieder geval met iets creatiefs zijn gekomen dat de samenleving wil versterken in plaats van deze in een aan de overheid ondergeschikte rol te brengen. En wat hebben we behoefte aan die creativiteit.

Peter Noordhoek

www.northedge.nl

Over zelfregulering, private borging en andere vormen van beklemming

In deze blog wordt kritisch gereflecteerd op de komst van allerlei arrangementen om branches via zelfregulering en ‘interne borging’ er toe te brengen om toezichttaken zoveel mogelijk van de overheid over te nemen. Wil en kan de overheid dat wel? Wil en kan de branche dat wel? En wat zou er gedaan kunnen worden om het spel een beetje zuiver te spelen?

  • Een horeca-ondernemer krijgt een boete van duizenden euro’s omdat hij bij een inspectie niet aanwezig is en degenen die hem achter de bar vervangt niet het vereiste diploma heeft. De horeca-ondernemer zegt dat hij slechts een uur afwezig was. Het is niet duidelijk of de eis dat er altijd een gediplomeerde vervanger moet zijn een initiatief is van de branche of van de overheid.
  • Een branche-organisatie in de transportsector bericht haar leden dat ze zich beter aan het rijtijdenbesluit moeten houden. De leden zijn boos; de concurrentie uit andere landen houdt zich er ook niet aan. De branchevereniging verschuilt zich in eerste instantie achter de overheid, in tweede instantie stelt het dat het ook bezorgd is over het grote aantal chauffeurs dat bij een ongeluk betrokken raakt.
  • Een bank weigert een onderneming een lening. Het gaat om een succesvolle onderneming, die het zeker niet slechter is gaan doen sinds de vorige lening. Desgevraagd legt de bank uit dat de criteria voor het lenen strakker zijn geworden door Europese afspraken. Zelf kunnen ze daar niets aan doen, het geldt immers voor alle banken.
  • Een bedrijf importeert zalm vanuit Griekenland naar Nederland, verpakt door een eigen dochterbedrijf. De kwaliteitscriteria zijn in beide landen hetzelfde. De criteria worden bewaakt in het eigen laboratorium en door een extern bureau, dat zich door de branche heeft laten accrediteren, kijkt mee. Toch gaat het mis, met een grootschalige voedselvergiftiging als gevolg. De inspectie treedt op, met voorbijgaan aan het bureau.

En zo verder, en zo meer.
Wat al deze casussen met elkaar gemeen hebben, is een mate van verwarring over de vraag wie verantwoordelijk is voor de regelgeving of het toezicht; bedrijf, branche of overheid. De laatste casus is nog het meest helder. Het bedrijf en de branche zijn eerst aan zet, ook als het om de kwaliteitscriteria gaat. Is er dan toch nog een probleem, dan komt de overheid via de inspectie in beeld. Maar ook in deze casus voel je dat de verhoudingen niet makkelijk zijn. In de driehoek bedrijf, branche, overheid komen heel veel gespannen verhoudingen voor. En daar wil ik het over hebben, want er loopt op dit moment in overheidsland een discussie onder de sexy titel ‘private borging van de regelnaleving’. ’50 shades of grey’, maar dan anders.

De gedachte er achter is helemaal niet onlogisch. Hoe meer je aan de branches zelf kan overlaten, hoe minder je als overheid hoeft te doen. Dus vraag je branches om hun eigen controles en audits te organiseren. Doen ze dat goed, dan kan je je als overheid beperken tot ‘horizontaal toezicht’, of nog mooier: ‘systeemtoezicht’. Het rijk kan een bezuiniging inboeken en toch stellen dat het geregeld is. Ook de branche kan er blij mee zijn. Ze houdt het toezicht in eigen hand en staat er dichter op als de normen en criteria worden vastgesteld. En wie ergens het dichtst op staat, leert het meeste. Win-win, zou je zeggen. En toch is er sprake van groot ongemak bij dit principe van ‘privaat wat moet, publiek wat onvermijdelijk is’, zowel praktisch als principieel. Dat ongemak wil ik hier verwoorden, in aansluiting op eerdere blogs over de aansluiting tussen toezicht en kwaliteit.

  • Er is zelden sprake van een zuivere scheiding tussen de rol van de branche en die van de overheid. de ondernemer ervaart het niet zelden als een kwestie van gebeten worden door de kat of de hond (zie ook blog van 12 augustus 2012). Bedrijven moeten een heel helder beeld hebben van de kracht en positie van de eigen branche om geen ‘branche als overheid’ situatie te krijgen. Om het over de klant maar net te hebben: die weet normaal echt het onderscheid niet te maken tussen wettelijk en niet-wettelijk tuchtrecht.
  • De laatste jaren hebben we een gestage ontwikkeling gezien waarbij de overheid de rol van toezichthouder nadrukkelijk naar zich toe getrokken heeft. Nog wekelijks, nee dagelijks, worden er oproepen in of richting de politiek gedaan om strakker toezicht te houden. Dat is een trend waar je niet zomaar tegen in gaat. Alleen branches die zichzelf incidentvrij weten hoeven zich geen zorgen te maken over een overheid die opeens alsnog een deken van overheidstoezicht over het eigen bedje heen schuift.
  • Dan iets waar waarschijnlijk geen ‘quick fix’ voor is. De toezichthouders op rijksniveau staan op z’n zachts gezegd sceptisch over de kwaliteit van andere toezichthouders. Ze hebben zeker geen hoge pet op van lokale handhavers, maar dat zijn nog collega’s. Van interne toezichthouders, geaccrediteerde certificeringsinstellingen of andere branchetoezichthouders op brancheniveau moeten ze eigenlijk niets hebben. Zo langzamerhand begint door te dringen dat dit toch wel een serieus probleem is als je intern toezicht een kans wilt geven, maar er lijkt nog niemand te zijn die daar overtuigend tegenin gaat.

En voorlopig tot slot nog deze: de kans is groot dat ‘private borging’ door bedrijven als een verhoging van de regeldruk wordt ervaren, ook al is het dan ‘eigen’ regelgeving en ‘eigen’ toezicht. En dat op het moment dat voor veel bedrijven het water tot aan de lippen staat. Ze zien de branche al komen. Laat het de overheid toch doen, zeggen ze. Dat is belastinggeld, niet ons geld.

Heel veel bezwaren dus. En toch wil ik nog niet als ‘dip’per (denken in problemen) door het leven gaan. Wat zijn de mogelijkheden? Wat zegt het dimmen, het denken in mogelijkheden? Er zou een plaats voor zelfregulering en private borging moeten zijn. Al was het maar omdat alles overlaten aan de overheid ook geen optie is. De bezuiniging is al ingeboekt, zullen we maar zeggen. Hoe dan? 

Eerst even een stop maken langs een belangrijk principe. Helderheid. Heel duidelijk moet zijn dat het over zelfregulering gaat en niet over verbetering. Alleen dan is het ook logisch om vanuit compliance (naleven) te denken, in plaats van over development (voorleven) en daarvoor een onafhankelijk intern toezicht in te richten. Het eerste heeft primair beheersing als doel, het tweede beweging, verandering, verbetering. Dat laatste kan op hele andere manieren vorm krijgen en dan hebben we het eerder over visitatie, coaching en advies. Ik wil graag meer van dit laatste te zien krijgen, maar laten we beginnen met het beter uitvoeren van het eerste. Dus: helderheid. Controle mag, maar niet overdekt met een vals sausje van ‘dit is zo goed voor je’.

Dan de vraag naar het startpunt. Er van uitgaande dat het overal door elkaar heen loopt en dat de situatie ook nog eens overal verschillend is, zit er weinig anders op dan eerst goed het huiswerk te doen. Daar komen dan direct twee begrippen op: architectuur en metatoetsing.

Het Verbond van Verzekeraars heeft onlangs een brochure laten verschijnen over haar benadering van zelfregulering. Onder die structuur schuilt nog aardig wat ‘oude boedel’, maar per saldo wordt een overtuigend beeld geschetst van de wijze waarop deze branche het op zich te neemt om tegelijk met een andere werkwijze ook een bijpassend toezichtmodel te lanceren. Dat loopt van een doordachte gedragscode tot en met een uitgewerkte tuchtrecht- en klachtenregeling. Er is over nagedacht. Er zijn meer branches die zo aan hun architectuur werken, maar te vaak nog zie je onderhandelingsmodellen waarin branche / beroepsorganisatie en overheid in een soort permanent onderhandelingsproces terechtkomen die de zaken er niet beter op maakt. De advocatuur vind ik daar niet zo’n vrolijk voorbeeld van. Als het kan: bouw een nieuw huis voor de interne borging en schakel een goede architect in die goed de deur aan kan geven waar de overheid af en toe door naar binnen kan.

Want naar binnen gaan, dat zullen ze – beleidsmakers, toezichthouders, toch wel blijven doen. Zeker als de politiek het wil. Maar dan toch. Laten we op zoek gaan naar de rationaliteit in het systeem. Dan is het logisch dat er – in lijn met wat aanbevelingen zoals die nu circuleren – een vorm van toetsing komt op het gehele bouwwerk van intern en extern toezicht. Deze vorm van metatoetsing moet er in voorzien alle onderdelen van het toezichtarrangement in ogenschouw te nemen en aanbevelingen voor stroomlijning te doen. Hier heb ik zelf enige ervaring in. Niet in het kader van wetgeving, maar in het kader van een onderhandelingsproces tussen een beroepsorganisatie en verschillende (semi-)overheidsinstanties. De metatoetsing was tegelijk de neutralisering van de discussie er over en een voorzet voor het uiteindelijke onderhandelingsresultaat. Op een bloedhete zomerdag hebben een paar vertegenwoordigers en deze auteur van de metatoetsing net zo lang vergadert tot er een resultaat lag waar allen weer verder mee konden. Geen gek proces. Maar het kan natuurlijk nog vele malen ‘objectiever’, meer op afstand.
Waar ik echter niet in geloof is een metatoetsing die enkel door de toezichthouder wordt gedaan. Die zijn teveel partij. Uiteindelijk moeten zowel overheid als branche er van overtuigd zijn dat ze de beste vorm van toezicht krijgen voor de laagste toezichtlasten.

En dan weer – bewegen van de kwaliteit is belangrijker dan het beheersen ervan. Dat u het maar weet.

 

Peter Noordhoek

 

www.northedge,nl

Peter Noordhoek is auteur van het boek ‘Branchebrede kwaliteit. VM Uitgevers, november 2011. 

 

Het ministerie van IenM heeft de Erasmus Universiteit Rotterdam de opdracht gegeven om met een onderzoek te komen op ‘Private borging van de regelnaleving in het omgevingsrecht.’ Dit zal binnenkort verschijnen. De auteur is in het kader van dit onderzoek gehoord. Deze blog geeft de lijn van mijn eigen inbreng weer en niet die van ministerie of universiteit.

Voor meer leeswerk dat op dit terrein verschijnt:

SCCM (Stichting Coördinatie Certificatie Milieu- en Arbomanagementsystemen) 29 november 2012. De betekenis van certificatie in relatie tot naleving wet- en regelgeving.

Het principe ‘privaat wat moet, publiek wat onvermijdelijk is’, is de titel van een binnenkort te verschijnen visiedocument van de Vereniging BWT (Bouw en Woningtoezicht) Nederland.

 

 

 

 

Kruisbeelden

Toen drie jaar geleden de Passion voor het eerst zou worden opgevoerd was dat nogal wat. Gouda stond op z’n kop, inclusief mijn eigen straat. Overal stellages en afgezette straten. We kunnen een stelletje zeurders zijn in mijn stad en dat zeuren deden we van harte en met enige humor. ‘Jezus komt morgen’, zei de winkelier, als verklaring waarom hij zijn nering eerder moest sluiten. Op de avond zelf werd het bijzonder en maakte al dat gedoe plaats voor een gevoel van verwondering en trots. Dan besef je weer even hoe groot het verschil kan zijn tussen iets dat je ‘life’ (‘levend’, in gewoon Nederlands, maar dat klinkt zo raar) meemaakt en iets dat je op televisie volgt. Dat gold in het bijzonder voor de processie; de optocht waarbij een groot, neonverlicht kruis werd voortgedragen door onze straten. Samen met, Loes, mijn vrouw heb ik een deel meegelopen en voor het eerst voelde deze protestant hoe sterk het de beleving vergroot als je zo meedoet. Bijzonder.

Dit jaar kwam de Passion naar Den Haag. Overdag moest ik even op de Tweede Kamer zijn, maar geen moment kwam het in mij op om even naar de opbouw te gaan kijken. In de avond had ik het druk. Geen tijd voor de Passion. Loes was er wel voor gaan zitten en riep me toe dat het mooi was. Drie keer ben ik even gaan kijken. Drie keer miste ik de muziek en kwam midden in wat straatinterviews terecht. Ik knapte er helemaal op af. ‘Ja maar, de muziek is zo mooi, zo passend, alsof het er voor gemaakt is’, zei Loes nog. Ongetwijfeld, maar ik ergerde me aan het in de mond leggen van uitspraken, aan het schijnpositivisme waarmee alles werd benaderd en dat alles met dat te grote neonkruis op de achtergrond. Even was ik weer terug in mijn eigen gereformeerde jeugddagen en terug in mijn verzet tegen alles en iedereen die me vertelde wat ik denken moest, de dominee voorop. Ik moet een ondankbaar rotjoch zijn geweest. Maar toch. Met deze beelden had ik minder dan niets.
Bij zoiets geldt: als je niet meegaat, ga je tegenhangen. Guido Rijnja zei het in een ‘dagdicht’ via twitter wat milder:

Passion ontlokt discussie:
een goed verhaal of show?
Ik koester de illussie:
sta stil in dubio 

Die dubio heb ik dus ook. Ik snap de meerwaarde van de Passion in een nauwelijks nog gelovig land. Ik herinner me hoe die eerste keer in Gouda een vader een gesprek had met zijn op zijn schouders zittende dochter over het verhaal van de Bijbel zoals dat die avond verbeeld werd, wondermooi. Nuttig en wat mij betreft meer dan alleen ‘het koesteren van de illusie’. Maar ik laat me niet zomaar in een show plaatsen en ik meen dat dit voor meer mensen geldt. Dus wat moet ik er van denken? Misschien moet ik niet teveel denken.
Op een dag, ik speelde toeristje
Op een berg, ik had lang gelopen
Viel een schaduw schuin op mijn pad

Ik keek omhoog, met tegen de zon in geknepen ogen
en zag een kruis door geloken takken heen
Zonnevlekken, vermoeide benen en dito hoofd
vingen het beeld op zoals het was bedoeld:
een boodschap van boven, een teken van God

Toen schudde ik mijn hoofd
en verklaarde mijn lot
uit zonnevlekken, vermoeide benen en dito hoofd

Met mijn hand boven mijn ogen keek ik het kruis weer aan
zag rauwe steen met groene randen
een vage Christus, gespreide armen, handen
en gaf mijn glimlach
aan wat steeds weer wordt gezien, geduid, geloofd

 

Peter Noordhoek


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek