Maandelijks archief: maart 2013

Stille generaties

Vanavond laat ga ik naar radio 538. Ze zijn in Gouda voor een evenement. Het doel is om geld in te zamelen voor War Child. Namens een club mag ik ook een bedrag schenken. Dat klinkt belangrijk, maar eerlijk gezegd wist ik niet waarvoor ik gaf. Er zijn teveel goede doelen. Nu weet ik weer waarom. Dit is geen blog, maar een uit de hand gelopen boekbespreking. Nogal persoonlijk van aard. Het gaat over stille – en luide – generaties.

Mom

Ik bladerde het reclameblaadje voor de Boekenweek wat lusteloos door. Ik loop nogal achter in het lezen en dan roept zo’n blaadje meer frustratie dan plezier op. Ik zag een boek over de tweede wereldoorlog langs komen. Oranjehotel, kamp Amersfoort. Nee, weet ik al. Genoeg over WOII. Ik had de bladzijde al omgeslagen toen ik me realiseerde wat ik had gemist. De naam van de auteur. Heb ik het goed gezien? Jawel. ‘E.P. Wellenstein’. ‘Mom’ Wellenstein. Maar hoe oud is hij? Toch dik in de negentig? En dan een nieuw boek? Ik bladerde terug.

En het klopt. Mom Wellestein is niet zo bekend als bijvoorbeeld Hannie van Leeuwen, maar dat is ten onrechte. Zo oud als hij is, elke keer als ik hem nog mag horen sta ik versteld van de scherpte van zijn analyses en zijn woorden. Op internationaal terrein doorziet hij alles – niet helemaal een wonder, als je beseft dat hij samen met Kohnstamm en Mansholt een van de grondleggers is van de Europese gemeenschap. Maar wat heeft hij met de tweede wereld oorlog? Veel, naar blijkt. In ‘Nummers hebben een ziel’ beschrijft hij de tijd dat hij op jonge leeftijd eerst in de gevangenis in Scheveningen (‘hotel Oranje’) terecht kwam en daarna op transport naar kamp Amersfoort werd gezet. Het is een ooggetuigenverslag van de gruwelen van beiden en dan vooral van kamp Amersfoort. En daarin ligt dan ook de reden voor het boek. Hij schreef dit verslag nog in de oorlog, wetend dat wat hij had gezien en meegemaakt, maar door heel weinig mensen kon worden naverteld. Op deze manier wilde hij zoveel mogelijk mensen informeren over de gruweldaden die de Duitsers uitvoerden. Van het manuscript werden slechts een paar kopieën gemaakt en die gingen rondzwerven. Tegen het einde van de oorlog kon echter niemand deze manuscripten nog achterhalen. Het boek was zoek. Pas onlangs is er een exemplaar boven water gekomen en dat is de aanleiding voor de publicatie.
Ik heb het boek in één zitting uitgelezen. Met de titel verwijst hij naar de nummers die de gevangenen hebben. Mom is zelf nummer 46. In het boek beschrijft hij vele nummers en laat zien dat achter elk nummer een andere persoon schuilgaat, een andere ziel, een ander karakter. Het is dat karakter dat bepaalt of er gebogen, gebroken of verraden wordt. Want (bijna) niemand kan recht blijven onder de druk van de omstandigheden in het kamp. Met de bewakers kan je het treffen of niet, maar aan iets als Honger ontkomt niemand. Zelden heb ik iemand gelezen die zo indringend schrijft over het effect:

“Maar nu komt de Honger: de zwakke geluiden die onder normale omstandigheden door het lichaam in de geest worden teweeggebracht, zwellen aan tot één alles overheersende toon. De hele geest gaat meeleven met het lichaam, de mens wordt zich van zijn fysiek bestaan steeds sterker bewust. Niet af en toe, maar ononderbroken, in zijn slaap, onder het praten, onder het denken, altijd en altijd door zonder ophouden trekt zijn lichaam zijn aandacht.”

En zo gaat hij door, minutieus illustrerend en beschrijvend wat Honger teweegbrengt, tot op en over de grens dat zijn lichaam het nog houdt. Hongeroedeem en difterie brengen hem op de uiterste grens, totdat iemand hem helpt en hij gamellen mag gaan transporteren. De voedselresten die nog in deze voedselketels zitten helpen hem er doorheen. Heftig, en toch is dit niet wat mij het meeste is bij gebleven. Dat is een andere uitspraak van hem: “wij hebben geleerd van binnen te leven.” Ook een jonge man als Mom, van nature een en al positieve energie, weet dat hij het zonder stilte niet redt. En dat brengt me bij een ander boek.

Piet

Het gaat niet om een ‘echt’ boek. Je kan het in geen boekhandel kopen. Het is in eigen beheer uitgegeven, in een beperkt aantal exemplaren. De schrijver heeft het in zijn bescheidenheid niet eens aangeboden voor publicatie. En dat is zo, zo zonde. De exemplaren die er zijn, gaan vanaf 2009 van hand tot hand en zo heeft er ook een mijn hand bereikt. In ‘Gaandeweg’ doet Piet van Herwijnen ons een bundel familieverhalen en persoonlijke herinneringen toekomen. Van vaders zijde wordt de familie Herwijnen beschreven, van moederszijde wordt de familielijn Van der Giessen nagetrokken. Zo rijk als zeker de laatste naam klinkt, zo arm is de werkelijkheid van beide families lang geweest. Beide familielijnen komen bij elkaar en tot leven in de beschrijvingen van Piet, met Dordrecht en de Alblasserwaard als bepalende achtergrond. Met de families zelf heb ik niets, Piet van Herwijnen heb ik nooit ontmoet, al vind ik het interessant dat hij op dezelfde middelbare school in Dordrecht zat als mijn ouders en ikzelf – voor korte tijd, tot ik overladen met onvoldoendes de blik moest richten op een andere middelbare school. Maar dat is allemaal terzijde.

Wat de beschrijvingen van Herwijnen zo de moeite waard maken zijn de terzijdes waarin hij in een paar zinnen een tijd weet te schetsen als geen ander. Hij weet de geschiedenis van zijn familie en hemzelf zo in context te plaatsen dat je voor de tijd komt te staan en zegt: zo was het. De Herwijnens en Van der Giessens waren ‘kleine luyden’. Ze werden uit agrarische tijden zo in het industriële tijdperk gelanceerd, met niets anders dan het geloof om zich aan vast te houden. Een geloof dat zichzelf tegelijk vernieuwde en verscheurde, van de Doleantie en Afscheiding van begin 19e eeuw tot en met de honderden kerkgemeenschappen in de vijftiger jaren, de ene nog strenger dan de andere. Ondertussen was werk alles. De deugden stonden veel dichter bij dat werk dan nu en waren ook de verklaring voor eindeloze verschillen in maatschappelijke afstand. Zo was het in 1908 heel bijzonder dat Neeltje van Herwijnen in het wit mocht trouwen, want dat was echt een indicatie van maatschappelijke stijging. Arbeidsmeisjes trouwden in het zwart, bruiden uit de middenstand in het grijs.  Van Herwijnen beschrijft het met warme afstand zolang het nog niet over zijn eigen tijd gaat. Daarna kruipt er een angst in zijn pen. Hij is kritisch naar zijn eigen familie toe, naar zichzelf. Een gereformeerde zwaarmoedigheid is hem niet vreemd, ook al beschrijft hij tegen het einde hoe hij de moderne tijd in gezogen wordt en zoals velen, maar dan langzamer, los van kerk en vaste waarden komt te staan.

Onvermijdelijk leidt de familiegeschiedenis ook langs de tweede wereldoorlog. Weinigen weten dat Dordrecht het toneel is geweest van sommige van de heftigste gevechten in de meidagen van 1940. Hij beschrijft het begin van de oorlog meeslepend. Net zoals hij schrijnend beschrijft hoe een oorlog niet afloopt als er ergens een overgave is getekend en overal nog onontplofte munitie ligt. Piet is 4 als de oorlog begint en toch beschrijft hij zich niet als een oorlogskind. In onze moderne ogen heeft hij heel veel meegemaakt, maar zelf suggereert hij: niet al te veel. Er was honger, maar er was nooit niets. Ze schuilden met z’n allen onder de trap tegen de bommen, maar hun huis werd niet geraakt. Hij zag de wanhoop bij zijn ouders, maar voelde die niet zelf. Als hij zijn dominante herinnering beschrijft, dan is het deze: hij hoefde niet meer elke dag naar school. Wat heerlijk. De oorlogsjaren kenden gevaar, maar waren ook ‘oer en oer gezellig’. Voor hem komt het daarna. Hij zegt het zo:

“Elk mens wordt geboren in een bepaalde tijdsperiode. Omvat die periode vele tientallen jaren, dan ondergaat zo’n mens alleen de invloed van die periode. Volgen de perioden elkaar echter in hoog tempo op en duren zij niet langer dan een handvol jaren, dan kan je zeggen dat het kind voor de voorafgaande periode te laat en voor de daarop volgende te vroeg op de wereld kwam.”

Zo beschrijft hij zijn eigen generatie. Ze hebben niet gevochten in de oorlogsjaren en toen de wederopbouw begon, zaten zij in de schoolbanken. De generatie van hun ouders ontleende een ‘wij’ gevoel aan de vooroorlogse jaren. De generatie er na erkende de oorlog en verzette zich er tegen. Deze generatie “liet de geschiedenis beginnen op het moment waarop zij zelf het levenslicht zag en ontleende daar een ‘wij’ gevoel aan.” Zijn generatie kende geen ‘wij’ gevoel. Het was een generatie eenlingen. Een stille generatie.

Wijnand

Een stille generatie. Zonder eigen verhaal, maar ook zonder het verhaal van anderen. Over de oorlog werd niet gesproken. De oorlog had het effect van een diaspora. Mensen raakten op drift. Bij terugkeer in het eigen land, in de eigen plaats, was er geen warme ontvangst. Bijna niemand vroeg: “Wat is je overkomen?” Integendeel. Of je nu uit een fabriek in Duitsland kwam, een platgebombardeerde stad als Arnhem of een sanatorium op de Veluwe kwam; je had het er niet over.
Mijn vader, Wijnand Noordhoek, zat op hetzelfde Christelijk Lyceum als Piet. Hij was een stuk ouder dan de anderen in zijn klas. In ieder geval een stuk ouder dan mijn moeder, al zat die maar een klas onder hem. Hij had veel in te halen. Samen met zijn moeder en broers was hij gerepatrieerd uit Nederlands Indië. Een kind uit de Jappenkampen. Op de jongste na, werden alle kinderen over verschillende kampen verspreid. Opa overleefde de oorlog niet. Voor zover ik weet vertelde hij over dat alles niets. Hij leerde hard. Een stille, knappe jongen. In recordtijd maakte hij zijn middelbare schooltijd af, ging daarna medicijnen studeren en koos uiteindelijk voor een rol als huisarts. Na zijn afstuderen kon hij eindelijk trouwen met mijn moeder.
Mijn vader was letterlijk en figuurlijk een sterke man, maar ook stil en mild. Pas in zijn laatste jaren doorbrak hij die stilte. Zeker in het licht van de beide boeken, begrijp ik nu hoe moeilijk dat moet zijn geweest. Hij was dubbel stil. Hij was net als Mom naar binnen gegaan in zijn jaren in het kamp. Ook daar was de Honger en hield hij zichzelf, vriend en broer in leven met het rondbrengen van gamellen waterige soep. Ook daar was de terreur en stond alles in het teken van overleven. En hij was net als Piet van Herwijnen lid van de stille naoorlogse generatie; niet in staat tot vechten, verplicht om weer kind te zijn en onderin te beginnen met school. Toch verhief hij zijn stem niet in protest. Integendeel. Toen keizer Hirohito het land wilde bezoeken en Wim Kan het protest leidde, was hij naar ons, zijn kinderen toe, van mening dat hij gewoon ontvangen moest worden. Het leven gaat door, zo zei hij.

Mom beschrijft zijn naar binnen gaan simpel als een noodzaak. Piet is er zwaarder over. Hij definieert de stilte als een gemis, een gemis voor zijn hele generatie. Hoe mijn vader zijn stilte ziet, kan ik niet meer vragen. Ik weet wel dat hij in zijn leven steeds vooruit heeft gekeken. Hij was meer dan een huisarts, zorgde er eigenlijk voor dat een heel dorp de sprong maakte van een verstarde, verzuilde gemeente naar een gemeenschap die klaar was voor de moderne tijd. Een stille kracht.

Peter

Zo dadelijk ga ik naar een evenement van radio 538 toe. Ze zijn op locatie, in mijn Gouda. Het gebeurt voor War Child. Het geld gaat naar oorlogskinderen toe. Het is nog steeds nodig. Maar niet meer op ons continent, Europa. Niet in ons land, Nederland. Mom, Piet, Wijnand en al die anderen oorlogskinderen uit de stille generatie hebben hun werk gedaan en goed gedaan.
Radio 538 is van de generatie van nu. Van de facebookers, twitteraars en de games. Geen slechte generatie, ze dragen vol bij aan War Child. Cool. Ze zijn de erfgenamen van eerdere generaties, ook de mijne, die hechten aan het alles kunnen zeggen, de geluidsknop hoog te kunnen zetten en zich ongemakkelijk voelen als er stiltes vallen. De luide generaties.
Waarbij wij tot slot bij mijn zorg komen. Een zorg dat er een nieuwe stille generatie aankomt. Een crisisgeneratie, waarbij de ouders naar buiten toe zeggen ‘goed’ als hun gevraagd wordt hoe het gaat – en stil vallen als er wordt doorgevraagd. Langzaam maar zeker voel ik het stil worden om mij heen. Begin ik te verlangen naar het geruis van bedrijvigheid om mij heen. Wil ik daar wat aan doen. Geluid maken, herrie maken. Melden dat ik er ben. De zorgen overschreeuwen.
Toch maar niet. Het gaat niet om stil vallen, maar om stil zijn. Luisteren naar wat geen groot volume nodig heeft. Ook in deze digitale tijden blijft dat waar. Tijd om de stilte te zoeken. Om naar binnen te gaan – en dan weer van me te laten horen.

Peter Noordhoek

www.northedge.nl

Bij de stilte achter de deur.

Terwijl de onderhandelingen over het sociaal akkoord lopen, wordt de situatie steeds nijpender. Het kabinet mag blij zijn met elk akkoord, maar tegelijk is elk akkoord ook niet genoeg. Eigenlijk hoort er nog een zorgakkoord bij. Eigenlijk .. hoort er nog zoveel meer bij dan dit kabinet lijkt te kunnen opbrengen. Onbescheiden klop ik op de deur met wat ideeën.

Het sociaal overleg loopt. Nou ja, het loopt al langer, al maanden in feite, maar sinds vrijdag jl. is de formele onderhandelingsfase aangebroken. Het lijkt er op dat er voldoende elementen zijn waarop overeenstemming kan worden bereikt. En ook een klein akkoord lijkt beter dan geen akkoord. Iedereen en zeker VVD en PvdA, hebben een akkoord hard nodig om te laten zien dat er iets gebeurt om samen uit de crisis te komen. Dat wordt nog een hele toer, zeker aan werknemerszijde. Zoals een verslag van Vrij Nederland van afgelopen week laat zien, zijn zowel WW als ontslagrecht eigenlijk off limits als het om de bonden gaat. Maar er valt meer te doen dan het knabbelen rond de randen van deze twee dossiers. Bij de stilte achter de deur hoort ook het kraken van de hersens om met andere maatregelen te komen om arbeidsmarkt en economie los te maken. Het onderscheid in leeftijd waar – nota bene – Klaas Knot, de directeur van de KNB, rond de ontslagbescherming mee kwam moet vooral gezien worden als het zoveelste signaal om hoe dan ook, bovenal, linksom of rechtsom met een akkoord naar buiten te komen.

Akkoord en paard

Mocht het tot een akkoord komen, dan betekent dit zeker extra lucht voor dit kabinet. They live to fight another day. Het is gemakkelijk om daar schamper over te doen, maar ik herinner mij hoe negatief iedereen indertijd was in de aanloop van het sociaal akkoord van Balkenende II en achteraf beschouwt men het akkoord toch als een hoogtepunt van ‘het laatste hervormingskabinet’.
Elk akkoord is dus een zegen voor het kabinet – en toch zal dat kabinet zich mogelijk toch gedwongen voelen om het gegeven paard in de bek te kijken. De financiële situatie vraagt er om, zo simpel is het. Het lijkt er op dat we in een negatieve spiraal terecht zijn gekomen. Banken weten zich geen raad meer met het aantal bedrijven dat in zware financiële problemen zit, provincies keren hun portemonnee om voor projecten waar ze anders waarschijnlijk nooit voor zouden kiezen, gemeenten hebben geen portemonnee meer om nog om te keren, enzovoort. Laat de Amerikaanse opleving a.u.b. graag snel de Nederlandse kust bereiken, voorlopig ziet het er naar uit dat we in een geweldige krimp terechtkomen – met tegelijk exploderende zorgkosten. Linksom of rechtsom moet er dus iets gebeuren.

Naast een sociaal ook een zorgakkoord a.u.b.

Daarom is het eigenlijk jammer dat er niet parallel een tweede onderhandeling loopt, die over een zorgakkoord. Eigenlijk kan een sociaalakkoord financieel niet zonder een zorgakkoord. Net zoals de minister van SZW in vergaande mate bepalend is voor het pakket aan sociale maatregelen in Nederland, maar als het er op aan kan niet zonder sociale partners kan of wil werken, zo is het ondertussen ook niet meer denkbaar dat de minister van VWS In het semi-markt systeem dat de zorg nu kenmerkt alles zelf zal bepalen. De afgelopen week kwam de ene na de andere accountant, ziekenhuisdirecteur, econoom, thuiszorgspecialist melden dat niemand nog overziet hoe het stelsel in elkaar zit (en dat zeker de gemeenten die verondersteld worden de langdurige zorg voor hun rekening te nemen geen flauw idee hebben wat hen te wachten staat). Niet valt in te zien hoe deze situatie voort kan duren zonder dat er een stevige en gezamenlijke ingreep in het stelsel komt. De sanctie: een reeks financieel omvallende instellingen en vooral: stijgende zorgkosten.

Toch?

Het gaat voorlopig niet gebeuren. Zo simpel is het. Het is allemaal teveel om te kunnen beheersen. De symboliek van een sociaal akkoord en een versneld uitvoeren van de maatregelen van het regeerakkoord moeten volstaan, zo lijkt het. Een extra belastingverhoging als het niet anders kan. En ondertussen de andere middenpartijen onder druk zetten om mee te doen, al dan niet binnen een nieuw kabinetsverband. Ze kunnen niet weigeren. Toch?
Nee, dat zal niet eenvoudig zijn. Wie laat zijn land in de steek als er een beroep wordt gedaan? Gaat de Eerste Kamer er echt voor zorgen dat dit kabinet valt? Het blijft moeilijk voorstelbaar. Kabinetten vallen van binnenuit en VVD en PvdA hebben elkaar vooralsnog meer nodig dan ooit. Samsom laat zien dan hij geen Bolkenstein is die met zijn retoriek elk kabinet scherp hield. Eerder het tegenovergestelde: hij is de man die eerder te graag een akkoord wil dan dwars gaat liggen. Nee, dit kabinet kruipt door zolang het kan.

Het doet pijn om het allemaal aan te zien. Zo wordt het niets. En dat zeg ik om de donder niet uit plezier. Laat het duidelijk zijn: nu een kabinetscrisis en verkiezingen is voor geen enkele redelijke partij een prettig vooruitzicht. En eigenlijk ook niet te verantwoorden naar de kiezer toe of naar de collega’s in Europa. Eerst iedereen de les lezen en dan honderd gangen maken naar Canossa? Want dat wordt het natuurlijk. Bespaar ons.

Reconstructie: rust, reinheid en regelmaat

Wat dan wel? Eerst het huis weer op orde brengen. Een reconstructie en een heronderhandeling lijkt toch nodig. Voor een belangrijk deel zal die reconstructie naar gericht moeten zijn op het brengen van rust, want deze patiënt heeft bovenal rust nodig. In het regeerakkoord is teveel overhoop gehaald. De decentralisaties zijn ondoordacht, de woningcorporaties te snel van hun slagkracht ontdaan, etc.. Schaalvergroting van gemeenten staat naast opknippen in het onderwijs. Dereguleringsprogramma’s staan naast grootse wetgevingstrajecten. Wie begrijpt het nog? Reorganisaties zitten er even niet in. Hetzelfde doen met minder middelen, dat wordt het simpele parool.
Daarbij wordt het tijd voor vele gerichte, maar meer incrementele, dus stapsgewijze verbeteringen. Je kan zeggen dat de aard van de crisis te ernstig is voor iets anders dan radicale maatregelen, maar ik durf het tegenovergestelde te beweren. Onder veel druk heel scherp naar kleine mogelijkheden voor ontregelen en slimmer werken te zoeken levert waarschijnlijk meer op. Naast de grote maatregelen van het sociaal akkoord is er in de sfeer van een vereenvoudigde en flexibele arbeidswetgeving nog zoveel winst te halen. Ondertussen moet snel dat zorgakkoord worden opgestart. Niemand mag de kamer waar dat akkoord wordt gesloten verlaten voordat hij of zij durft te verklaren dat ze het stelsel weer snappen.
Langzaam maar zeker wordt het ook tijd om voor initiatieven die het gezegde ‘werk boven inkomen’ nieuw inhoud gaan geven. Veel van de veranderingen die nu in de economie gaande zijn, hebben niet zozeer met de eurocrisis te maken, als wel met trends die dieper gaan. De combinatie van digitalisering en vergrijzing zorgt voor een crash op de arbeidsmarkt die niet met opleidingen alleen valt op te vangen. Creatieve programma’s voor arbeidscreatie zijn aan de orde, met voorrang voor kansrijke vormen van burgerinitiatieven en een juridische benadering waarbij het hebben van werk leidend is en niet het hebben van een baan.

Een gepersonaliseerd kabinet

En politiek dan? Voor het eerst van mijn leven ben ik gaan twijfelen. Ik heb een zakenkabinet nooit zien zitten. Het is mijn overtuiging dat zaken nooit alleen maar zakelijk zijn. Vroeg of laat moeten de keuzes rond personen en programma’s toch democratisch gemaakt worden en dan liever vroeg dan laat. Toch lijkt het me te verdedigen als een reconstructie van dit kabinet niet alleen uitmondt in een kabinet dat ‘Eerste Kamer bestendig’ is. Dat is niet goed genoeg. Beter is het als de politieke kleur van dit kabinet geneutraliseerd wordt door te kiezen voor een ‘personalisering’ van het kabinet. Dit betekent onder meer de aanvulling van het kabinet met een aantal personen met een niet-PvdA of VVD achtergrond. Deze personen nemen nadrukkelijk niet zitting namens een partij, maar dat ze hun gezag meenemen naar de Eerste Kamer, tsja, dat zou verwacht mogen worden.

Zelf zou ik er ook wel voor zijn om de politieke kleur van VVD en PvdA te verzachten, maar dus niet door de kleur van CDA of een van de andere partijen er aan toe te voegen. Paradoxaal kan dat waarschijnlijk het beste worden bereikt door Samsom de rol van premier te geven. Om twee redenen. De eerste is dat hij het meest hartstochtelijk en concreet pleit voor een ‘over de eigen schaduw’ heen springen van partijen en sociale partners. Je kan hem tegenhouden dat hij daar vroeger anders over dacht, maar dat zijn nu niet de spelletjes die we moeten spelen. De tweede reden is al helemaal subjectief, maar op dit moment steekt hij met kop en schouders boven zijn collega’s uit. Het is echt aan hem – omringd door goede vakministers. En Rutte? Ik begrijp dat Van Rompuy in 2014 stopt. Misschien slaagt hij waar Balkende moest afhaken. Na Cyprus vrees ik voor de positie van Dijsselbloem.

Kloppen aan een deur

En zo blijf je puzzelen. Hoe realistisch het allemaal is? Waarschijnlijk niet erg. Ik schrijf het toch op omdat ik niet wil berusten in een stilte achter een deur. Uiteindelijk is het ook niet aan de mensen achter die deur om Nederland weer sterk te maken. Dat is aan ons, elk in ons eigen werk. De mensen achter de deur kunnen het makkelijker maken om uit de crisis te komen. Door te hervormen of – zoals ik dat nu zie – door de rust terug te brengen. Vervolgens ligt het weer bij ons, waar het ook hoort. Zelf ga ik daar ga ik maandagochtend weer fris en frank mee verder, maar nu voelde ik me genoeg uitgedaagd door de stilte achter de deur om even met wat ideeën aan te kloppen.
Peter Noordhoek

Het zij-gevoel: alle neuzen de Haagse kant op

Deze week kwam het bericht langs dat het goed gaat met de meeste branches – als het om het aantal leden gaat. In een nieuw onderzoek trekt Berenschot de positieve lijn door van eerdere onderzoeken. Dit keer zijn vooral kleinere brancheorganisaties onderzocht*. De uitkomst is dat ledengroei en –krimp elkaar ongeveer in evenwicht houden. Omdat er een algemeen beeld is dat het slecht gaat met verenigingen, valt dit beeld mee, zeker als meegenomen wordt dat er nog altijd brancheverenigingen bij komen. Het bureau is dit keer nog duidelijker als het gaat om de reden waarom het goed gaat met de ledentallen: belangenbehartiging wordt erg belangrijk gevonden. De uitdrukking van de collectiviteit naar buiten toe, daar gaat het nu om. Dienstverlening aan de leden is minder belangrijk geworden.

Hoe begrijpelijk ook, ik vind dat uiteindelijk de verkeerde reden om lid te zijn van een branche. Hoe belangrijker we politiek Den Haag maken, hoe groter de kans op teleurstellingen. Hoe meer we proberen de politiek in Den Haag te bereiken, hoe kleiner de kans dat we er ook aankomen. Maar bovenal: alle energie die we in het politieke steken, steken we niet in waar het echt over gaat: de kwaliteit van onze producten en diensten.

Ja maar, hoor ik het tegenargument, als je niet vooruit kan met je vak omdat je gevangen bent in regelgeving? Als je inkomen onder druk staat door maatregelen van de regering? En als het geen enkele zin heeft om je tot een bank te wenden, omdat die toch niets voor je kunnen doen? Ja, tot wie moet je je dan wel wenden?
Allemaal waar. We zijn in een situatie terecht gekomen dat het grootste deel van ieders handelingsvrijheid en dat van ons inkomen direct of indirect bepaald wordt door de overheid. Inderdaad, tot wie moet je je anders wenden? De brancheverenigingen die dat waarschijnlijk het beste beseft is de Beroepsvereniging voor Public Affairs (BVPA). Deze week maakten ze bekend dat ze een leerstoel public affairs gaan instellen aan de Universiteit Leiden, een teken dat het de branche goed gaat. Het is ze gegund. De kwaliteit van de lobbyfunctie in Nederland moet goed in de gaten worden gehouden. Tot nu toe is deze relatief professioneel en vrij van al te grote incidenten, maar deze trend om alle neuzen richting Den Haag (en Brussel!) te wenden kan ook voor echte misstanden gaan zorgen. De branche heeft haar rol te spelen. Toch zit daar mijn grootste zorg niet.

Ik blijf waarschuwen dat het niet gezond is als branches zich primair richten op belangenbehartiging in plaats van op de kwaliteit van haar producten en diensten. Het is het gedrag van een verslaafde die weer om een spuit komt vragen. We zijn nog steeds niet toe aan de Grote Ontwenning: het idee dat we ons niet langer afhankelijk van de overheid (of de grote bedrijven) maken en zelf in enige vrijheid initiatieven nemen. Waar blijven de krachtige branches met een internationale visie op het vak? Waar verzamelen zich de ZP’ers die een nieuw plan voor de zorg maken? Waar de vereniging van 3D printers die voor een businessmodel zorgen dat weer hele nieuwe perspectieven opent – zonder eerst naar Den Haag te gaan? Waarschijnlijk zijn ze er al, maar ik wil ze nog veel beter zien.

Deze week komt weer in het teken te staan van de onderhandelingen tussen de sociale partners. Ik hoop van harte dat ze er uit komen. Tegelijk zijn de sociale partners van nu allang niet meer de sociale partners van bijvoorbeeld het akkoord van Wassenaar. De dames en heren die dat akkoord sloten waren in staat om na dat moment naar hun achterbannen terug te gaan en in kloeke taal uit te leggen dat dit de deal was en dat het een goede deal was. Die achterbannen accepteerden dat dan, in overwegende mate. Nu moet dat nog maar worden afgewacht en is elk akkoord waarschijnlijk niet meer dan een momentopname. En dan bestaat dus het gevaar dat we doorgaan met onze steeds complexer wordende dans van deelbelangen.

Belangenbehartiging in de een of andere vorm is waarschijnlijk niet meer weg te denken uit de rol van de brancheorganisatie. Maar, zoals ik eerder heb betoogd, is het rendement van al die belangenbehartiging klein en steeds kleiner aan het worden. Bovendien is het ook een loze strategie. Een gezamenlijke vijand kan een tijdje mobiliseren, maar uiteindelijk leidt het alleen maar af. Ik vat het maar zo samen: vervang het zij-gevoel door een echt wij-gevoel.

Peter Noordhoek

www.northedge.nl

De nieuwe dienstverleningskloof

Deze blog gaat over een nieuwe digitaliseringskloof. De groep die er in terecht komt zijn de mensen die noch helemaal gedigitaliseerd zijn, noch recht op ondersteuning hebben. De blog wordt vooraf gegaan door een in memoriam van Herma Boom.

In memoriam Herma Boom

Dit weekend bereikte mij en vele anderen het afschuwelijke bericht dat Herma Boom dood gevonden is in haar huis, als gevolg van wat een ‘familiedrama’ wordt genoemd. Haar echtgenoot, die ik wel ontmoet, maar niet gekend heb, zou haar volgens politieberichten om het leven hebben gebracht en daarna zelfmoord hebben gepleegd. Het is niet waar, is dan de reactie. Dat soort berichten gaat toch over andere mensen? Helaas, een bericht als dit is noch nieuw, noch uniek. Maar als het zo dichtbij komt als nu, raakt het hard.

Herma Boom is mijn directe opdrachtgever geweest bij de gemeente Enschede toen deze gemeente een traject startte om de cultuur van de gemeentelijke organisatie op te schudden. Dit was direct in het verlengde van de vuurwerkramp. Ik heb zelden zo’n prettige opdrachtgever gehad. Samen hebben we voor het midden en hoger kader een aantal forse trajecten ingezet op basis van het INK gedachtegoed. Zo kort na de ramp werd het een indringend traject. Herma wist daarbij een hele goede balans te vinden tussen het ambtelijke, conceptuele en het menselijke. Na enige tijd maakte ze de onvermijdelijke promotie naar een andere functie en werd ze een kerstkaartvriendin.
Al in ons kennismakingsgesprek hadden we een gezamenlijke CDA-verwantschap ontdekt. Het verbaasde me niet echt om haar naam onlangs opnieuw te zien opduiken als kandidaat voor het Kamerlidmaatschap. We pakten de draad weer op. Als de uitslag niet zo dramatisch slecht was geweest, was er een heel goed Kamerlid naar Den Haag gekomen. Rond de kerst was ik met haar in gesprek om haar een rol te laten spelen in de beleidscoöperatie en volgden we elkaar op twitter.
Op 19 februari schreef ik een tweet over een gedicht dat ik kwijt was geraakt en een ander gedicht dat ik in de plaats ervan had geschreven. Ze was nieuwsgierig genoeg om mij er over te tweeten. Opeens kreeg ik de geest en reageerde door binnen 20 minuten de blog ‘Toon van de taal’ te schrijven. Ze schreef dat ze ‘vereerd’ was. Nee, Herma, ik was vereerd dat jij belangstelling voor mijn werk toonde.
Een blog zoals vorige week gaat me nu niet lukken. Wel wil ik iets plaatsen waarvan ik zeker weet dat het haar belangstelling zou hebben gehad.
Ik wens alle niet-begrijpende familie en relaties, zeker ook die van haar man, veel kracht en sterkte.   

 

De nieuwe dienstverleningskloof

Dit zijn de jaren dat digitalisering en geldgebrek samen optrekken, als een dikke rijke oom naast een magere tante. Vaak wordt daarbij de digitalisering als oplossing gezien voor het geldgebrek. Oom, help tante een handje. Was het maar zo simpel. Deze blog gaat over de nieuwe dienstverleningskloof: de gevolgen van het verschijnsel dat een deel van de (overheids)dienstverlening tussen de wal en het schip valt van volledig digitale of volledig fysieke dienstverlening. De eerste dienstverleningskloof ging over het niveau van de dienstverlening: wie kunnen er rekenen op overheidsdienstverlening en wie niet? Bij deze nieuwe kloof kan in principe iedereen op dienstverlening rekenen, maar de praktijk wordt bepaald door het vermogen de weg te weten op de digitale overheidspad van morgen. Het zal zeker niet allemaal origineel zijn wat ik hieronder stel, maar de urgentie lijkt me groot genoeg om het er met enige stelligheid over te hebben.

Einde van het én, én, én

Op dit moment krijgt het beleid gestalte voor de dienstverlening van de komende jaren. Allerlei varianten worden nu op papier gezet. Hoe dan ook, in 2015 loopt de bestaande multi-channel opvatting af: het idee dat burgers en bedrijven langs meerdere kanalen kunnen worden bediend: én balie, én internet, én telefoon, etc. Technisch gesproken kan het én, én, én beter dan ooit, maar bedrijfsmatig lijkt het einde van het loket nabij. Er komt een moment dat er financieel en vanuit bezettingsoptiek te weinig klanten op een locatie komen om deze open te houden. Veel banken onderkennen het belang dicht bij de klant te zijn. Met het oog hierop hebben zij zelfs nieuwe panden geopend, maar als dat alleen maar een gevel is en niemand komt achter die gevel, tja, dan houdt het op. De afweging van de verschillende overheden, van burgerzaken tot bibliotheek, zal niet veel anders zijn.

Service by indication

Dus is het credo: maximaal inzetten op digitalisering. Als het om de fysieke balie gaat wordt het ‘nee, tenzij’ de norm. Maar wat doe je dan met fysieke producten als paspoorten e.d.? Ook dit is in principe oplosbaar. In gemeenteland heeft iedereen het over de gemeente Molenwaard. Zij gaan ‘gemeentehuisloos’ de burger opzoeken en bij hen thuis de check op de identiteit doen, etc. Zo zijn er meer (oude) oplossingen die nu opnieuw opduiken. De Nederlandse dienstverlener is erg creatief, ook binnen de overheid. Maar het probleem van de fysieke producten is in zekere zin het makkelijkste op te lossen. Degenen die al wat langer in dit debat zitten, prikken direct verder door. Zij zien dat er in potentie nog altijd erg veel mensen zijn die niet in staat zijn om zelfstandig digitaal te communiceren. Soms hebben deze mensen domweg geen computer, meestal zijn ze gewoon niet vaardig genoeg zijn het zonder hulp af te kunnen. Omdat juist dit een groep is die relatief sterk afhankelijk van overheidsdiensten is, heb je dan wel een groep die niet bediend gaat worden. Wat gaan we met deze groep doen?, is dan de vraag. Ook hiervoor geldt: niets is onoplosbaar. De meest logische: hulp leveren in de vorm van begeleiders en adviseurs. Wil de overheid dat betalen is iets als een indicatiestelling gewenst. Alle anderen zullen en kunnen hun eigen hulp organiseren, is de gedachte. Service by indication, zullen we maar zeggen.

Conceptuele verdieping

Een volledige digitalisering van de dienstverlening, in combinatie met een soort fysiek vangnet, is als concept niet onlogisch en zeker het proberen waard. Echte alternatieven lijken zich niet aan te dienen. Tegelijk moet er weer worden opgepast voor de automatische piloot. Het zou niet de eerste keer zijn dat een mooi concept in de praktijk niet werkt. Vaak gaat het mis omdat de principes achter een bepaald concept niet echt worden doorgrond. Zo ging het bij kwaliteitshandvesten mis omdat men dacht het wel zonder compensatiemechanisme te kunnen doen. Zo ging het bij de één loket-gedachte mis omdat men de centrale loketten bovenop bestaande loketten werd geplaatst en werd verzuimd de achterliggende loketten te saneren of te integreren.
Voor het concept van een verdere digitalisering van de dienstverlening is dit het moment om scherp na te denken over wat we nu eigenlijk gaan doen. Veel aandacht zal uitgaan naar het digitaliseringsproject zelf. Er loopt niet voor niets een parlementair onderzoek naar eerdere informatiseringprocessen. Toch denk ik dat we inmiddels beter geleerd hebben om op basis van bewezen techniek onze digitale processen te beheersen. Mij lijkt het dat de diepere valkuil ligt in een niet goed doordenken van wat er met dat deel van de dienstverlening gaat gebeuren dat zich niet leent voor digitalisering. Het gevaar zit in de omissie, niet in de missie.

Modelletje

Om te begrijpen wat het effect van werkelijk vergaande digitalisering is, heb ik op de achterkant van een congresprogramma een klein modelletje getekend. Zonder veel pretenties geef ik deze hierbij weer. Ik doe dat wel met twee kanttekeningen. De eerste is dat ik uitga van een constante vraag naar diensten. Dat is niet realistisch, maar het houdt het aantal variabelen beperkt. De tweede is dat ik meen dat we erg moeten oppassen om op voorhand een bias te hanteren voor digitale of fysieke dienstverlening. We hebben allemaal onze ervaringen, maar die hoeven niet maatgevend te zijn voor anderen. Laat ik nog wat duidelijker zijn: ik schat de lezer van deze tekst hoog, en zeker hoog opgeleid in. De logica dat alles digitaal gaat, hoeft voor u weinig te betekenen. Ik probeer me er als schrijver van bewust te zijn dat dit voor anderen niet hoeft te gelden, doet u mee?

Dienstverleningskloof 2013.1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In het schema creëer ik een tegenstelling op de horizontale as tussen digitale en fysieke dienstverlening (m.n. baliediensten). De verticale stippellijn staat nu op ongeveer ¾ ingetekend. Tot ver in de jaren tachtig stond deze lijn helemaal links. Computers waren een manier om de fysieke dienstverlening beter te doen. Ik heb de lijn nu op ongeveer ¾ ingetekend, omdat ik inschat, dat we er in principe in moeten slagen om ten minste ¾ van onze dienstverlening geheel digitaal af te kunnen doen en de rest fysiek.
Vervolgens heb ik op de linker verticale as de mate aangegeven waarin de klant van de overheid – burger, bedrijf – in staat is zich zelfstandig via PC, PDA of wat voor digitaal apparaat dan ook, tot de overheid te richten en in een digitale tweespraak tot een uitkomst te komen. Op de rechter verticale as, de lezer raadt het al, gaat het om de mate waarin men zich afhankelijk weet bij (digitale) contacten met de overheid.

Tussengroep

Voor mijn verdiepende vraag zijn de groepen helemaal links en rechts in het modelletje niet zo interessant. De meest linkse groep redt zich prima, om de meest rechtse is in principe een hulpnetwerk gevormd op basis van een langdurige (AWBZ, etc.) uitkeringsgeschiedenis. De circa 1 miljoen digibeten zouden zich daarmee voldoende ondersteund kunnen weten. Laten we het in ieder geval verwachten dat het systeem hen weet te vinden. Als altijd is het de groep er tussen in die aandacht verdient als het gaat om de vraag: kan het werken? De vraag spitst zich toe op de groep die deels of geheel ‘functioneel digibeten’ zijn.

Weer, als het basisniveau van digitale dienstverlening hoog genoeg is en er de ruimte is om voor het nog fysieke deel met alternatieve vormen van dienstverlening of ondersteuning te komen: waarom niet? Het is anno nu ook denkbaar dat dit dienstverleningsniveau bewust iets wordt uitgekleed. Wellicht gaat daar een stimulans van uit voor mensen om zichzelf sneller te gaan digitaliseren.
Maar wat als dat dienstverleningsniveau achterblijft? Als via de app een bouwvergunning gedownload kan worden, maar de burger niet kan volgen waarom het besluit is wat het is. Als het om een rijke oude dame gaat die echter wel aan het vereenzamen is en angst heeft voor alles wat digitaal is? Nederland telt zo’n 17 miljoen inwoners en allemaal hebben ze hun gebruiksaanwijzing – of hebben ze die juist nodig. Zijn we daar klaar voor?

Onder de streep

In dit schema heb ik met de horizontale stippellijn een situatie aangegeven waarin de burgers die zich onder de streep bevinden niet (genoeg) in staat zijn om zich helemaal te redden. Links van de verticale streep bevinden zich de mensen die net te digibeet zijn om zonder hulp zich richting de overheid te redden, rechts bevinden zich degenen van wie we wel weten dat ze niet digitaal bereikt kunnen worden, maar waar de middelen ontbreken om de ondersteuning daadwerkelijk te geven. Beide groepen samen vormen voor mij de potentiële ‘dienstverleningskloof’.

De kloof en de tijdbom

Mijn stelling is dat we in grote lijnen beter moeten weten hoe groot beide groepen zijn, net zoals we ook moeten weten welke dynamiek er in de groepen zit. Goede initiatieven als het programma ‘Digisterker’ zijn nu nog niet meer dan druppels op een gloeiende plaat. Zelfs als ik het puur over dienstverleningseffecten heb, en niet over contact tussen ‘kiezer en gekozene’, dan nog denk ik dat we een potentiële tijdbom hebben als er niet goed op de dienstverleningskloof wordt geanticipeerd. We hebben het over een groep die mondiger is dan geïndiceerde. Een groep ook dat enerzijds een soort indicatie best zal willen hebben en het anderzijds als een stigma kan ervaren. Zijn er dan toch twee, drie soorten burgers? Weer, ik wil niet te pessimistisch zijn. De geschiedenis van de digitalisering laat in korte tijd veel vooruitgang zien. De algoritmebouwers kunnen steeds meer. In hele korte tijd is er een hele discussie ontstaan over digitale burgerrechten, privacyreglementen, toegankelijkheidseisen en wat niet meer. Maar dat gaat allemaal over optimalisering van het digitale domein. Bijna sluipenderwijs maken we nu mee hoe dat domein alles gaat domineren. Er is en blijft echter nog een ander domein, dat van de mensen die niet kunnen kiezen voor eenen en nullen.

 

Peter Noordhoek

www.northedge.nl


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek