Maandelijks archief: januari 2013

Dear Mr Cameron, Europe is not about Europe

This week the British prime minister, Mr David Cameron MP, was to have a major speech on Europe in The Netherlands. Due to the developments in Algeria, the speech was delayed. The expectation is that his speech will be held within a week. I have a warm liking for Mr Cameron. However, I do have misgivings about this speech, no matter how balanced the words will be. Here I urge him (in a personal capacity, the only one I have) in writing and video to go back to the roots of his vision for Britain itself. Because Europe is not about Europe.

 

 

Dear Mr Cameron,

You probably do not remember me, but we met about ten years ago. You were a young policy director at the Conservative Party Headquarters and I was there, among other things, looking for a contact between your party and mine, the Christian Democratic Party in the Netherlands.
A few years later I saw you again. It was at the Conservative Party conference in Blackpool, in 2007. Apart from many country representatives, me and my colleague from the CDA were the only continental party representatives. It was your first conference after having been elected, and I will never forget that speech. You spoke without notes for almost an hour, and held our attention all the way. Your speech was not about Europe, not at all. What you spoke about was your vision of British society. You challenged your countryman to take responsibility for that society. You rightly criticized the role of big government, but did not praise big corporations as an alternative. You made your countryman big: as parents, as volunteers, as people who cared and took responsibility not only for their own lives but also for that of others. You gave your people a fresh perspective, and by doing so you made me look afresh my own Christian democratic principles.

I know you still follow this agenda of a big society, even though many around you are sceptical. And how right you are to stick to your big idea. If I only have one wish for you, then it is that you will not let Europe overshadow your agenda. I do not think Europe is about Europe. I think Europe is about what ambition we have as people, not what we have as politicians. When I think of Europe, I think of farmers growing flower bulbs in Holland and selling them in Hamburg. I imagine a student from Groningen finding her way to an extra study at the London School of Economics, or I think of the software developer in Eindhoven filing a patent at the European Patent Office, ready in one go. And the same goes for the farmer in Wales, the student in Bradfort, the young innovator in Manchester. It starts and ends with those people thinking of Europe as just something that is there, making their life within their own country better and easier, meanwhile making Europe stronger.

I trust your speech on Europe is a balanced and thoughtful one, raising serious issues but not really withdrawing from Europe. Still, with you raising the bar on Europe, in the end I do not think you are helping your own agenda of a big society, as I think a big society is not helped or stopped by raising borders. It transcends them. With respect, but I think you create new problems, not new solutions by using, excuse the pun, Big Words.
Now I know how sensitive the issue lies with many people in Britain and certainly within the Conservative movement. I have written for Conservativehome.com, a website you know well and have written for as well. I once had the temerity to suggest that you should be more active in Europe, because the Netherlands needs a strong ally in Brussels. Your leaving the European Peoples Party did not help us in that respect. Many, many readers piled abuse on me. What was I thinking by suggesting that the UK should stay in the EU? The question is whether you can ever satisfy them. You know the answer.

Once again, I want to say to you that Europe is not about Europe. Let me try to explain it to you this way. Your original instincts to stay clear from Europa are right. Just look at it this way.

Most of us speak English in Europe (and in the rest of the world for that matter). It is good to do so, even though learning it might be a bit of a nuisance. In the end it is both convenient and efficient. I my case helped by my feeling that it is a nice language to speak. But when I talk English, I still think of myself as Dutch. Do you think of yourselves as European when you talk English? I guess not. We do not diminish ourselves by seeking a common language, we gain by it. The profit of speaking English far outweighs the costs in terms of education. Try to think of 28 countries all talking and translating their own language – it should not be hard to do – and you know what I am talking about. So, we will not stop talking English in Europe, even should you want to stop talking English in Britain.  It is not that different when it comes to talking about ‘the nuisance’ of Europe. I know that the drift of your speech in The Netherlands will be that Europe needs to mend its ways if Britain will not drift towards an exit. You will say Britain wants to a strong Europe, but also that its people will need a bigger say in the future of Europe. As sympathetic as this sounds, I am not convinced of its logic. Europe is still more in need of leadership than of a referendum. And then there are two ‘by the ways’. One is that have learned to think of Europe as nothing but a nuisance. No one will vote in favour of nuisance, so what are you asking? Two is that we never voted in favour of speaking English. Should we reconsider that too?   

Please Mr Cameron, let us all keep on working within this imperfect union and move on. Let common sense do the talking – in English. Move on and move back to an agenda that is yours and ours alike, building a true society of people that can help themselves help others.

With respect and regards,

 

Peter Noordhoek

 

 

Afscheid, ontmoeting en de minder echte dingen

Afscheid

Januari receptiemaand. Ik ben de tel kwijt. Te midden van alle vaste recepties zal ik er één van nog wat langer onthouden. Het startte met een surrealistische ervaring. Ik was laat, te laat. De speech van de nieuwe voorzitter van Zuid-Holland, Peter Pennekamp, had ik al gemist. Het door Liesbeth Spies uitgesproken dankwoord aan alle afscheidnemende bestuurders liep op z’n einde tegen de tijd dat ik binnen kwamen en achteraan aanschoof. Ik zag veel mensen met iets feestelijks in de hand. Netjes, zo dacht ik. Even aandacht voor alle inspanningen hoort erbij. Totdat Aad Otto, mijn collega regiovoorzitter, naast me kwam staan met een vrolijk ingepakte plant onder de arm en zei: ‘Er is er ook één voor jou, hoor”.
‘Hoezo?’
‘Jij neemt toch ook afscheid?’
‘Niet dat ik weet.’
‘Je bent afgeroepen.’
Aad wilde snel weg, dus ik bevroeg hem nog even snel op wat regiozaken. Daarna schoof ik verder de zaal in.
‘Je stopt, hè?’, klonk het van alle kanten. Ik haalde grijnzend mijn schouders op. Ondertussen bedacht ik koortsachtig wat het zou kunnen zijn. Heb ik een signaal gemist?
‘Zit je nu echt niet meer in het bestuur van Zuid-Holland?’
Ik zei: ‘Misschien dat onze nieuwe voorzitter de kerstdagen heeft gebruikt om alle AB-leden te ontslaan.’ En met gebalde vuist zei ik er achter aan: ‘Yes!‘

Maar tegen die tijd was het mij begonnen te dagen. In het voorjaar van 2012 heb ik de regio Gouwe en IJssel formeel laten opheffen. Omdat er al even niet veel meer leven in die regio zat en ik samen met Aad Otto druk bezig ben geweest twee regio’s te laten fuseren tot een nieuwe CDA-regio Groene Hart, heb ik geen moment het gevoel gehad dat ik ergens afscheid van heb genomen. Integendeel. De nieuwe regio vraagt veel aandacht en als ‘kwartiermaker’ was ik al op menig receptie bezig geweest om deals te maken voor een grote bijeenkomst. Vandaar. Als dit afscheid is dan wil ik wel eens weten wat beginnen is.

Maar goed. Hoe onbedoeld ook, misschien wordt me wel degelijk een signaal gegeven. Wegweze, ouwe. En ik ontdekte nog iets anders bij mijzelf. Toen ik de grap maakte dat Peter het algemeen bestuur tijdens de kerstdagen ontbonden had, was mijn lach echt. Ik had het een heerlijke stunt gevonden. Wat jammer dat ik het hem niet zelf heb geadviseerd. Natuurlijk moet er iets als dat zijn en er is ook nog zoiets als interne partijdemocratie, maar ik ben het meer dan zat om een gevecht om het voortbestaan van een partij als het CDA te reduceren tot een in stand houden van oude structuren. Het mooie van oppositie is dat het weer over de inhoud kan gaan. Geen bestuursgedoe dus. Wel gesprek, wel ontmoeten. Heel veel ontmoeten.

Ontmoeten

En tijdens dat ontmoeten bij deze nieuwjaarsreceptie had ik een gesprek dat net zo realistisch was als mijn binnenkomst surrealistisch. En mij net zo met ernst voedde als het gedoe met het afscheid me tot lachen bracht. Door al mijn campagnevoeren heb ik veel mensen leren kennen die lokaal een prima reputatie hebben, maar provinciaal of landelijk niet of nauwelijks gekend worden. Er zijn een paar voortreffelijk dames uit mijn geboortestreek die daartoe behoren. Ze zijn er vaak. Zeggen weinig en horen des te meer. Ik ga altijd even groeten, een woordje wisselen.

‘Peter, het gaat nog niet goed.’
‘Hoezo?’ (Dat woord zei ik opvallend veel die receptie)
‘Nou, dit hier. En de mensen zien het CDA nog niet zitten, hoor. Pas sprak ik met mensen en die zeiden: ‘Dat CDA is helemaal platgewalst, maar ze weten het nog steeds niet. Nog net zo arrogant.’’
‘Wie vinden ze arrogant?’, vroeg ik als tussenstap. ‘Sybrand en Mona?’, met een grote vraag in mijn stem.
‘Nee, die niet. Zeker niet.’
‘Wie dan wel?’
Stilte. ‘Nou de mensen hier. Ze zien je niet staan.’

En dan kijk je om je heen en dan zie je ruwweg de helft geanimeerd met elkaar praten en de andere helft alleen maar staan. Stil staan. Op een tafel leunen. Met gevouwen handen in een stoel zitten. En de ene helft ziet de andere helft niet of nauwelijks. Is dat arrogantie? Ik durf er redelijk mijn hand voor in het vuur te steken dat dit voor de meesten niet geldt. Misschien wel het tegenovergestelde. Zoveel redenen voor zelfverzekerdheid hebben we niet. Wat hier komt heeft hart voor de zaak. Nu nog bezig zijn voor het CDA, nu nog politiek bezig zijn – dat doe je niet als je het jezelf gemakkelijk wilt maken. Maar het is een feit dat we meer over elkaar dan met elkaar praten – voorbij de tweede receptie wordt je heel efficiënt – en dat dit het logisch maakt dat het als arrogantie wordt ervaren.

Als een bestuurder als ik over ‘ontmoeten’ denkt, dan is het bijna als vanzelf over het organiseren van het ontmoeten. We zullen het meer over het doen ontmoeten hebben. In het hier en nu. Bij de mensen die letterlijk naast ons staan. In deze receptie.

Dit jaar nog twee te gaan.

 

Peter Noordhoek

NB De publicatie van deze blog is vertraagd door een internetstoring. Ondertussen bereikte mij het bericht van een echt afscheid. Jan Maas is overleden. Jan was een goeroe voor velen in het kwaliteitsvak en voor ons een echte inspirator in het KPS Gilde. KPS staat voor ‘Kwaliteit Publieke Sector. Ik nam in 1998 het initiatief voor dit gilde en Jan was vanaf het begin betrokken. We vonden dat kwaliteit / INK toen teveel een hype was geworden, een trucje. Samen werkten we aan meer ‘denkkracht’, want daar moest het om gaan. En wat had Jan zelf een denkkracht. In meer dan 20 boeken ontwikkelde hij zich van een technisch georiënteerde kwalineut naar een heuse ‘kwalisoof’ (zijn woord). Zaterdag nemen we afscheid van hem, dan door naar een receptie.

Herfsttij der wethouders – en andere kalenderfeiten richting de raadsverkiezingen

Zo, het nieuwe jaar is weer begonnen. In de cijfers die we na krijgen van het afgelopen jaar valt één cijfer op: het aantal gesneuvelde wethouders. Waarom zoveel en waarom nu? Het heeft in ieder geval ook te maken met het moment in de raadcyclus. Ik beschrijf o.a. hoe deze loopt tot de verkiezingsdag in 2014.

 

VNG Magazine meldt in de eerste week van 2013 dat het jaar daarvoor 196 wethouders zijn vertrokken, waarvan 105 gedwongen http://bit.ly/130VAu6. Wat opvalt in de reactie op deze getallen is dat er tot nu toe zo weinig reactie op is. Wat kost het allemaal niet? En dan moet het niet direct plat gemaakt worden door publiek gezucht over wachtgelden e.d., noch de aandacht vooral uitgaan naar het persoonlijk drama, hoe groot dat ook is (NB voor sommigen was het feest: meer wethouders dan ooit maakten de overstap naar het burgemeesterschap). Voor de gemeente schuilt de schade vooral in termen van onafgemaakt beleid en doorbroken relaties. De afgelopen jaren is steeds meer in de samenleving ondergeschikt gemaakt aan het politiek primaat. Als de dragers van dat primaat bij bosjes sneuvelen is het te simpel om dat af te doen met verwijzing naar de kwaliteit van de personen of ‘de prijs van de democratie’. Vier jaar is in bestuurlijke termen een korte tijd. Een breuk kost dan veel, vaak te veel. En zoals menig moeder overdraagt: “overal waar ‘te’ voor staat is niet goed”. Het aantal moet lager. Als ik een dokter was, zou ik zeggen dat de patiënt koorts heeft. Vervolgens zou ik rust voorschrijven. Maar ik ben geen dokter en weet dat het er niet in zit. Net zoals we nu de hypotheekrenteaftrek hervormen op het economisch meest ongunstige moment, zo staan we op lokaal niveau voor veel bestuurlijke opgaven, inclusief decentralisaties, die eigenlijk op een ander moment zouden moeten doen gebeuren. Het is niet anders, we hebben wellicht te lang gewacht om het eerder te doen. Nu staan we voor opgaven waarvan verwacht moet worden dat het ook nog in het voorjaar van 2013 herfsttij der wethouders zal zijn.

Het ritme van de raadcyclus

Het derde raadsjaar is van oudsher al een herfstjaar, dus het jaar waarin de meeste bestuurders uit hun zetel vallen. In 2005 en 2008 was het ook stevig raak. Zoals elke ervaren gemeenteman of -vrouw weet, zit er een ritme in elke raadsperiode. In het eerste jaar is het energieniveau hoog. Daarbij zijn het juist de gemeentesecretarissen die op hun tellen moeten passen – colleges willen toch een staf die zij bij hen vinden passen. Naar mate de volgende verkiezingen dichterbij komen zijn de bestuurders zelf aan de beurt. In deze cyclus is de omslag rond de zomer van het afgelopen jaar gekomen: de raadsperiode zit er dan voor de helft op. Het onderzoek van VNG Magazine somt een aantal redenen op waarom het zo ver is gekomen. Veruit de meeste ervan zijn plausibel, maar het blijft opvallen hoeveel het er zijn. Toch, zeker zo interessant is natuurlijk wat er richting de komende raadsverkiezingen gaat betekenen. Hieronder geef ik een soort kalender richting de verkiezingsdag in maart 2014, rekening houdend met deze cyclus. Volg je die lijn, dan is duidelijk dat de laatste wethouder nog niet gevallen is. Niet omdat het nu alleen om wethouders zou gaan, maar jeetje, dat zou toch anders moeten kunnen.

Maak goed beter

Wondermiddelen heb ik ook niet ter beschikking. Het zal zonder moeten. Veel van de ontwikkelingen die nu wethouders doen sneuvelen – de meeste wegens budgetoverschrijding – hebben een sterke macrocomponent. Moeilijk te beïnvloeden dus. Tegelijk denk ik dat er op lokaal niveau en zeker binnen het gemeentehuis, veel coachings- en beïnvloedingsmogelijkheden onbenut blijven. Ik kijk dan vooral naar degenen die wel dicht tegen de politiek aanschuren maar er geen onderdeel van zijn: de ambtenaren en de bestuurders van maatschappelijke instellingen. Zij hebben hun eigen prioriteiten, maar mogen ook worden geacht mee te denken met hun ‘portefeuillehouder’. Het is in dat opzicht dat het beter kan.

Dubbelbeweging

Er is een raar soort dubbelbeweging aan de gang. Aan de ene kant wordt iedereen gedwongen steeds eerder te beginnen met nadenken en voorbereiden op de verkiezingen. Aan de andere kant komt het steeds meer op de laatste dagen, wat heet, de laatste uren aan. Er is nauwelijks nog rust in de cyclus. Daarbij komt dat bij de meeste partijen het aantal leden afneemt en er nauwelijks mogelijkheden voor delegatie zijn. De boog wordt dus steeds strakker gespannen en komt als het ware steeds boller te staan. Tegelijk is de rauwe grap dat juist in het relatief rustigste jaar misschien de meeste wethouders sneuvelen. Toch opvallend. Ik houd het op een combinatie van gevaarlijke ontspanning, waarin fouten worden gemaakt die anders niet zouden worden gemaakt en de tijd hebben om na te denken, ook altijd erg gevaarlijk. Wie weet en is het juist het vooruitzicht van wat hen te wachten staat die wethouders doet sneuvelen. Dat zou jammer zijn, want het is en blijft een mooi en belangrijk vak. Maar soms kunnen ze wel een steuntje in de rug en een waarschuwend woord gebruiken.

Weten we wat we moeten weten?

Ik zou het wel willen roepen: begrijp nou wat je bestuurders beweegt en overkomt. Of je nu ambtenaar bent of een bestuurder die tegen de politiek aanzit, snap de spanning. Uit opleidingen en verenigingsactiviteiten krijg ik het beeld dat maar een beperkt aantal ambtenaren er echt weet waar bestuurders in de laatste termijn van raadsperiode doorheen gaan. Het percentage ambtenaren dat zelf politiek actief is (geweest) en dus weet wat het allemaal inhoudt, is relatief klein en lijkt eerder kleiner dan groter te worden. Velen hebben dus nooit zelf de stress van een selectie of campagne meegemaakt en gevoeld wat dat voor werk, privé en carrière betekent. Ook veel directeuren van maatschappelijke instellingen hebben deze ervaring niet. En heus, dat moet je ondergaan hebben wil je het kunnen begrijpen (zei de oud-campagneleider). Enig invoelvermogen in deze cyclus van hoop, wanhoop en verwachting is wel praktisch, al was het maar vanwege het grote risico dat jouw urgente zaak helemaal niet als urgent wordt beschouwd door de wethouder of andere politicus die hoopt herkozen te worden. Een beetje meer meedenken kan dan heel wat schelen.

Peter Noordhoek

www.northedge.nl

 

Richting de raadsverkiezingen: de laatste helft van de politieke cyclus

Het voorjaar van 2013 moet worden gezien als een verlengde herfst, maar dan komt de verkiezingswinter er echt aan, doorlopend tot maart 2014. Snappen we voldoende hoe deze raadscyclus werkt? Weten, beseffen ambtenaren voldoende wat dit voor hun politieke bazen betekent, en daarmee voor henzelf? Ik betwijfel het. Hieronder geef ik een soort kalender mee, maar niet zonder waarschuwing. De ene (lokale) partij is de andere (landelijke) partij niet, sommige partijen moeten nog worden bedacht en opgericht, lastige kwesties kunnen voor vele vormen van vertraging zorgen. Toch zou dit patroon, hoe gestileerd ook, herkenbaar moeten zijn. Begonnen wordt in de periode die in feite al achter de rug ligt

Zomer 2012: kanteltijd. De tijd van halfweg evaluaties en functioneringsgesprekken. Stille ‘ik vind dit geweldig ’versus ‘hoe lang nog?’ momenten bij de politici, de eerste realisatie dat ze weer aan de bak moeten bij het afdelingsbestuur.

Eind 2012 – vroege voorjaar 2013: modeltijd. de modelverkiezingsprogramma’s van de grotere partijen worden gemaakt. In de praktijk bouwen veel afdelingen eerder voort op het programma van vier jaar eerder (copy – paste) dan dat ze zich hier door laten leiden, maar invloed hebben de modellen zeker. Dit is ook de tijd dat de naam wordt bedacht voor nieuwe lokale partijen.

Vroege voorjaar: puzzeltijd. Het bestuur van de afdeling beraadt zich over aanpak verkiezingen. Puzzelen als het gaat om het kiezen van de lijst en vooral de lijsttrekker, programma en de kiezer. Hebben we wel voldoende kandidaten, voldoende kwaliteit en wat doen we met degenen die het eigenlijk net niet redden of al te lang zitten?

Vroege voorjaar: zware voorhoofden tijd. Ga ik door ga ik niet door, ga ik het wagen, ga ik passen?

Voorjaar – najaar: kriebeltijd. Verzamelen elementen voor het verkiezingsprogramma. Soms: gesprekken met stakeholders in de gemeenten. Bijeenkomsten die in het teken staan van het opwarmen richting de verkiezingen. Het moet beginnen te kriebelen.

Zomer: onrusttijd. Beoordelingsgesprekken vinden plaats. Grotere partijen richten een selectiecommissie in. Er wordt veel gescout. Stoelen vertonen zaagtandindrukken. Papa of mama is er niet helemaal met het hoofd bij op vakantie. Besturen frissen hun kennis van statuten en procedures op, tellen de verkiezingskas.

Zomer (maar vaak ook pas januari): op zoek naar posterpassie tijd. De campagne moet worden voorbereid. Campagneleiders zijn moeilijk te vinden en slijten snel. Het team compleet maken is, zeker op lokaal niveau, best lastig. Tot de jaarwisseling staat alles in het teken van de voorbereiding. Moet iemand die op de lijst staat ook de campagne doen? Hoe zit het met de website, twitter? Vragen, vragen. Maar de grootste vraag is: wie gaat er posters plakken?

Vroege of (te) late herfst: lijstlistentijd. De lijst wordt samengesteld. Zelfs onder de beste omstandigheden levert dit meer teleurgestelde dan blije mensen op. Bommen ontploffen door kleine vonken, rekeningen worden vereffend, energie lekt weg. Let op de dwalende blik in de ogen van zittende politici. Zitten ze er nog, ook als ze er wel zijn? Het moment van de algemene ledenvergadering is de gelegenheid om nog terug te komen of om hoger te komen. Soms lukt dat ook, dan lichten de ogen weer op.

Herfst, vroege winter: proceduretijd. De procedures zoals de Kieswet die voorschrijft zijn hard. Veel harder dan menigeen beseft, zelfs degenen die al langer in het politieke circuit rondlopen. Zonder ervaren secretaris ben je eigenlijk nergens. Niet alleen nieuwe partijen, maar ook gevestigde partijen halen zich keer op keer vermijdbare ellende op de hals omdat ze de regeltjes niet kennen.

Late herfst, winter: amendementenmomenten. De programmacommissie levert haar programma in. Wat er aan beïnvloeding vooraf is gegaan? Tsja, goede vraag. In ieder geval mogen de leden zich over het programma uitspreken en wijzigingen (amendementen) voorstellen. Dat kan nog tot behoorlijke wijzigingen leiden, waarbij de duivel op zijn niveau meekijkt. Als ambtenaar een beetje meelezen is verleidelijk.

Herfst en winter: oogsttijd. De agenda van elke wethouder is gericht op het oogsten van die projecten waardoor de kiezer ziet: we doen veel voor u. Met minder geld dan voorheen, zal de concurrentiestrijd om de goede fotomomenten dit keer sterker zijn dan ooit. Ambtenaren hoeven niet te komen met zaken die afleiden van het oogsten.

Kerstreces: oogvandeorkaan-tijd: terwijl alles stil lijkt te staan, wordt juist in deze dagen de toon van de campagnes bedacht en de laatste voorbereidingen gedaan. Een verstandige lijsttrekker gaat er ondertussen nog even tussen uit. De familie kan dan afscheid nemen.

Januari, begin februari: koudetenencampagnetijd. En dat is het. Landelijke verkiezingen zijn, wat een toeval, bijna altijd in zonniger maanden.  Raadscampagnes zijn koud en nat. Toch wordt van alles bedacht om maar naar de kiezer toe te gaan. Het gemeentehuis is even geen populaire plaats om te zijn. Het is wel de tijd voor het posterplakken, al wordt dat in steeds meer plaatsen door de gemeente gedaan.

Laatste week februari, eerste dagen maart: hetekonencampagnetijd – ook al kan het nog steeds bitter koud zijn. Dit zijn de dagen van de slappe folders op de markt en in de brievenbus, de ballonnen en de gimmicks. Maar het zijn ook de dagen dat de landelijke politiek de lokale politiek overheerst. Toch; vonden publiek en kandidaten het vroeger goed om de campagne feitelijk te stoppen op de laatste zaterdag voor de verkiezingsdag, nu wordt er door gegaan. Ook op zondag, maandag en dinsdag en op …

de dag van de verkiezingen: de veegdezweversnaarjouwpartijdag. Zorg dat de kiezers een groet van jouw partij op de deurmat vinden. Laat ze jouw kant op zweven. Was vroeger de verkiezingsdag zelf een dag waarop geen campagne mocht worden gevoerd, nu is het de ‘Get out the vote’ dag. De oudere partijen blijken daarbij in het nadeel te zijn omdat een belangrijk deel van het kader als vrijwilliger in de stembureaus zit.

Dan volgt de grotegattijd. Aan het einde van deze dag begint het grote wachten, eindigend in vreugde of teleurstelling. Zelfs voor degenen die aan de onderhandelingen beginnen, voelt dit als het vallen in een groot gat. Wat moet ik nu nog doen? En terwijl velen proberen zich een tijd zonder campagne voor te stellen, is in feite de volgende cyclus alweer begonnen.

 

Peter Noordhoek

Krullen over krassen. Achtergronden bij een nieuwjaarsgedicht

Aan het einde van 2012 publiceerde ik deze Nieuwjaarswens via social media en een ouderwetse kaart. Ik publiceer deze nu op deze eerste dag van 2013 opnieuw om al mijn lezers de allerbeste wensen voor 2013 te geven. Na de tekst van het gedicht wil ik graag wat woorden schrijven over de wijze waarop het gedicht is tot stand gekomen en hoe dat dan bij mij en anderen valt.

 

We trekken krassen door dit jaar
Teveel slecht nieuws, teveel
waarvan men zegt, ‘wat naar’

‘Naar’ was het door
dat ongrijpbare verglijden:
een denken te weten dat hebben
hadden is geworden: een kramp
voor gevreesde krimp, een grens aan
gewende, verwende groei 

Hoe hangen we toch aan het hebben
Hoe weinig waarderen we wie we zijn
– en wat we kunnen
Hoe snel vergeten we hoe het is
te hebben zonder te bezitten: 

ochtenden met gestreken zonlicht
een glimlach bij ’t ontbijt
een scheefgeknoopte blouse
de geur van vers gezette koffie
het gevoel van schoon zijn na een douche

 Ik wens geen krassen maar krullen
voor het komend jaar
Geen hebben, wel
houden in het komend jaar 

PN ‘12

 

Dank voor het lezen. Nogmaals een ‘krullend’ 2013 gewenst.

In de hoop dat ik in het nieuwe jaar iedereen een beetje mag inspireren, irriteren of intrigeren met mijn teksten op deze site, leek het mij aardig om iets van de achtergronden bij het schrijven van dit gedicht te geven. Dichten heeft in de beeldvorming een hoog Bahhh of Ahhhh gehalte terwijl het uiteindelijk niets meer of minder dan een compacte vorm van communiceren is. En heus, alles komt ergens vandaan en doorgaans van hard werken vandaan. Daarom dit verhaal over een niet a-typisch gedicht en van wat momenten daarna.

Goed nieuws schrijft niet

Het is nu 20 jaar geleden dat ik voor het eerst een gedicht schreef om iedereen een goede kerst en een gelukkig nieuwjaar te wensen. Na 10 jaar heb ik een eerste bundeling gemaakt: Clichés op zoek naar de waarheid. Gedichten. Eén jaar heb ik het overgeslagen en dat heb ik geweten. En nu hoort het erbij. Maar dat maakt het schrijven ervan er nog niet makkelijker op. De beste jaren waren de jaren waarin ik midden in de hete zomerzon mijn gedicht voor de koude dagen schreef, alleen al aan die gedachte verkoeling ontlenend. Nu zit ik in een fase waarin het me best zwaar voelt om tot inspiratie te komen. Mede door alle benodigde voorbereiding – redigeren, ontwerpen, drukken, adressen saneren en aanvullen – moet ik begin november mijn woorden toch wel op een rij hebben. Zo prozaïsch is het wel. Eind oktober had ik echter nog niets. Ik probeerde te analyseren waarom het dit jaar zo slecht ging. Mijn conclusie: het gaat mij en mijn vrouw goed. Zakelijk en privé blijkt 2012 gewoon goed te zijn geweest. Niet dat er in onze directe omgeving allemaal zo fijn is geweest. Zeker niet. Ziekte en dood lijken elk jaar dichterbij te komen. En in een breder perspectief is het natuurlijk een dramatisch jaar geweest. De crisis is erg voelbaar geworden en wordt extra voelbaar omdat er zo weinig zicht lijkt te zijn op een betere tijd. Genoeg om over te schrijven zou je dus kunnen denken. Maar nee. Juist als het met jezelf goed gaat mis je de spanning in jezelf om tot iets te komen dat zeggenschap heeft en geeft. 

‘Naar’

Uiteindelijk ben ik er uitgekomen door de normale schrijfvolgorde om te draaien. Tijdens een schrijfweekend in het lege huis van mijn moeder – ja, staat te koop. Prachtig pand in Bruinisse. Iemand? – besloot ik om nu eens niet eerst het Nederlandse gedicht te maken en dit te vertalen voor mijn internationale relaties. Ik wilde het andersom doen: eerste het Engelstalige gedicht, dan de Nederlandse versie. Het was niet veel meer dan een truc. Veel inspiratie in dichtwerk ontstaat in het omkeren van woorden – waarom dan niet de hele schrijfvolgorde om gedraaid? Gelukkig werkte het: ‘The old year / puts the new one / in a box / closing the year / with a click’. Closing the year with a click. New Year's poem 2012 Daarna begon ik direct aan een Nederlandse versie. De boodschap bleef dezelfde, maar de woorden werden heel anders. Dat gebeurde uiteindelijk door mee te gaan met een cliché. Ik zat de hele tijd met het woord ‘naar’ in mijn hoofd. Ik vind ‘naar’ een naar woord. Het woord is een mislukte combinatie van een negatieve aanduiding met een verkleinwoord. De nette versie van een vloek en er zijn geen nette vloeken. Maar net toen ik op het punt stond het woord te schrappen en opnieuw te beginnen, bedacht ik hoe typerend het woord ook wel is. er gaat zoveel niet goed dat het voor nette mensen verleidelijk is om weg te kijken, om het kleiner te maken. Het woordje ‘naar’ te gebruiken, waar anderen het gewoon ‘klote’ noemen.
Ah, moet ik dat dan gaan doen? Het woord klote gebruiken? Nee. Of je woorden nu kleiner of platter maakt, ze echt gebruiken doe je niet. Wat dan wel? Het is op dat moment dat ik aan ‘krassen’ dacht. Ja, het gaat over de krassen die we oplopen. Krassen die heel diep kunnen gaan, veel dieper dan het woord ‘naar’ kan gaan.
En wat wil ik daar dan mee? Een gedicht met krassen is beter dan een gedicht over iets naars, maar wat wil ik daar mee zeggen? Een nieuwjaargedicht is niet noodzakelijk een vrolijk gedicht, maar is dat hetgeen waarmee ik de lezer het nieuwe jaar in wil sturen? Met krassen? Dacht het niet. het zou ook niet eerlijk zijn. net zoals het Loes en mij goed is gegaan dit jaar, in het groot en in het klein, gaat het anderen op vele momenten ook goed. 2012 tot een jaar van krassen verklaren doet het net zo weinig recht als .. tsja, spreken over een ‘naar’ jaar. En toen had ik mijn thema voor het gedicht te pakken. En mijn krullen.  

Dinner speech in plaats van try-out

Is het een goed gedicht? Ik kan daar vreselijk onzeker over zijn en door de moeizame voorgeschiedenis nu al helemaal. Ik dicht, maar weet mij geen dichter, ook al ben ik lid van het Goudse dichtgenootschap Gheraerdt Leeu. We komen van tijd tot tijd bij elkaar, lezen een eigen gedicht voor en wachten dan af wat het oordeel is. Deze keer was ik het echter te laat om mijn gedicht nog voor te leggen. Wat te doen? De oplossing diende zich aan in de vorm van een kerstdiner begin december, inclusief Britse gasten. De organisatoren weten van mijn afwijking en vroegen me het gedicht van dit jaar voor te lezen. Het zou het eerste moment opleveren dat het gedicht meer los maakte dan ik vooraf had bedacht. 

Voordragen is net als schrijven. Het begint bij een paar woorden of beelden en dan ga je rijgen. Ik besloot met het Engelstalige gedicht te beginnen. Dat is prettig voor onze gasten, maar ook prettig voor mijzelf. Ik hou van de Engelse taal. Helaas behoor ik niet tot degenen die periodes van hun leven in het Engelse taalgebied hebben doorgebracht, maar tegelijk heb ik nooit een kans voorbij laten gaan om het te spreken. Om het UIT te spreken. Ik houd ervan om Engelse teksten hardop voor te lezen, mijn tong langs elke letter leggend. Het geheim van de Engels taal is niet de grammatica maar een intonatie die van de tong een danser maakt. Hoe dan ook, ik denk dat het me geholpen heeft met de taal.

Sporthart en woordenspel

In mijn hoofd ben ik het gedicht al regelmatig aan het voordragen, als heel kort voor het diner een vriend mij met grote ogen verteld dat hij net gehoord heeft dat Frank Field, onze loopmaat uit Engeland, is overleden. 62 jaar. Hartstilstand. En een van de meest fitte mannen die we kenden. Oud militair, marathon loper, waaronder die van Rotterdam, deelnemer aan de iron Man, de zwaarste race van Engeland. Dood, vlak na trainingsronde. Onwerkelijk. Hij was tegelijk ook voorzitter van de zusterclub van de club waar ik nu ook (duo-) voorzitter van ben. (Ik merk dat ik geheimzinnig aan het doen ben. Niet nodig. Ik ben lid en nu dus extra actief als voorzitter van de Rotaryclub Gouda binnenstad. Maar daar gaat het verder niet over). Nu kan ik hem dus ook niet meer toespeechen als we deze zomer naar hun jubileum zouden gaan. Ik had me er zo op verheugd. Wat te doen?

De gasten vanuit Bexhill, een plaatsje aan de zuidkust van Engeland, hebben al een mooi programma gehad als ze aanschuiven bij het diner. Mijn collega-voorzitter (een bijzondere, maar niet unieke constructie in rotaryland) opent. Zij doet dit ook door een moment stilte te vragen voor de partner van een van onze leden en voor Frank. Dat is mooi en het is ook precies zoals afgesproken, maar op dat moment landt het ook even hard tussen mijn ogen. Wat ben ik aan het doen? Wat voor spel speel ik met dat dichten van me? Voor mijn tafelgasten ben ik waarschijnlijk – hoop ik – niet merkbaar afwezig, maar binnen in me ben ik koortsachtig op zoek naar een houvast. Ik weet wat plankenkoorts is, maar dat is het niet. Het is woordenspel, het bedachte van mijn gedichten dat tegenstaat. Ik zeg tegen mijzelf dat het klote voelt, maar op het moment dat ik dat woord gebruik weet ik ook dat het ook geen zin heeft mezelf af te maken. Wat dan wel? En half bewust, half tastend – weet ik toch wat me te doen staat als mijn tafeldame zegt dat het tijd voor mijn bijdrage is.

White Cliffs

Ik heb de gedichten voorgedragen. Eerst de Engelstalige, daarna de Nederlandse. De goede voordracht stond voorop en verder heb ik er niet te veel over nagedacht. Wat ik vooral heb gedaan is me concentreren op een klein verhaal voorafgaand aan de gedichten, in proza dus. Ik zei tegen de vrienden van Bexhill dat ik geen mooie woorden over Frank had, maar dat ik wel graag wilde beschrijven wat hij een delegatie van ons heeft ‘aangedaan’. Hij had ons uitgenodigd voor de halve marathon van Hastings, 21 kilometer eerst stijgend de witte kalkrotsen op (het is niet ver van Dover) en er daarna weer vanaf, de laatste vijf kilometer langs het strand. Ik beschreef hoe we in een grote groep vertrokken, waarbij we al snel langs een kerk kwamen waarvan de hele congregatie ons toezong en de priester ons zegende. Hoe we daarna een eindeloos lang soort vals plat opgingen, met helemaal aan de top een begraafplaats. Dat we toen weer langzaam naar beneden gingen, langs een ziekenhuis en het opeens heel steil naar beneden ging, tot we als het ware werden opgevangen door de bierlucht van de pubs waarlangs we schokkend op schuine voeten werden geleid. Vlak voor het strand werden we weer met liederen ontvangen door een tweede kerk. Voor ons allemaal volgden de laatste loodzware kilometers langs het strand. We waren allemaal kapot na afloop, Frank niet in het minst. Bijna letterlijk raapte hij zich op om ons op te vangen en daarna de voldoening te delen.

Meer dan deze loop beschrijven heb ik niet gedaan. Behalve toen het over dit laatste stukje ging, heb ik het niet over Frank gehad. Dat hoefde ook niet. Even kon ik de mensen meenemen op die barre hardloopronde over de Britse kalkkust. Dat was genoeg. Daarna maakten de gedichten niets meer uit.

De lezer weet het meest

Zo voelde het in ieder geval. Soms schrijf je iets waar je ziel en zaligheid in ligt en dan gebeurt er niets. Soms heb je maar heel weinig nodig om toch iets te raken, al weet je nauwelijks hoe. Ik deed het die avond met mijn verhaaltje en daarna, naar bleek, toch ook wel met mijn Nederlandse gedicht over krassen en krullen. Een van de reacties deed mij extra veel. Een relatie mailde mij dat het gedicht hem veel had gedaan en vertelde dat dit ook kwam omdat in maart 2012 zijn 18-jarige zoon was overleden. Geschrokken mailde ik hem terug en toen heb ik iets belangrijks van hem geleerd. In mijn beeld kwamen de krullen namelijk na de krassen. In zijn kijk kwamen de krullen over de krassen heen en dat mag je koesteren. En zo is het natuurlijk ook. Ik ben blij met mijn gave, such as it is, en koester het. Volgend jaar weer. Met krullen over de krassen heen.

Peter Noordhoek

www.northedge.nl


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek