Maandelijks archief: oktober 2012

Door met minder en beter.

In deze tekst een eerste analyse van het regeerakkoord op de punten regeldruk, toezichtlasten en dienstverlening.

Het nieuwe kabinet zet de lijn van eerdere kabinetten voort als het om de ambitie gaat tot minder regels en toezichtlasten te komen en tegelijk tot een betere dienstverlening. Of het er voldoende middelen voor inzet is de vraag, maar de ambitie is er niet minder om. Een overzicht.

Direct al in de begeleidende brief pakken Rutte en Samsom de koe bij de horens, waarbij tegelijk ook een inkijk wordt gegeven in de verschillende vertrekpunten van de partijen: “De ene partij is beducht voor een overheid die in de weg loopt. De andere partij is beducht voor een overheid die mensen in de steek laat.” Die spanning wordt overbrugd door niet alles en iedereen over één kam te scheren en om dan uit te komen bij: “Een betrouwbare overheid die kansen biedt en grenzen stelt; die optimaal beschermt en minimaal belemmert.”
In diezelfde brief wordt dan gezegd: “Een sterke economie heeft baat bij een hoge kwaliteit van dienstverlening door de overheid.” Vakmanschap wordt daar als sleutelwaarde bij gezien. Een als randvoorwaarde, even verderop: “Niet toegeven aan de reflex om po elk incident te reageren met nieuwe regelgeving. Bewezen vakmanschap belonen met minder verantwoording en controle”. Dit laatste lijkt ruimte voor meer horizontaal toezicht te maken, maar zo concreet wordt het niet benoemd, ook niet in het eigenlijke akkoord. Voor de kwaliteit van het proza is dat maar goed ook.

Klaroenstoot

Wat vervolgens in het akkoord terugkomt, moet bovenal op pagina 10 worden gezocht. Het begint met een lange klaroenstoot: “Een effectieve borging van publieke belangen moet samengaan met ruimte voor vernieuwing. Daarom gaan we met kracht door met het verminderen van regeldruk en kiezen we voor een samenhangende aanpak in de verschillende sectoren op het terrein van ordening, sturing en toezicht.”
De uitwerking laat zien dat op dit punt de activiteiten van de ministeries van BZK, EZ zijn samengevoegd: er wordt gesproken over de regeldruk voor ‘bedrijven, professionals en burgers’. In 2017 moet er sprake zijn van een structurele verlaging met 2,5 miljard van de regeldruk en “daartoe wordt er een verband gelegd tussen het invoeren van nieuwe regels en het laten vervallen van bestaande regels.” De bij eerdere kabinetten genoemde stelregel om geen nieuwe regels te hebben zonder oude te schrappen, wordt dus in matige vorm herhaald.

Sectoraanpak

Tot zover goed, maar niets nieuws. Dat komt wel in het volgende punt: “we gaan ook de minder meetbare, maar zeer merkbare regeldruk verminderen”. Bijzonder. Hier wordt dat concreet gemaakt door in ‘vijftien regeldichte sectoren en domeinen’ de problemen te verkennen en tot oplossingen komen. Dit punt is de kern van de aanpak van het VNG-BZK-EZ programma ‘Concreter en beter. Goede regels, gerichte service’. De keuze van de sectoren is breed.

Dan komt hier direct achteraan de opheffing van de wettelijk winkelsluiting op zondag aan de orde. Het is een relatief klein, maar principieel punt van regelgeving. Het laat direct ook zien hoe lastig regeldrukvermindering kan zijn: in de kern gaat het niet om een vermindering maar om een verschuiving van de regeldruk van rijk naar gemeenten.

Herbezien toezicht

Vervolgens gaat het vizier weer op macro, richting het toezicht. “de vormgeving van het toezicht wordt waar nodig herbezien – ook in samenwerking met medeoverheden – om met behoud van effectiviteit de toezichtlasten te verminderen.” Wat hier waarschijnlijk wordt bedoeld is dat overlappingen van inspecties en andere toezichthouders moet worden tegen gegaan en dat er meer ruimte komt voor fenomenen als systeemtoezicht en horizontaal toezicht. Ook dat is conform lopende programma’s, maar het is goed dat het akkoord de weg wijst – waarbij de toezichthouders eigenlijk wel moeten, want de toezichthouders moeten wel degelijk hun bijdrage leveren aan een forse verkleining van de overheid, tot structureel 1,1 miljaard in 2017.

Betere dienstverlening?

En dan de dienstverlening. De ambitie is beperkt maar concreet geformuleerd: bedrijven en burgers kunnen uiterlijk alle zaken met de overheid digitaal afhandelen. Voor ondernemers komt er een eenmalige gegevensaanvraag voor die ondernemingen die gebruik maken van het ondernemingsdossier.
Beide punten verdienen een meer kritische blik. Het eerste omdat het lijkt te veronderstellen dat het mogelijk en wenselijk zou zijn om alles digitaal af te handelen. Veel burgers zijn en zullen nooit in staat zijn de digitale wegen te bewandelen en ook voor hen die geen digibeet zijn blijft fysiek contact belangrijk. Dat weten de makers van dit akkoord ook wel, maar ja, die bezuinigingen. Goed, maar geef dan aan hoe je daar mee om wilt gaan. Zeker het PvdA programma heeft op dit punt wat te melden in de vorm van maatschappelijke initiatieven, maar daar is heel weinig van terug te vinden in het akkoord.
Het ondernemingsdossier is een goed initiatief, ook omdat het voortkomt uit een echte samenwerking tussen overheid, en het georganiseerde bedrijfsleven. Branches tonen zich hierin voortrekker. Het is wel opmerkelijk, omdat er tegelijk een nieuwe ZBO wordt gevormd die het Handelsregister verder moet vormgeven. Er moet zelfs sprake zijn van een ‘versnelde effectieve inzet van basisregistraties’, maar dat vanwege de bezuinigingen. Hoe verhouden zich dit tot elkaar? Sigaar uit eigen doos voor het bedrijfsleven?

In hetzelfde deel van het akkoord wordt gesproken over tien publiek-private doorbraakprojecten op vooral ICT terrein en wordt er gesproken over verbetering van de governance. Samen vormen de zeven maatregelen voor het kabinet een deel van de brug op weg naar meer ruimte voor groei.

Wenkbrauwen

De tekst van het akkoord is, zoals mag worden verwacht, verder in lijn met de wens om als overheid minder te doen en meer te laten. Het moet nog altijd minder en beter. Toch blijkt het niet altijd mogelijk daar aan vast te houden.
Een wenkbrauw mag worden gefronst als in het hoofdstuk over onderwijs wordt gesteld: “Er komen normen die borg moeten staan voor de menselijke maat in het onderwijs en voor minder overhead.” Bij normen voor minder overhead kan iedereen zich wat voorstellen, maar “normen die borg staan voor de menselijke maat”? Heel benieuwd, maar is hier het middel niet erger dan de kwaal?

Binnen de zorg wordt nog meer ingezet op convenanten. Formeel is dat geen vorm van regelgeving, maar vermoed mag worden dat het een vergelijkbare werking heeft. Hoe gedetailleerd zijn deze convenanten. Overigens heeft onderzoek laten zien dat convenanten niet noodzakelijk beter werken dan wet- en regelgeving. Wat ook zorg over zorg geeft is dat het nog steeds erg belangrijk is om over heel veel zaken prestatiegegevens aan te leveren. Hoe begrijpelijk ook, het is wel een bron van onnodige bureaucratie.

Dit laatste kan natuurlijk ook gelden voor de andere beleidsterreinen, al is het weer positief om bijvoorbeeld onder het hoofdstuk Veiligheid en Justitie te lezen dat het ‘civiel proces vergaand wordt vereenvoudigd’, onder andere door het verschil tussen verzoekschrift en dagvaarding te laten vervallen. Als je voetbalfan bent wordt het echter weer oppassen: die wet wordt aangescherpt.

Duidelijke intenties, minder duidelijke middelen

Dan de effecten voor het bestuur zelf. Als het om regel- en toezichtlasten gaat zal dan toch eerst en vooral naar de effecten van decentralisatie worden gekeken. De inzet is weer helder en krachtig. De rijksoverheid gaat goedkoper, flexibeler en efficiënter werken, “met minder bestuurlijke en ambtelijke drukte en regeldruk”. Dat moet vervolgens weer bijdragen aan de dienstverlening. “Beleid en uitvoering worden vereenvoudigd, toezichtstaken en adviesfuncties samengevoegd, taken beëindigd of gedecentraliseerd en de deregulering met kracht voortgezet.” Dat alles leidt tot lagere nalevingskosten, is de logische veronderstelling.
Of dat inderdaad zo uitwerkt zal in niet geringe mate afhangen van de wijze waarop de decentralisatie vorm gaat krijgen. Het rijk biedt de gemeenten ‘ruime beleidsvrijheid’. Of dat mogelijk is zonder grote monitorvoorzieningen en zonder dat gemeenten aan grote lokale regelgevingstrajecten gaan beginnen, is de sleutel vraag. Het valt natuurlijk wel samen met bezuinigingen en de gevolgen daarvan zullen toch ergens moeten worden opgevangen. Het zou niet de eerste keer zijn dat gebrek aan geld wordt gecompenseerd met meer regels. Alleen bekwame handen weten los te laten. Kijkend naar de hoogte van de bezuinigingen zal het zeker een opgave worden om de dienstverlening op pijl te houden. Het kabinet zet zwaar in op schaalvergroting om dit te ondervangen, maar alleen al door de overgangsperikelen zal dat een forse opgave worden.

Wie gaat dit doen?

Last but not least: wie gaat dit doen? We begonnen de opsomming van maatregelen op het terrein van regeldruk, toezichtlasten en dienstverlening in het hoofdstuk dat goeddeels onder het economisch beleid te scharen valt, wat Henk Kamp (VVD) in beeld brengt, een man die van wanten weet. Het laatste deel van deze tekst valt onder het hoofdstuk waar je normaal ‘minister van BZK’ bij denkt: Ronald Plasterk (PvdA), relatief nieuw op dit terrein. Maar hier komt een verassing: “Vanwege het grote belang en de complexiteit van deze opgave wordt de verantwoordelijkheid hiervoor ondergebracht bij een nieuwe minister voor Wonen en Rijksdienst met doorzettingsmacht, op het ministerie van BZK.” Stef Blok (VVD) en mede-onderhandelaar van dit akkoord, is zeker iemand aan wie doorzettingsmacht kan worden toegeschreven. Het maakt zeer benieuwd naar de precieze taakverdeling tussen de drie ministers die direct of indirect met deze materie te maken krijgen – en de wijze waarop dit richting de lagere overheden verder vorm gaat krijgen in bijvoorbeeld een bestuursakkoord met IPO en VNG.

Maar dan zijn we al bezig met de praktijk van het akkoord. Hier laten we het bij een compliment voor een in korte tijd geformuleerd akkoord dat zowel stevige hoofdlijnen als scherpe detailmaatregelen laat zien. Kom op, snel naar het bordes en dan door naar die praktijk.

 

Peter Noordhoek

Vaste lezers weten dat ik o.a. werkzaam ben als bestuursadviseur voor het VNG-BZK-EZ programma ‘Beter en concreter. Goede regels, gerichte service’. Hierin komen verschillende programma’s op het terrein van regelgeving, toezicht en dienstverlening samen. Daarom nadrukkelijk: dit is geschreven op persoonlijke titel.

Ik ken u beter dan u zelf: stem Obama!

Nog even en het is zover: de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Welk aspect van deze verkiezingen zal het meest van invloed zijn op de uitslag? In deze blog wordt gekeken naar kiezerskennis als strategische factor voor de campagne. Hoe werkt dat en gaan we dat ook in Nederland zo krijgen?

Er is iets met de huidige presidentsverkiezingen wat tegen staat. Ergerlijk is. Of eigenlijk: meerdere dingen. De strak negatieve toonzetting. Die grote gewonde ego’s. De rol van het geld. Dat gebrek aan keuze – zowel Obama als Romney stellen teleur. Twee mensen die naar verluid redelijk en van het midden zouden zijn, doen hun uiterste best om aan te tonen dat ze dat niet zijn. Vooral bij Obama valt dat ronduit tegen.

En toch kan niemand er omheen: de campagne doet er ook deze keer weer toe. We spreken vaak over de Amerikanisering van de Nederlandse verkiezingen en alleen daarom al blijft het relevant om te kijken wat er aan de andere kant van de grote plas gebeurt. Ik haal er in deze blog het aspect uit dat volgens mij campagnetechnisch het meest interessant is, ook binnen de Nederlandse verhoudingen: de verdere invasie via informatietechnologie in het leven van de kiezer.

Een andere orde

De wijze waarop – campagneteam Obama voorop – met informatie over kiezers wordt omgegaan is deze campagne weer van een andere orde dan de keer ervoor. De informatie is nu zo ver verrijkt dat er echt van kiezerskennis kan worden gesproken. Zeker in de swing states lijkt het er op dat niets wordt gedaan voordat eerst het volledige doopceel van betrokkenen wordt gelicht. Dat gaat ver, heel ver. Ze weten wat de kiezer leest of op televisie, wat hij of zij verdient en waar dat aan wordt uitgegeven. Vervolgens wordt die informatie weer gebruikt om de kiezers heel gericht te benaderen. Waren tot voor kort de ‘robocalls’, de geautomatiseerde telefoontjes, het beste voorbeeld van electorale marketing, nu worden ze vooral als bewijs gezien dat een partij het niet voor elkaar krijg. Amerikanen dat het bombardement van zorgvuldige gescripte mails, telefoontjes, tweets en bezoeken zeer intensief is (zelf als Nederlander word ik er al horendol van) en griezelig op maat. Geen mail gaat de deur uit, geen deurbel wordt er ingedrukt, zonder dat men weet wie er dan ontmoet gaat worden, hoe de gezinssamenstelling is, wat de maatschappelijke positie is en natuurlijk wat er de vorige keer gestemd is. Net zoals je er van uit kunt gaan dat een deurbel wordt ingedrukt bij precies die kiezers die nog wel eens tot de twijfelaars zouden kunnen behoren in een twijfelstaat.

Hoe werkt het?

Hoe kan dat eigenlijk? En kan het ook in Nederland zo gaan? Het grote verschil met Nederland is dat je in Amerika ingeschreven moet staan als kiezer. De NAW-gegevens uit het kiesregister worden vervolgens ter beschikking gesteld aan de erkende partijen. Vervolgens worden deze gegevens verrijkt en aangevuld uit allerlei databases van commerciële partijen. Het zijn de republikeinen (Karl Rove) die hiermee zijn begonnen en het zijn nu de democraten die het vervolmaken. Als je, zoals ik, zo gek bent om de mails van Obama c.s. niet te blokkeren, dan lijkt het of je precies weet wat de stand van zaken is als het gaat om de fondsenwerving tussen beide partijen. Als je de democraten moet geloven is er een staat van permanente paniek: we lopen achter bij de republikeinen! Dat kan best zo zijn, maar dat republikeinse geld wordt vooral besteed aan een van de grove middelen om kiezers te bereiken: TV reclames. De democraten weten waarschijnlijk veel meer waarde uit hun dollar te halen door hun toegesneden manier van werken.

Hoe gaat het hier?

Nogmaals: kan dat ook hier? In Europa gebeurt het al meer dan menigeen beseft, mede geholpen door allerlei Amerikaanse consultants die de magere jaren op dit continent door proberen te komen. Toch is de schaal nog altijd veel beperkter. In Nederland worden pogingen gedaan, maar er zijn twee barrières – en niet tot mijn verdriet. De eerste is dat de Nederlandse overheid geen NAW-gegevens ter beschikking stelt en privacy wetgeving het bijvoorbeeld moeilijk maakt om e-mails effectief te gebruiken. De tweede is dat het tot op heden veel te kostbaar voor partijen is om meer dan alleen grof onderzoek doen (dezelfde  reden overigens waarom veel peilingen op een te kleine sample gebaseerd zijn om betrouwbaar te zijn).
Toch mag verwacht worden dat Nederlandse partijen langzaam maar zeker in staat zijn meer van de kiezers te weten te komen en ze ook gerichter te benaderen. In dat verband wordt het wellicht tijd om niet alleen te kijken naar de wijze waarop partijen worden gefinancierd, maar ook hoe ze hun data krijgen. De ontwikkeling zelf is niet tegen te houden en wat mij betreft hoeft dat ook niet: moge de beste winnen. Bovendien zijn moderne campagnes in Nederland nu te sterk afhankelijk van de zendtijd die zenders beschikbaar stellen. Maar iets van een ‘level playing field’ moet er wel zijn en binnen de krappe Nederlandse verhoudingen zijn die snel verstoord.

Tijd voor ‘The Making of ..’

Een van de meer opvallende en positieve aspecten van de informatiestrategie van Obama, is de mate waarin mensen in staat worden gesteld in de keuken te kijken van dit informatieproces. Het is echt niet zo dat ze alles laten zien, maar heel bewust en gericht wordt openheid gegeven over de manier van werken. Dit heeft een praktische reden: mensen zijn geïnteresseerd in het verkiezingsproces. ‘It’s the greatest show on Earth’ en ze weten dat iedereen geïnteresseerd is in ‘The Making of ..’ Hier in Nederland wordt dat effect onderschat, c.q. doen partijen te geheimzinnig. Het lijkt mij goed en leuk als daar verandering in komt. Als ik daar een bijdrage aan kan leveren, zal ik het niet laten.

Peter Noordhoek

Tussen kramp en kunst. Een filosofietje over de zalm van Foppen en de kunst van kwaliteit

Mijn blog van vorige week was een ‘ik kan het niet laten’ blog. Deze blog heeft daar ook wel trekken van, maar ligt dichter bij een kernvraag voor mij: wat is kwaliteit en wat gebeurt er als kwaliteit opeens omslaat in non-kwaliteit? Ik waag het er op de visverwerkende industrie en die van de kunstwereld met elkaar te verbinden. Voor wie weinig tijd heeft: lees tot aan het ‘-o-‘ teken. Voor wie de verdieping zoekt: lees verder.

Kramp

Dit was niet leuk. De aanleiding wel. Die was heel leuk. Maar het moment was niet leuk. Buikloop, de dunne. Zweterig, rillerig, kramp. De concentratie van je leven op één fysiek punt, onder je. Het toilet als de plek waar je het liefste bent, echt. Maar daar was ik niet. Ik zat hoog in de zaal van het theater in Lelystad, te wachten op de uitreiking van de landelijke prijs voor het beste stadsgedicht. Ik was een van de genomineerden. Hoi. Eer. Maar. Gedurende het evenement was ik al twee keer weggelopen naar mijn meest geliefde plek, maar op dit moment mocht ik natuurlijk niet ontbreken. Wie weet ..

De jury deed er lang, voor mijn gevoel erg lang over om duidelijk te maken hoeveel inzendingen er waren, hoe de criteria waren toegepast, etc. Het zweet brak mij uit, maar niet vanwege de spanning over de uitslag. Integendeel. De criteria van deze wel erg lieve juryleden pasten niet goed bij mijn nogal heftige gedicht over Gouda. Even zo goed, weggaan kon ook niet. Ook al draaiden de darmen met kleine rukjes in elkaar. En dus wachtte ik tot de prijswinnaar zou worden afgeroepen. En dus bedacht ik het ene na het andere scenario. Zou ik het redden, als ik op het toneel zou worden geroepen? En hoe kort zou ik dan het dankwoord kunnen houden? En wat als ik, direct na het verzoek om naar voren te komen, eerst naar de zijdeur zou gaan sprinten voor een snel toiletbezoek om dan .. Nee. Dus eerst wel naar het toneel gaan? Dan mijn behoef .. dankwoord doen en dan direct wel gaan? Dus na afloop snel het toneel af, naar links de zijdeur in, de zaal uit? Of .. is het al zover? Ik ben het niet ..? Mag ik dan naar het toilet, naar huis, naar bed? NU?

Wat een prachtig visverwerkend bedrijf als Foppen allemaal niet op het geweten heeft. Want dat bedrijf geef ik nu uiteraard de schuld. Het was precies die week dat het in het nieuws kwam. Niet dat dit als bewijs mag gelden, maar het ligt toch voor de hand, toch? De TV zegt het immers ook. Misschien krijg ik nog wel schadevergoeding, want de dagen na de prijs was ik toch wel erg gammel. Wie is de advocaat?

Kan je van voedselvergiftiging ook denkvergiftiging krijgen? Ik zal niet zeggen dat ik met het bedrijf Foppen te doen heb. Daarvoor zijn de gevolgen te ernstig en lijkt het bedrijf ook daadwerkelijk verantwoordelijk te zijn. Naar het schijnt is het misgegaan bij het productieproces van een Griekse dochteronderneming. Inde productielijn, een lijn die op zich niet ouder is dan zes maanden, zijn schalen of verpakkingsvormen gebruikt met net te grote gaten, waardoor het mogelijk werd voor een salmonella bacterie om zich te gaan nestelen. Zeker als dat in afwijking van de normen was, is dat een verwijtbare fout, maar de fout is uiteindelijk door het bedrijf zelf gevonden en niet door de toezichthouder. De Voedsel en Warenautoriteit is overigens ‘tevreden over de genomen maatregel’. Wat wil je nog meer? Als je veilig zalm wilt eten: eet Foppen!

Laten we het hopen. Het mooie familiebedrijf is inmiddels het middelpunt van een mediastormpje en dat kan heel snel misgaan (en waarom moet het toch weer net een Grieks bedrijf zijn waar de eigenlijke fout wordt gemaakt?) Weer een casus erbij van een kleine fout me grote gevolgen. Interessant aan deze casus was overigens dat bij het eerste televisieomroepen het de kwaliteitsmanager was die het woord voerde op TV en niet de directeur. Dat deed deze in mijn ogen goed, nog eens het verband aantonend dat een goede kwaliteitsbeoordeling en risicomanagement twee kanten van dezelfde medaille zijn. Daarna is heeft het arme bedrijf er ongetwijfeld een PR adviseur bijgehaald en werd het een anonieme dader. Ik moet het uit mijn tenen halen, maar ik ga er nog steeds van uit dat Fokken er op is ingericht incidenten als deze te voorkomen. De kans dat iets als dit gebeurd is niet alleen kwalitatief uit te drukken, maar ook kwantitatief en dan komen we waarschijnlijk ver achter de komma uit. Een sigma kleine kans op een fout als deze. Geen 6 sigma, maar toch. Er op een andere manier tegen aan kijkend; het bedrijf is beter in staat fouten te voorkomen dan de meeste mensen in hun werk of privé ooit kunnen claimen. Toch is de reputatie van het bedrijf gewoon weg en kan het alleen maar hopen dit ‘incident’ te overleven.
Het filosofietje is dus: hoe kleiner de foutmarge in het productieproces, hoe groter de kwetsbaarheid. Zeker als eenmaal de landelijke media zijn gehaald. De onvoorstelbaarheid van de hoge kwaliteit bij het publiek, de anonimiteit van het productieproces, het autisme in de communicatie; alles helpt om de schade relatief groot te maken. Naar mate de non-kwaliteit meer zichtbaar is, hoe meer de feitelijke kwaliteit onzichtbaarheid. De subjectieve beleving van non-kwaliteit is uiteindelijk sterker dan de demonstratie van objectieve kwaliteit.
Erg origineel is dit filosofietje natuurlijk niet. Maar zeker sinds dat moment in die zaal heb ik het gevoel dat ik het recht heb het weer eens her uit te vinden. De krampfactor is hoog genoeg geweest.

– o –

Kunst

Mag ik er iets naast zetten om het filosofietje op een andere manier te belichten? Tegenover de visverwerkende industrie zet ik de kunstsector. Ik pak er drie verhalen of observaties bij om te zien welke krampfactor de kunstsector heeft.

De eerste is de roof van zeven schilderijen in de Rotterdamse Kunsthal. Hoewel het om een totaal andere wereld lijkt te gaan, is ook in de museumwereld sprake van een hoog ontwikkeld kwaliteitsbesef. Geloof maar dat er veel aandacht aan de veiligheid van het gebouw is besteed. Dit keer is dat niet uit te drukken in een percentage maar in een verzekeringspremie. Als het beeld er niet was van een veilig museum, dan was die premie niet op te brengen geweest. En toch is het misgegaan en naar het lijkt op een heel elementair niveau. Schande, schande. Hopelijk zal de museumwereld haar lesje leren (Even commercieel: we hebben interessant onderzoek in de aanbieding over het gedrag van suppoosten op basis van de HRO-benadering. Alles draait om alertheid. Anyone?) Ook voor dit voorbeeld zal gelden dat de objectieve kwaliteit van gebouw en procedures geen verweer zullen blijken voor de impact die dit incident op de reputatie van de Kunsthal.

Nummer twee. Ik kom net terug van de Kunst10daagse in Bergen, Noord-Holland. Ik kan het iedereen aanbevelen. Geweldig. Letterlijk honderden plekken waar kunst wordt getoond, in alle mogelijk varianten en de meeste , ook de amateurvarianten ervan, de moeite waard. Maar er was ook iets waar mijn nekharen van overeind gingen staan. Een vorm van kunstverkrachting die mij de gelegenheid geeft het omgekeerde van mijn filosofietje te laten zien. In het leegstaande postkantoor bij de Ruïnekerk was een kunstmanifestatie. De kunst was bij elkaar gebracht door de conceptuele kunstenaar Rob Scholte. De man heeft een heftige geschiedenis, maar dat kon me niet echt boeien, ik kwam voor de kunst. En wat was dat leeg. Elk vermoeden dat je er iets voor moest kunnen was weg. Conceptuele kunst wordt van de kleren van de keizer gemaakt als het alleen maar concept is. Het dieptepunt was voor mij de ruimte vol geborduurde schilderijen. Het zal wel humor zijn, maar ik vond het vooral triest, ook voor de arme anonieme makers ervan. Niettemin werd het met veel aplomb gepresenteerd als onderdeel van een gebeuren vol mannen en vrouwen met engelenvleugels op hun rug, al dan niet met een half lege champagnefles in de hand. Kijk ons eens kunstig zijn.
Dit is de andere kant. Pure non-kwaliteit kan als kwaliteit worden gepresenteerd als maar niet objectiveerbaar is. Het zou me niet verbazen als dit het evenement is geweest dat het meest de pers zal hebben gehaald van dit kunstfestijn. En dat positief. Arme saaie Foppen met z’n PR adviseur.

En nu: hoe dan wel? Het derde voorbeeld. We bezochten een atelier waar we één van onze eerste schilderijen hebben gekocht. Het is altijd een genoegen om daar weer langs te gaan, maar het doet ons lang niet altijd even veel. Dit keer hadden we bij één schilderij wel zo’n moment dat we dachten: dit is echt bijzonder. Niet door het thema, het portret van een vrouw, maar door de wijze waarop die vrouw uit haar ogen keek en bij ons binnenkwam. Het was gelukkig niet druk en de een van de twee galeriehouders vertelde ons meer over het schilderij en vooral over de schilderes, Lizette Luijten. Ze hanteert een hele klassieke techniek. In die techniek gaat ze in het gebruik van licht en donker weer terug naar Rembrandt, al is het in vorm en vrolijkheid heel anders, op het naïeve af. De galeriehoudster zei dat zij en haar man met Lizette veel in gesprek zijn. Er speelt een dilemma. Ze is goed genoeg om nu al naar Londen te gaan. Kunst kopen is daar veel normaler dan hier (27% van de huishoudens koopt daar wel eens een kunstobject, tegen 4% hier in Nederland) en de prijzen liggen veel hoger. Doen dus, zou je zeggen. De andere kant is dat ze in een fase zit dat ze nog volop aan het leren is – en ze haar ook niet voor Nederland verloren willen laten gaan. Kortom; een beetje het dilemma van de beste voetballers: hier ervaring op laten doen of snel gaan cashen? Gelet op hoe de schilderes haar werk benadert, denk ik dat ze nog niet naar Londen gaat.

Wat het ook wordt, ik haal uit dit laatste voorbeeld een soort oplossing voor het dilemma dat in mijn filosofietje besloten ligt. De spanning tussen subjectieve en objectieve kwaliteit kan ook vruchtbaar werken. Er is bij deze schilderes een harde basis van kennis en vaardigheden. Anders zou ze haar technieken niet zo toe kunnen passen, haar stijl niet verder kunnen ontwikkelen. De galeriehouders hebben de ervaring en het procesvermogen om over grenzen heen te werken. Die aantoonbare kwaliteit weten ze te paren aan iets dat puur persoonlijk is, subjectief dus. De schilderes die met haar droom, schilderen bezig is en zich bovenal daar op richt. De galeriehouders die het geduld hebbenom voor een coachende rol te kiezen. Of dat lukt, zal moeten blijken. De kunstwereld is een wereld waar volgens mij dromen meer een inspiratiebron zijn dan een bron voor brood op de plank. Toch, samen doen ze iets goeds. Ik kan me niet voorstellen ooit kramp van deze kunst te krijgen. Integendeel.

Peter Noordhoek

www.northedge.nl

Tussen nu en een eeuw geleden

Op een avond dat de publieke omroep ons vergast op een documentaire over de ondergang van het kabinet Balkenende I door de puinhopen van Pim’s LPF en het programma Andere Tijden gaat over ongelijkheid tussen rijk en arm in Nederland, wil ik graag deze bijdrage aan een historisch avondje geven.

Al langer fascineert mij de parallel tussen nu en ruwweg een eeuw geleden. Eind 19e eeuw was een tijd van toenemende rijkdom, maar ook van grote ongelijkheid. Dat werd erger en erger, met in de Verenigde Staten allerlei ‘robber baron’s’ die monopolies van het business empire probeerden te maken en af en toe aan wat liefdadigheid deden om het beeld wat te verzachten.
Ook toen kwam er een populistische reactie, met in de VS Jennings Bryan als voorloper en met aan het begin van de 20e eeuw Teddy Roosevelt als meest populistische president ooit. Hier in Nederland was het veel meer stil water, totdat Kuyper op kwam. Hij schreef artikelen zoals Fortuyn ooit columns zou schrijven en wist er, eigenlijk net als Pim, een hele generatie kleyne luyden mee te mobiliseren. Daarmee houdt veel van de vergelijking  op, maar de parallel springt te zeer in het oog om zomaar terzijde te kunnen worden gezet. Over het populisme heen kwam in het eerste decennium van de vorige eeuw de golf van het socialisme op, in het tweede decennium radicaliserend tot anarchisme en communisme van Bakounin, Lening en Trotsky. Dan wordt het natuurlijk spannend om te zien wat daar de parallel voor is of wordt, maar voordat ik daar op door ga, graag ook nog even aandacht voor twee andere parallellen. Want zoals nu het begin van de 21 eeuw beheerst lijkt te worden door de snelheid van het internet, zo werd aan het begin van de 20e alles anders door de snelheid van een ander nieuw fenomeen: de auto. En datzelfde begin van de 20e eeuw werd ook bekend door de opkomst van een bijzonder fenomeen: onafhankelijke kranten met lastige journalisten. Bijna net zo heerlijk en ontwrichtend als de opkomst van social media nu.

Fascinerende parallellen, althans dat vind ik. De vraag is natuurlijk wel of we ook die andere ontwikkeling gaan zien: oorlog en revolutie? De geschiedenis herhaalt zich, maar nooit op dezelfde manier. De Occupy-beweging is er zeker niet mee vergelijkbaar en ook de opstanden in Griekenland en Spanje vallen niet in dezelfde categorie. En hoeveel geweld er ook in deze tijd is; als er al sprake van een oorlog is, dan is het een economische oorlog. Elke politieke beweging is het resultaat van een emancipatiebeweging. Aan het begin van de 20e eeuw was er volop te emanciperen: arbeiders, vrouwen, in ons land de katholieken: ze zagen genoeg van de welvaart van anderen om te weten dat ze een wereld te winnen hadden. Anno nu komen we uit een tijd van relatieve welvaart. Een soort omgekeerde emancipatie dreigt. Mensen die verliezen wat ze hadden reageren anders dan mensen die hopen wat te krijgen. Wellicht gaat het dus anders. De stagnatie die uit gebrek aan perspectief voortkomt lijkt logischer dan de wilde ambitie die aan oorlog en revolutie ten gronde ligt. Zorg is er wel. Als iemand vandaag opmerkt dat het conflict in Syrië ons raakt omdat Turkije lid van de NAVO is, dan geeft dat een kort Sarajevo gevoel. Maar hoeft het dus niet hetzefde te lopen als een eeuw geleden. Er moet dan wel wat gebeuren.

Deze week werd in de Economist¹ dezelfde parallel getrokken die ik al een tijd maak. Het blad – zo rechts als je het hebben kan – maakt zich grote zorgen over de toenemende ongelijkheid in de samenleving. Uiteindelijk is dat slecht voor de economie constateert het blad. Het moet anders: ‘Modern politics needs to undergo a similar reinvention—to come up with ways of mitigating inequality without hurting economic growth. That dilemma is already at the centre of political debate, but it mostly produces heat, not light.’ Het blad kiest voor het midden als antwoord, want rechts denkt dat een kleinere overheid vanzelf tot een betere samenleving leidt en dat is dus veel te simpel geredeneerd, terwijl links denkt dat inkomenssubsidies het antwoord op alles zijn. Ik denk dat het blad groot gelijk heeft en ik denk ook dat we in Nederland met onze christendemocratische stroming daar van oudsher een beter antwoord op hebben gehad dan de Britten, maar het is een feit dat deze nu ook niet echt dominant is op dit moment.

Met andere woorden; in dit tweede decennium van de 21e eeuw zal het er nog om spannen. Teveel is uit het lood, teveel staat onder druk. De historische parallellen zijn niet gunstig en zouden een waarschuwing voor ons moeten zijn. Of denkt de lezer dat we vanzelf wel in de ‘roaring twenties’ terecht zullen komen?

 

Peter Noordhoek

 

¹ True Progressivism. A new form of radical centrist politics is needed to tackle inequality without hurting economic growth. Economist, Oct 13th 2012

Open brief aan de evaluatiecommissie CDA

Gouda, 11 oktober 2012

Beste leden van de evaluatiecommissie,

benijden doe ik jullie niet. Het sentiment rond jullie commissie kan, naar ik vrees, het beste worden uitgedrukt in een zucht. We hebben Frissen toch al?
Daar voel ik wel in mee, maar toch .. Het is natuurlijk niet zo dat er niets te evalueren valt. Integendeel. Zowel in de wijze van campagnevoeren als bij de samenstelling van de lijst kan er veel worden geleerd. Ja, de verkiezingen kwamen te vroeg, maar ook minder voorbereid maakt het uit welke keuzes je maakt als partij. Mijn wezenlijke punt raakt echter dieper en heeft te maken met ons ‘recente verleden’.

Rond de tijd dat de opdracht voor de vorige evaluatiecommissie werd geformuleerd, in 2010, zaten we in een wezenlijk andere situatie. Hoewel? Ook toen hadden we hele diepe wonden te likken. Maar politiek leek het er op dat er een ‘Paars plus’ combinatie in de maak was. Ik vond dat prima. Oppositie voeren is helemaal niet makkelijk, maar wel het beste voor ons. Tot mijn spijt pakte Cohen echter niet door en kreeg Rutte, toen net zo’n makkelijke onderhandelaar als nu, te maken met een uiterst kritische achterban. Telegraaf en Elsevier waren op oorlogspad. Anno 2012 is dat wenkbrauw optrekkend anders, maar toen leidde dit tot het kabinet van VVD-CDA met gedoogsteun van de PVV.
Ik weet niet hoe het jullie is vergaan, maar bij het canvassen op straat waren er nogal wat mensen die me zeiden: ‘misschien ga ik weer CDA stemmen, maar deze keer niet’. Dat kan je op een onbekende lijsttrekker terugvoeren, een vaag programma of op de lagere zichtbaarheid van een kleinere partij. Al zal het waar zijn, ik geloof niet dat dit de kern raakt. Zelf denk ik dat het toch echt te maken heeft met een te recent verleden. Een verleden waarin we onszelf verscheurd hebben over de samenwerking met een partij waarmee niet samengewerkt kon of mocht worden.

In de tijd tussen het mislukken van de samenwerking en de verkiezingen op 12 september is door vele CDA’ers en op vele manieren afstand genomen van de coalitie en vooral de PVV. Hoe oprecht ook bedoeld, naar ik vermoed heeft dat weinig indruk gemaakt op de kiezer en al zeker niet op de media. Er kleeft waarschijnlijk teveel het gevoel aan dat je krijgt nadat een relatie is mislukt en over en weer verwijten worden gemaakt. Zal het echt niet komen tot een ‘kiss and make up’? En: zijn ‘ze’ niet te verliefd op de macht?
Om die reden is bij mij de vraag opgekomen of het niet verstandig zou zijn om nog één keer na de verkiezingsuitslag in wat meer bezonkenheid een uitspraak te doen over dat verleden. En, om echt overtuigend te zijn, zou het toch niet gepaard moeten gaan met een vorm van erkenning dat we een verkeerd besluit hebben genomen?

Zelf hoor ik tot de velen die ‘ja’ hebben gezegd tegen het akkoord. Dat was een zware keuze, tot op het laatste moment dubbend tussen twee kwaden. Ik heb het idee dat ik die keuze op een integere wijze heb gemaakt, met net wat meer aandacht voor wat ik dacht dat het land nodig had (een kabinet in crisistijd) als voor wat de partij nodig had (geen kabinetsdeelname als je in crisis ligt). Daarna heb ik fractie en kabinetsdelegatie aangemoedigd als ze zich bijvoorbeeld in de discussie over het Polenmeldpunt tegen de PVV teweer stelde (daar waar de VVD dat opzichtig naliet). Waarmee ik ook zeg: heel veel van wat onze mensen hebben gedaan is goed gedaan. Er is echt verantwoordelijkheid genomen. Dus als iemand mij vraagt of ik excuses moet aanbieden, is mijn eerste reactie: hoezo? Wie neemt wie hier de maat? Als journalisten en andere ‘opiniemakers’ oproepen tot een catharsis – wat dat ook is – en openlijke boetedoening, dan benader ik dat met het wantrouwen dat het verdient. Trouwens, wentelen in dit soort zelfmedelijden wordt ook door het grotere publiek niet gewaardeerd.

En toch … heb ik oprecht spijt van de keuze voor de gedoogcoalitie. Het heeft ons een weg opgebracht die we niet hadden moeten gaan. En de volgende keer dat ik weer op straat sta om het CDA neer te zetten wil ik niets inslikken. Dan wil ik zeggen: ‘ik en mijn partij gaan nooit meer die weg op. We hebben onszelf in de spiegel gekeken en wat we zagen was niet goed. Als er één partij is waar u op kunt vertrouwen dat het die fout niet meer zal maken is het mijn CDA.’

Willen jullie ons, alles afwegende, die spiegel voorhouden en een punt of een uitroepteken zetten?

Met vriendelijke groet,

 

Peter Noordhoek


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek