Maandelijks archief: februari 2012

PvdA: de cultuur wordt duur betaald

Al heel lang wil ik een blog over de PvdA schrijven. Omdat ik niet altijd over politiek wil schrijven en het CDA tot nu toe meer dan genoeg stof opleverde, is het er tot nu toe niet van gekomen. Maar ja, als er ergens een campagne speelt, dan gaat het bloed toch sneller stromen.

Ik corrigeer mezelf. Is dat de hele reden om geen blog over de PvdA te schrijven? Nee. het heeft ook te maken met de slechte positie van zowel CDA als PvdA. De dingen die ik over de PvdA zeg, slaan al snel terug op de eigen partij. Pogingen om ‘de andere middenpartij’ te duiden wordt al snel gezien als een ‘jij-bak’ of als de slapstick van een lamme die met een blinde probeert te worstelen. Tsja, jammer. Het enige wat ik er tegenover kan zetten is een frustratie geboren uit betrokkenheid. Ik ben opgegroeid in de traditie van lokale bestuurders van CDA en PvdA-huize die elkaar altijd goed wisten te vinden en samen het oog op de bal wisten te houden. Gelukkig woon ik in een stad waar dat nog steeds het geval is. Al die mooie theorieën waarom de twee partijen niet met elkaar samen zouden kunnen regeren, heb ik aangehoord, maar ik vind ze niet overtuigend. Het zijn toch vooral verklaringen achteraf. Wat niet weg neemt dat ik goed ziek ben geworden van de vechtcultuur die de fractieleden van deze partij zich intern en extern altijd menen te moeten veroorloven. Mind you; elke partijcultuur heeft disfunctionele trekken. Die van het CDA is echter eerder het niet benoemen van tegenstellingen, zodat ze eindeloos kunnen dooretteren, dan steeds vanuit het eigen gelijk het gevecht aan gaan. Hoe dan ook, de laatste jaren heb ik niet anders gezien dan dat de strijd tussen CDA en PvdA het slechtste in beide bovenbracht. Kappen, ben ik geneigd te schreeuwen. Zie je niet hoe stom het is? Jullie vechtcultuur wordt duur betaald. Door niemand meer dan door jullie zelf.

Iedereen schrijft de PvdA af. Alle middenpartijen zijn passé, zeggen ze. Dat zou zo maar kunnen, zegt ook deze schrijver. Maar de geschiedenis laat vooralsnog het tegendeel zien. Het is nog altijd veel gemakkelijker voor een oude partij om terug te komen, dan voor een nieuwe partij om te blijven. Daarom is het relevant om de PvdA te volgen. Ik ben zeer gelukkig met de route die het CDA tot nu toe volgt: eerst de inhoud op orde, dan de poppetjes. Met het eerste zijn we voortvarend bezig, het tweede kristalliseerd zich al uit. Tegelijk snap ik dat het bij de PvdA andersom werkt. In slechte tijden valt het CDA uiteen in vleugels en die kunnen niet via de aanvoerders ervan overbrugt worden. Woorden moeten dat doen, bij voorkeur geschreven door een anonieme secretaris achter een PC. In slechte tijden valt de PvdA uiteen in bezweringsformules en is het wachten op de persoon die ze manifest belichaamd of er iets nieuws van maakt. Het is dan ook in die zin dat ik naar de voorzitterstrijd binnen de PvdA kijk – en in het bijzonder uitkijk naar degene die in staat is die vechtcultuur bij te buigen. Ik loop ze langs:

Martijn van Dam

Eén van de kandidaten die al jong in de Kamer terecht zijn gekomen en zich daar wel erg thuisvoelen. Inhoudelijk was het eerst wat onhelder voor mij waar hij staat. Voor jong zijn, zeker, maar met zijn verklaring kon ik alle kanten op. Het begint duidelijker te worden nu hij de voorstellen doet om de arbeidsmarkt te flexibiliseren – tegen de huidige partijlijn in. Hij mist daarbij niet de kans om de ZZP’er mee te nemen. Op die lijn doorgaand kan hij een vernieuwende lijn inzetten voor de PvdArbeid. Good for him. Hij klinkt daarbij wel als een Kamerlid dat een inhaalslag maakt ten opzichte van het initiatiefvoorstel van CDA en GL en nog niet als de fractievoorzitter die werkt aan een fractieoverstijgend verhaal. Mogelijk gaat dat nog komen. Tot nu toe het schoolvoorbeeld van een snelle trage start. Hij maakt zich er prominent mee – en niets meer dan dat. Mocht hij toch de nieuwe voorzitter worden dan heeft hij richting de rechtse partijen een probleem: hij was een van de architecten van de val van Balkenende IV. Gunfactor: 0. Het komt mij voor dat hij eerder een van de exponenten van de vechtcultuur is geworden dan degene die er een einde aan zal maken.

Nebahat Albayrak

Zij heeft een paar zaken duidelijk mee: vrouw zijn, veilig zijn, oud-bewindspersoon zijn. De PvdA worstelt net als het CDA steeds met de vraag of vrouwen zich binnen de partij nu als zodanig apart moeten organiseren of niet. Maar ook al horen we dan minder van de ‘rooie vrouwen’ dan vroeger, er zal waarschijnlijk geen partij te vinden zijn waar het emancipatoire gedachtegoed sterker leeft dan juist binnen de PvdA. Bij twijfel, of bij het beeld van twee gelijkwaardige kandidaten, zal dat de doorslag geven. En dan heeft ze veel mee. Zoals een hier niet te noemen ex-campagneleider het zegt: geen fouten maken is de helft van de wedstrijd. En Nebahat is een kandidaat die zelden betrapt kan worden op fouten. Intern lijkt ze ook relatief weinig vijanden te hebben. Naar buiten toe is ze degenen die de hondsmoeilijke portefeuille van immigratie en integratie bijna geruisloos heeft beheerd en sloot ze daarbij een bijzondere vriendschap met Hirsch Ballin; teken dat ze over partijgrenzen heen kan werken. Maar terwijl ik dit alles bewonderend opschrijf, denk ik: wat kleurloos, wat veilig. Is dat het profiel van een leider? Je moet ook warm van iemand kunnen worden, enthousiast. In termen van de test die ik hierboven beschreef, denk ik dat ze toch te kleurloos is. De leden willen volgens mij een grotere sprong naar voren maken dan zij kan bieden. Daarbij komt dat je van de nummer 2 achter Cohen had mogen verwachten dat ze effectiever zou zijn geweest in het bezweren van de interne onrust. Dat is ze bepaald niet gelukt. (Naschrift: ze is behoorlijk onheus aangepakt door Jeroen Pauw bij PenW. Maar dat kon ook gebeuren doordat ze het beeld opriep alsof de emancipatie binnen in ieder geval de PvdA al is voltooid: ‘ik ben blij dat ik een vrouw ben, maar dat is niet bijzonder’. Ik vrees, zeg ik als man, dat geen emancipatie ooit voltooid is. Voor haar positie als iemand van allochtone afkomst geldt dat zeker).

Lutz Jacobi

De kandidaat uit de regio. Friesland meldt zich. En als ik de informatie goed heb begrepen lijkt me dat vooral nadelig voor Albayrak. Een gespleten vrouwenstem is niet gunstig voor haar. Dit is het soort kandidatuur dat je krijgt als in een grotere fractie de backbenchers niet voldoende gelegenheid krijgen om zich te profileren. Zeker als ze er wel zorgen voor een grote stroom bezoekers richting Den Haag. Zo iemand voelt zich al snel populair. Met het oog op een volgende kandidaatstelling wordt dan gedacht; ‘wat heb ik te verliezen?’ Nou, die kandidaatstelling bijvoorbeeld. Partijen zijn doorgaans niet mild voor spelbrekers.

Ronald Plasterk

De man die ik het beste niet ken. Ongetwijfeld hoog intelligent, niet bang voor een uitdaging. Eindeloos nieuwsgierig, altijd zoekend naar oplossingen. Degene die vanuit bestuurlijke motieven nog wel de vrede wil bewaren binnen de fractie. En tegelijk vraag ik me sterk af of hij zwaarte heeft die past bij de rol die hij zou moeten vervullen als fractievoorzitter van de PvdA, hoe tijdelijk ook. Ronald Plasterk, wie ben je echt? Wilders zal ongetwijfeld grijnzen bij de gedachte dat ‘plastic Plasterk’ Cohen gaat vervangen: de ene Kop van Jut kan zo worden ingeruild voor de andere.

Diederik Samsom

Mijn favoriet, ik zal het niet verhullen. Exponent van de vechtcultuur, toch? Ja, dat kan je wel zeggen – en niet alleen die van de PvdA. Maar ook een man die daar heel straight in is en die bovendien tekenen geeft dat hij in staat is daar overheen te groeien. Vanwege de rare ritselrol die hij vaak in campagnes speelde, heb ik nooit zo’n hoge pet van hem opgehad – ondanks hoge waardering van bijvoorbeeld de kant van Liesbeth Spies. Ook bij mij kwam de kentering bij het volgens van zijn tweets, eerst over Fukuyama, daarna over de Eurocrisis. In beide gevallen liet hij niet alleen zien over enorme dossierkennis te beschouwen; hij liet ook zien er heel verantwoordelijk mee om te gaan. En dat iemand een eigen mening heeft – good for him. Hetzelfde geldt ook voor zijn ‘maatschappelijke stages’. Als dat stunts zijn, dan zijn het verdraaid goede stunts. Hij is daarbij tot nu toe ook de enige die met een coherente visie op de toekomst van zijn partij komt en daarin verder durft te gaan dan ‘SP-light’ of een onmogelijke voorkeur voor een progressieve coalitie. Dat die visie opmerkelijk dicht bij het gemeenschaps- en duurzaamheidsdenken van het CDA uitkomt is mooi meegenomen, maar voor mij is het vooral een teken dat hij de tekenen van de tijd verstaat en daarin voorop durft te gaan.

We zullen het zien

Dus, anders dan bij de voorzittersverkiezing bij het CDA, vind ik dit niet zo’n ingewikkelde keuze. De enige die het beter zou kunnen – Frans Timmermans – heeft zichzelf uit de wedstrijd gespeeld. Maar ik mag niet meestemmen en ik begrijp dat de spelregels nogal bijzonder zijn. We zullen het zien. Noch CDA, noch PvdA moeten zich op dit moment eigenlijk met coalitievragen bezig willen houden. Er is eerst intern een klus te klaren. Daarbij is het een feit dat de VVD een veel betere partner is gebleken dan de PvdA. Ze weten gewoon beter hoe je met andere mensen om moet gaan. Maar vooralsnog weiger ik te geloven dat de verhoudingen blijven zoals ze zijn, zelfs niet als het om menselijke verhoudingen gaat. Daarom vind ik dat Nederland een betere PvdA verdient.

 

Peter Noordhoek

 

De lening

Deze week een ‘blog in absentie’. Samen met Loes, mijn vrouw, heb ik wat ‘schrijfdagen’ genomen voor het lange baanwerk. Zij zit in de 2e redactieronde van haar boek over het coachen van cliëntenraden van mensen met een beperking en ik probeer iets wetenschappelijks te doen. Dat wordt ingewikkeld, dus even geen ander schrijfwerk er doorheen. Maar het voelt niet goed geen blog te plaatsen. Dus ..

Twee weken geleden plaatste ik een blog over afscheid van het werk, met daarin een vertaald gedicht van James Autry. Lezend in mijn bundel organisatiepoëzie kwam ik nog iets anders tegen dat ik graag zou willen delen. Het gaat over een lening, of beter gezegd: het weigeren ervan. Ik plaats het omdat het naar ik vrees erg actueel is. Zelf heb ik tot nu toe geen lening nodig en de verhalen over afgewezen leningen doen me wel wat, maar het is ook slechts een van de vele negatieve dingen waar je nu over hoort en ongemerkt probeer je je toch wat af te schermen voor al dat slechte nieuws. Ten onrechte. Het niet meer kunnen krijgen van krediet door jouw buurman en buurvrouw is een verdriet dat doorwerkt naar ons allemaal. We mogen niet in de valkuil trappen dat het misbruik van enkelen de valkuil voor allen wordt. Kosten gaan voor de baat uit, betalingen worden pas gedaan nadat er geleverd is, een nieuw idee heeft ruimte nodig: allemaal goede redenen voor krediet.

In mijn soort business is gelukkig weinig voorfinanciering nodig. Dat is maar goed ook, want bij mijn eerste grote uitbreiding heb ik bij een genommeerde bank drie keer een lening aangevraagd en drie keer werd ik geweigerd, terwijl ik denk dat ik als startend ondernemer denk ik best wel een aardige prospect was (en bleek te zijn) en het toen nog een tijd van groei was. Aan de contacten met de lokale bank lag het niet. Dat ging prima. Het ging elke keer mis bij het opsturen van het voorstel naar het hoofdkantoor. Daar werden de checklijstjes erbij gelegd en kwam er elke keer een korte weigering. Als ik bedenk welke onzin er achteraf in diezelfde tijd door alle banken, ook deze, is uitgehaald en deze aankomende ondernemer geen standaardkrediet kon krijgen, kan ik daar achteraf .. – I will not go there (now).

Het is toen allemaal goed gekomen, maar het afwijzen is een ervaring die ik nooit ben vergeten. Het hakt er in. Hier is het gedicht, geschreven door een bankier, Carolyn Hull. Het is geen super mooi gedicht, maar de passie spat er van af en zo wil ik het even. Het gaat om het gevoel, van twee kanten. Ook als een lening terecht wordt afgewezen, dan nog: weet wat je doet. En ik zeg er dit bij: dit gedicht is niet in de eerste plaats voor de bankmedewerker en zeker niet voor degene die tegenover haar zit. Dit gedicht is zelfs niet zozeer voor de kleine banken zelf, ik vermoed dat ze eerder teveel in de kramp zitten dan te weinig. Dit gedicht is voor de lijstjesmakers, de checklisttoetsers. Degenen die niet zelf daadwerkelijk de beslissing hoeven te nemen en dus niets hoeven te voelen.

 

Het licht in het kantoor is net sterk genoeg

om vragen te stellen

en het pad door de cijfers te belichten

dat bij de aanvraag voor de lening hoort

 

Ik heb hier al bijna een uur gezeten

met mijn pen ploegend, gravend

in zachte stapels spreadsheets

vol gele memoblaadjes

 

Het is als het volgen van een spoor broodkruimels

in een donker woud waar de bomen stompjes zijn

van negens en zevens: het gebrandschilderde licht

schijnt door de bladeren in nullen en achten

 

Langzaam heb ik een leven ontdekt: huurbetalingen,

autoaflossingen, korte kredieten, verzekering, belasting

teruggaven. Verspreide waarheden die stotteren

als ik vraag, Hoe ga je dit terugbetalen?

Is de waarheid een wanhopige reiziger die nergens kan blijven?

Van dit dossier, is het de waarheid die als mes

later om bloed zal vragen?

 

Ik voel hoe de man bij mijn vragen verlangt

naar dat mes. Het is een eenvoudige eer

vergeleken met mijn vragen over samengestelde

rente, een teleurstellende kosten-baten ratio en

een cashflow die te laag zal zijn. Hij kijkt mij

aan alsof ik een vreemde taal spreek.

 

Betekent dit dat ik de lening niet krijg? Zo vraagt hij

Ik ben bang dat dat zo is, zo zeg ik.

Ik kijk hem recht in de ogen,

Beschermd door de macht van mijn positie,

de mythologie van het bankbedrijf.

 

Hij loopt leeg als dat mes een opening maakt

en al de lucht ontsnapt. Verkruimelt valt hij in zijn kleren

Wat moet ik nu doen? Is zijn laatste vraag

Deze waarheid en de mijne zijn verre vreemden

Ik wil hem er niet meer over horen.

 

Ik wil dat het een schone wond zal zijn die zal

genezen zonder litteken. Ik zie niet hoe hij vertrekt

Ik ga terug naar mijn werk

 

De cijfers vertellen niet over het koud geworden eten,

het bewaarde restje omdat hij laat zou zijn,

Ze laten niet de pijn van trots tot vernedering

zien als hij Nee schudt wanneer ze hem naar het geld gaat vragen

Die cijfers hebben sterke ruggen en stille schouders

Ze schijnen als lasers

 

En hun licht is net fel genoeg

om er het mes bij te zien

zoals dat op de vloer is gevallen

het heft in de vorm van een zes.

Carolyn Hull – Declining the loan.


 

It’s half time in Holland

Volgens statistieken is de angst voor recessie nergens zo groot als in Nederland. Is dat terecht? Nee, natuurlijk niet, maar het is wel zo. Nergens is het vertrouwen in andere mensen lager, het vertrouwen in de eigen politici lager en de scepsis over Europa groter¹. Wat een angst. Daar wil ik het toch eens over hebben.

In zijn eerste inaugurele rede sprak F.D. Roosevelt – FDR – acht woorden uit die nooit zijn vergeten: ‘We have nothing to fear but fear itself’. Zelf moet ik vaak aan deze woorden denken in het contact met oudere mensen, als ze zich opsluiten in hun huizen en niets meer durven ondernemen om eigenlijk geen andere reden dan angst alleen. Maar FDR zei het natuurlijk in de context van de enorme crisis die de VS en de wereld toen in zijn greep had. En hoewel ik de speech vroeger wel in z’n geheel gelezen heb, was ik toch vergeten wat hij in de regels daarna heeft gezegd over zijn vijanden in Wall Street:

‘Faced by failure of credit, they have proposed only the lending of more money. Stripped of the lure of profit by which to induce our people to follow their false leadership, they have restored to exhortations, pleading tearfully for restored confidence. They know only the rules of a generation of self-seekers. They have no vision, and when there is no vision the people perish’.

Bijna 80 jaar later hoeft aan die woorden bijna geen letter veranderd te worden. FDR volgde zijn eigen woorden op met een beleid gericht op zowel strakkere regels als op een nieuwe balans in het financiële systeem van het land. Uiteindelijk is het zijn Keynesiaanse bestedingsimpuls (waarbij hij en Keynes elkaar overigens helemaal niet mochten) en de daarna volgende oorlogsbestedingen die het land echt uit de problemen haalden. Maar het begon dus met krachtige woorden, woorden ook die een stevig vervolg kregen. Toen Roosevelt in 1945 overleed, was de reactie enorm. Dat was niet zozeer vanwege zijn beleidsdaden, maar omdat hij met uitspraken als die over de angst voor de angst een soort vaderfiguur werd die heel veel angst wist weg te nemen. Achter hem kon je je verschuilen.

Retoriek en de daden

Retoriek is een krachtig wapen – zolang er wat achter aan komt. Geslaagde retoriek bestaat toch bij de gratie van daden na woorden. Terwijl de republikeinse presidentskandidaten alles doen wat in hun vermogen ligt om zich te diskwalificeren, kan Obama zich om die reden toch niet zeker weten van de overwinning. In het scherpe boek van Ron Suskind over ‘Confidence men. Wall Street, Washington and the Education of a President’ (2011) laat hij zien hoe prachtige woorden keer op keer niet werden gevolgd door doortastend beleid. Het valt erg te hopen dat hij genoeg van zijn eigen fouten heeft geleerd om in een tweede termijn het anders te doen. Maar de beste woorden daarover zijn tot nu toe niet gekomen van hemzelf of zijn politieke vijanden. Die woorden zijn wat mij betreft uitgesproken door Clint Eastwood, in het kader nota bene van een advertentie voor het autobedrijf Chrysler: ‘It is halftime in America’.

 Halftime in America

httpvh://www.youtube.com/watch?v=_PE5V4Uzobc

Wat een retoriek: ‘Our second half is about to begin.’ Vet Amerikaans. De wijze waarop Clint over ‘roaring engines’ spreekt is eigenlijk totaal ‘over the top’. En toch doet het me wat. Er is heel veel kritiek gekomen op deze reclame. Die kritiek kwam zowel van rechts als van links. Karl Rove, de spindokter achter Bush en de republikeinen, interpreteerde de boodschap duidelijk niet als positief voor zijn partij. Aan de linkerzijde was er kritiek om zo algemene boodschap te doen in de context van een reclame voor de auto-industrie. Zeker die laatste kritiek begrijp ik, maar ik ben het er niet mee eens. Het is binnen Amerikaanse termen smaakvol gedaan en het gaat hier gelukkig over de bijdrage van een maakindustrie en niet over een andere tak van sport. Dat is de juiste richting voor elke aan dienstverlening verslaafde samenleving. Ik denk dat het verlangen naar verlangen naar duiding en stevige woorden in de pauze van een wedstrijd in ons allemaal zit, zeker als je op achterstand staat. Het echte verwijt moet niet richting Chrysler worden gericht, maar naar degenen in politiek en media die verzuimd hebben om dat op deze wijze te doen.

10 kilometer hoogte

En vandaar uit maak ik een grote sprong naar Nederland. Misschien een te grote sprong, maar ik kan het niet laten. Wij beginnen ook aan een tweede helft. De eerste helft was een spel van 18 miljard, gespeeld in de schaduw van een nog groter spel in de Europese arena. We gaan nu een volgende ronde in en spelen voor zo’n 10 miljard – en zoals Clint het zegt: ‘this isn’t a game’. Hoe gaat zich dit ontrollen?

Zoals iemand, ik weet niet meer wie, het ooit zei: het is niet moeilijk om het met elkaar eens te zijn op 10 kilometer hoogte. Als je met z’n allen op die hoogte vliegt is de kans dat je allemaal hetzelfde brede uitzicht deelt vrij hoog. Bijna letterlijk deel je dan elkaars visie. Naarmate je lager gaat vliegen is de kans dat mensen die visie delen al snel kleiner. Ga je landen, dan is de kans groot dat je in je eentje op de landingsbaan staat. Van een afstand gezien is er een brede overeenstemming dat er in deze tweede helft nu echt hervormd moet gaan worden. Er hoort meer gedachte achter te zitten dan in de eerste ronde. Eigenlijk heeft alleen Wilders consequent geweigerd om in dat vliegtuig mee op te stijgen, inschattend dat Henk en Ingrid vliegangst hebben. Tot nu toe is het bovenal Maxime Verhagen geweest die de geesten rijp aan het maken is voor deze hervormingsagenda. Hij doet dat al een tijdje. In heel knap gedoseerde woorden maakt hij de geesten rijp voor hervormingen in bijvoorbeeld de woningmarkt en de zorg. Als je zijn woorden sec zou nemen, hoort eigenlijk iedereen te zeggen: wat knap, dit is leiderschap. Het is echter Maxime Verhagen die deze woorden uit. Alles wat hij zegt wordt geplaats in het tactische frame van coalitie-onderhandelingen. Zelfs als dat inderdaad de context is, dan nog moet je zeggen: hij doet het toch maar wel. Wilders bevestigt dit in zijn boevenrol door letterlijk te twitteren dat Verhagen ‘een toontje lager moet zingen’. Verhagen vliegt op 10 kilometer hoogte, Wilders wil hem uit de lucht schieten. Hij kan het nog ook.

Rol Rutte

En Rutte? Hij pruttelt wat dat de collega’s voor hun beurt spreken. Zou hij beseffen dat hij degene is die het vliegtuig vol Nederlanders van 10 kilometer hoogte naar de grond moet leiden?

Op 10 kilometer hoogte ben ik het er helemaal mee eens dat de hypotheekrenteaftrek moet worden ingedamd, op 5 kilometer hoogte wil ik vervroegd gaan aflossen, maar realiseer me dat ik mijn cash ook nog nodig kan hebben. Hoe sta ik er in als ik op de grond ben en net mijn maandelijkse betaling heb gedaan. Sta ik dan nog naast dit kabinet?

Op 10 kilometer hoogte snap ik dat de kosten van de zorg uit de hand lopen en dat er iets moet gebeuren? Op 5 kilometer hoogte ga ik mijn polis nog eens bekijken. Op de grond ga ik proberen of ik niet in een privékliniek terecht kan en dat de anderen maar hun eigen problemen moeten oplossen.

Op de grond zou ik Rutte op de televisie willen horen beschrijven wat hij zag toen hij op 10 kilometer hoogte vloog en waarom die visie ook op de grond hetzelfde verhaal blijft. Ik zou willen horen waarom die hervormingsagenda niet alleen moet, maar ook perspectief biedt. Ik zou me iets minder zorg willen maken, niet zo somber willen zijn over mijn eigen toekomst. Want de grootste vrees is die voor vrees zelf omdat we in moeilijke tijden altijd denken dat onze sombere verwachtingen waar worden – en dat worden ze dan ook. Het is heel moeilijk om uit die cirkel te breken. Daarom is er altijd behoefte aan mensen – boven je, naast je – die wat ware woorden kunnen spreken en jouw verwachtingen weten te verruilen voor betere. It’s half time in Holland too.

Peter Noordhoek

www.northedge.nl

¹ Bron: Ulrich Reinhardt (Ed.) – United Dreams of Europe. Ch. Goetz Verlag, berlin, 2011.

De humuslaag van zelfregulering

De laatste crisis is voortgekomen uit een gebrek aan regulering, de volgende komt voort uit ons onvermogen om te ontregelen.

Het gebrek aan regulering dat de financiële en eurocrisis heeft veroorzaakt, is vooral een gebrek aan scherpte in de bestaande regelgeving. Een kwestie van te lage en te vage normen, die ook nog eens niet goed werden gehandhaafd. Als een razende zijn we nu bezig die fout te herstellen. Op alle niveaus, waaronder zeker ook het Europese, komen er nieuwe en scherpere regels bij. Wie daar tegenin wil schrijven, doet dat dus erg tegen de tijdgeest in. Het probleem schuilt echter niet in de aanscherping, maar in de stapeling.

Neem het meest recente voorbeeld, Vestia. Je kan zeggen dat er scherpere regels voor de derivatenhandel in de coöperatiesector zouden moeten zijn. Je kan zeker zeggen dat er beter toezicht op deze corporatie had moeten zijn. Maar niemand kan zeggen dat er niet al veel regels en toezichthouders zijn. Wat dat laatste betreft: naast de toezichthouders die er op de financiën van coöperaties zijn, plus de accountant, zijn er vanuit de branche nog minstens twee serieus te nemen auditsystemen in de sector en dan vergeten we nog de tientallen op maat gemaakte interne initiatieven. En dan zou er als reactie op dit incident nieuwe regels en nog een toezichthouder bij moeten komen? Dan toch alleen als er eerst wat regels en hun toezichthouders verdwijnen? Wat er dan nog is moet scherpere tanden tonen. Diginotar had te maken met 8 toezichthouders. Allen bleven binnen het mandaat van hun regels, allen faalden.

In ons land hebben we te maken met ruwweg 1,5 miljoen wetten, regelingen en beleidsregels van overheden. Daarin verdwaalt iedereen; niet alleen de burgers en bedrijven, maar ook de overheid zelf. Er is geen ‘eigenaarschap’ meer. Het belang ontbreekt te zeer om regels te kennen of te volgen. En wie zich realiseert hoe snel computers de beslissingen nu al voor ons kunnen nemen, in de vorm van algoritmes en andere regels, zou kunnen denken dat we dat eigenaarschap al uit handen hebben gegeven. Nee, voor echte verandering is een vorm van ontregelen nodig. Het niet meer willen regelen, het zelf doen – op basis van eigen waarden en normen, op basis van gedeeld belang.

Dan is het toch prachtig dat kabinet en politiek steeds meer op zelfregulering inzetten? Laat de sectoren het zoveel mogelijk zelf doen! Die zouden beter dan de overheid moeten weten welke normen van toepassing zijn. En ja, dat zou normaal gesproken ook kloppen. Zelfregulering is superieur aan regulering, zeker als je meent, zoals deze schrijver, dat sturing van onderop beter werkt. Het eigenaarschap moet zo laag mogelijk worden gelegd. Helaas, het principe klopt, de praktijk stinkt. Er stijgt een rottingslucht op uit laag op laag van interne normen, overgenomen overheidsregels, aanvullende certificeringseisen, softwareregels en dichtgeregelde professionaliseringseisen. Er komt steeds meer bij, er gaat zelden iets af. Het wordt een humuslaag van zelfregulering.

Wat ik uit het beleidsveld hoor, is dat overheidsregelgeving die in het kader van administratieve lastenverlichting wordt afgeschaft, 1:1 alsnog wordt overgenomen door het veld en nog van een branche-eigen kop wordt voorzien: netto een groei van de regulering.

Wat ik uit het toezichtveld hoor, is een wildgroei aan certificeringsschema’s die niet genoeg doorwerken om door inspecteurs serieus te worden genomen.

Wat ik uit bedrijven zelf hoor, is een situatie waarin ze branche-eisen nauwelijks nog onderscheiden van overheidseisen.

Wat ik van kwaliteitsfunctionarissen hoor, is dat ze vaak alleen nog met grote druk een nieuw systeem in moet voeren. Hoezeer het bedrijf er ook om lijkt te schreeuwen, de weerstand tegen iets dat boven op de bestaande eisen en regelingen komt is welhaast fysiek.

Ontregelen dus, en snel. Misschien moeten we leren wat de overheid al heeft moeten leren: goede regels maken is een vak, een moeilijk vak. Al snel woekeren goede bedoelingen onder. Maar er is een probleem. Het principe van zelfregulering mag niet ter discussie worden gesteld. De overheid – het ministerie van ELI voorop – zet er zwaar in om zowel haar doelstelling voor administratieve lastenverlichting als die van taakafstoting te realiseren. Het georganiseerde bedrijfsleven – VNO-NCW voorop – wil voorkomen dat ‘het laatste restje’ autonome ruimte wordt weggenomen en weten ook dat het nu niet populair is voor minder regelgeving te pleiten. Overheid en ondernemersorganisaties benoemen het probleem daarom niet krachtig genoeg. Totdat alles zo ver verstikt in de humuslaag van zelfregulering dat er geen ondernemersinitiatief meer wil groeien, ook al mag het overheidsbeleid geslaagd heten. Dan heb je de volgende crisis te pakken en kan je geen kant meer op. Wakker worden allemaal, dit kan en moet anders. Minder, maar wel scherper.

Peter Noordhoek

www.northedge.nl

NB1 De termen ontregelen en dereguleren verdienen een nieuwe positionering. Vaak wordt de term deregulering gebruikt als het om grootschalige vermindering van regelgeving te komen. 28 jaar studie van het fenomeen leert me dat het technisch niet mogelijk is om tot een wezenlijke vermindering van regelgeving te komen. Allerlei wetmatigheden in het gedrag van overheid en samenleving maken dat deregulering al te snel tot herregulering gaat leiden. Zonder de gedragskant – abstinentie, terughoudendheid, cold turkey gaan – lukt het niet. Deregulering is nu voor mij niets anders dan het technisch terugkappen van beplanting om ruimte te maken voor een niuewe plant. Ontregelen is het weigeren om nieuwe beplanting aan te leggen (en soms zelfs bestaande te negeren).


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek