Maandelijks archief: november 2011

Belangenbehartiging is geen core-business van brancheverenigingen

Het is makkelijker om te gaan met de vijand die je al kent, dan met de vrienden die je nog moet maken

Het VM-jaarcongres 2011 begon met een inleiding van de voorzitter van MKB-Nederland Biesheuvel. Hij toonde zich zwaar onder de indruk van zijn meest recente bezoek aan het Torentje en toonde zich een enthousiast voorstander van goed werkende brancheverenigingen, maar één opmerking bleef als een graat in mijn oor steken: “belangenbehartiging is de corebusiness van brancheverenigingen”. Aangekondigd door de dagvoorzitter als een ‘dwarsdenker’ (wie, ik?), bedacht ik die roep maar eens waar te maken door ergens in mijn speech te zeggen dat ik het hier niet mee eens was: “belangenbehartiging is niet de core-business van brancheverenigingen”. Ik was die opmerking na afloop van de speech eigenlijk al weer vergeten, maar gelukkig herinnerde iemand in de zaal mij er aan. Dat gaf me de gelegenheid om te zeggen dat ik er betwijfelde of al die belangenbehartiging wel echt zoveel meerwaarde oplevert. Toon me dat maar eens aan. Ik gebruikte het beeld dat vroeger de voorkant van de mooie branchegebouwen naar de leden gekeerd stond en dat die voorkant nu als het ware gedraaid is richting Den Haag en Brussel. Branches moeten oppassen dat de leden er niet aan de achterdeur uitgaan. Een lekker vet aangezet beeld dus.

Niet in dank

Het is me zeker door een deel van het publiek niet in dank afgenomen. Het voorzittersforum zoals dat na mij kwam, keerde zich in ieder geval stevig tegen mij. Gelegenheid om daar weer op te reageren kwam er niet. Misschien maar goed ook. Ik was vast gaan nuanceren en dat is nooit goed voor de sfeer. Even zo goed nam ik mij voor een toelichting te schrijven. In mijn nieuwe boek wordt deze discussie namelijk niet direct gevoerd. Dat boek is gericht op de manier waarop de branches hun kwaliteit kunnen versterken en die materie is complex genoeg. Belangenbehartiging is daarbij gewoon een van de hoofdfuncties van een branche. Alleen de goede lezers van vooral het slothoofdstuk kunnen weten hoe kritisch ik tegenover een eenzijdig accent op belangenbehartiging sta. Die kritische kijk komt voort uit zowel theoretische en praktische inzichten en die wil ik graag in de ruimte die een blog me biedt eens uit de doeken doen. Niet mee eens? Vooral reageren.

Nuanceringen

Vooraf maak ik slechts twee nuanceringen. Eén van de forumleden, Leo de Boer, had namelijk groot gelijk toen hij zei dat belangenbehartiging veel meer omvat dan de lobby richting Den Haag en Brussel. Dat zet ik graag recht; het omvat veel meer. Het punt blijft echter dat in de beleving, zowel buiten als binnen een branche, de lobby beeldbepalend is. De andere nuancering is dat belangenbehartiging logischerwijs wel centraal staat voor een branche die er speciaal voor is opgericht – denk aan veel patiëntenverenigingen. In ieder geval zal de belangenbehartiging een andere plaats hebben dan bij een branche die echt als een vakvereniging is begonnen. Maar zelfs voor hen durf ik de stelling aan dat het beter is om belangenbehartiging niet helemaal tot core-business  te maken.

No brainer, of toch?

Het begint simpel. Er komt een nieuwe wet aan. In die wet is een nieuwe bepaling opgenomen die elk lid van de branche duizenden euro’s aan extra investeringen zal kosten als deze wordt aangenomen. De branche verzet zich, voert een stevige lobby en de maatregel wordt ingetrokken. Prima. Tel uit je winst. Eén zo’n effectieve lobby en het lid van de branche haalt het lidmaatschapsgeld er dubbel en dwars uit. Kijk je issue per issue, dan is een stevige belangenbehartiging voor een branche een ‘no brainer’. ‘Dat kan je toch niet over je kant laten gaan’, zeggen de leden tegen het branchebestuur als er dan weer wat uit Den Haag komt. Toch is dat misschien wel juist wat je af en toe moet doen. Want wat de eerste keer effectief is, is het daarna meestal niet meer.

Kijk je naar het totaal van alle issues waar een belang aan kan zitten, en kijk je ook over een wat langere termijn, dan is het beeld vooral mistig. Het gaat zelden of nooit om een enkel issue. Bijna altijd is er sprake van een heen en weer reageren op elkaar, waarbij het compromis nooit ver weg is. De overheid zal zelden totaal van een branche verliezen – of andersom. Compromissen moeten voortdurend worden gemaakt. Verfijning en versplintering van belangen zorgen dan voor een uitkomst waarin zich nog maar weinigen herkennen, ook de brancheleden niet. Betaal ik daar mijn lidmaatschapsgelden voor?

Botsende belangen zorgen voor versplinterde regels

Het was heerlijk om op datzelfde congres mijn boek te mogen presenteren, maar echt nieuw is het gevoel niet. Mijn eerste boek (eigenlijk een uitgave van mijn afstudeerscriptie) was al in 1984. Het heette ‘deregulering als nieuw begrip’. Ik kan me nog herinneren dat ik destijds bang was te laat met mijn studie te komen. Het kabinet Lubbers I klonk zo serieus als het om de dereguleringsplannen ging dat ik dacht dat het in no time gebeurd zo zijn. Lief hè? Ondanks de goede voornemens zijn er alleen maar regels bijgekomen, de laatste jaren zo rond de 1,5 miljoen aan overheidszijde, met naar verwachting nog meer (zelf)reguleringsregels aan de zijde van het bedrijfsleven zelf. Het zou best kunnen dat de overheid effectiever aan de reductie van administratieve lasten heeft gewerkt dan het bedrijfsleven zelf (al is dat een beetje een kip en ei discussie). Nu heeft vermindering van het aantal regels niet de belangrijkste doelstelling van de belangenbehartiging van een branche te zijn – laten we eerlijk zijn; niet zelden is dat het tegenovergestelde! – maar het roept twijfels over de effectiviteit van de belangenbehartiging op als het voornaamste resultaat ervan vooral een berg verfijningen van regels is. Daarbij komt dat de berg regels van de overheid inmiddels is aangevuld met een berg regels van de zijde van de bedrijven zelf. Ik heb nog een stelling: op dit moment kijkt de overheid, mede door de rol van echte dwarskijkers als ACTAL, kritischer naar de komst van nieuwe regels dan de gemiddelde branche dat doet. Ook op kwaliteitsgebied zijn er eerder teveel regels, vaak (te) anticiperend op overheidsregels, dan te weinig.

Botsende rationaliteiten

Het voorgaande is vooral gericht op de rol van regelgeving als bron van verfijning en bemoeienis. Er is bij mij een tweede, bredere bron van twijfel over de effectiviteit van belangenbehartiging. Dat vraagt om een wat theoretischer argument en heeft te maken met de botsing van verschillende rationaliteiten. Als ik het in termen van een bekend kwaliteitsmodel mag schetsen, dan gaat de redenering ongeveer zo voor een bedrijf (bron Hardjono, 1997, Noordhoek, 2011 e.a.). Een bedrijf start met wat activiteiten, groeit en gaat die activiteiten stroomlijnen via wat processen. Naarmate het verder groeit, wordt het bedrijf echt een systeem, met de leiding stevig aan het stuur. Vervolgens wordt het systeem van het bedrijf aangesloten op de systemen van andere bedrijven, zo ketens vormend. Tenslotte komen de verbindingen met het gehele maatschappelijk systeem tot stand en wordt maatschappelijk verantwoord ondernemen onderdeel van de bedrijfsvoering. Uiteraard is dit een extreem gestileerde weergave van de ontwikkeling van een bedrijf, maar het gaat wel uit van een bedrijf dat haar eigen lot kan bepalen en groeit richting een bepaalde mate van volwassenheid. Bij een branche telt dat als het ware op voor alle bedrijven gezamenlijk. Dan de overheid. Het start bij de samenleving, de maatschappij. Daarin worden problemen op de agenda gezet van maatschappelijke partijen, de politiek voorop. Die partijen maken op basis van die agenda’s afspraken en vormen als het ware ketens. Het geheel wordt neergelegd in het systeem van de wet. Op basis daarvan worden vervolgens maatregelen geformuleerd en komt het tot specifieke acties door de uitvoerder van die wet. Alles net andersom dus.

Deze twee rationaliteiten zijn best met elkaar te verzoenen, maar in de praktijk botsen ze voortdurend. Dat geldt overigens niet alleen voor bedrijven. Zo heb ik een honderdtal positiebepalingen en zelfevaluaties gedaan bij (semi)overheidsorganisaties en bijna allemaal vertonen ze hetzelfde patroon van ambities die op ketenniveau en hoger liggen en prestaties die nauwelijks voorbij het procesniveau rijken. Allen willen meer op eigen benen staan. Vroeg of laat stuiten ze echter tegen een soort muur tegen de tijd dat ze in de derde ‘systeem’ fase terecht komen. En dat is ook niet onlogisch. Mijn punt is dit: de twee rationaliteiten van bedrijf en overheid botsen en ze botsen structureel. Hoe meer ze met elkaar te maken krijgen, hoe meer ze botsen. Dus hoe meer belangenbehartiging, hoe meer wrijvingsmomenten. Hoe meer wrijvingsmomenten, hoe meer compromissen nodig zijn en daar gaan we weer.

Verslaafd

Door dat alles komt het idee boven om vooral niet teveel aan belangenbehartiging te doen. En dan er is nog een derde reden om daar terughoudend mee te zijn. Ik vat dat samen in de door mij bedachte uitspraak ‘het is makkelijker omgaan met de vijanden die je kent, dan met de vrienden die je nog moet maken’. In mijn eerste baan was ik directeur van een publieke organisatie die geprivatiseerd moest worden. De overheidsbijdrage ging van 100 naar 0%. Lang, te lang, was ik bezig met het onderhandelen met het ministerie over pensioenen e.d. Ik gaf dat veel meer aandacht dan het bezig zijn met klanten en vooral met het werven van nieuwe klanten. Nog net op tijd heb ik die slag alsnog gemaakt en onderkend dat ik als het ware verslaafd was aan mijn contacten met de politiek-bestuurlijke top. Dat is wel een les geweest – en ik gun anderen dat ze die wat sneller leren. Ik vermoed dus dat onder het label ‘noodzakelijke contacten’ er heel veel aan belangenbehartiging wordt gedaan dat meer over nabijheid dan over belangen gaat (en ja, it takes one to know one).

Om het er helemaal in te stampen, voeg ik er nog maar een metafoor aan toe.  De belangenbehartigers van brancheorganisaties lopen volgens mij het risico de status van beleggingsexperts te krijgen. Tot voor kort nam (bijna) iedereen aan dat het inschakelen van dergelijke experts een soort garantie was om de beurs te verslaan. Het was een zeer benijdenswaardige functie. Inmiddels zijn er steeds meer onderzoeken gekomen die aantonen dat dit de experts op de kortere termijn best kan lukken, maar dat ze op de langere termijn niet of nauwelijks boven de index uitkomen. Nu is het werk van branchebelangenbehartigers een stuk moeilijker te meten, maar de hierboven beschreven mechanismen zouden voor hen wel eens dezelfde kunnen zijn. Weten de belangenbehartigers ook op de langere termijn iets te bewegen wat anders en beter zou zijn dan als ze gewoon de trend zouden volgen?

Kerntaak, geen core-business

Opnieuw; belangenbehartiging behoort tot de hoofdtaken van een branche en haar vereniging. Je kunt niet zonder, al zou je het willen. En het is ook zeer waar dat veel leden van branches totaal geen benul hebben van de buitenwereld en waar hun belangen echt liggen. Maar over hen gaat het nu niet. Waar ik bezwaar tegen maak is de verheffing van belangenbehartiging tot core-business. Als je dat doet ontneem je jezelf als branche elke prikkel om te minderen met belangenbehartiging, ook als niets doen wel eens de beste vorm van belangenbehartiging zou kunnen zijn. Waar ik vooral voor pleit is een herwaardering van die andere hoofdtaak: je bemoeien met de kwaliteit van de leden en wat die leden leveren. In deze tijden lijkt het alsof niemand z’n fraaie voorgevel nog overeind kan houden. Iedereen wil kijken wat er nu echt achter steekt. En dat is niet slecht. Als Nederlandse branches hoeven we geen paniekgevoelens te hebben over de kwaliteit die onze leden leveren. Dat laten zien en ook laten zien hoe we die beter kunnen maken, is wel core-business en dient ook nog eens ieders belang.

Peter Noordhoek

www.northedge.nl

 

Er is een boek verschenen! ‘Branchebrede kwaliteit. Beweging in het kwaliteitsbeeld van branches, sectoren en beroepsverenigingen.’ Te bestellen door een mail te sturen naar: info@northedge.nl.

Een ander kabinet? Kwestie van knippen en plakken.

De nieuwe Spaanse premier Mariano Rajoy verklaarde bij zijn uitverkiezing dat hij en zijn land tijd nodig hebben om er weer boven op te komen ‘en liefst langer dan een half uur’.

Deze uitspraak geeft perfect aan hoe onmogelijk en hoe krap deze tijden zijn. Beurzen en markten geven geen tijd. Rajoy was geïnspireerd door wat zijn Italiaanse ambtgenoot Monti overkwam. Heel, heel even een adempauze en Bam!; daar vinden de markten weer een nieuwe reden om pessimisme aan te ontlenen. Deze blog is gewijd aan de vraag wat het zou betekenen als dit Kabinet echt in moeilijkheden zou gaan komen en wat er dan, gelet op die tijdsdruk, kan gebeuren. Voor de duidelijkheid; meer dan wapengekletter hebben we nog niet gehoord en het is een feit dat de twee coalitiepartners en de gedoogpartner elkaar tot nu toe keurig aan de afspraken houden. Enig ruig taalgebruik moet volgens velen kunnen en schijnt ook bij de mores van dit Kabinet te horen. Ik hou niet van deze schoolpleinstijl – wat heet: ik haat het – maar het zou kunnen werken.

Tegelijk beweegt het kabinet zich nu richting een tweetal lakmoesproeven van het soort waarna je geen lak meer kunt proeven. De eerste is de economische crisis zelf. De Belgen roepen de afstraffing nu over zichzelf af, maar wij zullen ook nog fors in de wind komen te staan. De tweede proef bestaat uit de extra bezuinigingen en het openbreken van coalitie- en gedoogakkoord als gevolg daarvan. Op heel veel plekken – tot in VVD-kringen aan toe – hoor ik de wens dat zeker dit laatste tot een einde van dit kabinet zal leiden. Misschien. Waar ik hier op wil ingaan is de vraag of zo’n val tot nieuwe verkiezingen zal lijden. Ik denk het namelijk van niet.

Me benne zunig. Elke dag dat er geen kabinet is kost extra rente. Die relatie is nu zo strak dat die niet genegeerd kan worden. Ik zie de tellers al voor me op TV en in de kranten. Versnelde verkiezingen dan? Er is nog altijd zoiets als een Kieswet. In 2010 speelde deze discussie ook en toen werden uiteindelijk gewoon de standaard procedures gevolgd. Op het moment dat er een wens zal zijn om de Kieswet ter zijde te stellen zal er altijd wel ergens een partij zijn die naar de rechter stapt en die partij zal in het gelijk worden gesteld. Niet dus. Een verkiezingstraject van ten minste twee maanden – plus formatie! – is een dodelijk onaantrekkelijk perspectief.

Dus zal de Koningin het ontslag van het kabinet niet zomaar in ontvangst nemen (hoe graag ze dat wellicht persoonlijk ook zal doen). Dan wordt het interessant. Wordt er een lijmpoging ondernomen? Of zal de inzet worden gericht op het aanvullen van de huidige officiële coalitiepartners met één of twee andere partijen? Mijn vermoeden is het laatste. Het wordt knippen en plakken. Zeker de achterban van het CDA zal afvliegen op de kans om de PVV er buiten te zetten. Bij een herschikking kan dit het CDA kabinetsposten kosten – of meer, maar rustig afwachten is er dan niet bij. Bovendien is er de niet eens zo onredelijke constatering dat een aantal portefeuilles eigenlijk te groot blijken te zijn voor de praktische hanteerbaarheid. Er zullen ten minste een paar nieuwe staatssecretariaten te verdelen zijn.

De vraag welke partij of partijen dan toe zouden treden is nog best lastig, zeker voor de VVD. Het zal in ieder geval genoeg zetels moeten opleveren voor een coalitie die op een echte meerderheid kan rekenen in Tweede en Eerste Kamer (mede reden waarom ik een zakenkabinet niet logisch vind). Het is altijd leuk om te speculeren over de vraag om welke partijen het dan zou gaan, maar belangrijker is de constatering dat het vanwege dit perspectief van tussentijdse kabinetsdeelname voor alle oppositiepartijen – met de mogelijke uitzondering van de SP – aantrekkelijk blijft om het kabinet op onderdelen te blijven steun. Zo laat je zien: er vallen zaken te doen. 

Is het dan aantrekkelijk om tot zo’n nieuw kabinet toe te treden? Op het eerste gezicht niet. De huidige gedoogcoalitie is door de spanning tussen vooral PVV en CDA in wezen missieloos en iedereen snakt naar een kabinet met een plan, een visie. Weet je daar samen een beter verhaal naast te zetten, dan is het niet alleen aantrekkelijk, dan is het een plicht om ‘ja’ te zeggen. Zeggen dat het ‘landsbelang’ vraagt dat er snel geregeerd gaat worden is geen abstractie of cliché meer. Het is een in renteprecentage meetbare grootheid geworden. 

Peter Noordhoek

Er is een boek verschenen! ‘Branchebrede kwaliteit. Beweging in het kwaliteitsbeeld van branches, sectoren en beroepsverenigingen.’ Te bestellen door een mail te sturen naar: info@northedge.nl

 

Shhhtt: er gaat ook iets goed in Europa. Niet verder vertellen!

Nog helemaal vol van het verschijnen van mijn boek afgelopen donderdag, neem ik mijzelf als het ware even in de houdgreep en zeg tegen mijzelf: er was meer de afgelopen week. Over Bosnië-Herzegowine en de ProHRO-conferentie heb ik al geschreven, maar ik mag en wil niet verzuimen om melding te maken van de presentatie van de European Public Sector Award 2011. 

In mei mocht ik evaluator zijn van op één van de drie thema’s die centraal stonden in de prijs: ‘Smart Public Service Delivery in a Cold Economic Climate’. Vooraf moesten we als evaluator 40 inschrijvingen beoordelen, daarna heb ik met 20 collega’s het totaal van de ruim 150 aanmeldingen onder dit thema beoordeeld (uit een totaal van 270 officiële inschrijvingen; voor alle cijfers http://bit.ly/vQrCq7). Er is een onderscheid gemaakt tussen een categorie ‘genomineerden’ (gingen op voor de prijs) en een categorie ‘best practices’. Voor deze laatste categorie waren er twee Nederlandse best practices:

– ‘Bureaucratic Simplification of Social Assistance’ door ons ministerie van BZK, en

– ‘Bouwen aan Brieven’ (Improving Letters) van de gemeente Zeist

 En voor we verder gaan: ik mocht geen Nederlandse inzendingen beoordelen. Datzelfde gold voor mijn enige Nederlandse collega Matt Poelmans die bij thema 2 zitting had. Het hele proces verliep zeer streng. Nog mooier is het resultaat voor het tweede thema ‘Opening Up the Public Sector Through Collaborative Governance’. Eén van de 5 genomineerden voor de prijs werd:

– ‘Borne 2030’, een prachtig project van de gemeente Borne

Het derde thema was op duurzaamheid gericht: ‘Going Green: Concrete Results for the Public Sector’. Uiteindelijk zou er per thema respectievelijk een Spaanse (turn around gemeente Bilbao), Portugese (omgang met migratie en immigratie) en Weense winnaard zijn.

Allemaal van harte gefeliciteerd! Hoezeer ik het hen ook gun, de reden om zoveel uren in de erebaan van evaluator te steken is een andere geweest. Het is natuurlijk een prachtige manier voor elke bestuurskundige met belangstelling voor de uitvoering – ik, ik! – om een brede kijk te krijgen op alle ontwikkelingen binnen de Europese gemeenschap. Ik zou er graag op veel podia over willen vertellen, zo boeiend vind ik het. Hier haal ik er een paar trends uit:

  1. de motor achter veel efficiëncyverbeteringen is ICT. Als evaluatoren hebben we daar kritisch naar gekeken, want waar zit de ‘eigen verdienste’ in het aanschaffen van hard- en software, zeker als je weet dat veel IT-projecten mislukken, maar onmiskenbaar zorgt het voor een grote versnelling in de ontwikkeling van publieke diensten. Let op de opkomst van ‘handhelds’. Daarmee zijn bijvoorbeeld in de zorg spectaculaire resultaten geboekt;
  2. dit geldt met name in Zuid- en Oost-Europa, daar is echt sprake van een inhaalslag;   
  3. tentijde van de indiening van de voorstellen was de verslechtering van de economie al duidelijk merkbaar in Zuid-Europa. het lijkt er op dat Oost-Europa daar relatief immuun voor is en daar zijn de sprongen het grootste;
  4. uit de projecten spreekt een grote mate van klantgerichtheid en integraal denken. Er is een echte wil om door oude hierarachische muren heen te breken;
  5. er is echte passie voor de publieke zaak;
  6. in een aantal regio’s (m.n. Spanje en Oostenrijk bieden daar goede voorbeelden van) is er sprake van een hoge mate van strategische afstemming van de verschillende projecten. Dat komt soms over als ‘too much’, maar als Nederland kunnen we er wat van leren.

Al met al; er gaat ook iets goed in Europa. Niet verder vertellen! Wat ik hieronder ook nog te delen heb ..

 En tegelijkertijd

De uitreiking van de prijzen vond plaats in het provinciehuis van Maastricht (ja, van het Verdrag. Zoals de trouwe lezer weet, wil ik daar graag snel een volgend Verdrag). De avond ervoor was er een mooi samenzijn van alle zenuwachtige genomineerden en een paar evaluatoren, waaronder ondergetekende. Natuurlijk stonden veel van de gesprekken in het teken van de volgende dag, maar even natuurlijk werd er veel gesproken over de actualiteit van nu. Een paar observaties die ik meekreeg van een paar scherpe mensen, in het bijzonder een macro-econome uit Portugal:

  • begrotingstekorten zijn niet relevant. Maastrichtcriteria zijn altijd misleidend geweeest. Het gaat om de bandbreedte in handelsoverschot- en tekort tussen landen. Deze zijn structureel uit het lood. Dat valt landen als Portugal zeker te verwijten, maar het echte verwijt treft landen als Duitsland en Nederland;
  • het echte geld wordt niet meer verdiend met de klassieke stappen in de voortbrengingsketen van grondstofdelving tot winkelverkoop. Het grote geld wordt verdiend met het exploiteren van de ‘brand’ (merk). Deze brands zijn grotendeels in handen van de grote landen. Kleinere landen kunnen dat niet compenseren door onderdeel van de voortbrengingsketen te worden, want daar wordt het geld niet mee verdiend;
  • we zijn in terra incognita. Alles richt zich op de euro en de begrotingstekorten, maar uiteindelijk gaat het om de vraag hoe we structureel uit de huidige situatie kunnen komen. Niemand heeft enig idee hoe die verschillen in handelsbalans kunnen worden hersteld;
  • het ernstigste strategische conflict is tussen Engeland en het continent. Britse banken zitten tot over hun oren in de schulden en zijn zeer kwetsbaar. Engeland wil dat Europa de Britse banken redt. Een van de redenen dat Merkel ‘traag’ is, heeft er mee te maken dat zij niet door de Britse regering en de Londense financiële sector in de positie wil worden gebracht om de Britse banken te redden;
  • De Nederlandse banken zijn slimmer. Die hebben zich allang uit Europa terug getrokken of zijn daar druk mee bezig. Engeland lukt dat niet meer. Het is dus niet slim om voor het Britse karretje te worden gezet (as Camerutte). Duitsland heeft enorme strategische fouten gemaakt, maar daar valt uiteindelijk meer van te verwachten.

En zo praatten we genoeglijk verder in Chateau Neerkanne, aan de vooravond van de prijsuitreiking. Samen met de vertegenwoordigers uit heel veel landen. Vertegenwoordigers die elkaar de hele dag handen gaven en aanraakten omdat ze het geweldig vonden om hier zo beloond te worden voor hun prestaties. Echte prestaties. Echte dansen op de rand van de vulkaan.

Peter Noordhoek

www.northedge.nl

 

 

ProHRO: een beweging steekt de oceaan over

Op 15 en 16 november was de eerste ‘ProHRO’ conferentie aan deze kant van de Atlantische Oceaan. Vertegenwoordigers uit een tiental Europese landen plus de nodige Amerikanen kwamen in Den Haag bij elkaar om te spreken over ‘high reliability organizing’ (HRO), in het Nederlands ‘hoog betrouwbaar organiseren’. Ik heb er in het Nederlands inmiddels al zo’n vijf artikelen (mede) geschreven, dus wil er hier niet teveel inhoudelijk bij stilstaan (zie artikelen). Laat ik het zo proberen samen te vatten: HRO gaat over de gedragscomponent bij kwaliteits- en risicobewegingen. Onder leiding van denkers als Karl Weick en Kathleen Sutcliffe, van wie de laatste op het congres was, is er eindelijk een vrij goed onderbouwde set van gedragskenmerken beschikbaar die het verschil maken tussen een organisatie die betrouwbaar heet te zijn omdat het gecertificeerd is en een organisatie die betrouwbaar is omdat de betrokken medewerkers de noodzakelijke alertheid en veerkracht tonen die voor echte betrouwbaarheid nodig is.

Is het al duidelijk wat ik bedoel? Dacht het al. Morgen overhoort de meester. Het probleem van het congres was dat het ging over iets dat hoogst relevant is, het potentieel heeft om een doorbraak te zijn in het denken over de (kwaliteit en risico’s van) organisaties, maar inherent zo weinig ‘pakbaar’ is dat het wel eens over zou kunnen waaien.

Eerst nog iets over de relevantie. Ik mocht een sessie leiden met de directievoorzitter van een groot aantal basisscholen en een vertegenwoordiger van de Onderwijsinspectie. (basistekst in artikelen, gepubliceerd in het kader van congres ‘toezicht en wetenschap’). Het werd een fascinerende ontmoeing tussen twee betrokken topprofessionals. Anoniem werden de resultaten besproken van twee basisscholen, beide met duidelijke problemen. De eerste school had in de ogen van de inspecteur te ewinig probleembesef, de tweede school toonde probleembesef en uit de papieren plannen kon gehaald worden dat ze daar ook actie op zouden nemen. De directeur was het niet met de inspecteur eens. Mede op basis van de HRO vragenlijsten ontstond er een heel ander beeld. De eerste school (kort door de bocht) had een onderlinge cultuur om problemen te benoemen, de tweede niet. het papieren verhaal was een buitenkant verhaal. Ik schrijf het hier korter op dan recht doet aan het onderzoek en de discussie erover in de deelsessie, maar het laat het verschil wel zien. Het mooie was dat het publiek, in het bijzonder een forse man uit de wereld van de olie- en gaswinning, perfect begreep wat zich afspeelde in de discussie tussen toezichthouder en toezichtobject, ook al kwamen ze zelf uit hele andere sectoren. De olieman vertelde over de nieuwe wereld die is ontstaan na het ongeval in de Golf van maxico en Deep water Horizon. In een tijdbestek van drie maanden is de oude toezichthoduer daar opgeheven en een niewue verschenen, maar iedereen is nu op zoek naar de heilige graal van een andere werkcultuur. En dus waren en andere mensen met harde koppen op deze conferentie afgekomen om meer te horen over de nieuwe benadering.

De benadering is dus relevant genoeg om de Oceaan over te steken. In potentie. Toch wil ik zo scherp zijn om te zeggen dat de benadering eigenlijk nog te weinig omlijnd is om hanteerbaar te zijn. En zo lastig het ook is om te beschijven wat ‘hoog betrouwbaar”  is, het is nog lastiger om aan te geven wat de beste manier is om het in te voeren. Sterker nog; de geestelijke vader en moeder van de beweging geloven niet dat er een standaard manier is om het in te voeren. Alles is steeds weer situatie en context bepaald. Dat vraagt dus een grote mate van volwassenheid van organisatie en leiding om er ‘instructieloos’ mee om te gaan. Dat betekent heel veel spiegelen op houding en gedrag. Juist de organisaties die HRO het meeste kunnen gebruiken komen er daarom het moeilijkste aan toe. Ik heb daarom uit het congres nog geen gevoel over gehouden dat de doorbraak er nu echt komt.

Tsja. Daar steek je dan je tijd in. Maar ik weet niet hoe het met u, de lezer is, maar ik word eigenwijs van zoiets. Was er dan iets anders te verwachten? geloof je dan nog echt in simpele oplossingen? Moeten we dan maar weer allemaal op onze knieén gaan omdat organisaties kinderen willen blijven? Kom op. Laten we onszelf en onze klanten serieus nemen. Als HRO relevant is – en alle praktijksessies uit deze conferentie wijzen daar op – dan is het ook de moeite waard om er in te blijven investeren. het is duidelijk nog een ‘work in process’, maar dat zijn de leukste. Hoop u te zien op een volgende HRO-conferentie ofbij een  praktijktoepassing. 

Peter Noordhoek

www.northedge,nl

Intermezzo: Bosnië-Herzegowina

Donderdag in Zandvoort voor een opleiding, vrijdag naar Bosnië-Herzegowina, zaterdag, training geven, zondag terugreis, maandag weer in dezelfde training in Nederland. Een intermezzo. Vaker gedaan, zei die blasé. En toch.

Bosnië-Herzegowina is een land van grafstenen. Het doet het land geen recht door het zo te zeggen en de mensen daar zullen het waarschijnlijk niet zo zien, maar het is wel mijn ervaring, Juist nu de meer zichtbare kenmerken van de burgeroorlog aan het verdwijnen zijn en plaats maken voor de kenmerken van een ‘normale’ samenleving, wat dat ook is, zijn de stenen voor incidentele gasten zoals ik de grote markering van het verleden. Dat begint al in het vliegtuig, althans als je aan de linkerkant bij het raam zit. Terwijl het vliegtuig de landing inzette voor Sarajewo, meende ik een besneeuwde heuvel te zien. Maar toek keek ik nog eens en bleek het een enorm kerkhof te zijn, hectares groot, vol witte stenen. Heb ik van gehoord, bedacht ik later, maar wat is het groot. Eenmaal geland gingen we via de stad dieper het land in. Voor zover je kunt zien, een normaal Balkanland. Met groei, met steeds betere auto’s en overal tekenen van nieuwe welvaart. Een keer zie ik een paard en wagen midden op de weg, maar dat is nu echt een anachronisme. Heel normaal zijn de auto’s die vlaggen op hun dak hebben omdat die dag het nationale elftal een kwalificatiewedstrijd tegen Portugal speelt. Maar ook dat lijkt vooruitgang, want ik kan me herinneren hoe weinig steun het nationale elftal in 2006 in eigen land had. Maar wat blijft zijn de graven, overal langs de wegen.

We komen in Fojnica, in centraal Bosnië, op een enorm kuur- annex conferentieoord. Maf. Ik heb er geen ander woord voor, of het moet het woord prachtig zijn. Maar gevoel voor het land geeft het niet. Dus bij de eerste gelegenheid, tegen de avondschemer, glip ik mijn appartement uit en ga door de straten dwalen, de avondschemering tegemoet. Het kleine centrum is modern, op toerisme gericht. Een bruid en bruidegom worden op de foto gezet voor een prachtige boom. Buiten het centrum vertakken de wegen zich de heuvels in en worden de huizen kleiner. Er zijn nogal wat voorbeelden van de half afgestucte gevels die helaas zo kenmerkend is voor de Balkan, maar het geheel voelt prettig geleefd aan. Ik ruik houtkachels, logisch met overal bebossing boven de huizen. En ook hier de grafstenen. Islamitische. Ongeveer de helft oud en bruin verweerd, sommige met een soort tulband rond de slanke top. De andere helft is wit en van recenter data. Bijna allen met sterfdata rond het begin van onze eeuw.

Ik ben bij mijn tweede begraafplaats als het Allah Ahkbar uit de speeker van een dichtbijzijnde moskee begint te klinken. Het blijft een schok om het te horen op het Europese continent. Ik zal er nooit aan wennen. En tegelijk realiseer ik mij dat continent van ons niets is zoals het lijkt. De Bosniaks, de moslims, zijn in dit land de moderne stroming. Zij vormen het meest vooruitstrevende deel van de bevolking hier. Elke keer als ik hier een training mag doen zijn zij het meest ontvankelijk voor wat ik te zeggen heb. Ik kan er heel diplomatiek over doen, maar het zijn vooral de Serviërs die ik op een heel ander niveau moet benaderen. De Serviërs willen altijd eerst een partijtje armpje met je drukken (zo zou het ook deze keer gaan). Daarna zijn het overigens weer prima mensen om mee aan de slag te gaan, maar waar het me om gaat is de omkering van verwachtingen. Dat krijgt nog een extra echo als ik door een deel van de stad met wat echt oudere huizen loop. Eerder dit jaar deed ik een training in Istanbul. In een Harry Potter-achtige boekhandel kocht ik een biografie van Ataturk, de stichter van de moderne Turkse staat. Hij begon nade Eerste Wereldoorlog met een enorme verwestersing van Turkije, inclusief een strikte scheiding van kerk en staat. Hij is geboren op de Balkan, toen nog vol onderdeel van het Ottomaanse rijk. En ik realiseerde mij dat de foto’s die ik in het boek had gezien van de huizen uit zijn jeugd wat leken op de huizen die ik hier zag. De clash of civilizations, gewonnen voor het westen door iemand uit deze regio. En weer verloren in deze regio. De kerklokken van het Franciscaner klooster bovenop een heuvel volgden het Allah Akhbar op. Tijd voor de avondmis.      

De training was weer heerlijk om te doen. Een campagnetraining met het oog op de lokale verkiezingen in 2012. Het gemeenteniveau is zo’n beetje de enige bestuurslaag die werkt in het land, dus daar wordt de energie op gericht. Bosnië-Herzegowina is een land dat zich, net als de rest van de Balkan, behoorlijk aan het ontwikkelen is, er is groei, en dat wordt vooral op lokaal niveau georganiseerd. Het lijkt er op dat de politiek voor alle andere niveaus de uitlaatklep is voor onverwerkt verleden. In zekere zin; een manier om het leefbaar te houden. Denk ik. Zoals een hotemetoot het zei richting de deelnemers: ‘You cannot ask rational people to explain the irrational’. Zelf had ik veel plezier om Nederlandse campagneprincipes zo uit te leggen dat ze voor de lokale situatie hanteerdbaar werden. De opleidingen werd hier georganiseerd door IRI, een Amerikaanse democratiseringsinstituut. Op hetzelfde moment speelde er in hetzelfde oord een vrolijk en luidruchtig evenement voor allemaal vrouwelijke kandidaten, georganiseerd door een Noorse partij (ja, een snelle echo van Breivik kwam en ging in mijn hoofd). Al met al een forse investering in het land. En terecht. het meeste moeten en kunnen ze zelf doen. Tegelijk is er een groot een strategisch belang om ze midden in een oh zo kwetsbaar proces door te laten modderen. Dat geldt in het groot voor de Europese (munt)unie, het geldt in het kleinere voor de deurdrempel van Europa, de Balkan.

Zo, maar nu ben ik weer terug in Nederland, voor een van de spannendste weken van het jaar. Maandag intake gesprekken voor een nieuwe leergang, maar dat is nog releaxt. Dinsdag spreken op de intenationale ‘ProHRO’ conferentie over het verschil tussen inspectierapporten voor basisscholen en de uitkomsten van vragenlijsten gebaseerd op het HRO-gedachtengoed. Woensdag en donderdag uitreiking European Public Sector Award in Maastricht en donderdag de uitreiking van mijn boek op het VM-Jaarcongres. Whiew. Ik hou de lezer op de hoogte. En geloof me dat ik het begrijp als u zegt ‘that’s a bit much’.

Peter Noordhoek  

 


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek