Maandelijks archief: oktober 2011

Compassie – na het CDA-congres van 29 oktober 2011

 

Omdat deze houding nu al kenmerkend is voor velen die zich tot het CDA voelen aangetrokken, geeft de commissie u het volgende in overweging: het CDA van de toekomst profileert zich nadrukkelijk als de partij die kiest voor compassie, en die zich juist daarin onderscheidt van andere partijen.

Compassie is de ziel, het kloppend hart, de grondtoon. Als richtlijn voor concreet politiek handelen biedt ze echter onvoldoende houvast.

Zo formuleerde Jacobine Geel het namens de werkgroep die zich bezig houdt met de ‘hertaling’ van de uitgangspunten van het CDA op een congres dat in het teken stond van een discussie over de Nederlandse illegaal Mauro. Scherper kan niet. Hoe zal dit congres worden herinnerd? Als het Mauro-congres? Als het electorale dieptepunt? (vandaag 11 zetels bij ‘d Hondt maar de meting na zaterdag en dinsdag moet nog komen) Of als de start van de echte herbronning van het CDA?

Ik heb nog eens in mijn herinneringen gegraven hoe de sfeer was op het congres van het CDA toen mevrouw Til Gardeniers haar cruciale rapport presenteerde (zag haar zaterdag nog op het congres, samen met Hannie van Leeuwen. Twee kleine, grijze, maar o zo scherp uit de ogen kijkende dames). Mijn beeld is dat het toen zeker niet beter was. De strijd Lubbers-Brinkman had diepe wonden geslagen. Fractievoorzitter Heerma kon de conflicten niet aan in een fractie waarin de persoonlijke tegenstellingen wezenlijk groter waren dan nu. Nee, het was een congres bij zeer zwaar weer, niemand ging zonder zorgen naar huis. Alles wat we er het CDA nu nog van wordt herinnerd is een rapport dat een bijna mythische reputatie heeft gekregen.

Macht en moraal

Het zou kunnen dat dit met het rapport-Geel ook zo gaat, maar dan net even anders. Het centraal stellen van het woord ‘compassie’ op het moment dat Mauro centraal staat is welhaast absurd in z’n toevalligheid. Zonder op de zaak zelf in te gaan, lijkt Jacobine Geel zich daar ook van bewust als wordt gezegd dat morele en machtsvraagstukken niet alleen met elkaar verbonden zijn, ‘maar ook moeten zijn’. Geen twijfel over; afgelopen zaterdag waren beide sterk met elkaar verweven.

Zozeer zelfs dat de verstrengeling onderdeel van het probleem werd. Breed leefde bij de bezoekers het gevoel dat ze gedwongen werden een standpunt over iets in te nemen dat niet aan hen was.

Kijk even mee naar de samenstelling van de zaal. Van de naar verluid 1400 deelnemers werden er uiteindelijk ruim 800 stemmen uitgebracht (‘gewogen stemmen’, d.w.z. inclusief stemmen die en extra waarde kregen omdat er een provincie of gelieerde organisatie werd vertegenwoordigd, zie mijn blog over Arnhem). Tot dat aantal behoorden overwegend de ‘normale’ leden. Dit keer dus geen bussen uit Limburgers of zware vertegenwoordigingen uit specifieke groepen. Het enige opvallende – en goede – was het relatief grote aantal jongeren in de zaal.

Punt

Wat er dus vooral in de zaal zat waren mensen die een stevige positie in de samenleving bekleden of hebben bekleed, waaronder veel bestuurders. Wat is de rol van bestuurders? Over Mauro’s oordelen.

Elke wet kent haar Mauro’s. Dat geldt voor migratieregelingen, maar dat geldt ook voor wijzigingen in de wet op het passend onderwijs of de PGB’s. Altijd zijn er grensgevallen, altijd zijn er redenen om te twijfelen. Trouwens, door hoef je ook geen bestuurder voor te zijn. De leraren in de zaal moeten ook wel eens leerlingen op 1/10e punt afwijzen, de ondernemers hun afwegingen over wie nog in het bedrijf mag blijven en wie niet. Ze weten wat het is om daarover wakker te liggen – en menig geval zal minstens zo schrijnend zijn als Mauro. Geloof maar dat er heel wat echte compassie in de zaal is, diep doorleefd. Maar ook dat er in die zaal het vermogen is om grenzen te stellen en te weten hoe en wanneer je met verantwoordelijkheden omgaat. En dat is een hele nette manier om te zeggen dat er nogal wat ergernis leefde onder veel bezoekers van het congres dat de Tweede Kamerfractie niet op die manier heeft geopereerd. Erg professioneel komt dat niet over. Ik denk dat alle leden zich wel op de een of andere manier hebben voorbereid op de gedachte dat ze over het individuele ‘geval’ Mauro moesten oordelen, maar met lange tanden aan dat vooruitzicht dachten. Men wilde niet over een individueel geval oordelen. Punt.

Komma

Gelukkig lag de resolutie van Drenthe er al. Ontdaan van wat angels (achteraf niet eens nodig), waardoor ook het bestuur zich er achter kon scharen, lag er opeens een kans om wel kritisch te zijn over regeling die ons in zo’n positie bracht. Over het beleid en de uitwerking van het beleid wilde men wel praten. Typerend waren uitspraken als die van Mirjam Ates dat elk beleid zich pas in de praktijk bewijst en iemand van Vluchtelingenwerk (sorry dat ik de naam niet meer weet) die heel zuiver redenerend weigerde een uitspraak over Mauro te doen, maar wel precies de vinger op de problemen in het beleid legde. Aan het applaus te horen (en ook wel aan het gebrek daar aan) kon je horen hoe ‘koel’ de zaal er in zat. Natuurlijk werden er in de 30 seconden die sprekers ter beschikking hadden (zelden zulke amusante tweets langs zien komen over de bijbehoren piepjes) scherpe en emotionele dingen gezegd over Maura en ook over de staat van het CDA, maar de resolutie werkte als een komma na de punt die er kon worden gezet achter de zin: we spreken ons niet uit over Mauro. Punt. Komma, we vinden dat het beleid moet worden aangescherpt. Tegen de PVV gericht? Ook. Maar vooral tegen onze vertegenwoordigers gericht: breng ons niet nog eens zo in verlegenheid. De resolutie werd breed overgenomen.

En vervolgens breed uitgelegd en geïnterpreteerd. In de wandelgangen kon je nogal wat verwijten horen over het gebrek aan regie dat er zou zitten aan het zo neerzetten van een resolutie. Heb er zelf met mate aan meegedaan. Had dat niet anders gemoeten? Had er niet meer regie moeten zijn? Nee, zo denk ik nu – als het al mogelijk zou zijn geweest in de hectiek sinds het drama in de nacht van donderdag op vrijdag. Op zich was het denkbaar voor het bestuur om met een eigen resolutie te komen, maar ik denk dat het, net als met elke andere poging tot regie, averechts zou hebben gewerkt. Het congres moest het weer doen met de middelen die er altijd waren. Voor de leden was het in meerderheid goed zo. Ze stemden voor.

Twee congressen

Goed geregeld, zou je kunnen denken. Zonde van de kostbare tijd die we er aan besteed hebben, maar de bal ligt nu weer waar die hoorde, bij fractie en coalitie. Maar nee, dat beeld klopte niet. De valkuil van congressen als deze is dat je veel gesprekken voert, maar dat je elkaar vooral opzoekt om bevestiging te horen. Meestal krijg je dan de koude douche na afloop. Zolang als ik naar partijcongressen van het CDA ga, zijn er in feite steeds twee partijcongressen (op wellicht die van Arnhem na). Je hebt het partijcongres waarvan je denkt dat je er bent en je hebt het partijcongres waar je in terecht komt als je de radio op de terugweg aandoet. Dit keer gebeurde dat ook weer. Dames en heren kijkers: mijnheer Wesselink uit Nijmegen, dit keer met Mauro T-shirt, is alom aanwezig, maar spreekt niet namens iedereen, zelfs niet namens de meerderheid.

Dit keer kon je, mede dankzij twitter, direct de buitenwereld over je schouder mee voelen kijken. Voor die buitenwereld ging het wel degelijk nog over Mauro en ging het ook steeds meer over de verdeeldheid in de partij. Leers die na de resolutie het ene zegt, Koppejan en Ferrier het ander, wat wil je. En dus stond de rest van het congres – onderbroken door die ene zonnestraal van de lezing van Geel – toch in het teken van die verdeeldheid. De oproepen tot samen optrekken onderstreepten dat eigenlijk alleen maar. ’s-Ochtends werd dat namens de hele fractie al gedaan door een prima Madeleine van der Torenburg (met een achtergrond in de jeugddetentie ook zeer legitiem). In de middag namen fractievoorzitter, kabinetsvertegenwoordiger en partijvoorzitter het woord ‘samen’ ook heel nadrukkelijk op in hun speeches. Speeches die er ook niet om heen draaiden. Elk van de drie ging voor CDA-begrippen ongewoon direct op het doel af. Het probleem werd direct benoemd, de oplossing ook: samen. Dat werd dan ook de oproep.

Onderling

Maar natuurlijk hoorde iedereen na afloop van elke oproep geen punt maar een komma. Langzaam werd het mij gewaar dat het woord ‘compassie’ niet eens direct betrekking heeft op Mauro, maar op onszelf en in ieder geval op de fractie. Het echte morele dilemma ontstaat niet hoe je met een derde omgaat, hoe schrijnend de situatie ook is. De scherpste dilemma’s doen zich in de onderlinge relaties voor. Daar is hier sprake van. Zoals ik het in de loop van de dag hoorde (en wat moet je daar mee oppassen, ook en juist als het al in de krant staat) ligt aan de basis van het drama Mauro mede de inzet van juist onze Limburgse Kamerleden voor Mauro en zijn familie. Ze zijn ver gegaan in het onder de aandacht brengen van zijn situatie en hebben voor hem gepleit. Als zij zich dan toch voegen en aansluiten bij de lijn van fractie en coalitie (met Knops als woordvoerder), dan zet het de zaak onvermijdelijk op scherp als twee Kamerleden die niet bij het traject en de meeste afwegingen betrokken waren, kiezen voor een standpunt dat hen buiten de fractieconsensus plaatst. Door dat standpunt in te nemen zeggen zij in feite van hun collega’s dat zij niet zo ethisch als henzelf zijn, niet dezelfde compassie tonen met Mauro die zij zelf wel tonen: ‘holier than thou’. Zelfs als dat niet de intentie is, dan komt het natuurlijk wel zo over.

Test

En daarmee hebben we de test van Jacobine Geel en die van onze partij in één keer te pakken. Dit is gelijk een lakmoesproef en laten we eerlijk zijn; in de ogen van de buitenwereld kan je er al niet meer voor slagen. Maar Jacobine en haar team hebben wel gelijk; het start met compassie. Ik ben er van overtuigd dat alle leden van de fractie, en zeker niet alleen Ad en Kathleen compassie hebben willen tonen richting Mauro, net zoals ik er van uitga dat Ad en Kathleen integer zijn in hun afweging. Waar het nu om gaat is de vraag hoe er met elkaar wordt omgegaan. Mijn beeld is dat er heel creatief wordt gezocht naar mogelijkheden om tot oplossingen voor Mauro te komen. Wordt er naar buiten gekeken, dan valt er niet veel meer dan wantrouwen en hoop op een breuk te ruiken. Daar moet het niet meer van komen. De fractieleden zijn nu op elkaar aangewezen. Heb vooral compassie met elkaar, vindt elkaar daarop. Vervolgens moet het mogelijk zijn elkaar op uitgangspunten en uitwerking te vinden.

Tot slot

Mijn mening is verder niet zo relevant, maar ik vind niet dat Staat voor barmhartige Samaritaan moet spelen. Individuen wel, naar vermogen. Mede daarom hoop ik dat scholen en andere instelling hier of in Angola voor Mauro en zijn lotgenoten gaan zorgen. Van de Staat verwacht ik het maken van keuzes. Keuzes zonder aanziens des persoons. Democratisch gelegitimeerd. Helaas, met het huidige beleid moeten we het doen. Als dat beleid tot een uitzetting leidt, dan vervloek ik de pervertering van het systeem, maar vind ik niet dat het individu belangrijker is dan het systeem, al mag dat systeem tot brekens toe getest worden. In dit geval is het systeem bedacht om niet opnieuw in een situatie terecht te komen dat het bericht over een uitzondering als waar we nu over spreken tot tientallen nieuwe Mauro’s leidt. Zo hard is het. Tegelijk geloof en hoop ik dat het migratiebeleid, net zoals dit jaar al is gebeurd op het Europese vlak, voor een kantelmoment staat. De discussie rondom Mauro zal daarbij helpen. Economie en demografie gaan voor andere verhoudingen zorgen en uiteindelijk is dat meer tot zorg van een PVV dan van een CDA – mits we weer weten hoe te handelen. Als de situatie met Mauro niet zo was geëscaleerd had de minister al lang van zijn discretionaire bevoegdheden gebruik kunnen maken of, nog beter, waren de procedures korter gehouden. Inmiddels heb ik al in een aantal rollen, waaronder recent als evaluator van de European Public Sector Award, mogen zien hoe strak en snel procedures georganiseerd kunnen worden. Mauro was niet nodig geweest. Dit alles was niet nodig geweest. Waarom schrijf ik nog? Omdat, zoals ik al schreef, elke wet, ook elke nieuwe variant van een wet, haar nieuwe Mauro’s zal kennen. Om daar mee om te gaan heb je een bepaalde grondtoon, klankkleur nodig. Laat dat compassie zijn.

Peter Noordhoek

Meer dan Mauro: voorafgaand aan het congres van 29 oktober

Even mijn lunchbreak benutten voor wat overwegingen bij het congres van morgen, zaterdag 29 oktober a.s. Niet om hier al mijn afwegingen rondom Mauro op een rij te zetten. Ik wil toch echt eerst horen wat iedereen – inclusief minister Leers – te zeggen heeft. Wel om hier naar het totaal van het congres te kijken. De resolutie van de provinciale afdeling Drenthe over de verblijfsvergunning van AMV’s (Alleenstaande Minderjarige Vreemdeling), waar Mauro er een van is, wordt behandeld op een congres waar meer speelt. Daar wil ik voor mijzelf wat lijnen in trekken. Mogelijk dat dit voor de lezer ook interessant is.  

Irritatie

Vorige week – zie o.a. de discussie in het Slangenburgberaad –  was de verwachting nog heel laag. Een congres van niets. De drie werkgroepen gericht op ‘hertaling gedachtengoed’, Strategisch beraad en ‘organisatie’, zouden geen van allen met een afgerond verhaal komen. De verwachting was dat er genoeg zou liggen om op basis van dat verhaal de komende periode in te gaan, met in januari dan stemming over de verschillende voorstellen. Het lijkt nu anders te lopen, vager. Mijn beeld was dat dit of tot een hoog percentage wegblijvers zou leiden, of tot een vorm van irritatie zou leiden bij degenen die wel zouden komen, of allebei. Bij de groep die wel zouden komen zou dat zich wel eens kunnen ontladen in een kritische inzet bij de discussie rond de resoluties. De ontwikkeling van de laatste dagen werkt nu twee kanten op. Enerzijds meer lucht op het Europa dossier. De zorgen zijn er nog, maar het akkoord neemt even de ergste kou uit de lucht (jammer voor de organisatoren van de deelsessie Europa). Anderzijds acute benauwdheid rondom de kwestie – de mens – Mauro. Er lag al een resolutie van Drenthe rondom dit thema en die is inmiddels nog eens extra aangescherpt. De poging van de fractie om koste wat het kost de stemming voor het congres te doen slaat nu als een boemerang terug. Op de latent al aanwezige irritatie komt nu nog eens deze zaak. Wat er allemaal goed gaat voor het CDA wordt niet geteld (zie ook juiste analyse in De Pers van vandaag: dit kabinet voert steeds meer het CDA-beleid uit), wat mis gaat wordt keihard gevoeld.

Krediet

Op het laatste congres waren er ook een aantal pittige resoluties, maar het bestuur kreeg toen nadrukkelijk de kans om eerst orde op eigen zaken te stellen. Een gemiddeld CDA-congres is nou niet echt op het conflict gericht. Wordt er krediet gevraagd, dan krijgt men die doorgaans ook. De sleutelvraag voor dit congres wordt of het krediet van het vorige congres nog kan worden verlengd. Voor kredietverlenning geldt dat de partijvoorzitter nog steeds geen compleet bestuur heeft en dat de fractie op de goede weg leek (standpunt Europa, goede Politieke Beschouwingen). De uitkomsten van de werkgroepen worden pas na de resoluties besproken, wat volgens mij ook eerder zal helpen dan hinderen. Tegen kredietverlenging geldt het gevoel dat de partij een gewond dier is en balsem nodig heeft in plaats van nieuwe tikken.  

Mauro

De aandacht gaat nu natuurlijk uit naar de resolutie rondom Mauro. De stemming daarover is op zich niet vreselijk spannend. Het kan dat de uitkomst daarover het Koppejan en Kathleen onmogelijk maakt om nog terugtrekkende bewegingen te maken als het gaat om de (hoofdelijke) stemming in de Kamer op dinsdag, maar dan zijn er altijd nog de stemmen van de SGP om de regering aan een meerderheid te helpen. Pas als er meer CDA-tegenstemmers komen dan deze twee, ontstaat een concreet probleem voor dit Kabinet – maar dan nog is het sterk de vraag of de PVV van kwaadheid over deze stemming het Kabinet op zou blazen. Dat lijkt meer dan onwaarschijnlijk. Mijn beeld is dat, op D66, SP en PvdD na, geen partij echt zit te wachten op een crisis. Om al die redenen wordt de stemming over Mauro geen stemming over het kabinet. Dat het de verhoudingen onder druk zet, met name binnen het CDA, hoeft geen betoog. Maar toch; de discussie over de resolutie wordt in mijn ogen belangrijker dan de uitkomst van de stemming. De kwaliteit van die discussie geeft een indicatie of we elkaar nog kunnen blijven vinden of niet. Vandaag is de geboortedag van Erasmus. Hij sprak onder andere uit: ‘Niets is dwazer dan wijze woorden te spreken op het verkeerde moment’. Ik heb zorg dat wat we morgen bespreken hoe dan ook niet op het goede moment is. Hoe kan je elkaar de maat nemen over een individueel geval zonder allemaal verliezer te worden?

CDJA-resoluties

Er speelt meer dan Mauro. Bij het vorige congres lagen er een aantal CDJA-resoluties voor over de partij-organisatie. Het ging over meervoudige kandidaturen, regionale voorverkiezingen e.d. Ik heb toen zelf nadrukkelijk het woord gevoerd om die resoluties te ontraden. Het was het congres waarop Ruth Peetoom tot voorzitter werd gekozen en dan hoort het erbij dat een nieuwe voorzitter de kans krijgt een stempel op het beleid te drukken. Je kan zeggen dat de voorzitter die kans nog steeds moet krijgen, maar twee dingen knagen. Allereerst het feit dat er uit de werkgroepen zelfs nog geen halffabrikaat ligt op het moment dat we zaterdag moeten gaan stemmen. In de tweede plaats het feit dat er iets wringt rondom de kandidaatstelling van de nieuwe bestuursleden. Wat mij betreft niet vanwege de personen zelf, maar wel door de argumentatie dat er geen andere geschikte kandidaten waren om tot een meervoudige voordracht te komen. Zeg dan gewoon dat Ruth Peetoom de kans moest krijgen haar eigen team samen te stellen. Dat laatste is volstrekt legitiem gegeven de situatie, wat ook de statuten ervan zeggen. Voor anderen zal het meer een principekwestie zijn: meervoudige kandidaturen horen bij een democratische partij. Hoe dan ook; bij resoluties als deze kan het bestuur er niet vanzelf van uitgaan dat het congres bij resoluties op deze punten het standpunt van het bestuur – ontraden – opnieuw zal volgen.    

Nog even doorgaand over resoluties: er liggen ook nog resoluties over onderwerpen als de dreigende opheffing van Flevoland, de toekomst van de zorg, kostendekkende griffierechten. Allen voorzien van een negatief pre-advies. Je zou bijna denken dat die ook ergens over gaan, maar laten we niet overdrijven.

Spannend

Al met al wordt het toch nog een spannend congres. Naast Mauro mogen we wellicht ook nog occupy-demonstranten verwelkomen en een paar journalisten. Je krijgt wel aandacht als je CDA’er bent, zullen we maar zeggen. Het betekent ook dat ik naar zo’n congres ga met allerlei goede raad in de oren. Ik zal het allemaal wegen, maar neem het me niet kwalijk als ik op een gegeven moment denk: en nu is het mijn beslissing. Ik doe het naar eer en geweten en ik doet het niet voor de camera’s. Na zaterdag spreken we elkaar opnieuw.

 

Peter Noordhoek

Bestuurlijke inrichting: geen krokussen in oktober

Vandaag geen uitgebreide geschreven blog. Mijn videoblog moet het werk doen. Tijd en concentratie nodig voor de drukproeven van ‘Branchebrede kwaliteit’. Als het lukt alles nog op tijd af voor de presentatie op het VM-jaarcongres van 17 november a.s.

httpvh://www.youtube.com/watch?v=eeTFFrDWw4c 

Waar mijn (video)blog dit keer over gaat is een onderwerp dat me de laatste jaren stevig heeft bezig gehouden: de bestuurlijke inrichting van Nederland en dan in het bijzonder die van Zuid-Holland. Er is veel kritiek gekomen bij het verschijnen van de visie van minister Donner op de bestuurlijke inrichting. Het verhaal zou zowel kansloos als visieloos zijn. Zelf waarder ik het anders, mede op basis van een reeks gesprekken die ik samen met Rob Lambrichs de Bruine in het najaar van 2010 met allerlei personen heb gevoerd (zie links hieronder). Als je die gesprekken op je laat doordringen, dan omvat de notitie een behoorlijk knap evenwicht tussen de voornemens van het regeerakkoord en de realiteit van de bestuurlijke discussie anno nu. Dan is het dus ook logisch dat het nu gaat over een Zuidflank en een Noordflank en niet langer over een Randstadprovincie. Ik begrijp de partijen die dat een teleurstelling vinden, maar dan moeten die partijen zich ook afvragen hoe goed ze nu eigenlijk de bestuurlijke problematiek hebben inegschat en wat de verschillende spelers daarin willen. Alsnog een Randstadprovincie vragen is als het verwachten dat er krokussen in oktober uit de grond komen. Niet erg realistisch dus, al zullen Westlanders dan onmiddelijk aan de mogelijkheden van een kas denken.

Mijn waardering voor de notitie betekent overigens niet dat ik geen kritiek heb. Een fusie tussen de provincies Noord-Holland, Utrecht en Flevoland maakt me niet echt gelukkig. De problemen van Amsterdam en Almere kunnen ook anders worden opgelost en een provincie die zich uitstrekt van de vuurtoren in Texel tot en met de zendmast in Lopik – dan ben je dus al halverwege Maastricht – vraagt om weer nieuwe tussenlagen. Precies dus wat je niet wilt.

Interessanter en subtieler is de spanning in het Zuid-Hollandse. Er komt een vervoersautoriteit die ook een soort basis vormt voor de samenwerking in het kader van de metropool Rotterdam-Den Haag. Dat klinkt praktisch en beperkt, maar in de praktijk is het zowel een teleurstelling voor een groot aantal partijen die klaar staan om verder te gaan als een wig in het voornemen om het bestuurlijk eenvoudiger te maken, inclusief het schrappen van WGR-achtige tussenlangen in het druk bestuurde Zuid-Holland.

De ambities voor de zuidflank strekken met name bij Rotterdam een stuk verder dan een vervoersautoriteit en in die slipstream worden heel wat middelgrote gemeenten meegenomen (over het enthousiasme van de kleinere gemeenten ben ik niet zo zeker). Veel zal afhangen van wat er nog meer gaat gebeuren dan de inrichting van een vervoersautoriteit. Daarbij heb ik zorg over de manier waaop de voorstanders van de metropoolregio en de vertegenwoordigers van de provincie het gesprek met elkaar moeten voeren. Een win-win situatie laat zich niet zo makkelijk verwoorden. Ik hoop dat de bestuurders de ogen op de bal houden en vooral goed blijven kijken naar de vraag welke taak nu het beste waar belegd kan worden (en vergeet die kerntakendiscussie van de commissie Lodders, een vergissing van de eerste orde).

Tot slot is er nog iets dat ik met argusogen in de gaten houd; de positie van de eigen regio. De kans dat de regio rondom Gouda (breder: het Groene Hart) in de toekomst worden gezien als een ver achterland van Rotterdam is aanwezig en doet tegelijk geen recht aan de positie van deze regio. Mijn beeld is dat bestuurders en ondernemers in deze regio nog onvoldoende wakker zijn. Ik hoop toch dat de ontwikkeling een ‘wake up call’ wordt voor een regio die inderdaad een nogal onduidelijk profiel heeft, ook al kan het zich met recht ‘de poort tot de Randstad’ noemen.

Interessante links:

Meer interviews www.northedge.nl/artikelen (tag: provincie)

 

Peter Noordhoek

 

www.northedge.nl

 

De rijke overheid: over het beter benutten van private geldstromen

Deze week stond er in de Volkskrant een bericht dat de Staat per saldo heeft verdiend aan de crisis. Huh? Kijkend naar de rente-inkomsten die de Staat haalt op de door uitgegeven leningen (inclusief die aan Griekenland!) en de relatief lage rente die de Staat zelf moet betalen op haar leningen, is de staat spekkoper. De extra kosten die de Staat vanaf 2008 heeft door de crisis, inclusief de kosten van het overnemen van banken, wordt netto gecompenseerd door de combinatie van alle meevallers. Tsjonge. De rijken worden rijker, zullen we maar zeggen.

Zegeningen luider tellen

Gek eigenlijk dat dit bericht nauwelijks een echo heeft gekregen in de media. Alsof we het niet willen geloven. Alsof we zitten wachten op de adder in het gras. Natuurlijk is die adder er ook: het gaat hier om de in- en uitgaven van de staat en niet om die van de economie in haar geheel en de genoemde winst is vooral goed om te voorkomen dat we niet nog meer hoeven te bezuinigen, bijvoorbeeld om de tegenvallers in de zorg op te vangen. Met andere woorden; we voelen de meevallers niet echt. Maar het is en blijft goed nieuws. Net zoals dat uit een ander miniberichtje in de pers: de Nederlandse pensioenfondsen hebben in 2010 met 18,6% veruit het hoogste rendementscijfer op beleggingen gehaald van alle OECD-landen. Maar ook dat cijfer wordt niet gehoord te midden van cijfers over fondsen die hun dekkingsgraad niet zo hebben gehaald als we dat in Nederland willen zien. Maar toch; we zouden onze zegeningen wel eens wat luider mogen tellen.

De telefoon kan gaan

Dat geldt ook op een ander vlak. Een vlak dat instanties die van publieke gelden afhankelijk zijn heel wat rechtstreekser kan raken dan wat de slimme jongens en meisjes op Financiën op hun terrein nu doen. De situatie is deze; als directie van een uitvoerende dienst of maatschappelijke instelling zou u wel eens telefoontjes als van deze strekking kunnen krijgen: ‘Mogen we een keer komen praten? U doet dingen waar wij zeer in geïnteresseerd zijn en wellicht kunt u nog wat financiering gebruiken?’

Banken en andere financiële instellingen hebben alle reden om dit soort telefoontjes te (gaan) doen. Er is namelijk heel veel geld dat naar een bestemming zoekt. Het rendement op standaard beleggingsvormen, inclusief vastgoed, ligt of ver onder het gebruikelijk niveau, wordt als te riskant beschouwd of heeft last van een combinatie van beiden. Als één van de weinige dingen blijven dan de publieke instellingen over. De rendementen zijn vaak laag, maar ze zijn heel wat zekerder dan andere activiteiten. En het gaat nog een stapje verder: het gaat niet (alleen) om de financieren van klassieke overheidsactiviteiten als wegenbouw of andere typische ‘harde’ projecten. De overheid heeft meer prioriteiten.

Op zoek naar rendement

Nee; private financiering van publieke projecten zal een thema blijven, maar dit keer gaat het juist over de producten en diensten van (semi)-publieke instellingen. Denk aan activiteiten in de zorg, bijzondere vormen van onderwijs, milieudiensten. Denk, nog een slag concreter, aan het financieren van een nieuw medisch apparaat in een ziekenhuis dat haar zorg wil verbreden. Denk aan een praktijkopleiding op een MBO-school die door een branche wordt gesteund met een digitale freesmachine waarvan de producten direct verkoopbaar blijken. Denk ook aan de verhuur van vuilcontainers in het kader integraal ruimtebeheer, etc. Stuk voor stuk activiteiten die om uiteenlopende redenen alleen binnen het totaal van het publieke bestel kunnen gedijen, maar die afzonderlijk genomen een zeker rendement hebben dat anno nu interessant kan zijn voor risicomijdend geld. We hebben het dus over een vorm van publikisering van private gelden. Een mooi omgekeerd antwoord op de crisis van de jaren tachtig, toen het vooral om privatisering van publieke geldstromen ging. Dat is ook logisch; toen stond de flexibilisering voorop als uitdaging voor de samenleving, nu het leven met risico’s. Er geldt, zeker in de Nederlandse verhoudingen, wel een kanttekening. De beste projecten zouden wel eens in het middendomein gevonden kunnen worden van semi-zelfstandige stichtingen en instellingen. Daarom herhaal ik nog maar eens mijn oproep om opnieuw het fenomeen verzelfstandiging onder de loep te nemen. Het geld is meer dan welkom, maar vraagt wel om een aangepaste vorm, c.q. ‘governance’. Als die overheid opeens over verassend meer geld lijkt te kunnen beschikken dan we dachten: hoe gaan we daar dan mee om?

Publikiseren

Zelf zie ik een aantal varianten voor me op dit ‘publikiseren’: klassiek Public-Privat-Partnership (PPP), verzelfstandigen, vermaatschappelijken en verzegelen.

PPP

Er is het directe publikiseren van privaat geld voor overheidsdoelstellingen op het terrein van infrastructuur en gebouwen: PPP dus. Hoewel verwacht mag worden dat we geen Japan scenario ingaan, waarbij we ons met bruggen en wegen uit een deflationaire cyclus gaan besteden, zal deze stroom echt nog wel enige omvang houden. De publicatie van het CBS deze week over de demografische ontwikkelingen geeft aan dat de bouwopgave in de Randstad het komende decennium er niet minder op wordt. De wijze waarop we de financiering doen kan altijd beter, maar in principe weten we hoe dat moet.

Verzelfstandiging

Interessanter zijn de varianten van het publikiseren van gelden met tegelijkertijd een op afstand zetten via verzelfstandiging. Hierboven noemde ik al wat voorbeelden. Het rendement lijkt relatief laag, maar hé, er is rendement. Het punt is echter wel dat we terecht huiver hebben gekregen voor allerlei wilde marktgerichte plannetjes, met als volstrekt logisch einde dat een vuilnisdienst terecht komt in de ‘business’ van kinderopvang. Dat zal dus anders moeten. En dan dus ook anders dan bijvoorbeeld bij de privatisering van de parkeerdiensten, waarbij eerst de commerciëlen het maximum uit beton en slagbomen gingen halen en vervolgens de gemeenten op weer hele andere (belasting)gronden het maximum uit de heilige koe gingen melken. Nee; wat we nu nodig hebben zijn constructies waarbij probleem en oplossing in één hand liggen, maar wel zo gemaakt dat iedereen kan zien waar het over gaat en de private gelden goed te onderscheiden en verantwoorden zijn. Daar heb je dan dus een vorm van verzelfstandiging voor nodig; ik noem het maar een publieke taak organisatie.

Vermaatschappelijking

En nog even de lijn doortrekken. Want er zijn natuurlijk heel veel stichtingen en instellingen die op vergelijkbare wijze activiteiten gefinancierd zouden kunnen krijgen. Formeel gaat het om privaat geld voor private activiteiten, maar wat mij betreft mag er rustig over ‘vermaatschappelijking’ van privaat geld worden gesproken. En ook dit moet natuurlijk in goede banen worden geleid; herkenbaar, transparant en dus op enige afstand.

Verzegelen

Ten slotte nog ééntje, om geen andere reden dan dat ik er aan moest denken en dat het precies de andere kant op gaat.

Informatie is geld, geld is informatie. Op dit moment borgen we publieke informatiestromen met private erkenningsvormen. De certificering van websites is er een variant van. We kijken te neutraal naar de borging van publieke informatie. In mijn ogen moeten we niet certificeren maar ‘verzegelen’ en daar hebben we een moderne vorm van de klassieke notarisfunctie voor nodig. Echter; ook private partijen, financiële instellingen voorop, vragen daarom. Een goede verzegeling is wat waard. Daar mag dus geld voor worden gevraagd en de wijze waarop dat gebeurt kan weer, zeker initieel, weer privaat worden gefinancierd.

Opnieuw: de telefoon gaat

De telefoon gaat. De bank belt. Vraag: ‘Kunnen wij praten? Heeft u nog een interessante bestemming voor ons geld?’ Overal binnen overheid en middenveld kunnen in potentie dit soort telefoontjes gaan komen. Wat is dan het antwoord? Is het de telefoniste die zegt: ‘Sorry, ze zijn allemaal in overleg’, of is bekend hoe er moet worden doorverbonden? En trouwens, wat doet u als er geen bank wenst te bellen? Zo laten, of zelf met een voorstel komen? Bedenk dat de subwereld van de financiën wantrouwend naar de subwereld van de overheid kijkt en andersom en dat een fors deel van de wereld het liefst beide aan het reinigingsbedrijf mee zou willen geven – gratis. Dus dat wordt weer even wennen. Maar niet te lang. Slimme partijen handelen al lang zoals hierboven beschreven, maar de grote bulk moet nog wakker worden – aan zowel publieke als private kant. Voor je het weet zijn de buffers er niet meer of gaat het met de economie weer zo crescendo dat het private geld weer op zoek gaat naar een beter rendement. Aan de slag dus.

The wisdom of me

Voor wie ik deze weblog schrijf? Geen idee. Ik weet wel dat veel van mijn lezers iets doen met of voor het openbaar bestuur en er zijn ook nog wat verdwaalde economen die me volgen. Voor ons allemaal geldt: kramp is de grote vijand. Het gevoel dat niets meer kan – en dat is gewoon niet waar.

Deze weblog begon met het artikel in de Volkskrant over de onverwachte winst die de Nederlandse Staat deze crisis financieel maakt. Wat ik mis zijn de journaalopeningen, de Kamervragen en de cafépraat. Waarom slaat dit bericht niet aan? Het doet me een beetje aan de hond uit het verhaal van Sherlock Holmes denken: ‘the dog that didn’t bark.’ Wat is er aan de hand? Voor de goede orde; er zijn wel degelijk de nodige mensen die een positief verhaal aanslaan. Voor zover ik dat kan overzien komt het vooral uit de mond van oudere heren die er de moed in willen houden door te zeggen ‘hoe goed we het doen’.  Dan is er ook nog een groep van toch-maar-geen-leeftijd-noemen dames die zeggen ‘hoe goed we het hebben’. Beide groepen maken per saldo weinig indruk. The ‘consensus of the crowd’ (laten we het maar geen ‘wisdom’ noemen) is dat het crisis is en dat andere beelden daar geen plaats naast hebben. Deze weblog is bedoeld om dat beeld toch een beetje bij te stellen – ‘the wisdom of me’ – en op te roepen tot enige creativiteit in ons aller domein.

 

Peter Noordhoek

 

www.northedge.nl

CDA: 2 oktober 2010. Een persoonlijke reconstructie

Deze weblog is mijn persoonlijke reconstructie van het formatiecongres van het CDA zoals dat werd gehouden op 2 oktober 2010. Het geeft mijn beeld van het congres en analyseert wat zich tijdens en direct voorafgaande aan het congres allemaal afspeelde, zowel in het zicht van de camera’s als daarbuiten.

In de laatste week van september hoorde ik opeens weer allerlei mensen spreken over het CDA congres in Arnhem. Hadden we dat niet achter ons gelaten? Maar de aanleiding blijkt onschuldig genoeg: het is een jaar sinds dat congres plaatsvond en bij bijzondere gebeurtenissen moet worden stilgestaan. Waar genoeg.

Wat was er ook weer gebeurd? Tijdens een lange hardloopronde ben ik herinneringen gaan ophalen. Het bleek dat veel waardevols al richting het vergeethuis ging. Zonde. Voor mijn eigen plezier, maar zeker ook omdat er volgens mij nog veel te vertellen valt dat niet algemeen bekend is, maak ik deze reconstructie van het formatiecongres in Arnhem en wat daar aan vooraf ging. Het geeft denk ik een nieuwe inkijk in een bijzonder congres. Maar ik waarschuw ook: het is een verrekte lange blog geworden, mede dankzij een lange treinrit vanuit de Randstad naar Assen en terug. Het start in ieder geval bij het afgaan van de wekker. By the way, de foto’s zijn van mijzelf. vergat helaas om er meer te maken. Er gebeurde zoveel.

Stille start

De wekker ging die 2e oktober om 6 uur, slechts een paar uurtjes nadat ik in mijn bed was gerold. Nog stevig duf reed ik vanuit Gouda naar de parkeerplaats waar ik op mijn passagier Liesbeth Spies zou wachten. Daar gekomen twitterde ik  dat vandaag de grote dag zou zijn en dat we al snel op weg zouden gaan naar .. Zwolle. Geen idee hoe ik op die plaats kwam, maar na luttele seconden zat mijn twitteraccount vol met CDA’ers die mij er op wezen dat het slimmer was om naar Arnhem te gaan. Dank u, dank u. Nu ben ik wakker. Ik was dus duidelijk niet de enige die al vroeg op was. Liesbeth voegde zich belachelijk fris bij me en richting Arnhem ging het. Het idee was dat we er ruim voor de andere deelnemers zouden zijn. Liesbeth om zich te laten schminken voor de live uitzending van de NOS waar ze als commentator bij zou optreden en ik omdat we nog een voorvergadering over de ingediende resoluties zouden hebben.

We waren nogal stil in de auto. We wisten toch niet goed wat we moesten verwachten. Daarbij was het voor ons beiden ook een soort einde van een lang traject. Voor Liesbeth zou oktober de maand worden waarin ze zich niet alleen formeel maar ook informeel het gebeuren in de Kamerfractie los kon laten. Eindelijk zou alles zich op de provinciale campagne kunnen gaan richten waar ze lijsttrekker voor was. Voor mij was 2 oktober de tweede dag dat ik formeel geen campagneleider meer was voor het CDA Zuid-Holland. Eindelijk zou ik me weer volledig op mijn ondernemerschap kunnen richten (een gedachte die na een onverwacht gastoptreden tijdens het lijsttrekkersdebat in maart 2011 nog tot een aparte misvatting zou leiden). Hoe dan ook, Liesbeth had voor het weekend erna een reis naar Parijs geboekt en ik zou ook op stap gaan met mijn vrouw. We waren er behoorlijk aan toe. Als het om het congres ging leefden we tussen hoop en vrees. We wisten dat het bijzonder zou worden – wat heet: dat was het al, alleen al door de duizenden aanmeldingen – maar niet hoe bijzonder het zou worden. In mijn hoofd leefde ook het scenario dat het saai zou worden. Het onbestemde reed met ons mee naar Arnhem. IMG_0008

Veel van wat we dachten en bespraken was beïnvloed door de voorgaande weken. Ik wil het hier even niet hebben over het grotere spel zoals zich dat achter fractiedeuren had afgespeld, al was dat spannend genoeg. Hier beperk ik mij tot twee elementen die erg bepalend zijn geweest voor de gang van zaken tijdens 2 oktober en in de verhalen erna weinig aandacht hebben gekregen. Het eerste is een typisch machinekamerpunt; de mate waarin partijprocedures het verloop van het congres hebben bepaald. Spannende zaken verschuilen zich graag onder een mantel van saaiheid. Die mantel licht ik even op. Het tweede punt raakt aan de ledenvergadering die elke provincie de avond daarvoor had georganiseerd. Het was de allereerste avond dat de leden zich konden uiten. En hoe.

Voorspel

De echte ster van het congres in Arnhem was Marjolijn Knol. Zij en haar kleine team leverden een niet genoeg geprezen prestatie door het congres in Arnhem vlekkeloos te organiseren. (Meer lof ga ik haar niet geven, het is toch al een wonder dat ze nooit is weggekocht). Het punt dat Marjolijn niet in handen had was de inhoudelijke regie van het congres. Normaal gesproken wordt alles rondom zo’n congres geregeerd door statuten en (gewoonte)recht. Maar ik was niet de enige die vond dat dit geen normaal congres was en dat je voor een evenement als dit een buitengewone congresvoorzitter moest hebben. In de dagen dat Henk Bleker nog secretaris van het partijbestuur was zou de keuze een ‘no-brainer’ zijn geweest: zet Henk ervoor. Die pingpongt een congres zo’n beetje heen waar hij wil. Als voorzitter kon hij echter niet tegelijk ceremoniemeester zijn. Er begonnen al snel namen van HBM’ers (Hele Belangrijke Mensen) rond te zingen waarvan ik dacht, ‘Als ze het maar laten’. Bovendien had ik zelf een kandidaat: ene Liesbeth. Dat was vanuit de overtuiging dat zij de beste was, maar daar kwam ook een campagnemotief bij: geen slechte media-exposure, toch? Het landelijk campagneteam had in mijn ogen verzuimd om uit de provinciale lijsttrekkers een spits aan te wijzen voor het media-offensief richting maart 2012. Als je landelijk top is uitgeschakeld, moet je niet een amorfe tweede lijn naar voren schuiven, maar kiezen voor iemand met maximaal profiel. Dat zou Liesbeth of Theo Rietkerk moeten zijn en mijn voorkeur was duidelijk.

Tijdens de recepties van Prinsjesdag leek het mij in ieder geval te lukken de fractie te overtuigen van Liesbeth als ceremoniemeester, maar wat ik onvoldoende besefte was zich al aan het voltrekken: een terugvallen op de formele regels rondom congressen. De secretaris zelf, Jos Houben, was daar logisch genoeg sterk voor geporteerd: het betekende automatisch dat hij het congres zou mogen leiden. Er is nog veel druk van allerlei kanten gekomen, maar uiteindelijk hielp dat alleen maar om nog strakker vast te houden aan de standaardregels. Dat pakte slecht en goed uit. Jos Houben is een fijn mens en een goed jurist, maar het leiden van een congres van die omvang is een vak apart en dat was niet het zijne. Hij had overigens wel pech: door de verkiezingsnederlaag ontbrak het budget voor stemkastjes, waar anders zeker voor gekozen zou zijn. Het had heel wat drama (maar ook humor) voorkomen.

Het pakte goed – wat heet: briljant – uit, in de zin dat iedereen, behalve de standaard sprekers van voorzitter, fractievoorzitter en leider kabinetsdelegatie, niet meer dan de voorgeschreven minuut spreektijd zou krijgen. En dus echt iedereen. De druk die door die en gene is uitgeoefend om te spreken is enorm geweest. Vooraf werd er rustig 15 minuten spreektijd geclaimd. Uiteindelijk is dat allemaal teruggebracht tot ieder die ene minuut. Die minuut zou het succes van het congres bepalen. Het betekent ook dat alle verhalen over manipulatie overdreven zijn. Misschien kan je zeggen dat het niet chic was dat Henk en Maxime veel langer de tijd hadden dan de tegenstanders van de gedoogconstructie, of dat het niet chic was om oud premiers tot die minuut te beperken. Misschien had er geen extra losse microfoon moeten zijn om aan sommige sprekers te geven, of hadden de Kamerleden niet als laatste mogen spreken. Misschien. Het zijn in ieder geval allemaal ‘minor points’. In mijn evaluatie zijn er bijna onverantwoorde risico’s genomen door alles zo tot een volgen van de statuten terug te brengen. Het pakte spectaculair goed uit, maar het had ook anders kunnen gaan.

Voorwerk

Het tweede punt raakt aan de bijeenkomsten die overal de avond ervoor op provinciaal niveau waren gehouden. Ook in Zuid-Holland, mijn eigen provincie. Dat waren stevige, emotionele bijeenkomsten. Ik herinner me lange rijen met sprekers die hun ziel en zaligheid in hun woorden legden (en zich toen nog niet tot een minuut lieten beperken, pfff). Toch kon al die inzet niet wegnemen dat in nagenoeg alle provincies steun werd gegeven aan het gedoogakkoord. Om dat te volgen bereikte het aantal sms-en en tweets die avond grote hoogten. Op grond van de uitslag in Zuid-Holland en in andere provincies leek het mij logisch dat in Arnhem ongeveer 85 tot 90% voor het akkoord zou stemmen. Dit gegeven heb ik die zaterdag in Arnhem als een puzzelstuk meegenomen in mijn afweging over hoe ik zou gaan stemmen en ik zal niet de enige zijn geweest. Het zorgde er ook voor dat ik mij op weg naar Arnhem toe instelde op het congres als een lange, lange reeks insprekers met een mogelijke anticlimax op het einde. In die zin ben ik toch nog verrast door het spektakel dat het zou blijken te zijn. IMG_0005

Er speelde voor mij persoonlijk nog iets anders op die vrijdagavond. Ik ben normaal geen persoon die allerlei resoluties bedenkt, maar dit keer was dat anders. Al vele jaren ben ik lid van de Stichtingsraad van het Wetenschappelijk Instituut (WI). Al vanaf 2004 heb ik in al die vergaderingen opgeroepen om het Program van uitgangspunten en het rapport ‘Publieke gerechtigheid’ opnieuw te bekijken. Het kon communicatiever, het moest actueler. Ook door Ab Klink is die oproep jarenlang genegeerd. Pas na de nederlaag kwam er schot in. Hoopte ik – maar echt vertrouwen deed ik het niet meer. Voor mij was dat aanleiding een resolutie te formuleren onder de titel ‘maandagochtendresolutie’. Ter voorkoming van het over gaan tot de orde van de dag dus. Normaal gesproken wordt een congresresolutie ingediend bij het partijbureau en dan voorzien van een pré-advies door het landelijk dagelijks bestuur. Dit keer dus niet. Ik kreeg een informeel advies mijn resolutie wat af te zwakken door niet expliciet het program van uitgangspunten te noemen. Daar hield ik mij aan, maar op die avond bleken er opeens nog drie resoluties te liggen met een vergelijkbare strekking. Een resolutie van Katwijk had een dictum dat precies omvatte wat ik er net uit had gehaald. Echter, Katwijk had die vrijdagavond verzuimd een delegatie te sturen, dus op de suggestie om een en ander samen te voegen konden we niet echt handelen. Op verzoek van de voorzitter van het CDA Zuid-Holland, Tony de Bos, ben ik toen met super woordensmid Peter Pennenkamp en de voorzitter van de afdeling Rotterdam bij elkaar gaan zitten. Van de vier resoluties hebben we één nieuwe resolutie gemaakt en die is door de vergadering aanvaard. Wel kregen we het verzoek al om 9 uur in Arnhem te zijn om met de andere resolutie-indieners te overleggen.

Voor één minuut

We kwamen al voor 9 uur in Arnhem aan, maar het was toch al druk. Door de druilregen heen liepen we richting de ingang. Daar werden we ontvangen door een heel wat grotere horde demonstranten dan normaal. Gezellig. Liesbeth en ik konden vlot naar binnen, zij naar de grime en ik naar de vergadering. Maar waar was de vergadering? Niemand die er iets van wist. Ondertussen was ik Liesbeth kwijt. De rest van de dag zouden we eigenlijk alleen maar per sms contact met haar hebben, van mijn zijde elke keer als er iets van waarde te melden was, van haar zijde alleen als er een boodschap aan iemand moest worden doorgegeven.

Naar bleek was er helemaal geen vergadering. Wel was er een haastig boekwerk verschenen met alle resoluties van de vorige avonden. Maar niet alleen de samengestelde resolutie van Zuid-Holland bleek in die bundel opgenomen, maar ook de oorspronkelijke resolutie van Katwijk. Handig, maar niet heus. Vanaf dat moment ben ik een uur bezig geweest om de eigen delegatie van Zuid-Holland in de massa te traceren en contact met Katwijk te krijgen. Dat contact met Katwijk was niet echt constructief. Begrijpelijk genoeg wilde de vertegenwoordiger van de afdeling niet afzien van de gelegenheid om Katwijk en zichzelf te profileren. Het betekende veel overleg om daar een oplossing voor te vinden. Vervolgens trok ik mij daarna in het mediadeel van de tribune naast de plenaire zaal terug om een scherpe presentatietekst te schrijven, waarbij Peter zich later aansloot om de tekst te toetsen. Al met al denk ik dat ik voor die ene minuut waarin ik de resolutie mocht presenteren zo’n 3 à 4 uur bezig ben geweest. Ook op die ene minuut kijk ik gemengd terug. Het ging precies zoals ik wilde en ik voelde de mensen achter de bestuurstafel en om mij heen reageren, maar ik had in de voorbereiding een hele mooie openingszin geformuleerd die wij in de laatste voorbereiding weer schrapte met het oog op CDA-gevoeligheden waarvan ik me nu helemaal niet meer kan herinneren wat die ook al weer waren. Ik had me dus weer onvoldoende gerealiseerd hoe groots dit (media) evenement was en dat ik voor groter dan normale gebaren moest gaan.

Handen en ogen, ogen en handen

Ondertussen was het spektakel helemaal los gebarsten. Dat begon al vroeg, met de toespraak van Henk Bleker. Het was het eerste moment dat de rillingen echt over mijn rug gingen. Dit ging echt ergens over. We waren deel van iets groters. En dat ingebed in een wervelwind van sociale contacten. Er zijn die dag een aantal stille momenten voor mij geweest. Vooral de momenten van voorbereiding voor de resolutie waren prettig. Schrijvend en denkend met een kopje koffie voor me, met af en toe iemand die aan mijn tafel langskwam. Ik weet nog hoe een aantal tafels verderop Henk alleen aan zijn tafeltje die toespraak aan het voorbereiden was en hoe ik een ontspannen gesprek met Pieter Heerma heb gehad over zijn werk voor de fractie en Maxime Verhagen. Ontspannen, rustig.

De rest van de tijd was één grote ontmoeting. Als ik tot aan de stemmingen een half uur op mijn stoel in de zaal heb gezeten, is het veel. De rest van de tijd was ik tegen de achterwand en aan de zijkanten van de zaal te vinden, altijd wel met iemand gesprek. Handen schudden handen, ogen ontmoeten ogen – dat werk. Zo was het een genot om met oude vossen als Henk de Haan en Frans de Nerée te spreken. Zo’n gesprek gaat nergens over, maar ondertussen wordt alles gezien en gewogen. Heerlijk. Tegelijk waren er ook hele indringende gesprekken met goede vrienden met wie ik de worsteling met het geweten deelde. Ik realiseerde mij die ochtend dat het vooral de meer gemotiveerde en goed opgeleide leden waren die moeite met het gedoogakkoord hadden. In niet geringe mate waren (en zijn) het de mensen die met mij zijn opgegroeid binnen het CDA die oprecht vonden dat dit niet moest mogen of kunnen. Ik herinner mij iemand met wie ik samen in het CDJA heb gezeten en later in een afdelingsbestuur van het gewone CDA, voor wie het die dag er direct om ging of hij lid zou blijven of niet. Hij was er glashelder over. Hetzelfde gold voor mijn contacten met de CDA’ers van allochtone afkomst. Als campagneleider heb ik me relatief veel inspanning getroost om het CDA juist ook voor deze groep open te stellen en aantrekkelijk te maken voor de kiezers. Ze hebben keihard voor mij gewerkt en ik voor hen. Er was bij hen zoveel pijn. Dat deed mij ook veel. Ik weet wat het is om als CDA’er met de nek aan te worden gekeken door de goegemente, maar zij hebben hun nek nog veel verder uitgestoken.

Veel zeldzamer waren die dag eerlijk gezegd de gesprekken met mensen die uit overtuiging voor het akkoord stemden. Heel sporadisch kwamen die langs en dan altijd lag er wel wat van excuus in hun woorden of in de toon waarop ze het zeiden. Hoe zal mijn toon zijn geweest?

Woorden van voren

In de ochtend zette Henk Bleker met zijn toespraak de toon. Kippenvel, ondanks mijn sceptische zelf. Daarna kwam er een stuk met o.a. Jan Cees de Jager en Ank Bijleveld waar ik me weinig van herinner, behalve de golven van applaus die na elke toespraak door de zaal spoelden als bewegingen in een rusteloze zee. Wat vooral bijblijft, is de in breng van de individuele leden. Mensen die van hun één minuut gebruik willen maken vormden een kraag rondom elke microfoon, met daarachter nog eens een lange rij. Voor mijn eigen minuut rond de resolutie verliet ik het blok van Zuid-Holland en zocht een microfoon dicht bij het centrale toneel uit; ik wilde iedereen in de ogen kunnen kijken. Mijn beeld van de eerste rijen was er een van nervositeit. Op andere congressen wil het op de eerste rijen nogal eens saaier zijn dan in de rest van de zaal, netjes stijf, zullen we maar zeggen. Dit keer was de sfeer rommeliger, met veel bewegende bovenlichamen en gestrekte nekken daarboven. Het was wel leuk om even mee te maken, maar na mijn ene minuut van roem (zoals iemand het mij al te eerlijk me later zei: ‘Oh sorry, ik heb je gemist. Nam even een plaspauze.’ Daar tegenover stonden oma en bezoekend neefje die zo’n beetje van de bank gleden toen ze mij zagen), bewoog ik me weer het liefst in de wandellanen om de grote zaal heen. Er was zoveel te bespreken – en ondertussen kroop de vraag over hoe ik zelf zou gaan stemmen als een wingerd tegen mijn ruggengraad omhoog en mijn hoofd in.

Na de lunch

Na de lunch veranderde er eigenlijk weinig aan het programma. De negen microfoons vroegen en kregen om beurt hun minuut aandacht, de routine zat er bij de voorzitter goed in. Jos Houben zou die middag een hele goede beurt maken door die ene keer dat mensen boe gingen roepen dat onmiddellijk de kop in te drukken. Dat paste echt niet bij dag. De vage geur van duizenden lunchzakjes mengden zich met de warmte alle mensen en heel veel lampen. Waren er in de ochtend nog wel momenten van heftige verontwaardiging als mensen vonden dat ze ten onrechte hun verhaal niet konden afmaken, nu wist iedereen wel zo’n beetje wat er te verwachten viel. En toch ontstond er extra dynamiek. De prominenten kwamen aan bod en daarmee kreeg ook de tegenstem een nieuwe toon en urgentie. De emotie bleef en daar kwamen nu de statements van de Bekende Gezichten bij.

Meester en misser

Als eerste die van Maxime Verhagen. Wat in de herinnering blijft is zijn emotionele liefdesverklaring aan het CDA, inclusief tranen. Er zijn altijd mensen die aan zijn woorden twijfelen, wat hij ook zegt. Ik en de meeste mensen met mij daar twijfelden niet; dit was juist Maxime ten voeten uit. Wat minder is blijven hangen is zijn opmaat naar die uitbarsting toe. Dat was een verhaal waarbij hij verbinding probeerde te maken met de tegenstanders, vooral in de persoon van Ab Klink en Ad Koppejan (‘Heb je ooit zoveel mensen op je verjaardag gehad?’) en waarbij hij verder in een redelijk feitelijke opsomming stelde dat het concept-regeerakkoord het probleem niet kan zijn, want dan is op christendemocratische maatstaven gemeten zeer goed te verdedigen. Hij bracht het dus terug tot de vraag of het gedogen van een partij buiten het kabinet als probleem zwaar genoeg was om het daar op af te laten ketsen. Je kan er van alles bij denken, maar het was een presentatie die vooral leunde op een weergave van de uitkomsten van het proces tot dan toe en het is knap om zo terughoudend te zijn als zoveel mensen daar je bedoelingen in twijfel trekken. Jammer, wat eeuwig zonde, dat hij zich aan het einde van het congres zo vergaloppeerde met zijn totaal foute ‘feest van de democratie’ uitspraak. In de ochtend wisten we wat we aan hem hadden; je kunt het met hem eens zijn of niet, maar hij was wel lid van de familie. Een meesterlijk optreden, juist omdat het klopte.

Direct na afloop, toen hij een overwinning in handen had, hoe wankel ook, wreef hij het er nog even in bij de tegenstanders dat ze feestelijk verloren hadden. Het is zo dom dat ik denk dat Maxime een wat ze in het Engels een ‘unforced error’ noemen maakte. Hij deed wat hij wel eens vaker doet als hij eigenlijk geen woorden heeft en dat is grijpen naar de clichédoos. Dit keer greep hij – uit opluchting of vermoeidheid, wie zal het zeggen – helemaal, maar dan ook helemaal mis.

Lijnen in het zand

Maxime mocht menen dat het akkoord zelf niet ter discussie stond, maar voor de meeste mensen ging het die middag niet over het akkoord. Er is in feite schrikbarend weinig gesproken over de inhoud van dat akkoord. Economie, milieu? Bestonden niet. Alles draaide om de PVV en het standpunt van Wilders over de islam. Op dat punt – de vrijheid van godsdienst – werden de lijnen in het zand getrokken.

De getuigenissen van Hannie van Leeuwen en Piet de Jong raakten, zoals verwacht, diep. Ik luisterde ernaar als een kind dat zich tekort voelt schieten tegenover zijn ouders. Het enige wat ik tegenover de woorden van die generatie kon stellen was de gedachte dat het nu aan ons zou zijn om niet kapot te gaan aan de keuze die we maakten.

Maar ook die woorden gingen voorbij en voor mij stond de middag uiteindelijk meer in het teken van de tegenstelling van drie duo’s: Ab Klink en Camiel Eurlings, Piet Hein Donner en Ernst Hirsch Ballin, Ad Koppejan en Coşkun Çörüz. Een vierde duo zou zich niet laten horen: Ruud Lubbers versus Jan Peter Balkenende.

Eén minuut: Ab en Camiel

Ab Klink had indringende woorden voor ons. Martin Luther King en de Berlijnse muur kwamen langs, die laatste mede omdat Wilders diezelfde dag een speech gaf in die stad. Ik hoorde wat hij zei, onderkende de risico’s die hij benoemde van een gedoogconstructie met de populisten van de PVV, maar werd niet overtuigd. Het waren mooie woorden, maar voor mij als CDA’er en volgens mij voor Ab zelf, waren ze net een maatje te groot. Of was ik te klein? Dat kan best zijn, maar uiteindelijk viel mij zijn bijdrage tegen. Hij was los. Oh vriend, wat is er met je gebeurd?

Erger was de vuurpijl van Camiel Eurlings. Een paar minuten daarvoor had ik hem een handje gegeven, maar hij zag me nauwelijks. Overgeconcentreerd wachtte hij op zijn minuut. Het ging goed mis. Ongetwijfeld heeft het op sommige Tv-kijkers indruk gemaakt, maar hij overschreeuwde zichzelf. Alsof het allemaal een wedstrijd voor hem was, met winnen als enig doel. Ging moment raakte hij de zorgen van de tegenstanders. Alles draaide om loyaliteit. Het was het enige moment dat Liesbeth mij per sms iets vroeg wat ik niet kon waarmaken: ‘laat hem stoppen!’ Het was al te laat. In 2010 was zijn gevoel voor timing helemaal weg. Zijn grootste talenten liet hem in de steek. Het is goed dat hij vorig jaar geen leider van het CDA werd. Camiel, herpak je.

Eén minuut: Piet Hein en Ernst

Maar ook de bijdrage van Camiel was weer in een flits voorbij. Dieper is de strijd van Piet Hein Donner en Ernst Hirsch Ballin in mijn herinnering blijven hangen. Het enige moment dat we mee mochten maken van wat zich al tijden afspeelde in de Trêveszaal. Twee bovenmatig begaafde mensen uit dezelfde bestuurlijke familie, die streden (en strijden) om de ziel van partij en land. Het bijzondere van beide mensen is dat beiden daar die dag absoluut geen arrogante houding bij hadden. Ik zie beiden, maar vooral Ernst, schijnbaar volstrekt geduldig wachtend tot hun beurt kwam. Maar ook voor Donner was het in de rij staan geen affront. Ze omarmden het bijna, alsof ze wisten dat het spreken van lid tot lid hun woorden alleen maar krachtiger kon maken. Ernst maakte zich zorgen dat het applaus van zijn tijd af ging, Piet Hein ging daar humorvol mee om. Beiden maakten er een minuut waarbij elke punt en komma als een staak de congresvloer in werd geslagen en elk woord daar tussenin precies op de plaats viel waar die moesten vallen. Wat die woorden waren kan ik niet zo goed terughalen als ik zou willen, het gevoel van die woorden heb ik nog helemaal. Piet Hein maakte per saldo het meer rationele appel, Ernst het beroep op het geweten. Piet Hein liet een licht zien aan het eind van de tunnel en beloofde de kans op een betekenisvolle strijd: ‘Het gaat om wat we doen!’. Ernst zei ‘Stop!’ en liet me niet ontsnappen van mijn keuze. Ernst had de meer onontkoombare bijdrage van beide: ‘doe dit onze partij, doe dit ons land niet aan!’. Beide maakten mij trots op mijn partij, beide deden mij wanhopen.

Zeker tijdens de gesprekken van deze grootmeesters gebeurde mij wat mij de rest van de middag nog regelmatig zou overkomen; een bijna fysiek heen en weer voelen gaan van de grote vloer van de Rijnhal in Arnhem. Alsof iedereen meebewogen met de ene spreker om dan weer tegen te gaan hangen bij de volgende spreker. Heen en weer, van links naar rechts, bewoog de vloer mee met de stemming van de partij.

Eén minuut: Ad en Coşkun

Helemaal aan het einde, pal voor de echte stemming, zou er nog een laatste confrontatie komen, maar tegen die tijd had ik andere dingen aan mijn hoofd. Ik vond het te lang duren. Na de coryfeeën werd gewoon weer de draad opgepakt met de één minuut statements en het leverde voor mij alleen maar een gevoel van anti-climax en herhaling van zetten op. En ik was niet de enige. Een prominent sprak mij aan alsof ik er iets aan kon doen wat zij niet kon. En dus ging ik er wat aan doen. Overal stonden nog lange rijen voor de microfoon en het was onbegonnen werk om mij achteraan een rij aan te sluiten om met een ordevoorstel te komen met als strekking: stop en ga stemmen. Ik begon dus mensen in de rij aan te spreken om met zo’n ordevoorstel te komen. Begrijpelijk genoeg liet echter niemand zich zijn of haar minuut afnemen. Mijn gevoel werd ondertussen wel sterker; hier moet een punt achter worden gezet. Het was mooi geweest. Gelukkig wist eindelijk iemand de voorzitter daar ook van te overtuigen. Hij gaf de microfoon aan de laatste drie sprekers: een delegatie van drie Kamerleden (wat zal daar om gevochten zijn). Een hoorbare zucht van opluchting ging door de zaal. Nog even en we zouden de uitslag weten.

Ad en Coşkun vormden voor mij het laatste tegengestelde duo van die middag. Niet Kathleen. Ze vertolkte in haar bijdrage dezelfde kaarsrechte lijn die haar al het hele proces kenmerkte en ik kon er niets meer mee. Maar Ab is iemand die erg gemakkelijk een etiket van linkse jongen krijgt opgeplakt, terwijl hij in werkelijkheid vooral een eigenstandig denker is. Hij is een Zeeuw die zich niet laat voorschrijven wat hij moet denken, maar wel volstrekt loyaal is aan het CDA. Ik had hoop dat hij boven zichzelf uit zou kunnen stijgen en een onverwachte brug zou slaan. Dat kwam er net niet uit. Niet omdat hij niet zijn best deed, maar hij zette zich al snel vast in een onbestemde oproep tot saamhorigheid. Hij kon waarschijnlijk niet dat beetje extra geven zonder op zijn al ingenomen standpunt terug te komen.

De verassing was Coşkun, zeker voor de buitenwacht. Deze milde jurist had zijn afweging al lang gemaakt, maar met woorden van zowel moed als redelijkheid steeg hij ver uit boven het sjabloon van de allochtoon die per definitie tegen het gedoogakkoord zou moeten zijn. Hij bewees dat op het goede moment zacht uitgesproken woorden veel effectiever kunnen zijn dan emotionele uitbarstingen, hoe gemeend ook. Net als Maxime nam hij het regeerakkoord als uitgangspunt, maar hij deed dat beter dan zijn fractievoorzitter, door ook precies aan te geven wat het akkoord niet zei en waarin Wilders dus niet zijn zin had gekregen. Hij ging terug naar de feitelijkheid. Geweldig. En dat op zo’n moment. Hierna zouden de stemmingen beginnen. Wat moest ik doen? Ik had het akkoord gelezen en alles heel zorgvuldig afgewogen, maar nu ik er voor stond wist ik het niet meer. Er waren zoveel ware woorden gezegd. Aan de onrust bij velen meende ik te zien dat ik niet de enige was.

Geen minuut: Lubbers en Balkenende

Altijd als mensen ergens bij elkaar komen om een besluit te nemen moet je niet alleen denken over de woorden die worden gezegd, maar ook aan de woorden die niet worden gezegd. Mijn gevoel was dat iedereen die in de zaal was ruim de gelegenheid had gehad om alles te zeggen wat er te zeggen viel. Die dag waren er echter ook momenten dat ik probeerde te luisteren naar de mensen die er niet waren. Het ging me niet om de kiezersonderzoeken, die kon ik dromen. Het was meer een denken aan mensen uit de partij die er die dag niet waren en aan mensen uit mijn vriendenkring die buiten partij en politiek stonden, maar betrokken genoeg waren om niet vanuit vooroordelen naar mijn partij te kijken. Wat zouden zij hier van denken? Ik moet bekennen dat ik er op dat moment geen idee van had hoeveel van hen die dag via de televisie mee zou kijken.

En dan waren er nog degenen die er binnen de partij toe doen, maar die je niet hoorde. Afwezig waren hoofdpersonen uit het drama van de maanden ervoor: Jan Peter Balkende, Peter van Heeswijk. Wie er wel was, was Ruud Lubbers, maar hij sprak niet. Ook Jaap de Hoop Scheffer liet zich niet horen.  Allemaal logisch en verklaarbaar, maar achteraf jammer. Het leidt bij mij weinig twijfel dat onze jongste premier voor de gedoogconstructie was en zijn voorganger als premier er tegen. Het feit dat die twee hun visie niet hebben gegeven, zorgt voor schaduwen waar we politiek nog steeds over struikelen, vooral als het om Lubbers gaat. Ik herinner mij hem als onze premier in een grote hal vol politieke tegenstanders die hem letterlijk de rug toe keerden. Hij ging de confrontatie niet uit de weg en won. Dit keer ging hij de confrontatie niet aan, maar vindt nog wel dat hij zich op de achtergrond met alles mag bemoeien. Het klopt niet.

Hoe dan ook, alles in mij was op honderd en één manieren aan het wegen wat ik zou gaan stemmen. Ik wilde niets over het hoofd zien of door het hart laten vergeten.

Door de weerstandsbarrière

Hoe zou de stemming verlopen? Voordat ik daar wat over vertel, weer eerst iets over de gewone gang van zaken op een congres (of wat gewoon was). Door de pers, maar ook wel door de leden zelf, zijn de congressen vaak afgeschilderd als applausmachines voor het kabinet. Het valt niet te ontkennen dat als kabinet of fractie ergens hun zinnen op hadden gezet dat het dan bijna nooit lukte om een betekenisvolle resolutie door te drukken. Ik denk echter dat degenen die menen dat de leden er slechts als klapvee zaten er te simpel naar kijken. Elke partij heeft haar eigen cultuur en die van het CDA is, anders dan vooral die van de PvdA, geen vechtcultuur. Maar dat betekent niet dat de belangen niet serieus worden genomen. De gemiddelde congresganger bij het CDA kenmerkt zich wel door een forse politieke en bestuurlijke ervaring. De meeste weten hoe de hazen lopen en weten ook dat ze bij een resolutie niet alleen naar de tekst moeten kijken, maar ook naar de context. Ze beseffen ook vaak dat ze niet alles weten; ‘there is more than meets the eye’. Dan geldt voor kabinet en fractie doorgaans dat ze het voordeel van de eventuele twijfel krijgen. Er ligt dus automatisch een hoge weerstandsdrempel voor indieners van resoluties, zeker als ze vergaand zijn, zoals in Arnhem. Er zijn (binnenkort: waren?) ruwweg twee type resoluties. Het eerste type is de resolutie zoals die nadrukkelijk worden ingediend door een provinciale afdeling (degenen die ook die extra stem hebben). Die resoluties worden relatief iets vaker aangenomen dan resoluties van de tweede categorie, maar dat hoeft niet. Doorgaans is hun belangrijkste functie die van schot voor de boeg: of kabinet en fractie hier maar rekening mee willen houden. De tweede soort ontstaat vaak buiten de provinciale besturen om en daar weet men van dat het om de inbreng van individuen gaat. Ze hebben een vrij hoog stokpaard gehalte. De meeste leden kijken er naar met een mengeling van mildheid en moeheid. Fijn dat je er voor gaat, maar is het nog geen tijd voor de koffie? Resoluties uit deze tweede categorie worden eigenlijk alleen aangenomen als het open deur gehalte hoog genoeg is. Anders worden ze, zoals dat heet, ‘ontraden’. De meeste leden weten dan genoeg en volgen dat advies.

Stemmen wegen

In Arnhem werd deze traditie gevolgd en tegelijk doorbroken. De procedures bleven dezelfde, maar de dynamiek was zo anders dat de weerstandsdrempel verder overwonnen dan ik voor mogelijk hield. Die ochtend was ik gearriveerd met het idee dat het wel eens een saaie dag zou kunnen worden vanwege de uitslagen van de avond ervoor. Tegen het einde van de lunch was van die zekerheid niets meer over. Duidelijk was dat het overgrote deel van de insprekers bestond uit tegenstanders van het gedoogakkoord. En omdat de strakke 1-minuut-procedure er voor zorgde dat veel meer sprekers dan normaal aan het woord kwamen, ontstond sterk de indruk dat er een kwantitatief overwicht was voor de tegenstanders. Ik meende beter te weten vanuit mijn ervaring, maar dat er iets aan het schuiven was leek mij ook duidelijk. Voor mij was ook duidelijk dat de meer prominente tegenstanders van het akkoord er beter in slaagden hun argumenten en emoties over te brengen dan de voorstanders. Dat is dus 2-0 voor de tegenstanders. En dan nog iets heel belangrijks. De opIMG_0007komst. Op vrijdagavond zullen naar mijn inschatting een 2-3000 leden hun stem hebben uitgebracht, zwaar overwegend een ‘voor’ stem. Tegen het einde van de middag waren er van de meer dan 5000 aanmeldingen er uiteindelijk 4033 over om hun stem uit te brengen. De indruk bestond dat vooral de tegenstanders zich geroepen voelden om naar Arnhem te komen, uit een soort wanhoopspoging het akkoord tegen te houden. Aan de andere kant was het bekend dat een provincie als Limburg bussen vol Arnhemgangers had gemobiliseerd en daarvan mocht verwacht worden dat het grotendeels om voorstanders zou gaan. Maar genoeg om het effect van de extra tegenstemmers te kunnen compenseren. Ik dacht het niet. En zo was ik in de loop van de dag tot de conclusie gekomen dat de stemming nog wel eens heel spannend zou kunnen worden.

Stemmen tellen

Aan het begin van dit lange verhaal beschreef ik hoezeer het congres gevangen was geraakt in het korset van de statuten. Dat gold ook voor de wijze van stemmen en tellen. Allemaal hadden we een mysterieus boekje met allerlei gekleurde bladzijden gekregen, met daarop de woorden ‘voor’ en ‘tegen’. Sommigen van ons, waaronder ondergetekende, kregen twee van die boekwerken. Dit omdat we niet alleen als gewoon lid, maar ook als vertegenwoordiger van onze provincie stemden. Bij een standaard congres van 1000 kan dat een machtig wapen zijn voor de provincies, in de situatie van 2 oktober viel die stem behoorlijk weg. Menig televisiekijker (en twitteraar) zou die middag stellen dat er CDA’ers waren die de boel aan het flessen waren omdat ze twee stembiljetten omhoog hielden. Dus niet. Het was wel typerend dat de voorzitter niet nadrukkelijk naar de kijker toe uitlegde waarom het kon gebeuren dat mensen twee stemkaarten hadden. We waren zo op elkaar gericht dat de meekijkende buitenwereld even vergeten werd. Zo deden we het toch altijd?

Stemmen

Ik nam plaats in het blokje Zuid-Hollandse delegatieleden, naast mijn steun en toeverlaat Peter Viallé. Een zee van mensen om ons heen. ‘Pak het boekje erbij’; zo werd gezegd. Ik bladerde en bedacht: nu moet ik het weten. Maar ik wist het nog niet, tot ik voor mijzelf een heel kort moment van stilte wist te scheppen. Toen mij uiteindelijk werd gevraagd of ik voor of tegen de resolutie van het partijbestuur was om op basis van het concept-regeerakkoord toe te treden tot het kabinet ging mijn hand met het blad ‘voor’ omhoog.

Elders heb ik de afwegingen beschreven zoals die uiteindelijk in dat ene moment samenkwamen, met naast mij duizenden mensen die waarschijnlijk vergelijkbare afwegingen maakten. In augustus dat jaar schreef ik een ‘brief van een niet prominent’. Onlangs heb ik in een weblog nog eens duidelijk gemaakt wat mijn afwegingen zijn geweest. Laat ik er nog dit over zeggen: hoewel dit het moeilijkste, maar waarschijnlijk ook het mooiste moment uit de geschiedenis van de partij was, is de werkelijkheid dat ik op dat moment mij los maakte van partijoverwegingen. Een partij is uiteindelijk een middel en geen doel. Het is een noodzakelijk forum waarbinnen de meningsvorming plaatsvindt over de koers van een samenleving en van waaruit uiteindelijk ook de machtsuitoefening plaatsvindt om de uitkomsten daarvan te realiseren, maar er zijn momenten dat je eerst en vooral moet redeneren vanuit wat jij denkt dat goed of nodig is voor een land. Gesteld voor een onmogelijke keuze en wetend dat die keuze de partij best wel eens zou kunnen schaden, meende ik toch dat er geen ander alternatief was dan dit kabinet in te gaan en het gevecht te voeren binnen parlement en kabinet. De opluchting die ik ervoer toen bij de laatste Algemene Beschouwingen Sybrand van Haersma Buma Wilders een lijn trok door hem aan de normale fatsoensnormen te houden, geeft aan hoe nodig dat gevecht is – en ook hoe weinig het nog van dat gevecht is gekomen.

Uitloop en uitslag

De stemming zelf was een puinhoop. Als op zo’n belangrijk moment de procedure faalt is dat ernstig. Terugkijkend past het eigenlijk wel bij het wat amateuristische niveau waarop we in Nederland vaak politiek bedrijven – en dat zeg ik met waardering en zelfs wat liefde. Op het moment zelf kon ik die relativering niet opbrengen. Maar de uitslag was helder genoeg: 68% voor de resolutie, 32% tegen. Als ik die uitslag analyseer, dan denk ik toch dat de tegenstanders moeten worden gefeliciteerd met hun inzet. Als het waar is dat wij de dag ingingen met (op basis van de uitslagen van de avond ervoor) zo’n 15% tegenstanders, dan is het aantal tegenstanders in de loop van de dag verdubbeld. Mijn beeld is dat er per saldo 5% op het conto van de verhoogde opkomst van tegenstanders kan worden geschreven. Meer dan 10% is die dag van mening veranderd. Dat lijkt weinig, maar zeker voor CDA-verhoudingen is dat veel. Juist daarom was het zo belangrijk om de zorg van de 32& te erkenning. Door zijn foute opmerking over het ‘feest van de democratie’ werd maxime Verhagen niet meer gehoord toen hij daarna wat verzoenende woorden sprak, maar gelukkig deed Henk Bleker dit daarna wel expliciet.

Na afloop, aan het begin

En toen was het afgelopen. De meeste van ons keken elkaar aan met als eerste de vraag ‘Wat hebben we gedaan?’ in de ogen, met waarschijnlijk als tweede vraag ‘En, wat heb jij gestemd?’. Om vervolgens te knikken of weg te kijken. Bij sommigen kwam de emotie van de dag er op dat moment al uit, anderen bewaarden het voor thuis. Zelf begon ik me meer bewust te worden van de impact die de dag had gehad op de buitenwereld. Dat kwam mede door de contacten met de pers. In het begin van de dag was de pers de pers; aardig maar ook een tikkeltje arrogant, een beetje een standaard vermoeide routine. Later in de dag werd de pers een belemmering om alles goed te zien. Je had het geluid en de grote schermen echt nodig om het geheel te volgen, want zeker de bekende sprekers werden omringd door een hoge haag van persmuskieten. Wat ik hoorde betrof vooral de VARA-uitzending en wat zij de ether in stuurden had zoals gebruikelijk weer niets te maken met de rest in de zaal beleefde. Pas na afloop bleek hoezeer de pers ook was meegegaan in het gebeuren. Een paar stonden er echt te stuiteren van de adrenaline. Ik kan me ook voorstellen dat als je politiek journalist bent, dat dit het soort drama is waar je het voor doet. Er was een soort solidarisering na afloop; dit hebben we dan toch maar samen meegemaakt. Vlak voordat ik wegging sprak ik ook nog even met Bert Chabot van wie ik net zijn boekje over de campagnes had gelezen. Zijn enthousiasme en positivisme over het congres was voor mij een warme douche na alle spanning en afwegingen van de dag. Een mooie manier om mee af te ronden.

Op de terugweg waren Liesbeth en ik opnieuw vrij stil. Wat overheerste was het besef van de 32% tegenstemmers. Dat was veel – waarbij we ook wisten om wie en welke groep het ging. Veel van de dragers van onze partij hadden tegengestemd. Hoe heel je dat – of hoe voorkom je dat dit verder gaat scheuren. Dit betekende geen duidelijk mandaat voor een akkoord, maar waarschijnlijk de opmaat voor een lange worsteling. We hadden ook genoten van de dag en wisselden anekdotes uit, maar de krappe uitslag bepaalde ons gemoed. In Bodegraven stapte Liesbeth naar haar eigen auto, ik reed door naar huis, naar Gouda. We sloten een intensieve periode af op een hoogtepunt, maar ook met een katterig gevoel. Nou ja, voorlopig even niets meer.

Vervolg en slot

Dacht ik, dacht Liesbeth. Anderhalve week erna zouden we weer in conclaaf zitten op het Plein in Den Haag. Mijn opvolger als campagneleider voor het CDA Zuid-Holland had mij laten weten dat de klus teveel van het goede voor hem was en gaf de opdracht dus terug. Liesbeth was gevraagd om interim partijvoorzitter te worden. No rest for the wicked, a zou mijn campagnezorg heel wat sneller worden opgelost dan haar voorzittersklus. Maar na Arnhem leefden we wel in een nieuwe werkelijkheid.

De impact van Arnhem was op allerlei manieren zichtbaar geworden. Veel meer dan wij die dag beseften was het congres aangeslagen bij het bredere TV-publiek. Die zaterdagavond zou ‘Ik hou van Holland’ meer dan 1,5 miljoen kijkers trekken, maar het overdag uitgezonden congres had op haar hoogtepunt bijna een miljoen kijkers gegenereerd, plus een ongekend heftige reactie op het internet. Dat is uitzonderlijk Het programma ‘Ik hou van Holland’ was de dag erna vergeten, het congres zeker niet. En in de reacties zou Maxime in feite gelijk krijgen: het werd in ieder geval door de opiniemakers als een feest voor de democratie ervaren. En niet alleen door de opiniemakers. Zelf mocht ik in november dat jaar naar Moldavië gaan en daar voor een gezelschap general-secretaries uit de Baltische en Balkanstaten over ons congres spreken. Ze vonden het meer dan fascinerend. Ze waren allemaal in verwarring gebracht door de berichten over Wilders; het doorbrak hun beeld van Nederland. Het congres kantelde dat beeld weer wat terug. Waarschijnlijk dachten ze dat we als partij harstikke gek waren om zo’n risico te nemen, maar ons open en vooruitstrevende karakter werd er wel door onderstreept.

Al met al wiste de positieve reactie op het congres het zure beeld van de 32% wat weg. Er waren 300 opzeggers, maar nog meer aanmelders. Deze reacties gaven ons ruimte om toch met enige moed de weg in te slaan richting de Provinciale Statenverkiezingen. Naar mijn gevoel is het de uitslag van die verkiezing die pas echt gemarkeerd heeft waar we nu zijn en niet het formatiecongres zelf. De betekenis van het formatiecongres is een andere: een op het scherp van de snede gevoerde strijd over onze identiteit, uitgevochten op één punt: Wilders en de islam. Beter gezegd: hoe we omgaan met de vrijheid van godsdienst. Die strijd is op de 2e oktober 2010 prachtig gevoerd, maar heeft de partij naar ik vrees wel degelijk diep verdeeld. Hoe we daar de komende maanden mee omgaan, als werkgroep en Strategisch beraad hun klus hebben geklaard, zal bepalen hoe we daar uitkomen. Monica Boschman, een dichteres en goede collega van mij, schreef waarschuwende woorden op de dag van het congres:

Wat teveel overhelt

kantelt en zinkt

Ik mag haar graag, maar ik wil dat ze ongelijk krijgt. De geest van Arnhem liet iets prachtigs zien. Laten we daar vooral op teruggrijpen, elke keer als het moeilijk wordt.

 

Peter Noordhoek


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek