Maandelijks archief: juli 2011

Over giften en andere vormen van partijfinanciering

NRC heeft in haar krant van woensdag 27 juli goed spitwerk gedaan door op een rij te zetten wat de inkomsten van alle politieke partijen in de tweede kamer zijn geweest in 2010, welk deel daarvan via giften tot stand kwam en wat daarvan is uitgegeven voor de landelijke verkiezingen in dat jaar. In mijn blog over de VVD-campagne, heb ik een korte opmerking gemaakt over de kennelijk ruime jas waarin de VVD tijdens haar campagne zat. Meer kon ik niet doen, want ik had geen cijfers beschikbaar om iets hard te maken. Mede omdat het artikel naar alle partijen kijkt, is het interessant vergelijkingsmateriaal en een paar opmerkingen waard. Aan het einde kom ik met wat grootste onthullingen: er zijn meer bedrijven die een ton hebben gefinancierd. Veel meer.

Gulle gever

Eerst echter het punt uit het artikel dat het meest nieuwswaardig werd geacht: de gift van 100.000 euro zoals het CDA die van een bedrijf heeft ontvangen. Gelet op de kosten die er met campagnes gemoeid zijn, kan ik het op zich eerlijk gezegd geen extreem bedrag vinden, maar in verhouding tot de andere giften is het hoog. Er valt bij mij in ieder geval geen kwartje over wie de gulle gever zou kunnen zijn. Onze landelijke campagneleider heeft ons als provinciaal campagneleiders wel geïnformeerd over het bedrag dat met de totale campagne gemoeid was. Dat werd niet aan de grote klok gehangen, maar was ook geen groots geheim.

Gift anoniem?

Moet de gift anoniem blijven? Wat mij betreft wordt alles maximaal transparant, maar ik kan me er best wat bij voorstellen dat het nu niet zo is. Binnen de Nederlandse verhoudingen is er denk ik altijd ergens sprake van een persoonlijke band tussen de leiding van een bedrijf en een partij. Met andere woorden: er wordt gegeven uit overtuiging; deze partij is goed voor het land. Van strategisch doneren, door bijvoorbeeld aan meerdere partijen te geven, ken ik geen voorbeelden. Juist om die reden kan ik me van alles voorstellen bij de wens om anoniem te blijven. De gift is in de kern onzakelijk; het levert geen bedrijfsvoordeel op en bij bekendmaking is er het concurrentieel nadeel dat het je bedrijf in een bepaalde politieke hoek zet. Door berichtgeving als deze raken politieke partijen bij gevestigde bedrijven besmet als sponsordoel, ook al begrijpen ondernemers uit zakelijk oogpunt doorgaans prima dat je op basis van de huidige budgetten nauwelijks serieus campagne kan voeren. Dat kan anders worden als er in Nederland een cultuur zou ontstaan waarbij het ‘normaal’ wordt dat partijen extern gefinancierd worden. Laat maar. Het lijkt me per saldo geen prettig vooruitzicht. Voor het moment ben ik blij met elk bedrijf of elke persoon die bereid is een politieke partij financieel te ondersteunen. Tegelijk kan ik me voorstellen dat in het geval van deze uitzonderlijke gever er niet alleen een welgemeend ‘dank je wel’ is gezegd, maar er ook goed is gewogen vanuit welke motieven er wordt gegeven.

Tot slot nog wel een punt van kritiek over de woordvoering rondom de gift. In Nieuwsuur deed Ger Koopmans het woord. Dat kan hij prima en hij is ook de ervaren woordvoerder vanuit de fractie op dit terrein, terwijl de penningmeester nog maar net is aangetreden. Het lijkt mij echter gewenst dat de partij zich op dit punt laat zien en niet een vertegenwoordiger van de Tweede Kamerfractie. Het kan zijn dat Nieuwsuur een ‘bekend gezicht’ wilde hebben, maar ik vind het ongelukkig.

Partijfinanciering en campagne

Interessanter dan de ton is het totaalplaatje van de partijfinanciering in 2010 en hoe zich dat heeft vertaald in de campagnestrijd. Zelf keek ik onmiddellijk naar de cijfers van de VVD.  Eind 2009 wist ik niet beter dan dat de partij nagenoeg failliet was. Er was dan ook nogal wat over de partij heen gekomen. In 2010 bleek vervolgens dat deze partij niet alleen in termen van posters e.d. onze inspanningen kon matchen, maar ook nog eens fors veel geld besteedde aan spots op radio en TV. Dat konden wij niet matchen. Nu blijkt dat de VVD 2,5 miljoen aan de campagne te hebben uitgegeven tegenover onze 1,5 miljoen, met de PvdA 1,4 miljoen en de SP 1,9 miljoen. Daarmee is het verschil in campagne-inspanning verklaard; een miljoen verschil is relatief gesproken een groot verschil (in absolute termen blijven de bedragen overigens laag. Unilever verkoopt er nog geen zeepje voor). Complimenten dus aan de VVD dat ze hebben ingezien dat een goed gevulde kas een essentiële voorwaarde voor een verkiezingsoverwinning is en dat ze vervolgens ook daadwerkelijk de bijdragen los hebben gekregen bij de achterban. Wat je er ook verder van vindt; zoveel geld binnen halen midden in een crisistijd en in een fase dat je als partij nog helemaal niet hebt laten zien dat je een winnaar bent, is een knappe prestatie.

Structureel verschil?

De grote vraag is nu of dit verschil in campagne-inkomsten structureel wordt of niet. De VVD heeft niet de armste achterban van Nederland en heeft inmiddels wel laten zien dat ze kan winnen. Dat maakt het waarschijnlijk dat ze voorlopig nog wel even een voorsprong zullen houden. Tegelijk is het helemaal niet gezegd dat het altijd zo zal blijven en is het nu vooral aan de andere partijen – gegeven de spelregels voor partijfinanciering – om te laten zien wat ze waard zijn. Overigens valt over de andere partijen ook het nodige te zeggen. Om twee punten te noemen:

  • er zijn twee echt afwijkende partijen: de PVV en de partij voor de Dieren. De PVV omdat ze geen inzicht geeft of hoeft te geven, de Partij voor de Dieren omdat ze op grond van haar inkomsten en campagne-activiteiten eigenlijk te klein is voor de 2 zetels die ze heeft. Bij die laatste partij zouden de inkomsten van de stichting ‘wakker dier’ moeten worden opgeteld. De media-aankopen die deze stichting doet werken waarschijnlijk zeer direct door in het aantal stemmen voor de partij;
  • de relatie tussen inkomsten en aantal partijleden is niet lineair, of het gaat hier om meetfouten. Het CDA heeft de meeste leden, maar is slechts 3e qua inkomsten, ver achter bij PvdA en SP. Na de verrassing van de campagne-uitgaven van de VVD vind ik de hoge inkomsten van de PvdA de grootste verrassing. Voor de SP is er een bijzondere inkomstenbron in de vorm van de grote salarisafdracht van haar vertegenwoordigers. De SP doet geen melding van haar giften. Ook D66 heeft relatief weinig inkomsten, ook in vergelijking met bijvoorbeeld Groen Links. D66 is ook niet echt transparant over haar giften.

Een spade dieper

Het is de moeite waard om nog één spade dieper te graven. Dat kan door de campagnegelden te koppelen aan het totale inkomstenplaatje van de partijen en door er nog een element aan toe te voegen. Met alle complimenten aan NRC voor het spitwerk; de krant laat zeker niet het hele plaatje zien. Zou je ook alle vrijwilligersinspanningen op geld waarderen – wat je dus vooral niet moet proberen – dan zou je naar mijn inschatting zien dat CDA en SP de rijkste partijen zijn, daarna de PvdA en pas daarna VVD en D66. Puur naar de vrijwilligersinspanning kijkend, schat ik D66 dan overigens nog rijker in dan de VVD. Mijn stelling is dat een partij met een brede vrijwilligersbasis doorgaans ook een duurder partijapparaat zal hebben. In deze tijd kan een partij niet alleen op vrijwilligers draaien en is er steeds meer professionele ondersteuning nodig. Volgens mij is dat de reden dat bijvoorbeeld het CDA, ondanks het feit dat ze in 2010 een inkomstenstroom van 6,5 miljoen had, er toch maar – en met pijn en moeite – 1,5 van vrij kon maken voor de campagne (het verschil is eigenlijk nog groter; normaal gesproken spaart een partij gedurende 4 jaar voor een verkiezing). De VVD heeft in zeer korte tijd de 2,5 miljoen op weten te halen en zet dat naast een inkomstenplaatje dat ruwweg de helft is van het CDA.

Vrijwilligersinspanning

Wat is bij dit alles de vrijwilligersinspanning waard? In de campagne van 2010 minder dan ooit, zie mijn analyse van vier weken geleden. Anders dan in 2006, was het geen campagne waarin partijen met posters en canvassen veel verschil konden maken. Zo bekeken bleek de brede basis voor het CDA per saldo een last en had de VVD het voordeel van lagere financiële lasten en een grotere flexibiliteit. De implicaties van dat verschil zijn groot. De echte vraag is niet of binnen Nederlandse verhoudingen verkiezingen ‘gekocht’ kunnen worden. Daarvoor zijn de bedragen te laag en zijn de verschillen vooralsnog te klein. De vraag is of het nog loont om een partij op brede basis te zijn. Naarmate een partij zichzelf meer definieert in termen van de vraag of ze succesvol verkiezingen draait, zal het antwoord negatiever zijn. De uiterste consequentie daarvan is de 1-persoonspartij van Wilders. Kijk ik naar zijn inkomsten- en uitgavenplaatje dan is het directe rendement daarvan overigens maar matig, maar hij heeft de trend al wel te pakken. Is dat waar we naartoe willen?

Mijn persoonlijke antwoord is dat het om allerlei redenen erg ongewenst is om die kant op te gaan. Een pure campagnepartij wordt een marketingpartij: de boodschap zal altijd in het teken van het winnen komen te staan. Een pure campagnepartij zal zich automatisch ook versmallen tot een partij die alles in het licht van de landelijke campagne zal stellen, wat geen recht doet aan het belang van andere bestuurslagen. Maar belangrijker nog: een politieke partij met een brede basis heeft een maatschappelijke functie die niet altijd meetbaar is, maar vreselijk belangrijk is. Burgers en politici blijven erdoor met elkaar in gesprek en vormen een bron van menskracht voor allerlei functies in de samenleving, niet enkel politieke. Op dit punt moet ik in deze week aan Utoja denken. Tijdens de bijeenkomst op het eiland zal ongetwijfeld over de regionale verkiezingen in het najaar zijn gesproken, maar het zal bovenal de jaarlijkse bijeenkomst zijn geweest voor het nieuwe kader zijn geweest; een combinatie van introductiebijeenkomst, feest en reünie. De man die daar is binnengedrongen wist wat hij kapot wilde maken. Het mag en zal hem niet lukken. Een democratie is mede een democratie door de onmeetbare dingen die van een partij een echte partij maken: ontmoeten, debatteren, delen, dingen samen doen voor iets dat groter is dan jezelf.

NB: mijn onthulling

Het bovenstaande heb ik geschreven in de vroege uren. Daarna lag ik in bed nog wat te woelen en opeens werd ik zwetend wakker met de gedachte: ik hang. Ik heb mezelf niet gemeld. Als ik over 2010 in geld zou moeten waarderen wat mijn bedrijf heeft gemist doordat ik me uren en uren met het CDA bezig heb gehouden, zou ik zeker op een ton uitkomen. En dat geldt voor heel veel van de jaren ervoor. Ik heb dat nooit gemeld. Mea culpa. Het is nog erger: ik ben niet de enige. Volgens mij zijn er tal van bestuurders en kaderleden die minstens zo’n groot deel van hun (potentieel) inkomen hebben ingeleverd om politiek actief te zijn. En dat niet hebben gemeld. Schande.

In ernst; dit laat de onzin zien van het op geld waarderen van vrijwilligerswerk en tegelijk ook de valsheid van plaatjes zoals NRC die bij elkaar heeft gebracht. De afgelopen jaren heb ik gekscherend wel gezegd dat ik twee volle banen had, één betaald en één onbetaald. Alleen is dat natuurlijk niet zo. Niet voor niets heb ik het politieke werk op een lager pitje moeten zetten om in deze tijd voldoende inkomsten te kunnen halen. Staat er dan iets anders tegenover? Ja, er staat veel tegenover, anders zou ik het niet doen. Veel kennis die ik in mijn werk kan gebruiken, veel inzicht in de samenleving. Veel boeiende mensen leren kennen. Maar concrete baten staan er niet tegenover, noch zakelijk, noch in de vorm van ‘beloningen’ van functies e.d. Een paar goede vrienden houden me hard maar opbouwend voor dat de balans daarmee wel erg in het voordeel van het CDA uitvalt, maar ik denk dat het ook zo niet werkt. Dit idee van ‘quid pro quo’ is behoorlijk naïef voor de politieke arena. Als er geen intrinsieke motivatie is voor je politieke werk, houdt je het niet vol. Je moet het doen om het doen.

Naschrift

Na publicatie van deze mail heeft de penningmeester van het CDa aangekondigd dat er in de toekomst geen giften meer worden geaccepteerd waarbij de schenker anonimiteit vraagt. Helderder kan het niet. Hoewel ik me erger over het feit dat NRC slorig bezig is geweest en met twee maten meet (van D66 wordt bijvoorbeeld geaccepteerd dat er geen openheid wordt gegeven ‘vanwege vakantie’), is dit het moment om er een punt achter te zetten. Over tot de orde van de dag. Of niet? Het probleem van onderfinanciering blijft bestaan en dat is vooral in het nadeel van ‘normale’ partijen, al zal er door de druk van buiten altijd de verleiding zijn de grens op te zoeken. Daarnaast blijft het zo dat een partij als de PVV geen openheid hoeft te geven en een partij als de PvdD een schaduwconstructie kent. Het voorstel van minister Donner lost dit probleem van geen kant op. Dus: wordt vervolgd.

 

Peter Noordhoek

Noorwegen: geef de profeet geen podium

Dit weekend was ik van plan de 2e helft van mijn blog over verschuivende zandplaten te plaatsen. Het is toch vakantie tijd, dus een beetje ‘slow reading’ moet kunnen, zo dacht ik. De gebeurtenissen in Noorwegen maken echter dat ik mijn tekst ter zijde zet. Als ik zelf niet enthousiast meer kan worden van mijn tekst kan ik het ook mijn lezer niet aandoen. Ga ik dan over Noorwegen schrijven? Het gevaar is dat het nog te vers is; dat informatie ontbreekt en de emotie overheerst. Maar hoe erg is dat eigenlijk? Ik neem de lezer mee in een aantal overwegingen. Eerst het drama zelf, dan de rol van de man die dit alles op zijn geweten heeft en ten slotte de berichtgeving van de media.

Het drama

Je weet pas dat iets erg is als je niet hoe je kunt verwoorden hoe erg het is. Als datgene wat je wilt zeggen te groot is voor woorden. Het gebeuren in Oslo is vreselijk, maar valt helaas nog net wel in woorden te omvatten; als toeschouwer zijn we allemaal rampenveteranen. Het gebeuren op het eiland Utoya is van een andere orde. Een slachting van vooral jonge mensen die geen kant op konden. Ik weet niet wat de lettertekens voor een stille schreeuw zijn, maar misschien ziet het er zo uit: [             !!!]

Daarna komen bij mij twee associaties op. De ene is met het gebeuren in Alphen aan den Rijn, zojuist geëvalueerd. Niet de schietpartij zelf, maar het effect ervan op de politie. Een vriend van me had die dag geen dienst, maar hoorde ervan op de radio en ging toch naar Alphen toe, gewoon om bij zijn collega’s te kunnen zijn en waar mogelijk te helpen (ik heb zijn wedervaren en die van zijn collega’s eerder in een artikel gevat dat ik binnenkort hoop te publiceren. Niet alleen indrukwekkend, maar ook leerzaam). Het is heel indrukwekkend hoe zo’n korps dan een familie wordt. Wat moet dit voor de politiemensen en hulpverleners in Noorwegen betekenen? Ik kan me zo voorstellen dat ze nu allemaal bij elkaar komen en elkaar de steun geven die ze nodig hebben. Later komen de oordelen wel, nu eerst het er zijn.

De tweede associatie heeft te maken met de groep mensen op het eiland. Jonge politici, leden en aankomende leden van een politieke partij. Zelf ben ik een aantal jaren lid geweest van het CDJA. Dat was leuk en ik heb ook het nodige gedaan, maar het was nooit mijn grootste vrijetijdsbesteding. Voor velen was dat anders, tot en met dat ze daar hun levenspartner in gevonden hebben. De lijst is lang. Het CDA van de laatste decennia is zonder de inspanningen van al die oud-CDJA’ers ondenkbaar. Dat is nog lang niet afgelopen – reden voor mij om de jongeren altijd goed te volgen en ze waar mogelijk vooruit te helpen. Inmiddels heb ik zowel in Nederland en daarbuiten veel trainingen voor politiek talentvolle jongeren mogen geven. Het is heerlijk om te doen. Vorig jaar zomer mocht ik dat o.a. doen in een zomercursus in een badplaats in Servië. Je moet er toch niet aan denken … [         !!!]

Profeet, geen martelaar

De man bereidt zich zeer goed voor (bronnen: NOS, Elsevier, NYT, Guardian). Hij schrijft een manifest van honderden pagina’s dat niet alleen zijn visie weergeeft, maar ook concrete stappen aangeeft voor een soort kruistocht tegen de Islam. Vervolgens pleegt hij eerst de aanslagen in Oslo en gaat naar Utoya toe. Daar begint hij aan een slachting. Dat doet hij koel en methodisch. Als echter na 1,5 uur er gewapende tegenstand komt, gaat hij niet het gevecht aan, maar geeft zich direct over. Kennelijk geeft hij de agenten geen gelegenheid hem via een vuurgevecht uit te schakelen. Daarin wijkt zijn gedrag nadrukkelijk af van dat ‘gekken’ die het op een schieten zetten, zoals in Alphen. Tegelijk geeft de man ook niet de indruk laf te zijn. Wat zit daar achter? Mijn conclusie: hij ziet zichzelf niet als martelaar, maar als profeet. Hij wil door blijven leven en vanuit rechtszaal en gevangenis zijn boodschap blijven verspreiden. De vraag komt vervolgens indringend op of we hem dat platform wel moeten gunnen. Emotioneel gesproken zeg ik: nee. Los van de inhoud; waarom zouden we hem moeten belonen voor wat hij heeft gedaan? Verstandelijk gesproken zijn er ook goede reden om hem niet de kans te geven zijn boodschap te verspreiden. De extreem-links intellectuele jurist die Fortuyn neerschoot (had hij een naam?) deed zijn zaak echt geen goed, maar zijn achtergrond alleen al zorgde voor een verharding van wat we zo onschuldig het maatschappelijk klimaat noemden. Nu komen de kogels van rechts en je moet een vergelijkbaar effect vrezen, ook zonder het soort manifesten waar altijd wel meer figuren voor gevoelig zijn te maken. Het verstand vraagt om een aanpak waarbij deze verdachte geen kans krijgt een podium voor zijn profetieën te vinden.

Media: voorspelbaar onbezonnen

Datzelfde verstand zegt echter: vergeet het. Wij mensen willen na zoiets weten, weten, weten wat er gebeurd is. Alleen zo kunnen we hopen iets te begrijpen van wat we niet verwoorden kunnen. De media begrijpen dat ook en gaan daarom alles doen wat in hun vermogen ligt om daar aan tegemoet te komen. Het lijkt er echter op dat ook dit keer er weer voorspelbaar onbezonnen is gehandeld.

Als de eerste berichten op het (NOS)journaal verschijnen over Oslo is er nauwelijks beeldmateriaal beschikbaar. Meer dan 2-3 minuten zal het niet zijn geweest. Om toch wat duiding te kunnen geven, wordt er kennelijk besloten vol op het terrorisme-scenario te gaan. Al-Quaida wordt aangehaald, oude archiefbeelden over Arabieren die over de vlag van Noorwegen lopen worden getoond en er wordt melding gemaakt van nieuwe bedreigingen. Begrijpelijk, al zaten de berichten van deze week over het instorten van het Al-Quaida nog wel in mijn achterhoofd. Is dat het enige scenario? Kennelijk. Dat wordt ergerlijk als in een volgend journaal wordt gemeld dat er sprake zou zijn van een schutter op een eiland waar een jeugdbijeenkomst van de Labour partij. Alles is denkbaar, maar hoe logisch is het dat buitenlandse samenzweerders precies weten wat er op zo’n bijeenkomst gebeurd en hoe lastig het is om daar weet van te krijgen? Vanaf dat moment geloof ik niet meer in het terrorismescenario. Het journaal blijft echter in het voorspelbare hangen totdat het bericht komt dat dit het werk van een eenling lijkt.

En dan de NOS vanavond, zondagavond. Ze komen niet alleen gelijk met het hele manifest van de man, ze citeren er ook uitgebreid uit. Direct daarna gooien er een rapportage overheen met de duidelijk verwijtende ondertoon dat de mensen in Noorwegen niet hard genoeg over het (falen van het) multiculturele drama spreken. Onderliggend voel je: Nederland is het lichtende voorbeeld van hoe dat wel moet. End at terwijl de mensen no rouwen op straat. Hele duidelijk is dat er geen afweging wordt gemaakt over wie ze hiermee een podium geven en hoe dat het beste kan gebeuren. Gooi het maar op het scherm. Ik kreeg bijna medelijden met de reporter toen hij moest melden dat het niet gebruikelijk is verdachten publiekelijk voor te leiden. Bijna.

Misschien dat ik aan het einde van deze blog toch nog te emotioneel schrijf. De NOS zal er wel haar redenen voor hebben. Maar ik hoop echt op wat bezonnenheid en hoop tegen beter weten in dat deze man-die-buiten-mijn-begrip-valt niet het podium gaat krijgen waar hij nu al op gezet wordt.

Over zandplaten en andere verstuivingen

Geïnspireerd door het eindige eiland Schiermonnikoog, worden in deze en de volgende blog een 6-tal zandplaten beschreven die aan het verstuiven zijn. Drie maken ongerust: de ontwikkelingen rondom News of the World, de EU-ro en het schuldenplafond van de VS. Deze blog beperkt zich tot die lelijke drie. Twee ontwikkelingen maken mij in de volgende blog voorzichtig optimistisch omdat er een beweging is die er eerst niet was: het energievraagstuk en de Arabische lente. Ronduit positief ben ik over een technologische doorbraak die staat voor meer. Aan het einde probeer ik te schatten hoe ver de platen zullen bewegen.

Schiermonnikoog

Net terug van twee dagen Schiermonnikoog, ben ik nog steeds verwonderd over het eiland. Het is een kleinere en vooral verfijndere uitvoering van Texel, een eiland dat ik beter ken. Ooit mocht ik op uitnodiging van het collectief van de Waddeneilanden op het grotere eiland een verhandeling houden over ‘bestuurlijke planning en control’ – het vreemde fenomeen van de dualisering was van het vasteland overgesprongen – en ik herinner me hoe de vertegenwoordiger van ‘Schier’ een verhandeling over prestatiesturing met humor terugbracht tot een discussie over de werktijden van de havenmeester. Mijn indruk na dit bezoek is toch dat hij zijn eiland (en zijn havenmeester?) tekort deed. Ik was onder de indruk van de wijze waarop het eiland en haar duizenden bezoekers opving en over het eiland verdeelde. Nog verwonderlijker vond ik het hoe die behoorlijke massa op de een of andere manier het eiland toch leeg lieten voor de wandelaar en strandstruiner. We zijn bijna het hele eiland rondgelopen en kwamen maar beperkt anderen tegen. Ideaal. Dat gaf ook de ruimte om na te denken over de aard van het eiland. Zelf kom ik uit de Hoeksche Waard, een poldereiland, maar zo ingeklemd tussen Voorne-Putten en het eiland van Dordrecht, dat je wist dat het nooit van haar plaats zou komen. Bij ‘Schier’ is dat anders. Je loopt over brede platen van zand en wat ik maar even ‘waddenleem’ noem, maar die breedte (‘het breedste strand van Europa’) kan niet verhullen hoe eindig het eiland overal is. Alleen rond het dorp houdt dat gevoel even op en weet je je tussen duinen en bomen geborgen. Niemand hoeft je achter te vertellen dat het eiland een verschuivende zandplaat is; dat voel je gewoon. Het eiland heeft haar maatregelen genomen om dat proces heel langzaam te laten gebeuren, maar gebeuren zal het. Eb en vloed zijn met dijken en meer getemd, maar de verstuivingen gaan altijd door. Wat mooi eigenlijk. Wat natuurlijk.

De analogie ligt voor de hand. Nadenkend over de vraag waar ik mijn blog over zou schrijven, kwam ik onvermijdelijk uit bij de vraag welke zandplaten er buiten de wadden aan het verstuiven zijn. Ik beschrijf er meerdere. Bij de verhalen staan foto’s van zaken die ik ergens aangespoeld vond op het strand.

News of the World

Als het om humor gaat ben ik dubbel gehandicapt: ik kan geen mop onthouden en als ik er een onthoud, dan is het altijd aan flauwe. Deze is het ergste: ‘Mijn haan is de luiste haan ter wereld?’ ‘Hoezo?’ ‘Hij laat eerst de haan van de buren kraaien en dan knikt hij’. Mijn excuses, maar deze mop kon ik niet uit mijn hoofd krijgen bij het beschouwen van een nieuwe week berichtgeving over het schandaal bij News of the World. Het echte werk is gedaan door de pers, de Guardian voorop. En dan mogen we nu aanschouwen hoe de politici in de rij staan om allemaal hun vernietigend oordeel te geven verfoeide handelswijze van de schandaalkrant. Het is pijnlijk om te zien en bevestigt alleen maar mij gevoel dat het echte initiatief en de echte invloed al lang bij de Britse (?) politiek is verdwenen. Hiermee krijgen ze het niet terug, tenzij er inderdaad een beter systeem ontwikkeld wordt, maar daar gaat het deze week niet over. Waar het deze week wel over gaat is het voortbestaan van het imperium van Rupert Murdoch. Dat klinkt spannend – het wordt in ieder geval spannend gebracht – maar is het maar tot op zekere hoogte. Na Murdoch zullen er ongetwijfeld andere imperia opkomen en ondergaan. Ondertussen moet niet verwacht worden dat de schrijvende pers echt beloond gaat worden voor haar moed. Wie zal het financiële gat van Murdoch vullen als die zich terug gaat trekken? En voor al met al loopt de energie al wat weg uit het spel. De Guardian heeft zich tegenover de Sun moeten verontschuldigen omdat het deze krant ten onrechte beschuldigde van afluisteren (ze hadden medische informatie over de zoon van Brown op een andere manier verkregen, alsof dat het beter maakt). De beschuldiging van de Daily Mirror dat ook slachtoffers van 9/11 zouden zijn afgeluisterd, heeft de potentie van een Trans-Atlantische rel, maar voorlopig gaat het om een enkele zwakke bron en staat de VS nog niet bepaald in brand. Kortom; we gaan weer langzaam over tot de orde van de dag. De storm woedt, zandplaten zijn aan het schuiven gegaan, maar voorlopig is het eiland niet verschoven.

EU-ro verstuivingen

Een van de voordelen van de rel over News of the World is dat het erg volgens de journalistieke spelregels wordt gespeeld. De grootste koppen zijn dan ook voor deze rel. Daarbinnen wordt weer de meeste ruimte ingeruimd voor het lot van de roodharige feeks Rebekkah Wood. Hoewel de eerste concrete beschuldiging nog moet worden genoteerd, is ze deze week wel al opgejaagd, ontslagen en – vandaag ‘BREAKING NEWS’ – gearresteerd. Een journalistiek droomverhaal – en heel wat beter om nieuws van te maken dan over financieel gedoe in een of ander vakantieland. Omdat de meeste valutaspeculanten in Londen zitten, is het een geruststellende gedachte dat de Britse media niet in een ‘feeding frenzy’ zijn over Europa en de euro; de EU-ro.

Het maakt de situatie er niet minder dreigend om. Griekenland is gevaarlijk, maar grijpbaar. Een crisis op de schaal van dit land, plus Portugal, Ierland en vooral: Italië en Spanje, is van een andere orde. Voor de stabiliteit van de euro is het uiteraard ernstig, maar het is ook politiek van een andere orde, al was het maar vanwege de stemverhoudingen binnen de EU. Dit is niet de crisis van een kudde schapen die ruzie maakt over een zwart exemplaar. Dit wordt de crisis van een kudde die handelt alsof het nacht is en er alleen nog maar zwarte schapen zijn. Zonder grote zichtbare aanleiding – macro zijn we in Europa ronduit rijk, kijk maar rond op weg naar uw vakantiebestemming – hebben we op ons continent gevoelsmatig geen grond meer onder de voeten. Zandplaten schuiven, euro’s verstuiven en iedereen lijkt alleen maar te duiken. Dat deze crisis in hoge mate een leiderschapscrisis is al lang bekend, maar mijn zorg is nu vooral dat we voor die leiderschapstest gaan falen. En dan? De kern van deze crisis is geen begrotingscrisis, maar een crisis in de handels- en betalingsbalansen tussen de lidstaten. Een paar keer heftig slikken en de schuldproblemen zijn weggewerkt. Handelsbalansen laten zich moeilijker herstellen, want ze zijn gebouwd op ondernemers- en consumentenvertrouwen. Veel lidstaten – Nederland niet in het minst – hebben zich door hun fixatie op de schuldenproblematiek weg laten leiden van de onderliggende vertrouwensvraag. Is het daarmee voldoende om de Zuidelijke landen maar hun zin te geven en de schulden te vergeten? De vraag stellen is hem beantwoorden. Dit laat zich echter zeker niet oplossen door van crisis naar crisis te hollen vanuit een filosofie van schadebeperking. En heel plat is misschien dan mijn grootste zorg nog wel rondom mevrouw Merkel. Hoe moe zal ze zijn? Hoeveel energie zal ze nog hebben? Crisis? Wanneer is het geen crisis? Toch ligt de leiderschapsvraag bovenal in de handen van deze moedige maar volgens mij oh zo vermoeide vrouw.

VS: plafondcrisis is de crisis van het ontbrekende midden

Crisis is het zeker in de VS. En dat zou niet zo hoeven zijn. President Obama en de Republikeins leider van het Congres hebben hun deal al gemaakt. In een fascinerende reconstructie van Time Magazine valt mooi te lezen hoe die twee op de rand van het haalbare hebben geopereerd en er toch het vierkante wiel van een overeenkomst uit hebben gehaald. En toch is de crisis nog niet opgelost. Het wettelijk aangegeven maximum van de Amerikaanse staatsschuld (in die zin is dit een zelfgemaakte crisis) staat op het punt overschreden te worden en de gevolgen zijn direct (geen financiering meer overheidsorganen0 en indirect ( stijgende rentes, verder onderuitgaan dollar) waarschijnlijk zeer ernstig. Hoe ernstig weten we niet. Normaal gesproken gaan staten niet failliet en zeker niet een op de schaal van de Verenigde Staten. Vergeet echter niet dat de VS hard op weg zijn naar een staatsschuld die vergelijkbaar is met die van Griekenland, maar oneindig veel groter is in termen van impact. Vergeet ook even niet dat de VS een gigantische handelspartner is voor Nederland. Waarom slaan de Nederlandse kranten eigenlijk niet rood uit van alarm?

De reden dat de deal geen deal blijkt te zijn, heeft te maken met het feit dat vooral de republikeinse achterban de deal van Obama en Boehmer niet accepteert. Vanuit een ‘do or die’- achtige houding ziet een groot deel van de republikeinen de staat liever kapot gaan dan meedoen in een deal die de staat niet wezenlijk kleiner maakt dan nu het verhaal is. Vanuit Nederlands perspectief kunnen we ons daar moeilijk een voorstelling van maken van de extremiteit van de tegenstellingen. ‘Ze komen er wel uit’, denken we – voor zover we er überhaupt over denken. Zo zeker is dat niet. Het probleem is dat er eigenlijk geen mensen of middelen meer zijn die het mogelijk maken om nog tot een overeenstemming te komen. De taal van het midden is weg. Wie een compromis wil sluiten toont zich zwak, wie op een deal hoopt is een ‘looser’.

Andere orde

Het meest directe is mijn zorg over het mislukken van de deal over het plafond door de extremiteit van de posities zoals die nu in de VS worden ingenomen. Dit is uiteraard van een andere orde dan de berichten over News of the World (al is Fox Channel een belangrijke bron voor de extreme posities; ook eigendom van Murdoch). Het is ook van een andere orde dan wat er nu binnen de EU gebeurt. De situatie van de Amerikaanse Staten is ook serieus, maar niemand maakt er een crisis van zoals wij dat doen. Ook als leiderschapscrisis is het van een andere orde. Wij hebben in de EU geen echte leider. Daar hebben ze er twee die hun verantwoordelijkheid hebben genomen, maar die het niet meer voor elkaar lijken te krijgen. Als dit mis gaat, lijkt het bijna onvermijdelijk dat de volgende economische dip een echte dip wordt en niet alleen maar een groeivertraging. Kortom; alle hens aan dek. En als er vlak voor de echte harde deadline toch nog een overeenkomst komt, wie gaat dat het gat in het midden vullen? Wie leert er de kunst van het rijken der handen?

Wachten op de zon

Na al deze zware berichten zal de lezer wel toe zijn aan wat beter nieuws. Dat komt er ook – maar nu niet. Tot de volgende blog, als er nog meer zandplaten gaan verstuiven, maar mogelijk in een betere richting. Ergens op de weg ontmoeten we elkaar.

 

Peter Noordhoek

www.northedge.nl

De dag dat de News of the World haar naam verdiende. Over macht en mediawijsheid

Voor deze weblog heb ik veel te veel woorden nodig; de lezer wordt gewaarschuwd. Eerst wordt terug gegaan naar staatkundige overwegingen over machtsevenwicht en machtsmisbruik. Mijn mooie gedachten daarover blijken in de praktijk niet hanteerbaar en laat ik dus gaan. De berichtgeving rondom News of the World maakt aan die relativering een einde; de pers blijkt niet de 4e of 5e, maar de 1e macht. Pas daarna wordt er een vertaling richting Nederland gemaakt en wordt er een voorstel voor ‘nevenregulering’ gedaan in de vorm van een nieuwe entiteit met bijzondere bevoegdheden.

Voor degenen die zich toch niet af laten schrikken:

Machtsevenwicht en machtsmisbruik

De laatste maanden van mijn diensttijd in Seedorf waren niet makkelijk door te komen. Het op appel roepen, de oefeningen, het kazerneleven – het was me al te zeer bekend geworden en de studie lokte. Om mijn geest bezig te houden ging ik van alles bedenken, mij voorbereidend op een hele moeilijke rechtenstudie. Literatuur had ik niet, dus tijdens het colonnerijden bedacht ik mijn eigen studie. Daarbij meende ik me in ieder geval goed te moeten voorbereiden op de basis van ons rechtstelsel. Ik wist er genoeg van om te weten dat wij – niet alleen in Nederland, maar in heel oud-Napoleontisch Europa – in een oorspronkelijk door Montesquieu bedacht systeem wonen. Al rijdend en nadenkend, besefte ik dat ons staatsrechtelijk systeem nog subtieler is dan het van buiten al lijkt. Het gaat om één systeem dat in feite twee leerstukken omvat. Het eerste leerstuk is het machtsevenwicht zoals dat er moet zijn tussen wetgevende, regerende en rechterlijke macht: de trias politica. Het tweede leerstuk is dat van de ‘détournement de pouvoir’; het waken tegen machtsmisbruik. Het komt bij ons tot uiting in het bestaan van de bestuursrechtelijke taak van de Raad van State. Het maakt beroep mogelijk tegen acties van de staat als er strijd is met de ‘algemene beginselen van behoorlijk bestuur’ en moet er voor zorgen dat het verschil in machtspositie tussen burger en overheid niet wordt misbruikt door die laatste. Het gaat daarbij eigenlijk slechts om een soort ‘marginale toetsing’, want er is iets merkwaardigs met dit leerstuk aan de hand. Het staat op gespannen voet met het democratisch beginsel dat de kiezer volksvertegenwoordigers kiest die op hun beurt weer een mandaat aan een regering geven volgens die volkswil. Hoe kan er ooit sprake van machtsmisbruik zijn zolang er binnen dat democratisch mandaat wordt gewerkt? Dat is de theorie. Rond 1800 waren ze al zover dat ze wisten dat veel theorie beter wordt van een beetje wijs gevoel voor de praktijk en dat werd het begin van een leerstuk dat in het Frans zoveel beter klinkt dan in het Nederlands. Iets van die wijsheid zou nu ook nuttig zijn.

Machtsmisbruik en marginale toetsing

Maar zover was ik in 1978 nog niet. Of ik was al een stuk verder. Al stuiterend in een 3-tonner of banjerend door een bos (in mijn herinnering is het altijd nacht in een Duits bos), begon ik het systeem met de twee leerstukken niet alleen op mijn manier te begrijpen, ik ging het verbeteren. Op mijn manier dan. Ik vond de drie machten niet gelijkwaardig en niet compleet. Het was me al bekend dat ambtenaren al als de 4e macht waren bestempeld (door de grondlegger van de bestuurskunde, Crince le Roy) en dat ook de pers als een macht werd bestempeld. Ik weet niet meer waarom, maar op dat laatste sloeg ik aan. Naast allerlei bedenksels over de trias zelf, heb ik maanden gepuzzeld op de positie van de pers binnen dat systeem – om uiteindelijk tot de conclusie te komen dat de pers niet binnen dat systeem past. De pers zal door haar aard nooit een tegenmacht binnen de staat kunnen zijn; ze staat door haar aard buiten die staat. Ze is onderdeel van de samenleving en niet van de staat. Het heeft geen zin om haar toe te voegen als een 4e of 5e macht; praktisch en principieel kom je dan in de knoop. En voor je het weet kom je dan ook bij een conclusie dat de pers door het gebrek aan formele bevoegdheden geen macht heeft en dat is evident onjuist. Vraag het mensen die wel eens de pers over zich heen hebben gekregen en maar al te vaak nemen ze het woord ‘machteloos’ in de mond en is er een angstreactie. Dat zegt genoeg over het feit dat de pers macht heeft – en het was mij in de zeventiger jaren al duidelijk hoe cruciaal die macht kan zijn, in positieve zin (Watergate!) en negatieve zin. Het enige waar ik het dus wel met mezelf over eens kon worden, was dat de pers als iets met macht behandeld zou moeten worden en dus ergens, ergens een plek in het staatsbestel zou moeten krijgen. Maar hoe dan? Al puzzelend kwam ik tot de conclusie dat het leerstuk van de machtenscheiding me op het verkeerde been zet als het om de pers gaat en dat het veel nuttiger is om er naar te kijken vanuit het leerstuk van het machtsmisbruik. Dus bedacht ik ‘algemene beginselen van behoorlijke pers’ en zag voor me hoe burgers (want tegenover politici vond ik de verhouding veel gelijkwaardiger) extra beschermd zouden worden tegen misbruik van hun positie door de pers, hoe marginaal ook getoetst. Ach, ik kon zo hard van stapel lopen.

Leerstuk loopt stuk

Met al die gedachten gewapend begon ik aan mijn rechtenstudie. Hoewel het aantal studenten enorm was, kreeg de universiteit het toch voor elkaar om een soort begeleidingssessies te organiseren rondom het vak ‘inleiding in de rechtsgeleerdheid’. In de eerste sessie presenteerde ik de lieve dame die het leidde mijn redeneringen rond machtenscheiding in een epistel van een paar A4’s lang (de lezer weet nu dat ik al langer van de vele woorden ben). De dame nam het in ontvangst, bekeek het lang genoeg om te beseffen dat ze hier niet met een paar woorden van af kwam en stelde voor er de volgende keer op terug te komen. Dat was het. Ongetwijfeld tot haar spijt, maar ze kon er niets mee. Mijn studie was geen redeneerstudie, maar een leerstudie, zeker in het eerste jaar. Uit het hoofd leren stond centraal – voor mij al een moeilijk punt sinds de dagen dat mijn moeder wanhopig probeerde wat psalmteksten in mijn hoofd te krijgen voor de lagere school. Een jaar later zou ik het nog eens proberen, nu in een werkgroep ‘vrijheid van meningsuiting’ onder leiding van de latere hoogleraar Jit Peeters. Hij vond mijn gedachten interessant, sprak even over een artikel, maar wilde dat niet doorzetten. Zelfregulering of tikken op de vingers door de rechter, dat was het wel.

Factoren

En daar heb ik het bij gelaten, mede omdat je ontdekt dat het altijd weer ingewikkelder is dan je denkt. Van het belang van vrijheid van meningsuiting is hoefde niemand me te overtuigen en je kunt je eigenlijk niet wapenen tegen machtsmisbruik zonder feitenonderzoek. Een feitenonderzoek dat om dossieronderzoek vraagt. Hoe kan je dat doen zonder in het verschoningsrecht van journalisten te komen? Zonder het radicaal anders te doen gaat dat niet. Daarbij kwamen nog andere ‘ factoren’. De belangrijkste: het zijn net mensen, die journalisten, aardige mensen soms, hoewel blind voor het politieke midden. Een andere factor: ze hebben verdraaid mooi beroep (zou ik zelf?). Voeg daar nog eens nieuwe ontwikkelingen als de digitalisering bij die alles op z’n kop gooit en dan denk je; laat maar. De pers gaat vaak haar boek te buiten, de incidenten voelen niet meer aan als incidenten, maar ik moet er mee leren leven. Als ik eenmaal zelf politiek actief ben blijkt de omgang met de pers een boeiend spel – en spelers kunnen geen scheidsrechter zijn. Ik verlies dus mijn recht van spreken over wat toch al niet meer zo eenduidig ligt. Het is pas de opkomst van Wilders die me wakker maakt. In ieder geval komen mijn denkbeelden over machtenscheiding op hun kop te staan als het juist deze politicus is die de vrijheid van meningsuiting gaat verdedigen. Hij vertelt zijn collega politici wat ze moeten doen, zet de rechterlijke macht keihard in de hoek, vertelt ambtenaren dat ze gewoon moeten doen wat ze gezegd wordt en bijna en passant zet hij ook een groot deel van de Nederlandse pers weg als deel van de ‘linkse kerk’. Machtsevenwicht, machtenscheiding? Hij heeft er geen boodschap aan – en om alles nog erger te maken gaat de kiezer kennelijk in dat verhaal mee! Ik maak mij klaar om mijn mooie theorieën weg te stoppen als even zo vele jeugdzonden. Het leven zit kennelijk anders in elkaar.

News of the World

En dan komt het nieuws over News of the World langs en stoppen de relativeringen. Dit is crisis. Wat 2008-9 waren voor de banken wordt 2011 voor de pers. En al die gedachten over ‘incidenten’ zijn slechts een excuus geweest om niet fundamenteel over de positie van de pers na te hoeven denken. Het is behoorlijk vergelijkbaar met de bankcrisis. Ook toen kregen we genoeg signalen dat er zaken niet deugden, maar zolang we met z’n allen rijker werden lieten we het gebeuren. Wat is er aan de hand? Eerst komt een analyse van de Britse situatie en dan de onvermijdelijke vertaling naar Nederland – met tot slot een voorstel voor hoe het anders zou kunnen.

Een heet opgewarmde prak

De berichtgeving over News of the World is een uit 2006 opgewarmde prak. Toen al was aan het licht gebracht – bovenal door de Guardian –dat de NotW op grote schaal telefoons heeft afgeluisterd en elk onderzoek belemmerde. Dat het nu is geëxplodeerd, heeft minder te maken met het feit dat het om meer dan 4000 gehackte personen zou gaan, maar omdat het schandaal beantwoord aan de wetten van de journalistiek: de berichtgeving krijgt een menselijk gezicht doordat het mede de telefoons betreft van familieleden van de terroristische aanslag in Londen, vermoorde meisjes en militairen in Afghanistan. Dit is zo overduidelijk verwerpelijk, dat elke poging tot wegredeneren onmiddellijk als een boemerang op de betrokkenen zou terugslaan. Dat weten alle betrokkenen en zowel pers, politiek als adverteerders kiezen daarom de vlucht naar voren en roepen om het hardst schande (alleen de echte roddelbladen doen er vooral het zwijgen toe). Het voorlopige eindresultaat is spectaculair: na meer dan anderhalve eeuw brengt the News of the World geen nieuws meer. Negen mensen zijn er op het moment van schrijven gearresteerd, waaronder de voormalige adjudant van de premier. Wow.

Bewijs van hoogste macht

Door verschillende media, zowel in Engeland als daarbuiten en in ons eigen land, is er op verdedigende wijze gemeld dat het de pers is die de pers aan de kaak heeft gesteld. Nu verdient de Guardian alle lof. Wat de betrokken journalist heeft gedaan is geweldig, maar ik ben ook diep onder de indruk van de kwaliteit van de hoofdredactie. Toch is het juist dit aspect dat me zo van slag brengt. Als kennelijk alleen de pers de pers nog maar kan controleren, is dat het meest duidelijke bewijs dat er geen grotere macht is dan de pers, c.q. de eigenaren van de pers. Het maakt me boos dat geen enkele andere macht daar meer toe in staat bleek. Politiek, politie, rechterlijke macht: allemaal hebben ze boter op hun hoofd of tonen ze zich machteloos. Hoe kan het dat in de bakermat van de democratie, in een land om trots op te zijn, het al dertig jaar de heer Murdoch is die de scheidsrechter is over de vraag wie minister-president wordt en wie niet? Juist de trots op gedrag van één van de kranten laat zien dat de rest te bang is geweest voor de eigen positie om die macht in de waagschaal te stellen. En laat dan ook de positie van de Guardian zelf nog eens goed in ogenschouw worden genomen. Ze zijn er gelukkig heel open over. Achtergrond bij dit hele gedoe rond om NotW is de commerciële positie van Murdoch en zijn zonen. Ze stonden op het punt om toestemming te verkrijgen voor het kopen van de satellietzender BSkyB. Die deal zou het bedrijf effectief een meerderheidspositie geven in media-entertainment in Groot-Brittannië. Mogelijk dat dit door de druk rondom NotW nu van tafel is, maar er hoeft geen misverstand te zijn over het feit dat de grootste strijd niet draait rond de gehackte telefoontjes van de ouders van terrorisme slachtoffers, maar rond de vraag of Murdoch wel of niet de absolute macht mag krijgen in het Britse medialand. Dat de macht over de politiek er al was, is een gegeven. Een gegeven om rillingen van te krijgen. Wat doet de machtenscheiding binnen de overheid er toe als de echte macht bij de pers berust?

Nederland vergelijkbaar?

Dan nu naar Nederland. Is de situatie vergelijkbaar? Dat er grote verschillen zijn, is duidelijk. Dat is lof voor onze Nederlandse krantenkoper, net zoals veel van de Britse ellende ook gewoon te danken is aan de kennelijk grenzeloze sensatiehonger van de Britse lezers. Voorlopig zijn we in Nederland toch wat minder bereid om in de beurs te tasten voor non-nieuws. Maar zegt nooit nooit. Een eerste concrete vergelijking. Wat is erger? Het hacken van het slachtoffer van een aanslag of het verslag doen uit een ziekenhuiskamer bij een kind dat als enige de vliegramp in Libië overleeft? De vraag stellen is hem beantwoorden. Wij hebben incidenten die, weliswaar op een andere manier, net zo ernstig zijn en ze zijn niet het exclusieve voorrecht van de Telegraaf. In het post-Fortuyn tijdperk hebben alle media schrammen op de ziel. En zijn de kranten – de media, want in de pikorde komt de TV toch echt als eerste – niet net zo sterk als in Engeland? Het lijkt er op dat ons politieke landschap achter het medialandschap aanloopt, met een sterk rechts blok, een versplinterd landschap op links en verdwijnende middenposities. Het lijkt daarbij fair om te zeggen dat D66 moeilijker zonder NRC kan dan andersom en dat de Telegraaf op dit moment belangrijker is voor VVD en PVV (en het CDA voor 2009) dan andersom – en dat Volkskrant en Trouw behoorlijk uitstralen dat ze ook zonder de PvdA kunnen. Het is ook fair om te zeggen dat de relatie zeker niet zo geperverteerd is als aan de andere kant van de Noordzee, maar is het wezenlijk anders? Evenwichtiger? Zoals in: machtsevenwichtiger? Opnieuw: de vraag stellen is hem beantwoorden.

Barbertjes

Waar dit het meest zichtbaar in wordt, is de behandeling van personen. Journalistieke principes vragen om personificatie. Abstracte cijfers en trends moeten een verhaal worden en elk verhaal heeft helden en schurken nodig. Gelukkig is de politiek een eindeloze bron van verhalen. Geen krant kan op dit moment zonder het CDA, zeker in 2010 een briljante bron van verhalen. Elke krant heeft eigen definities van wie de schurk en held is, maar dit weten we zeker: één misstap en Barbertje moet hangen. In ‘objectieve’ termen is dat zelden terecht. De keren dat politici moedwillig en met boos opzet iets verkeerd doen komt voor, maar is de uitzondering. Het omgekeerde is eerder het geval. De weg naar een incident is doorgaans dik geplaveid met goede bedoelingen. Maar die tellen niet. Ook niet als direct daarna allerlei maatregelen worden genomen. Waar verantwoordelijkheid kan worden toegewezen moeten maatregelen worden genomen. Barbertje moet hangen.

Wie is verantwoordelijk?

De gebeurtenissen in Engeland maken weer duidelijk hoe nabij de vergelijking kan komen. Elk van de hoofdrolspelers voelt zich niet persoonlijk verantwoordelijk of benadrukt te goede bedoelingen. De journalisten van NotW en hun bazin benadrukken dat het hun voorgangers waren die de ‘onvergeeflijke fouten’ hebben gemaakt, benadrukken hun oprechtheid en zeggen dat inmiddels alles anders is. Het is spugen tegen de wind in. Ze voelen de machteloosheid die de pers zelf – zeker in het geval van NotW – hun slachtoffers zo gemakkelijk kan aandoen. Tegelijk kan niemand er omheen dat de situatie bij NotW de grote uitzondering is. In de pers blijft Barbertje zingen. Journalist, hoofdredacteur of eigenaar – het maakt niet uit. Als zij ook maar een tiende zo verantwoordelijk zouden worden gemaakt voor hun daden als politici, dan zouden wij van heel wat meer ontslagen weten. En het is natuurlijk die dubbele maatstaf die wringt. De reden dat we weinig medelijden met ontspoorde politici hebben is omdat we hen macht hebben gegund en die macht hebben ze misbruikt. De pers heeft die macht dus minstens zozeer en kan gewoon doorgaan. Hiervoor geldt; ‘you can fool some of the people some of the time, but not all of the people all of the time.’ De grenzen zijn bereikt. Of, zoals Janine Gibson in de Guardian van 8 juli schreef: “There is too large a concentration of power at the heart of the newspaper industry – and patently too weak a sense of purpose – for this system to work”. Let op dat woord: ‘purpose’. Macht is niet erg, maar je bent gehouden het te gebruiken voor iets dat groter is dan jezelf. Het wordt afwachten, maar het lijkt er op dat ze er in Groot-Brittannië nu serieus werk van willen maken.

Pek en veren

Zal dat ook voor Nederland gaan gelden? Eerder noemde ik het meest evidente voorbeeld van de poging de enige overlevende – een jongetje – van het vliegtuigongeluk in Libië te interviewen. De Telegraaf heeft naar voren proberen te brengen dat het hier slechts om het gebruik maken van een onverwachte gelegenheid ging en dat er geen boos opzet van de betrokken journalist bij speelde, alleen maar professioneel gedrag. Wie zal zeggen dat dit niet precies het geval is geweest? Het verhaal is echter dat van een journalist en een krant die respectloos op slachtofferjacht gaat. Het journalistieke beeld is er een van een aasgier op de rand van het ziekenhuisbed. En het vervolg? Duikgedrag en oplageschrik, want het ging de lezers duidelijk te ver. De verantwoordelijke hoofdredacteur zit er nog. Het leidt geen enkele twijfel dat als deze hoofdredacteur een minister was geweest, hij door diezelfde krant met pek en veren uit Den Haag was gejaagd.

Wat helpt?

Is dat dan wat we moeten willen? Pek en veren? Het verkoopt kranten, maar daar heb je het dan ook mee gehad. Het maakt Nederland, het maakt ons, armer en zwakker. Het heeft ook allemaal niets met rechtvaardigheid te maken. Wat heb ik er uiteindelijk aan om die hoofdredacteur gestraft te zien? Met het moreel kompas van de hoofdredacteur is iets serieus mis, maar hij lijkt ook een vakman te zijn met hart voor zijn krant en er zijn serieuzere zaken om de vinger op te leggen – bij hem en zijn collega’s. Mij is het genoeg als hij af en toe echt merkt waar zijn grenzen en die van zijn krant liggen. Wie geeft er een tik op de vingers als het een keer mis gaat? De smaadrechter, een Ondernemingskamer, de Raad voor de Journalistiek? De Ombudsman van de krant. Netjes hoor, maar het is allemaal van een verkeerde orde. De privaatrechtelijke toetsing is op de verkeerde punten of bijt niet genoeg, de zelfregulering is te beperkt of te lief. Het wordt tijd voor een ander verhaal en daar wil ik nu heel graag aan toekomen. Voor ik dat kan doen, moet ik echter eerst iets anders bij de kop nemen als ik niet onmiddellijk bij de eerste verdedigingslinie wil sneuvelen.

Digitaal anders

Ben ik een journalist omdat ik nu een ‘stukkie’ schrijf of toch niet? Laten we het maar op het laatste houden, maar de vraag is niet zonder grond. Toen ik mijn mooie dingen bedacht als soldaat-met-studie-in-het-vooruitzicht, was de wereld wat de pers betreft nog overzichtelijk genoeg. Er waren papieren kranten en tijdschriften en drie zenders. Klaar. De situatie is wezenlijk anders en lijkt om bescherming van het bedreigde diersoorten-soort te vragen, niet om extra kritiek. Murdoch is een dinosaurus uit het verleden, binnenkort uitgestorven, samen met Berlusconi en we zullen met weemoed aan hun grootheidswaanzin terugdenken, zoiets. Discussie over machtenscheiding en machtsmisbruik zijn achterhaald als iedereen die achter een PC zit in de kern dezelfde macht heeft om stampei te maken als de krant vroeger had. De klassieke ‘exit & entry’ strategie zoals je die bij andere branches nog wel eens ziet en waarbij er aan allerlei eisen moet worden voldaan voordat je bijvoorbeeld arts of advocaat mag worden, werkt op geen stukken na. Dat ‘register voor journalisten’ waar onlangs in een oratie over werd gesproken is een sympathiek idee, maar komt in het kader van een discussie over machtsmisbruik gewoon tekort.

Wisdom of the crowds

Ja, het is anders. Nee, het thema blijft hetzelfde. Het is anders omdat de dimensies anders zijn, maar machtsmisbruik wordt niet acceptabeler omdat het moeilijker te traceren valt. Het betekent vooral dat de interventies steviger en groter moeten worden. We vinden het na de crisis toch ook niet acceptabel dat de overheid de banken maar hun gang laat gaan omdat we hun producten niet meer kunnen begrijpen? Voor een belangrijk deel is het simpel een kwestie van opschalen. Voor een ander deel is het een kwestie van beter doordenken waar de machtsconcentraties zich gaan bevinden en daar de juiste macht tegenover zetten. Er zijn mensen die zich verzetten tegen het hele idee van internetregulering omdat de ‘wisdom of the crowds’ er vanzelf wel voor gaat zorgen dat de meest optimale vorm van informatiedistributie gaat komen. Wie dat denkt leidt niet alleen aan een blind marktdenken, maar begrijpt ook de logica achter de ‘wisdom of crowds’ niet. Je mag verwachten dat bij voldoende spelers met voldoende informatiebronnen er iets uit de wisselwerking van de spelers gaat komen dat ‘beter’ (stabieler, bestendiger) is dan de op expertise gebaseerde redenering van een beperkt aantal spelers. De praktijk is echter ook op het internet anders. Er zijn inderdaad veel spelers, maar het aantal bronnen blijft in de praktijk ver achter bij dat wat nodig zou zijn om een optimale uitkomst te krijgen. Veel berichten blijken te herleiden tot het eerste en meest krachtige, c.q. spectaculaire signaal en andere bronnen komen er dan niet meer doorheen, betrouwbaar of niet. Het resultaat is dan een uitkomst die lager en dus ruwer is dan wat het geval zou zijn geweest als er een beperkt aantal experts aan een oplossing zou hebben gewerkt. De experts nemen dan betere beslissingen dan de massa. Met andere woorden; er is een zeer realistische kans dat de meningsvorming zoals dat nu via internet wordt gevormd eerder schade doet aan een thema dan dat het wordt verrijkt. Dat kan geen samenleving zich al te lang permitteren.

Nevenregulering

Het probleem is wel dat binnen de trias politica dus geen geschikte partij te vinden is in deze strijd tegen dreigend misbruik van informatieposities. Principieel en praktisch wordt er tekort geschoten. Zelfregulering werkt ook niet. Principieel zou het moeten, maar praktisch kan het niet, al was het maar omdat er geen echte ‘zelf’ meer is. Wat dan wel? Voor mij wordt het tijd voor ‘nevenregulering’, waarbij er een zelfstandige entiteit, c.q. toezichthouder komt voor alle situaties waarin misbruik kan zijn van informatieposities voor zover geen onderdeel van het strikt private of publieke domein. In het bijzonder gaat het om informatieposities die een sterk exclusief karakter krijgen en waarvan in redelijkheid gezegd kan worden dat individuen of organisaties er niet in een gelijkwaardige positie tegenover staan. Het gaat om een marginale afweging; media en andere concentraties mogen, nee moeten er op zich kunnen zijn, maar er moet op beperking en inperking worden gelet. De entiteit werkt daarom twee kanten op. Enerzijds beschikt het over eigen opsporingsbevoegdheden en kan het tot vervolging (en mits gescheiden: tot sanctionering) overgaan. Anderzijds kan het na feitenonderzoek ook vertegenwoordigend optreden in die gevallen dat bijvoorbeeld overheden ten onrechte een informatiepositie in de knel brengen. In die laatste hoedanigheid treedt het ook op als hoeder van de vrijheid van meningsuiting. De oprichting van de entiteit is overheidsafhankelijk, maar het voortbestaan ervan niet. De budgettering ervan wordt gekoppeld aan de hoogte van het justitie- en veiligheidsbudget op rijksniveau. Dat budget moet daarmee ook ruim genoeg zijn om alle opsporings- en andere activiteiten uit te kunnen bekostigen. Een vorm van democratische legitimering voor deze entiteit is gewenst en is ook logischer dan de verkiezingen voor zeg de provincies of de waterschappen. Over de inhoud van de normering valt veel te zeggen, maar eerlijk gezegd maak ik mij daar niet al teveel zorgen over. Het zal – net als bij alle regelgeving – iets worden dat achter de tijd aanholt, maar waar je redelijk zeker van kunt zijn dat die achterstand na een crisis weer zal worden ingehaald.

Interessant voorstel? ik merk dat ik er nog veel meer over schrijven, maar de tekst is al veel te lang geworden. Ach, dan nog komt het waarschijnlijk wat naïef over. Daarbij heb ik zelf ook teveel meegemaakt om te denken dat een enkele entiteit kan corrigeren wat ergens fundamenteel mis is gegaan. Maar er moet wel wat gebeuren. Zo mediawijs denk ik wel dat ik ben.De berichtgeving over News of the World maakt duidelijk hoe hoog de prijs kan zijn als er geen tegenwicht is tegen een ongebreidelde pers met kapitaalkrachtige eigenaren. Hier in Nederland heb ik doorgaans het idee dat we een pers hebben die behoorlijk werk weet af te leveren en dat werk ook behoorlijk gemotiveerd doet. En tegelijk hebben wij ook een Wilders en hebben wij kranten en televisieprogramma’s die uitglijders maken en zijn er internationaal aangestuurde mediaconcerns die steeds meer te zeggen krijgen. Het is in dat licht dat ik mij als burger klein en bedreigd voel en dat ik wens dat we wat meer bewakers – ‘guardians’ – krijgen die bij deze tijd horen.

 

Peter Noordhoek

www.northedge.nl

Building a better democracy. The case of Egypt

In this blog, written just before the start of the summer holiday, I want to share some thoughts on the way further democracy building could take place in Egypt. I do this in English, so I can share my thoughts with friends abroad. I do this knowing that I am nothing more than someone who loves to run up a dike to see beyond the green top.

Party building

Last weekend the Dutch Foreign Ministry announced that it will dedicate some financial resources to the financing of trainings on party building and other means of furthering democracy in Egypt. There are general elections coming up, and in the short term it is clear that several new parties are not sufficiently able to fully participate in this election and compete with established parties like the Muslim Brotherhood. In order to create something of a level playing field, it is important that key members of the new parties know how to build a party organization and deploy their activities within bounds. However, it is doubtful there is enough time to do so before the coming election. It is not realistic to expect more than the exchange of some basic principles about the election itself and the campaigning around it. But then – if that helps, we should not hesitate to do so.

No arrogance

Party building is a long term objective, and all the more so since we are talking as much about a change in the culture of democracy as of a change in its structure. The most stupid thing to do would be to assume that Egypt knows nothing about the process of democracy and that we, the West, will tell them how it works. They have had more than enough of such arrogance, and with good reason. It is not that Egypt is without a democratic tradition. The democratic system has been sorely abused, but there definitely is a system, and if it is not to their liking; well, they sure have proven they can find their way on the internet to look around. Because of the first-past-the-post system Egypt employs, it is likely that the result will favor bigger parties. This makes it all the more likely that the Muslim Brotherhood will become the largest party and that other parties will face a longer climb to prominence. So apart from some practical aspects of organizing a modern party, any true party building would be in the form of a dialogue with especially the young talents of each party.

Expectations

There is certainly enough to talk about. The Economist published an article this week (in the same issue it extensively analyzed the situation in China), in which it reported on several tightly interwoven developments. All of them either promising great developments in the immediate future or stating reasons for an enormous letdown in expectations. The potential for growth is similar to that of Turkey. Though Turkey has a significant head start, in terms of strategic position and economic potential Egypt should be able to rival that country. In the past few years – up until Tahrir Square as a matter of fact – economic growth was good, in spite of a worldwide crisis. Is the present slump of a temporary nature or will the economy rebound? The Economist, predictably, wants to see more economic growth by way of more economic freedom, including privatization. They are probably right, but the magazine admits in their issue of the 25th of June (their journalists as usual anonymous), that the money from the last wave of privatizations ended up mostly in the pockets of those who were already well off. So the reverse is likely to happen, probably contributing to a further downturn of the economy at precisely the moment people will raise their expectations about jobs and income.

Almost no win

Assuming that this negative scenario is the more likely one, it will mean that improvements in the process of democracy will get entangled with questions around economic interventions (meaning investments, subsidies, but maybe also something with energy, as gasoline prices area a ‘burning topic’ in Egypt) . This again will have two other effects. One internal; there can be little doubt that the Muslim Brotherhood has a better record of taking care of people who are in dire straits than any of the other parties. This will inevitably help them at the ballot box.  The second is a need for more international interventions. As well intentioned as they may be, many of them will be mistrusted, whether coming from the West, or from countries ruled by old friends of Mubarak in the Middle East. This could turn out to be an ‘almost no win’ situation, as expectations will be raised for an increase in something that many do not welcome.

Real principles

Nevertheless, in the end neither America nor Europa can afford itself to stand idle on the side when it comes to the fate of Egypt. Economic support to the Arab Spring countries will matter much more than the military intervention now taking place in Libya. In terms of size, potential and influence, Egypt is the one country no one can afford to lose.  I wonder what Henry Kissinger would say now, my old high school hero (weird, I know). True to type, I know he tried to prevent Obama from deserting Mubarak, sticking by a trusted friend of America and himself. But that is not truly interesting. I mean the old Kissinger. The Kissinger of Metternich and Castlereagh, and of his study on diplomacy of about ten years ago. In his writing he would always come back to the tension between real politics and Wilsonian politics. In other words; the difference between a hard assessment of national interest and a more idealistic approach inspired by general principles. Contrary to the general impression people have, Kissinger is usually on the lookout for situations where both come together. Only when that is not possible he chooses the path of real politics. I have little doubt that when it comes both to Libya and Syria, Kissinger would chose the path of real politics and would not intervene, as it is very likely that even if the intervention would succeed, chances are that the new situation would not be in the interest of the West. In the case of Egypt, both the national interest and democratic principles are at stake. There is every reason to stay involved and see the transition through. There are real principles at stake, not just in the interest of nations, but that of the world as a whole.

So, with that in mind, what are the prospects? I must admit to some bias here. It is no use starting out with trainings about voter analysis and marketing techniques, while not talking about responsibility and the tough side of decision-making. I am very worried there is a cultural divide that will trip us. A well-educated young population must have some real talents walking around, but there seems to go so much energy to waste. For example, a friend of mine is a manager with a very laid-back attitude, not expecting too much at all. But when he came back from trying to set up a factory in one of the Northern coast towns, he was downcast and worried that the very fact of the youth being so well-educated would be their downfall when discipline is lacking and that education has nowhere to go. So, if and when we are going to do something, I prefer that we do it right and have some impact. For this reason I am very much hoping that we will not have a piecemeal approach. It is no use bringing sand to the desert.

The fight for stability

In the Netherlands, D66 and PvdA have pleaded from the start to support democracy initiatives in the Arab Spring countries. Good for them. However, their initiative died down in the clamor around the Euro crisis, Greece taking all the attention away. Fortunately the CDA did not let the issue die, and now we have an initiative and a bit of money from the Ministry of Foreign Affairs.  As I understand, this will become part of a European initiative. No matter how it comes about, I really think there should be something of a joint effort with the Americans, be it from the Democratic or the Republican side. As stated, we need a true momentum. Assed to this, I hope that it will not be the ‘usual suspects’ taking up this case.

Democratic development is a condition for a stable Middle East. I have not seen a stable Middle East in my lifetime, and I am getting on. At the same time, I have never witnessed something like the Arab Spring, and I cannot help but hope that this is a unique chance to improve things. Nothing increases the chance of a stable Middle East more than a stable Egypt. In the Netherlands Mr. Wilders chooses Greece as his battle ground to show the weakness of Europe and everything coming from the South. I am convinced that in the long run Greece will turn out to be a side show. A more important battle is taking place in Egypt and we should be there if the people there want us there.

Peter Noordhoek

www.northedge.nl


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek