Maandelijks archief: juni 2011

Trek aan de andere lijn. Over de speech van Maxime Verhagen

De speech die Maxime Verhagen op 28 juni hield op verzoek van het WI heeft heel wat stof doen opwaaien. Zoveel dat een belangrijke rode lijn in zijn betoog hierdoor onderbelicht blijft.

Ik begin met wat ‘persoonlijk historisch perspectief’. We kennen elkaar van een optreden dat het piepjonge Kamerlid gaf in mijn afdeling Berkel en Rodenrijs, ergens rond 1994. Na afloop raakten we aan de praat, o.a. over zijn manier van toespreken. Hij luisterde goed en er is een hemelsbreed verschil tussen de houterige verteller van toen en de geroutineerd sprekende bewindspersoon nu, maar ik kan niet zeggen dat ik veel invloed heb gehad op zijn stijl van spreken.  Datzelfde geldt ook voor de inhoud van zijn speeches. Meer dan eens heb ik hem daar vanaf de zijlijn elementen voor aan proberen te reiken, maar Maxime heeft altijd zijn eigen boodschap gemaakt. In die boodschap heeft vanaf het begin, zeker sinds zijn woordvoerderschap immigratie in 1998, eenzelfde lijn gezeten van hard zijn op de spelregels van staat en democratie, en zacht op de onderlinge omgangsvormen. Altijd was er een dubbelslag van snijdende meningen en verlangen naar saamhorigheid. Die dubbele lijn heeft er altijd ingezeten, ook bijvoorbeeld in zijn periode als minister van Buitenlandse Zaken – hard op mensenrechten (en in Servië roemen ze hem er om), zacht op internationale betrokkenheid. Het is eigenlijk verbluffend hoe consistent die lijn is. Ik was op het laatste moment verhinderd om naar de bijeenkomst van het WI te gaan, maar toen ik de speech van Verhagen las, had ik bij de eerste lezing dan ook niet het gevoel veel gemist te hebben. ‘Probeer eens iets anders’, dacht ik nog met een milde hopeloosheid. In tweede instantie heb ik er overigens wel iets uitgehaald, waarover zo dadelijk meer.

Eerst wil ik toch mijn gevoel kwijt dat Verhagen onrecht wordt aangedaan met de reacties op zijn speech, zowel buiten als binnen de partij. Als dit een speech van het jonge en onbekende Kamerlid Verhagen was geweest, hadden velen het geprezen als een stevige poging om het debat over immigratie en integratie concreet te maken. Hij doet in het begin van zijn speech echt niets anders dan het geven van een opsomming van wat je op veel plekken kunt horen als je in Nederland rondloopt. Dat gebruikt hij vervolgens als startpunt voor zijn echte verhaal. Iets anders kan bijna niet, zeker niet in een speech die veronderstelt wordt over populisme te gaan.

Omdat de speech door de Maxime Verhagen van nu wordt gegeven, krijgt het echter opeens een heel andere lading. En wat voor een. Zijn beschrijving van de situatie wordt opeens zijn mening. De kranten gaven zijn woorden nog net niet weer als die van een schuimbekkende vreemdelingehater uit een barre buurt, maar het scheelt niet veel. Mijn vermoeden is dat hij zelf maar deels beseft hoe dit werkt en waar dit vandaan komt. Hij zegt, zo mag hij denken, immers niet anders dan wat hij steeds al zegt? Dat klopt dus. Hij heeft deze lijn al neergezet ver voordat ene Wilders naar voren kwam, maar dan zonder diens demagogie, want altijd ingebed in rechtstaat en een zachtere lijn. Wilders pakt alleen de harde kant uit het verhaal, niet de andere kant, tot zijn schande. Hij had nooit voor de rechter moeten komen, maar hij zou wel voor zijn oude leraar, baas en mentor hebben moeten verschijnen om de oren gewassen te worden. Zo ga je niet met andersdenkenden om. Ik vul nu in, maar Maxime Verhagen ziet zichzelf anders en zal altijd oog houden voor het grotere verband van de samenleving. Dat verhaal doet hij gewoon nog een keer.

Vind ik het daarmee een goed verhaal? Nee. Ik vind het (weer) een net gemiste kans. Nu komt de speech als een dode vis met de lelijke kant bovendrijven. De weldenkende mensen, waaronder CDA’ers, spreken mij er op aan en zijn cynisch, teleurgesteld of beide. En dat is uiteindelijk zijn eigen schuld, omdat hij nog steeds geen maat of balans weet te krijgen in zijn twee verhaallijnen. Frits Abrahams beschrijft in zijn flauwe column in het NRC van vandaag hoe hij denkt dat de eerste helft van de speech is geschreven door Verhagen zelf en het tweede deel door zijn assistent. Het is niet moeilijk te begrijpen waarom hij die delen zo neerzet. Het eerste deel komt tot leven, mede door de concreetheid, het tweede deel niet. Daarmee wrijft hij – verdacht van alle kwaad binnen de Nederlandse politiek – het ons allemaal nog eens in, zonder dat we ook maar een beetje het idee krijgen dat hij minstens zozeer passie heeft bij het tweede, terwijl dat wel zo is.

Nu is dat ook lastig. Het beste in zijn speech is het onderscheid dat hij maakt tussen instituten en instituties. Dat is een wezenlijk onderscheid als we maatschappelijke verbanden – van sportverenigingen tot branches – weer een kans willen geven. Het is echter ook het verstopt tegenover elkaar zetten van twee abstracties waarvan je direct voelt dat er geen plan of beleid achter zit dat zich ook maar enigszins kan meten met het harde begin. Waar was de paragraaf over instituten in dit regeerakkoord? Wat voor beeld heeft hij eigenlijk van zijn toehoorders? En hoe denkt hij dat de media er mee omgaan? Het kan me bezighouden. Hoe kan iemand die zo kien is, tegelijk zo bijna naïef zijn?

Misschien omdat we met z’n allen net zozeer vergeten om hem serieus te nemen, als hij meent dat we vergeten om de kiezers serieus te nemen. Hij is een gevoelsmens en probeert op een onmogelijke manier de tegenstellingen in deze samenleving te overbruggen. Het is ontmoedigend te zeggen tegen iemand die harder werkt dan wie ook; maar doe dan een keer je huiswerk helemaal, Maxime. Of laat je integratieverhalen maar even helemaal weg. Niemand zal je er nog van beschuldigen dat je die kant verwaarloosd. Concentreer je op die andere kant; die visie die we met z’n allen zo hard nodig hebben op een samenleving waarin we elkaar, ondanks teleurstellingen en minder welvaart, toch weten te vinden. Vind de woorden voor de instituties. Vind de woorden voorbij het morrende volk. Laat dat nu even aan ons over, gewone burgers. Wij moeten met hen, met elkaar in gesprek, zodat we jou en die Wilders hier even niet meer over hoeven horen.

Peter Noordhoek

www.northedge.nl

Over bungeejumpkoordtoezichthouders

Afgelopen week kwamen er honderden toezichthouders bij elkaar. In het regeerakkoord wordt gesproken over een ‘inspectievakantie’ die bedrijven kunnen krijgen als ze laten zien dat ze zaken op orde hadden. Vakantie was het deze week niet, maar veel bedrijven en instellingen kunnen deze week een ‘Caraïbisch moment’ hebben beleefd. Was het de moeite waard? Jawel. Er werd namelijk op allerlei manieren stilgestaan bij de positie van het toezicht en het effect van dat toezicht. Dat gebeurt doorgaans te weinig en dan is de tijd goed besteed. In deze werkblog aandacht voor enkele uitkomsten. Veel meer valt te ontdekken op de website www.toezichtenwetenschap.nl.

(NB in mijn blog van 4 weken geleden was ik kritisch over het gebrek aan steun vanuit de EU aan de Arabische lente, dit in tegenstelling tot wat de Amerikanen deden. Een week geleden zag ik tot mijn genoegen dat Henk-Jan Ormel dit punt in de Kamer ging maken en vandaag zie ik dat BZ een beleidswijziging heeft gemaakt en actief de democratisering gaat steunen. Mijn kritiek verandert in een compliment, want dit is niet de makkelijkste weg naar verbetering.)

‘Wat doe je voor de kost?’

Maar nu het toezicht. Docters van Leeuwen sprak in zijn speech bij het congres over de nieuwe vriend van zijn dochter, die in Australië woont. ‘Wat doe je voor de kost?’ ‘Ik ben de bungeejumpkoordtoezichthouder van Perth’ antwoorde hij. Docters van Leeuwen is een expert op het gebied van toezichtarrangementen, maar deze kende hij nog niet. Nu is het geen overbodige luxe om een toezichthouder op zo’n koord te hebben. Je kunt je zo voorstellen dat de rek er uit gaat bij zo’n koord na meerdere keren gebruikt te zijn, en dat je dan niet meer goed omhoog komt. Dat bungelt zo rottig. Nuttig dus zo’n toezichthouder. Docters van Leeuwen kan trots zijn op z’n schoonzoon. En tegelijk denk ik: weer een toezichthouder erbij. Hebben we er nog niet genoeg? En hoezo moet de overheid verantwoordelijkheid nemen voor iets dat toch behoorlijk onverantwoordelijk gedrag is van enkele van haar onderdanen? De vraag waar de grens ligt dringt zich weer op. Helaas lijken we als samenleving zelf op een bungeemjumper als het om het antwoord op die vraag gaat. De eerste reactie op elk incident is: toezicht! En hup springen we met onze instituten in het diepe. Dit gaat al te diep, zeggen anderen dan – en hup veren we weer terug. Hoe dan ook; uiteindelijk is het niet de toezichthouder, maar de politiek (en de verzekeraar) die bepaalt hoeveel toezicht er aan het koord komt te hangen. De toezichthouders zelf gaan over de vraag hoe effectief dat toezicht kan worden uitgeoefend. Zij worden in ieder geval geacht om met hun hand de overtreder bij de kraag te pakken en niet met hun hoofd de grond te raken.

Een paar ‘participerende observaties’ uit dit boeiend congres.

Twee scholen en twee methoden vergeleken

Zelf heb ik, samen met Herman de Bruine, op het congres een paper gepresenteerd over het fenomeen ‘hoog betrouwbaar organiseren (HRO)’. We hebben o.a. een vergelijking gemaakt tussen 2 basisscholen, de één waarschijnlijk goed presterend, de ander een stuk minder. Van beide scholen hebben we eerst de (openbare) inspectierapporten laten zien. De uitkomst bevestigt de eerste indruk. Toch is het niet zo dat op basis van deze rapporten er direct actie is genomen richting de zwakkere school. De methode is er per saldo vooral op gericht de resultaten (cijfers, uitval) en de protocollenkant in beeld te brengen. In een op de HRO-benadering gebaseerd vragenlijst ging het bij ons meer om de gedragskant. Hoe pakt die vragenlijst uit voor beide scholen? Hoe alert is men op de school voor signalen dat het mis gaat? Is de veerkracht groot genoeg om als er wat fout gaat, dan ook snel te herstellen? Zowel de inspectierapporten als de uitkomsten van de vragenlijst laten een vergelijkbare uitkomst zien. De sterke school is bij beide sterk, de zwakke zwak en dat ook op vergelijkbare punten. Het verschil zit hem in de dynamiek die bij het toepassen van de HRO-vragenlijsten ontstaat. Dan gaat het om (percepties van) gedrag en minder over de vraag of de regels en protocollen wel goed zijn toegepast. Feedback over gedrag doet meer dan meer feedback over wel of niet gevolgde procedures. De vraag is natuurlijk wel wat een inspectieorgaan met gedragscriteria kan. Die laten zich in ieder geval wat lastig in een wet vastleggen. Toch doet de inspectie er goed aan zich bewust te zijn van de beperkingen in de huidige aanpak en doen scholen er goed aan zichzelf in gedragstermen de spiegel voor te houden.

Grenzen aan de methodiek

Er was overigens nog veel meer interessants vanuit de inspectie van het onderwijs. Zo kwam er een onderzoek langs naar de vraag wat studenten, docenten, toezichthouders en werkgevers belangrijk vinden voor goed MBO-onderwijs. Het bleek dat de perspectieven nogal verschillen. Toezichthouders zijn redelijk goede bondgenoten van de studenten, maar begrijpen niet wat docenten belangrijk vinden, etc. Per saldo reflecteerde het niet slecht op de positie van de inspectie Op één punt gingen de toezichthouders ten opzichte van studenten in de fout: het belang van stagebegeleiding. Dat belang wordt opvallend onderschat. Later bedacht ik dat dit toch wel een uitkomst is die wat bellen kan doen afgaan. Het is een teken dat de stage door de inspectie als een procesvariabele wordt gezien en niet als een resultaatindicator – en het zijn duidelijk de resultaatindicatoren die voor de inspectie centraal staan. Het niet goed omgaan met een procesindicator als deze, in combinatie met het niet mee kunnen nemen van gedragsaspecten zoals wij dat lieten zien, geeft het beeld van een inspectie die mogelijk risico’s kent in een verder waarschijnlijk effectieve methodiek. Levert dit nu wat op als het gaat om publicitaire rampen als die rondom In-Holland?

De schaduw van In-Holland

Uiteindelijk is de methodiek niet beslissend, maar wat er op basis van die methodiek wordt besloten. Het onderzoek zoals dat op het congres aan de orde kwam, laat zien dat er mogelijk blinde vlekken in de benadering zitten, maar op zich hoeven die het doen van interventies niet in de weg te staan. Het is sterk de vraag of inspecties en andere toezichthouders – ik maak het even bewust los van de onderwijssituatie, om er daarna weer naar terug te keren – voldoende gebruik maken van de mogelijkheden die er zijn. Op de 2e dag van het congres kwamen er een groot aantal meer juridisch getinte onderzoeken aan bod. Deze raakten aan de vraag wat de meest effectieve manier van handhaven is. In (heel) grote lijnen komt dat neer op de vraag of handhaving het beste kan via de rechter of via de strafrechter. Op dit moment lijkt het er op dat handhaving via de strafrechter harder aankomt dan handhaven via de bestuursrechter, maar ik kan me ook eerder onderzoek herinneren waarin dat andersom lag. Minstens zo opvallend vond ik toch de terughoudendheid waarmee toezichthouders so wie so gebruik maakten van hun bevoegdheden. De gemiddelde frequentie van optreden leek mij niet hoog, De hoogte van sommige boetes – of liever gezegd de laagte – lokte sceptische lichaamstaal uit in de zaal.

Je kan zeggen dat de kennelijke terughoudendheid een compliment is voor de toezichthouders en de zorgvuldigheid waarmee ze werken, maar volgens mij slaat het terug op het beeld van de effectiviteit van de toezichthouders in hun geheel. Het meest pregnant kwam dit naar voren in de cijfers over de toepassing van bestuursdwang. Duidelijk was dat dit middel het meest werd gevreesd door bedrijven. Tegelijk werd dit middel het minste toegepast. Wijze terughoudendheid of gemiste kansen? Inspecties en andere toezichthouders maken hun grootste sprongen in het denken in de schaduw van hype-achtige ontwikkelingen, ook wel aangeduid als ‘rampen’. Zolang als ik bijeenkomsten van toezichthouders bezoek – en als mede-oprichter van Vide is dat al heel lang – staan die bijeenkomsten in het teken van op z’n minst één ramp. Deze keer was het relatief rustig, maar de schaduw van In-Holland hing er wel. Had de inspectie geen signalen gehad dat het mis ging. Wat zag men gebeuren in termen van gedrag? Kennelijk waren de resultaten goed, maar hoe zag het proces er uit dat richting die examens leidde? ‘As is verbrande turf’, zeiden ze bij ons vroeger. Achteruit kijken is gemakkelijk. Toch: is het niet de hoogste vorm van effectiviteit om tijdig de zachte signalen over misstanden te ontdekken, om dan in te grijpen met de middelen die men heeft?

Er bovenop zitten of juist niet?

Een van de redenen waarom de hype rondom In-Holland (want dat is het in mijn observatie inmiddels wel: arme studenten en docenten) niet zoveel impact heeft, is omdat de eerst schuldige het accreditatie-instituut zou zijn dat de branche namens de HBO-raad in stand houdt om te beooordelen of opleidingen aan de eisen voldoen. Dat instituut heeft kennelijk steken laten vallen. Er is zelfs sprake van een juridische aansprakelijkheidsstelling. Dat roept de vraag op wat beter is: toezicht door een inspectie of vergelijkbaar overheidsorgaan of ‘horizontaal toezicht’ door een (onafhankelijk) accreditatieorgaan of vergelijkbare beoordelaar?

De hoofdspreker van de eerste dag, Malcolm Sparrow, zei daar wat opvallende dingen over. Sparrow, hoogleraar aan de Kennedy School of Government van Harvard University, is in vele opzichten de grondlegger van een wetenschappelijk benadering van toezicht. Sparrow’s verhalen zitten volgens zijn kampioen Ferdinant Mertens ‘vol met voorbeelden van zaken die door klassiek opererende inspecties over het hoofd gezien worden omdat ze werken vanuit een bepaalde routine of hun missie te ‘eng’ definiëren.’ Hetzelfde punt dus wat een rode draad voor het congres zou worden. Binnen zijn benadering besteedt Sparrow veel aandacht aan de rol van regelgeving. Zijn voornaamste boek heet dan ook ‘The Regulatory Craft’. Hij laat daarin ook zien dat die Craft – ‘vakuitoefening’ – wordt bepaald door een drietal factoren: 1) Risc Identification (RI), 2) Analysis and Design (A&D) en 3) Implementation (Imp). Die laatste zou je de handhavingskant kunnen noemen. In een boek ‘The Character of Harms’ werkt hij de wisselwerking tussen deze drie functies op een interessante manier uit. In vier stadia – ‘modellen’ – beschrijft hij hoe de

Sparrow - risk identification regulated industries

verantwoordelijkheid voor de drie functies steeds verschuift in de wisselwerking tussen de ‘Regulators’ en de ‘Regulated Industry’. In model 1 is er sprake van Rule-based’ toezicht met RI en A&D dicht bij de regelgever gepositioneerd en het orgaan dat verantwoordelijk is voor de ‘compliance’, de toezichthouder, dicht op de bedrijfstak die het object van de regelgeving is. In het 2e model zijn de verhoudingen nog hetzelfde, maar wordt er meer op het bereiken en handhaven van ‘principes’ of prestaties gelet dan op de toepassing van de regels als zodanig. In het 3e model zie je opeens een grote verschuiving optreden. De overheid treedt terug, zelfregulering wordt het parool. De overheid blijft zich bezig houden met het identificeren van risico’s, maar dat is dan ook alles. In model 4 wordt ook die verantwoordelijkheid bij de sector zelf gelegd en zorgt de sector zelf voor de regelgeving.

Het accreditatie-instituut dat de opleidingen van In-Holland beoordeelde is zo’n ‘Industry Regulator’. Sparrow zelf liet zich er niet zo expliciet over uit, maar Ferdinant Mertens was in zijn afscheidsrede als hoogleraar aan de TU Delft heel helder. ‘Horizontaal toezicht’ bestaat niet, zei hij, met grote afkeuring in zijn stem. Er is maar één vorm van toezicht en die is verticaal. Al het andere is toch de slager die zijn eigen vlees keurt.

Horizontaal toezicht bestaat niet

Mertens deed daarmee niet anders dan het verwoorden van de gevoelens van de zaal – vol toezichthouders. En toch en toch, dacht ik bij mijzelf. Ik heb Ferdinant Mertens zelden meer bewonderd dan op deze middag. Nog heel kort geleden was hij ernstig ziek, om het nog mild uit te drukken, en nu hield hij bijna drie kwartier lang, en uit het hoofd, een verhaal waarin hij de hele hoofdlijn van het toezichtvak schetste, vol kwinkslagen, anekdotes, maar ook vol diepe inzichten. En oh ja, hij deed dat tegen de achtergrond van een boek dat hij net had geschreven. Brrr, wat goed. En toch denk ik dat hij te kort door de bocht ging toen hij het over de relatie met toezicht op sectorniveau had. Je moet jezelf de vraag naar de effectiviteit blijven stellen, zoals de door hem bewonderde Sparrow steeds doet. Als je dat doet, dan zie je voortdurend toezichthouders die tegen de grenzen van zowel hun toezichtmodel aanlopen, als tegen de grenzen van hun eigen lef om op basis van verworden inzichten ook daadwerkelijk in te grijpen. Dan kan je volgens niet om een stevige rol van de sector heen, al was het maar omdat daar belangen liggen die minstens zo scherp zijn als die van de toezichthouder en zij er dichter op kunnen zitten dan die toezichthouder. Laten we het er op houden, dat de relatie tussen regulering en zelfregulering nog niet zo is uitgekristalliseerd als zou moeten. Dit congres over ‘toezicht en wetenschap’ was de eerste in zijn soort en een groot succes. Er moet nog wat te bespreken overblijven.

Literatuur:

Herman de Bruine, Peter Noordhoek en jos Tjon – Geen nieuws en ander nieuws. paper voor het congres ‘Toezicht en wetenschap’ van 20-12 juni 2011. Te vinden op deze site en op de site www.toezichtenwetenschap.nl

Malcolm K. Sparrow – The Regulatory Craft / controlling risks, solving problems, and managing compliance. Washington, 2000

Malcolm K. Sparrow – The Character of Harms / Operational Challenges in Control. Cambridge University Press, 2008

Telegraafletters op een witte achtergrond: de VVD-campagne

De dag na mijn ‘polblog’ over het Strategisch Beraad wees iemand mij op het artikel in vrij Nederland over de wijze waarop de VVD campagne heeft gevoerd. Dat verhaal kon ik als oud-provinciaal campagneleider niet laten liggen en is dus het onderwerp van deze blog geworden. Ik wil wel even duidelijk maken dat ik dit verhaal op persoonlijke titel schrijf en hierin op enigerlei wijze namens mijn partij schrijf. Verder wil ik ook kwijt dat – op een klein Drents detail na – alles wat ik hieronder schrijf bekend mag worden verondersteld uit andere publicaties. Het verhaal is – hopelijk – vooral relevant vanuit wat ik aan het einde schrijf over de spanning die de moderne vorm van campagnevoeren oplevert ten opzichte van de klassieke lokale verenigingscampagne.

Overigens is deze blog niet mijn enige productie deze week. Ik verwijs graag naar mijn column in Virtueel Bestuur, de nieuwsbrief van de Vereniging voor Bestuurskunde, over ‘De ontwenning’ http://bit.ly/kBsaTR. Onder de vlag ‘compecte overheid’ heeft deze regering het initiatief genomen om de overheid als het ware van achter af op te rollen. Zou het tegelijk niet het van voren niet af moeten rollen, richting de burger? Beetje abstract? Beetje wel. Juist daarom leest deze blog over campagnevoeren lekker concreet weg.

Voelbaar

In Vrij Nederland van deze week heeft de journalist Thijs Niemantsverdriet een interessante reconstructie gemaakt van de wijze waarop de VVD de afgelopen verkiezingen campagne heeft gevoerd. Ai, net iets te laat. Afgelopen week gaf ik een training voor ambtenaren onder het motto ‘van buiten naar binnen’ en toen had ik het er graag bij gehad. Daarom deze ‘polblog’ om mijn verhaal aan te vullen.

In de training ging het vooral om het voelbaar maken van de druk waaronder politici hun werk moeten doen. Deels deed ik door samen met hen door de Stemwijzer van de laatste verkiezingen heen te gaan. Welke stellingen moesten er volgens hen inkomen, welke volgens de makers van de Stemwijzer? Voor een ander deel deed ik dat door vanuit mijn ervaringen als (oud-) campagneleider zo realistisch mogelijk te vertellen over de werkelijkheid van een campagne en de druk die dit op kandidaten legt. Wat betekent dit voor de wijze waarop je politici in een periode als deze tegemoet moet treden? Ook al gaat het om ambtenaren die dagelijks in ieder geval letterlijk dichtbij de politiek leven, gaat er dan toch nog een wonderlijke werkelijkheid open.

Motivaction

Eén van de dingen die ik in trainingen als deze doe, is het vertellen van het verhaal van de campagne van 2006-7 – de roemruchte ‘U draait!’ campagne. Dat doe ik op basis van het model van Motivaction, een model dat niet uitgaat van een links-rechts verdeling, maar zich baseert op de gedachte dat kiezers zich laten indelen in een aantal ‘life-styles’; een verzameling van gedeelde waarden- en statusindicaties. Het is en blijft een boeiende manier om naar kiezers te groeperen, maar het heeft het hoogtepunt van de toepassing in de politiek al achter de rug. Gelukkig vertelde ik er afgelopen week bij dat het model onder druk staat. Het verhaal in Vrij Nederland illustreert prima waarom. Het model is genuanceerd, maar daarmee ook complex en behoorlijk abstract. De VVD heeft niet zozeer vooruitgang geboekt door een beter model te gaan gebruiken, maar door een eenvoudiger model te gaan gebruiken. Waarom dat van belang is, hangt samen met het grote verschil tussen de manier waarop wij campagnes vorm moeten geven en de manier waarop men dat in Angelsaksische landen doet.

Verrijking

In elk Angelsaksisch land bestaat een officieel kiesregister, met daarin iedereen die stemgerechtigd is en zich heeft ingeschreven. Dit register wordt, met daarin alle NAW gegevens van de kiezer, ter beschikking gesteld aan erkende partijen. De partijen gebruiken deze basis van NAW-gegevens om er vervolgens allerlei extra marketing informatie aan toe te voegen. Iemand die een snowmobile koopt in de VS is waarschijnlijk een Republikein. Als die persoon dan ook nog in het register staat, dan is het: ‘kip, ik heb je’ en mag de persoon verwachten dat hij minstens een telefoontje krijgt met de vraag of hij aan de partij wil doneren (made meeste telefoontjes gaan echter naar degenen van wie het twijfelachtiger is dat de persoon een Republikein is). De grootste waarde van kiezersonderzoek zoals dat in Angelsaksische landen wordt uitgevoerd ligt dus in de mogelijkheid voor ‘micro-targeting’. Het is juist op dat punt dat het in Nederland al snel mis gaat. (Het is anders geweest; in de presentatie zoals die afgelopen vrijdag werd gegeven bij de presentatie van de ‘Kiesatlas’ door de Kiesraad, werd verteld over de periode van het begin van het stemrecht. Toen moesten de (mannelijke) kiezers zich ook inschrijven en deden zich vergelijkbare ontwikkelingen voor).

We doen het zelf wel

Hier in Nederland beschikken we niet over een dergelijk register en gelden de gebruikelijke privacy-regels. De werkelijkheid is dan ook dat gemiddeld onderzoekmodel te ruw is om erg waardevol te zijn voor een gerichte campagne – tenzij er heel erg veel geld in wordt gestoken om de informatie aan te ‘verrijken’, wat weer veel te duur is voor de gemiddelde Nederlandse campagnekas. Waarschijnlijk was (en is?) het CDA nog het verste in het verkennen en verrijken van kiezersinformatie, vooral via de langzame weg, gebruikmakend van de inzet van vrijwilligers uit de afdelingen. Mijn vermoeden is dat de VVD goed naar deze ontwikkeling heeft gekeken, maar uiteindelijk heeft geconcludeerd dat dit niet de weg is voor een in ledental en vrijwilligerscultuur kleinere partij als de VVD. Lees ik het artikel goed, dan zijn de direct betrokkenen ook niet geneigd geweest erg naar de vrijwilligersbasis te kijken. De sfeer is; we doen het zelf wel, laat het aan ons over.

Retro-campagne

En dus hebben ze iets gedaan dat het tegenovergestelde van vernieuwend is geweest. Ze hebben rondgekeken en een ander marketingmodel ingekocht en ze hebben rondgekeken en een ander reclamebureau ingehuurd. Affiniteit met het VVD-gedachtegoed wordt nergens vermeld als eis, al zal daar best sprake van zijn geweest, maar de sfeer zoals die in VN beschreven wordt is strikt zakelijk. Het gehanteerde marketingmodel betekent een vereenvoudiging ten opzichte van Motivaction. Het doel blijft het vinden van potentiële kiezers, maar de selectie is harder en strakker. Het reclamebureau gaat daar nog eens overheen. Er wordt alleen gegaan voor die slogans die scherp bij de beoogde doelgroepen passen. Samengevat: het Telegraaf lezend publiek. Vandaar ook een slogan in grote letters, met hetzelfde lettertype als de wakkere krant en het net zo onderstrepen van de letters op de reclameborden. Jaagt de slogan de niet-beoogde doelgroepen op de kast? Ach, dan vinden ze dat eigenlijk prima, terwijl menig partij zou vermijden om onnodig kwaad bloed te zetten. Alle uitingen moeten gericht, krachtig en consistent worden uitgevoerd, zonder zachte randjes. Profileerde het CDA zich in campagnetijd vaak via haar gadgets en maffe T-shirts, de VVD wilde de andere kant opgaan. De twee heren kwamen met een campagne die in veel opzichten als kaal en klassiek – ‘retro’ – kan worden gekwalificeerd.

De hand die het hanteert

Ze zijn er toch goed in geslaagd deze aanpak aan Opstelten als voorzitter en Rutte als lijsttrekker te verkopen (De landelijk campagneleider Stef Blok kwam pas later in beeld). Beide gaven vertrouwen en dat vertrouwen is niet beschaamd – of toch wel een beetje, want de eerste verkiezingen op basis van deze aanpak, de Europese verkiezingen, ging niet goed. Maar dat is dan tegelijk het laatste wat ik ze zou willen verwijten: je ziet dat ze hun vorm nog moesten vinden. Geen instrument is beter dan de hand die het hanteert. Daar kan iedere campagneleider over meepraten, inclusief Jack de Vries. Hij heeft Motivaction in 2006 met dodelijk effect gehanteerd, maar dat was wel nadat in 1998 Motivaction ook al was gehanteerd en toen met bepaald minder effect. Trouwens; in 2006 werd Motivaction ook door een partij als Groen Links gehanteerd en dat hielp ze niet echt. Het CDA zelf haalde in diezelfde Europese verkiezingen ook niet bepaald de magische winformule uit Motivaction. Het werkt alleen als degene die de uitkomsten van het model hanteert al in zekere zin weet wat hij er mee wil doen – en als dit bij de omstandigheden past.

Too close to call

Philip van Praag (UvA) herhaalt in VN zijn stelling, dat kiezersonderzoek alleen iets uithaalt als verkiezingen ‘too close to call’ zijn. Daar heeft hij gelijk in. In alle andere gevallen is het vooral een ruwe richtingwijzer. Niets meer, niets minder. De afgelopen verkiezingen haalde het CDA er de boodschap uit dat ze niet alleen de doelgroepen die ze in 2006 had gewonnen weer aan het kwijtraken was, maar dat de partij ook een probleem had om degenen die normaal wel geneigd waren te stemmen, nu weg dreigden te blijven. Zo gebeurde het ook.

Het is niet verkeerd om die boodschap te krijgen, maar je kan er maar beperkt wat mee. Het probleem met de observatie van Van Praag is vooral dat pas achteraf blijkt of een verkiezing ‘too close to call’ was om het verschil uit te maken en dat elke campagneleider zich gehouden voelt een campagne te voeren alsof het de laatste op aarde is. Als dan ook nog eens de onvermijdelijke nervositeit toeslaat bij het kader, dan wordt elk kiezersonderzoek een stok waar heel zwaar op geleund gaat worden. Zo zwaar, dat het zich in de grond boort en geen millimeter meer van de plaats komt.

Drentse bomen

Voor de VVD heeft de aanpak in 2010 in ieder geval goed uitgewerkt. Nadat de keuzes zijn gemaakt hebben de twee hoofdpersonen in het artikel, Boudewijn Revis en Lex kruydenberg, hebben allebei een militaire achtergrond en het is dan ook voorspelbaar dat ze gegaan zijn voor de militaire analogie. De militaire analogie is het meest gebruikt in de campagnepraktijk en dat is niet verassend. Zo dadelijk kom ik daarop terug, want er is ook een andere kant aan, maar laat ik eerst een welgemeend compliment uitdelen voor de wijze waarop ze hun strategie hebben uitgevoerd. De boodschappen waren in het begin leuk, daarna ten minste herkenbaar. En ze waren overal te zien (voor mij is de vraag naar het campagnebudget dan ook de grote onderliggende vraag bij hun campagne. VN meldt er niets over). Natuurlijk ging het niet overal goed. Mij is een incident bekend uit Drente. Daar moesten per se borden worden geplaatst in de sfeer van ‘minder bomen, meer wegen’. Signalen van de lokale afdeling dat borden met zo’n slogan niet goed vallen in een plaats barstensvol Drentenieren die daar juist naar toe waren gekomen vanwege de bomen, werden gewoon genegeerd. Vasthouden aan de landelijke lijn, was de boodschap. Dit niet luisteren leidde dan ook tot een slecht resultaat in die afdeling. Maar die prijs heeft men er kennelijk voor over gehad. En nogmaals, het resultaat was goed. Grappig is ondertussen dat, voor zover ik weet onafhankelijk van elkaar, zowel VVD als CDA koos voor wit als steunkleur voor de posters, elk op aanbeveling van hun reclamebureau. De keuze heeft mij nooit helemaal kunnen bekoren, maar op dit punt heb ik de consensus duidelijk tegen me.

Twee vormen van campagne

In het verhaal van Vrij Nederland zit iets dat me raakt, in ieder geval meer raakt dan dit redelijk rechttoe – rechtaan verhaal van een campagne. Het heeft te maken met de wisselwerking tussen de (landelijke) mediacampagne en de (lokale) verenigingscampagne. De mediacampagne wordt centraal geregisseerd en de getallen zijn groot. De verenigingscampagne is iets dat doorgaans aan de (provinciale) afdelingen overgelaten wordt en waarbij het uiteindelijk gaat om de ontmoeting met de kiezer via een flyer en / of een persoonlijk contact. Er zit een spanning tussen die twee vormen van campagne en naar mate campagnes meer gaan over personen en minder over partijen gaan, wordt die spanning groter en groter. Meer directief (militair) vormgegeven campagnes lopen een extra risico om die spanning te vergroten.

Venlo en Bodegraven-Reeuwijk: too close to call

Om het concreet te maken. Vrij Nederland laat de VVD trots vertellen hoe zij de herindelingsverkiezingen van november 2010 in Venlo – de stad van Wilders – wonnen. Zowel PVV als CDA werden verslagen. De VVD van Venlo deed dat ‘door de straat op te gaan’. De lijsttrekker ging van deur tot deur, geholpen door lokale en landelijke partijmensen. Prima. Zo’n verhaal heb ik ook. Mijn laatste volle campagne was voor diezelfde herindelingsverkiezingen. In mijn provincie ging het om de fusie van Bodegraven en Reeuwijk. De VVD was onze grote tegenstander, de PVV deed niet mee. In een strijd die werkelijk ‘too close to call’ bleek, wonnen wij de verkiezingen. Met 105 stemmen verschil en geheel tegen de landelijke strijd in. Heerlijk. Wat was het echte verschil met de VVD? Wij gingen veel meer de straat op, met lokale verhalen en posters vol lokale thema’s. Zij haalden Rutte het dorp in, maar de eigen lijsttrekker was nauwelijks zichtbaar. Er waren veel borden, maar het waren goeddeels dezelfde borden als bij de raads- en landelijke verkiezingen. Wasmiddel X was net genoeg uitgewerkt, ons middel sloeg net voldoende aan. Commitment deed de rest.

Het verschil op straat

De inspanningen deden er dus toe. In zowel Venlo als B-R waren de verkiezingen door de winnende partij ingeschat als ‘too close to call’ en de extra inspanningen op straat maakten het verschil.

Ruim drie maanden later hebben we wellicht wel de grootste campagne-inspanning ooit geleverd. Strak door de winter heen hebben we voor de provinciale verkiezingen flyers, appels croissants en heel veel goede woorden uitgedeeld – recht uit ons hart. We hadden een perfecte lijsttrekker die zich meer dan een half jaar lang overal liet zien. En het hielp allemaal geen bal. We werden gehalveerd. Gefrustreerd? Nee, niet eens, zo evident was het dat dit buiten ons lag (maar nu sla ik even dat TV-en-ruit-moment over). Hoe dan ook; toen deden de inspanningen er even dus niets toe.

Zou het anders kunnen? Met name de PvdA (Kirsten Verdel) heeft op grond van de campagne van Obama waarschijnlijk de gedachte gehad dat gebruik van social media, in combinatie met canvassen en vrijwilligerswerk, de sleutel tot succes zou kunnen zijn. Persoonlijk heb ik weinig van hun inspanningen gemerkt, maar verenigingscampagnes zijn dan ook een beetje als een slecht huwelijk; veel ‘living apart together’ (in mediacampagnes is het andersom: de lijsttrekkers zien elkaar vaker dan hun eigen vrouw). Mijn inschatting is echter dat ook in dit opzicht de analogie met de Angelsaksische landen mank gaat. Uit persoonlijke observatie heb ik wel in Groot-Brittannië mee kunnen maken hoe inspannend het is om een echte goede canvas campagne te doen en hoeveel jaren achter elkaar je daarvoor moet opbouwen voordat je er rendement van kunt hebben. En wat de VS betreft; wie Plouffe’s ‘Audacity to Win’ leest, weet ook dat die campagne een enorme inspanning heeft gekost en niet zomaar te kopiëren is. Tenslotte gelden ook hier de Nederlandse beperkingen voor politieke partijen. Zelfs voor een relatief grote partij als het CDA zijn de aantallen te klein om zo te kunnen canvassen dat je alle kiezers bereikt en zijn de marketingmodellen weer niet verfijnd genoeg om te weten op wie je je moet richten (de VVD lost dit probleem als enige partij deels op door uitzendkrachten te laten flyeren. Los wat ik daarvan vind, het roept weer de vraag op naar de centen).

Praktische conclusies

Terwijl ik dit schrijf komt er uit Amerika een mailtje bij mij langs over ‘The VoterMapping.com Revolution’ http://bit.ly/blqxf8. Het is de nieuwste generatie software op het gebied van kiezersonderzoek (‘Zoom down to the rooftop level to get individual voter information on the members of the family’). Voorlopig zal ik daar niets mee doen binnen de Nederlandse verhoudingen. Noch marketingonderzoek, noch inspanningen op straat doen er toe in verkiezingen die al uitgesorteerd zijn en geen ‘too close to call’ element hebben. Wat we ook weten is dat partijen over het algemeen niet de budgetten of hulpmiddelen hebben om een abstract kiezersmodel zo te vertalen dat je er ‘micro-targeting’ mee kan doen. Evenmin is de mankracht aanwezig om dat op (semi-)vrijwilligersniveau te compenseren. Ik sluit zeker niet uit dat we in Nederland nog eens een echte social media campagne krijgen op ‘grass roots’ niveau – integendeel: ik zie er naar uit – maar de realiteit is dat er veel tegen samenzweert om het zover te laten komen. Voor het moment moeten we het hebben van de campagnemensen, landelijk en lokaal, die ook zonder gedetailleerde modellen weten wat ze willen en politieke keuzes durven maken. De VVD heeft dat de laatste keer goed gedaan, het CDA in de periode daarvoor. Wie nu?

Conclusies van een andere aard

Tot slot nog wil ik nog een keer terugkomen op de spanning tussen verenigings- en mediacampagne, want dat gaat me aan het hart. Wat is de waarde van flyeren op straat? Hoe nuttig is het om op de markt van Gouda alles over je heen te krijgen wat er fout gaat in dit land, vaak gebracht in een taal en lichaamstaal die niets dan afkeer uitdrukt. Hoe gaan er nog mensen met posters en plaksel op pad? Stoppen met die handel, zegt of denkt menigeen. Maar dan toch. Ik zou niet zonder die ontmoeting met het publiek willen. De VVD campagne is in veel opzichten weer een volgende stap in het centraliseren van campagnes en uiteindelijk ook een stap van die ontmoeting vandaan. Dat doet pijn. Een centrale (media-)campagne kan je vervangen. Volgende keer beter. Een verenigingscampagne kan je niet vervangen. De mensen zijn er dan niet meer, de ervaring is weg. De betrokkenheid is weg. Wat is een partijdemocratie waard? Zonder campagnes van onderop maak je een toch al kwetsbare partijdemocratie nog kwetsbaarder. Niet doen dus.

Strategisch beraad: tussen een stip en een vel blanco papier

In deze nieuwe polblog aandacht voor het Strategisch Beraad en de andere gremia die het CDA deze maand heeft ingesteld om de partij van een nieuwe impuls te voorzien. Het was een week vol met (bezuinigings)nieuws, maar hier kon ik niet omheen. Vanaf deze week kan er gereageerd worden op de blog. Mocht de lezer daarbij technische problemen ondervinden, laat het svp weten.

Deze week werd het trio compleet gemaakt. Een drietal gremia – een commissie, een werkgroep en een beraad – gaan aan de slag om het CDA te voorzien van respectievelijk een ‘hertaling van het gedachtegoed’, een nieuw organisatiemodel en een koers die het CDa klaar moet maken voor de toekomst. De drie gemia moeten hun werk allemaal op het najaarscongres van oktober a.s. opleveren, waarna de leden aan zet zijn.

Goed nieuws

Het is goed nieuws dat de drie gremia er nu zijn. Cynici kunnen schamper zijn over deze poging tot ‘renewal by committee’, maar het past bij een brede volkspartij en we weten prima hoe we het werk van dergelijke commissies kunnen vertalen richting een democratische besluitvorming. Het is een goed midden tussen twee uitersten. Je kan er direct een debat voor alle leden van maken, maar waar heb je het dan eigenlijk over? Hoe geïnspireerd is dan de basis voor zo’n debat? Of je kan de klus laten klaren door een denker of voorman van de partij. Zowel bij het CDA als bij andere partijen zie je hoe de partij dan afhankelijk wordt van de inspiratie van een enkele persoon. Nee, dit is voor deze partij op dit moment de goede aanpak.

Het proces past de voorzitter

Goed nieuws is ook dat er nu een voorzitter is die past bij dit proces. Afgelopen week mocht ik haar in actie zien in Hellevoetssluis. Ik merkte dat er een voorzitter stond die goed in haar vel stak. Ze ging in ieder geval heel soepel met alle vragen en zorgen van de leden kan omgaan en dat gaf een naar zonnestralen zoekend publiek moed. Tijdens de voorzitterscampagne heb ik mijn zorg uitgesproken over het gebrek aan inhoudelijk profiel van de voorzitter. Waar staat ze nu echt voor? Het zou kunnen dat dit haar alsnog parten gaat spelen, maar voor het moment is duidelijk waar ze voor staat: dit proces. En volgens mij heeft ze het noodzakelijke geduld en het lef om dat proces voorrang te geven boven alle druk om te werken aan ‘het gezicht’ van het CDA. Ik zag haar af en toe kijken en dacht ‘laat niemand deze dame onderschatten’. Dit proces is voor haar belangrijker dan welk Haags gebeuren ook.

Breed proces

Wat niet betekent dat er geen commentaar mogelijk zou zijn op de drie gremia. Geen voordeel zonder nadeel. In de gemaakte keuzes zitten een paar consequenties ingebakken die er voor kunnen zorgen dat het brede proces een te smalle uitkomst gaat krijgen. Daarom mijn commentaar. Mede omdat in de presentatie zelf zoveel aandacht uitging naar de samenstelling van de commissie, ontkom ik er niet aan daar ook wat over te melden. Uiteindelijk gaat het natuurlijk om de vraag wat we inhoudelijk van de gremia mogen verwachten. 

De samenstelling van de drie gremia is duidelijk een interventie op zich geweest. Ruth sprak open over de gedachte dat ergens in deze drie groepen zich de nieuwe Balkenende zou bevinden, maar met haar glimlach temperde ze die verwachting meteen. Gelijk heeft ze. Wat ze vooral lijkt te hebben gedaan is nadenken over de samenstelling van de gremia en de balans er tussen (overigens schrijf ik dit terwijl ik veel moeite moet doen om op de CDA-site een goed overzicht van alle gremia te krijgen. Jammer).

Commissie Uitgangspunten

De ‘Commissie Uitgangspunten’ staat onder leiding van Jacobine Geel. De keuze van deze voorzitter staat gelijk voor de verdere rode draad in de samenstelling ervan: de ontmoeting tussen mensen binnen en buiten het CDA en de ontmoeting tussen generaties. De mensen zelf staan wat mij betreft buiten discussie. Elk van hen heeft veel in te brengen. Persoonlijk verwacht ik dat Paul Schenderling de ruimte zal krijgen om zijn visie neer te zetten. Ik ben benieuwd. En toch en toch, heb ik juist bij de samenstelling van deze commissie commentaar. Het commentaar is tweeledig. In de eerste plaats zie ik geen mensen van wie je kan vermoeden dat ze uitgesproken taalvirtuozen zijn. Hoe taalvaardig deze mensen ook zullen zijn, het zijn bovenal mensen die begenadigd zijn als het om nadenken gaat over concepten en maatschappijbeelden. Hier wreekt zich onze magere verankering in de culturele sector. Het zou zo goed zijn als we als CDA eens echt gebruik zouden maken van mensen die het in zich hebben de diepere lagen van de taal te raken. Dat kunnen literair begaafde mensen zijn die gewend zijn om verhalen te schrijven, maar wat mij betreft kan ook het om een bijzondere reclameman of -vrouw gaan.

Dat brengt mij gelijk bij het tweede punt. Eerder al heb ik er voor gepleit om het bezig zijn met de inhoud niet los te koppelen van het denken over campagnes. Ik zou willen dat de ‘Commissie Uitgangspunten’ net zozeer gaat voorsorteren op de permanente campagne als het Strategisch Beraad wordt geacht voor te sorteren op een permanente programmacommissie. Dat dit niet is gebeurd, geeft aan hoe diep de weerstand zit tegen het ‘marketingdenken’ en het politiek maken op basis van peilingen. Dit is een tragisch misverstand. Programma en campagne horen hun bron te vinden in hetzelfde gedachtegoed en dus ook in dezelfde woorden en verhalen. In de afgelopen jaren is dat maar ten dele gelukt. Het is opmerkelijk hoezeer juist een in het christen-democratisch gedachtegoed doordrenkte premier als Balkenende meer en meer gebruik is gaan maken van peilingen. Kennelijk schoten de woorden tekort. In ieder geval geeft het aan hoe ingewikkeld het voor een modern politiek leider kan zijn om het verschil te overbruggen tussen de plek waar hij denkt zich te bevinden en de plek waar de kiezer zich lijkt te bevinden. Een te grote afstand tussen en politiek leider en zijn of haar partij is een steeds groter probleem in de politiek – en ja, ook Rutte heeft er al problemen mee. Naarmate er vervolgens uit peilingen lijkt te komen dat er nieuwe woorden gevonden moeten worden om het verschil te overbruggen, is de kans dat het mis gaat tussen politiek leider en achterban groter. Kortom; hoe sterker en aansprekender de woorden zijn die in het proces van ‘hertalen en verhalen’ gevonden worden, hoe beter het ook is voor het latere campagnewerk en uiteindelijk voor de acceptatie van de politieke boodschap. 

Werkgroep Organisatie

Nauwelijks opgemerkt, maar niet onbelangrijk, is ook de ‘werkgroep organisatie’. Deze werkgroep wordt slechts bezet door drie personen: Theo Camps, Rixt Meines en Lucas Meijs. Het lijkt me dat je voor zo’n samenstelling kiest als creativiteit wat minder belangrijk is en je vooral wilt dat de boodschap met gezag wordt gebracht. De drie kunnen lezen en schrijven met elkaar, kennen de partij op hun duimpje, maar zijn er niet van afhankelijk. Het belooft dat er een kort rapport komt met een paar heldere uitspraken over de ´governance´ van de partij en de wijze waarop met kandidaatstellingen (‘primeries´) en het HRM-beleid zal worden omgegaan. Ik durf er wat om te verwedden dat ze niet zo ver durven te gaan als de partij in 1995 durfden te gaan op een congres: het afschaffen van het hele resolutiecircus. Een tikkeltje te wild amigo. Waarmee ik niet wil zeggen dat dit een onbelangrijke werkgroep is. In veel opzichten zal het aangeven waar de piketpalen komen te staan waar vandaan de partij zich verder zal moeten ontwikkelen.

Strategisch beraad

Er valt altijd wat te plussen en minnen rondom de samenstelling van lijsten en groepen, maar per saldo ziet de samenstelling van dit Strategisch beraad (SB) er zeer doordacht uit. De voorzitter is goed gekozen. Aart-Jan de Geus was een stevig minister, maar hij heeft zich volgens mij indertijd tekort gedaan door minister te worden in zijn eigen biotoop van de sociale zekerheid. Op een ander departement was zijn vermogen om de grote lijn te zien waarschijnlijk nog beter tot z’n recht gekomen. Een fijn mens die de ego’s in dit beraad makkelijk aankan. En het zijn een paar interessante ego’s. Natuurlijk gaat de aandacht in de eerste plaats uit naar Jack de Vries. Alleen al inhoudelijk is het terecht dat hij er in zit. Juist in het verguisde kabinet Balkenende IV was hij het die er als verse staatssecretaris nog het meeste toe bedroeg dat de eenheid in het team van CDA-bewindslieden nog een beetje overeind bleef. Hij kan echt net dat stapje verder denken dan anderen. Tegelijk zal hij nog lang last blijven houden van het mede door hemzelf geschapen imago. Lidmaatschap in dit beraad is een welkome extra stap terug naar de achterban waar hij uit vandaan komt. Maar zo zijn er meer interessante personen. Pieter van Geel heeft geen eerherstel nodig, maar nog altijd wordt onderschat hoe geweldig de prestatie is die ook hij heeft geleverd tijdens Balkende IV. En heel interessant: Joep Maurits. Deze communicator was totaal uit de gratie bij Balkenende c.s. nadat hij het had gewaagd Marnix van Rij te steunen ten tijde van het conflict met Jaap de Hoop Scheffer. Ook hij is weer terug. Daarnaast is er in het Strategisch beraad de nodige continuïteit: Lans Bovenberg, maar vergeet ook Guusje Dolsma niet. Wie van de nu nog onbekenden zal later zeer bekend worden? We zullen het zien. Opvallend is hoe de samenstellers van het beraad hun best hebben gedaan rekening te houden met verschillen in religies en achtergronden. Bijvoorbeeld van iemand als de Brabantse ondernemer Jan Melis mag verwacht worden dat hij heel goed aanvoelt waarom zoveel van zijn provinciegenoten PVV stemmen. Het enige wat ze niet hebben gedaan – en dat is dan mijn enige punt van kritiek op de samenstelling – is er iemand bij hebben die de seculiere meerderheid van dit land vertegenwoordigd.

Van piketpaal naar stip op de horizon

Inhoudelijk heb ik meer moeite met het Strategische beraad, al gaat het voorlopig meer om vraagtekens dan conclusies. Ruth Peetoom zegt dat het Strategisch Beraad ‘een stip aan de horizon moet zetten’. Het is een Beraad voor de middellange termijn. Zeg; de kabinetsperiode voorbij de huidige, waarbij het beraad in ieder geval al een paar ruwe lijnen voor het nieuwe verkiezingsprogramma gaat opleveren, als basis voor een permanente programmacommissie. In ieder geval is het niet de bedoeling dat dit Beraad het huidige kabinet al te zeer voor de voeten gaat lopen. Toch dringt de vraag zich op wat dan het vertrekpunt van dit Beraad is. Vanaf welke piketpalen wordt de lijn doorgetrokken naar de toekomst? Het is zeer logisch om dezelfde vier beginselen tot uitgangspunt te nemen waar de Commissie Uitgangspunten de hertaling voor verzorgt. Deze commissie zal, evenals de werkgroep organisatie, op hetzelfde moment haar huiswerk opleveren als het Strategisch Beraad. Met veel tussentijdsoverleg zal het werk wel met elkaar te sporen zijn, maar verschillen in uitgangspunten zijn letterlijk en figuurlijk te verwachten en in ieder geval vekleint het bestaan van de commissie de ruimte voor het beraad om echt iets nieuws te bedenken.

Stippellijn en stip

En daar zit mijn grootste bezwaar. Ik zie nu een stippellijn voor me tussen de uitgangspunten en de stip aan de horizon. Die stippellijn is de koers. Iedereen zal er op gaan letten of deze koers niet net links of rechts van die stip uit zal komen. Een stip die een echte middenstip zal blijken te zijn. Vooralsnog is het mijn beeld dat het beraad weinig ruimte heeft om erg ver van die stip af te wijken. Het zou voor mij ook verklaren waarom iemand als Ab Klink afziet van deelname aan dit beraad: de opdracht en samenstelling wijzen richting een proces dat waarschijnlijk niet zo radicaal van aard zal zijn als nodig is om door het dal heen te komen waarin het CDA nu verkeerd.

Blanco papier

Mijn eigen beeld is dat de huidige situatie niet vraagt om een stip aan de horizon, maar om een blanco vel papier. Er zijn allerlei negatieve scenario’s denkbaar, maar er is ook alle reden om te denken dat een partij die tabula raza – op het lege veld – wordt getekend erg succesvol zou kunnen zijn. Het potentieel voor een nieuwe groei van een partij als het CDA is groot. De VVD wordt op rechts de concurrentie met Wilders in getrokken. Op links lonkt het gapende gat dat de imploderende PvdA achter laat. D66 stapt nu in de leegte van het midden, maar is afhankelijk van een leider die zichzelf al te lang hoort praten en zoekt nog altijd naar een geloofwaardige opvolger van het agendapunt van de staatkundige verandering. De Christen Unie? Uiteindelijk net zo’n partij als het CDA, maar dan kleiner. En ondertussen is de samenleving haar conceptuele ankers van markt en overheid kwijt en zoekt naar een gezagvol alternatief. Wat een ruimte in het midden, wat een weelde! Maar een Beraad dat op zoek gaat naar een stip in de verte loopt het risico de te vullen leegte niet te zien. Wat mij betreft is het daarom nu tijd voor de vraag ‘Wat als ik de partij nu zou willen uitvinden? Waar kom ik dan nu op uit?’ Nou ja, iemand die al lid is van het CDA sinds 1982 zou zich dit soort naïeve vragen niet meer moeten stellen. Maar toch; het kriebelt, het jeukt. Als ik mijn schetsboek zou pakken, en op een leeg vel mag beginnen, dan zet ik geen stip, maar trek ik een cirkel. En die zou ik gaan vullen.

.

Over social media en a-sociale mensen

Dit is mijn 15e weblog. Op twitter / Linkedin ben ik hard op weg naar mijn 1500ste bericht, geschreven voor een 1000-tal volgers. Ik schroom om dit soort getallen te noemen, want het plaats hoeveelheid boven kwaliteit op dezelfde manier als het plaatsen van een plak cake boven een stapel aardbeien. Andersom is al heikel, op die manier is het vragen om een troep. Maar juist daarom is het wel de moeite waard om met de lezer mijn gedachten over sociale media te delen.

Uw blogger

Ik ben een generalist. Dat betekent dat ik er naar streef om een topspecialist op 3 gebieden te zijn, een specialist op 9 gebieden en in staat met specialisten op 99 andere terreinen een zinvol gesprek te voeren. Ik kom een eind, maar daar betaal ik wel een prijs voor: een groot gebrek aan focus. Daar ben ik voor in behandeling, maar mijn geval wordt gecompliceerd door neigingen tot perfectionisme. Een generalist met een perfectiedrang zorgt in de social media voor een buitengewoon gevaarlijke combinatie. Netto-effect: te veel en te lange berichten die over teveel tegelijk gaan. Waaronder, uiteraard, deze weblog.

Erger

Dus is het goed om het nog wat erger te maken. Zodat ik en de lezer volledig doordrongen zijn  van het verwerpelijke karakter van zowel social media als mijn persoon, voordat we bij de ‘saving graces’ uitkomen, of wat die wellicht zouden kunnen zijn. Laat ik beginnen door een open deur in te trappen door te stellen dat het grootste gebrek van sociale media het a-sociale karakter ervan is. Hoezo?, zult u wellicht vragen – maar als u dat doet durf ik u van grove hypocrisie te beschuldigen. Alsof u nooit op uw kop heeft gehad als u naar uw telefoon aan het staren bent in plaats van naar uw partner. Alsof u nooit voorkeur aan uw computerscherm heeft gegeven, terwijl u best weet dat vlakbij iemand uw gezelschap best op prijs zou kunnen stellen. (Ik ben lang genoeg onvrijwillig vrijgezel geweest om te weten dat ‘vlakbij’ voor hen niet opgaat, maar het probleem is in de kern hetzelfde). Natuurlijk zijn sociale media geen volwaardig alternatief voor echt menselijk contact en we moeten ook niet doen alsof. Veel tijd besteed aan sociale media is daarom gestolen tijd.

Masker

En om nog even door te gaan op dat punt van hypocrisie: u bent waarschijnlijk net als ik geneigd om alleen maar leuke dingen te melden en de vervelende zaken te skippen. Geen melding dus van slapeloze nachten, niet goed geslaagde opdrachten en gemiste offertetrajecten. De peilingen van uw partij ondergaat u gelaten, want het zijn maar peilingen. De begrafenis waar u naar toe moet en waar u tegenop ziet; het is per saldo toch geen twitter waard – te persoonlijk. Trouwens: twitter wordt toch al zo snel triviaal. Ook zo de pest aan al die lui die denken ons een plezier te doen door alles, maar dan ook alles met ons te delen? Twexit met die lui. En zo doen we allemaal ons best om niet alleen a-sociaal met social media om te gaan, maar het ook inhoudelijk a-sociaal te maken. De term ‘sociaal’ slaat (even graven in mijn studiegeheugen) op de hoedanigheid van intermenselijke relaties en die zijn altijd tweezijdig; zijn heet en koud, positief en negatief geladen. We proberen in de social media datgene te doen wat ons in echte sociale relatie dus nooit lukt: het alleen maar mooi en prettig te houden. En zo komen we uit bij de valse romantiek van de tweet, de leegheid van Linkedin, het gezichtloze van Facebook. Gezichtloos? Zoals Stephen Fry het zegt: ‘Als je een masker maar lang genoeg draagt, wordt het je gezicht.’ En hij kan het weten.

Van onder tot boven

Het zou dus veel beter zijn om ‘onder mensen’ te komen en de verleiding van social media te laten voor wat het is. Het zou ook een vergissing zijn. Goed gedaan, is deelname aan social media wel degelijk verrijkend. Het maakt iets mogelijk wat we tot voor kort niet konden: direct en zonder barrières tappen in de gedachtestroom van zoveel mensen als we maar aankunnen. Het is niet alleen de informatierijkdom die trekt, hoezeer deze informatiejunk daar ook voor gaat. Het is ook de andere manier van kennis maken met anderen die boeit. Het echt ‘onder mensen’ zijn heeft ook nadelen. Je moet het soms ook figuurlijk nemen; je komt er niet onder vandaan, je bent gebonden. Social media stellen je als het ware in staat ‘boven mensen’ uit te komen en kringen te vormen die voorheen niet mogelijk waren. je komt er niet ‘onder’. Integendeel. je maakt jezelf vanzelf tot middelpunt. Kortom; er zit winst, veel rijkdom in het betreden van de wereld van de social media. Maar natuurlijk; met alle vrijheid komt verantwoordelijkheid. Hoe ga je met die rijkdom om?

Trends

Het zou best  wel eens kunnen dat we nu op het hoogtepunt van de trend richting social media zitten, maar dat de neergang er al weer aan komt. Het zou ook kunnen dat we binnenkort weer een volgende stap op weg naar a-social media gaan zetten als bijvoorbeeld (ik bedenk maar iets) de ‘sletter’ er gaat komen: maximaal 60 woorden, maar je krijgt er automatisch Croupon punten bij als de computer herkent dat je woorden gebruikt die op laaggeschooldheid duiden (veel interessanter voor adverteerders). Mijn beeld is in ieder geval dat het aantal volgers / vrienden zich binnenkort gaat stabiliseren (maar wel hoger op de ladder van Solis is geklommen) en vervolgens weer zal fragmenteren in allerlei subgroepen. Daarmee begint De Grote Verdieping. Net zoals je in je puberperiode een grote schare ‘vriendjes’ hebt, zal dit daarna indikken tot die relaties die de moeite waard zijn gebleken. Dan zal ook blijken welke weblogs en andere passieven overblijven en welke niet: wat dus de moeite waard blijft om te lezen en wat niet. Daarover hieronder nog net iets meer.

Saving grace

Met miniblogs als twitter hangt vervolgens alles af van de wijze waarop die worden verrijkt. In technische zin heeft twitter volgens mij de grootste kwantumsprong al gemaakt. Die kwam door de mogelijkheid om allerlei ‘tiny url’s aan een tweet te hangen. Heel veel van de meerwaarde van twitter is opgehangen aan het vermogen om superactueel te zijn, maar met nog een paar Frits Westers erbij komen we al een eind in de richting van meer actualiteit dan we aankunnen. De uitdaging die er nu ligt is tweeledig: of a-sociale karakter van social media te verminderen of er voor zorgen dat social media de ‘saving grace’ gaat krijgen van elke sociale autist: een fascinerend gerichtheid op het voor ‘normale mensen’ ongerijmde. Het liefst beide, maar het zal altijd moeilijk blijken om van autisten sociale mensen te maken.

Kneepjes in de geest

Hoe zou dat dan gaan? De verleiding om met een checklist te komen wordt weerstaan, maar het komt er op neer dat ik het liefst ‘kneepjes in de geest’ geef. Lang niet alles wat ik weet kan ik melden en soms heb ik ook gewoon niets te melden. Maar ik vind het heerlijk om met een enkele zin of dichtregel iets van een wijsheidje of paradox de wereld in te slingeren, het liefst voorzien van een link met een tekst, artikel of blog waarin nog verder valt te genieten. Het gaat om zinnen die je anders waarschijnlijk voor je zou hebben gehouden, maar voor jou een betekenis hebben die het delen waard is. Soms zal ik er vreselijk naast zitten, soms is het heerlijk raak. Zoiets. Zo probeer ik het. Een echte social media filosofie is dat nog niet. Het probleem van het schrijven van die tweets terwijl mijn geliefde mij eigenlijk wil spreken, is daarmee nog niet opgelost, maar ik hoop dan wel iets te hebben dat ik hardop ook aan haar wil voordragen, of, als ik gelijkwaardige teksten van anderen krijg, die vol plezier met haar te delen.

Wisselwerking

We hebben al eerder geleerd dat met de komst van nieuwe techniek, de oude niet verdwijnen. Sociale media verdwijnen niet meer. Er zullen nog heel wat tot dan toe sociale mensen verleid worden tot de a-sociale wereld van de social media, in ieder geval veel meer dan andersom. Maar die oude wereld met z’n oude manieren blijft wel bestaan. Ik zie dus twee dingen voor me. Het eerste staat in het teken van de wisselwerking tussen oude en nieuwe media. Die moeten elkaar nog meer spiegelen dan nu het geval is. Daarbij mag en moet van de social media worden verwacht dat ze waarde toevoegt en interactie ontlokt. Wat dat laatste betreft: in de beste uitingen van social media zit een uitnodiging om te delen. Net zoals ik altijd het gevoel heb gehad dat een boek niet echt is gelezen tot de inhoud ervan met iemand is gedeeld, zo geloof ik dat een goede tweet niet alleen uitnodigt tot een ‘reply’ en zelfs niet tot een ‘reply all’ of een ‘DM’etje’, maar ook tot het weergeven ervan in een gesprek op de bank of tijdens een feestje.

Waarde

Het tweede heeft met die waarde-toevoeging te maken. Laten we wel zijn; de meesten die actief worden op de social media hebben daar een extra motief bij: profilering, de kans om op te vallen en een kans om nieuwe kansen te creëren. Niets mis mee, maar als iedereen dat doet wordt het pas echt een lege egotripperij en loopt de hypocrisie al snel in de gaten. De volgende fase is dat we elkaar allemaal doel gaan maken van een ‘marketingstrategie’ en modelletjes los gaan laten op onze volgers. Volgers die pas ‘vrienden’ worden als we ze op geld kunnen waarderen natuurlijk. Hou toch op. Degenen die dat willen proberen begrijpen iets niet over de sociale media en dat is vanwege nog een laatste ‘saving grace’ van social media die ik graag zou willen aandragen; het rommelige, onvoorspelbare, slimme, domme, kortom; het net levensechte dat een vol social media gebruik kenmerkt en niet te vangen is in een standaard marketingplannetje. Het is in dat volle gebruik dat social media iets krijgen dat ook het gewone leven dragelijk maakt: diversiteit en het fraaie van iets dat niet klopt maar toch de moeite van het ontdekken waard is. Of zeg ik het nu te mooi? Degenen die social media tot nu toe het beste hebben gebruikt, de campagnemakers van Obama, hebben juist dat goed begrepen. Gisteren nog stuurden ze me een mail met als ‘subject’: ‘tap’. Tab? Tik. ‘Ja’, schreef de man van Obama, ‘Ik geef je een tik op je schouder. Mag ik je iets vragen? Ik ben iets spannends van plan. Doe je mee?

Tot slot

Dit meedoen en betrekken (to ‘engage’ is het motto van internetgoeroe @BrianSolis. Volg hem) is de kern van goed social media gebruik. Ik voeg er dus aan toe: ook het betrekken van je relaties buiten de social media. En dan hangt het van je eigen talent af of spannende dingen te verwoorden. Zelf vind ik me overigens niet bijster goed aan dat betrekken van de ander bij mijn uitingen. Ik hoop altijd dat er iets gebeurd bij de lezer, maar omdat ik soms zelf vaak nauwelijks snap waarom en wat ik opschrijf, moet ik maar afwachten wat een ander er van vindt. Ik heb de hoop dat als ik uit oprecht plezier of verwondering iets opschrijf dat het dan ook wel op de goede manier gelezen zal worden, maar dat is natuurlijk maar afwachten. Ik hoop wel dat anderen in staat zijn met hun tweets, blogs en berichten iets op te bouwen dat de wereld van sociale media zo verrijkt dat het een plaats wordt waar de echte sociale mensen zich niet helemaal vervreemd hoeven te voelen.


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek