Maandelijks archief: april 2011

Vernieuwing in tijden van verstrakking

Heel eervol. Ik mag jurylid zijn van de ‘European Public Sector Award’. Heel veel werk ook. Van de 274 overheidsorganisaties die een aanvraag hebben ingediend om voor een prijs in aanmerking te komen – de ‘applicatie’ – mag ik er 41 van beoordelen. De aanvragen komen uit alle EU-landen vandaan, plus de EU-instellingen zelf. Het aantal Nederlandse inzendingen voor dit soort prijzen is altijd bescheiden, zo ook nu. Lof voor de Nederlandse organisaties die er wel voor zijn gegaan, maar ik verbaas me over het gemak waarmee we dit soort Europese trajecten doorgaans links laten liggen. Vinden we onszelf dan echt zo goed dat we dit niet nodig hebben? Zelf mag ik uiteraard geen Nederlandse inzendingen beoordelen. De 41 (!) die ik wel mag beoordelen, vallen allen onder het thema ‘Smart Public Service Delivery in a Cold Economic Climate’.

Ik moet er nog aan beginnen, aan die 41 (hoe vaker ik het noem, hoe groter het getal voelt). Omdat ik in deze eerste ronde niet meer dan een week krijg om ze allemaal te scoren en becommentariëren, betekent dit dat ik veel extra uren zal moeten draaien. Niet erg. Helemaal niet zelfs, maar dan wil ik die beoordeling natuurlijk wel goed doen. Daarom gebruik ik deze blog om wat noties over innovatie in krappe tijden te verkennen. Ik beschik over een keurig systematische instructie voor het beoordelen van de applicaties, maar ik wil daar nog niet te ver induiken in deze fase. Een verkenning kan me wellicht helpen om de instructie later beter te gebruiken. Denkt u een eindje met mij mee?

Conceptueel

Het thema gaat over ‘Smart Public Service Delivery in a Cold Economic Climate’. Let even op het eerste woord: ‘smart’. Maak er hoofdletters van en je krijgt ‘SMART’. Iedere organisatiemuis weet dat de combinatie van die letters het signaal is om een holletje op te zoeken om zich te verstoppen. Hoewel de Nederlandse bestuurskundige lijn op dit moment in het teken staat van ‘het eigene’ van de overheid en de ‘professionals’ die er werken, mag je verwachten dat voor veel Europese landen het denken van het New Public Management (NPM) nog leidend zal zijn en niet bij voorbaat een cynsiche reactie op zal roepen. Het element van ‘control’ dat – ten onrechte – sterk centraal is komen te staan in NPM, legitimeert juist in slechte tijden de toepassing van bureaumetrische instrumenten. In mijn verkenning van nieuwe bestuurskundige stromingen (het beste ervan vat ik samen onder de term ‘New Public Administration’ – binnenkort toe te lichten als hoofdstuk in een Deens boek), ben ik nagenoeg niets tegen gekomen dat helpt bij het maken van bezuigingstaken. De tegenbeweging van NPM lijkt in sommige opzichten ook de tegenbeweging voor bezuinigingen. Betekent dit dat ik in mijn beoordeling van de verschillende applicaties voorrang zou moeten geven aan NPM-toepassingen? Zeker niet. Ik spreek slechts de verwachting uit dat als het om bezuinigingen gaat de meeste applicaties daar hun conceptuele wortels zullen vinden. Ondertussen zijn de nadelen van NPM genoegzaam bekend. Mijn agrarische vriend zei altijd al: ‘een varken wordt van het wegen niet vet’. De valkuil van teveel meten, van prestatie-paradoxen en andere gevolgen van het wegrationaliseren van de werkelijkheid, is niet incidenteel maar structureel verbonden aan NPM. Voor echt innovatieve toepassingen hoop je dus aan het bewijsmateriaal te zien dat de applicant zich van die valkuil bewust is en daar op allerlei manieren wat aan probeert te doen. Hoe korter de feedbackloops hoe beter, hoe meer punten waarop het systeem kan ‘ademen’, hoe verstandiger. Ik hoop dat de indieners het lef hebben om dat te laten zien; in veel culturen rust er nog altijd een taboe op om te laten zien dat iets niet helemaal perfect geregeld is.

Wat me overigens nog even bij een volgend conceptueel begrip brengt: interactieve beleids- en besluitvorming en de daar vaak aan verbonden veronderstelling dat verticale sturing vervangen moet worden door sturing van onderop – of ten minste van de horizontalisering ervan. Mijn probleem is dat ik er op basis van de bestaande literatuur forse twijfels heb gekregen over de feitelijke effectiviteit ervan – om het over de efficiency nog maar niet te hebben. De Nederlandse Crisis- en Herstelwet is een juridisch gedrocht, maar dat ie er dan toch komt moet verklaard worden uit de enorme backlash tegen de inefficiency van niet-verticale en niet-eenduidige vormen van beleids- en besluitvorming. Zouden er applicaties bij zitten die mij ongelijk geven? Oh, wat hoop ik het. Maar voorlopig leg ik de lat behoorlijk hoog als er applicaties langs komen waarbij het enkele bestaan van interactieve elementen mij er van moeten overtuigen dat het project daardoor beter zal presteren. Evidence, my dear, evidence.

Technisch

IT / ICT is en blijft een logische manier om op innovatieve wijze de dienstverlening te verbeteren. Hoewel we met schade en schande geleerd hebben dat er geen directe relatie is tussen het invoeren van het IT en het behalen van schaalvoordelen, is die relatie er intuïtief wel. Om die reden blijft het logisch om IT en innovatie in één adem te noemen, zeker in slechte tijden. Voor het beoordelen van de applicaties is er één manier om met de onzekerheid in de relatie tussen de inzet van IT en efficiency om te gaan: de tijd nemen. Projecten dus over langere tijd beoordelen. En net dat zal waarschijnlijk lastig blijken. Technologische ontwikkelingen gaan snel en de filosofie er achter ook. Ook al zou het beter kunnen zijn om eerst een e-overheid 1.0 ontwikkeling af te maken voordat je verder gaat ontwikkelen – het is niet verkoopbaar om dat te doen als 2.0 al staat te trappelen aan de poort. Wachten is dan geen optie. Dus dan maar kijken hoe de sprong naar de toekomst wordt gemaakt.

Daar speelt nog iets anders bij mee. Kijk je over de volle breedte, dan zullen er veel (nieuwe) lidstaten bij zijn die nog maar vrij kort zijn aangesloten op de digitale revolutie en het gebruik van sociale media in  het bijzonder. Het veelvuldig lesgeven in Oost- en Zuid-Europa heeft me ook voor het Tahrirplein al geleerd dat de wet van de remmende voorsprong voor die landen volop geldt; nieuwe techologie is er minstens zo snel als in West-Europa. De vraag is wel hoe die wordt ingezet binnen een nog altijd zeer directieve overheidsclutuur. Wordt het goed gedaan, dan wordt het waarschijnlijk zeer goed gedaan, maar wat kan het snel mis gaan.

Financiële keuzes maken

Wie weet er een innovatieve kaasschaf te ontwikkelen? Eentje met een intelligente rand, liefst slimmer dan de hand die het denk te hanteren. Een hand die er voor zorgt dat letterlijk en feguurlijk de goede snee wordt gemaakt. Ik vrees dat die er nog net is. Mijn eigen vakgebied, de kwaliteitskunde, heeft veel goeds gebracht, maar ook veel zaken die gewoon niet kloppen. Het doorgeslagen procedureschrijven, het objectiveren wat niet te objectiveren valt; allemaal veroorzaakt door kwalineuten. Ik kan wel verontschuldigingen aanbieden (al heb ik er altijd tegen gewaarschuwd), maar ik vrees dat we het opnieuw aan het doen zijn. Nu onder de naam van ‘lean’ – liefst ‘lean six sigma’. Kort samengevat: doe wat je moet doen, maar denk extra door en maak dat je met (veel) minder ook toe kan. De wijze waarop komt weer neer op opschrijven en analyseren. Wat ik er op tegen heb, is de wetenschap dat sommige processen alleen maar kunnen werken als er ‘slack’ op zit; een marge om te manouvreren en fouten op te kunnen vangen. Een bedrijf als UPS heeft standaard 40% ongeplande ruimte in al haar vliegtuigen zitten. Bewust plannen ze niet alles vol, omdat ze weten dat er veel pas op het laatste moment binnen komt en ze zich tegelijk wel gebonden voelen aan hun slogan om alles binnen 24 uur af te leveren. Overheidsorganisaties zijn geen UPS, maar juist zij hebben vaak met onverwachte omstandigheden te maken – en wat doet een lean proces dan? Het doet je de das om. Met andere woorden; je doet iets goed of je doet iets niet. Er zijn aplicaties uit alle EU-landen. Dat moet dus inclusief landen zijn waar wij van zeggen dat het hopeloze gevallen zijn (in ieder geval niet zoals wij Nederlanders natuurlijk). Elke aplicatie die uit dergelijke landen komt vertegenwoordigd dus een hele scherpe keuze. Alleen dat al is de moeite waard. Met de krimp komt de kramp. Als je dan toch met iets komt kan het window dressing zijn, maar wellicht is het net die witte raaf waar we naar op zoek zijn.

Vergeten

Dat zijn zo een paar overwegingen. Allemaal bronnen van conceptuele, technologische en financiële aard die iets kunnen zeggen over het innovatieve karakter van een aplicatie. Maar laat ik scherp zijn: het zegt vooral iets over mijn veronderstellingen, mijn gedachten over wat bronnen van innovatie kunnen zijn in krappe tijden. Misschien heb ik hele goede dingen bedacht – maar het is ook ballast, niet meer dan een reeks veronderstellingen. Ik heb ze nu op schrift gesteld en zo expliciet gemaakt. Het belangrijkste dat ik nu kan doen is die veronderstellingen weer loslaten.

Het is zaterdagavond 23:15, einde van een mooie Koninginnedag. Vanaf maandag 12.00 uur krijg ik de tijd om daadwerkelijk te scoren en oordelen te geven. Dat geeft mij nog anderhalve dag om mijn nog wat rommelige veronderstellingen verder te onderzoeken en weer los te laten. Ik moet dus opschieten met het vergeten. 

 

Passion in Gouda

Deze weblog gaat over een gebeurtenis die ik waarschijnlijk zou hebben genegeerd als die niet letterlijk aan mijn deur voorbij zou zijn gegaan: ‘the Passion’. Met Gouda als niet toevallig gekozen decor, werd het lijdensverhaal van Christus modern maar wat houterig verbeeld en ‘verzongen’. De wijze waarop bekende Nederlandse liedjes werden ingezet om het verhaal te vertellen was redelijk geslaagd, maar zeker niet zo revolutionair als wat eerder al is gedaan. Het was interessant en passend hoe de bedenkers de eigenlijke kruisiging niet lieten zien, maar eenvoudig verwezen naar de hypocriete manier waarop we anno 2011 echt leed verhullen. Daar tegenover stond voor mij, zeker vooraf, het verontrustende beeld van de kruisgang zelf. Gouda stond de afgelopen dagen op z’n kop vanwege het gebeuren en dat was niet allemaal even slim gecommuniceerd door de gemeente. Toen een medewerker van Primera rond 17u meldde dat er op de 21e geen poststukken meer weggingen, ‘want er komt een kruisiging tussendoor’ vond ik dat humor genoeg om het tweeten. Toen een van mijn volgers een reply gaf waarin hij sprak van een ‘spotspektakel’ vond ik dat te zwart-wit, maar ik voelde wel aan wat hij bedoelde.

Dat gevoel kantelde tijdens de uitzending zelf. Er waren twee momenten. Het eerste moment was toen de groep met kruisdragers langskwam over de Westhaven. Wij keken vanuit het raam van onze huis aan de Oosthaven en werden verrast door de zang van de kruisdragers en de mensen daar achter. Niets popsongs, niets liedjes van BN’ers. De mensen zongen Paasliederen, religieuze liederen. Even kwam het me voor dat het kruis was gekaapt, teruggestolen door de kerkelijken – en toen realiseerde ik mij dat dit de ware basis was voor de makers van EO-RKK. Dit was hun stuk van de manifestatie. Loes, mijn vrouw, wist beter. Ze vond het gewoon mooi, bijzonder. Ze wilde er deel van uitmaken. Dat begreep ik en toen zijn we ons huis uitgestapt en richting de markt gegaan. Uiteindelijk kwamen we op een plek waar het kruis de markt op kwam. Toen het zover was, lieten we het kruis en de mensen er achter voor ons uit gaan en liepen een heel kort stukje mee. Dat was mooi. Even deel van iets groters. Opeens begreep ik wel wat het kan betekenen om aan een kruisgang mee te doen (afgelopen zomer bezochten we Lourdes. Ik stond naar ik dacht open voor een spirituele beleving, na alles wat ik daarover van mijn katholieke vrienden had gehoord. Maar temidden van al het commerciële geweld daar voelde ik me koeler en gereformeerder dan ooit). Kortom, de Passion in Gouda was even de moeite waard. Een gevoel dat nog verder versterkt werd toen we na afloop een St. Janskerk voor de ‘afterparty’ aantroffen die voller was dan ooit.

Twee vragen blijven me bezighouden. De eerste: de makers wilden jongeren bereiken die in meerderheid geen flauw idee meer hebben over de betekenis van Pasen. Hoe effectief is deze manier? De tweede: wat zegt dit over onze tijd en hoe we (ik) met die verschuiving in betekenisgeving om moeten gaan?

Aan de Passion, als idee overgenomen van de BBC, is naar ik hoor 2 jaar gewerkt. In totaal is er zo’n 1,1 miljoen euro met de realisatie gemoeid geweest. Dat was er aan af te zien. Er valt altijd iets op te merken, maar dit moet voor de betrokken omroepen een huzarenstuk zijn geweest. Complimenten. Met 20.000 bezoekers en bijna 1 miljoen kijkers (plus de kijkers naar de herhaling op zaterdagavond), moet het ook in termen van omroepmaatstaven goed zijn uitgepakt. Of de gestelde doelstelling van het mensen bewust maken van het Paasverhaal gehaald is – tsja, dat is de vraag. De mensen op de markt leken over het algemeen behoorlijk religiueus bewust, ook de kinderen onder hen. Natuurlijk waren er ook veel mensen die vooral blèrden en ander pubergedrag vertoonden, maar ik kan me voorstellen dat ze onder het meuten ook nog iets anders mee hebben gekregen. Het zal mij niet verbazen dat hetzelfde ook voor de kijkers thuis zal gelden. Goeddeels gaat het om kijkers die toch al zouden kijken. De miljoen mensen die op 2 oktober naar het CDA-congres keken waren over het algemeen veel politiek bewuster dan de gemiddelde kijker (Linda de Mol trok diezelfde dag 1,5 miljoen kiezers), maar dat er een uitstraling vanuit is gegaan zal niemand kunnen betwijfelen – echter lang niet genoeg om het beeld van de partij positief bij te stellen. De vergelijking gaat mank, maar ook voor de Passion moet gelden dat het een stevige inspanning was, maar die inspanning zal verdampen als het bij een éénmalige actie blijft. Alleen met herhaling is het effect blijvend. Hebben EO en RKK dan de middelen om het vol te houden? Ik kon het niet helpen om even door de ogen van een campagneleider te kijken. Bij een landelijke verkiezing beschikken alleen de grootste partijen over een budget dat richting de miljoen gaat en daar moeten dan letterlijk tientallen evenementen worden betaald, op een landelijk dekkende manier. Dat is dus nog veel meer een schot hagel (al worden de lijsttrekkerdebatten ‘gratis’ aangeboden) en de effectiviteit is zo evident beperkt. Juist de Passion maakte mij duidelijk wat een waanzinnige inspanning er er nodig zijn om de kennis over Pasen weer bij te laten trekken, laat staan het geloof weer dichterbij te brengen. EO en RKK hebben een strategische keuze gemaakt waar politieke partijen nog van kunnen leren, maar voorlopig is de echte slag nog lang niet gemaakt.

Elke tijd heeft haar eigen manier om het lijdensverhaal te verbeelden en verklanken. Als ik nu 8 jaar was zou de passion mij ongetwijfeld boeien en bijblijven – als ik lang genoeg op had mogen blijven om het te zien (wat absoluut niet het geval was). Toen ik echt 8 jaar was, kwam het lijdensverhaal alleen tot me via de Kinderbijbel en de vertelling op school en in de kerk. De TV was een geheimzinnig kastje naast de kerstboom waar Paulus de Boskabouter op woensdagmiddag uit kwam. Daar ergens tussenin vond de secularisatie plaats. Of passender gezegd; daar ergens tussenin kwam Jezus Christ Superstar langs en leerden we net zozeer door het perspectief van Judas kijken als dat van Christus en leerden ongemerkt ons eigen perspectief te kiezen. Het mooie is dat anno nu in een TV-show als de Passion het mogelijk blijkt dat niet alleen gereformeerden en katholieken met de stoet meelopen, maar ook mensen met een joodse, agnostische of islamitische achtergrond. Dat zou vroeger ondenkbaar zijn geweest en is het nu echt wel. Dat is toch pure winst? Tegelijk is er meer gebeurd dan alleen het loslaten van het traditionele geloof. Het tellen van het aantal gelovigen is nauwelijks relevant als de aard van geloof en geloofsbeleving daaronder zich fundamenteel wijzigen, zoals hier in Nederland is gebeurd. Zonder het weblog nog meer uit de lengte te laten lopen als nu al gebeurd, zou ik het willen verwoorden via twee van mijn gedichten (eng hoor, dat blijft iets heel persoonlijks).
In het eerste gedicht zit de afrekening met de kerk als instituut, in dit geval de katholieke kerk, maar ik had het ook over mijn eigen kerk kunnen hebben. De ik-figuur hoort alleen wat hij begrijpt en wat hij begrijpt is dat zijn kerk wordt aangevallen. De priester tegenover hem kan niet direct zijn. Hij versleutelt alle alle wezenlijke elementen van het Evangelie en lijdensverhaal in een aantal cryptische opmerkingen, die erg waar zijn, maar door de ander dus niet worden gehoord. Wat rest is verlies en verbittering.
In het tweede gedicht, net geschreven, dus ruw, zit de verwondering over de Passion. Het gaat niet meer over instituten, hoogstens over het instituut stad of het instituut Omroepland. Waar het alleen nog maar om draait is de verwondering, die van mij, maar meer nog die van een meisje dat ik die avond om haar heen zag kijken.

De priester en het barmeisje (een cryptogedicht)

Na afloop van zijn laatste mis benaderde ik de priester
en vroeg wat ik onder het begrip “genade” moest verstaan

Hij aarzelde, bedacht zich en zei toen bitter
dat hij gewoonlijk de G na de F in het alfabet zag staan

Ik was verbaasd, herstelde mij en vroeg wat hij bedoelde
toen hij zo smalend over “barmhartigheid” had gesproken

Hij keek mij aan, wist dat ik mij ongemakkelijk voelde
en zei dat hij zo het hart van een barmeisje had gebroken

Nu wantrouwend, met een sterk vermoeden van schandaal, vroeg ik hem
waar zijn gevoel voor “edelmoedigheid” was gebleven

En hij vertelde mij in een voor de kerk vernederend verhaal
dat al zijn pretentie bij de moed van die del was gaan verbleken

Inmiddels volkomen cynisch vroeg ik hem vervolgens snerend
wat de pseudopriester van het woordje “naastenliefde” vond

Mij berispend zei hij toen triest maar ook belerend
dat naast liefde soms ook een gelofte tot een einde komt

Met grote verontwaardiging en harde verwijten
wilde ik hem nog over zijn “goddelijke” roeping spreken

Maar met teleurstelling en zonder dat ik het kon begrijpen
zei hij dat Diens Zoon het brood al voor Hem had willen breken

Bijtend, afgewezen en vaag vernederd
vroeg ik hem tenslotte nog wat hij in de mis bedoelde
toen hij het over “heiligheden” had

Maar hij keerde zich om en naast de dichte kerkdeur zei hij:
Hij ligt achter mij; in het verleden en niet in het heden
Hij faalde toen ik niet meer genoeg aan woorden had

PN ’78

 

– o – 

 

Passion

Een rommelige stad wordt ingenomen
door Glamourland
Een park gemaakt voor zondagsrust
wordt bezongen als Gethsemanee
En een plastic kruis wordt gekaapt
door Paasgangers

Ik observeer met woorden
maar waarden krabben ze open

Verwonderd
wandel ik
toch
met hen
mee

Een meisje zegt: ‘dit is een raar verhaal’
maar haar ogen glanzen zachtjes

PN ‘11

Donner, Klink en Hirsch Ballin: drie denkers en wat ze te denken hebben

Het onvolprezen CDV heeft een themanummer gemaakt over populisme. Ze hebben vele interessante mensen gevraagd daar een bijdrage aan te leveren, waaronder Donner, Hirsch Ballin en Klink. We kennen de laatste drie allemaal bij hun voornaam, maar bij een blad als dit houdt je het voornaam en gebruikt je alleen hun achternaam.

Zoals te verwachten viel, leggen deze drie verschillende accenten in hun uitleg van het begrip populisme, maar dat is niet de reden om over hen te schrijven. Met een PVV die zich naar buiten Kabinetsverband populistisch opstelt, maar daarbinnen ronduit gouvernementeel, krijgt de discussie over populisme toch iets gezochts. Daarbij zijn de bijdrage van de drie op het eerste oog geen oefening in confrontatie. Ze maken beschrijvingen van het fenomeen die aanvullend werken op elkaar. Ze staan in eenzelfde traditie van bedachtzaam kijken naar een relevant verschijnsel. Waar het hoogstens schuurt is in de wijze waarop ze met het verschijnsel omgaan; in de consequenties van de conclusies. Die conclusies vullen elkaar in the themanummer overigens aan. Donner benadrukt het opvoeden, Hirsch Ballin het overeind houden van de rechtsstaat, Klink de noodzaak van hervorming. Alle drie zijn verenigd in hun afkeer van het populisme, alle drie zijn ook veel te groot om alleen aan symptoombestrijding te doen. Maar waarom ben ik dan toch zo nerveus bij het lezen?

Scheve hoofdpijn

Of het populisme groter of kleiner wordt in ons land, hangt uiteindelijk af van heel veel factoren, maar het begint en eindigt doorgaans bij de gesprekken aan tafel of in het café als we de verhalen van ‘buiten’ groot en groter maken en niet meer weten wat nog normaal is en wat niet. Populisme bestaat bij gratie van het bestaan van onzekerheid. In die zin is het wat mij betreft geen erg interessant verschijnsel. Populisme bestrijden door het te bestrijden, is zoiets als bijziendheid corrigeren door scheel te gaan kijken. Het levert vooral scheve hoofdpijn op.

Maar niets doen is toch ook geen optie? Waarop mijn antwoord zou zijn dat je wel degelijk wat moet doen, maar dan door naar de bron aan te pakken, de onzekerheid. Tegelijk is dat weer zo’n ware, maar vage uitspraak, dat de lezer gelijk zou hebben als die afhaakt.

Drie heren

Dan is het fijn om drie denkers van het formaat Donner, Hirsch Ballin in Klink in de geledingen te hebben, zoals denk ik ook vertegenwoordigers van andere partijen zouden beamen. Naar hen zou je mogen kijken voor een verdere aanwijzingen over de koers van het CDA nu we inmiddels al een paar maanden op weg zijn met het kabinet. Daarom is het meer dan een beetje spannend om de drie naast elkaar in een tijdschrift te zien, schrijvend over iets dat dicht bij de kern ligt van het gedoogakkoord. Iedereen die er op 2 oktober bij was of naar de TV keek, kan echter weten dat Donner enerzijds en Hirsch Ballin en Klink anderzijds, tot conclusies kwamen die hen diametraal tegenover elkaar zetten. Iedereen de drie kent, weet ook dat zij niet impulsief positie kiezen, maar alles tot op punten en komma’s hebben doordacht. Zou die tegenstelling verder aangescherpt worden door het schrijfwerk van de heren? Als dat zo is zijn we als partij nog verder van huis.

Non-confrontatie?

De eerste conclusie is dus dat dit niet het geval is. Het is een beetje een non-confrontatie. Deze week was er een door het Wetenschappelijk Instituut georganiseerd debat tussen Hans Hillen en Renée Paas, met aan het slot commentaar door Herman Kaiser. Er was de nodige pers op af gekomen, mede omdat men een heftig debat voortzetting verwachtte van het debat in trouw tussen Hillen en Kaiser. Ook dat werd een non-confrontatie. Hillen ging middendoor en deed een goede poging te zoeken naar dat wat verbindt in het gedachtengoed. Hij kon het plagen niet laten door te pleiten voor een districtenstelsel, maar daar bleef het eigenlijk bij. Grappig om te merken hoe journalisten daarna niet goed weten te reageren. Close reading natuurlijk, dames en heren. Maar ook door wat gezegd worden serieus te nemen als uiting van een eigen politieke stroming. Daar ga ik nu ook een poging toe doen.

Donner

De drie weten de confrontatie door allemaal een variant te nemen op het lange termijn perspectief. Donner zoekt het antwoord in de verantwoordelijkheid nemen en betrokkenheid tonen. Echter: ‘een betrokken burger wordt men niet vanzelf’, het moet geleerd worden.’ Hij vervolgt: ‘samenwerken, verbinden, matiging, beperking, respect voor een anders zienswijze, beleving of geloof; het komt niet vanzelf, maar moet worden bijgebracht ..’ Om dan te stellen: ‘Niets werkt zo louterend als zelf betrokken te zijn, zelf deelnemer te zijn, zelf te worden aangesproken op wat wel of niet zou moeten.’ Hij concludeert dat populisme niet bestreden moet worden door ‘confrontatie, afwijzing en uitsluiting, maar ook daarmee waar mogelijk samenwerking te zoeken.’ De houding van Donner is die van een man die voorbij het grote verhaal is en de maat van kleine stappen kent.

Hirsch Ballin

Donner formuleert als de door de wol geverfde leraar die voor een moeilijke klas staat. Geef me maar tijd en ik weet ze wel op weg te krijgen. Je ziet het hem doen. Hirsch Ballin is meer de schooldirecteur in een ruige buurt die om zich heen kijkt en zich verzet tegen pogingen van de leerlingen om de school gaan overnemen. Wel of niet detectiepoortjes bij de ingang?

Populisten zien in zijn visie de gevestigde politieke structuren als een belemmering van ‘gewone mensen’. Populisten keren zich niet alleen tegen de ‘anderen’, maar tegen de instituties van de rechtsstaat. Hirsch Ballin onderschrijft het Program van Uitgangspunten van het CDA als het stelt dat een democratisch gekozen partij, die de beginselen van het staatsbestel aanvaardt, niet bij voorbaat mag worden uitgesloten van het dragen van regeringsverantwoordelijkheid. Hij vraagt zich echter af of er gronden zijn waarop een partij zich daarvoor toch diskwalificeert. Centraal staat voor hem het begrip ‘wederkerigheid’. Wil je in een democratisch bestel je rol kunnen spelen, dan moet je de regels van de rechtstaat erkennen. Pas dan kan een partij worden beschouwd als een dragende kracht voor de rechtsstaat. Ruim citerend uit het verkiezingsprogramma van de PVV, stelt hij dat er sprake is van een sterk vriend-vijand denken. Collectieve diskwalificatie van groepen – de immigranten, de ‘elites’- is daar een uitgesproken voorbeeld van, waarbij feiten kennelijk irrelevant zijn.

Hirsch Ballin stelt dat een democratie niet kan functioneren als zij gepaard gaat met de uitsluiting van bepaalde groepen van volwaardige participatie. Hij plaatst dit in een breder raamwerk van gebonden zijn aan het recht en het idee dat besluitvorming aan procedures is gebonden. Hij realiseert zich dat deze besluitvorming vaak geduld vraagt, maar ziet dat ook als een teken van respect voor diegenen die het recht hebben ook hun opvattingen naar voren te brengen. Dat is de operationalisering van het begrip wederkerigheid. Het meewegen van het gezichtspunt van de ander, en dus van iedere betrokkene, is een eis (mijn cursivering, PN) die geldt voor elke democratie. Aan het slot zegt hij dan: ‘Politici die zich van hun verantwoordelijkheid bewust zijn zullen dit ook aan Henk en Ingrid willen duidelijk maken.’

Ik zou niet graag in de schoenen van Henk en Ingrid willen staan als ze met Hirsch Ballin worden geconfronteerd – hier weersta ik de analogie van de schooldirecteur. Henk en Ingrid zijn geen namen voor pubers. Ik zou overigens ook niet graag in de schoenen van de politici willen staan bij deze verdediger van de rechtstaat.

Klink

Klink is de jongste van het drietal, maar is de enige die echt met een historische analyse komt. En wat voor één. Hij traceert de wortels van de huidige populistische beweging op grond van macro-economische bewegingen tot Paars II. Mooi beschrijft hij het onbegrip van de elite over het kennelijk ongenoegen van de bevolking in een tijd dat ‘zelfs de Economist’ Nederland de hemel in prijst. Maar: ‘wat lastig te duiden is, wordt al snel als irrationeel weggezet’. Na de Fortuyn-revolte is het besef dat het anders moet volop aanwezig en wordt een hervormingsagenda geformuleerd door de eerste kabinetten Balkenende. Zonder hervormingen zouden de verzorgingsstaat en de economie genadeloos vastlopen, met alle gevolgen van dien. Hervorming was dus nodig om zekerheid over behoud van inkomen en meer te behouden. Het probleem was natuurlijk dat de maatregelen die daarvoor nodig waren – verhoging AOW-leeftijd, aanpakken WAO – de onzekerheid zelf weer verder vergrootten. Via een ‘toerustingsagenda’ werd dat bijgebogen, inclusief een sociale zekerheid die voor de echt sociaal zwakken toereikend is. Klink maakt op dit punt een scherp onderscheid ‘met sommige voorlieden van het CDA’, die vinden dat ‘de overheid niet elk gat kan dichten en dat de samenleving op zichzelf moet zijn aangewezen.’ Of Klink die voorlieden voldoende recht doet is de vraag, maar als ik hem goed begrijp is de teneur van zijn verhaal dat we nu opnieuw voor de noodzaak van een grote sociale en economische hervorming staan, met de vergrijzing als katalysator. Dan kunnen we ons als middenpartij niet laten gijzelen door populistische partijen die inde kern niet hervormingsgezind zijn of open staan voor andere antwoorden. Bij die andere antwoorden betrekt hij ook de ‘gepercipieerde opkomst van de islam’ bij. Gepercipieerd, niet alleen omdat de getalsmatige groei van de islam bescheiden zou zijn, maar omdat het niet juist is de ontwikkeling binnen de islam op één hoop te gooien. Hij ziet de lelijke islam, maar er is ook een andere islam. Willen we die een kans geven dan mogen populistische stromingen die verbinding tussen islam en rechtstaat niet op slot gooien en is ook op dat vlak iets nodig, passend bij de hervormingsagenda.

Reflectie

Wat me bij het bovenstaande opvalt is dat ik de denklijn van Donner in een paar regels heb kunnen vangen zonder het gevoel te krijgen hem onrecht te doen en dat dit me bij Hirsch Ballin en Klink niet gelukt is. Waarbij het overigens heel knap is dat je bij Klink direct het gevoel krijgt dat hij per direct in staat is een nieuwe hervormingsagenda voor het strategisch beraad te formuleren.

Of je hem dat verhaal moet laten schrijven is de vraag overigens. Hij vergist zich als hij denkt dat de tegenstander het huidige kabinet is. Dat is de kiezer van morgen. Daarbij denk ik dat hij nog niet klaar is met het reflecteren op de periode Balkenende, in veel opzichten ook zijn periode.

Het verhaal van Hirsch Ballin geeft mij nog de meeste moeite. Het is het verhaal van een onverschrokken verdediger van de rechtsstaat. Ik voel me er klein bij als ik het lees. Maar het is te abstract; het verhaal van een andere wereld, een andere planeet bijna. ‘Gewone mensen denken zo niet’, hoor ik mijzelf denken, wetend dat ik hem tekort doe. Maar de wederkerigheid waar Hirsch Ballin over spreekt moet je ook voelen, moet je als terecht ervaren en niet als het mechanisme waarmee mensen zich buitengesloten voelen. Dat laatste is, terecht of onterecht, voor ontzettend veel mensen het geval en daar helpt geen honderd keer uitleggen aan. Als hij dan het woord ‘eis’ verbindt aan het principe dat anderen zich altijd moeten kunnen laten horen, krijg ik het benauwd. Er wordt een grenspaal in de grond geramd waar ik niet omheen kan of wil, maar waarvan ik weet dat het de zaken erger en niet beter zal maken. Want wat is de volgende stap?

Voordat ik daar op in ga, eerst nog mijn reflectie op Donner. Als procesdenker voel ik me zeker tot zijn benadering aangesproken, maar er zitten ook een paar evidente tekortkomingen in. Hij zal het zo zeker niet bedoelen, maar net als het verhaal van Hirsch Ballin is het een toch wel arrogant verhaal. Het is een verhaal dat van boven naar beneden is opgeschreven, zonder veel besef dat er een eigen bijdrage is geleverd aan een voedingsbodem voor het populisme. Daarbij is de raad om geduld te hebben weliswaar wijs, maar dan moet die tijd er wel zijn, of ten minste de indicatie van een soort tijdpad. Het meest verontrust ben ik nog door de gedachte dat we nu te maken hebben met een tovenaarsleerling die de leraar vol geduld aan het opvoeden is. Wie speelt er nu met wie welk spel? Politiek is voor mij een voortdurende emancipatiestrijd. Ik denk niet dat noch het CDA noch de VVD op dit moment een emancipatiebeweging vertegenwoordigen, Wilders kan daar wel enige claim op maken. Het verhaal van Donner zou er voor mij heel wat steviger op worden als hij laat zien welke beweging onze partij vertegenwoordigd, waarbij ik ook aan Klink’s kritiek denk op de agenda van dit kabinet. Let wel; ik ben er van overtuigd dat Donner niet voor de makkelijkste weg kiest door voor de lijn van meegaan en bijbuigen te kiezen. Het vraagt om duizend en één confrontaties en als iemand daar niet bang van is, dan is het Donner. Maar is het dan toch niet beter om de strijd echt aan te gaan en dan, net als Hirsch Ballin, met één duidelijk principieel standpunt duidelijk te markeren waar je staat?

Principes

Principiële standpunten laten zich vanuit hun aard niet relativeren. Ik wil het niet eens, want ik heb bewondering voor iedereen die naar principes leeft en handelt. Op mijn eigen manier probeer ik dat ook. En toch zal ik nooit zomaar iets principieel verklaren. Elk gesprek stopt nadat een principieel standpunt is verwoord. Met een proces van herbronning, hertaling, of hoe we het ook noemen, in het vooruitzicht, kunnen we het ons niet permitteren om stilzwijgend aan de stille strijd van onze prominenten voorbij te gaan. Dat is wel het risico dat doorschemert uit de drie verhalen. Waar sta ik dan? De drie laten me wel achter met een dilemma.

Ik heb ook zo mijn principiële standpunten. Eén daarvan is dat je luistert naar je kiezer, of die kiezer nu het grootste ongelijk heeft van de wereld of niet. Toen op 6 juni de uitslag binnenkwam, was dat voor mij niet alleen een boodschap aan Balkende en Van Heeswijk, maar aan de hele partij. De kiezer zei: je hebt je beurt gehad. Ik ervoer dat als pijnlijk, een ontkenning van goede intenties en echte resultaten, maar ook als bevrijdend. Kan je weer gaan bouwen. Ik heb er zin in. Al snel kwam er echter een tegenbeweging op gang, Die kwam neer op de stelling dat het CDA hopeloos is als oppositiepartij en dat haar ervaring harder nodig is dan ooit. Beide dingen kon ik niet ontkennen, maar ik vond en vind het principieel onjuist om er zo over te denken, ook en juist binnen de Nederlandse verhoudingen. En net zoals er niets praktischer is als een goede theorie, denk ik dat we een hoge prijs gaan betalen voor het negeren van dit principe. We hebben zoveel huiswerk te doen.

Trein

Maar goed, de trein vraagt niet de weg aan mijnheer Noordhoek en ik kom, net als alle andere leden, terecht in een uiterst lastige afweging over een gedoogconstructie. Waar trek je de streep? Alle elementen die de drie te berden brengen over het populisme waren toen ook aanwezig. Met name het lezen van het gedoogakkoord was pijnlijke lectuur. Het bevat dingen die tegenstrijdig zijn aan alles wat ik van mijn ouders heb meegekregen en waar ik in de loop van mijn leven voor ben gaan staan. Het raakte mij op principieel niveau. Het probleem was echter dat het niet bij één principieel punt bleef. Buiten deze tijden geldt dit evenzeer; maar heeft niet elke politieke afweging een principieel element in zich? En maken we die afwegingen niet dagelijks? Toewerkend naar 2 oktober kon ik de principiële discussies niet meer op één hand tellen en ook niet op twee. En naast al die niet te relativeren principiële punten kwamen allerlei praktische afwegingen. Wat is de prijs van geen kabinet? Wat gaat de economie doen, als .. ? Wat betekent dit voor de partij? Nou ja, zo heeft iedereen hebben geworsteld. Zelf heb ik uiteindelijk voor het gedoogakkoord gestemd. Dat heb ik gedaan vanuit mijn perceptie van het landsbelang, alles afwegend wat ik kon over de effecten op economie en samenleving en uiteindelijk menend dat het principiële punt van de vrijheid van godsdienst andere punten niet mocht overvleugelen. Het besef dat ik daarmee iets deed waarin ik het niet met mijzelf eens was, was zwaarder te hanteren dan het besef dat stemmen voor gedoogsteun in mijn perceptie tegen het belang van de partij ingaat. De kans dat we zwaar moeten betalen voor kabinetsdeelname schat ik nog steeds hoog in. Maar net als Donner wil ik niet versagen en steeds weer laten zien wat we werkelijk waard zijn en wat werkelijk de moeite waard is.

Bent u er nog?

Bent u er nog? Nog niet afgehaakt vanwege deja vu gevoelens? Waar brengt dit ons dan? Alle drie laten mij en de leden op een andere manier in de steek. Donner geeft te weinig perspectief en maakt je benieuwd naar waar zijn grenzen liggen. Hirsch Ballin eist zaken die niet te eisen zijn maar moeten worden verdiend. Klink komt met een ambitieuze hervormingsagenda en belast die nog verder met een verbinding van islam en rechtsstaat, zonder te overtuigen dat mensen beter toegerust aan deze agenda zullen beginnen dan bij vorige agenda’s.

Misschien zit de grootste fout wel bij mijzelf. Dat ik verwacht dat denkers als deze drie mij panklare oplossingen zouden kunnen bieden. Net zoals ik op 2 oktober mijn eigen afweging heb moeten maken, zal ik dat de komende maanden en jaren steeds opnieuw moeten doen – en daar is niets mis mee. Als ik mijzelf wel maar aan die ene beschavingsregel houd die door het verhaal van alle drie heengaat; het uitgangspunt dat je je verplaatst in de wereld van de ander en daar respect voor hebt. Zelfs of juist als dat populisten zijn.

Richting de drie is de boodschap ondertussen wel dat ze mij en de andere leden niet moeten blokkeren in die ontwikkeling. De aantrekkelijkheid van het CDA heeft voor een belangrijk deel steeds gelegen in het feit dat het tegenstellingen, ook van religieuze aard, steeds weet te overwinnen. Zelfs intellectuele tegenstellingen zouden overbrugbaar moeten zijn. Principiële bezwaren moeten gehoord en erkend worden, maar ze mogen die ontwikkeling niet blokkeren. En heren, blijf schrijven en inspireren.

Peter Noordhoek

www.northedge.nl

Bronnen:

Piet Hein Donner – De ware volkspartij zoekt naar gemeenschappelijke belangen.

Enst M.H. Hirsch Ballin – Henk, Ingrid en de rechtsstaat.

Ab Klink – Hervormingen zijn noodzakelijk om populisme in de toekomst niet opnieuw in de kaart te spelen.

Alle artikelen verschenen in: Govert Buijs, Pieter Jan Dijkman & Frank van den Heuvel (Red.) – Populisme in de Polder. CDV, lente 2011.

 

NB Dank aan degenen die per twitter en mail op mijn vorige bijdragen en de aankondiging van deze weblog hebben gereageerd. Ook al gebruik ik niet alles in directe zin, het wordt zeer gewaardeerd.

Gedichten, gedachten en een vraag

Vorige week kondigde ik aan dat deze week in het teken zou staan van het publiceren van mijn gedichten van het laatste decennium. Dat is inmiddels gebeurd: http://bit.ly/dEY2Q8 Ik hoor niet bij degenen die denken dat een gedicht pas goed is als ie ontoegankelijk is. Het betekent echter ook niet dat gedichten eenvoudig moeten zijn. Deze gedichten zijn het overwegend niet.

Deze week heeft verder in het teken van werk en allerlei financiële activiteiten gestaan. Komende dinsdag krijgt Northedge Opleidingen en audit om te bezien of het in aanmerking komt voor certificering van kort beroepsonderwijs. Ik heb daar allerlei bedenkingen bij, maar wellicht hoort dat bij het ondergaan van een audit. Misschien wel een keer goed om degene te zijn die hem ondergaat.

Hoe dan ook; geen grote weblog dus. Helemaal niets kan ik niet schrijven, maar ik beperk me tot een gevoel en een vraag. Het gevoel heeft te maken met de schietpartij in Alphen a/d Rijn. In de laatste campagne heb ik nog in dat winkelcentrum gefylerd. Een winkelcentrum eerlijk gezegd als zoveel anderen – en juist daarom voelt het waarschijnlijk tegelijk zo onwezenlijk en zo dichtbij als zoiets gebeurd. Een vriend van me die bij politie werkt ging gisteren direct naar Alphen toe. Niet omdat hij daar functioneel wat te doen had, maar omdat hij er voor zijn collega’s wilde zijn. Hij hield tegelijk twitter in de gaten en pikte er een tweet uit waarin iemand schreef dat hij het voorbeeld zou van de schutter zou gaan volgen. De man zit inmiddels vast, maar zo merk je hoe kwetsbaar we allemaal zijn voor copieergedrag, tot in het extreme. Deze zondag zitten de kerken vol met redelijk mensen die elkaar ondersteunen en zich tegelijk bijna radeloos afvragen hoe we kunnen voorkomen dat dit vaker gaat gebeuren. We vrezen het antwoord: dat kan niet. Maar misschien kunnen we het gevaar iets minder maken door alert te blijven op de loners in onze wereld en simpelweg door een cultuur van nadenken te stimuleren en copieergedrag te herkennen en te ontmoedigen. Zei hij hoopvol, hoopvol.

Dan een aankondiging, c.q. vraag. Het raakt wel degelijk weer het CDA. In het laatste nummer van CDV (Christen-Democratische Verkenningen) formuleren zowel Donner als Hirsch Ballin en Klink een christen-democratisch antwoord op de vraag hoe een volkspartij om moet gaan met populistische bewegingen. 

Alle drie bewonder ik zeer. Alle drie zijn politici die met argumenen en redeneerlijnen komen waar je niet tegen op kan als je alleen maar met wat ideologisch kreten gewapend bent. Ze leveren echt denkwerk. Maar dan wordt het er niet makkelijker op als Hirsch Ballin en Klink op een fundamenteel andere lijn zitten dan Donner. Ik neem een week de tijd, tot mijn volgende weblog, om zelf na te denken over dit verschil van inzicht en mijn positie te bepalen. Wellicht vindt de lezer het de moeite waard mee te denken. Mijn weergave van het verschil van inzicht is deze: Donner stelt: ‘de beste manier om een populistische partij te bestrijden is niet door de confrontatie met haar te zoeken, maar door de zorgen van haar kiezers serieus te nemen’. Hirsch Ballin stelt daar tegenover dat populistische partijen zich niet alleen tegen ‘de ander’ keren, maar ook tegen de instituties van de rechtsstaat. Daar is geen compromis op mogelijk: ‘De democratische rechtsstaat is er voor iedereen, of hij is er niet’. Klink stelt dat het populisme ontkent dat rechtsstaat en islam samen kunnen gaan. Zonder hervormingen, ook hervormingen die een brug slaan tussen islam en rechststaat, worden middenpartijen als het CDA gegijzeld door het populisme.

Ga er maar aan staan. Dat lijkt echt op een fundamentele tegenstelling. De komende week probeer ik een manier te vinden om het kennelijk onverenigbare toch bij elkaar te brengen. Als het bij deze mensen niet lukt, bij wie dan wel. Wie mee wil denken is dus welkom.

CDA en de strategische lijn: ware woorden

Het was een heel slecht moment voor mij. Ik wilde vrijdag een mevrouw van een internet-radiostation vertellen wat de vier basisbegrippen van het CDA zijn en kwam niet verder dan drie. Gelukkig was het op een receptie en niet tijdens een uitzending. Ik kwam vrij vlot tot de begrippen rechtvaardige samenleving, rentmeesterschap en solidariteit. Pas nadat mijn ‘senior moment’ was gepasseerd kon ik weer op ‘gespreide verantwoordelijkheid’ komen. De dame van de radio vergaf het me. Wat ze me niet vergaf was dat het van die onmogelijke termen waren. Gelukkig gaf ze mij wel de kans de vierbegrippen in andere woorden te vertalen, maar ondertussen vergaf ik het mezelf niet helemaal dat het zo moeizaam ging. Ben je al zo’n 30 jaar met die begrippen bezig, geef je er soms zelfs les in en dan weet je ze nog steeds niet gedachteloos te hanteren. Schande. Zou dat het zijn wat er mis is met ons? Laat ik voor mijzelf spreken; ik voel de waarde ervan, maar heb het niet zo in woorden paraat als zou moeten in deze tijd.

Ruth Peetoom is de nieuwe voorzitter. Van harte, van harte. Mijn beeld is dat zij en de andere kandidaten vooral zichzelf gedragen hebben en dat er niet overdreven veel is ‘gemanaged’. Maar als er wel is gemanaged dan is dat bij Ruth waarschijnlijk vooral geweest in de lijn van ‘geen fouten maken’. Het waren vooral de tegenstander(s) die met inhoud kwamen. Ruth heeft naar mijn gevoel richtinggegevende uitspraken over de inhoudelijke koers van het CDA eerder vermeden dan gedaan. Mede daaruit is de behoefte aan iets van een Strategisch Beraad goed verklaarbaar. Een vacuüm vult zichzelf. Een resolutie in die richting werd afgekondigd en nog voordat de middag voorbij was werd een dergelijk beraad aangekondigd. De partij gaat me dus helpen met mijn geheugenprobleem. Mooi. Maar hierbij gelden twee waarschuwingen en daar wil ik deze blog aan besteden.

De eerste waarschuwing is dat de behoefte aan een Strategisch Beraad juist niet gezocht moet worden in de behoefte aan een brede consultatie van de leden, maar juist aan de wens om weer een soort Balkenende of Klink aan het woord te laten die voor ons zal gaan formuleren wat onze inhoudelijke lijn is. Dit is dus geen vraag om een gedeeld proces, dit is de vraag om ‘een gezaghebbende stem’. De vraag komt dan gelijk op wie dat dan wel gaan doen en vervolgens hoe zich dat gaat verhouden met het bredere consultatieproces zoals dat ook binnen de partij moet worden gevoerd en waar de permanente programmacommissie het kanaal voor moet worden. Mijn beeld: het strategisch beraad is een sui generis actie; een eenmalige verdiepingsslag van enkele mensen met de gave van woord en hart. Daarna weer in de lijn.

De tweede waarschuwing heeft te maken met wat mij bij de dame van de internetradio overkwam. De tijden zijn wel veranderd sinds het vorige strategisch beraad werd geformuleerd. Zou het al op een computer zijn gemaakt, of nog met zo’n IBM typemachine met roterende kop? Mijn punt is dit: vergeet het dat een strategische lijn achter een bureau kan worden geformuleerd. Het kan niet anders of het wordt een wisselwerking tussen de elementen van het gedachtegoed en de beelden over welk element het beste over zal komen bij het electoraat. We hebben te maken met zo’n 17 miljoen Nederlanders, waarvan velen alleen nog maar via mediasignalen bereikt kunnen worden. Dat vraagt om een strakke aanpak met een heldere strategische lijn. De kans dat wat een strategische beraad bedenkt niet aansluit bij die mediasignalen is levensgroot. De uitkomsten van het strategisch beraad bepalen dus ook waar en hoe (permanent) programma en (permanente) campagne elkaar gaan ontmoeten.

Laat ik een poging doen om de elementen van dat proces te schetsen. En laat ik maar beginnen bij precies waar Ruth Peetoom zegt dat het om moet gaan: het ‘hertalen’ van ons gedachtegoed.

Dat start dus bij de vier kernbegrippen. Ik geef ze weer en geef er direct een hertaling bij in de vorm van vier teksten voor een abri op een druilerig station in Gouda-Goverwelle.

  • gespreide verantwoordelijkheid     –       ik sta voor meer. Jij ook?
  • publieke gerechtigheid                  –       ik respecteer, jij respecteert, wij respecteren
  • rentmeesterschap                         –       nu delen telt op voor later
  • solidariteit                                      –       open armen en een warm hart 

Maak zelfs maar eens een dergelijke hertaling van onze basisbegrippen; het valt nog niet mee, maar ik ben dan ook geen copy-writer. Heb daarbij trouwens de neiging om er nog iets aan toe te voegen als ‘en durf te genieten’, want het is allemaal zo verdraaid serieus. En toch denk ik dat ik er campagnetechnisch wel voor zou willen gaan om de komende jaren met dergelijke kernwoorden overal zichtbaar te zijn. VVD en vooral PVV maken de wereld erg plat in hun abri-teksten. Ik durf wel een andere kant op te gaan – mits de woorden precies goed zijn. En dan kom ik weer bij mijn punt terug. De hertaling van onze vier echt mooie beginselen moet heel nauw aansluiten bij wat onze moderne marketing- en communicatiemogelijkheden zeggen. Velen zullen die laatste vieze woorden vinden, maar de fout van het verleden is dat we de balans niet hebben gevonden, niet dat we ons professioneel hebben opgesteld. Een nieuwe balans is nodig. In ‘De conjunctuur van de macht’ (G. Voerman e.a.) beschrijft Marcel ten Hooven hoe Arie Oostlander al zijn medewerkers de opdracht gaf om al het confessionele bronmateriaal te gaan doorzoeken om zo een synthese voor een politieke leer te kunnen vinden. Traditionele bronnen werden gecombineerd met tegen de tijd in denken en daar kwam iets heel moois uit voort. Daar hebben we nu ontzettend veel profijt van, maar nu wordt het tijd voor een omgekeerd proces. We moeten onze orthodoxie tegen de bronnen van nu houden, er de woorden voor vandaag uithalen, dan weer terug naar onze bron gaan, etcetera.

In mijn opa’s auto was een geheimzinnig bordje geschroefd. Het duurde best lang voor ik RIJJIJOFRIJIK als kleine jongen kon ontcijferen. Tegen de tijd dat ik begreep dat op het bordje ‘rij jij of rij ik’ stond kon ik de boodschap niet meer uit mijn hoofd krijgen. Vanuit die boodschap heb ik afgelopen zaterdag mijn best gedaan een aantal resoluties van organisatorische aard te ontraden (‘bij wijze van spreke heb ik nog liever dat dit congres een straaljager koopt dan dat het nog een comité gaat oprichten’; sorry voor de hyperbool). Het gevolg is wel dat ik nu natuurlijk even niets meer over structuurkwesties mag zeggen. Ik denk dat ik nog aan de goede kant van de lijn blijf als ik zeg dat er goed gekeken moet worden naar de samenhang tussen de (permanente) programmacommissie en de (permanente) campagne. Ja, de inhoud moet leidend zijn. Maar vergeet het dat die netjes te scheiden zou zijn van de campagne. Dat moet je niet eens willen scheiden. Elke programmacommissie gaat kopje onder als de hete fase van de campagne in zicht komt, geen campagneteam kan de boog jaren achter elkaar gespannen houden. Waar ik op hoop is dat degenen die bestuurlijk en professioneel verantwoordelijk gaan worden voor programma en campagne heel nauw gaan samenwerken. het is aan de nieuwe voorzitter om daar dicht bij te zitten en bij te sturen als er meer dan een gezonde spanning tussen beide mooie klussen komt.

Jongens (m/v), wat draaf ik weer door. Als iedereen zo dwaas doet als ik, heeft Ruth al snel spijt van haar uitspraak ‘We gaan het doen. We gaan het samen doen’. Ik herhaal daarom mijn boodschap maar zoals ik die zaterdag ook deed: geef de nieuwe voorzitter de ruimte. In die ruimte gaan mooie dingen gebeuren.

Het was fijn om ook op het congres te merken dat mijn blog wordt gewaardeerd. Vandaar dat ik er vanavond toch een vervolg aan heb gegeven. De frequentie wordt wel verlaagd. Komende week kom ik met iets heel anders, een bundeling van mijn gedichten uit het laatste decennium. Daarna wil ik mijn ‘Polblog’ over politieke ontwikkelingen afwisselen met blogs over mijn werk en geregeld een weekje niets.


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek