Hoe een virtuele resolutie het van een echte won

Het CDA-congres in Nijmegen van 4 november jl. stond in het teken van de deelname aan het nieuwe kabinet. Sybrand Buma legde aan de leden verantwoording af over het bereiken in het kader van het regeerakkoord en we konden kennismaken met de nieuwe ploeg bewindspersonen. Tegen die achtergrond vond ook de bespreking van resoluties plaats; de uitspraken van de leden richting de fractie. Eén resolutie trok vooraf al de nodige aandacht: die over de gewenste terugkeer van de basisbeurs. Hier neem ik deze als concreet voorbeeld van de vraag hoe je een resolutie daadwerkelijk kunt binnenhalen. Ik zeg erbij dat Zuid-Holland en mijn persoontje hier niet slecht uit zijn gekomen en eigen roem altijd wat kan stinken. Aan de andere kant wil de docent in mij graag uitleggen hoe zoiets gaat en wil ik graag richting degenen die mij door de schouwburg in Nijmegen hebben zien ronddarren, uitleggen wat er nu eigenlijk gebeurde.

Het CDJA, de jongeren van de partij, spraken bij monde van de nieuwe voorzitter Lotte Visser uit, dat het CDA opnieuw de onderhandelingen aan moest gaan met de formatiepartners en de terugkeer van de basisbeurs, inzet van ons verkiezingsprogramma, alsnog moest regelen. Het haalde de voorpagina van De Telegraaf en het leverde direct een tv-optreden op voor Lotte bij WNL. Het is op zich heel knap om zoveel publiciteit te halen met een resolutie (zelf ben ik nooit verder dan de radio gekomen met een resolutie over de introductie van een kiesdrempel), maar die aandacht van de media is natuurlijk niet direct positief bedoeld. De resolutie werd geïnterpreteerd als een aanval op het onderhandelingsresultaat van de partijleider, Sybrand Buma. De resolutie werd daarmee toch een soort testcase op de vraag of hij goed onderhandeld had.

Resoluties

Resoluties kunnen worden ingediend door afdelingen of ‘gelieerde organisaties’ zoals het CDJA of als ten minste 25 leden met een resolutie komen. Je zou kunnen zeggen dat binnen een partij als het CDA kan, wat in het parlement niet kan: referenda indienen. Elke resolutie is een soort mini-referendum. Het is een van de vele redenen waarom we de partijdemocratie moeten herontdekken en jongeren laten zien dat het lidmaatschap van een partij juist supercool en vernieuwend kan zijn – mits, zoals met alles, je dan ook bereid bent de regels van het spel te leren. Binnen Zuid-Holland hebben we de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in het bouwen aan een goede delegatie naar het congres. We hebben nu een leuk team, met Peter Viallé als de onmisbare secretaris en ondergetekende als delegatieleider. Daarnaast is er grote betrokkenheid vanuit het dagelijks bestuur, met name van Arjan Kraijo, als bestuurssecretaris en Relus Breeuwsma als de kersverse voorzitter van Zuid-Holland. Voor beide laatste zou het hun eerste congres ‘in functie’ zijn. In Nijmegen begon het congres al direct met een ‘deelsessie’ over resoluties. Er kwamen 15 resoluties aan bod, elk voorzien van een pré-advies van het bestuur. Dat advies luidt dan ‘overnemen’ of ‘niet overnemen’, met als het goed is, een inhoudelijke onderbouwing van dat pré-advies (deze keer ontbrak het daar nogal aan). De discussie gaat dan over het wel of niet overnemen van de resolutie. Uiteindelijk worden alleen die resoluties in het plenaire deel van het congres besproken die of overgenomen zijn of duidelijk niet worden gesteund.

Voorbereiding

Als Zuid-Holland hebben we eerst een brainstorm gehad waarbij er een tiental mogelijke resoluties zijn besproken. Uiteindelijk hebben we twee resoluties ingediend: één over luchtkwaliteit en één over de voorwaarden die aan Europese gelden kunnen worden gesteld (wat gebeurt er als bijvoorbeeld Polen en Hongarije de rechtsstaat schenden). Beide zijn op ‘overnemen’ gezet, waarvan één na een tekstuele aanpassing. Een mooi resultaat dus, conform verwachting en reputatie. Al heb ik eigenlijk liever dat onze resoluties net controversieel genoeg zijn om het plenaire deel te halen, omdat resoluties die plenair worden besproken doorgaans meer impact hebben en omdat een stevig debat op z’n tijd gewoon goed is voor de partij.

Over één resolutie was het van het begin af aan duidelijk dat die plenair zou worden besproken. De resolutie van het CDJA getiteld ‘terugkeer basisbeurs’. Elke resolutie bestaat uit drie delen: een onderdeel ‘Constateert dat’ waarin wat feiten worden opgesomd, een onderdeel ‘Overweegt dat’, waarin de redenering wordt opgebouwd en een slotdeel (het zogenaamde ‘dictum’, het ‘Spreekt uit’) waarin het congres wordt voorgelegd een uitspraak te doen richting de fractie van het CDA. Daar hoeft de fractie zich niet aan te houden, maar het weeg wel zwaar. In het geval van het deze resolutie luidde het dictum: “Het CDA de basisbeurs alsnog opgenomen wil zien in de onderwijsparagraaf” Met andere woorden: Buma zou om het openbreken van het regeerakkoord moeten gaan vragen.

Twee dagen voor het congres hadden we als CDA een bijzondere algemene ledenvergadering gehad om alle 15 ingediende resoluties te bespreken. Ten aanzien van deze resolutie wilden we heel ver gaan, mede omdat we ons in de aanloop naar het verkiezingsprogramma hier al erg sterk voor hadden gemaakt. Sterker in feite dan het CDJA zelf: wij wilden niet alleen de bachelor, maar ook de masterfase uit publieke middelen laten betalen. Ook om te laten zien dat we na een verkiezing wat dat betreft bij ons standpunt bleven, waren we blij met alles wat het CDJA in de resolutie had opgeschreven en wilden dat voluit steunen. Op één punt na. Wat het dictum vroeg, heronderhandelen van het regeerakkoord, vonden we onmogelijk. En dat hoefde Sybrand Buma ons echt niet uit te leggen, dat snapten wijzelf ook. Om die reden spraken we af dat we onze steun afhankelijk zouden maken van een wijziging van het dictum. Dat is niet ongebruikelijk en we verwachtten dat het CDJA dat zelf ook wel zou inzien. Dan zouden we steunen. De bal lag eerst bij hen.

Deelsessie

Het was bij momenten aandoenlijk om te zien hoe Sybrand Buma probeerde aannemelijk te maken dat er voor hem echt geen ruimte was en dat elke poging van hem om het akkoord te wijzigen zou stranden. Daartegenover stonden ook harde momenten: geef mij dan aan wat er elders ingeleverd zou moeten worden, want anders gaat het zeker niet gebeuren. Per saldo vroeg Buma vooral begrip voor zijn positie. Hij kreeg het niet van het CDJA.

Als veruit grootste afdeling betekent de steun van Zuid-Holland wel iets. Toen ik aankondigde dat wij de resolutie wilde steunen, zag je het gezicht van de CDJA’ers oplichten, maar direct daarna weer dimmen toen ze begrepen dat we een wijziging van het dictum verlangde. Het antwoord was kort maar heel duidelijk: nee, dat doen we niet. De resolutie werd doorverwezen naar het plenaire deel van het congres. Ondertussen konden we vieren dat we onze eigen resoluties hadden binnengehaald. In die zin konden we al ontspannen: opdracht vervuld.

Lunchpauze

Tijdens de lunchpauze knaagde er toch iets. Pieter Heerma was bij de bespreking van de resoluties aanwezig geweest en kwam naar mij toe. Hij zei dat hij het interessant vond dat we om wijziging van het dictum hadden gevraagd. Hij had zijn zin nog niet eens beëindigd toen mij al duidelijk was dat we een nieuwe poging zouden wagen om het CDJA in beweging te brengen. Een halve minuut later was ik op zoek naar Lotte en haar mensen. Ondertussen probeerde ik voorzitter Relus Breeuwsma te bellen, want zoiets stem je af. In gesprek. En toen liepen Lotte en haar collega voor mij langs. Ik riep ze aan en direct waren we in gesprek. Alhoewel, gesprek? Er zat geen beweging in. Ze hadden één goed argument: het met de terugkeer van de basisbeurs gemoeide bedrag is zo groot, dat als je het nu niet direct in één keer zou regelen, dus via het akkoord, je het kon vergeten. Dan moet je als partij staan voor dat standpunt, ook al zou dat de partijleiding een probleem geven. Volgens mij onderschatten ze dat probleem en overschatten ze hun steun in de zaal en bij ‘de top’. Hoe dan ook, ze wilden niet met een aangepaste tekst komen. Dat maakte de opening om te zeggen dat wij dan als Zuid-Holland met een tekst zouden komen. Ik had nog geen idee welke tekst dat zou zijn, maar vond dat van latere zorg. Het CDJA stond er letterlijk en figuurlijk rigide bij. We gingen elk onze eigen weg.

Het Concertgebouw in Nijmegen is echt prachtig, maar niet erg praktisch. Probeer maar eens iemand te vinden in de gangen van het gebouw. Er zullen best veel congresgangers zijn geweest die mij bellend door de gang hebben zien lopen. Die moeten niet denken dat ik al bellend zware dingen aan het bespreken was. Welnee, we probeerden elkaar te vinden en dat mislukte om de haverklap. ‘Ben jij bij hoofdingang?’ ‘Nee, ben ik net weg.’ Enzovoort.

Uiteindelijk hebben Relus en ik elkaar in een hoekje van de garderobe getroffen. Ik had al een eerste toverformule geschreven, maar die was het nog niet. In lijn met de titel van de CDJA-resolutie schreef ik dat “Het CDA voorstander is en blijft van een terugkeer van de studiebeurs.” Maar Relus, iemand met een sterke onderwijsachtergrond, zei daarop iets belangrijks, in feite het enige dat inhoudelijk relevant was: “De basisbeurs komt nooit meer terug, dat is een gepasseerd station.” Dat betekent dus, schreef ik, al vertalend, dat er ‘Het CDA voorstander is en blijft van een studiestelsel dat toegankelijk is voor iedereen, ongeacht afkomst of draagkracht’. Direct daar achteraan volgde, heel logisch, de zin: ‘Roept de fractie op al het mogelijke te doen het kabinet hiertoe te bewegen’.

Dat was het. Daarna volgde een communicatieslag in drie richtingen. We stelden het team op de hoogte dat we een tekst hadden, lieten het CDJA opnieuw weten zelf met een tekst te komen en namen via Pieter Heerma contact op met Sybrand Buma. Dat laatste snelle contact leidde tot een enkele toevoeging: de woorden ‘in de komende jaren’ werd er in de laatste zin aan toegevoegd, zodat er geen misverstand over kon zijn dat terugonderhandelen niet meer zou kunnen.

Plenair

De bespreking van de resoluties in het plenaire deel van het congres duurde best lang. We zaten als team bij elkaar en ondanks dat het meeste voor ons niet echt spannend meer was, moesten we bij elke resolutie de woordvoering goed in de gaten houden. Vooral de discussie rondom de resolutie ‘eigen risico’ was fel, met veel emotionele en concrete gRelus Breeuwsma en Lotte Visser overleggenetuigenissen van leden van wat het voor hen concreet betekende. Opnieuw moest Sybrand alles uit de kast halen om duidelijk te maken waarom hij niet kon bewegen. Hij probeerde ook de angel er uit te halen door de indieners te vragen de resolutie ‘aan te houden’ en in dat geval een gesprek toe te zeggen met hemzelf en de fractie. Hoe dan ook, de dappere woordvoerder namens de indieners van de resolutie hield het lang vol. Uiteindelijk zei hij dat hij ‘om’ was, wat werd begroet met luid applaus. Ondertussen deed Relus een laatste poging om Lotte over te halen haar resolutie aan te passen. Helaas.

 

De rijen voor de inspraakmicrofoon werden nog langer toen de resolutie over de terugkeer naar de basisbeurs aan bod kwam. Er waren sceptische geluiden over de haalbaarheid ervan, maar vooral de jongeren deden er alles aan om het offensief voor terugkeer van de beurs zo luid mogelijk te laten klinken. Je voelde het opbouwen.

We hadden afgesproken niet meteen met ons voorstel te komen. Eerst wilden we zien hoe de zaal zou reageren op de inbreng van het CDJA en Sybrand Buma (en dit keer ook van Ruth Peetoom). Het was duidelijk dat het verdeeld lag. Omdat de rij voor de microfoons langer werd, ben ik er ook tussen gaan staan, er op vertrouwend dat Rutger Ploum, de fantastische secretaris en regisseur van de middag, mij nog het woord zou geven. Uiteindelijk gebeurde dat. Ik hoorde het stil worden. Het zal velen niet ontgaan zijn dat we met iets bezig waren. Er was direct applaus. Ik meende een gevoel van opluchting te horen. Dat was in ieder geval te horen in de reactie van Sybrand, die de tekst van Zuid-Holland direct steunde. Maar Lotte gaf geen krimp. Dat was op zich knap, maar daarmee kreeg ze de zaal wel tegen zich. Toch: dit keer zouden we wel een stemming hebben.

En toen had ik winnaarsgeluk. Het onoverwinnelijke, superprofessionele duo van Peter N. en Peter V., maakte namelijk een beginnersfout. We behandelden namelijk onze tekst voor het dictum alsof het een nieuw ingediende resolutie was. En bij twee resoluties over hetzelfde thema, is het altijd de vraag welke resolutie het eerst in stemming zou komen. Ik wilde zeker weten dat het CDJA eerst zou gaan, zodat onze resolutie daarna als redelijk alternatief besproken zou worden en bracht dat voor de zaal in als ‘punt van orde’. Onzin natuurlijk, we hadden helemaal geen resolutie en die kan je ook niet tussentijds indienen. De secretaris maakte dat duidelijk, maar dat maakte het hoe dan ook duidelijk dat de CDJA-resolutie verder ging dan ons voorstel. Bovendien kreeg Sybrand de geest en zei dat hij, als de CDJA-resolutie niet zou worden aangenomen, hij zou gaan handelen alsof de resolutie met tekst van Zuid-Holland zou zijn aangenomen. Mijn stommiteit leek een meesterzet.  Een virtuele resolutie was geboren.

En die won. Met grote meerderheid werd de resolutie van het CDJA verworpen en een resolutie met het dictum van Zuid-Holland aanvaard.

Borrel na afloop

Het is best mogelijk dat de resolutie van het CDJA hoe dan ook zou zijn verworpen. De gemiddelde congresbezoeker is een redelijk mens en velen ervan zijn bestuurder. Die houden niet van extreme standpunten en houden er al helemaal niet van om voor het blok te worden gezet. Toch was het wel degelijk spannend geweest. De sympathie voor de inhoud van de resolutie was echt groot. Het heeft luid en duidelijk in ons verkiezingsprogramma staan. Anders dan op andere punten, was het onderhandelingsresultaat ver achter gebleven bij de verwachtingen. Moet er dan niet een signaal gegeven worden?

Jawel, maar dus niet dat van het CDJA: terugonderhandelen. Wat ik hoop – en wat het CDA betreft: verwacht – is dat de komende regeringsperiode gebruikt wordt om de status quo te doorbreken en met een echt vernieuwend stelsel van studiefinanciering te komen. Op dit moment zijn het ‘stand-alone systemen’ die meer na- dan voordelen hebben. Dat kan beter.

Nogmaals, het is leuk om zo te kunnen vertellen hoe ‘slim’ we het als Zuid-Holland hebben gespeeld. Maar heeft het CDJA echt zo hard verloren? Deels wel, ja. Vooral intern en dat zal ze voorlopig nog wel even dwarszitten. Een matiging van toon is aan te raden. Aan de andere kant kunnen ze naar de buitenwereld toe laten zien dat ze hun rug recht hebben gehouden en dat is ook wat waard. Daarnaast: ‘What does not break you, makes you stronger’. Voor de jongeren van het CDA komen in alle opzichten nog wel nieuwe kansen. Ook zin in de spanning van zo’n congres? Wordt lid, doe mee.

congres november 2017

Peter Noordhoek

Met veel dank aan het team zoals dat in Nijmegen aanwezig was: Robert Bosch, Relus Breeuwsma, Bart van Horck, Arjan Kraijo, Anne Hensen Cees Moerman, Martijn van Nijnanten, Ton van der Stoep en Peter Viallé. Daarnaast dank aan iedereen die bij de brainstorm en de bijzondere ALV aanwezig was. Tot de volgende keer!

Kwaliteit in het nieuwe regeerakkoord: ‘Doe mij maar alles’

Kwaliteit – wat een woord voor alles. Vanaf het begin van de jaren negentig voerde ik na elk regeerakkoord een analyse uit van de manier waarop het kabinet aan ‘kwaliteit’ denkt te gaan werken. In die jaren stond het woord ‘kwaliteit’ regelmatig in de titel en ik mocht dat graag kritisch maar positief ontleden, doorgaans voor de Staatscourant. Het was echt een thema, waarbij min of meer bewust beleid werd gemaakt, met instrumenten, modellen alles. Liep ernstig uit de hand*, maar er zat wel een gedachte achter het gebruik van het woord. Dat is nu wel anders, maar ook deze week verscheen een regeerakkoord waarin het woord een kleine 50 keer voorkomt – gemiddeld bijna 1 keer per pagina. Dus ja, ook dit verdient een analyse.

Let op: dit is een analyse op conceptueel niveau. Het zegt vooral iets over de kansen op een goede uitvoering van de beleidsvoornemens en zegt minder over de onderliggende keuzes en hoe terecht die zijn. Uiteindelijk zeggen uitvoeringskansen natuurlijk ook iets over de kwaliteit van de insteek, maar ik maak hier geen politieke keuzes.

Kwaliteit gedefinieerd

Mijn wenselijke definitie van kwaliteit is deze: ‘kwaliteit is de consensus zoals die ontstaat nadat impliciete definities van kwaliteit expliciet zijn gemaakt’**. Lees het rustig nog een keer. Ik weet dat in werkelijkheid het proces van het expliciet maken van kwaliteitsdefinities een recept voor ruzie en uitstelgedrag is. Tot consensus komen is moeilijk; als je iets expliciet moet maken, worden ook de verschillen duidelijk. Het eerste waar ik daarom op let is hoe het woord ‘kwaliteit’ benaderd wordt: concreet of algemeen. Het tweede waar ik op let is het paradigma van waaruit geschreven wordt. De ene vorm van kwaliteitszorg is de andere niet. De benamingen verschillen nog weleens onder deskundigen, maar zelf maak ik een onderscheid tussen 4 paradigma’s of denkscholen: empirisch (denken dat alles meetbaar te maken is: wat?), referentieel (denken dat alles in normen of modellen te vatten is: hoe?), reflectief (denken dat het om anders denken gaat: waarom?) en emergent (denken dat het ontstaat uit botsende belangen: huh?) danwel surgent (bewust aansturen op een definitie: ha!). Dit zijn ruwe omschrijvingen, maar ik leg ze verder uit waar dat relevant is. Laat in ieder geval duidelijk zijn dat vooral de referentiële en reflectieve invalshoeken al snel op gespannen voet staan in de beleving.

Eerst zoom ik echt op het woord kwaliteit in, daarna maak ik het minder letterlijk. Concreet startend: waar wordt het woord kwaliteit mee verbonden?

Gebruik per sector

In de inleidingen het akkoord wordt trots gezegd dat we als Nederland hoog op kwaliteit scoren, bijvoorbeeld als het gaat om de ‘kwaliteit van ons onderwijs en onderzoek’ (p. 1). Dit is puur referentieel; verwijzend naar scoringslijstjes op internationale rankings. Prima om trots te zijn op je kwaliteit, overigens.

Over de sectoren die er voorheen het meest ‘aan deden’, Veiligheid en Justitie en BZK, wordt nu veel minder over kwaliteit gesproken. Bij de inleiding wordt nog over ‘investeringen in de justitiële keten gesproken: ‘er komen middelen voor menskracht en kwaliteit’ (p. 3). En, dat ik dat nog mag beleven, wordt de vraag gesteld ‘hoe op kwaliteit gecontroleerde wiet gedecriminaliseerd aan de coffeeshops toegeleverd kan worden’. Wow; laat ik dat een referentiële vraag noemen (verwijzend naar welke empirische norm? How high can you go?), voortkomend uit een emergente vraag: veel partijen zouden het er liever niet over hebben, maar het kwaliteitsprobleem doet zich indringend voor.

Verder wordt gezwegen. Hebben ze de kwaliteit nu voor elkaar of durven ze er niet meer over te beginnen? Laat ik ze krediet geven; ze hebben zoveel pogingen gedaan om langs empirische of referentiële weg (toepassing modellen) op niveau te komen en dat is zo opzichtig mislukt, dat ze nu er niets over melden. Of lag het niet aan de modellen, maar bijvoorbeeld aan de politieke aansturing?

Dan deze, in het kader van onderwijs: ‘Leerlingen, ouders en leraren willen dat onderwijsmiddelen optimaal bijdragen aan de kwaliteit van onderwijs’. (p. 12) Dat leidt tot een vraag aan de Onderwijsraad en de Algemene Rekenkamer om scherper te formuleren hoe dat kan en tegelijk excessen te vermijden. Dus weer referentieel: norm ontwikkeling. Inclusief wat wantrouwen: ‘Om er bovendien voor te zorgen dat extra geld gebruikt wordt waarvoor het bedoeld is, houdt het kabinet het primair- en voortgezet onderwijs aan bestuurlijke afspraken’. De norm moet gehandhaafd worden. Datzelfde geldt ook voor de ‘kwaliteitsafspraken’ in het MBO en de kwaliteit van het techniekonderwijs. Interessanter wordt het als het lerarenregister langs komt. Het lerarenregister is een vorm van certificering, ook weer referentieel. Om dat tot een succes te maken ‘moet het straks van, voor en door de docent zijn’. Even later: ‘Lesontwikkeling, intervisie en evaluatie van lessen krijgen ook erkenning in het lerarenregister. Dat draagt bij aan de kwaliteit van onderwijs.’ Met andere woorden, de lasten van de strenge certificering moeten gecompenseerd worden door maatregelen die dichter bij de menskant van de docent staan. Hier wordt een referentiële insteek gecompenseerd door een reflectieve. Zou het genoeg zijn?

Ook in de paragraaf over het hoger onderwijs zie je diezelfde spanning terug tussen het referentiële en reflectieve: wat aan de ene hand aan vrijheid wordt gegeven (vrij onderzoek, zelf doelstellingen en indicatoren opstellen), wordt met de andere hand weer dichtgetimmerd via kwaliteitsafspraken. De waarschijnlijke uitkomst zal waarschijnlijk ‘emergent’ zijn als de partijen elkaar in evenwicht houdt en ‘surgent’ als een slimmerik doorbraken weet te bereiken.

Heel apart vind ik de discussie over de kwaliteit in de verpleeghuiszorg. De inzet is bijna puur reflectief: ‘De inzet op kwaliteitsverbetering vraagt ook om een andere manier van werken en organiseren: kleinschalig, vraaggericht, innovatief, met minder regels en meer vertrouwen in de zorgprofessionals.’ De stichting Beroepseer kan trots zijn. Maar deze passage wordt direct gevolgd door deze: ‘Dit moet daadwerkelijk leiden tot een aantoonbare verbetering van de kwaliteit. Bestuurders worden daarop beoordeeld.’ Referentieel dus, empirisch ingestoken. En dat kan nu net niet als je echt reflectief denkt, want dat verzet zich tegen ‘de illusie van meetbaarheid’ en alle bureaucratie die daarbij hoort. Noch hier, noch in andere paragrafen over andere onderwerpen, staat hoe met de spanning moet worden omgegaan. En dat klemt al helemaal als dan opeens het ‘kwaliteitskader verpleeghuiszorg, inclusief transitie-, uitvoerings- en implementatiekosten’ langs komt voor ruim 2 miljard en voortkomend uit niets anders dan een juridische verplichting nadat men er in het parlementaire debat niet uitkwam om te benoemen wat die kwaliteit zou moeten zijn. Ik snap alles, maar professioneel vind ik dat hier een grens is overschreden. Hier is geen sprake van een kwaliteitskader, want alles wat die kwaliteit bepaalt is impliciet gebleven, het is zelfs niet emergent en alleen als Van Rijn een heel slim spel heeft gespeeld surgent (wat niet uitgesloten kan worden). Hoe dan ook zou het beter zijn als men het omgedoopt tot iets als ‘financieel kader verpleeghuiszorg’.

Zo is het niet overal. Het akkoord is prima te pruimen als het simpel referentieel blijft redeneren over kwaliteit. Je kan van alles vinden over de uitspraken over bijvoorbeeld de kwaliteit van de woningen en de gebouwde omgeving, de vele uitspraken over lucht- en waterkwaliteit en zelfs de kwaliteit van de inburgeringscursussen en cultuurinstellingen, maar de uitspraken lenen zich over het algemeen wel voor nadere toetsing. Met andere woorden; de uitspraken blijven binnen het eigen referentiekader. Al blijft het oppassen. Over de waterkwaliteit wordt bijvoorbeeld gezegd: dat men ‘tegen minimale maatschappelijke kosten aan nitraatrichtlijn’ wil voldoen. Wat zijn dan die minimale maatschappelijke kosten? Wat zeg je hier eigenlijk? Close reading is dus verplicht, elke keer als het woord ‘kwaliteit’ langskomt. De Volkskrant beschrijft hoe tijdens de formatie ‘om elke komma werd gestreden’. Los van het feit dat er op bijna Noordhoekiaanse wijze spellingsmissers worden gemaakt (het kan de beste overkomen), heb ik juist vaak het gevoel dat het woord kwaliteit maskeert waar de onderhandelingspartners er niet uitkwamen – en dat is best wel vaak. Ik heb makkelijk praten, maar als ik bij zo’n discussie zou zitten, zou ik regelmatig van paradigma wisselen. Ze hebben elk hun eigen waarde: wat weten we eigenlijk? Hoe zou de norm moeten luiden? Kunnen we echt geen ruimte geven? Kunnen we het niet gewoon laten gebeuren, of kunnen we toch doorpakken? Dan heb je in ieder geval alles gedaan om te schudden aan de boom van impliciete definities achter dat vermaledijde woord ‘kwaliteit’.

Om het overzicht af te ronden, moet ik toch ook zeggen dat er soms een aardig extra accent wordt toegevoegd aan dat woord ‘kwaliteit’. Professioneel vind ik het interessant dat bijvoorbeeld in het kader van stalbranden (is dat niet een wat klein punt voor een regeerakkoord?) er over ‘ketenkwaliteitsystemen’ wordt gesproken. Dat is in ieder geval een moderne benadering, één die weerspiegelt dat heel veel kwaliteitsvraagstukken een keten- of netwerkkarakter hebben. Het meest nieuwsgierig word ik echter naar de operatie ‘Inzicht in Kwaliteit’ die bedoeld is om de kennis over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het begrotingsbeleid te vergroten. Dat doet toch wat twijfelen over de kwaliteit van het huidige begrotingsbeleid, maar gelukkig hadden we dit keer de beschikking over Eric Wiebes, Pieter Omtzigt, Wouter Koolmees en Carola Faber. Tegen hun kennis kan geen studie op.

Alles door de bril van het woord ‘kwaliteit’ bekijken levert wel een blikvernauwing op. Veel van de genoemde zaken hebben, zo zou je kunnen zeggen, een inherente kwaliteit. Als er bijvoorbeeld ergens een budget wordt uitgetrokken voor ‘preventie en ondersteuning bij ongewenste zwangerschappen’ dan kan je zeggen dat dit op zichzelf al staat voor de wens om goed beleid te voeren. Wat mooi. Maar in technische zin zou je ook weer kunnen zeggen dat het veel te gedetailleerd is voor een akkoord als dit. Hoe zinvol is het om te proberen de uitgaven hiervoor vier jaar vooruit te plannen?

En zo heeft alles z’n voor- en nadeel. Het is in ieder geval goed om te beseffen dat dit de uitkomst is van een maandenlang onderhandelingsproces tussen vier partijen die het op vele punten fundamenteel oneens met elkaar waren. Elk mocht af en toe iets winnen, niemand mocht alles winnen. En dan ligt er opeens een tekst.

Analyse over het geheel

Dit akkoord is alleen empirisch in de zin dat er een nauwkeurig financieel kader onder ligt. Hoe dat precies verbonden is met de vele items en inspanningen die onder het woord ‘kwaliteit’ worden gevangen blijft onduidelijk. In iets van 5 van de 50 is die verbinding te maken. De overgrote meerderheid van wat is afgesproken, al dan niet met het woord ‘kwaliteit’ erbij, is referentieel van aard; ergens hoort er een (nadere) norm of afspraak bij. Met de ruimte die daar nog in zit, zal nog menig Kamerdebat worden gevuld. Waar het echt nu al botst is bij de kwaliteitstermen waar een referentieel paradigma (er is een norm te maken) tegenover een reflectieve komt te staan (dat hangt van de persoon en situatie af, vergt maatwerk). Dan weet je dat er a) nog verder onderhandeld moet worden en b) hier doof-blinden met elkaar moeten onderhandelen.

Al met al is het verleidelijk om het hele regeerakkoord als een ‘emergent’ kwaliteitsverhaal te beschouwen dit is wat boven komt drijven als je vier partijen zolang bij elkaar in een hok zet. Toch doet dit het akkoord tekort. Door het verhaal heen worden onverwachte keuzes gemaakt, bijvoorbeeld ten aanzien van duurzaamheid, het eigen woningbezit en de wietteelt. Dat past eerder bij een ‘surgent’ beeld dan een ‘emergent’ beeld. Dat zijn naar verwachting ook de dingen die goede wil hebben gekweekt onderling. We zullen zien of deze lijm tussen de onderhandelingspartners van dusdanige kwaliteit is dat het 4 jaar houdt, want dat is de reguliere kabinetsperiode (herkent de lezer inmiddels de verschillende paradigma’s in deze laatste zin?)

Peter Noordhoek

* In de negentiger jaren werd te instrumenteel over de invoering van kwaliteitszorg gedacht, mede omdat we dachten het bedrijfsleven wel even als model te kunnen gebruiken. Met de gedachte achter ‘New Public management’ (NPM) was en is niet zoveel mis, maar het is wel erg knullig uitgevoerd. Ik heb er aan meegedaan, maar er ook voor gewaarschuwd, o.a. in een artikel van Raymond Saner en ondergetekende ‘Beyond Public Management. Answering the Claims of both Politics and Society.’ In Public Organization Review, 2008. In 2011 zijn we verder gegaan in de uitwerking, maar dat is in het Deens verschenen en aangezien ik dat zelf niet kan lezen, durf ik er ook niet voor in te staan.

** Deze definitie is van ondergetekende, eerder op LinkedIn en andere sites gepubliceerd onder de titel ‘De politiek van de kwaliteit’. De benadering maakt deel uit van mijn promotieonderzoek. Het schema en de vier gebruikte termen zijn mede geïnspireerd op een door Huub Vinkenburg gestarte discussie over ‘scholen van kwaliteit’. Vooral Teun Hardjono heeft deze handschoen opgepakt. Binnenkort verschijnt van hem een boek over dit thema (‘Denken over kwaliteit. Vier paradigma’s) en waar mogelijk probeer ik hem te volgen. Dat lukt alleen niet goed bij het ‘emergente’ paradigma, waar ik ‘urgent’ naast heb gezet.

May en de letterplakker

De afgelopen dagen moest ik zo denken aan de letterplakker. Zou die ontslagen zijn? Och, arme. Maar ja, lijm smelt als er veel warmte bij komt en al die spots daar bij Theresa May op het toneel in Manchester …

May in Manchester

Heeft u het gezien? Theresa May hield haar grote speech, voor duizenden mensen op het jaarlijkse partijcongres en live op TV. Ze wilde het hebben of haar droom voor het land waar ze premier van is, maar iedereen zag de speech na afloop als een nachtmerrie. Er kwam een ‘prankster’ (plager) het toneel op die haar een soort ontslagbrief aanbood, ze kwam minutenlang niet uit haar woorden door een dikke, dikke kikker in de keel en tegen het einde van haar speech vielen een aantal letters van de slogan ‘Building a country that works for everyone’ op de wand achter haar naar de vloer, te beginnen met de letter F. Wat ze uitsprak werd totaal weggeduwd door wat we konden zien. En daarom moet ik aan die letterplakker denken. En voel ik erg mee met May, maar ook met de mensen om haar heen. Want ik heb het ook al eens meegemaakt.

Ik neem de lezer mee terug naar 2010. Wouter Bos had de stekker uit het derde kabinet Balkenende getrokken. Jan Peter wilde eigenlijk stoppen, maar kon niet weigeren toen het bestuur hem toch vroeg om weer lijsttrekker te zijn. Zelf was ik formeel al gestopt als campagneleider voor Zuid-Holland, maar kon niet stoppen omdat mijn vervanger al een paar weken na zijn benoeming gestopt was. Het was bewonderingswaardig hoe Jan Peter zich door de campagne heen sloeg, maar alles wat mis kon gaan, ging ook mis. Tot en met de slotmanifestatie.

Balkenende in Naaldwijk

Weer was het ons als Zuid-Holland gelukt om de slotmanifestatie te krijgen. Het werd Naaldwijk in het Westland. Het middagprogramma deden we als provinciale afdeling nog, de avond was in handen van het partijbureau, met ondersteuning van onze eigen mensen. Ik ging er al vroeg naar toe. Vrij ontspannen heb ik nog met de landelijk voorzitter de campagne doorgesproken en vooruitgekeken naar de avond. Daarna heb ik me in het publiek begeven en plezier gemaakt met de andere leden; samen tegen de rest van de wereld.
Toen het plenaire programma begon, ging ik rechts voorin de zaal zitten. Linksvoor was de hoofdentree naar de zaal. Daar gingen de prominenten het toneel op en stond ook de pers en de zaalregisseur. Vlak voor het einde van het korte programma kwam Jan Peter op. Hij begon op zijn bekende manier te spreken. Met humor, wat woorden van herkenning voor de zaal en daarna het langslopen van de politieke actualiteit.

Terwijl hij sprak, dacht ik iets te zien wat niet klopte. Maar wat? Ik keek nog eens en toen zag ik het. Op het spreekgestoelte waar Jan Peter achter stond te spreken was een bord met het CDA-logo geplakt. Mochten er Tv-opnames worden gemaakt, dan zou direct de link van Jan Peter met zijn partij zichtbaar zijn. Een simpel element van beeldregie. Dat bord was linksboven aan het verzakken. Het hing twee centimeter scheef. Dit ging niet goed, besefte ik opeens. Ik keek om me heen en merkte dat ik niet de enige was die het zag. Een golf van onrust sloeg door de eerste rijen. Ik keek helemaal naar links, waar de zaalregisseur stond. Die was inmiddels ook gewaarschuwd, maar ze kon er kennelijk niet goed bij. Ze zwaaide onze richting op. Mijn richting? Nee, hier heb ik geen zin in! Ik heb geen dienst! Maar terwijl dat door mijn hoofd ging, stond ik al op. Ik wist dat het aan mij was, zeker omdat het bord steeds verder opzij begon te hellen en iedereen in de zaal, behalve Jan Peter, dat ook door had. Er ging nog één andere gedachte door mijn hoofd terwijl ik mijn rol ging vervullen: laat er geen TV zijn, laat er geen TV zijn (dit was net voor de tijd van mobiele telefoons met camera’s).
Snel ging ik het korte trapje op, deed een paar stappen richting het katheder en ging door mijn knieën om het bord op te vangen. Ik was zo strak op tijd dat ik het bord los voelde laten op het moment dat ik mijn handen er omheen sloot. Als in een film. Dat was het moment dat ook Jan Peter door had dat er iets mis was. Hij stopte met praten, zag mij gehurkt voor hem zitten met mijn handen om het bord en zei: “Dit, dames en heren, is nu Peter Noordhoek.” Ik weet tot op de dag van vandaag niet meer wat hij nog meer zei, maar er rolde genoeg gelach door de zaal. Ik sloot me af voor alles behalve dat stomme bord. Het was vastgezet met tweezijdig tape en dat tape was, waarschijnlijk door de warmte van de spotlights, gaan loslaten. Uit alle macht duwde ik het bord weer op de plaats terug. Het leek te houden, maar uit voorzorg bleef ik er even bij. En ja hoor, het begon al weer te schuiven. Ik keek op naar Jan Peter en hij begreep het meteen. Samen hebben we toen het bord, elk aan een kant, beetgepakt en rustig op het toneel gelegd. Jan Peter ging weer vol elan verder met zijn verhaal. Ik daalde het trapje af, terug naar mijn plaats, ontvangen met wat omhooggestoken duimen. Maar toch.

Foto’s: Dirk Hol

Een journalist kon de verleiding niet weerstaan op te schrijven dat het bord naar beneden viel. Precies datgene wat nu net niet gebeurd was. Kenmerkend. Maar eigenlijk hebben we mazzel gehad. Er waren alleen maar foto’s en geen Tv-opnames en de paar aanwezige journalisten en fotografen maakten er verder geen gebruik van. Het was einde campagne. Gelukkig, het was einde campagne.

Wankele evenwichten

In Manchester, tijdens de party conference speech van Theresa May, gebeurde iets wat ik herkende. De leden stonden op iedereen ging met applaus de leider steunen. Dat was deels uit gene en meelij, maar voor het grootste deel omdat je op zo’n moment oprecht niet wil dat jouw leider kapot gaat aan zoiets stoms. Meestal is die leider dan op zijn of haar manier ook op haar best, of in ieder geval het meest menselijk. Theresa May maakte in Manchester meerdere grapjes (toen ze een hoestbonbon van de minister van Financiën kreeg zei ze dat je normaal niets gratis van hem kreeg) en was zeker niet de robot die ze soms kan zijn. Dat gold ook voor Jan Peter in Naaldwijk en nog op een ander moment, toen er opeens de verkeerde videoband werd opgestart bij een congres. Ik herinner mij nog een andere campagnebijeenkomst. Dat was op de Keukenhof, in Lisse. Terwijl minister Donner aan het speechen was, kwamen er opeens touwen naar beneden, waarlangs mensen van Greenpeace naar beneden gleden en halverwege bleven hangen. Donner bleef er onverstoorbaar bij en na een paar momenten zei hij koeltjes: “Kijk, dit zijn nu hangjongeren”. Geweldig. Direct was de angel er uit (dat was niet lang na de moord op Fortuyn. De idioten. Ik zie nog de woede en het schaamrood op de wangen van de bewakers).

Dus op de keper beschouwd hoeft een vervelend moment nog geen teken van zwakte te zijn. Misschien wel het tegenovergestelde. Toch, zoiets komt nooit uit. Een teken van kracht kan het niet echt worden. Ik mocht aanwezig zijn toen David Cameron zijn eerste speech gaf op een partijcongres in Blackpool. Hij sprak een uur lang. Foutloos en zonder van papier op te lezen of een teleprompter te gebruiken. Dat was kracht. Dat was overtuigend. Theresa May wordt enkel nog overeind gehouden door de interne strijd binnen de conservatieve partij en de wens om nu vooral niet naar de kiezer te gaan. Dat is een wel erg wankel evenwicht. Maar wie weet.

Komende week zullen we de presentatie meemaken van het coalitieakkoord en ietsje later van de nieuwe kabinetsploeg. Ook dit gezelschap hangt alleen maar aan elkaar omdat geen van de partijen zelfstandig overeind blijft in het parlement. Het lijkt er bepaald niet op, maar ook dat hoeft nog niet te betekenen dat het kabinet geen jaren blijft zitten. Hoe heeft het vorige kabinet het anders zo lang uit kunnen houden? Ook dat waren tegengestelde partijen die alleen samen overeind konden blijven. En die hun regeringsperiode begonnen met de afbeelding van een brug waarop geen brugdek was gemaakt. De journalisten wisten er wel raad mee. En toch hebben ze het volgehouden. Maar we zullen het meemaken.

Voor Theresa May is de situatie nog altijd niet hopeloos. De betrokkenen weten dat er binnen de conservatieve partij sprake is van meer dan een scheiding der geesten. De kans op een scheuring van de partij is echt groot. Dan kan je het zelfs hebben dat een premier een ontslagbrief aanneemt, niet meer kan praten door de hoest en de letters van haar boodschap van de muur af smelten. Je weet dat je zelf de letterplakker bent als je haar nu niet overeind houdt.

 

Peter Noordhoek

 

Bovenstaand verslag van de bijeenkomst in Naaldwijk is geschreven in 2012.

Over referendum, democratie en wat nog werkt

Het referendum maakt deze week weer veel los. Soms lijken ze te werken, maar op andere momenten lijken ze een democratische manier om de democratie te ondergraven. In Nederland is het enthousiasme niet voor niets aan het verdwijnen. Toch moeten we blijven nadenken over het alternatief. Deze blog eindigt met een naif alternatief. Precies wat we nodig hebben.

Het is deze week goed gegaan met het referendum – het referendum van de Koerden bedoel ik. Afgelopen maandag geen grote meldingen van geweld, geen interventie door Irak of Turkije. Het was rustig op social media. Het is ze gegund. Ik denk geen moment dat het een lief volk is, maar ze durven te vechten waar anderen dat niet doen (lees: ze doen het vuile werk voor ons) en met dat referendum laten ze zien niet de weg van de dictatuur op te gaan.

In Spanje kunnen ze er van leren, want daar gaat het absoluut niet goed. Puur juridisch heeft de regering in Madrid gelijk om het referendum te verbieden, maar voor het overige is de reactie een voorbeeld van hoe je zoiets niet doem. Sinds Cameron geen regeringsleider harder een doodlopende straat op volle snelheid een doodlopende straat ingereden dan Rajoy. In mijn ogen regeringsleiders die niet de slechtsten zijn, maar op een gegeven moment de kracht missen om uit hun eigen redenering te stappen.

We hebben natuurlijk zelf ook onze neus gestoten met het referendum. Het referendum rond het associatieverdrag van de EU met Oekraïne is er een schoolvoorbeeld van. De ervaring is zo slecht bevallen, dat niet alleen veel partijen, inclusief initiatiefnemer D66, maar ook heel veel kiezers er weinig tot niets meer in zien. Dit is wat De Hond vandaag als peiling liet zien:

Die negatieve houding tegenover het (correctief) referendum is dus logisch. In eigen land zien we hoe – gesteund door data manipulatoren, Russische vals nieuws verspreiders en een ronduit naïeve politiek, iets tot stand komt dat tegen het Nederlands belang is. We hebben met Groot-Brittannië gezien hoe een land zich per referendum verscheurt, isoleert en verarmt. We hebben in Turkije gezien hoe een referendum wordt gebruikt om een dictatuur te vestigen. En zo zal het doorgaan. Tel je dat allemaal op, dan lijkt voor verkeerde mensen het referendum het slimste middel om ‘via democratie de democratie te schaden’.

En toch zijn we er daarmee niet, want impliciet stellen we de representatieve (partij)democratie daarmee gelijk aan democratie en dat is wel wat te simpel. Deze week sprak Tjeenk Willink deze woorden: “Kijk naar de effecten van je beleid .. Want als je de burgers verliest, dan houdt de democratie op te bestaan.” Een dame tweette dat ze het met tranen in de ogen gelezen had. En al denk ik dat geen regering nog opgewassen is tegen de complexiteit van de uitvoering, ik snap de wanhoop van die dame wel en vind het terecht dat Tjeenk Willink dit zo stelt. En als we geen referendum kunnen houden, hoe laten onze vertegenwoordigers in de moderne democratie dan wel weten dat ze snappen wat er leeft? (het epistel van ex-volksvertegenwoordiger IJbeltje maakte wat dat betreft ook niet vrolijk).

Er zijn een paar routes. De eerste twee lijken het meest aantrekkelijk, maar zullen in de praktijk niet opgaan. De derde bestaat al, is haalbaar, maar vraagt er wel om een knop om te zetten.

1              de juiste voorwaarde voor een referendum formuleren.

Het probleem met het huidige referendum is dat het op de verkeerde manier concurrentie creëert tussen de kiezer die de volksvertegenwoordiger kiest en de kiezer die in een referendum een keuze maakt. De referendumkiezer zet als het ware de regeringskiezer tussentijds opzij. Dat zou eigenlijk alleen mogen als de opkomst ten minste gelijk is. Dat is dan ook wat we als eis zouden mogen stellen aan elk referendum: de opkomst moet gelijk of hoger zijn als de opkomst bij de laatste landelijke verkiezingen wil deze geldig zijn, want alleen in die situatie kan terecht worden gesproken van voortschrijdend inzicht.

Dit is in feite de lijn die ik met mijn delegatie geaccordeerd hebben gekregen via een resolutie op het CDA congres. Gaat dit het ook in de praktijk worden. Nou nee, want te veel mensen zullen redeneren dat hiermee de lat te hoog wordt gelegd. Dat mag zo zijn, maar in democratisch opzicht klopt de redenering.

2              Over op het Zwitsers systeem

Een dezer dagen wordt het record gebroken van de langste formatie. Ik mailde dit aan een vriend in Zwitserland en hij mailde mij vrolijk terug dat in Zwitserland de regering er al zit sinds 1958! De regeringsposten rouleren en dat is het. En hoe passen de referenda erbij die jullie om de haverklap houden, zo vroeg ik. Ach, zo mailde hij, er zitten soms rare uitschieters tussen, maar ondertussen zit er een balans in die niet slecht uitpakt.

Nu geloof ik dat graag, maar ik zie ons alleen de Zwitserse kant opgaan als we de tijd zouden hebben om er mee om te leren gaan – en ik denk dat we een dergelijke stabiliteit van onze regering nooit zouden accepteren. Jaloers kunnen we er op zijn, maar overnemen zit er niet in.

3              Ons partijsysteem beter benutten

Als er ergens aan inspraak wordt gedaan, wordt geëxperimenteerd, zeker ook digitaal en alles mogelijk lijkt wat je maar kunt bedenken, dan is het binnen onze eigen Nederlandse partijen. Niet binnen alle fracties, laat ik dat in deze week van IJbeltje Berckmoes’ open boekje er direct bij zeggen, maar wel in veel partijen. Er wordt heel veel gedaan om de ledendemocratie mogelijk te maken. Resoluties en amenderingen zijn er altijd geweest, maar die ‘ouderwetse’ manieren van ledendemocratie worden aangevuld door lijsttrekkersverkiezingen met stemmen van binnen en buiten de partij, versies van de G1000 (een brainstorm met 1000 leden) en vele vormen van digitale inspraak, met maximale inzet van sociale media. Het is eigenlijk voorbeeldig. Tegelijk is het wel waar dat de ledenaantallen afnemen en dat steeds minder mensen hier aan mee doen. Dit is permanente democratie op een manier die het woord echt recht doet (en cynische journalisten, wanneer hebben jullie voor het laatst iets beters bedacht?).

Het zal wel naïef zijn, maar ik geloof bovenal in de derde optie. Wordt lid, wordt actief, waardeer de partijdemocratie. Kies niet voor de weg van de minste weerstand door direct de zoveelste nieuwe partij op te richten, maar bewijs de kracht van je ideeën binnen bestaande partijen. Uiteindelijk is dat de logische en meest vruchtbare route.

En hoe moet het nu met Spanje? De enige manier lijkt deze te zijn: om als de wiedeweerga een nieuw referendum uit te schrijven, maar dan voor geheel Spanje. Dat wordt dan de keuze tussen ‘Wilt u dat Spanje een eenheid blijft?’ en ‘Wilt u dat delen van Spanje zich kunnen afscheiden?’ Je kan zeggen dat het voor de mensen in Catalonië niet uitmaakt als de meerderheid zich voor de eerste optie uitspreekt, maar ik denk dat het heel wat lastiger is om tegen de uitspraak van de bevolking van een heel land in te gaan dan tegen een impopulaire regering. Bovendien is er dan ook duidelijkheid voor de andere regio’s. Gaat het mis met de stemming dan weten we ook voor heel Europa wat we snel moeten gaan doen: regionaliseren onder een Europese paraplu.

Zo, genoeg overhoop gehaald, ik wens iedereen weer een goede week,

Peter Noordhoek

Dead Bison Communication: marketing against overreaction

In Friday’s New York Times it was reported that a European bison (‘Wisent’) had wandered across the border of Poland into Germany. A law officer, seeing the big beast and hearing that the animal ‘could be dangerous’, ordered it shot. And so it was. How can we get better in our communication and marketing against overreaction?

Wisent on the Veluwe

The European bison is a very rare animal. Coming back from extinction, it is slowly increasing its numbers. They number now about 4.000, which is still less than the Indian tiger. The law officer clearly acted against the law of protection of rare species. He should have thought first and asked for information. In that case he would have learned that the animal always flees from humans. It is so good at flying that it is almost impossible to come closer than 50 meters from the beast. The only known death from a bison is when a farmer started putting his pitch fork into a bison in a place where the animal could not flee. With his big head he swept the farmer away. The idiot (the man, I mean, not the bison).

It is a little known fact, but it is true that bovinae (cows) can kill. Each year about 22 cows cause someone’s death, which makes them more a killer than horses (20) or sharks (5), but still far less than crocodiles (1000). But it could be said that the law officer had a reason to be wary of a big cow like the wisent and that there were no crocodiles around. The point is that he overreacted, which is something we do all the time, law officer or not.

Yet nobody expects the law officer to shoot them too. How strange it is. How is it that we are not afraid to join the road – traffic being killer number one – and fear a big cow so much? How can it be that we manage to completely paralyze our cities and airports for a terrorist threat that is, when measured in cold numbers, has a lower chance of killing you than a common cold?

Accepting that we humans are strange irrational animals, I guess we still have to deal with it. Yet there is a case to be made that we humans should get better at calming ourselves, at being realistic. And especially marketing and communication professionals should start making a better job of it.

A few years back, I had the privilege of running a program to introduce the wisent to a part of the Netherlands, in a beautiful wooded area called the ‘Veluwe’. Since 2015 there is now a small herd of 5 wisents in an area, surrounded by a fence. We hope the herd will expand slowly over time, but first we must observe how the animals adapt to the area, which is partly the reason for the fence. (You can still visit, if you want). In the years leading up to the coming of the herd, we had to find some creative solutions to the problem of all the real and imagined dangers of having wisents in your area. All in all, we had to deal with more than 30 different parties (‘stakeholders) in turning that small herd of wisent from an idea into a reality. All of them were capable of a ‘gut reaction’ that could derail the plan. Even now, when the herd is a reality, the people who took over after we played our part, have to stay very alert. I would suggest three ways to avoid the situation that overreaction kills the action:

  • Don’t let sleeping dogs lie

You can take that literally: dog owners are invited to take their dog (on a leash) to the wisent herd. Staying at some distance, mostly for sake of the herd, but close enough to see there is no danger. There are no incidents known between wisent and dog. But the meaning of ‘don’t let sleeping dogs lie’ goes further.
When you are working for something that represents the unknown, a possible danger, it is no use to pretend it is business like usual. It is better to wake everybody up and tell them something is coming. That way you remain in charge of communication. If there are too many parties involved, start with the people and parties that will face the immediate consequences: the people living there, the farmers, etc.

  • Be brave

There is no fear like the fear of a government communicator for a media headline. Creatures of immediate reaction themselves, they have developed a very fine sense of danger. The problem is that they fail to see when an opportunity presents itself for something that plays to the imagination in the positive sense, especially if it involves something potentially dangerous, like a Big (potentially) Bad Bison (sorry, it is actually a wisent, never mind).

You cannot soft-talk a wisent into a fence, let alone a region full of living, working people. you simply have to put it there. You can call it ‘embracing the danger’, but it is actually very rational. The real risk on the side of the wisent is very small, the risk of a crowd becoming skittish is much larger. So be bold, be clear, take no nonsense. People will love you for it. A perfect chance for good publicity, dear communicator.

  • Expose overreaction

Even so, overreaction can happen and you never have everything under control. What if the dreaded thing happens? The logical reaction is to slow things down and wait for normality to return. The problem of course is that in this age of social media

We are entering the field of real crisis communication here, and this is not where I want to go. Staying with the example of the wisent, and supposing a wisent would wander and graze outside its terrain, and suddenly the airwaves would be full of ‘WISENT ESCAPES!’, ‘HUGE BEAST IN YOUR GARDEN!’, what would be then the appropriate reaction?

Probably I will be showing with this example I am no expert either, but I would love to think that the local officer, as Representative of Good Sense, would ask the hyperkinetic journalist to come a little closer, and start by saying that “Yes, this wisent can be dangerous when provoked, so stay away from him, then he is completely harmless. But you know what? I have just had bad news about an even more dangerous beast going around. Watch Out!” “Oh, really?”, the journalist asks, putting his microphone ever closer. “Yes, and it’s a tick*. AND HE’S HERE!” And with that he puts something very small on the sleeve of the journalist. The journalist jumps back, almost jancking the microphone with him. He does not even hear the officer saying calmly “But the biggest danger is overreaction”, wiping the sleeve of the journalist clean.

  • These tiny ticks can cause Lyme’s disease and other illnesses. This is a still small but real risk, easily addressed by a visual scan. Still, the biggest advice is this: enjoy the outdoors whenever you can, especially on the Veluwe!

 

Peter Noordhoek


Onze wereld is groot, complex en hoog als een berg. Weersomstandigheden wijzigen zich voortdurend. Hoe kom je dan aan de top?
Kaarten en instrumenten kunnen helpen. U vindt er hier vele. Het echte geheim schuilt in de mentaliteit waarmee u de berg te lijf gaat. Dan geldt wat iemand ooit vertelde: ‘De noordkant van een berg is het moeilijkste om te beklimmen, maar het meeste de moeite waard.’ Bij Northedge gaan we voor kwaliteit boven kwantiteit. Het vergt meer denkwerk, meer inspanning, meer van meer. Maar het is zo de moeite waard.  

Peter Noordhoek